Curriculum Leerroute 4 en 5



Vergelijkbare documenten
VSO Leerlijn Mondelinge taal

MONDELINGE TAAL. Leerlijn Mondeling taal Pedologisch Instituut, CED-Groep

Schoolstandaard van de Waterlelie

VSO Leerlijn Mondelinge en schriftelijke taal (versie augustus taal 2018)

ZML SO Leerlijn Mondelinge taal

Leerjaar 4, 16 jaar. Leerjaar 5, 17 jaar

Arrangementen dagbesteding VSO Oriëntatiefase Verdiepingsfase Integratiefase Leerjaar 1 (de

Leerlijnen peuters en jonge kind (MET extra doelen) versie juli Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

ZML SO Leerlijn Mondelinge taal

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Ontwikkelingslijnen 0-4 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam kind. Taal Beginnende geletterdheid. Beginnende geletterdheid-fase 5

Leer- en ontwikkelingslijnen 2-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Curriculum Leerroute 4 en 5 Sociale en emotionele ontwikkeling

De taalontwikkeling van het jonge kind. De taalontwikkeling van het jonge kind

Leerlijn Communicatie

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo

VSO Leerlijn Mondelinge en schriftelijke taal

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo

ZML SO Leerlijn Sociale en emotionele ontwikkeling: zelfbeeld en sociaal gedrag

Leerjaar 3: Doelenlijst Nederlands voor leerroute A, B en C

Leerjaar 2: Doelenlijst Nederlands Voor leerroute A, B en C

VSO leerlijn Engels (uitstroom arbeid)

VSO Leerlijn Mondelinge en schriftelijke taal

Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Arrangementen dagbesteding VSO Oriëntatiefase Verdiepingsfase Integratiefase Leerjaar 1 (de

Z I N S O N T L E D I N G

Doelen taalbeschouwing die verworven moeten zijn in het vierde leerjaar

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Tussendoelen Taal: Spraak- Taalontwikkeling

ZML SO Leerlijn Sociale en emotionele ontwikkeling: zelfbeeld en sociaal gedrag

Onderdeel: LEZEN Docent: RKW Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

maakt (kirrende) geluidjes of brabbelt (tegen personen en speelgoed) begint steeds meer woorden te herhalen en (na) te zeggen

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Woordsoorten. Nederlands. Aanwijzend voornaamwoord. Onderschikkend voegwoord. Persoonlijk voornaamwoord. Betrekkelijk voornaamwoord

Lesstof overzicht Station vanaf

Doelenkaart VSO. Domein Sociale en emotionele ontwikkeling: zelfbeeld en sociaal gedrag. Schoolstandaard van de Waterlelie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

16. Luister naar wat ik vertel

Programma van Inhoud en Toetsing

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Leerlijn Spreken & luisteren groep 5

Leerjaar 4, 8 jaar. Leerjaar 5, 9 Jaar

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Visuele Leerlijn Taal

Tussendoelen ontwikkeling van de geletterdheid

Leerlijnenpakket Passende Perspectieven (taal)

1 keer beoordeeld 4 maart 2018

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen

Leerjaar 2: Lesopbouw en suggesties (incl. bewijzenblad) voor leerroute A

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Doelenkaart SO. Domein Sociale en emotionele ontwikkeling: zelfbeeld en sociaal gedrag. Schoolstandaard van de Waterlelie

Drie maal taal. Taal beschouwen in realistische situaties

2F TAKEN SPECIFICATIE EN KENMERKEN week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8 week 9 week 10 Neemt deel aan discussie en overleg

Curriculum Leerroute 4 Rekenen, meten, tijd en geld

Leerlijn/ontwikkelingslijn Leren leren cluster 4

Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8

Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5

ROUTE 2F, Nederlands voor niveau 2F

U leert in deze les "toestemming vragen". Toestemming vragen is vragen of u iets mag doen.

ZML SO Leerlijn Oriëntatie op Tijd

TAAL IS LEUK. Adviezen om de taalontwikkeling te stimuleren

ZML SO Leerlijn Schriftelijke taal: lezen.

1. Ziet de kleine verschillen. tussen letters/cijfers. 2. Herkent hetzelfde woord in een. 5. Kent en kan de namen van

Leerroute 1: Schrijven

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Lesbeschrijving Nederlands

Leerlijn domein mondelinge taalvaardigheid

Oriëntatiefase Verdiepingsfase Integratiefase. Leerjaar 3, 15 Jaar. Leerjaar 4, 16 jaar

- Leerlijn Leren leren - CED groep. Leerlijn Leren leren CED groep

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

instapkaarten taal verkennen

VSO Leerlijnen Voorbereiding op dagbesteding & arbeid (Leren leren)

STANDAARDISERING DOELGROEPENMODEL (V)SO

SOCIALE EN EMOTIONELE ONTWIKKELING: ZELFBEELD EN SOCIAAL GEDRAG

tip! in leerjaar 1, is nog weinig verschil; mavo mag deze samenvatting ook gebruiken

Betrokkenheid. Competentie. De behoefte aan competentie wordt vervuld.

De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn Duitse woordenschat.

Doelenkaart SO en VSO

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Leerstofoverzicht Taal in beeld groep 4

ZML SO Leerlijn Oriëntatie op Tijd

instapkaarten taal verkennen

Nieuw Nederlands 4 vmbo-gt Literatuur: Lijsters (Noordhoff Uitgevers), Lezen voor de lijst

In elke zin staat een werkwoord. Werkwoorden zijn woorden die aangeven welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal staat.

Lezen. Doelgroep Lezen. Omschrijving Lezen

Het verkoop-adviesgesprek. Waar gaat deze kaart over? Wat wordt er van je verwacht? Verkopen

Nieuwsbrief 3 De Vreedzame School

LEREN LEREN: WERKHOUDING EN AANPAK GEDRAG

ORIENTATIE OP TIJD. Kerndoel 1: De leerlingen leren zich oriënteren op de dagindeling en de tijdsindeling.

LEREN LEREN: WERKHOUDING EN AANPAK GEDRAG. Mozarthof school voor ZML Leerlijn Leren leren dd /6

Transcriptie:

Curriculum Leerroute 4 en 5 Mondelinge taal-vso Dit curriculum is gebaseerd op de ZML SO en VSO leerlijn Mondelinge en schriftelijke taal, CED-groep, 2012. In dit curriculum zijn de cruciale doelen opgenomen. Dit zijn de doelen waaraan in een leerjaar in ieder geval moet worden gewerkt. Verder kan er (binnen de leerroute), convergent gedifferentieerd worden, door te intensiveren, te verdiepen of te verbreden naar andere doelen uit de leerlijn binnen hetzelfde niveau. De kerndoelen ZML SO binnen dit curriculum zijn: 1. De leerlingen leren communiceren met woorden, gebaren, picto s of met andere voor hen geëigende middelen 2. De leerlingen leren gesproken taal begrijpen en gebruiken 3. De leerlingen leren deelnemen aan gesprekken in verschillende communicatieve situaties 4. De leerlingen leren een zo ruim mogelijke woordenschat begrijpen en gebruiken De kerndoelen ZML VSO binnen dit curriculum zijn: 1. De leerling leert actief te luisteren naar gesproken taal over alledaagse en werkgerelateerde onderwerpen 2. De leerling leert actief te luisteren naar gesproken taal in alledaagse situaties 3. De leerling leert zich begrijpelijk uit te drukken in gesprekken over onderwerpen uit het dagelijks leven 7. De leerling leert eigen taalactiviteiten voor te bereiden, te plannen en te evalueren 2. De leerling leert zich mondeling verstaanbaar en begrijpelijk uit te drukken in gesprekken, overlegsituaties en presentaties over alledaagse en werkgerelateerde onderwerpen 6. De leerling leert gebruik maken van strategieën voor woordenschatverwerving 7. De leerling leert zijn woordenschat uit te breiden met behulp van strategieën 8. De leerling leert om taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) voor te bereiden, te plannen en na te kijken 9. De leerling leert van feedback van anderen en van eigen reflectie op taalvaardigheden De items op de sub-leerlijnen van de ZML SO en VSO leerlijn mondelinge taal zijn: 2.1. Zins-/verhaalbegrip 2.3. Begrijpend luisteren 3.3. Een gesprek voeren met een ander 3.4. Sociale routines 3.5. Zinsbouw 3.6. Woordvorming 3.7. Voorzetsels en locatie aanduiden 4.1. Passieve woordenschat 4.2. Actieve woordenschat 4.3. Woorden omschrijven Curriculum Leerroute 4 en 5 - Mondelinge taal (VSO), 17-08-2015 1

Doelen Leeftijd Niveau leerlijn Item 4 jaar 1 2.1 Begrijpt losse woorden (heet, drinken, schoenen, zitten) 2.3 De leerling kijkt gericht naar de leerkracht als deze vertelt wat ze gaan doen 2.3 De leerling begrijpt door de toon van de stem of hij iets wel of niet mag 3.3 Reageert zichtbaar op verschillende intonatie toonhoogtes, zoals vragend, streng, rustig 3.4 Kent de functie van zwaaien bij komen en weggaan 3.4 Reageert met zwaaien, vrolijk gedrag, dag bij komen en gaan 3.5 Gebruikt tweewoordzinnen (Tom drinken, Sanne spelen) 3.7 Begrijpt in en uit 4.1 Wijst de juiste persoon aan als een bepaalde naam wordt genoemd (mamma, pappa) 4.2 Kijkt naar een voorwerp als een ander het woord die zegt en naar het voorwerp wijst 5 jaar 2 2.1 Begrijpt driewoordzinnen 2.3 Voert enkelvoudige opdrachten uit bij dagactiviteiten als ze één-op-één worden aangeboden (Joris, ga zitten) 3.3 Neemt initiatief in de communicatie met anderen 3.4 Neemt op verschillende manieren afscheid (dag, doei, zwaaien) 3.5 Maakt driewoordzinnen in tegenwoordige tijd met onderwerp en werkwoord (hoeft nog niet altijd correct) (Erik spelen niet) 3.7 Begrijpt op en af 3.7 Benoemt in en uit 4.1 Wijst bij het benoemen van 20 verschillende woorden het juiste voorwerp aan 4.2 Benoemt 10 woorden met ondersteuning van concreet materiaal (picto s, foto s) 4.2 Benoemt en wijst mamma, pappa, broer en zus, opa en oma aan op een afbeelding 6 jaar 3 2.1 Begrijpt vijfwoordzinnen 2.3 Voert enkelvoudige opdrachten uit wanneer ze niet één-op-één worden aangeboden 3.3 Geeft antwoord op een vraag als die direct aan hem gesteld wordt 3.4 Begroet op verschillende manieren (hoi, zwaaien, naar iemand toe komen) 3.6 Past op bekende woorden de regelmatige meervoudsregel toe met -en (kip, kippen) 3.7 Begrijpt voor en achter 3.7 Benoemt op en af 4.1 Wijst verschillende voorwerpen en handelingen aan die duidelijk verschillen (lang en kort touw, volle en lege beker) 4.2 Gebruikt die en dat om het aanwijzen van een voorwerp te ondersteunen 4.3 Beschrijft één duidelijk kenmerk bij een concreet voorwerp, een handeling of een gevoel (kleur, grootte, boos, blij, etc.) 7 jaar 4 2.1 Begrijpt zinnen met aanduidingen als eerste, laatste, volgende 2.3 Geeft een juiste reactie op een korte mondelinge tekst rondom een dagelijkse activiteit 3.3 Vertelt iets in de kring als hij daartoe wordt uitgenodigd 3.4 Feliciteert een ander Curriculum Leerroute 4 en 5 - Mondelinge taal (VSO), 17-08-2015 2

3.4 Bedankt een ander op verschillende manieren 3.6 Past op bekende woorden de regelmatige meervoudsregel toe met -s (varken-varkens) 3.7 Begrijpt naast, onder, naar, hier 3.7 Benoemt voor en achter 4.1 Wijst verschillende voorwerpen en handelingen aan waar een klein verschil tussen zit (bekers met meer en minder vloeistof, hogere en lagere tafel) 4.3 Benoemt één functioneel aspect van een bekend woord (het rijdt, het is eetbaar, etc.) 8 jaar 5 2.1 Begrijpt zinnen met aanduidingen als later, eerder, vorige (we gaan eerder naar binnen, de bus komt later) 2.3 Voert een meervoudige opdracht uit binnen het hier en nu (ga naar juf Els en vraag krijt) 3.3 Neemt het woord in een (kring)gesprek 3.4 Geeft een complimentje over het uiterlijk of een product (mooie jas, mooie tekening) 3.5 Gebruikt bijvoeglijke naamwoorden (Tom heeft blote voeten) 3.6 Past de regelmatige meervoudsregel toe op alle woorden 3.7 Begrijpt de voorzetsels voorbij, verder, middenin 3.7 Benoemt naast, onder, naar, hier 4.1 Raadt woorden bij een omschrijving met een aantal kenmerken 4.3 Benoemt drie aspecten van een bedoeld woord (het is groen, rond en je kunt het eten) 9 jaar 6 2.1 Begrijpt zinnen met aanduidingen als wanneer en erna (eerst mag Stan, jij mag erna) 2.3 Voert meervoudige niet alledaagse opdrachten uit 3.3 Geeft en neemt de beurt in een gesprek 3.4 Stelt zichzelf netjes voor (ik ben Wouter Smit) 3.5 Maakt zinnen in de verleden tijd met ovt met regelmatige vormen (ik fietste) 3.6 Past op bekende woorden de verkleinwoordregel toe (-je, -kje, -pje, -tje, -etje) 3.7 Benoemt boven, beneden, van en naar 3.7 Begrijpt links en rechts 4.2 Vraagt om verduidelijking van de betekenis van een woord 4.3 Omschrijft een concreet woord, zodat een ander het plaatje vindt (in een reeks foto s wordt het juiste woord door een ander gevonden) 10 jaar 7 2.1 Begrijpt zinnen en bijzinnen met de voegwoorden en, dan, waarna, toen, nadat, voordat 2.3 Geeft een aantal onderwerpen aan die in een mondelinge tekst voorkomen 3.3 Neemt deel aan een eenvoudig gesprek met meerdere mensen 3.4 Gebruikt woorden om beleefdheid uit te drukken (dank u, sorry, mag ik iets vragen) 3.5 Gebruikt het bezittelijke voornaamwoord hem/zijn en haar 3.6 Past de verkleinwoordregel toe op alle woorden (-je, -kje, -pje, -tje, -etje) 3.7 Benoemt tussen, bovenin, onderin, in het midden van 3.7 Gebruikt links en rechts 4.2 Gebruikt de juiste lidwoorden de, het en een bij bekende zelfstandige naamwoorden Curriculum Leerroute 4 en 5 - Mondelinge taal (VSO), 17-08-2015 3

4.3 Verzint woorden die bij een voorwerp passen (bij een auto hoort een band, stuur, radio) 11 jaar 8 2.1 Begrijpt zinnen en bijzinnen met de voegwoorden, zoals, want, omdat, als, waardoor 2.3 Geeft aan dat een eenvoudige tijdsordening in een mondelinge tekst begrepen is 3.3 Spreekt met anderen af wat er gedaan moet worden (ik leg de mat neer, doe jij de pion?) 3.4 Nodigt een ander uit, heet hem welkom, en biedt hem iets aan 3.5 Maakt zinnen in de verleden tijd met ovt met onregelmatige vormen (ik blies, dronk, viel) 3.6 Gebruikt regelmatige vormen van de vergrotende en overtreffende trap (groot, groter, grootst) 3.7 Benoemt dichtbij, veraf, dichterbij, verder af 4.1 Vraagt hulp om achter de betekenis van een woord te komen 4.2 Gebruikt dit (verwijzend naar het) en deze (verwijzend naar de) 4.3 Omschrijft een concreet woord, waarbij een ieder het woord begrijpt 12 jaar 9 2.1 Begrijpt een aantal zinnen die met elkaar samenhangen 2.1 Begrijpt middel-doelrelaties met het woord om 2.3 Onderscheidt hoofd- en bijzaken in een eenvoudige mondelinge tekst 3.3 Past woordkeuze aan zijn gesprekspartner aan (verschil vrienden / volwassenen) 3.3 Kan zich uiten (op een adequate wijze) in gesprekssituaties met gelijkwaardige interactiepartners en relatieve bekenden 3.4 Geeft een complimentje over een handeling of gedrag (je hebt me goed geholpen, wat aardig van je) 3.5 Gebruikt eerst, straks, dan, daarna, eerste, laatste, volgende met de juiste werkwoordstijd 3.6 Gebruikt onregelmatige vormen van de vergrotende en overtreffende trap (meer, meest) 4.3 Legt uit wat een woord betekent door het uit te beelden 13 jaar 9 3.3 Neemt deel aan een formeel gesprek met één gesprekspartner 3.3 Bespreekt de meningen globaal vanuit de eigen mening 3.4 Reageert op een complimentje 3.5 Gebruikt zinnen met een toekomende tijd (hij zal gaan fietsen) 3.7 Vindt de weg in een bekende omgeving na een aanwijzing met tijd en plaats (de eerste weg links) 4.2 Produceert uitdrukkingen die meestal letterlijk zijn te interpreteren 14 jaar 10 2.1 Begrijpt oorzaak-gevolgrelaties 2.3 Onderscheidt eenvoudige verbanden in een mondelinge tekst (oorzaak-gevolg, doel-middel) 3.3 Rondt eerst het oude onderwerp af voordat hij een nieuw onderwerp aansnijdt (niet van de hak op de tak) 3.3 Maakt uit zichzelf een praatje met (een) bekende volwassene(n) 3.4 Durft aan te geven dat hij het ergens niet mee eens is (negatieve beoordeling) 3.5 Gebruikt middel-doelrelaties met het woord om 3.6 Past de klankveranderende meervoudsregel toe (dag-dagen) 3.7 Benoemt even ver, dichtst bij, verst af 4.1 Groepeert woorden om ze te onthouden Curriculum Leerroute 4 en 5 - Mondelinge taal (VSO), 17-08-2015 4

4.3 Legt uit wat een woord betekent met behulp van een bekende context 15 jaar 11 2.1 Herkent signaalwoorden in oorzaak-gevolgrelaties 2.3 Begrijpt een voorgelezen of verteld verhaal 3.3 Neemt deel aan een gesprek met meerdere bekende personen dat leidt tot een gezamenlijk besluit 3.5 Herkent en gebruikt zelfstandig naamwoorden 3.5 Herkent en gebruikt voorzetsels 3.5 Herkent en benoemt werkwoord (doenwoord) 3.6 Gebruikt werkwoorden met goede toevoegingen (wij lopen) 4.1 Kiest de juiste betekenis in het woordenboek 4.2 Gebruikt een eenvoudig woordenboek (Prisma) of de computer om woorden te leren 4.3 Legt uit wat een woord betekent met behulp van de context 16 jaar 12 2.1 Luistert naar een boodschap op televisie en haalt de kern uit de tekst 2.3 Onderscheidt meerdere meningen in een mondelinge tekst zowel van anderen als van zichzelf 2.3 Luistert kritisch naar een tekst (onderscheidt feiten en meningen, die de leerling willen overtuigen) 3.3 Kan zich uiten (op een adequate wijze) in gesprekssituaties met ongelijkwaardige interactiepartners en relatieve onbekenden 3.3 Volgt de gesprekspartner in een gesprek zonder onverwachte wendingen 3.4 Geeft op een correcte manier kritiek aan bekenden 3.5 Vervoegt werkwoorden in de o.t.t. (regelmatig) 3.5 Vervoegt werkwoorden in o.v.t. (sterk, zwak) 4.1 Maakt eigen woordenlijst/woordkaartjes om woorden te onthouden 4.3 Vraagt wat een onbekend woord betekent 17 jaar 13 2.1 Luistert naar een gesproken tekst op de radio en legt een ander de boodschap uit 2.3 Begrijpt de hoofdpunten van (nieuws)berichten over vertrouwde onderwerpen 2.3 Geeft de hoofdgedachte van een tekst weer 3.3 Maakt zichzelf goed verstaanbaar wanneer hij spreekt in het openbaar door te variëren in volume of toonhoogte 3.4 Wisselt op een passende manier informatie uit in een informeel gesprek 3.5 Herkent en gebruikt voorzetsels 3.5 Herkent en vormt samenstellingen, opgebouwd uit zelfstandig naamwoorden 4.3 Schrijft kernwoorden op 18 jaar 13 2.3 Geeft een oordeel over een tekst(deel) of tv- of radioprogramma 2.3 Maakt onderscheid tussen hoofd- en bijzaken 3.3 Voert een gesprek met een onbekende, waarbij informatie uitgewisseld wordt (bijv. bij de huisarts of aan een loket) 3.4 Wisselt informatie uit tijdens een formeel gesprek 3.5 Vervoegt werkwoorden in de v.v.t. en v.t.t. 4.1 Definieert de betekenis van woorden op verschillende manieren (letterlijke en figuurlijke betekenis, synoniem, homomiem) Curriculum Leerroute 4 en 5 - Mondelinge taal (VSO), 17-08-2015 5

4.2 Breidt zijn woordenschat uit met signaalwoorden (dus, indien) 19 jaar 14 2.1 Stelt bij verschillende tekstsoorten zelfstandig en op eigen initiatief tekstdoel vast (informatie opnemen, mening horen) en stemt hier zijn manier van luisteren op af 2.3 Kan de bedoeling van de tekst zelf verwoorden 2.3 Herkent en benoemt aangeboden tekstsoorten (zoals informerend, verhalend, instructief en betogend) 3.3 Haakt aan bij het gespreksonderwerp van een andere leerling 3.3 Vertelt waarom hij het wel of niet eens is met de mening van de ander uit de groep 3.4 Vraagt in een gesprek naar de gevoelens van de ander (vind jij dat ook?) 3.5 Ontleedt zinnen in onderwerp, persoonsvorm en hele werkwoord 4.1 Omschrijft een abstract woord 4.2 Gebruikt een meer uitgebreid woordenboek (van Dale) om woorden te leren Curriculum Leerroute 4 en 5 - Mondelinge taal (VSO), 17-08-2015 6