Informatie Arbeidsmarkt en Onderwijs 2004
Informatie Arbeidsmarkt en Onderwijs 2004 Auteurs : Jop van Amelsvoort, Pascale Heuts, Geertje Röling, Marieke Politiek copyright september 2004 OVDB, Bunnik Pagina 2 van 78
Inhoudsopgave 0. Inleiding en samenvatting 8 1. Verpleging en Verzorging 11 1.1 Arbeidsmarkt Gezondheidszorg... 11 1.2 Deelnemers Verpleging en Verzorging... 14 1.3 Beroepspraktijkvorming Verpleging en Verzorging... 17 1.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt... 18 1.5 Conclusies... 20 2. Sociaal Agogisch Werk 22 2.1 Arbeidsmarkt Welzijn... 22 2.2 Deelnemers Sociaal Agogisch Werk... 26 2.3 Beroepspraktijkvorming Sociaal Agogisch Werk... 30 2.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt... 31 2.5 Conclusies... 34 3. Praktijkopleider 35 3.1 Arbeidsmarkt Praktijkopleider... 35 3.2 Deelnemers Praktijkopleider... 35 3.3 Beroepspraktijkvorming Praktijkopleider... 35 3.4 Conclusies... 36 4. Assisterenden Gezondheidszorg 36 4.1 Apothekersassistent... 37 4.1.1 Arbeidsmarkt Apothekersassistent... 37 4.1.2 Deelnemers Apothekersassistent... 39 4.1.3 Beroepspraktijkvorming Apothekersassistent... 41 4.1.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt Apothekersassistent... 41 4.2 Doktersassistent... 44 4.2.1 Arbeidsmarkt Doktersassistent... 44 4.2.2 Deelnemers Doktersassistent... 45 4.2.3 Beroepspraktijkvorming Doktersassistent... 47 4.2.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt... 47 4.3 Tandartsassistent... 49 4.3.1 Arbeidsmarkt Tandartsassistent... 49 4.3.2 Deelnemeraantallen Tandartsassistent... 50 4.3.3 Beroepspraktijkvorming Tandartsassistent... 50 4.3.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt... 51 4.4 Conclusies... 52 5. Sport en Bewegen 53 5.1 Arbeidsmarkt Sport en Bewegen... 53 5.2 Deelnemers Sport en Bewegen... 55 5.3 Beroepspraktijkvorming Sport en bewegen... 57 5.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt... 58 5.5 Conclusies... 60 6. Facilitaire Dienstverlening 60 6.1 Arbeidsmarkt Facilitaire dienstverlening... 60 6.2 Deelnemers Facilitaire Dienstverlening... 63 6.3 Beroepspraktijkvorming Facilitaire Dienstverlening... 66 6.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt... 66 6.5 Conclusies... 67 Pagina 3 van 78
7. Arbeidsmarkt en Onderwijs regionaal: Perspectieven op een BPV-plaats en een Arbeidsplaats 68 7.1 Inleiding... 68 7.2 Landelijke samenvatting... 68 7.3 Regionale resultaten... 69 7.4 Conclusies... 75 Bijlage 1 Toelichting berekening BPV-balans 76 Bijlage 2 Aansluiting beroepspraktijkvorming onderwijs: leerplaatsen per leerling 78 Bijlage 3 Aangehaalde bronnen 82 Pagina 4 van 78
Lijst van tabellen Tabel 1 Kwalificaties OVDB per domein, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)*... 9 Tabel 2 Kwalificaties Verpleging en Verzorging, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)*... 11 Tabel 3 Aantal instellingen en aantal werkzame personen in de Gezondheidszorg en Welzijnszorg in 2003... 11 Tabel 4 Raming verdeling werkzame personen naar kwalificatie en branche (in % t.o.v. totaal per kwalificatie)... 12 Tabel 5 Verwachte ontwikkeling van banen van werknemers in verplegende, opvoedende en verzorgende beroepen 2002-2007 (absolute aantallen en jaarlijkse groei in %)... 13 Tabel 6 Verwachte ontwikkeling baanopeningen voor schoolverlaters, verplegende, opvoedende en verzorgende beroepen 2004-2007 (absolute aantallen en groei in %)... 14 Tabel 7 Historische ontwikkeling deelnemers 1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor het domein Verpleging en Verzorging per kwalificatie... 15 Tabel 8 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor het domein Verpleging en Verzorging per kwalificatie... 16 Tabel 9 Bestemming schoolverlaters Verpleging en Verzorging (ca. anderhalf jaar na diplomering) (in %)... 17 Tabel 10 Aantal geregistreerde leerplaatsen V&V... 17 Tabel 11 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerlingen V&V... 18 Tabel 12 Berekening BPV-balans... 19 Tabel 13 Aantal benodigde deelnemers op grond van de vraag op de arbeidsmarkt en huidige aantal deelnemers in opleiding... 20 Tabel 14 Aantal benodigde BPV-plaatsen, uitgaande van de vraag op de arbeidsmarkt... 20 Tabel 15 Kwalificaties Sociaal Agogisch Werk, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)*... 22 Tabel 16 Bestemming schoolverlaters sociaal agogisch werk naar diverse sectoren... 22 Tabel 17 Bestemming schoolverlaters sociaal agogische opleidingen naar diverse beroepsgroepen.. 23 Tabel 18 Beroepen en functies van agogisch werkenden in 2003 (in %)... 23 Tabel 19 Tabel 20 Aantal Instellingen en aantal werkzame personen in de Gezondheidszorg en Welzijnszorg in 2003... 24 Raming verdeling werkzame personen naar kwalificatie en branche (in % t.o.v. totaal per kwalificatie)... 25 Tabel 21 Verwachte ontwikkeling banen van werknemers in sociaal agogische beroepen 2002-2007 (absolute aantallen en jaarlijkse groei in %)... 25 Tabel 22 Verwachte ontwikkeling baanopeningen schoolverlaters sociaal agogische beroepen 2004-2007 (absolute aantallen en groei in %)... 26 Tabel 23 Tabel 24 Tabel 25 Historische ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor het domein Sociaal Agogisch Werk per kwalificatie... 28 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor het domein Sociaal Agogisch Werk per kwalificatie... 29 Bestemming schoolverlaters Sociaal Agogische Opleidingen (ca. anderhalf jaar na diplomering) (in %)... 30 Tabel 26 Aantal geregistreerde leerplaatsen SAW... 31 Tabel 27 Procentuele verdeling van BPV-plaatsen (SAW) in verschillende branches... 31 Tabel 28 Berekening BPV-balans... 32 Tabel 29 Aantal benodigde deelnemers op grond van de vraag op de arbeidsmarkt en huidige aantal deelnemers in opleiding... 33 Tabel 30 Vraag naar en aanbod van BPV-plaatsen, uitgaande van de vraag op de arbeidsmarkt... 34 Tabel 31 Kwalificatie Praktijkopleider, kwalificatieniveau en crebonummer... 35 Tabel 32 Historische ontwikkeling deelnemers 1998/99-2003/04 voor Praktijkopleider... 35 Tabel 33 Tabel AA Branches met leerplaatsen voor praktijkopleiders... 36 Tabel 34 Kwalificaties OVDB per domein, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)*... 36 Tabel 35 Ontwikkeling aantal openbare apotheken 1994-2001... 37 Tabel 36 Verdeling apotheken en apothekers naar soort in 2001 (abs. en %)... 37 Pagina 5 van 78
Tabel 37 Aantal apotheekassistenten en apotheekhulpen 1998-2002... 38 Tabel 38 Ontwikkelingen werkgelegenheid apothekersassistenten o.b.v. Basisscenario ( middenvariant bevolkingsgroei; 3,5% autonome groei geneesmiddelengebruik), 2003-2010... 38 Tabel 39 Ontwikkelingen in aanbod van arbeid van apothekersassistenten, 2003-2010... 38 Tabel 40 Werkende gediplomeerde assistenten*, naar functie (%)... 39 Tabel 41 Historisch ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor apothekersassistenten... 39 Tabel 42 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor apothekersassistenten... 41 Tabel 43 Aantal geregistreerde leerplaatsen Apothekersassistent... 41 Tabel 44 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerlingen Apothekersassistent... 41 Tabel 45 Berekening BPV-balans... 42 Tabel 46 Aanbod van leerplaatsen en overschot/tekort op basis van een correctiefactor van 25%... 42 Tabel 47 Aantal benodigde deelnemers op grond van de vraag op de arbeidsmarkt en huidige aantal deelnemers in opleiding... 44 Tabel 48 Vraag naar en aanbod van BPV-plaatsen, uitgaande van de vraag op de arbeidsmarkt... 44 Tabel 49 De werkgelegenheid voor doktersassistenten (werkzame personen)... 44 Tabel 50 Werkzame assistenten(2001) en fte s huisartspraktijken in 2003... 45 Tabel 51 Tabel 52 Historisch ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor doktersassistenten... 46 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor doktersassistenten... 46 Tabel 53 Aantal geregistreerde leerplaatsen Doktersassistent... 47 Tabel 54 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerlingen Doktersassistent... 47 Tabel 55 Berekening BPV-balans... 48 Tabel 56 Aantal tandartspraktijken, tandartsen en tandartsassistenten, 1999-2002 (per 1 januari)... 49 Tabel 57 Tabel 58 Historische ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor tandartsassistenten... 50 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor tandartsassistenten... 50 Tabel 59 Aantal geregistreerde leerplaatsen Tandartsassistent... 50 Tabel 60 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerlingen Tandartsassistent... 51 Tabel 61 Berekening BPV-balans... 51 Tabel 62 Aanbod van leerplaatsen en overschot / tekort op basis van een correctiefactor van 25%... 52 Tabel 63 Kwalificaties OVDB per domein, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)*... 53 Tabel 64 Aantallen bedrijven in de sportsector... 53 Tabel 65 Banen werknemers in de sector Cultuur, Sport en Recreatie (vanaf 2002 schatting; aantallen x 1.000)... 54 Tabel 66 Ontwikkeling van banen van werknemers per sector Prognoses per jaar o.b.v. lage scenario voor 2003-2004 en middenscenario voor 2005-2008 (volgens de CWI-prognoses 2003)... 54 Tabel 67 Vacatures voor toerisme en sport en overige recreatie. Vanaf 2003 prognoses (2003-2004 Tabel 68 lage scenario; 2005-2008 middenscenario; vacatures x 1000)... 55 Historisch ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor het domein Sport en Bewegen kwalificatie... 57 Tabel 69 Aantal geregistreerde leerplaatsen SB... 57 Tabel 70 Soorten leerbedrijven voor leerlingen SB... 58 Tabel 71 BPV-balans... 59 Tabel 72 Kwalificaties OVDB per domein, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)*... 60 Tabel 73 Werkgelegenheidsverdeling horeca, verblijfsrecreatie en contractcatering... 61 Tabel 74 Tabel 75 Ontwikkeling van banen van werknemers en vacatures per sector, prognoses per jaar op basis van lage scenario voor 2003-2004 en middenscenario voor 2005-2008... 62 Facilitaire en overige functies binnen zorg en welzijn voor 2001 en 2005 (aantal werknemers)... 63 Pagina 6 van 78
Tabel 76 Historisch ontwikkeling deelnemers 1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor het domein Facilitaire Dienstverlening per kwalificatie... 65 Tabel 77 Instroom deelnemers in aantallen 2002-2003 en procentuele groei 2003 voor het domein Facilitaire Dienstverlening per kwalificatie... 65 Tabel 78 Aantal geregistreerde leerplaatsen Facilitaire Dienstverlening... 66 Tabel 79 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerling Facilitaire Dienstverlening... 66 Tabel 80 Berekening BPV-balans... 67 Tabel 81 Perspectief op een beroepspraktijkvormingsplaats en Perspectief op een Arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in heel Nederland... 69 Tabel 82 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Noord... 70 Tabel 83 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Oost... 71 Tabel 84 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Mid-West... 72 Tabel 85 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Noord-West... 73 Tabel 86 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Zuid-West... 74 Tabel 87 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Zuid-Oost... 75 Pagina 7 van 78
0. Inleiding en samenvatting In dit rapport doet de OVDB verslag van analyses rondom de aansluiting tussen arbeidsmarkt en beroepsopleidingen in de sectoren Gezondheidszorg, Dienstverlening, Welzijn en Sport. Voor een optimale aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt zijn twee perspectieven van belang, de balans onderwijs-arbeidsmarkt kan op twee manieren bekeken worden: (a) vanuit de vraag van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen, en (b) vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden. Hieruit volgen drie vragen die in dit rapport beantwoord moeten worden. 1. Zijn er voldoende BPV-plaatsen om het huidige aantal deelnemers van een BPV-plaats te voorzien? 2. Zijn er voldoende deelnemers om aan de vraag van de arbeidsmarkt naar gekwalificeerd personeel te voldoen? 3. Zijn er voldoende BPV-plaatsen om de voor de arbeidsmarkt benodigde deelnemers van een BPV-plaats te voorzien? In de rapportage Informatie Arbeidsmarkt en Onderwijs 2003 OVDB is dit jaar voor het eerst gebruik gemaakt van de BPV Balans, een methode van de OVDB om te bepalen in welke mate het huidige BPVaanbod voldoet aan de vraag. Deze vraag bestaat enerzijds uit de vraag naar BPV-plaatsen door de huidige opleidingen afgestemd op t aantal leerlingen. En anderzijds uit de BPV-behoefte, afgeleid uit de behoefte aan leerlingen die nodig zijn om straks de arbeidsmarkt van personeel te voorzien. Aan deze benaderingen gaat een aantal uitgangspunten vooraf. Zo wordt verondersteld dat niet alle leerlingen tegelijkertijd op stage gaan, maar dat efficiënt met de aangeboden BPV-plaatsen wordt omgegaan. Wel wordt rekening gehouden met het feit dat leerbedrijven niet altijd elke BPV-plaats fulltime aanbieden. Deze correctie verschilt per branche. Daarnaast worden alle BPV-plaatsen als even wenselijk behandeld; er wordt (nog) geen rekening gehouden met voorkeuren voor bepaalde branches. Het is raadzaam deze uitgangspunten mee te nemen bij het lezen van de conclusies. De OVDB is verantwoordelijk voor de exameneisen van mbo-opleidingen in de hierboven genoemde sectoren. (Uitzondering hierop vormen particuliere opleidingen). Het gaat momenteel om 22 kwalificaties binnen vijf domeinen: Verpleging en Verzorging (V&V), Assisterenden Gezondheidszorg (AG), Facilitaire Dienstverlening (FD), Sociaal Agogisch Werk (SAW), Sport en Bewegen (SB). In de tabel op de volgende pagina zijn deze kwalificaties weergegeven. Daarnaast heeft de OVDB ook nog een kwalificatie voor Praktijkopleider (PO). Praktijkopleiders hebben als taak om binnen instellingen zorg te dragen voor goede voorwaarden voor het praktijkleren (beroepspraktijkvorming) van deelnemers. Pagina 8 van 78
Tabel 1 Kwalificaties OVDB per domein, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)* Kwalificatie Kwalificatieniveau Crebonummer(s) Verpleging en Verzorging Zorghulp Niveau 1 10795 Helpende Niveau 2 10428 Verzorgende Niveau 3 10427 Verpleegkundige Niveau 4 10426 Sociaal Agogisch Werk Helpende Welzijn Niveau 2 10745 Sociaal Pedagogisch Werker 3 Niveau 3 10742 Sociaal Dienstverlener Niveau 3 10744 Sociaal Pedagogisch Werker 4 Niveau 4 10433, 10743 Sociaal Cultureel Werker Niveau 4 10432, 10746 Onderwijsassistent Niveau 4 10710 Assisterenden Gezondheidszorg Apothekersassistent Niveau 4 10435, 10774 Doktersassistent Niveau 4 10437, 10776 Tandartsassistent Niveau 4 10436, 10775 Facilitaire Dienstverlening Voedingsassistent Niveau 2 10441 Medewerker Facilitaire Dienstverlening Niveau 2 10440 Medewerker Facilitaire Dienstverlening Niveau 4 10438 Facilitair Medewerker** Niveau 2 10891 Facilitair Leidinggevende** Niveau 4 10892 Sport en Bewegen Sport- en Bewegingsbegeleider Niveau 2 10872 Sport- en Bewegingsleider Niveau 3 10873 Sport- en Bewegingscoördinator Niveau 4 10874 Sport- en Bewegingsleider Niveau 4 10430 Praktijkopleider 10890 * Meerdere crebonummers bij één kwalificatie betekent dat er nog een oude opleiding loopt, terwijl er al een nieuwe opleiding is gestart ** Deze opleidingen zijn pas in 2003 van start gegaan Bron: Ministerie van OC&W Het rapport is opgebouwd langs de lijnen van de vijf domeinen waarvoor de OVDB werkzaam is: Verpleging en Verzorging (hoofdstuk 1), Sociaal Agogisch Werk (hoofdstuk 2), Assisterenden Gezondheidszorg (hoofdstuk 4), Sport en Bewegen (hoofdstuk 5) en Facilitaire Dienstverlening (hoofdstuk 6). Na hoofdstuk 2 is een hoofdstuk over Praktijkopleider opgenomen (hoofdstuk 3). Het rapport wordt afgesloten met een regionaal overzicht (hoofdstuk 7). Per domein gaan we in op: 1. Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt We vertalen ontwikkelingen op de arbeidsmarkt naar de werkgelegenheid voor de relevante beroepen binnen het domein. Tussen de verschillende domeinen en beroepen bestaan echter grote verschillen in beschikbaarheid en aard van informatie. Voor Zorg en Welzijn is gevarieerde en soms gedetailleerde informatie voorhanden. Voor Assisterenden Gezondheidszorg geldt dat voor apothekersassistenten redelijk wat informatie voorhanden is, maar dat dit voor tandarts- en doktersassistenten ontbreekt. Voor de domeinen Facilitaire Dienstverlening en Sport en Bewegen is relatief weinig informatie te krijgen, zeker als het gaat om de OVDB-gerelateerde beroepen. De diversiteit aan informatie betekent dat de gepresenteerde gegevens nogal kunnen verschillen, afhankelijk van de beroepen waar het om gaat en de informatie en bronnen die daarvoor beschikbaar zijn. Pagina 9 van 78
Voor de domeinen Verpleging en Verzorging en Sociaal Agogisch werk is zoveel mogelijk aangesloten bij Regiomarge 2003 (Prismant, 2004), een jaarlijks door de zorgsector uitgevoerd arbeidsmarktonderzoek. Daartoe hebben we gebruik kunnen maken van gegevens als werkgelegenheid en baanopeningen op kwalificatieniveau, zoals deze door Prismant beschikbaar zijn gesteld. Deze gegevens zijn aangevuld met informatie uit diverse andere bronnen. Zo is er onder andere ook gebruik gemaakt van bronnen als het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), rapportages van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA), het schoolverlatersonderzoek van het ROA, de CWI Arbeidsmarktprognose 2004-2009 (CWI, 2004) en enkele branchespecifieke bronnen. 2. Deelnemers aan opleidingen Gegevens over deelnemers aan de verschillende opleidingen zijn afkomstig van de Centrale Financiën Instelling (CFI). Met betrekking tot instroom van deelnemers is gebruik gemaakt van onderzoek naar instroom en rendement van deelnemers aan OVDB-opleidingen, uitgevoerd door Prismant in opdracht van de OVDB (Prismant 2004). Hier gaan we in op de historische en mogelijk toekomstige ontwikkelingen van aantallen deelnemers aan de verschillende opleidingen. Tevens gaan we in op de bestemming van gediplomeerde schoolverlaters: waar komen zij doorgaans te werken? Hiervoor wordt gebruikgemaakt van resultaten van het schoolverlatersonderzoek van het ROA. 3. Leerbedrijven en Beroepspraktijkvormingsplaatsen Gegevens over leerbedrijven en de beschikbaarheid van Beroepspraktijkvormingsplaatsen zijn afkomstig uit het register leerbedrijven van de OVDB (IBIS). Daarnaast is gebruik gemaakt van onderzoek naar Beroepspraktijkvormingsplaatsen (BPV-plaatsen), uitgevoerd door Prismant in opdracht van de OVDB. 4. Conclusie met betrekking tot de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt In dit laatste onderdeel maken we de balans op en trachten we de centrale vraag van dit rapport te beantwoorden. Hoe sluiten onderwijs en arbeidsmarkt op elkaar aan? Hierbij zijn de op pagina 5 genoemde perspectieven van belang. Hieronder volgt een korte samenvatting van de conclusies van dit rapport. Daarbij volgen we de drie hierboven weergegeven vragen. Landelijk gezien is de verwachting dat er voor de meeste opleidingen (ruim) voldoende bpv-plaatsen beschikbaar zullen zijn. Uitzonderingen hierop zijn de opleidingen Sport en Bewegen. Voor deze opleidingen zijn er op dit moment niet voldoende BPV-plaatsen beschikbaar voor het huidige aantal deelnemers. Landelijk verwachten we dat er voor de opleidingen tot helpende, verzorgende, verpleegkundige helpende welzijn en Sociaal Pedagogisch Werker Niveau 3 ruim voldoende deelnemers in opleiding zijn om aan de verwachtingen voor de arbeidsmarkt te kunnen voldoen. Vanuit het gezichtspunt van de deelnemers betekent dit dat zij te maken krijgen met een minder gunstig arbeidsmarktperspectief. Voor de opleidingen Zorghulp, Sociaal Pedagogisch Werker niveau 4 en Apothekersassistent constateren we dat er waarschijnlijk niet voldoende deelnemers in opleiding zijn om aan de behoefte van de arbeidsmarkt te voldoen. Op grond van deze arbeidsmarktbehoefte zal er ook een grotere behoefte ontstaan aan BPV-plaatsen, meer dan nu voorhanden zijn. Vanuit het gezichtspunt van de deelnemers betekent dit overigens dat er sprake is van een gunstig arbeidsmarktperspectief. Voor de overige opleidingen is het arbeidsmarktperspectief moeilijk te schetsen. In de meeste gevallen komt dit doordat informatie ontbreekt, waardoor op dit moment niet is in te schatten hoeveel baanopeningen voor schoolverlaters er in de nabije toekomst zullen ontstaan. Regionaal gezien is de conclusie dat de situatie in de regio s in hoge mate overeenkomt met het landelijke beeld, zowel voor het perspectief op een BPV-plaats als voor het perspectief op een arbeidsplaats. In drie van zes de regio s zien we incidentele afwijkingen van het landelijke beeld. Het meest opvallende verschil is dat vier van de zes regio s, tegen de landelijke tendens in, voldoende BPVplaatsen voor één of meer van de opleidingen Sport en Bewegen weet te realiseren. Pagina 10 van 78
1. Verpleging en Verzorging Binnen de gezondheidszorg worden vier opleidingen op mbo-niveau aangeboden (zie Tabel 2). Over het algemeen komen deelnemers die deze opleidingen gevolgd hebben ook te werken in de sector Gezondheidszorg. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de arbeidsmarktsituatie in de gezondheidszorg, het aantal (te verwachten) deelnemers voor deze opleidingen en de beschikbaarheid van leerbedrijven en beroepspraktijkvormingsplaatsen (BPV-plaatsen) binnen die leerbedrijven. In de laatste paragraaf wordt de balans opgemaakt. Tabel 2 Kwalificaties Verpleging en Verzorging, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)* Kwalificatie Kwalificatieniveau Verpleging en Verzorging Zorghulp Niveau 1 10795 Helpende Niveau 2 10428 Verzorgende Niveau 3 10427 Verpleegkundige Niveau 4 10426 crebonummer * Meerdere crebonummers bij één kwalificatie betekent dat er nog een oude opleiding loopt, terwijl er al een nieuwe opleiding is gestart. Bron: Ministerie van OC&W 1.1 Arbeidsmarkt Gezondheidszorg Per 1 januari 2003 telde het CBS 7.330 instellingen in de gezondheidszorg. Tabel 3 geeft in een gedetailleerd overzicht aan hoe de verschillende instellingen verdeeld zijn over de branches. Wat betreft het aantal instellingen neemt de ouderenzorg met 1.425 instellingen een belangrijke plaats in. Het gaat hier met name om verzorgingshuizen. De grootste categorie is echter de overige gezondheidszorg, bestaande uit een grote variëteit aan instellingen en zelfstandige praktijken (bijvoorbeeld huisartsen en gezondheidscentra). De instellingen in de gezondheidszorg waren in 2003 goed voor bijna een miljoen banen (954.749), zo blijkt eveneens uit Tabel 3 (kolom 3). De grootste branches wat betreft werkzame personen zijn de thuiszorg, de ziekenhuizen en de ouderenzorg, met elk ruim 200.000 werkende personen. De Geestelijke Gezondheidszorg vormt in dit opzicht de kleinste branche met 61.702 werkzame personen. Tabel 3 Aantal instellingen en aantal werkzame personen in de Gezondheidszorg en Welzijnszorg in 2003 Instellingen Werkzame Personen Aandeel V&V*- personeel Banen V&V* Gezondheidszorg totaal 7.330 954.749 38,9 371.500 Ziekenhuizen 190 234.320 32,5 76.200 Ouderenzorg 1.425 213.533 51,2 109.400 waarvan Verpleeghuizen 195 117.926 51,3 60.500 waarvan Verzorgingshuizen 1.230 95.606 51,1 48.900 Geestelijke Gezondheidszorg 745 61.702 31,6 19.500 Gehandicaptenzorg 295 120.991 30,9 37.400 Thuiszorg 605 244.118 48,6 118.600 Overig gezondheidszorg 2.645 19.553 53,7 10.500 * V&V = Verpleging en Verzorging Bronnen: Statline (CBS, augustus 2003); Regiomarge 2003 (Prismant, 2004); bewerking OVDB 2004 Pagina 11 van 78
In dit hoofdstuk zijn we echter vooral geïnteresseerd in het aandeel van de arbeidsmarktontwikkelingen voor die beroepen die gerelateerd zijn aan de kwalificatiestructuren Verpleging en Verzorging. Lang niet alle medewerkers van bovengenoemde instellingen werken in een verplegend of verzorgend beroep. Het aandeel van verplegend en verzorgend personeel in het totale personeelsbestand kan tussen branches aanzienlijk verschillen. In haar onderzoeksrapport Regiomarge 2003 geeft Prismant (2004) voor verschillende branches een overzicht van het aandeel van verplegend en verzorgend personeel binnen het totaal aan personeel. Tabel 3 laat zien dat in de ouderenzorg en thuiszorg het aandeel V&Vpersoneel het grootst is (ongeveer de helft). Voor de ziekenhuizen en de geestelijke gezondheidszorg is dat ongeveer éénderde. In absolute zin heeft echter de thuiszorg het meeste V&V-personeel, gevolgd door de ouderenzorg (zie Tabel 3, kolom 5). Voorts blijkt er een duidelijke samenhang te bestaan tussen (clusters van) beroepen en de verschillende branches in de gezondheidszorg (zie in Tabel 4 de gemarkeerde percentages). Verpleegkundigen (niveau vier en vijf) werken voornamelijk in de ziekenhuizen. Verzorgenden met de differentiatie IG werken met name in verpleeg- en verzorgingshuizen; verzorgenden zonder deze differentiatie werken ook in de verpleeg- en verzorgingshuizen, maar vooral in de thuiszorg. Zorghulpen werken overwegend in de thuiszorg. Tabel 4 Raming verdeling werkzame personen naar kwalificatie en branche (in % t.o.v. totaal per kwalificatie) GGZ Ziekenhuizen Gehandicapten zorg Verpleeghuizen Verzorgingshuizen Thuiszorg Overig zorgsector Totaal zorg Verpleging en Verzorging Zorghulp 0,4 0,0 3,9 4,7 4,7 86,6 0,0 100 Helpende 3,3 1,5 11,0 21,0 18,2 45,0 0,0 100 Verzorgende 2,7 2,4 9,7 29,6 23,3 29,3 3,1 100 Waarvan: Verzorgend IG 3,6 3,1 9,7 37,8 27,4 12,4 6,3 100 Verzorgend 1,9 1,7 9,6 21,8 19,4 45,6 0,0 100 Verpleegkundige (4) 54,0 11,0 15,3 5,0 4,1 8,6 1,9 100 Verpleegkundige (5) 46,8 12,0 6,1 4,2 3,3 17,4 9,9 100 Bron: Regiomarge 2003 (Prismant, 2004) Ontwikkelingen werkgelegenheid OVDB-gerelateerde beroepen De verwachting is dat de werkgelegenheid in de zorgsector de komende jaren zal blijven groeien. Het CWI voorspelt in haar publicatie Arbeidsmarktprognose 2004-2009 (CWI, 2004) dat de werkgelegenheid de komende jaren weer zal aantrekken. Aanvankelijk zal dat in de marktsector nog niet zo duidelijk zichtbaar zijn, maar voor onder andere de zorg wordt een sterke groei verwacht. Ook Prismant voorziet een groei van de werkgelegenheid in de sector Zorg. Wat dit betekent voor de verplegende en verzorgende beroepen is weergegeven in Tabel 5. Deze tabel geeft prognoses voor de werkgelegenheidsontwikkeling van de verschillende beroepen. De conclusie is dat de werkgelegenheid in de zorg zal toenemen. Met name wordt een banengroei verwacht voor helpenden, verzorgenden en zorghulpen. Voor verpleegkundigen zal de werkgelegenheid ook toenemen, maar op een lager niveau. Pagina 12 van 78
Tabel 5 Verwachte ontwikkeling van banen van werknemers in verplegende, opvoedende en verzorgende beroepen 2002-2007 (absolute aantallen en jaarlijkse groei in %) Absolute aantallen Procentuele groei 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2005 2006 2007 Beroepen Verpleging en Verzorging 360.249 374.843 385.342 395.610 404.251 414.170 2,7 2,2 2,5 Zorghulp 47.491 49.999 51.821 53.025 54.154 55.346 2,3 2,1 2,2 Helpende 37.673 39.474 41.433 43.153 44.485 45.881 4,2 3,1 3,1 Verzorgende 141.863 148.041 151.955 156.770 160.426 165.008 3,2 2,3 2,9 Waarvan: Verzorgend IG 69.672 72.415 73.756 75.488 76.534 78.098 2,3 1,4 2,0 Verzorgend 72.191 75.626 78.199 81.282 83.892 86.910 3,9 3,2 3,6 Verpleegkundige (4) 91.629 94.473 96.414 98.017 99.708 101.477 1,7 1,7 1,8 Verpleegkundige (5) 41.592 42.856 43.720 44.645 45.479 46.458 2,1 1,9 2,2 Bron: Regiomarge 2003 (Prismant, 2004) Een groeiende werkgelegenheid wijst op gunstige arbeidsmarktperspectieven voor gediplomeerde schoolverlaters met een opleiding verpleging en verzorging. Naast groei is echter ook het verloop van personeel van invloed op het arbeidsmarktperspectief: naarmate het verloop groter is, zullen meer mensen uittreden en vervangen moeten worden. Het gaat hier overigens om het netto-verloop op sectorniveau: mensen die de sector verlaten. De vraag naar arbeid als gevolg van groei plus de vraag naar arbeid als gevolg van vervanging bepalen samen de totale vraag naar arbeid. Een indicator voor de vraag naar arbeid is het aantal baanopeningen. Regiomarge 2003 geeft aan dat er in 2005 voor de verplegende en verzorgende beroepen veel vraag naar (nieuw) personeel zal zijn. Deze banen zijn echter niet alleen beschikbaar voor schoolverlaters. De zorg kent doorgaans een hoge instroom van bijvoorbeeld herintreders. Dit aandeel kan oplopen tot 25 á 30%. In Tabel 6 is de ontwikkeling van het aantal baanopeningen voor schoolverlaters weergegeven, voor de periode 2004-2007. Hiervoor is gebruik gemaakt van bewerkte gegevens uit Regiomarge 2003; van de netto baanopeningen is alleen dat deel genomen dat opgevuld wordt door schoolverlaters en niet door overige instroom, zoals herintreders. Bovendien zijn de aantallen omgerekend naar fulltime banen. Ten opzichte van het jaar ervoor zal in 2005 het aantal baanopeningen voor schoolverlaters fors toenemen, uiteenlopend van 21,6% (voor zorghulpen) tot 34,1% (voor verzorgenden op niveau 3). Deze forse groei in 2005 is vooral te wijten aan een verwachte groei van het verloop van personeel 1. Voor 2006 en 2007 zal er nog steeds sprake zijn van een substantiële groei van het aantal baanopeningen, maar de groeipercentages liggen beduidend lager dan voor 2005. 1 Volgens Regiomarge is er een positief verband tussen het netto-verloop in de zorgsector en de nationale werkgelegenheid. Voor 2005 verwacht men dat de economie zal aantrekken en de werkgelegenheid zal groeien, met als gevolg een groei van het netto-verloop. Pagina 13 van 78
Tabel 6 Verwachte ontwikkeling baanopeningen voor schoolverlaters, verplegende, opvoedende en verzorgende beroepen 2004-2007 (absolute aantallen en groei in %) Absolute aantallen Procentuele groei 2004 2005 2006 2007 2005 2006 2007 Beroepen Verpleging en Verzorging 6.631 8.391 8.773 9.176 26,5 4,6 4,6 Zorghulp 1.146 1.394 1.430 1.500 21,6 2,6 4,9 Helpende 926 1.166 1.224 1.230 25,9 4,9 0,5 Verzorgende 2.612 3.403 3.523 3.726 30,3 3,5 5,8 Waarvan: Verzorgend IG 1.228 1.548 1.598 1.677 26,1 3,2 5,0 Verzorgend 1.383 1.855 1.925 2.049 34,1 3,8 6,4 Verpleegkundige (4) 1.115 1.380 1.504 1.567 23,8 9,0 4,2 Verpleegkundige (5) 423 564 619 671 33,4 9,6 8,5 Bron: Regiomarge 2003 (Prismant, 2004), bewerking OVDB Bovenstaande ontwikkelingen betekenen dat de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden in de opleidingen verpleging en verzorging zeer gunstig zijn. Dit geldt voor de middellange termijn (tot 2007) maar zeker voor de korte termijn (2005). De keerzijde van zeer goede arbeidsmarktperspectieven is echter dat het voor de instellingen moeilijker is om aan (voldoende) gekwalificeerd personeel te komen. 1.2 Deelnemers Verpleging en Verzorging Onder het domein Verpleging en Verzorging vallen vier studies: Zorghulp (ZH) op niveau 1, Helpende (HP) op niveau 2, Verzorgende (VZ) op niveau 3 en Verpleegkundige (VP) op niveau 4. Deze vier studies zijn zowel in de beroepsopleidende leerweg (BOL) als in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) te volgen. In het schooljaar 2003/2004 hebben in totaal 49.228 deelnemers op 44 ROC s in Nederland een studie Verpleging en Verzorging gevolgd. De afgelopen vijf jaar hebben de opleidingen tezamen een groei doorgemaakt van 22,5%. Tot 2002 is er een stijgende lijn zichtbaar in het aantal deelnemers dat een BBL-studie volgt. In het afgelopen schooljaar is het aandeel BBL-ers echter met bijna twee procent gedaald. Deze daling is ook zichtbaar bij de studies voor Helpende en Verpleegkundige. De verdeling van de deelnemers over de vier opleiding Verpleging en Verzorging is zichtbaar in de laatste kolom van Tabel 7. De meerderheid van de deelnemers (78,4%) volgt een studie op niveau 3 of 4. De studie Zorghulp is in het schooljaar 2000/2001 gestart en wordt op dit moment door 6,6% van de leerlingen Verpleging en Verzorging gevolgd. 15,1% van de leerlingen volgt de studie tot Helpende. Vanaf het schooljaar 2000/2001 is het aantal deelnemers in totaal met 15,9% gestegen. De grootste procentuele stijging is te zien bij de studie Zorghulp, namelijk 141,8%. Helpende volgt met een stijging van 41,3% in aantal deelnemers. Bij Verzorgende en Verpleegkundige liggen deze percentages veel lager, respectievelijk 6,3% en 8,9%. Pagina 14 van 78
Tabel 7 Historische ontwikkeling deelnemers 1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor het domein Verpleging en Verzorging per kwalificatie 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 %aandeel 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2003/04 Verpleging en Verzorging Totaal 40.191 40.667 42.491 44.628 48.095 49.228 51.081 53.008 54.934 100,0 BBL 18.443 20.443 22.890 26.258 28.856 28.605 32.240 34.527 36.815 BOL 21.748 20.224 19.601 18.370 19.239 20.623 18.841 18.480 18.120 %BBL 45,9 50,3 53,9 58,8 60,0 58,1 63,1 65,1 67,0 Zorghulp Totaal 1.335 1.995 3.018 3.228 4.070 4.740 5.410 6,6 BBL 332 663 947 1.147 1.455 1.727 2.000 BOL 1.003 1.332 2.071 2.081 2.615 3.012 3.410 %BBL 24,9 33,2 31,4 35,5 35,7 36,4 37,0 Helpende Totaal 6.654 6.089 5.264 5.991 6.803 7.440 7.053 7.248 7.442 15,1 BBL 1.036 1.442 1.971 3.107 3.567 3.401 4.354 4.907 5.459 BOL 5.618 4.647 3.293 2.884 3.236 4.039 2.699 2.341 1.983 %BBL 15,6 23,7 37,4 51,9 52,4 45,7 61,7 67,7 73,4 Verzorgende Totaal 19.188 20.245 20.317 20.735 22.022 21.597 22.463 22.972 23.480 43,9 BBL 8.188 9.940 11.176 12.772 14.404 14.395 16.415 17.730 19.045 BOL 11.000 10.305 9.141 7.963 7.618 7.202 6.049 5.242 4.436 %BBL 42,7 49,1 55,0 61,6 65,4 66,7 73,1 77,2 81,1 Verpleegkundige Totaal 14.303 14.333 15.575 15.907 16.252 16.963 17.494 18.048 18.602 34,5 BBL 9.219 9.061 9.411 9.716 9.938 9.662 10.016 10.163 10.311 BOL 5.084 5.272 6.164 6.191 6.314 7.301 7.478 7.885 8.292 %BBL 64,5 63,2 60,4 61,1 61,1 57,0 57,3 56,3 55,4 Bron: CFI, mei 2004, diverse tellingen; Prognoses OVDB, 2004 Voor de komende drie schooljaren zijn prognoses van de deelnemeraantallen gedaan, die ook te vinden zijn in de bovenstaande tabel. Voor alle opleidingen gezamenlijk geldt dat er een stijging in deelnemeraantallen verwacht wordt. In 2004/2005 komt het verwachte deelnemeraantal voor de opleidingen Verpleging en Verzorging op 51.081, twee jaar later loopt dit aantal op tot bijna 55.000. Alleen bij de BOL opleidingen voor Helpende en Verzorgende wordt er een afname aan deelnemers verwacht in de toekomst. De totale procentuele groei is bij de kwalificatie Zorghulp het grootst (respectievelijk 26,1%, 16,5% en 14,1%). Bij de opleiding tot Helpende wordt eerst een geringe daling verwacht, waarna het deelnemeraantal weer aantrekt. De procentuele stijging voor Verzorgende en Verpleegkundige ligt gemiddeld op ongeveer 3% per jaar. De stijging van de deelnemeraantallen Verpleging en Verzorging in de laatste jaren hangt samen met de stijgende instroom van deelnemers in de opleidingen Zorghulp, Helpende en Verpleegkundige (zie Tabel 8). Bij de opleiding tot Verzorgende is al twee jaar sprake van een afname aan instroom. Pagina 15 van 78
Tabel 8 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor het domein Verpleging en Verzorging per kwalificatie Absolute aantallen Procentuele groei 2000 2001 2002 2003 2001 2002 2003 Verpleging en Verzorging Totaal 17.037 21.703 22.456 23.012 27,4 3,5 2,5 BBL 9540 13.954 13.867 13.251 46,3-0,6-4,4 BOL 7.497 7.749 8.589 9.761 3,4 10,8 13,6 %BBL 56,0 64,3 61,8 57,6 Zorghulp Totaal 883 1.604 2.424 2.852 81,7 51,1 17,7 BBL 332 644 947 1.146 94,0 47,0 21,0 BOL 551 960 1.477 1.706 74,2 53,9 15,5 %BBL 37,6 40,1 39,1 40,2 Helpende Totaal 3.179 3.995 4.418 4.676 25,7 10,6 5,8 BBL 1.390 2.263 2.512 2.082 62,8 11,0-17,1 BOL 1.789 1.732 1.906 2.594-3,2 10,0 36,1 %BBL 43,7 56,6 56,9 44,5 Verzorgende Totaal 8.106 10.115 9.894 9.068 24,8-2,2-8,3 BBL 4.935 7.300 6.927 6.535 47,9-5,1-5,7 BOL 3.171 2.815 2.967 2.533-11,2 5,4-14,6 %BBL 60,9 72,2 70,0 72,1 Verpleegkundige Totaal 4.869 5.989 5.720 6.416 23,0-4,5 12,2 BBL 2.883 3.747 3.481 3.488 30,0-7,1 0,2 BOL 1.986 2.242 2.239 2.928 12,9-0,1 30,8 %BBL 59,2 62,6 60,9 54,4 Bron: Prismant, juni 2004 Uit het Schoolverlatersonderzoek van 2004, uitgevoerd door het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) is op te maken wat deelnemers ca. anderhalf jaar na hun opleiding in de zorg zijn gaan doen. De resultaten zijn samengevat in Tabel 9. Hieruit volgt dat bijna alle BBL leerlingen (96,1%) die een zorgopleiding hebben gedaan na hun studie gaan werken. Bij de BOL leerlingen ligt dit percentage lager, namelijk 73,3%. Het niveau van de gevolgde opleiding is hierop wel van invloed. Hoe hoger het niveau van de opleiding, hoe groter het percentage schoolverlaters dat na hun studie een baan vindt. Zoals verwacht gaan de meeste schoolverlaters werken in de beroepsgroep Zorg en Welzijn, bij de zorgopleidingen (BOL) gemiddeld 95,4%. Het beroepsrendement is hierbij afhankelijk van het niveau van de opleiding. Hoe hoger de opleiding, hoe groter het percentage schoolverlaters dat een baan vindt in de richting waarin men gestudeerd heeft. Andere bedrijfsgroepen waarin de schoolverlaters werkzaam zijn, zijn onder andere winkels, hotels, restaurants en bij de overheid. De schoolverlaters die daadwerkelijk de zorg ingaan, worden verzorgend personeel, verpleeghulp, leerling-verpleegkundigen, ziekenverzorgenden, verplegenden en doktersassistenten. Daarnaast zitten de afgestudeerden in de beroepsgroepen hulpkracht horeca en verzorging, verkopers, activiteitenbegeleiders en receptionisten. Schoolverlaters kunnen er ook voor kiezen na hun studie verder te gaan studeren. Door de BBL leerlingen wordt dit minimaal gedaan. Slechts 0,2% van alle BBL leerlingen die een zorgopleiding gedaan hebben, besluit verder te studeren. Bij de BOL leerlingen is dit percentage aanzienlijk groter. Gemiddeld 20,8% kiest voor een vervolgopleiding. Dit percentage is wel afhankelijk van het niveau van de gevolgde opleiding. Hoe lager het niveau, hoe hoger het percentage schoolverlaters dat verder gaat studeren. De schoolverlaters kiezen in dit geval voornamelijk voor een zorgopleiding (BOL 79,8%, BBL 91,9%). Veel gekozen vervolgstudies zijn een studie Verpleging en Verzorging op niveau 3 of 4 en een hbo-studie tot Verpleegkundige. Daarnaast kiest ongeveer een kwart van de leerlingen die een studie op niveau 1 of 2 gevolgd hebben ook voor een agogische vervolgopleiding (ROA schoolverlatersonderzoek, 2003 en 2004). Pagina 16 van 78
Tabel 9 Bestemming schoolverlaters Verpleging en Verzorging (ca. anderhalf jaar na diplomering) (in %) Kwalificatie Leerweg Betaald werk (%) Werkloos (%) Scholier /student (%) Werkend leren (BBL /Duaal) (%) anders (%) Betaald werk of Werkend leren (%) Betaald werk of opei-ding (%) Verpleging en Verzorging Totaal 75,1 1,9 6,0 14,6 2,5 89,6 95,7 BBL 82,5 1,5 0,2 13,6 2,2 96,1 96,3 BOL 56,2 2,7 20,8 17,1 3,1 73,3 94,1 Zorghulp Totaal 35,8 8,2 26,3 22,0 7,7 57,7 84,1 BBL 80,9 6,4 0,0 8,5 4,3 89,4 89,4 BOL 21,0 8,0 39,0 23,0 8,0 44,0 83,0 Helpende Totaal 68,8 3,1 8,9 15,8 3,3 84,6 93,6 BBL 77,2 2,7 0,0 17,1 3,0 94,3 94,3 BOL 45,9 4,2 33,3 12,5 4,2 58,4 91,7 Verzorgende Totaal 77,6 1,4 4,9 14,2 1,9 91,8 96,8 BBL 82,6 1,4 0,5 13,3 2,2 95,9 96,4 BOL 68,4 1,3 13,2 15,8 1,3 84,2 97,4 Verpleegkundige Totaal 85,5 0,0 0,7 12,3 1,5 97,8 98,5 BBL 89,1 0,0 0,0 9,8 1,1 98,9 98,9 BOL 56,1 0,0 6,7 32,7 4,5 88,8 95,5 Bron: ROA, gegevens aangeleverd op verzoek. 1.3 Beroepspraktijkvorming Verpleging en Verzorging In juli 2004 staan voor de leerlingen verpleging en verzorging bijna 38.000 leerplaatsen geregistreerd in het register van de OVDB. Het grootste deel (44%) zijn plaatsen voor verzorgenden. Tabel 10 Aantal geregistreerde leerplaatsen V&V Kwalificatie Aantal BOL BPVplaatsen Aantal BBL BPVplaatsen Totaal aantal leerplaatsen Zorghulp 1.219 934 2.153 Helpende 3.892 3.070 6.962 Verzorgende 7.316 9.575 16.891 Verpleegkundige 5.098 6.869 11.967 Bron: OVDB bedrijvenregister Daarnaast is in kaart gebracht binnen welke sectoren, in wat voor soort leerbedrijven de leerplaatsen zich bevinden. Dit om na te gaan of dit de soorten plaatsen zijn waar zij hun BPV willen of moeten doen (vanwege het behalen van bepaalde eindtermen) maar ook om na te gaan of dit representatief is voor het werkveld waar zij straks in terecht komen. Gaan de leerlingen ook in dit soort organisaties werken? Pagina 17 van 78
Tabel 11 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerlingen V&V Verpleging en Verzorging GGZ Ziekenhuizen Gehandicaptenzorg Verpleeghuizen Verzorgingshuizen Thuiszorg Overig zorgsector Totaal zorg Zorghulp 1,1 0,7 5,0 16,1 60,9 13,7 2,5 100 Helpende 2,1 0,4 11,0 17,6 53,2 13,8 1,9 100 Verzorgende 3,6 0,6 12,6 26,9 39,1 16,4 0,8 100 Verpleegkundige 38,9 7,4 19,6 19,2 6,4 6,7 1,8 100 * Met name binnen de Thuiszorg is een groot aantal mensen (ca. 63.000) in een zorg- of sociaal agogische functie werkzaam, zonder dat daar de achtergrond van bekend is. Hieronder vallen bijvoorbeeld ook de alpha-hulpen. Deze personen komen niet terug in deze tabel. Bron: Regiomarge 2003 (Prismant 2004). Zoals uit Tabel 11 blijkt, bevinden de meeste BPV plaatsen voor de niveau 1, 2 en 3 leerlingen zich in verzorgingsen verpleeghuizen (zie gemarkeerde percentages in de tabel). De niveau 4 leerlingen hebben vooral veel plaatsen in ziekenhuizen. Wanneer gekeken wordt naar de branches waarin de (straks afgestudeerde) leerlingen gaan werken (tabel 4) dan valt op dat 87% van de zorghulpen in de thuiszorg gaat werken. Dit terwijl slechts 14% van de leerplaatsen zich in de thuiszorg bevindt (let op: er kan niet een één op één vergelijking gemaakt worden tussen de werkzame personen uit tabel 4 en het aantal leerplaatsen uit bovenstaande tabel, maar dit geeft wel een heel scheef beeld). Ook bij de helpenden en verzorgenden geldt dat er een groter percentage in die branche gaat werken, dan vertegenwoordigd wordt in het aantal leerplaatsen. Dit heeft mogelijk te maken met de complexiteit van het bieden van begeleiding aan leerlingen in een branche als de thuiszorg. De leerplaatsen in ziekenhuizen voor verpleegkundigen sluit beter aan op het toekomstige werkveld van deze leerlingen. 1.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt In de inleiding van dit rapport is aangegeven dat de balans onderwijs-arbeidsmarkt op twee manieren bekeken kan worden: (a) vanuit de vraag van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen, en (b) vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden. Hieruit volgen drie vragen die in deze paragraaf beantwoord moeten worden. 1. Zijn er voldoende BPV-plaatsen om het huidige aantal deelnemers van een BPV-plaats te voorzien? 2. Zijn er voldoende deelnemers om aan de vraag van de arbeidsmarkt naar gekwalificeerd personeel te voldoen? 3. Zijn er, gezien de arbeidsmarktbehoefte, voldoende BPV-plaatsen om de voor de arbeidsmarkt benodigde deelnemers van een BPV-plaats te voorzien? Vraag vanuit het onderwijs In deze paragraaf zal conform de eerste redenering de behoefte aan BPV plaatsen benaderd worden vanuit de onderwijskant, ofwel: het aantal leerlingen in de opleiding bepaalt de behoefte aan BPV plaatsen. Hiervoor wordt per kwalificatie op basis van het aantal leerlingen in de opleiding de behoefte aan BPVplaatsen bepaald. Deze behoefte wordt vervolgens afgezet tegen het aanbod van leerplaatsen volgens het register van de OVDB. Een meer complete beschrijving van de gehanteerde rekenmethode is terug te vinden in bijlage 1. Pagina 18 van 78
Tabel 12 Berekening BPV-balans Benodigde leerplaatsen Aantal BOL leerlingen BPV-factor Benodigd aantal leerplaatsen Zorghulp 2.081 0,33 681 Helpende 4.039 0,35 1.427 Verzorgende 7.202 0,34 2.417 Verpleegkundige 7.301 0,41 3.015 Aanwezige leerplaatsen Aantal BOL BPV plaatsen correctiefactor Aanbod leerplaatsen Zorghulp 1.219 75% 914 Helpende 3.892 75% 2.919 Verzorgende 7.316 75% 5.487 Verpleegkundige 5.098 75% 3.824 Resultaat (Verschil vraag en aanbod) Vraag (benodigd) Aanbod (aanwezig) Overschot / tekort (-) Zorghulp 681 914 234 Helpende 1.427 2.919 1.492 Verzorgende 2.417 5.487 3.070 Verpleegkundige 3.015 3.824 809 Bron: OVDB register Wanneer we uitgaan van een optimale benutting van leerplaatsen en een aanbod binnen wenselijke soorten organisaties, dan is er sprake van een overschot aan leerplaatsen voor alle kwalificaties binnen de V&V sector. Vraag vanuit de arbeidsmarkt Uit de eerder beschreven baanopeningen is af te leiden hoeveel deelnemers er opgeleid zullen moeten worden, om tegemoet te komen aan de (toekomstige) vraag van de arbeidsmarkt. Hiervoor maken we gebruik van twee indicatoren, het beroepsrendement, en het studierendement. In de berekening van het aantal deelnemers dat op een bepaald moment een opleiding volgt, is bovendien rekening gehouden met de opleidingsduur en met (tussentijdse) uitval van deelnemers. Een meer uitgebreide toelichting is opgenomen in bijlage 1. In Tabel 13 zijn de resultaten van de berekening weergegeven. Uitgaande van de baanopeningen in 2005 zouden er 4.584 zorghulpen, 3.686 helpenden, 18.311 verzorgenden en 7.777 verpleegkundigen niveau 4 in opleiding moeten zijn, om aan de arbeidsvraag in 2005 te voldoen. Vergelijken we dat met het aantal deelnemers in schooljaar 2003-2004, dan blijkt dat er voor drie opleidingen (Helpende, Verzorgende en Verpleegkundige) ruim voldoende deelnemers in opleiding zijn om aan deze vraag te kunnen voldoen. Voor zorghulpen geldt dat echter niet; hier zien we dat er 1.356 deelnemers te weinig in opleiding zijn om aan de arbeidsvraag te voldoen. Pagina 19 van 78
Tabel 13 Aantal benodigde deelnemers op grond van de vraag op de arbeidsmarkt en huidige aantal deelnemers in opleiding Beroepsgroep Baanopeningen Nodig Nodig Nodig Nodig Gedipl. Deelnemers Deelnemers Deelnemers 2005 Schoolverlaters in opleiding in opleiding in opleiding BBL 2005 BOL totaal Huidig aantal BBL deeln Huidig Huidig aantal aantal BOL deeln deeln totaal Verschil BBL Verschil Verschil BOL Totaal Zorghulp 1.394 2.625 1.664 2.920 4.584 1.147 2.081 3.228-517 -839-1.356 Helpende 1.166 1.458 1.595 2.091 3.686 3.401 4.039 7.440 1.806 1.948 3.754 Verzorgende 3.403 3.867 13.270 5.040 18.311 14.395 7.202 21.597 1.125 2.162 3.286 Verpleegkundige 1.380 1.453 4.688 3.089 7.777 9.662 7.301 16.963 4.974 4.212 9.186 Bron: Regiomarge 2003 (Prismant 2004); bewerking OVDB 2004 Deze resultaten stroken met (op korte termijn) de voorspellingen in Regiomarge 2003. Voor het (middel)lange termijn (tot 2007) voorspelt Regiomarge echter dat er voor verschillende beroepen knelpunten zullen zijn in het vervullen van opengevallen arbeidsplaatsen. Eerder is beschreven dat er, uitgaande van het huidige aantal deelnemers in opleiding, voldoende BPVplaatsen beschikbaar waren. Tegen de achtergrond van de vraag naar personeel op de arbeidsmarkt, ligt dat anders. Uit Tabel 14 blijkt dat er voor zorghulpen méér BPV-plaatsen nodig zullen zijn dan er nu beschikbaar zijn. Dit is in lijn met het gegeven dat er ook méér deelnemers opgeleid moeten worden dan dat er nu feitelijk in opleiding zijn. Voor de BBL gaat het om 730 plaatsen en voor de BOL om 41 plaatsen. Volgens de berekening zullen er voor de opleiding Verzorgende in de BBL-variant eveneens BPV-plaatsen bij moeten komen. Voor de BOL-variant Verzorgende, voor Helpende en voor Verpleegkundige zijn er ruim voldoende plaatsen beschikbaar. Tabel 14 Aantal benodigde BPV-plaatsen, uitgaande van de vraag op de arbeidsmarkt Beroeps-groep Nodig BPV BBL Nodig BPV BOL Beschikbaar BPV BBL Baanopeningen Beschikbaar BPV BOL Verschil BBL Verschil BOL Zorghulp 1.394 1.664 955 934 914-730 -41 Helpende 1.166 1.595 739 3.070 2.919 1.475 2.180 Verzorgende 3.403 13.270 1.691 9.575 5.487-3.695 3.796 Verpleegkundige 564 4.688 1.275 6.869 3.824 2.181 2.549 Bron: Regiomarge 2003 (Prismant 2004); bewerking OVDB 2004 1.5 Conclusies Op basis van de berekeningen van de BPV Balans geldt voor de kwalificaties binnen V&V dat er voldoende BPV-plaatsen erkend zijn om de huidige leerlingpopulatie van een stageplaats te voorzien. De knelpunten die ervaren worden in de praktijk, hebben betrekking op de branches waarin de BPVplaatsen zich bevinden. Zo gaat 87% van de niveau 1 leerlingen werken in de thuiszorg, terwijl slechts 14% van de BPV-plaatsen zich in de thuiszorg bevindt. Hier zijn verschillende logische verklaringen voor te geven, zoals de moeilijkheid om in deze branche begeleiding aan leerlingen te bieden e.d., maar dat neemt niet weg dat het aanbod aan BPV-plaatsen niet representatief is voor het werkveld. In het verlengde hiervan kunnen er mogelijk wel tekorten aan wenselijke BPV-plaatsen bestaan. Andersom geldt dat er veel meer leerplaatsen in verzorgingshuizen aangeboden worden, dan dat er zorghulpen werken (nog geen 5% gaat in deze branche werken, terwijl 61% van de BPV-plaatsen voor zorghulpen een plaats in een verzorgingshuis is). Voor de niveau 3 en 4 leerlingen geldt dat er behoefte is aan meer plaatsen in ziekenhuizen. Tevens is in het veld gesignaleerd dat veel verpleeg- en verzorgingshuizen voornemens zijn hun aantal BPV-plaatsen te verminderen, soms zelfs te halveren, als gevolg van bezuinigingen. Pagina 20 van 78
Willen we in 2005 voldoende gekwalificeerd personeel in de zorg aannemen, dan worden er momenteel voldoende niveau 2, 3 en 4 leerlingen V&V opgeleid. Sterker nog, er worden momenteel teveel leerlingen van deze niveaus opgeleid voor de personeelsbehoefte in 2005. Voor de zorghulpen geldt dit niet: hier komen we straks personeel tekort, als er niet méér leerlingen opgeleid gaan worden. Vertalen we deze ideale leerlingpopulatie naar benodigde BPV-plaatsen dan geldt op dit moment een tekort aan BOL-leerplaatsen voor het aantal zorghulpen, dat gezien de arbeidsmarkt nodig is. Voor de verzorgenden zullen meer BBL-plaatsen ingericht moeten worden. De benadering hier betreft een totaalbeeld van heel Nederland en voor alle soorten BPV-plaatsen tezamen. Ondanks het kwantitatieve evenwicht tussen vraag en aanbod van BPV-plaatsen, geldt dat in het veld wel degelijk een tekort aan BPV-plaatsen wordt ervaren. Dit lijkt een tegenstrijdigheid, maar heeft te maken met een niet evenredige vertegenwoordiging van alle branches in het aanbod van BPVplaatsen, met een niet-optimale benutting van de beschikbare plaatsen. Ook spelen er specifieke regionale problemen. Voor de OVDB betekent dit dat zij een tweesporenbeleid voert: enerzijds wordt overleg gevoerd met bepaalde branches om na te gaan of er binnen deze branches ruimte voor meer BPV-plaatsen is. Anderzijds wordt overleg tussen onderwijs en werkveld gestimuleerd om gezamenlijk na te gaan of de huidige plaatsen optimaler benut kunnen worden. Voor de problemen binnen V&V is door het bestuur van de OVDB de Taskforce V&V in het leven geroepen. Deze houdt zich bezig met stimuleringsmaatregelen om de BPV-problematiek binnen alle vijf de niveaus van V&V op te lossen. Pagina 21 van 78
2. Sociaal Agogisch Werk Binnen het sociaal Agogisch Werk worden zes opleidingen op mbo-niveau aangeboden (zie Tabel 15). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de arbeidsmarktsituatie in de welzijnszorg, het aantal (te verwachten) deelnemers voor deze opleidingen en de beschikbaarheid van leerbedrijven en beroepspraktijkvormingsplaatsen binnen die leerbedrijven. In de laatste paragraaf wordt de balans opgemaakt. Tabel 15 Kwalificaties Sociaal Agogisch Werk, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)* Kwalificatie Kwalificatieniveau crebonummer Sociaal Agogisch Werk Helpende Welzijn Niveau 2 10745 Sociaal Pedagogisch Werker 3 Niveau 3 10742 Sociaal Dienstverlener Niveau 3 10744 Sociaal Pedagogisch Werker 4 Niveau 4 10433, 10743 Sociaal Cultureel Werker Niveau 4 10432, 10746 Onderwijsassistent Niveau 4 10710 * Meerdere crebonummers bij één kwalificatie betekent dat er nog een oude opleiding loopt, terwijl er al een nieuwe opleiding is gestart 2.1 Arbeidsmarkt Welzijn De arbeidsmarkt voor sociaal agogen is veel minder eenduidig dan voor het verplegend en verzorgend personeel. Sociaal agogen kunnen gaan werken in verschillende sectoren en beroepsgroepen. Tabel 16 geeft een overzicht van de belangrijkste sectoren waar sociaal agogen terecht kunnen komen. De resultaten laten zien dat meer dan de helft van de gediplomeerde schoolverlaters van een sociaal agogische opleiding werk vindt in de gezondheidszorg (53,2%). Andere relevante sectoren zijn de overheid (13,8%), handel en reparatie (7,2%), zakelijke dienstverlening (4,9%) en het onderwijs (4,5%). Het ROA constateert dat sociaal agogen in de periode 1998-2002 in toenemende mate zijn gaan werken in de sectoren gezondheidszorg, overheid en onderwijs en in afnemende mate in de sectoren zakelijke dienstverlening, handel en reparatie. Ook voor de toekomst worden binnen de sectoren gezondheidszorg en overheid de meeste baanopeningen verwacht voor sociaal agogen. Tabel 16 Bestemming schoolverlaters sociaal agogisch werk naar diverse sectoren Bedrijfssector % werkzaam Werkzame personen Trend 1998-2002 Verwachte Baanopeningen (jaarlijks van 2003-2008) Gezondheidszorg 53,2 47.082 stijgend 2.596 Overheid 13,8 12.213 stijgend 673 Handel en reparatie 7,2 6.372 dalend 351 Zakelijke dienstverlening 4,9 4.337 sterk dalend 239 Onderwijs 4,5 3.983 stijgend 220 Andere bedrijfssectoren 16,3 14.426 niet bekend 796 Bron: ROA, Arbeidsmarktinformatiesysteem tot 2008 Tabel 17 geeft weer hoe sociaal pedagogen zich verdelen over verschillende beroepsgroepen (Bron: ROA, Arbeidsmarktinformatiesysteem tot 2008). Hieruit blijkt dat sociaal agogen kunnen gaan werken in verschillende beroepen. Een groot deel van de sociaal pedagogen vindt werk in een verzorgend beroep (in totaal 31,9%, als we verzorgend personeel, therapeuten en verpleegkundigen, ziekenverzorgenden en hulpkrachten horeca en verzorging samennemen). Voor de afgelopen jaren constateerde het ROA in dit opzicht een stijgende trend, hetgeen betekent dat gedurende deze periode Pagina 22 van 78
meer sociaal pedagogen in een verzorgend beroep zijn gaan werken. 28,8% vond werk in de niet nader omschreven categorie andere beroepsgroepen. Een kleiner deel van de sociaal agogen (18,1%) is gaan werken als activiteitenbegeleider of medewerker arbeidsbemiddeling, maar dit aandeel wordt steeds kleiner. Tabel 17 geeft in de laatste kolom ook een indicatie van het (gemiddeld) verwachte aantal baanopeningen dat de komende jaren voor sociaal agogen beschikbaar zal komen. Een groot deel daarvan betreft de verzorgende beroepen en de categorie andere beroepsgroepen. We kunnen op dit moment echter niet vaststellen voor welke specifieke kwalificaties deze banenopeningen gevuld kunnen worden. Tabel 17 Bestemming schoolverlaters sociaal agogische opleidingen naar diverse beroepsgroepen Beroepsgroepen % werkzaam Werkzame personen Trend 1998-2002 Verwachte baanopeningen (jaarlijks van 2003-2008) Verzorgend personeel 20,6 18.231 stijgend 1.005 Therapeuten en verpleegkundigen 5,0 4.425 sterk stijgend 244 Ziekenverzorgenden 3,8 3.363 sterk stijgend 185 Hulpkrachten horeca en verzorging 2,5 2.213 stijgend 122 subtotaal verzorgend beroep 31,9 28.232 niet bekend 1.556 Activiteitenbegeleiders en medewerkers arbeidsbemiddeling 18,1 16.019 dalend 883 Boekhouders en secretaresses 8,5 7.523 constant 415 Medewerkers sociaal-cultureel werk en personeel en arbeid 3,5 3.098 niet bekend 171 Bibliotheekassistenten 3,2 2.832 dalend 156 Receptionisten en administratieve employés 3,1 2.744 dalend 151 Verkopers 3,0 2.655 niet bekend 146 Andere beroepsgroepen 28,8 25.488 niet bekend 1.405 Bron: ROA, Arbeidsmarktinformatiesysteem tot 2008 Het OSA heeft onderzocht hoe de agogisch werkenden met verschillende achtergronden verdeeld zijn over de sector WJK (Welzijn, Jeugdzorg en Kinderopvang). Uit Tabel 18 volgt dat de werknemers in de kinderopvang voornamelijk een SPW-studie gevolgd hebben. Bij de Jeugdzorg is er sprake van een verdeling over Sociaal Pedagogisch Werkers (54%) en Maatschappelijke Dienstverleners (45%). Hoewel in de welzijnsrichting deze twee tevens goed vertegenwoordigd zijn (respectievelijk 38% en 34%), is er hierbinnen ook plek voor de Sociaal Cultureel Werkers (21%). Tabel 18 Beroepen en functies van agogisch werkenden in 2003 (in %) VZ VP SPW SCW MD Totaal Sector WJK 0 2 66 8 23 100 Welzijn 1 6 38 21 34 100 Jeugdzorg 0 1 54 1 45 100 Kinderopvang 0 0 99 0 1 100 Bron: OSA, 2004 Voor drie van de kwalificaties binnen sociaal agogisch werk (Helpende Welzijn, Sociaal Pedagogisch Werker op niveau 3 en op niveau 4) beschikken we via Regiomarge 2003 over meer arbeidsmarktinformatie. Deze informatie geeft onder andere aan waar Helpende Welzijn, Sociaal Pedagogisch Werkers (niveau 3 en 4) vooral gaan werken en wat hun arbeidsmarktperspectieven zijn op termijn. In de volgende subparagraaf gaan we hier op in. Pagina 23 van 78
Arbeidsmarkt voor Helpende Welzijn en Sociaal pedagogisch werkers (niveau 3 en 4) Per 1 januari 2003 telde het CBS 11.375 instellingen in de welzijnszorg. Tabel 19 geeft een gedetailleerder overzicht van de verschillende instellingen en hoe deze verdeeld zijn over de branches. Wat betreft aantal instellingen binnen de welzijnszorg is het (algemeen) welzijnswerk de grootste branche met 6.170 instellingen. In 2003 werkte in het welzijnswerk ruim 120.000 mensen. Ook wat betreft werkzame personen is het algemeen welzijnswerk de grootste branche. Uit Tabel 19 kunnen we voorts concluderen dat de gezondheidszorg voor sociaal agogen een belangrijk werkgebied is: er werken tweemaal zoveel sociaal agogen in de gezondheidszorg als in de welzijnszorg en dan met name in de thuiszorg en de gehandicaptenzorg. Wat betreft de welzijnszorg afzonderlijk is het algemeen welzijnswerk de grootste werkgever voor sociaal agogen. Absoluut gezien zijn de gehandicaptenzorg en de thuiszorg de grootste werkgevers voor sociaal agogen. Tabel 19 Aantal Instellingen en aantal werkzame personen in de Gezondheidszorg en Welzijnszorg in 2003 Instellin-gen Werkzame Personen Aandeel sociaal agogisch*- personeel Werkzame personen sociaal pedago-gisch Welzijnszorg 11.375 120.062 62,3 74.800 Jeugdhulpverlening niet bekend 19.421 12.100 Kinderopvang 2.875 43.602 27.164 Welzijn 6.170 57.636 35.908 Waarvan: Sociaal Cultureel Werk 2.780 Maatschappelijk Werk 1.660 Overig Welzijn 1730 Gezondheidszorg 24.550 954.749 14,8 141.300 Ziekenhuizen 120 234.320 1,2 2.900 Ouderenzorg 1.425 213.533 5,6 12.000 waarvan Verpleeghuizen 190 117.926 5,6 6.600 waarvan Verzorgingshuizen 1.235 95.606 5,6 5.400 Geestelijke Gezondheidszorg 815 61.702 10,9 6.700 Gehandicaptenzorg 240 120.991 45,7 55.300 Thuiszorg 540 244.118 26,1 63.700 Overig gezondheidszorg 21.410 19.553 0,0 0 Bronnen: Statline (CBS, augustus 2003); Regiomarge 2003 (Prismant, 2004); bewerking OVDB 2004 Voor de welzijnsberoepen geldt eveneens een duidelijke verdeling over de branches (zie tabel 20). De sociaalpedagogen op niveau 4 en 5 verdelen zich over de gehandicaptenzorg en het welzijnswerk (algemeen, jeugdhulpverlening en kinderopvang). Van de sociaalpedagogen op niveau 3 en de helpenden welzijn op niveau 2 werkt respectievelijk 79,1% en 71,8% binnen het welzijnswerk; de overigen werken voornamelijk binnen de gehandicaptenzorg. Pagina 24 van 78
Tabel 20 Raming verdeling werkzame personen naar kwalificatie en branche (in % t.o.v. totaal per kwalificatie) GGZ Totaal zorg Ziekenhuizen Gehandicaptenzorg Verpleeghuizen Verzorgingshuizen Thuiszorg* Welzijnszorg Totaal zorg en welzijn Welzijn HW2 0,0 0,9 20,9 0,9 0,9 0,0 23,5 79,1 100,0 SPW3 0,0 0,6 27,8 1,4 1,2 0,4 31,4 71,8 100,0 SPW4 0,0 3,6 50,6 3,4 2,6 0,5 60,7 45,5 100,0 SPH5 0,0 14,1 36,3 0,9 0,4 0,0 51,7 49,6 100,0 * Met name binnen de thuiszorg is een groot aantal mensen (ca. 63.000) in een zorg- of sociaal agogische functie werkzaam, zonder dat daar de achtergrond van bekend is. Hieronder vallen bijvoorbeeld ook de alpha- hulpen. Deze personen komen niet terug in deze tabel. Bron: Regiomarge 2003 (Prismant, 2004) Ontwikkelingen werkgelegenheid OVDB-gerelateerde beroepen De verwachting is dat de werkgelegenheid in de welzijnssector de komende jaren zal blijven groeien. Het CWI voorspelt in haar publicatie Arbeidsmarktprognose 2004-2009 (CWI, 2004) dat de werkgelegenheid de komende jaren weer zal aantrekken. Aanvankelijk zal dat in de marktsector nog niet zo duidelijk zichtbaar zijn, maar voor onder andere welzijn wordt een sterke groei verwacht. Ook Prismant voorziet een groei van de werkgelegenheid in de sector welzijn. Wat dit betekent voor de sociaal agogische beroepen is weergegeven in Tabel 21. Deze tabel geeft prognoses voor de werkgelegenheidsontwikkeling voor de komende jaren. De conclusie is dat vooral de werkgelegenheid voor sociaal pedagogisch werkers op niveau 3 zal toenemen, gemiddeld met zo n 3,2%. Voor de andere drie beroepen groeit het aantal banen eveneens, maar minder hard. Tabel 21 Verwachte ontwikkeling banen van werknemers in sociaal agogische beroepen 2002-2007 (absolute aantallen en jaarlijkse groei in %) Absolute aantallen Procentuele groei 2003 2004 2005 2006 2007 2005 2006 2007 Welzijnsberoepen totaal 123.171 126.796 129.839 132.659 135.616 2,4 2,2 2,2 Hw2 11.430 11.592 11.878 11.984 12.242 2,5 0,9 2,2 Spw3 49.918 51.508 53.211 54.938 56.652 3,3 3,2 3,1 Spw4 38.504 39.628 40.004 40.733 41.462 0,9 1,8 1,8 Sph5 23.319 24.068 24.745 25.005 25.261 2,8 1,1 1,0 Bron: Regiomarge 2003 (Prismant, 2004) Een groeiende werkgelegenheid wijst op gunstige arbeidsmarktperspectieven voor gediplomeerde schoolverlaters. Naast groei is echter ook het verloop van personeel van invloed op het arbeidsmarktperspectief: naarmate het verloop groter is, zullen meer mensen uittreden en vervangen moeten worden. Het gaat hier overigens om het netto-verloop op sectorniveau: mensen die de sector verlaten. Regiomarge 2003 geeft aan dat er in 2005 voor de sociaal pedagogische beroepen vraag naar (nieuw) personeel zal zijn. Deze banen zijn echter niet alleen beschikbaar voor schoolverlaters. De welzijnszorg kent doorgaans een hoge instroom van bijvoorbeeld herintreders. Dit aandeel kan oplopen tot 25 à 27%. In Tabel 22 is, op basis van gegevens uit Regiomarge 2003, de ontwikkeling van het aantal baanopeningen weergegeven voor de periode 2004-2007. Het aantal baanopeningen geeft als het ware de nettovraag naar arbeid weer en wordt dan bepaald door de vraag naar arbeid als gevolg van groei plus de vraag naar arbeid als gevolg van vervanging. Van deze baanopeningen is alleen dat deel Pagina 25 van 78
genomen dat beschikbaar is voor schoolverlaters. Bovendien zijn de aantallen omgerekend naar fulltime banen. De resultaten wijzen uit dat er in 2005 voor de sociaal agogische beroepen veel vraag naar (nieuw) personeel zal zijn. Voor 2005 meldt Regiomarge groeipercentages van 15,7% (Sociaal Pedagogisch Werker niveau 3) tot 19,3% (Helpenden Welzijn op niveau 2). Voor 2006 en 2007 zal er nog steeds sprake zijn van substantiële groei van het aantal baanopeningen, met name voor sociaal pedagogisch werker niveau 3, maar de groeipercentages liggen beduidend lager dan voor 2005. Tabel 22 Verwachte ontwikkeling baanopeningen schoolverlaters sociaal agogische beroepen 2004-2007 (absolute aantallen en groei in %) Absolute aantallen Procentuele groei 2004 2005 2006 2007 2005 2006 2007 Welzijnsberoepen 4.964 6.063 6.246 6.489 22,1 3,0 3,9 Helpende Welzijn 460 565 581 593 22,9 2,9 2,0 Sociaal Pedagogisch werker niveau 3 2.019 2.441 2.557 2.669 20,9 4,8 4,4 Sociaal Pedagogisch werker niveau 4 1.584 1.937 1.954 2.032 22,3 0,9 4,0 Sociaal Psychologisch Hulpverlener niveau 5 833 1.048 1.072 1.114 25,8 2,3 3,9 Bron: Regiomarge 2003 (Prismant, 2004) Bovenstaande ontwikkelingen betekenen dat de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden in opleidingen sociaal agogisch werk zeer gunstig zijn. Dit geldt voor de middellange termijn (tot 2007) maar zeker voor de korte termijn (2005). 2.2 Deelnemers Sociaal Agogisch Werk Binnen het domein Sociaal Agogisch Werk (SAW) bestaan zes kwalificaties op mbo-niveau: Helpende Welzijn (HW), Sociaal Dienstverlener (SD), Sociaal Pedagogisch Werker niveau 3 (SPW3), Sociaal Pedagogisch Werker niveau 4 (SPW4), Sociaal Cultureel Werker (SCW) en Onderwijsassistent (OA). Deze zes studies kunnen in de BOL en de BBL gevolgd worden. Op 45 ROC s in het land is het in het schooljaar 2003/2004 mogelijk een studie SAW te volgen. In dat jaar stonden in totaal 61.868 deelnemers ingeschreven voor een van de zes studies. Het merendeel van de deelnemers volgt de studie in de BOL (81,5%). Dit geldt ook voor elk van de afzonderlijke studies. De historische ontwikkeling van de deelnemers V&V vanaf 1998 is weergegeven in Pagina 26 van 78
Tabel 23. De studies SPW3 en SPW4 worden gezamenlijk door ongeveer tweederde van de deelnemers gevolgd. De studies HW en OA hebben respectievelijk 12,2% en 11,1% van het totaal aantal deelnemers SAW. SCW en SD hebben in vergelijking met de andere vier studies de laagste deelnemeraantallen. De totale stijging in deelnemeraantallen SAW is groot, 83,2% over de laatste 5 jaar. Bij de afzonderlijke studies is deze stijging ook zichtbaar. Voor het percentage BBL-leerlingen geldt de toename alleen bij SPW3, SPW4 en OA. Bij HW, SD en SCW is het aantal BOL-leerlingen het laatste jaar procentueel toegenomen In de onderstaande tabel staan tevens prognoses voor de ontwikkeling van de deelnemeraantallen in de komende drie studiejaren. Opvallend is dat alleen bij de studie Sociaal Pedagogisch Werker niveau 4 in de toekomst sprake zal zijn van een daling in de deelnemeraantallen. Dit is te wijten aan een daling in het aantal leerlingen dat de BOL opleiding SPW4 volgt. De procentuele stijging voor het domein SAW als geheel is per jaar 7% of hoger. Bij SPW3 is deze stijging per jaar het grootst (respectievelijk 24,7%, 13,3% en 11,7%). Pagina 27 van 79
Tabel 23 Historische ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor het domein Sociaal Agogisch Werk per kwalificatie 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 %aandeel 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2003/04 Sociaal Agogisch Werk Totaal 33.771 40.215 44.922 48.965 56.193 61.868 66.223 71.433 76.642 100,0 BBL 786 2.987 5.030 8.072 10.376 11.433 14.217 16.426 18.635 BOL 32.985 37.228 39.892 40.893 45.817 50.435 52.006 55.007 58.007 %BBL 2,3 7,4 11,2 16,5 18,5 18,5 21,5 23,0 24,3 Helpende Welzijn Totaal 2.591 4.919 5.735 5.953 7.532 8.613 9.702 10.792 12,2 BBL 290 614 832 868 963 1.193 1.353 1.513 BOL 2.301 4.305 4.903 5.085 6.559 7.419 8.349 9.279 %BBL 11,2 12,5 14,5 14,6 12,8 13,9 13,9 14,0 Sociaal Dienstverlener Totaal 914 1.497 1.902 1.928 2.501 2.830 3.190 3.551 4,0 BBL 134 165 202 202 196 228 244 260 BOL 780 1.332 1.700 1.726 2.305 2.602 2.946 3.291 %BBL 14,7 11,0 10,6 10,5 7,8 8,1 7,7 7,3 Sociaal Pedagogisch Totaal 7.874 13.526 19.597 21.447 22.688 28.291 32.046 35.801 36,7 Werker 3 BBL 889 2.076 3.947 5.000 5.508 7.133 8.349 9.565 BOL 6.985 11.450 15.650 16.447 17.180 21.159 23.697 26.236 %BBL 11,3 15,3 20,1 23,3 24,3 25,2 26,1 26,7 Sociaal Pedagogisch Totaal 31.230 25.741 20.999 16.272 18.909 19.285 15.741 14.240 12.740 31,2 Werker 4 BBL 704 1.427 1.766 2.516 3.403 3.649 4.377 4.985 5.593 BOL 30.526 24.314 19.233 13.756 15.506 15.636 11.364 9.256 7.148 %BBL 2,3 5,5 8,4 15,5 18,0 18,9 27,8 35,0 43,9 Sociaal Cultureel Werker Totaal 2.175 1.970 1.848 1.906 2.570 3.007 2.848 3.020 3.192 4,9 BBL 58 177 279 378 463 513 635 727 819 BOL 2.117 1.793 1.569 1.528 2.107 2.494 2.213 2.293 2.372 %BBL 2,7 9,0 15,1 19,8 18,0 17,1 22,3 24,1 25,7 Onderwijsasistent Totaal 366 1.125 2.133 3.553 5.386 6.855 7.901 9.234 10.567 11,1 BBL 24 70 130 197 440 604 652 768 885 BOL 342 1.055 2.003 3.356 4.946 6.251 7.249 8.466 9.682 %BBL 6,6 6,2 6,1 5,5 8,2 8,8 8,3 8,3 8,4 Bron: CFI, mei 2004, diverse tellingen; Prognoses OVDB, 2004 In de afgelopen jaren is er sprake van een stijgende instroom in alle opleidingen SAW gezamenlijk (zie Tabel 24). Bij de opleidingen SD, SPW3, SPW4 en SCW is de instroom het laatste jaar echter gedaald. De opleiding OA heeft daarentegen een stijging van 115% doorgemaakt. Pagina 28 van 79
Tabel 24 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor het domein Sociaal Agogisch Werk per kwalificatie Absolute aantallen Procentuele groei 2000 2001 2002 2003 2001 2002 2003 Sociaal Agogisch Werk Totaal 18.400 22.088 23.951 24.630 20,0 8,4 2,8 BBL 2.546 4.234 5.122 6.297 66,3 21,0 22,9 BOL 15.854 17.854 18.829 18.333 12,6 5,5-2,6 %BBL 13,8 19,2 21,4 25,6 Helpende Welzijn Totaal 2.718 3.346 3.548 4.374 23,1 6,0 23,3 BBL 433 613 611 884 41,6-0,3 44,7 BOL 2.285 2.733 2.937 3.490 19,6 7,5 18,8 %BBL 15,9 18,3 17,2 20,2 Sociaal Dienstverlener Totaal 904 750 771 678-17,0 2,8-12,1 BBL 149 96 91 78-35,6-5,2-14,3 BOL 755 654 680 600-13,4 4,0-11,8 %BBL 16,5 12,8 11,8 11,5 Sociaal Pedagogisch Totaal 6.925 9.960 9.914 8.905 43,8-0,5-10,2 Werker 3 BBL 1.205 2.260 2.308 3.139 87,6 2,1 36,0 BOL 5.720 7.700 7.606 5.766 34,6-1,2-24,2 %BBL 17,4 22,7 23,3 35,2 Sociaal Pedagogisch Totaal 5.243 5.387 6.825 6.435 2,7 26,7-5,7 Werker 4 BBL 650 1.039 1.720 1.667 59,8 65,5-3,1 BOL 4.593 4.348 5.105 4.768-5,3 17,4-6,6 %BBL 12,4 19,3 25,2 25,9 Sociaal Cultureel Werker Totaal 802 862 1.437 1.108 7,5 66,7-22,9 BBL 104 158 215 173 51,9 36,1-19,5 BOL 698 704 1.222 935 0,9 73,6-23,5 %BBL 13,0 18,3 15,0 15,6 Onderwijsasistent Totaal 1.808 1.783 1.456 3.130-1,4-18,3 115,0 BBL 5 68 177 356 1.260,0 160,3 101,1 BOL 1.803 1.715 1.279 2.774-4,9-25,4 116,9 %BBL 0,3 3,8 12,2 11,4 Bron: Prismant, juni 2004 Afhankelijk van de gevolgde SAW studie kiezen de afgestudeerden ervoor om direct na de afronding te gaan werken of eerst nog een aantal jaren verder te gaan studeren. In Tabel 25 is weergegeven wat afgestudeerden met een SAW-opleiding ca. anderhalf jaar ná het afronden van hun diplomering zijn gaan doen. Deze gegevens zijn afkomstig uit het schoolverlatersonderzoek 2003 van het ROA. Bijna alle BBLleerlingen welzijn gaan na hun studie aan het werk (92,7%). Bij de BOL leerlingen vindt een kleiner percentage na de opleiding betaald werk, namelijk 50,9%. Ongeveer een kwart van de afgestudeerden SPW4 gaat na deze BOL opleiding aan het werk. Bij SPW3 gaat daarentegen meer dan 65% werken na de studie. Zoals verwacht gaat de meerderheid van de afgestudeerden SAW werken in de beroepsgroep Zorg en Welzijn (BOL 79,6%, BBL 91,0%). Ze vinden vooral en baan als Verzorgend Personeel, Activiteitenbegeleiders en medewerkers arbeidsbemiddeling. Pagina 29 van 79
Van de BOL leerlingen SAW gaat in totaal 43,4% na hun studie verder studeren. Bij Helpende Welzijn, Sociaal Dienstverlener en SPW4 liggen deze percentages wel boven het gemiddelde (respectievelijk 56,0, 61,2 en 60,7%). De meerderheid van de schoolverlaters die verder gaat studeren, stroomt door naar het HBO. 57,9% van de afgestudeerden SAW gaat een agogische vervolgopleiding doen. De studies die zij volgen, zijn onder andere Maatschappelijk werk en Dienstverlening, Sociaal Pedagogische Hulpverlening, Leraar Basisonderwijs, Culturele en Maatschappelijke Vorming en Personeel en Arbeid. Leerlingen SPW3 en SPW4 gaan daarnaast ook vaak een vervolgopleiding doen die niet agogisch of op de zorg gericht is. Tabel 25 Bestemming schoolverlaters Sociaal Agogische Opleidingen (ca. anderhalf jaar na diplomering) (in %) Kwalificatie Leerweg Betaald werk (%) Werkloos (%) Scholier /student (%) Werkend leren (BBL /Duaal) (%) Anders (%) Betaald werk of Werkend leren (%) Betaald werk of oplei-ding (%) Welzijn Totaal 51,5 2,1 37,8 4,8 3,8 56,3 94,1 BBL 92,7 3,7 0,0 0,0 3,7 92,7 92,7 BOL 45,4 1,9 43,4 5,5 3,8 50,9 94,3 Helpende Welzijn BOL 28,0 4,0 56,0 4,0 8,0 32,0 88,0 Sociaal dienstverlener BOL 16,6 0,0 61,2 22,2 0,0 38,8 100,0 Sociaal pedagogisch werker 3 Totaal 69,5 2,6 22,5 1,7 3,7 71,2 93,7 BBL 92,5 3,7 0,0 0,0 3,7 92,5 92,5 BOL 63,0 2,2 28,9 2,2 3,7 65,2 94,1 Activiteitenbegeleider Totaal 71,0 0,0 24,0 3,0 2,0 74,0 98,0 BBL x x x x x x x BOL 63,0 0,0 30,0 4,0 2,0 67,0 97,0 Sociaal cultureel werk Totaal 42,0 7,0 43,0 7,0 0,0 49,0 92,0 Sociaal pedagogisch werker 4 Totaal 27,7 0,0 60,0 10,6 1,8 38,3 98,2 BBL 94,0 3,0 1,0 0,0 2,0 94,0 95,0 BOL 26,8 0,0 60,7 10,7 1,8 37,5 98,2 Bron: ROA, gegevens aangeleverd op verzoek 2.3 Beroepspraktijkvorming Sociaal Agogisch Werk In juli 2004 staan voor de leerlingen Sociaal Agogisch Werk 48.597 leerplaatsen geregistreerd in het register van de OVDB. Het grootste deel (62%) zijn plaatsen voor sociaal pedagogisch werkers (niveau 3 en 4). Pagina 30 van 79
Tabel 26 Aantal geregistreerde leerplaatsen SAW Kwalificatie Aantal BOL BPVplaatsen Aantal BBL BPVplaatsen Totaal aantal leerplaatsen Helpende Welzijn 7.192 784 7.976 Sociaal Dienstverlener 1.497 269 1.766 Sociaal Cultureel Werker 1.894 238 2.132 Sociaal Pedagogisch Werker 3 16.189 3.225 19.414 Sociaal Pedagogisch Werker 4 8.406 2.390 10.796 Onderwijsassistent 6.019 494 6.513 Bron: OVDB bedrijvenregister Daarnaast is in kaart gebracht binnen welke sectoren, in wat voor soort leerbedrijven de leerplaatsen zich bevinden. Dit om na te gaan of dit de soorten plaatsen zijn waar zij hun BPV willen of moeten doen (vanwege het behalen van bepaalde eindtermen) maar ook om na te gaan of dit representatief is voor het werkveld waar zij straks in terecht komen. Gaan de leerlingen ook in dit soort organisaties werken? Tabel 27 Procentuele verdeling van BPV-plaatsen (SAW) in verschillende branches Sociaal Agogisch Werk Scholen Sociaal dienst-verl. Sociaal cultureel werk Kindersector Gehandicaptenzorg Verzorging/verple egh. Overig SAW Totaal SAW Helpende welzijn 17,4 51,3 10,9 0,2 5,2 12,1 2,9 100 Onderwijsassistent 98,0 0,2 0,0 0,0 0,1 0,0 1,7 100 Soc. Pedag. W. 3 33,8 47,9 12,7 0,1 1,5 1,1 2,9 100 Soc. Pedag. W. 4 10,0 7,8 36,2 0,5 3,6 19,8 22,1 100 Soc. Cultureel W. 1,0 15,4 3,1 2,2 58,4 1,1 18,8 100 Soc. Dienstverlener 1,1 1,0 2,6 34,9 19,3 3,8 37,3 100 Bron: OVDB bedrijvenregister Zoals uit Tabel 27 blijkt, bevinden de meeste leerplaatsen voor helpende welzijn zich in de kindersector en het onderwijs (zie gemarkeerde percentages). De sociaal dienstverleners hebben eenderde van de leerplaatsen in de sociale dienstverlening, daarnaast eenvijfde van de plaatsen in het Sociaal Cultureel Werk. SPW3-leerlingen kunnen terecht in de kindersector en het onderwijs. Hun medeleerlingen van niveau 4 zien we vooral BPV doen in de verstandelijk gehandicaptenzorg en in verzorgingshuizen. De sociaal cultureel werkers doen hun BPV in het sociaal cultureel werk en in mindere mate in de kindersector. Tot slot de onderwijsassistenten: deze doen zo goed als allemaal hun praktijkervaring op in het onderwijs. Om te beoordelen of de helft van de leerplaatsen voor helpende welzijn in de kindersector voldoende is, zal inzichtelijk moeten zijn waar deze leerlingen hun BPV willen cq. moeten doen. Deze informatie is echter (nog) niet beschikbaar, waardoor hier op deze plaats geen conclusies aan verbonden zullen worden. 2.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt In de inleiding van dit rapport is over de BPV geschreven dat de BPV-balans op twee manieren bekeken kan worden: vanuit de vraag van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen; en vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden. Pagina 31 van 79
Vraag vanuit het onderwijs In deze paragraaf zal conform de eerste redenering de behoefte aan BPV plaatsen benaderd worden vanuit de onderwijskant, ofwel: het aantal leerlingen in de opleiding bepaalt de behoefte aan BPVplaatsen. Hiervoor wordt per kwalificatie op basis van het aantal leerlingen in de opleiding de behoefte aan BPVplaatsen bepaald. Deze behoefte wordt vervolgens afgezet tegen het aanbod van leerplaatsen volgens het register van de OVDB. Een meer complete beschrijving van de gehanteerde rekenmethode is terug te vinden in de bijlage. Tabel 28 Berekening BPV-balans Benodigde leerplaatsen Aantal BOL leerlingen BPV-factor Benodigd aantal leerplaatsen Helpende Welzijn 6.559 0,38 2.464 Sociaal Dienstverlener 2.305 0,34 785 Sociaal Pedagogisch Werker 3 17.180 0,33 5.729 Sociaal Pedagogisch Werker 4 15.636 0,35 5.545 Sociaal Cultureel Werker 2.494 0,40 985 Onderwijsassistent 6.251 0,25 1.537 Aanwezige leerplaatsen Aantal BOL BPV-plaatsen Correctiefactor Aanbod leerplaatsen Helpende Welzijn 7.192 50% 3.596 Sociaal Dienstverlener 1.497 80% 1.198 Sociaal Pedagogisch Werker 3 16.189 74% 11.990 Sociaal Pedagogisch Werker 4 8.406 75% 6.305 Sociaal Cultureel Werker 1.894 80% 1.515 Onderwijsassistent 6.019 80% 4.815 Resultaat (Verschil vraag en aanbod) Vraag (benodigd) Aanbod (aanwezig) Overschot / tekort (-) Helpende Welzijn 2.464 3.596 1.132 Sociaal Dienstverlener 785 1.198 413 Sociaal Pedagogisch Werker 3 5.729 11.990 6.261 Sociaal Pedagogisch Werker 4 5.545 6.305 760 Sociaal Cultureel Werker 985 1.515 530 Onderwijsassistent 1.537 4.815 3.278 Bron: OVDB bedrijvenregister Wanneer we uit gaan van een optimale benutting van leerplaatsen en een aanbod binnen wenselijke soorten organisaties, dan is er sprake van een overschot aan leerplaatsen voor alle kwalificaties binnen de SAW sector. Vraag vanuit de arbeidsmarkt Uit de eerder beschreven baanopeningen is af te leiden hoeveel deelnemers er in een opleiding zullen moeten instromen om aan de (toekomstige) vraag te voldoen. Om uit baanopeningen het benodigd aantal deelnemers te berekenen maken we gebruik van twee indicatoren. De eerste is het beroepsrendement, dit is het aandeel van gediplomeerde schoolverlaters, dat daadwerkelijk in een functie gaat werken waarvoor ze zijn opgeleid. Deze indicator ontlenen we aan het schoolverlatersonderzoek van het ROA, waarin de OVDB participeert als mede-opdrachtgever. De tweede indicator is het studierendement, dit is het aandeel van alle deelnemers dat daadwerkelijk uitstroomt met een diploma. Studierendement ontlenen we aan het onderzoek Instroom en rendement OVDB-opleidingen 2003 dat Prismant jaarlijks uitvoert, in opdracht van het OSA en de OVDB. In de berekening van het aantal deelnemers dat op een bepaald moment een opleiding volgt, is bovendien rekening gehouden met opleidingsduur en (tussentijdse) uitval van deelnemers. Pagina 32 van 79
In onderstaande Tabel 29 zijn de resultaten van de afleiding weergegeven. Uitgaande van de baanopeningen in 2005 zouden er 3.154 Helpenden Welzijn, 14.687 Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 3 en 31.305 Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 4 in opleiding moeten zijn om aan de arbeidsvraag in 2005 te voldoen. Vergelijken we dat met het aantal deelnemers in schooljaar 2003-2004, dan blijkt dat voor de opleiding Helpende Welzijn ruim voldoende deelnemers in opleiding zijn om aan deze vraag te kunnen voldoen. Voor Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 3 geldt dat er veel meer deelnemers (8.001) in opleiding zijn, terwijl voor Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 4 veel minder deelnemers (12.020) in opleiding zijn dan nodig is om aan de arbeidsvraag in 2005 te voldoen. Nemen we Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 3 en 4 samen, dan verdwijnt een deel van deze verschillen, maar blijft er toch een dreigend tekort bestaan van 4.019 deelnemers. Een verklaring voor bovenstaande kan zijn dat de opleidingen Sociaal Pedagogisch Werker op niveau 3 en niveau 4 enigszins door elkaar lopen. Het is niet altijd even duidelijk of deelnemers een opleiding op niveau 3 of op niveau 4 volgen. Voor Sociaal Dienstverlener, Sociaal Cultureel Werker en Onderwijsassistent is het aantal baanopeningen niet bekend. Daardoor is het ook niet mogelijk om het benodigde aantal deelnemers en de balans met het huidige aantal deelnemers te schatten. Tabel 29 Aantal benodigde deelnemers op grond van de vraag op de arbeidsmarkt en huidige aantal deelnemers in opleiding Beroepsgroep Baanopeningen 2005 Nodig Gedipl. Schoolverlaters 2005 Nodig Nodig Nodig Deelnemers Deelnemers Deelnemers in opleiding in opleiding in opleiding BBL BOL totaal Huidig Huidig Huidig aantal aantal aantal BBL BOL deeln deeln deeln totaal Verschil BBL Verschil Verschil BOL Totaal Helpende Welzijn 565 1.438 444 2.711 3.154 963 6.559 7.522 519 3.848 4.368 Sociaal Pedagogisch Werker 3 2.441 3.808 3.679 11.008 14.687 5.508 17.180 22.688 1.829 6.172 8.001 Sociaal Pedagogisch Werker 4 1.937 5.664 5.376 25.929 31.305 3.649 15.636 19.285-1.727-10.293-12.020 Soc Ped Werker 3/4 samen 4.378 9.472 9.055 36.937 45.992 9.157 32.816 41.973 102-4.121-4.019 Sociaal Dienstverlener Sociaal Cultureel Werker Onderwijsassistent onbekend onbekend onbekend Bron: Diverse bronnen; bewerking OVDB 2004 Deze resultaten liggen in lijn met de conclusies in Regiomarge 2003. Prismant prognosticeert voor 2007 met name tekorten aan sociaal pedagogisch werkers op niveau 4 (6,6%) en in iets mindere mate op niveau 3 en 5 (respectievelijk 4,3 en 3,8%). Voor helpenden welzijn op niveau 2 wordt op termijn een overschot verwacht. Kijken we naar de beschikbaarheid van BPV-plaatsen (tabel 30), dan zien we dat voor Helpende Welzijn ruim voldoende BPV-plaatsen beschikbaar zijn. Voor Sociaal Pedagogisch Werker op niveau 3 zijn ruim voldoende BPV-plaatsen beschikbaar in de BOL-variant, er zijn echter 454 plaatsen te weinig beschikbaar in de BBL-variant. Voor Sociaal Pedagogisch Werker op niveau 4 zouden volgens de berekening extra plaatsen beschikbaar moeten komen, zowel in de BOL-variant (2.891) als in de BBLvariant (2.986). Voor Sociaal Pedagogisch Werker niveau 3 en 4 tezamen, zijn echter ruim voldoende plaatsen beschikbaar in de BOL-variant, echter niet in de BBL-variant. Voor Sociaal Dienstverlener, Sociaal Cultureel Werker en Onderwijsassistent is het aantal baanopeningen niet bekend. Daardoor is het ook niet mogelijk een inschatting te geven van het aantal benodigde BPV-plaatsen. Pagina 33 van 79
Tabel 30 Vraag naar en aanbod van BPV-plaatsen, uitgaande van de vraag op de arbeidsmarkt Beroepsgroep Nodig BPV BBL Nodig BPV BOL Baanopeningen Beschikbaar BPV BBL Beschikbaar BPV BOL Verschil BBL Verschil BOL Helpende Welzijn 565 444 1.017 784 3.596 340 2.579 Sociaal Pedagogisch 2.441 3.679 3.671 3225 11.990-454 8.319 Werker 3 Sociaal Pedagogisch 1.937 5.376 9.196 2390 6.305-2.986-2.891 Werker 4 Soc Ped Werker 3/4 4.378 9.055 12.867 5615 18.295-3.440 5.428 Sociaal Dienstverlener Sociaal Cultureel Werker Onderwijsassistent Onbekend Onbekend Onbekend Bron: Diverse bronnen; bewerking OVDB 2004 2.5 Conclusies Voor de kwalificaties binnen SAW geldt dat er voldoende BPV-plaatsen erkend zijn om de huidige leerlingpopulatie van een stageplaats te voorzien. De situatie is momenteel zelfs zo dat binnen het agogisch werk sprake is van een fors aanbod van BPV-plaatsen. Dat neemt overigens niet weg dat de verdeling van de beschikbare BPV-plaatsen over de verschillende branches niet geheel overeenkomt met de vraag van de leerlingen. Voor de SPW-leerlingen geldt dat zij in grotere getale stage zouden willen lopen in de jeugdhulpverlening. Deze sector geeft echter de voorkeur aan oudere leerlingen. Voor de opleidingen Helpende Welzijn, SPW3 en SPW4 is tevens onderzocht hoe het staat met de leerlingen in opleiding ten opzichte van de personeelsbehoefte in 2005. Hieruit blijkt dat er momenteel meer dan twee keer zoveel leerlingen de opleiding Helpende Welzijn volgen, dan nodig zijn om straks in de arbeidsmarktbehoefte te voorzien. Wanneer de opleidingen SPW3 en SPW4 strikt gescheiden worden, dan geldt dat er momenteel te veel SPW3 leerlingen opgeleid worden en te weinig SPW4. In de praktijk is deze scheiding echter niet zo scherp en een totaalplaatje (wanneer de leerlingen en banen voor SPW3 ers en SPW4 ers worden samengevoegd) laat zien dat er momenteel zo n 10% te weinig SPW-leerlingen worden opgeleid voor de behoefte aan personeel in 2005. Vertalen we deze leerlingaantallen naar benodigde BPV-plaatsen dan geldt dat er op dit moment meer dan genoeg BOL-plaatsen beschikbaar zijn. Voor de SPW ers zouden wel nog meer BBL-plaatsen beschikbaar moeten komen. Pagina 34 van 79
3. Praktijkopleider Naast de kwalificaties op het gebied van zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, beheert de OVDB ook de kwalificatie tot praktijkopleider. Praktijkopleiders hebben als taak om binnen instellingen zorg te dragen voor goede voorwaarden voor het praktijkleren (beroepspraktijkvorming) van deelnemers. Zij zijn onder andere verantwoordelijk voor het opzetten van werkplannen, het creëren van leervoorwaarden, het begeleiden en beoordelen van leerprocessen van deelnemers en het coachen van de werkbegeleiders. 3.1 Arbeidsmarkt Praktijkopleider Het beroep van praktijkopleider wijkt af van andere beroepen zoals doktersassistent of verpleegkundige. Zo kennen met name grote organisaties met veel stagiaires vaak een functie praktijkopleider, terwijl dat binnen kleinere organisaties vaak een rol binnen een andere functie is. Zaken als baanopeningen zijn hiermee niet zo letterlijk aan de orde. Het is dan ook bijzonder complex om de arbeidsmarkt voor praktijkopleiders in kaart te brengen. Te hopen valt wel dat deze (deel)functie steeds meer toeneemt, aangezien het de kwaliteit van opleiden ten goede komt. 3.2 Deelnemers Praktijkopleider De opleiding tot praktijkopleider kent alleen een BBL variant op niveau 4 en duurt één jaar. Tabel 31 Kwalificatie Praktijkopleider, kwalificatieniveau en crebonummer Kwalificatie Kwalificatieniveau Praktijkopleider Niveau 4 10890 Crebonummer Bron: Ministerie van OC&W De BBL opleiding voor praktijkopleider is in het schooljaar 2003/04 op 40 ROC s gegeven. In onderstaande Tabel 32 is te zien dat het aantal deelnemers aan de opleiding tot praktijkopleider flink is gegroeid: van 214 deelnemers in 1998/99 tot 591 deelnemers in 2001/02. Daarna heeft er een daling plaatsgevonden tot 402 deelnemers in het afgelopen schooljaar. Tabel 32 Historische ontwikkeling deelnemers 1998/99-2003/04 voor Praktijkopleider 1998 1999 2000 2001 2002 2003 1999 2000 2001 2002 2003 2004 Praktijkopleider 214 335 347 591 494 402 Bron: Cfi 3.3 Beroepspraktijkvorming Praktijkopleider Kijkend naar de leerplaatsen voor de praktijkopleiders dan blijken deze zich vooral in de zorgsector te bevinden. Een derde van de leerplaatsen bevindt zich in verzorgingshuizen, een kwart in de kindersector en één op de zes leerplaatsen komt voor in verpleeghuizen. Ook in de thuiszorg wordt veel aandacht besteed aan het begeleiden van leerlingen. Pagina 35 van 79
Tabel 33 Tabel AA Branches met leerplaatsen voor praktijkopleiders Zorg Welzijn Zorg, welzijn, overig Thuiszorg Verzorgingshuis Verpleeghuis Verstandelijk gehandicaptenzorg Ziekenhuis Kindersector Aantal BBL leerplaatsen 323 167 99 78 28 251 47 993 Totaal Percentage BBL leerplaatsen 32,5 16,8 10,0 7,9 2,8 25,3 4,7 100,0 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Een probleem dat binnen de nieuwe opleiding Praktijkopleider (start 2003) bestaat, is de onmogelijkheid om voor bepaalde eindtermen BPV te doen. Dit doet zich vooral voor binnen kleine instellingen: daar komen bepaalde situaties nu eenmaal niet voor. Zo besteden sommige deelnemers binnen hun functie weinig tijd aan het opleiden van leerlingen of hebben ze in de praktijk te maken met te weinig werkbegeleiders die gecoacht kunnen worden. Deze signalen krijgen momenteel aandacht binnen de OVDB. 3.4 Conclusies Na aanvankelijk een groei in deelnemeraantallen, is sinds twee jaar een daling van praktijkopleiders waarneembaar. Zij doen hun BPV voornamelijk in zorginstellingen en in de kinderopvang. Vanuit de visie dat praktijkopleiders bijdragen aan het verbeteren van het leerklimaat, zal de OVDB deelname aan deze opleiding blijven stimuleren. 4. Assisterenden Gezondheidszorg Binnen het domein Assisterenden Gezondheidszorg bestaan drie kwalificaties: Tandartsassistent, Doktersassistent en Apothekersassistent. Alle drie zijn opleidingen op niveau 4. Tabel 34 Kwalificaties OVDB per domein, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)* Kwalificatie Ove-rige branches Kwalificatieniveau Crebonummer(s) Assisterenden Gezondheidszorg Apothekersassistent Niveau 4 10435, 10774 Tandartsassistent Niveau 4 10436, 10775 Doktersassistent Niveau 4 10437, 10776 * Meerdere crebonummers bij een kwalificatie betekent dat er nog een oude opleiding loopt, terwijl er al een nieuwe opleiding is gestart Bron: OVDB 2004 Wat betreft werkveld verschillen deze kwalificaties nogal van elkaar. Daarom presenteren we de gegevens in dit hoofdstuk per kwalificatie, in plaats van voor het domein als geheel. Pagina 36 van 79
4.1 Apothekersassistent 4.1.1 Arbeidsmarkt Apothekersassistent Over het algemeen komen apothekersassistenten te werken bij openbare apotheken, ziekenhuisapotheken of huisartsen. Vanaf 1994 is er sprake geweest van een groei in het aantal openbare apotheken in Nederland. Tabel 35 laat zien dat de jaarlijkse groeipercentages over het algemeen rond de 1% liggen. Voor 1998 en 2001 noteren we iets hogere percentages, namelijk 1,6% respectievelijk 1,7%. Al met al is dit geen forse groei, maar wel een gestage en tamelijk constante. De verhouding tussen het aantal bedrijven en aantal apotheken is de laatste jaren aan het dalen. Tabel 35 Ontwikkeling aantal openbare apotheken 1994-2001 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Bedrijven 1.365 1.365 1.362 1.392 1.398 1.409 1.473 1.545 Openbare Apotheken 1.513 1.518 1.530 1.547 1.571 1.588 1.602 1.629 % groei 0,3 0,8 1,1 1,6 1,1 0,9 1,7 Verhouding aantal apotheken / bedrijven 1,11 1,11 1,12 1,11 1,12 1,13 1,09 1,05 Bron: CBS, 2003 In Tabel 36 is voor 2001 de verdeling weergegeven van apotheken naar soort. Hieruit blijkt dat openbare apotheken een zeer ruime meerderheid vormen van 70,1%. Iets meer dan een kwart (26,1%) van de apotheken valt onder een apotheekhoudende huisarts en een klein deel (3,9%) van de apotheken is te vinden in ziekenhuizen. Overigens als we de openbare apotheken en ziekenhuisapotheken onderling vergelijken op werkzame apothekers, dan valt op dat er in ziekenhuisapotheken kennelijk relatief veel meer apothekers werkzaam zijn dan bij openbare apotheken: in ziekenhuisapotheken (3,9%) werken dan 13,1% apothekers. Tabel 36 Verdeling apotheken en apothekers naar soort in 2001 (abs. en %) abs % Apotheken Aantal openbare apotheken 1.629 70,1 Aantal ziekenhuisapotheken 90 3,9 Apotheekhoudende huisartsen 606 26,1 Totaal apothekers + ah huisartsen 2.325 100,0 Apothekers Openbare apothekers 2.334 69,0 Ziekenhuisapothekers 443 13,1 Apotheekhoudende huisartsen 606 17,9 Totaal apothekers + ah huisartsen 3.383 100,0 Bron: De Grip, 2003 Het ROA heeft in het verlengde van haar schoolverlatersonderzoek extra aandacht besteed aan de arbeidsmarktpositie van apothekersassistenten en apothekershulpen. In hun rapportage De arbeidsmarkt voor apothekersassistenten tot 2010: een toekomstverkenning schetsen zij een beeld van de ontwikkeling van het aantal werkzame personen in deze beroepen, zoals weergegeven in Tabel 37 (ROA, 2003). Het ROA constateert dat over de periode 1998-2002 een enorme groei is gerealiseerd: het aantal werkende apothekersassistenten groeide met 65,4%, tot 12.640; het aantal apothekershulpen kende een groei van maar liefst 133,1% en kwam in 2002 uit op 3.590. In 2002 werkten in beide beroepen samen 16.230 mensen. Pagina 37 van 79
Tabel 37 Aantal apotheekassistenten en apotheekhulpen 1998-2002 1998 1999 2000 2001 2002 Apothekersassistenten 7.640 8.470 9.660 11.120 12.640 % groei jaarlijks 10,9 14,0 15,1 13,7 Apothekershulpen 1.540 1.770 2.140 2.740 3.590 % groei jaarlijks 14,9 20,9 28,0 31,0 Totaal 9.180 10.240 11.800 13.860 16.230 Bron: De Grip, 2003 Tabel 38 schetst de ontwikkeling van werkgelegenheid voor apothekersassistenten volgens een basisscenario, gebaseerd op een bevolkingsgroei van 3,5% en een autonome groei in geneesmiddelengebruik. Het aantal recepten blijkt een belangrijke indicator te zijn voor de personeelsvraag. Volgens deze prognose zullen zowel de uitbreidingsvraag als de vervangingsvraag de komende jaren blijven stijgen, hetgeen resulteert in een jaarlijks groeiend aantal baanopeningen. Tabel 38 Ontwikkelingen werkgelegenheid apothekersassistenten o.b.v. Basisscenario ( middenvariant bevolkingsgroei; 3,5% autonome groei geneesmiddelengebruik), 2003-2010 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 Groei aantal recepten (in %) 4,3 4,2 4,2 4,1 4,1 4,0 4,0 4,0 Werkgelegenheid personen 13.520 14.180 14.850 15.540 16.250 16.970 17.720 18.500 Uitbreidingsvraag personen 660 670 690 710 730 750 770 800 Uitstroom personen 1.060 1.070 1.090 1.090 1.120 1.250 1.400 1.410 Doorstroom personen 570 620 630 620 630 670 770 740 Vervangingsvraag personen 490 450 460 470 490 580 630 670 Verwachte arbeidsvraag in banen 1.150 1.120 1.150 1.180 1.220 1.330 1.400 1.470 Bron: De Grip, 2003 In Tabel 39 zijn de ontwikkelingen van het aanbod aan arbeid van apothekersassistenten weergegeven. Volgens deze prognose zal zowel het aanbod van schoolverlaters als van herintreders de komende jaren licht dalen. Gecombineerd met de hiervoor aangegeven groei in baanopeningen ontstaat er voor de toekomst een toenemend tekort aan apothekersassistenten. Als er geen maatregelen worden genomen zal er na 8 jaar (vanaf 2003) een cumulatief tekort van 4.370 assistenten zijn ontstaan. Tabel 39 Ontwikkelingen in aanbod van arbeid van apothekersassistenten, 2003-2010 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 Schoolverlaters 460 450 440 440 430 420 410 410 Herintreders 300 290 290 280 270 260 260 240 Tekort 390 380 420 460 520 650 730 820 Bron: De Grip, 2003 De instroom van apothekersassistenten bestaat uit schoolverlaters en herintreders. Van de werkzame assistenten is 57% als schoolverlater begonnen, 16% is aangetrokken als herintreder en 26% heeft een andere achtergrond (werkloosheid, elders werkzaam). Pagina 38 van 79
Volgens het ROA (2003) is er overigens een substantieel deel binnen de groep schoolverlaters dat wel een diploma Apothekersassistent heeft, maar niet in die functie werkzaam is. Eind 2004 verschijnt er een rapportage van het SBA met daarin de meest recente arbeidsmarktgegevens over apothekersassistenten. Tabel 40 laat zien dat het in 2001 ging om een aandeel van 30% van de gediplomeerde schoolverlaters dat in een andere functie dan apothekersassistent werkzaam is. Daarentegen gaat 70% wel als apothekersassistent werken. Tabel 40 Werkende gediplomeerde assistenten*, naar functie (%) 1998 1999 2000 2001 Werkende gediplomeerde schoolverlaters als - apothekersassistent (%) 77 70 68 70 - in andere functie (%) 23 30 32 30 * Zowel binnen als buiten openbare apotheken Bron: De Grip, 2003 4.1.2 Deelnemers Apothekersassistent In schooljaar 2003-2004 waren er 2.789 deelnemers ingeschreven voor de opleiding tot apothekersassistent, dit is ca. 40% van de deelnemers Assisterenden Gezondheidszorg (zie Tabel 41). Vanaf 1999 kunnen we een groei constateren van het aantal deelnemers. De laatste jaren lijkt het aantal BOL-deelnemers tamelijk constant te blijven; het aantal BBL-deelnemers is echter fors gegroeid, van zo n 5% in 2000 tot ruim 20% in 2003. De verwachting is dat dit aandeel BBL ers de komende jaren doorgroeit naar ca. 33% in 2006 en dat het aantal BOL-deelnemers constant blijft. Tabel 41 Historisch ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor apothekersassistenten 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 %aandeel binnen AG 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2003/04 Apothekersassistenten Totaal 2.186 2.121 2.202 2.402 2.617 2.789 2.952 3.127 3.302 40,1 BBL 31 115 285 536 610 789 947 1.105 BOL 2.186 2.090 2.087 2.117 2.081 2.179 2.162 2.180 2.197 %BBL 0,0 1,5 5,2 11,9 20,5 21,9 26,7 30,3 33,5 Bron: CFI, mei 2004, diverse tellingen; Prognoses OVDB, 2004 De instroomgegevens voor de opleiding Apothekersassistent zijn weergegeven in Pagina 39 van 79
Tabel 42. Hieruit is af te leiden dat de instroom in deze opleiding wat schommelt tussen 838 en 937 deelnemers. Voor de BOL-leerweg is er sprake van een lichte daling en voor de BBL een lichte stijging. Pagina 40 van 80
Tabel 42 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor apothekersassistenten Absolute aantallen Procentuele groei 2000 2001 2002 2003 2001 2002 2003 Apothekersassistenten Totaal 851 840 937 838-1,3 11,5-10,6 BBL 51 115 147 148 125,5 27,8 0,7 BOL 800 725 790 690-9,4 9,0-12,7 %BBL 6,0 13,7 15,7 17,7 Bron: Prismant, juni 2004 Uit het schoolverlatersonderzoek van het ROA (2004) blijkt dat 74,7% van de gediplomeerde schoolverlaters uit de BOL gaat werken als apothekersassistent, waarvan 9,8% in een werkend lerentraject. Bij de BBL opleiding voor Apothekersassistent vinden alle afgestudeerden betaald werk. Volgens dit onderzoek is geen van de gediplomeerde schoolverlaters werkloos. De perspectieven voor apothekersassistenten zijn goed. 4.1.3 Beroepspraktijkvorming Apothekersassistent In juli 2004 staan voor de leerlingen Apothekersassistent 2283 leerplaatsen geregistreerd in het register van de OVDB (zie Tabel 43). Tabel 43 Aantal geregistreerde leerplaatsen Apothekersassistent Kwalificatie Aantal BOL BPVplaatsen Aantal BBL BPVplaatsen Totaal aantal leerplaatsen Apothekersassistent 1.669 614 2.283 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Vervolgens is in kaart gebracht binnen welke sectoren, in wat voor soort leerbedrijven de leerplaatsen zich bevinden. Dit om na te gaan of dit de soorten plaatsen zijn waar zij hun BPV willen of moeten doen (vanwege het behalen van bepaalde eindtermen) maar ook om na te gaan of dit representatief is voor het werkveld waar zij straks in terecht komen. Gaan de leerlingen ook in dit soort organisaties werken? Tabel 44 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerlingen Apothekersassistent Assisteren-den Gezondheidszorg Farmaceut. Bedrij-ven Artsen Tandartsen Ziekenhuizen Verpleeghuizen Gezondheidscentra Overig AG Totaal AG Apothekersassiste nt 92,2 0,4 0,1 5,6 0,0 1,0 0,7 100 Bron: Leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Uit bovenstaande tabel blijkt dat de apothekersassistenten voornamelijk hun BPV doen in een farmaceutisch bedrijf. Een klein deel (5,6%) leert de praktijk van het vak in ziekenhuizen. 4.1.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt Apothekersassistent In de inleiding van dit rapport is over de BPV geschreven dat de BPV-balans op twee manieren bekeken kan worden: vanuit de vraag van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen; en Pagina 41 van 80
vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden. Vraag vanuit het onderwijs In deze paragraaf zal conform de eerste redenering de behoefte aan BPV-plaatsen benaderd worden vanuit de onderwijskant, ofwel: het aantal leerlingen in de opleiding bepaalt de behoefte aan BPV-plaatsen. Hiervoor wordt per kwalificatie op basis van het aantal leerlingen in de opleiding de behoefte aan BPVplaatsen bepaald. Deze behoefte wordt vervolgens afgezet tegen het aanbod van leerplaatsen volgens het register van de OVDB. Een meer complete beschrijving van de gehanteerde rekenmethode is terug te vinden bijlage 1. Tabel 45 Berekening BPV-balans Aantal BOL leerlingen BPV-factor Benodigd aantal Benodigde leerplaatsen leerplaatsen Apothekersassistent 2.179 0,28 602 Aanwezige leerplaatsen Aantal BOL BPV- correctiefactor Aanbod leerplaatsen plaatsen Apothekersassistent 1.669 0,50 * 835 Resultaat Vraag Aanbod Overschot / (Verschil vraag en aanbod) (benodigd) (aanwezig) tekort (-) Apothekersassistent 602 835 233 * Van de leerplaatsen van de kwalificaties Apothekersassistent is niet bekend voor hoeveel uren begeleiding zij daadwerkelijk staan. Om toch iets te kunnen zeggen over het aanbod van leerplaatsen en in welke mate dit voldoende is voor het aantal leerlingen in opleiding is uitgegaan van een correctiefactor van 50%. Met andere woorden: een geregistreerde plaats is bereid de helft van de tijd (de helft van 40 weken, 5 dagen per week in een jaar) een leerling te begeleiden. Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Wanneer de geregistreerde leerplaatsen in het register ieder een half fte per jaar leerlingen begeleiden, dan zou er geen tekort aan leerplaatsen zijn. Hierbij wordt er tevens van uit gegaan dat de planning van de BPV dusdanig is, dat de leerplaatsen ook daadwerkelijk zo benut kunnen worden (ofwel: niet alle leerlingen gaan tegelijk op stage). Wanneer een leerplaats voor apothekersassistenten niet voor de helft van de tijd, maar voor een kwart van de tijd plaats zou bieden aan een leerling, dan zou er een tekort aan plaatsen zijn voor de apothekersassistenten. Tabel 46 Aanbod van leerplaatsen en overschot/tekort op basis van een correctiefactor van 25% Resultaat (Verschil vraag en aanbod) Vraag (benodigd) Aanbod (aanwezig) Overschot / tekort (-) Apothekersassistent 602 417-185 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Vraag vanuit de arbeidsmarkt Voor apothekersassistenten is het aantal baanopeningen bekend via het onderzoek van De Grip (2003). Wij hebben gebruik gemaakt van het aantal te verwachten baanopeningen in 2005 minus het aandeel dat vervuld wordt door herintreders. Een en ander is weergegeven in Pagina 42 van 80
Tabel 47. Hieruit blijkt dat er momenteel 1.209 te weinig apothekersassistenten worden opgeleid om te kunnen voorzien in de arbeidsmarktbehoefte in 2005. Onderscheiden naar leerweg gaat het om 943 BOL-deelnemers en 266 BBL-deelnemers. Pagina 43 van 81
Tabel 47 Aantal benodigde deelnemers op grond van de vraag op de arbeidsmarkt en huidige aantal deelnemers in opleiding Beroepsgroep Baanopeningen 2005 Nodig Gedipl. Schoolverlaters 2005 Nodig Nodig Nodig Deelnemers Deelnemers Deelnemers in opleiding in opleiding in opleiding BBL BOL totaal Huidig Huidig aantal aantal BBL BOL deeln deeln Huidig aantal deeln totaal Verschil BBL Verschil Verschil BOL Totaal Apothekersassistenten 860 1.254 876 3.122 3.998 610 2.179 2.789-266 -943-1.209 Bron: diverse bronnen; bewerking OVDB Zouden de hierboven genoemde benodigde aantallen daadwerkelijk een opleiding tot Apothekersassistent (gaan) volgen, dan dienen daarvoor ook voldoende leerplaatsen beschikbaar te zijn. Op grond van de huidige beschikbaarheid van BPV-plaatsen zou dat niet het geval zijn. Tabel 48 laat zien dat er in dat geval 262 leerplaatsen BBL en 39 leerplaatsen BOL extra beschikbaar zouden moeten komen. Tabel 48 Vraag naar en aanbod van BPV-plaatsen, uitgaande van de vraag op de arbeidsmarkt Beroepsgroep Nodig BPV BBL Nodig BPV BOL Baanopeningen Beschikbaar BPV BBL Beschikbaar BPV BOL Verschil BBL Verschil BOL Apothekersassistenten 860 876 874 614 835-262 -39 Bron: diverse bronnen; bewerking OVDB 4.2 Doktersassistent 4.2.1 Arbeidsmarkt Doktersassistent Doktersassistenten zijn werkzaam in verschillende branches/instellingen. Uit Tabel 49 blijkt dat huisartsen de grootste groep werkgevers zijn. In 2002 werkten van alle werkzame doktersassistenten (21.100) er naar schatting 11.000 bij een huisarts, dat is ruim de helft. De overige doktersassistenten zijn werkzaam in een ziekenhuis (5.000), bij Arbo-diensten (3.000), bij de GGD of JGZ (1.500) en bij bloedtransfusiediensten en verpleeghuizen (600). In vergelijking met 2001, is de werkgelegenheid voor doktersassistenten in 2002 gegroeid met 2,9% (ca. 600 assistenten). De grootste groei van werkgelegenheid voor doktersassistenten (4,8%) vinden we bij huisartsenpraktijken. In ziekenhuizen is het aantal assistenten gelijk gebleven en voor de overige branches is sprake van een groei van zo n 2%. Tabel 49 De werkgelegenheid voor doktersassistenten (werkzame personen) Branche 2001 2002 Huisartsassistenten 10.500 11.000 Ziekenhuizen 5.000 5.000 ARBO 4.000 3.000 GGD/JGZ 1.500 Bloedtransfusiediensten / Verpleeghuizen 600 Overig (o.a. verpleeghuizen, marine, etc) 1.000 Totaal 20.500 21.100 Bron: NVDA Pagina 44 van 81
In 2003 waren er volgens het NVDA 4.631 huisartspraktijken, met daarin 8107 werkzame huisartsen (zie ook Tabel 50). Zelfstandige huisartsenpraktijken kunnen in drie vormen bestaan: solopraktijken (één zelfstandige huisarts), duo-praktijken (twee zelfstandige huisartsen en groepspraktijken (meer dan twee zelfstandige huisartsen). Wat betreft werkgelegenheid voor doktersassistenten laat Tabel 50 zien dat meer dan de helft van de doktersassistenten werkzaam is in een solopraktijk (52,1%). In duopraktijken werkt 29,4% van de doktersassistenten en 18,4% van hen werkt in groepspraktijken. Er is er een tendens dat praktijken groter worden. Met het groter worden van praktijken, verwachten we dat het gemiddelde aantal fte s voor doktersassistenten per huisarts zal afnemen. Waar dit gemiddelde voor een solopraktijk 1 fte is, zien we voor een duo-praktijk een gemiddelde van 1,4 fte en voor een groepspraktijk een gemiddelde van 2,7 fte. Hetzelfde geldt als we kijken naar het gemiddelde aantal personen dat deze fte s vervult. Het lijkt er op dat naarmate de praktijk groter is, er efficiënter gebruik gemaakt wordt van assistenten. Uit een visiedocument van de LHV (Huisartsenzorg in 2012: Medische zorg in de buurt ) wordt bovendien gesproken over de trend onder huisartsen om méér parttime te gaan werken en meer met andere huisartsen samen te gaan werken. Deze samenwerkingsverbanden in zogenaamde HOED-constructies (Huisartsen Onder Een Dak) of gezondheidscentra hebben ook consequenties voor de werkgelegenheid van doktersassistenten. Mogelijkerwijs kan, als het aantal praktijken van huisartsen afneemt, de werkgelegenheid van de doktersassistenten afnemen. Tabel 50 Werkzame assistenten(2001) en fte s huisartspraktijken in 2003 Solopraktijk Duopraktijk Groepspraktijk Totaal Aantal huisartspraktijken (2003, bron LHV) Aantal zelfstandige huisartsen* (2003, bron LHV) 2.867 (61,9%) 1.213 (26.2%) 509 (11%) 4.631 3.162 (39%) 2..594 (32%) 2..351 (29%) 8.107 Werkzame assistenten (%) 52,1 29,4 18,4 100 Gemiddeld werkzame 1,6 2,3 4,1 2 assistenten per praktijk (abs) Gemiddeld aantal fte per praktijk (abs) 1 1,4 2,7 1,3 * De aantallen huisartsen en praktijken corresponderen niet exact met elkaar, doordat een klein aantal huisartsen werkzaam is op meerdere praktijkadressen. Bron: NIVEL en LHV Over doktersassistenten zijn weinig arbeidsmarktgegevens bekend. Dit geldt zeker als het gaat om de verwachtingen voor de toekomst. De NVDA meldt dat door de minder gunstige economische situatie er meer kandidaten voor een vacature zijn. Er is nu ook concurrentie van herintreders en anders opgeleiden. Het werkveld geeft er de voorkeur aan om oudere/meer ervaren assistenten of mensen met een andere achtergrond in dienst te nemen, omdat men van mening is dat het niveau van de ROCuitstroom te laag is. Daarnaast zijn er de afgelopen drie jaar nieuwe functies bij gekomen, nl praktijkondersteuner en huisartsenpostassistente. Dit heeft voor ongeveer 2.200 nieuwe banen in de huisartsenzorg geleid. Het ROC is naast BOL- nu ook BBL-trajecten gaan aanbieden (er is ook een nieuwe variant gestart, nl. BBL-Gezondheidscentra). Het gevolg is dat het aantal opleidingsplaatsen is toegenomen. 4.2.2 Deelnemers Doktersassistent In het schooljaar 2003-2004 waren 3.267 deelnemers ingeschreven voor een opleiding tot doktersassistent. Dit is ca. 47% van het aantal deelnemers Assisterenden Gezondheidszorg. Het aantal deelnemers aan deze opleiding is de laatste jaren sterk gegroeid, zowel in de BOL als de BBL. Het Pagina 45 van 81
aandeel BBL ers bedraagt momenteel 6,2% en is, sinds de start van deze variant in 2001, sterk groeiende. De verwachting voor de toekomst is dat het aantal deelnemers voor deze opleiding blijft stijgen. Tabel 51 Historisch ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor doktersassistenten 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 %aandeel 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2003/04 Doktersassistenten Totaal 2.489 2.568 2.593 2.809 3.114 3.267 3.521 3.750 3.979 47,0 BBL 72 193 201 284 349 413 BOL 2.489 2.568 2.593 2.737 2.921 3.066 3.237 3.402 3.566 %BBL 0,0 0,0 0,0 2,6 6,2 6,2 8,1 9,3 10,4 Bron: CFI, mei 2004, diverse tellingen; Prognoses OVDB, 2004 De instroomgegevens voor de kwalificatie doktersassistent zijn weergegeven in Tabel 52. Daaruit blijkt dat de instroom in deze opleiding in 2003 ten opzichte van 2000 is gegroeid. Deze groei heeft met name plaatsgevonden in het jaar 2002. Toen stroomde er 23,2% meer deelnemers in dan het jaar ervoor. Het laatste jaar is er echter weer sprake van een lichte daling in de instroom van deelnemers. Dit betekent dat er uit de gegevens uit het verleden geen duidelijke trend afgelezen kan worden. Tabel 52 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor doktersassistenten Absolute aantallen Procentuele groei 2000 2001 2002 2003 2001 2002 2003 Doktersassistenten Totaal 933 920 1.133 1.100-1,4 23,2-2,9 BBL 0 33 121 129-266,7 6,6 BOL 933 887 1.012 971-4,9 14,1-4,1 %BBL 0,0 3,6 10,7 11,7 Bron: Prismant, juni 2004 Uit schoolverlatersonderzoek van het ROA (2004) blijkt dat 65,9% van de doktersassistenten na de opleiding aan het werk gaat. 2,9% doet dat in een werkend leren traject. Maar liefst 31,3% komt niet direct op de arbeidsmarkt terecht, omdat deze schoolverlaters een vervolgopleiding gaan volgen. Dit blijkt overigens in verreweg de meeste gevallen (85,6%) een vervolgopleiding in de zorg te zijn. Geen van de schoolverlaters in het onderzoek was anderhalf jaar na de opleiding werkloos. Pagina 46 van 81
4.2.3 Beroepspraktijkvorming Doktersassistent In juli 2004 staan voor de kwalificatie doktersassistent 3.167 leerplaatsen geregistreerd in het register van de OVDB. Tabel 53 Aantal geregistreerde leerplaatsen Doktersassistent Kwalificatie Aantal BOL BPVplaatsen Aantal BBL BPVplaatsen Totaal aantal leerplaatsen Dokterassistent 2.757 410 3.167 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Vervolgens is in kaart gebracht binnen welke sectoren, in wat voor soort leerbedrijven de leerplaatsen zich bevinden. Dit om na te gaan of dit de soorten plaatsen zijn waar zij hun BPV willen of moeten doen (vanwege het behalen van bepaalde eindtermen) maar ook om na te gaan of dit representatief is voor het werkveld waar zij straks in terecht komen. Gaan de leerlingen ook in dit soort organisaties werken? Tabel 54 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerlingen Doktersassistent Assisterenden Gezondheidszorg Farmaceut. bedrijven Artsen Tandartsen Ziekenhuizen Verpleeghuizen Gezondheidscentr a Overig AG Totaal AG Doktersassistent 0,1 60,1 0,1 14,0 1,6 20,3 3,8 100 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Bij de doktersassistenten is 60% van de plaatsen beschikbaar bij een arts, 20 procent bevindt zich in een gezondheidscentrum. Plaatsen in werkomgevingen die representatief zijn voor het werkveld van de doktersassistenten. 4.2.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt In de inleiding van dit rapport is over de BPV geschreven dat de BPV-balans op twee manieren bekeken kan worden: vanuit de vraag van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen; en vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden. Vraag vanuit het onderwijs In deze paragraaf zal conform de eerste redenering de behoefte aan BPV plaatsen benaderd worden vanuit de onderwijskant, ofwel: het aantal leerlingen in de opleiding bepaalt de behoefte aan BPVplaatsen. Hiervoor wordt per kwalificatie op basis van het aantal leerlingen in de opleiding de behoefte aan BPVplaatsen bepaald. Deze behoefte wordt vervolgens afgezet tegen het aanbod van leerplaatsen volgens het register van de OVDB. Een meer complete beschrijving van de gehanteerde rekenmethode is terug te vinden in de bijlage. Voor doktersassistenten is het aanbod aan BPV-plaatsen groter dan de vraag vanuit het onderwijs. Dit betekent dat er voldoende plaatsen beschikbaar zijn. Pagina 47 van 81
Tabel 55 Berekening BPV-balans Benodigde leerplaatsen Aantal BOL leerlingen BPV-factor Benodigd aantal leerplaatsen Doktersassistent 3.066 0,27 840 Aanwezige leerplaatsen Aantal BOL BPVplaatsen correctiefactor Aanbod leerplaatsen Doktersassistent 2.757 50% 1..379 Resultaat Vraag Aanbod Overschot / (Verschil vraag en aanbod) (benodigd) (aanwezig) tekort (-) Doktersassistent 840 1..3 79 539 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Vraag vanuit de arbeidsmarkt Voor doktersassistenten zijn er onvoldoende gegevens over de vraag vanuit de arbeidsmarkt beschikbaar. Op dit moment zijn wij niet in staat om benodigde aantallen deelnemers en BPV-plaatsen voor deze opleidingen te schatten. Pagina 48 van 81
4.3 Tandartsassistent 4.3.1 Arbeidsmarkt Tandartsassistent Tandartsassistenten kunnen zowel werkzaam zijn in tandartspraktijken als in praktijken van orthodontisten en (in mindere mate) in praktijken van kaakchirurgen (laatstgenoemde specialisten hebben ook vaak doktersassistenten of verpleegkundigen in dienst als assistent). Het aantal assistenten kan geschat worden op basis van het aantal geregistreerde tandartsen van 64 jaar of jonger met een bij de NMT (De Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde) bekend praktijkadres in Nederland én onderzoeksuitkomsten met betrekking tot het al dan niet samenwerken van tandartsen in de praktijk. Het aantal geschatte tandartspraktijken in 2002 bedraagt 5.400 (zie Tabel 56). In deze praktijken werkte 7.509 tandartsen en 12.500 tandartsassistenten. Het aantal tandartspraktijken is de laatste jaren tamelijk constant gebleven, schommelend rond de 5.400. Het aantal tandartsen is jaarlijks gegroeid, het lijkt echter dat de groei wat afneemt. Het aantal tandartsassistenten is tussen 2001 en 2002 sterk gegroeid, met 5,9%. Tabel 56 Aantal tandartspraktijken, tandartsen en tandartsassistenten, 1999-2002 (per 1 januari) 1999 2000 2001 2002 Tandartspraktijken 5.362 5.413 5..350 5.400 Jaarlijkse groei (%) 1,0-1,2 0,9 Tandartsen (1) 7.162 7.284 7.397 7.509 Jaarlijkse groei (%) 1,7 1,6 1,5 Tandartsassistenten 11.800 11.900 11.800 12.500 Jaarlijkse groei (%) 0,8-0,8 5,9 (1) 64 jaar en jonger Bron: Hingstman e.a. 2002/NMT 2002 Over tandartsassistenten zijn weinig gegevens bekend, zeker wat betreft de toekomst. De NMT (De Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde) behartigt de belangen van tandartsen. Op dit moment bestaat volgens NMT een tekort aan mondzorgspecialisten. Door vergrijzing zal het tekort aan tandartsen groter worden, maar daarnaast is er landelijk ook een tekort aan mondhygiënisten en tandartsassistenten. Als de in 2002 gerealiseerde groei zich doorzet, kan er een stabiele arbeidsmarktsituatie ontstaan. De verwachting is echter dat de arbeidsmarkt voor tandartsassistenten voorlopig nog gespannen blijft en dat gediplomeerde nieuwkomers tamelijk makkelijk aan het werk kunnen. Dit najaar komt de NMT met een rapportage met daarin de meest recente gegevens rondom de arbeidsmarkt in de tandartsenbranche. Pagina 49 van 81
4.3.2 Deelnemeraantallen Tandartsassistent In schooljaar 2003-2004 waren 896 deelnemers ingeschreven voor de opleiding tot tandartsassistent. Dit is 12,9% van het totaal aantal ingeschreven deelnemers Assisterenden Gezondheidszorg. De afgelopen jaren is het aantal deelnemers aan deze opleiding tamelijk constant, zo rond de 900. Dit zijn vrijwel allemaal deelnemers in het BOL-traject; bij deze opleiding volgen slechts 7 leerlingen (0,8%) het BBLtraject. Voor de toekomst wordt een lichte daling in leerlingaantallen verwacht. Tabel 57 Historische ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor tandartsassistenten 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 %aandeel 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2003/04 Tandartsassistenten Totaal 995 839 878 868 917 896 853 844 835 12,9 BBL 27 41 53 7 20 15 10 BOL 995 839 851 827 864 826 833 829 825 %BBL 0,0 0,0 3,1 4,7 5,8 0,8 2,3 1,8 1,2 Bron: CFI, mei 2004, diverse tellingen; Prognoses OVDB, 2004 De instroomgegevens voor de kwalificatie Tandartsassistent zijn weergegeven in Tabel 58. De instroom in deze opleiding kende een groei tot 2002. In 2003 was de instroom lager dan in 2002, zowel voor de BOL als voor de BBL. Tabel 58 Instroom deelnemers in aantallen 2000-2003 en procentuele groei 2001-2003 voor tandartsassistenten Absolute aantallen Procentuele groei 2000 2001 2002 2003 2001 2002 2003 Tandartsassistenten Totaal 215 300 384 334 39,5 28,0-13,0 BBL 15 8 43 37-46,7 437,5-14,0 BOL 200 292 341 297 46,0 16,8-12,9 %BBL 7,0 2,7 11,2 11,1 Bron: Prismant, juni 2004 Uit het schoolverlatersonderzoek van het ROA (2004) blijkt dat van de Tandartsassistenten (BOL) 91,2% aan het werk gaat na de studie, 4,4% doet dit via een werkend leren traject. Van de afgestudeerden tandartsassistenten die betaald werk vinden, gaat de meerderheid in de sectoren Zorg en Welzijn werken (93,0%). Van de afgestudeerde tandartsassistenten gaat 13,2% een opleiding volgen. 4.3.3 Beroepspraktijkvorming Tandartsassistent In juli 2004 staan voor de leerlingen Tandartsassisten 1.653 leerplaatsen geregistreerd in het register van de OVDB. Tabel 59 Aantal geregistreerde leerplaatsen Tandartsassistent Kwalificatie Aantal BOL BPVplaatsen Aantal BBL BPVplaatsen Totaal aantal leerplaatsen Tandartsassistent 1.472 181 1.653 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Pagina 50 van 81
Vervolgens is in kaart gebracht binnen welke sectoren, in wat voor soort leerbedrijven de leerplaatsen zich bevinden. Dit om na te gaan of dit de soorten plaatsen zijn waar zij hun BPV willen of moeten doen (vanwege het behalen van bepaalde eindtermen) maar ook om na te gaan of dit representatief is voor het werkveld waar zij straks in terecht komen. Gaan de leerlingen ook in dit soort organisaties werken? Het blijkt dat tandartsassistenten voor het overgrote deel (94,2%) BPV volgen bij tandartsen. Een klein deel leert de praktijk in ziekenhuizen, gezondheidscentra, bij artsen of farmaceutische bedrijven. Tabel 60 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerlingen Tandartsassistent Assisterenden Gezondheidszorg Farmaceut. bedrijven Artsen Tandartsen Ziekenhuizen Verpleeghuizen Gezondheidscentr a Overig AG Totaal AG Tandartsassistent 0,1 0,2 94,2 1,8 0,0 0,7 3,0 100 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 4.3.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt In de inleiding van dit rapport is over de BPV geschreven dat de BPV-balans op twee manieren bekeken kan worden: vanuit de vraag van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen; en vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden. Vraag vanuit het onderwijs In deze paragraaf zal conform de eerste redenering de behoefte aan BPV-plaatsen benaderd worden vanuit de onderwijskant, ofwel: het aantal leerlingen in de opleiding bepaalt de behoefte aan BPVplaatsen. Hiervoor wordt per kwalificatie op basis van het aantal leerlingen in de opleiding de behoefte aan BPVplaatsen bepaald. Deze behoefte wordt vervolgens afgezet tegen het aanbod van leerplaatsen volgens het register van de OVDB. Een meer complete beschrijving van de gehanteerde rekenmethode is terug te vinden in de bijlage. Tabel 61 Berekening BPV-balans Benodigde leerplaatsen Aantal BOL leerlingen BPV-factor Benodigd aantal leerplaatsen Tandartsassistent 826 0,25 204 Aanwezige leerplaatsen Aantal BOL BPV correctiefactor plaatsen Tandartsassistent 1.472 onbekend * Aanbod leerplaatsen Resultaat Vraag Aanbod Overschot / (Verschil vraag en aanbod) (benodigd) (aanwezig) tekort (-) Tandartsassistent 204 736 532 * Van de leerplaatsen van de kwalificaties apothekersassistent en tandartsassistent is niet bekend voor hoeveel uren begeleiding zij daadwerkelijk staan. Om toch iets te kunnen zeggen over het aanbod van leerplaatsen en in welke mate dit voldoende is voor het aantal leerlingen in opleiding is uitgegaan van een correctiefactor van 50%. Met andere woorden: een geregistreerde plaats is bereid de helft van de tijd (de helft van 40 weken, 5 dagen per week in een jaar) een leerling te begeleiden. Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Pagina 51 van 81
Wanneer de geregistreerde leerplaatsen in het register ieder een half fte per jaar leerlingen begeleiden, dan zou er geen tekort aan leerplaatsen zijn. Hierbij wordt er tevens van uit gegaan dat de planning van de BPV dusdanig is, dat de leerplaatsen ook daadwerkelijk zo benut kunnen worden (ofwel: niet alle leerlingen gaan tegelijk op stage). Wanneer een leerplaats voor apothekersassistenten of tandartsassistenten niet voor de helft van de tijd, maar voor een kwart van de tijd plaats zou bieden aan een leerling, dan zou er een tekort aan plaatsen zijn voor de apothekersassistenten, maar nog steeds voldoende plaatsen voor de tandartsassistenten. Tabel 62 Aanbod van leerplaatsen en overschot / tekort op basis van een correctiefactor van 25% Resultaat (Verschil vraag en aanbod) Vraag (benodigd) Aanbod (aanwezig) Overschot / tekort (-) Tandartsassistent 204 368 164 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Vraag vanuit de arbeidsmarkt Voor tandartsassistenten zijn er onvoldoende gegevens over de vraag vanuit de arbeidsmarkt beschikbaar. Op dit moment zijn wij niet in staat om benodigde aantallen deelnemers en BPV-plaatsen voor deze opleidingen te schatten. 4.4 Conclusies Wanneer we kijken naar het aantal geregistreerde BPV-plaatsen in het register van de OVDB en de behoefte aan BPV-plaatsen op basis van het huidig aantal leerlingen in de opleiding, dan is er sprake van voldoende aanbod. Dit geldt voor alle drie de Assisterenden opleidingen. Op dit moment wordt nader onderzocht hoeveel tijd een BPV-plaats effectief benut kan worden. Gaan we uit van 50% (een full time BPV-plaats kan voor de helft van de tijd bezet worden) dan is het aanbod voldoende. Bij de apothekersassistenten zit er nog rek in tot 25%: pas als een BPV-plaats minder dan 25% wordt benut, zal er een tekort aan BPV-plaatsen optreden. Het soort leerbedrijf waar de assisterenden hun praktijkervaring opdoen is representatief voor het latere werkveld. Dat zijn vooral de apotheken voor de apothekersassistenten, de huisartspraktijken en gezondheidscentra voor de doktersassistenten en de tandartspraktijken voor tandartsassistenten. Uitgaande van de arbeidsmarkt in 2005, geldt er een tekort aan leerlingen apothekersassistenten. Er zouden ruim 40% méér leerlingen dan nu opgeleid moeten worden om in die behoefte te voorzien. Van de dokters- en tandartsassistenten ontbreekt vergelijkbare arbeidsmarktinformatie, waardoor het niet mogelijk is zulke uitspraken voor deze opleidingen te doen. Wel kan geconcludeerd worden dat er nog rek in de BPV zit, met andere woorden: bij de doktersassistenten wordt momenteel slechts 60% van de geregistreerde BPV ruimte benut en ook bij de tandartsassistenten is er nog ruimte in het BPV aanbod om meer leerlingen te bedienen. Om tal van redenen worden bovenstaande bevindingen in de praktijk vaak anders beleefd. Een groot deel van de verklaringen hiervoor zitten in de veronderstellingen die aan de BPV Balans ten grondslag liggen (optimaal gebruik van BPV-plaatsen, alle BPV-plaatsen zijn even geschikt ongeacht hun ligging o.i.d., etc.). Op basis van de kwantitatieve benadering geldt dat de OVDB geen extra inspanningen voor nieuwe BPVplaatsen hoeft te plegen. Zelfs wanneer de leerlingpopulatie conform de arbeidsmarktbehoefte met 43% toeneemt, zullen nauwelijks extra BPV-plaatsen geworven hoeven worden. Pagina 52 van 81
5. Sport en Bewegen Binnen het domein Sport en Bewegen is er op dit moment sprake van vier lopende opleidingen: De oude opleiding Sport- en Bewegingsleider op niveau 4 en de nieuwe opleidingen Sport- en Bewegingsbegeleider (niveau 2), Sport- en Bewegingsleider (niveau 3) en Sport- en Bewegingsbegeleider (niveau 4). Deze nieuwe opleidingen zijn in 2003 van start gegaan. Tabel 63 Kwalificaties OVDB per domein, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)* Kwalificatie Kwalificatieniveau Sport en Bewegen Sport- en Bewegingsbegeleider ** Niveau 2 10872 Sport- en Bewegingsleider ** Niveau 3 10873 Sport- en Bewegingscoördinator ** Niveau 4 10874 Sport- en Bewegingsleider Niveau 4 10430 Crebonummer(s) * Meerdere crebonummers bij één kwalificatie betekent dat er nog een oude opleiding loopt, terwijl er al een nieuwe opleiding is gestart ** Deze opleidingen zijn pas in 2003 van start gegaan 5.1 Arbeidsmarkt Sport en Bewegen De laatste paar jaar volgen de ontwikkelingen in de sportsector elkaar snel op. Zo erkenden zowel de rijks- als de gemeentelijke overheden de maatschappelijke (meerwaarde-) van sport, intensiveerden hun beleid en stelden meer geld beschikbaar, daarbij geholpen door de overwegend gunstige economische ontwikkelingen in de jaren 90. Speerpunten van het huidige beleid zijn onder andere het versterken van het bewegingsonderwijs en het benutten van de potentiële gezondheidswinst van sport en bewegen en de vitaliteit van sportverenigingen. Het aantal mensen dat aan sportbeoefening doet, groeit. De individueel beoefenbare sporten zoals golf, fitness en skaten hebben aan belang gewonnen. De sportbranche bestaat uit een aantal subbranches. Over deze subbranches is niet altijd even duidelijke informatie aanwezig. In Tabel 64 staat een bedrijfsindeling van het CBS, waarin een gedeelte van de bedrijven van de sportsector in vertegenwoordigd is. Doordat niet alle bedrijven in de tabel zijn opgenomen, geeft het slechts een globaal beeld van de ontwikkelingen in de sportsector. Wat betreft het aantal bedrijven is er de afgelopen jaren sprake van een tamelijk constant beeld. Alleen voor overige sport zien we een structurele groei optreden Tabel 64 Aantallen bedrijven in de sportsector Bedrijven (aantallen) 1997 1998 1999 2000 2001 2002 Sportaccomodaties 1.210 1.310 1.335 1.355 1.395 1.380 Buitensport 3.395 3.380 3.360 3.555 4.055 4.050 Zaal- en overige binnensport 990 1.040 1.000 930 950 895 Watersport 485 480 470 480 495 485 Overige sport 680 825 865 940 1.050 1.115 Overige recreatie 1.010 1.065 1.065 1.075 1.170 1.160 Fitnesscentra, sauna's, solaria ed 1.710 1.950 1.880 1.895 1.990 1.935 Bron: CBS, Statline, september 2003 Pagina 53 van 81
In de Rapportage sport (SCP 2003) komen andere trends naar voren. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat het aantal commerciële aanbieders van sport de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen. Deze groei trad deels op door verruiming van de activiteiten van sportscholen (met name fitnesscentra), zelfstandige instructeurs, maneges, zeilscholen en jachthavens. Het aantal sportverenigingen daalde echter, terwijl het gemiddelde aantal leden per vereniging is gestegen. Daarnaast is een belangrijke verschuiving zichtbaar in het beheer van gemeentelijke sportaccommodaties, waar de exploitatie van sportaccommodaties steeds meer bij particuliere ondernemers komt te liggen. Ook wordt er in de sportrapportage van het SCP aangegeven dat het aantal particuliere exploitanten van zwembaden, overdekte en openluchtsportaccommodaties de afgelopen jaren is verdubbeld. Deze toename heeft voor een forse groei van de werkgelegenheid in dit deel van de sportsector gezorgd. Tussen 1998 en 2000 is het aantal personen in loondienst toegenomen en hiermee ook het arbeidsvolume van het personeel. De sportsector ontwikkelt zich in de richting van meer professionalisering. Door de afname van het aantal vrijwilligers en de toename van grote commerciële sportclubs, ontstaan er meer betaalde banen. Het grootste aantal banen vinden we bij de sportaccommodaties (zwembaden, sporthallen etc.) en buitensport, met respectievelijk 14.600 en 12.400 banen in 2003. Tabel 65 Banen werknemers in de sector Cultuur, Sport en Recreatie (vanaf 2002 schatting; aantallen x 1.000) Cultuur, sport en recreatie 87,7 91,4 aantallen %groei 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 104, 4 111, 1 116, 8 124, 2 131, 3 5,2 4,2 14,2 6,4 5,1 6,3 5,8 Sportaccommodaties 9,8 10,2 11,0 12,1 13,1 13,8 14,6 11,4 4,1 7,8 10,0 8,3 5,0 6,1 Buitensport 8,8 8,5 10,0 11,5 11,2 11,9 12,4-3,3-3,4 17,6 15,0-2,6 5,9 4,8 Zaal- en overige binnensport 2,4 2,5 2,7 2,9 2,6 2,9 2,9 0,0 4,2 8,0 7,4-10,3 9,7 2,7 Watersport 1,4 1,4 1,6 1,6 1,5 1,6 1,6-6,7 0,0 14,3 0,0-6,3 5,3 1,4 Overige sport 5,6 6,0 7,1 7,7 8,0 8,6 9,2 1,8 7,1 18,3 8,5 3,9 8,0 6,6 Bron: CBS, Statline, maart 2003 (bewerking OVDB) In tabel 66 valt te zien dat de prognoses bij een lage economische groei redelijk gunstig zijn. De ontwikkeling van het aantal banen zowel op het gebied van sport als op het gebied van cultuur, toerisme en in de recreatiesector is die van een lichte stijgende lijn. De werkgelegenheid voor mensen met een sportopleiding op mbo-niveau bevindt zich ook buiten de sportsector. Afgestudeerden zijn tevens werkzaam in de welzijnssector, het onderwijs, recreatie, toerisme en culturele instellingen. Tabel 66 Ontwikkeling van banen van werknemers per sector Prognoses per jaar o.b.v. lage scenario voor 2003-2004 en middenscenario voor 2005-2008 (volgens de CWI-prognoses 2003) 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 Toerisme 34,9 35,1 34,3 33,6 34,4 35,2 36,0 36,9 Cultuur 49,0 51,5 54,1 56,8 57,5 58,3 59,0 59,8 Sport 36,4 37,2 37,6 38,0 38,5 38,9 39,4 39,9 Overige recreatie 10,9 11,2 11,4 11,5 11,7 11,9 12,1 12,3 Bron: CWI, 2003 Pagina 54 van 81
Voor de sportsector zijn er geen gegevens voorhanden rondom de verwachte arbeidsvraag. Hier nemen we het aantal vacatures als indicatie. Voor de prognoses van de groei in het aantal vacatures gaan we uit van de bestanden van het CWI. Wanneer we gezien de economische crisis in 2003 uitgaan van een laag scenario zien we een terugloop van het aantal vacatures in 2003. Waren er in 2002 nog 9.300 vacatures in de sport- en recreatiesector, voor 2003 worden nog maar 8.700 vacatures voorspeld. Ook in de toerisme daalt het aantal vacatures (zie tabel 67). Het is ons echter niet bekend welk aandeel van deze vacatures openstaat voor de beroepsgroepen binnen de kwalificatiestructuur Sport en Bewegen. Tabel 67 Vacatures voor toerisme en sport en overige recreatie. Vanaf 2003 prognoses (2003-2004 lage scenario; 2005-2008 middenscenario; vacatures x 1000) 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 Toerisme 14,3 12,2 10,5 9,1 9,3 9,5 9,8 10,0 Sport en Overige recreatie 7,6 9,3 8,7 8,1 8,1 8,2 8,3 8,4 Bron: CWI, 2003 De OVDB zal in het najaar een onderzoek uitzetten naar de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden van de SB opleidingen. De uitkomsten van dit onderzoek zullen in 2005 in een rapportage verschijnen. 5.2 Deelnemers Sport en Bewegen Binnen het domein Sport en Bewegen (SB) zijn in het schooljaar 2002/2003 drie nieuwe studies gestart: Sport- en Bewegingsbegeleider op niveau 2, Sport- en Bewegingsleider op niveau 3 en Sport- en bewegingscoördinator op niveau 4. De oude niveau 4 opleiding Sport en Bewegen heeft geen nieuwe instroom meer, maar er zitten op dit moment wel nog leerlingen in de opleiding. Deze leerlingaantallen zijn in de onderstaande tabel samengevoegd met de leerlingaantallen van de nieuwe niveau 4 opleiding. De studies zijn in het schooljaar 2003/2004 in de BOL gegeven op 23 ROC s in het land. In totaal stonden in dit schooljaar 9.156 leerlingen ingeschreven voor een opleiding Sport en Bewegen. Pagina 55 van 81
Tabel 68 is de historische ontwikkeling van de deelnemeraantallen aan de studies Sport en Bewegen weergegeven. Ook is er een prognose gedaan voor de komende drie schooljaren. De studies op niveau 4 worden door de meest leerlingen gevolgd (59,7%). 30,4%van de deelnemers Sport- en bewegen volgt de opleiding tot Sport- en bewegingsleider. De studie tot Sport- en bewegingsbegeleider wordt door slechts 9,9% van het totaal aantal deelnemers gevolgd. In de laatste vijf jaar is er, mede door de start van de nieuwe studies, een sterke stijging zichtbaar in deelnemeraantallen. Voor de opleidingen Sport en Bewegen gezamenlijk gaat het om een stijging van 208,6%. Dit geldt niet alleen voor de oude niveau 4 opleiding, ook bij de nieuwe opleidingen is ten opzichte van het schooljaar ervoor al meer dan een verdubbeling in deelnemeraantallen zichtbaar. De prognoses voor de komende drie schooljaren laten een sterke stijging in leerlingaantallen voor de opleidingen Sport- en Bewegingsbegeleider en Sport- en Bewegingsleider zien. Bij de opleiding tot Sporten Bewegingscoördinator is er sprake van een licht daling in aantallen. Pagina 56 van 82
Tabel 68 Historisch ontwikkeling deelnemers1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor het domein Sport en Bewegen kwalificatie 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 %aandeel 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2003/04 Sport en Bewegen BOL 2.967 3.194 3.770 5.143 7.256 9.156 11.056 12.956 14.856 100,0 Sport- en Bewegingsbegeleider BOL 416 903 1.390 1.877 2.364 9,9 Sport- en Bewegingsleider BOL 1.243 2.786 4.329 5.872 7.415 30,4 Sport- en Bewegingscoördinator* BOL 2.967 3.194 3.770 5.143 5.597 5.467 5.337 5.207 5.077 59,7 * De gegevens voor SBC hebben betrekking op de oude én de nieuwe (in 2002 gestarte) niveau 4 opleiding. In het schooljaar 2003/04 hebben 2079 van de 5467 deelnemers de oude niveau 4 opleiding gevolgd. Bron: CFI, mei 2004, diverse tellingen; Prognoses OVDB, 2004 Aangezien de nieuwe opleidingen Sport en Bewegen in 2002 van start gegaan zijn, is het nog niet bekend wat deze leerlingen na hun studie gaan doen. Voor de leerlingen van de oude niveau 4 opleiding is dit wel bekend. Bijna de helft van de leerlingen Sport en Bewegen niveau 4 (48%) gaat na afronding van de studie verder studeren, 43% vindt betaald werk en 1% is werkloos. Van de niveau 4 leerlingen Sport en Bewegen dat gaat werken is bekend dat ze vooral in de sport (47%), bij de overheid (19%) of in de welzijnszorg (17%) gaan werken. De functies die ze daarin vervullen zijn onder andere sportinstructeur, zweminstructeur, activiteitenbegeleider, aspirant politieagent, soldaat en beveiligingshulpkracht, therapeut en verpleger. Voor de mensen die verder gaan studeren, blijkt een hbo studie een logisch vervolg, bijvoorbeeld Fysiotherapie, hbo Sport en Bewegen, Pedagogische hulpverlening en Sportmanagement (ROA Schoolverlateronderzoek, 2003). 5.3 Beroepspraktijkvorming Sport en bewegen In juli 2004 staan voor de leerlingen sport en bewegen 8.458 leerplaatsen geregistreerd in het register van de OVDB. In onderstaande tabel is de verdeling over de kwalificaties weergegeven. Het grootste deel (38%) zijn plaatsen voor sport- en bewegingsleiders. Tabel 69 Aantal geregistreerde leerplaatsen SB Kwalificatie Aantal BOL BPVplaatsen Aantal BBL BPVplaatsen Totaal aantal leerplaatsen Sport- en Bewegingsbegeleider 1.121 18 1.139 Sport- en Bewegingsleider 3.182 47 3.229 Sport- en Bewegingscoördinator 2.623 72 2.695 Sport- en Bewegingsleider (oud) 1.376 19 1.395 Bron: OVDB 2004 Vervolgens is in kaart gebracht binnen welke sectoren, in wat voor soort leerbedrijven de leerplaatsen zich bevinden. Dit om na te gaan of dit de soorten plaatsen zijn waar zij hun BPV willen of moeten doen (vanwege het behalen van bepaalde eindtermen) maar ook om na te gaan of dit representatief is voor het werkveld waar zij straks in terecht komen. Gaan de leerlingen ook in dit soort organisaties werken? Pagina 57 van 82
Tabel 70 Soorten leerbedrijven voor leerlingen SB Sport en Bewegen Sport en bewegen Scholen Horeca, recreatie Sociaal cultureel w. Gehandicaptenzorg Kindersector. Overig SB Totaal SB SB-Begeleider 73,6 11,5 2,4 3,1 4,2 2,6 2,6 100 SB-Leider 65,7 18,9 2,9 4,4 2,7 1,5 3,9 100 SB-Coördinator 70,0 12,5 5,1 3,5 2,7 0,6 5,6 100 SB-Leider (oud) 76,0 5,6 5,7 3,2 3,1 0,1 6,3 100 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 De meeste stageplaatsen van de leerlingen in de sportopleidingen bevinden zich bij verenigingen en in sportscholen. Dit geldt voor alle drie de niveaus. Of dit ook de werkgevers zijn waar deze leerlingen straks voor komen te werken, is niet helemaal duidelijk. Aangezien de legitimatie van de opleiding gelegen ligt in de arbeidsmarktrelevantie, is het meer dan wenselijk om meer zicht te krijgen op die arbeidsmarkt. Vandaar dat de OVDB een arbeidsmarktonderzoek laat doen om onder andere de potentiële werkgevers van deze leerlingen helder te krijgen. 5.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt In de inleiding van dit rapport is over de BPV geschreven dat de BPV-balans op twee manieren bekeken kan worden: vanuit de vraag van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen; en vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden. Vraag vanuit het onderwijs In deze paragraaf zal conform de eerste redenering de behoefte aan BPV-plaatsen benaderd worden vanuit de onderwijskant, ofwel: het aantal leerlingen in de opleiding bepaalt de behoefte aan BPVplaatsen. Hiervoor wordt per kwalificatie op basis van het aantal leerlingen in de opleiding de behoefte aan BPVplaatsen bepaald. Deze behoefte wordt vervolgens afgezet tegen het aanbod van leerplaatsen volgens het register van de OVDB. Een meer complete beschrijving van de gehanteerde rekenmethode is terug te vinden in de bijlage. Pagina 58 van 82
Tabel 71 BPV-balans Benodigde leerplaatsen Aantal BOL-leerlingen BPV-factor Benodigd aantal leerplaatsen Sport- en Bewegingsbegeleider 903 0,30 267 Sport- en Bewegingsleider 2.786 0,26 719 Sport- en Bewegingscoördinator 3.388 0,30 1.016 Sport- en Bewegingsleider (oud) 2.079 0,29 598 Aanwezige leerplaatsen Aantal BOL BPVplaatsen Correctiefactor* Aanbod leerplaatsen* Sport- en Bewegingsbegeleider 1.121 5% en 40% 221 Sport- en Bewegingsleider 3.182 5% en 40% 681 Sport- en Bewegingscoördinator 2.623 5% en 40% 533 Sport- en Bewegingsleider (oud) 1.376 5% en 40% 258 Resultaat (Verschil vraag en aanbod) Vraag (benodigd) Aanbod (aanwezig) Overschot / tekort (-) Sport- en Bewegingsbegeleider 267 221-46 Sport- en Bewegingsleider 719 681-38 Sport- en Bewegingscoördinator 1.016 533-483 Sport- en Bewegingsleider (oud) 598 258-340 * In de sportopleidingen kan grofweg een onderscheid gemaakt worden in twee soorten stages: stages in klein keuze vakken en overige grote stages. Deze eerste worden met name gevolgd bij fitnesscentra, sportscholen e.d. en bestrijken zo n 2 avonden per week, 10 weken lang. Hiermee geldt voor deze leerplaatsen een correctiefactor van 5%. De overige stages bestrijken zo n 600 uur, wat overeen komt met een factor van 40%. Het aantal geregistreerde leerplaatsen voor de klein keuze vakken is voor niveau 2, 3, 4 en de oude opleiding respectievelijk 651, 1692, 1474 en 837. De overige plaatsen zijn als 40%-plaatsen aangemerkt. Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Uit Pagina 59 van 82
Tabel 71 blijkt dat voor alle sportopleidingen een tekort aan BPV-plaatsen geldt. De grootste problemen doen zich voor bij de hogere niveaus. Hier zijn zelfs eens zoveel plaatsen als nu geregistreerd nodig om alle leerlingen van een leerplaats te voorzien. Vraag vanuit de arbeidsmarkt Er zijn onvoldoende gegevens over de vraag vanuit de arbeidsmarkt beschikbaar. Op dit moment zijn wij niet in staat om benodigde aantallen deelnemers en BPV-plaatsen te schatten. In 2005 zal een uitgebreid onderzoek plaatsvinden naar de arbeidsmarktsituatie voor gediplomeerden van sportopleidingen. Momenteel is de OVDB hierover in overleg met diverse partijen. 5.5 Conclusies Voor de nog relatief nieuwe sportopleidingen geldt een enorme extra aanwas van leerlingen. De leerlingaantallen in de opleidingen op de niveaus 2 en 3 zijn enorm gestegen logischerwijs vanwege het doorstromen van eerstejaars leerlingen naar een volgende klas en de nieuwe aanwas eerstejaars leerlingen. Voor al deze leerlingen dienen BPV-plaatsen beschikbaar te zijn, iets wat maar ten dele zo is. De bijna 8.500 BPV-plaatsen voorzien onvoldoende in de vraag van de scholen. Met name voor de niveau 3 en 4 leerlingen zijn er onvoldoende BPV-plaatsen. In welke mate deze leerlingen opgeleid worden voor de arbeidsmarkt, valt niet te zeggen. Er is geen bruikbare arbeidsmarktinformatie over de sport beschikbaar. Vandaar dat de OVDB momenteel bezig is met het opzetten en uitzetten van een arbeidsmarktmonitor sport. Daarmee kunnen in volgende rapportages wel uitspraken gedaan worden over de arbeidsmarktrelevantie en behoefte in de sport. De OVDB zet zich in om de regionale situaties in kaart te brengen. Arbeidsmarktonderzoek dat hier ondersteunend in zal werken is reeds uitgezet. Op basis daarvan zal bekeken moeten worden of het noodzakelijk is meer BPV-plaatsen te werven, dan wel adviezen uit te brengen over hoe om te gaan met de BPV of de leerlingpopulatie. 6. Facilitaire Dienstverlening Binnen het domein Facilitaire Dienstverlening hebben we te maken met een overgangsperiode. Momenteel lopen er nog drie oude opleidingen (Voedingsassistent, Medewerker facilitaire dienstverlening niveau 2 en Medewerker Facilitaire Dienstverlening op niveau 4) en twee nieuwe opleidingen (Facilitair Medewerker op niveau 2 en Facilitair Leidinggevende op niveau 4). De arbeidsmarkt voor deze opleidingen is diffuus; gediplomeerden kunnen binnen verschillende sectoren verschillende functies vervullen. Tabel 72 Kwalificaties OVDB per domein, kwalificatieniveaus en crebonummer(s)* Kwalificatie Kwalificatieniveau Facilitaire Dienstverlening Voedingsassistent Niveau 2 10441 Medewerker Facilitaire Dienstverlening Niveau 2 10440 Medewerker Facilitaire Dienstverlening Niveau 4 10438 Facilitair Medewerker** Niveau2 10891 Facilitair Leidinggevende** Niveau4 10892 Crebonummer(s) * Meerdere crebonummers bij één kwalificatie betekent dat er nog een oude opleiding loopt, terwijl er al een nieuwe opleiding is gestart ** Deze opleidingen zijn pas in 2003 van start gegaan Bron: OVDB 2004 6.1 Arbeidsmarkt Facilitaire dienstverlening De arbeidsmarkt voor gediplomeerde FD ers is zeer divers. De gediplomeerden voor de opleiding Voedingsassistent komen meestal te werken in een instellingskeuken, vaak in de zorgsector. Leerlingen Pagina 60 van 83
die opgeleid zijn als Medewerker Facilitaire Dienstverlening op niveau 2 en 4 stromen uit naar verschillende sectoren. Uit onderzoek van het NIZW (1998) blijkt het volgende: 36% gaat in de horeca werken, 19% in een facilitair bedrijf, 22% in een instelling in de gezondheidszorg en 23% gaat elders werken. Hieronder wordt ingegaan op deze sectoren. Horeca De werkgelegenheidsverdeling in de horeca voor 2001 is weergegeven in tabel. In horecabedrijven vinden we de meeste werknemers (73,6%). Binnen de verblijfsrecreatie werkt ruim eenvijfde van de werknemers (21,7%) en 4,7% van de werknemers werkt in de contractcatering. Tabel 73 Werkgelegenheidsverdeling horeca, verblijfsrecreatie en contractcatering Branche Werknemers %) Horeca 73,6 Verblijfsrecreatie 21,7 Contractcatering 4,7 0,0 Totaal 100,0 Bron: Bedrijfschap Horeca en Contractcatering, 2001 Pagina 61 van 83
Binnen horecabedrijven verrichten gediplomeerde leerlingen Facilitaire Dienstverlening met name werk op het gebied van voedselverzorging en restauratieve verzorging. De gediplomeerde leerlingen verrichten in horecabedrijven zelden werk op het gebied van de (NIZW, 1998). Prognoses van het CWI (2003) wijzen uit dat het aantal banen in de horeca en contractcatering in 2004 ongeveer op het niveau blijft van 2003 (zie tabel ). Daarna zal het aantal banen in deze branches weer gaan stijgen. Het aantal vacatures zal in 2004 iets dalen ten opzichte van 2003, maar daarna ook weer gaan stijgen. Tabel 74 Ontwikkeling van banen van werknemers en vacatures per sector, prognoses per jaar op basis van lage scenario voor 2003-2004 en middenscenario voor 2005-2008 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 Banen Horeca 213,3 215,5 214,4 213,4 220,0 226,8 233,8 241,1 Contractcatering 34,4 35 34,7 34,4 36,1 37,8 39,6 41,5 Vacatures Horeca en catering 56,6 45,8 37,3 30,4 34,4 39,0 44,1 50,0 Bron: CWI, 2003 Hoeveel afgestudeerde FD ers in deze branches werkzaam zijn is niet bekend. Wel is bekend dat 17% van de werknemers in horeca en contractcatering en 8% in verblijfsrecreatie een horecadiploma heeft. Er is ook een substantiële groep (28%) die een ander mbo-diploma heeft, waaronder ook FD ers. Er bestaat geen onderzoeksmateriaal dat inzicht geeft in de arbeidsmarktpositie van FD-medewerkers in de horeca. We geven hier enkele beknopte algemene gegevens weer. Facilitaire bedrijven Binnen de categorie facilitaire bedrijven bevinden zich cateringbedrijven, schoonmaakbedrijven, beveiliging of gebouwenbeheer. De beroepen waarin de FD-leerlingen terechtkomen, kunnen liggen op het terrein van schoonmaak en onderhoud, inkoop en voorraadbeheer, textiel- en linnenverzorging, transport en vervoer, et cetera. Dit betekent dat zij komen te werken op plaatsen waar andere mboopleidingen ook voor opleiden. Overlap bestaat met de horecaopleidingen, de opleidingen voor transport en logistiek, de opleidingen voor de distributiesector en de beveiligingsopleidingen. Gediplomeerde FD ers houden zich in facilitaire bedrijven met name bezig met restauratieve verzorging, leiding, sturing en management. De gediplomeerde leerlingen houden zich zelden bezig met gebouwendienst, management van gebouwen en gebouwenservice/onderhoud (NIZW, 1998). Gezondheidszorg en welzijnszorg De voedingsassistenten komen met name te werken in instellingskeukens in de zorgsector. In 2001 werkten 57.600 werknemers in een restaurant- of voedselvoorzieningsfunctie (zie Tabel 75). Volgen we de prognoses van het CWI wat betreft de werkgelegenheid in de zorg, dan zullen in 2005 rondom de 61.600 mensen in deze functies werkzaam zijn binnen de zorg en nog eens ongeveer 4.800 binnen het welzijn. Ook veel FD ers komen hier terecht. De gediplomeerde FD ers houden zich in gezondheidszorginstellingen bezig met een breed scala aan werkzaamheden. Tot hun bezigheden behoren: receptie/ telefooncentrale, voedseldistributie, technisch onderhoud, schoonmaak, voedselbereiding, inkoop/voorraadbeheer, postverwerking, textiel/linnenverzorging, vervoer/transport, wasserijwerk en bewaking/beveiliging (NIZW, 1998). Voor FD ers kunnen we echter niet aangeven welk aandeel zij hierin hebben. Pagina 62 van 83
Tabel 75 Facilitaire en overige functies binnen zorg en welzijn voor 2001 en 2005 (aantal werknemers) Zorg Zorg Welzijn Welzijn 2001 2005 2001 2005 Restaurant /voedselvoorziening 57.600 61.600 4.200 4.800 Schoonm, onderh, techn, toezicht 65.900 70.400 11.200 12.900 Overig ondersteunende functies 90.600 96.900 23.700 27.400 Bronnen: CWI, 2003; Van Essen, 2003); bewerking OVDB De tendens om meer zaken uit te besteden, kan bedreigend zijn voor de werkgelegenheid van FD ers. Zij zijn niet actief in het primaire proces van het ziekenhuis. Aan de andere kant neemt de werkgelegenheid bij facilitaire bedrijven voor hen dan weer toe. 6.2 Deelnemers Facilitaire Dienstverlening Binnen het domein van Facilitaire Dienstverlening vallen 5 kwalificaties, waarvan drie oude opleidingen die geen nieuwe instroom hebben. Dit zijn Voedingsassistent (VO), Medewerker Facilitaire Dienstverlening niveau 2 (FD2) en Medewerker Facilitaire Dienstverlening niveau 4 (FD4). Hiervoor zijn vanaf het schooljaar 2003/2004 twee nieuwe studies in de plaats gekomen, namelijk Facilitair Medewerker (ofwel Facilitair Uitvoerend FU) op niveau 2 en Facilitair Leidinggevende (ofwel Facilitair Kader FK) op niveau 4. De opleiding FD2 en FD4 worden alleen in de BOL-variant gegeven, de opleiding VO alleen in BBL. De nieuwe opleidingen Facilitaire Dienstverlening, FU en FK, worden in beide varianten op de ROC s aangeboden. In het afgelopen schooljaar volgen deelnemers op 33 ROC s in het land een opleiding Facilitaire Dienstverlening. Hoewel er de afgelopen jaren een dalende trend te zien is in de leerlingaantallen van de opleidingen FD op niveau 2 en 4, nemen de leerlingaantallen in het schooljaar 2003/2004 weer toe (zie Pagina 63 van 83
Tabel 76). In totaal nemen 2.419 leerlingen in dit schooljaar deel aan een studie Facilitaire Dienstverlening, 76,9% van deze leerlingen volgt een beroepsopleidende leerweg. Toch blijft het aandeel BBL ers nog steeds stijgen. De studies op niveau vier worden het meest gevolgd, in het afgelopen schooljaar betreft het bijna 3/5 van het totale aantal leerlingen FD. Pagina 64 van 83
Tabel 76 Historisch ontwikkeling deelnemers 1998/99-2003/04 en prognoses 2004/05-2006/07 voor het domein Facilitaire Dienstverlening per kwalificatie 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 % aandeel 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2003/04 Facilitaire Dienstverlening Totaal 4.162 3.524 2.996 2.454 2.358 2.419 2.234 2.140 2.045 100,0 BBL 405 368 458 428 542 559 585 621 656 BOL 3.757 3.156 2538 2.026 1.816 1.860 1.649 1.519 1.389 %BBL 9,7 10,4 15,3 17,4 23,0 23,1 26,2 29,0 32,1 Facilitair Medewerker* Totaal 1.683 1.321 1.187 978 979 984 1.010 1.046 1.081 40,7 BBL 405 368 458 428 542 557 585 621 656 BOL 1.278 953 729 550 437 427 425 425 425 %BBL 24,1 27,9 38,6 43,8 55,4 56,6 57,9 59,4 60,7 Facilitair Leidinggevende** Totaal 1.795 2.182 1.809 1.476 1.379 1.435 1.224 1.094 964 59,3 BBL 2 BOL 1.795 2.182 1.809 1.476 1.379 1.433 1.224 1.094 964 %BBL 0,1 * Nieuwe opleiding, hieronder vallen ook de aantallen deelnemers voor de oude opleidingen voedingsassistent en medewerker facilitaire dienstverlening niveau 2. ** Nieuwe opleiding, hieronder valt ook het aantal deelnemers voor de oude opleiding medewerker facilitaire dienstverlening niveau 4. Bron: CFI, mei 2004, diverse tellingen; Prognoses OVDB, 2004 In de bovenstaande tabel zijn naast de leerling-cijfers uit het verleden tevens de prognoses voor de komende drie schooljaren weergegeven. De dalende trend in de leerlingaantallen voor de opleidingen Facilitaire Dienstverlening gezamenlijk, is voornamelijk te wijten aan het dalend aantal leerlingen voor de niveau 4 opleidingen. Bij de BBL-opleidingen op niveau 2 is een stijgende lijn zichtbaar. De leerlingaantallen voor de opleiding Facilitair Medewerker BOL zijn daarentegen de laatste jaren gedaald. In de prognoses wordt verwacht dat deze leerlingaantallen de komende jaren constant blijven. Wat betreft de instroom is er in het laatste jaar bij de opleidingen op niveau 4 sprake van een procentuele stijging van maar liefst 239,3%. Bij de opleidingen op niveau 2 heeft er echter een daling voorgedaan van 28,6% (zie Tabel 77). Tabel 77 Instroom deelnemers in aantallen 2002-2003 en procentuele groei 2003 voor het domein Facilitaire Dienstverlening per kwalificatie Absolute aantallen Procentuele groei 2002 2003 2003 Facilitaire Dienstverlening Totaal 353 627 77,6 Facilitair Medewerker* Totaal 213 152-28,6 Facilitair Leidinggevende** Totaal 140 475 239,3 * Nieuwe opleiding, hieronder valt ook de instroom voor de oude opleiding medewerker facilitaire dienstverlening niveau 2 Voedingsassistent heeft geen instroom meer in 2002 en 2003.. ** Nieuwe opleiding, hieronder valt ook de instroom voor de oude opleiding medewerker facilitaire dienstverlening niveau 4. Bron: Prismant, juni 2004 Voor de opleidingen FD zijn bij het ROA enkele gegevens bekend van de afgestudeerden in de opleidingen FD2 en FD4. Van de BBL-leerlingen FD2 verricht 90% na afronding van de studie betaald werk. Bij de BOL-leerlingen FD2 is dit percentage kleiner, namelijk 74%. Deze afgestudeerden gaan werken in de welzijns- en gezondheidszorg. De voornaamste beroepsgroep waarin ze werkzaam zijn is hulpkracht horeca en verzorging. Na de BOL opleiding op niveau 4 vindt 59% van de afgestudeerden een baan. Hiervan is niet bekend in welke beroepsgroep ze werkzaam zijn. Van de leerlingen FD2 (BOL) gaat Pagina 65 van 83
19% verder studeren. De leerlingen FD4 gaan vaker verder studeren (35%). Het is niet bekend welke vervolgstudies er gedaan worden. (ROA Schoolverlatersonderzoek, 2003). 6.3 Beroepspraktijkvorming Facilitaire Dienstverlening In juli 2004 staan voor de leerlingen Facilitaire Dienstverlening 4.215 leerplaatsen geregistreerd in het register van de OVDB. Het grootste deel zijn plaatsen voor de opleidingen medewerker Facilitaire Dienstverlening niveau 2 en Facilitair Medewerker (respectievelijk 25% en 28%). Tabel 78 Aantal geregistreerde leerplaatsen Facilitaire Dienstverlening Kwalificatie Aantal BOL BPVplaatsen Totaal aantal leerplaatsen Voedingsassistent 135 327 462 Medewerker Facilitaire Dienstverlening niveau 2 915 133 1.048 Medewerker Facilitaire Dienstverlening niveau 4 525 14 539 Facilitair Medewerker 1.136 47 1.183 Facilitair Leidingegevende 968 15 983 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Vervolgens is in kaart gebracht binnen welke sectoren, in wat voor soort leerbedrijven de leerplaatsen zich bevinden. Dit om na te gaan of dit de soorten plaatsen zijn waar zij hun BPV willen of moeten doen (vanwege het behalen van bepaalde eindtermen) maar ook om na te gaan of dit representatief is voor het werkveld waar zij straks in terecht komen. Gaan de leerlingen ook in dit soort organisaties werken? Tabel 79 Soorten leerbedrijven met leerplaatsen voor leerling Facilitaire Dienstverlening Facilitaire Dienstverlening Horeca, recreatie Verzorging / verpleegh. Sociaal cultureelw. Facilitaire bedrijven Aantal BBL BPVplaatsen Ziekenhuizen Gehandicaptenzorg. Overig FD Totaal FD Facilitair dienstv. 2 36,9 38,5 4,2 7,8 5,0 2,1 5,5 100 Facilitair dienstv. 4 33,5 33,3 2,9 13,5 6,5 2,9 7,4 100 Facilitair 33,2 38,5 3,8 6,7 6,2 4,6 7,0 100 medewerk. Facilitair leidingg. 36,5 28,7 2,5 12,9 7,0 5,4 7,0 100 Voedingsassistent 0,7 72,6 0,0 0,0 16,3 6,6 3,8 100 Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Ruim eenderde van de leerplaatsen voor zowel de oude als de nieuwe opleiding facilitaire dienstverlening bevindt zich in de horeca/recreatie. Dit zijn plaatsen in cateringbedrijven, hotels, motels, cafés of restaurants. Daarnaast zijn verzorgingshuizen plaatsen waar veel FD ers hun praktijkervaring opdoen. De leerplaatsen voor de voedingsassistenten bevinden zich in bijna driekwart van de gevallen in verzorgingsof verpleeghuizen. 6.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt In de inleiding van dit rapport is over de BPV geschreven dat de BPV-balans op twee manieren bekeken kan worden: vanuit de vraag van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen; en vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden. Vraag vanuit het onderwijs In deze paragraaf zal conform de eerste redenering de behoefte aan BPV-plaatsen benaderd worden vanuit de onderwijskant, ofwel: het aantal leerlingen in de opleiding bepaalt de behoefte aan BPVplaatsen. Pagina 66 van 83
Hiervoor wordt per kwalificatie op basis van het aantal leerlingen in de opleiding de behoefte aan BPVplaatsen bepaald. Deze behoefte wordt vervolgens afgezet tegen het aanbod van leerplaatsen volgens het register van de OVDB. Een meer complete beschrijving van de gehanteerde rekenmethode is terug te vinden in de bijlage. Tabel 80 Berekening BPV-balans Benodigde leerplaatsen Aantal BOL-leerlingen BPV-factor Benodigd aantal leerplaatsen Facilitair Dienstverlener niveau 2 170 0,28 48 Facilitair Dienstverlener niveau 4 943 0,23 217 Facilitair Medewerker 257 Facilitair Leidinggevende 490 Aanwezige leerplaatsen Aantal BOL BPV plaatsen Facilitair Dienstverlener niveau 2 915 Facilitair Dienstverlener niveau 4 525 Facilitair Medewerker 1136 Facilitair Leidinggevende 968 correctiefactor Aanbod leerplaatsen Resultaat Vraag (Verschil vraag en aanbod) (benodigd) Facilitair Dienstverlener niveau 2 48 Facilitair Dienstverlener niveau 4 217 Facilitair Medewerker Facilitair Leidinggevende Aanbod (aanwezig) Overschot / tekort (-) Bron: leerbedrijvenregister OVDB, 2004 Vraag vanuit de arbeidsmarkt Voor de opleidingen Facilitaire Dienstverlening zijn onvoldoende gegevens over de vraag vanuit de arbeidsmarkt beschikbaar. Op dit moment zijn wij niet in staat om benodigde aantallen deelnemers en BPV-plaatsen te schatten. 6.5 Conclusies Voor de opleidingen in de facilitaire dienstverlening geldt dat in het schooljaar 2003 2004 twee nieuwe studies in het leven geroepen zijn: Facilitair Medewerker (niveau 2) en Facilitair Leidinggevende (niveau 4), beide te volgen in de BOL- en BBL-variant. Hiermee is de oude opleiding tot Voedingsassistent opgegaan in de opleiding Facilitair Medewerker. De leerlingaantallen zijn redelijk constant, het aantal BPV-plaatsen voor FD ers is ruim te noemen. De behoefte van de arbeidsmarkt aan FD ers is niet inzichtelijk. FD ers komen overal te werken; in alle branches bevinden zich deze krachten, waardoor ze moeilijk zichtbaar zijn. Dit maakt het helaas onmogelijk om uitspraken over benodigde leerlingen of arbeidsmarktperspectief te doen. Pagina 67 van 83
7. Arbeidsmarkt en Onderwijs regionaal: Perspectieven op een BPV-plaats en een Arbeidsplaats 7.1 Inleiding In dit rapport zijn diverse ontwikkelingen beschreven die zich voordoen op de arbeidsmarkt en onderwijsmarkt voor zorg, welzijn, facilitaire dienstverlening en sport. Doel is om inzicht te verschaffen in de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Enerzijds in termen van de beschikbaarheid van arbeidsplaatsen voor gediplomeerde beroepsbeoefenaren en anderzijds in termen van de beschikbaarheid van beroepspraktijkvormingsplaatsen voor deelnemers. Daartoe zijn we ingegaan op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, op ontwikkelingen in deelnemeraantallen en de beschikbaarheid van beroepspraktijkvormingsplaatsen voor deze opleidingen in heel Nederland. De feitelijke afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt vindt echter plaats binnen regio s, in samenwerkingsverbanden tussen het onderwijs, de verschillende instellingen en de OVDB. In dit hoofdstuk wordt een regionaal overzicht gepresenteerd: per CWI-district is voor elke opleiding weergegeven wat het perspectief is op een beroepspraktijkvormingsplaats en wat het perspectief is op een arbeidsplaats. Eerst laten we echter de resultaten op landelijk niveau zien, in een samenvattend overzicht. 7.2 Landelijke samenvatting De landelijke gegevens zijn schematisch samengevat in Tabel 81. Per kwalificatie is weergegeven: Het perspectief op een bpv-plaats voor deelnemers aan de opleidingen in de BOL-variant. Het perspectief op een arbeidsplaats voor gediplomeerde schoolverlaters. Het belangrijkste gegeven betreft hier de Totaal-kolom, want in principe staan baanopeningen open voor zowel gediplomeerden uit de BOL-variant als de BBL-variant. De verdeling over beide leerwegen is gebaseerd op de huidige verdeling van deelnemers over beide leerwegen. Als hier verschillen optreden betekent dit dat er in de toekomst mogelijk verschuivingen op kunnen treden in deze verdeling. De verklaring van de gebruikte tekens is als volgt: + gunstig perspectief; - ongunstig perspectief ; = neutraal perspectief. Het neutrale perspectief heeft een bandbreedte van ± 10%. Er is dus sprake van een neutraal perspectief als er sprake is van een getalsmatig evenwicht + of 10%. Daar waar geen teken is ingevuld ontbreken één of meerdere gegevens, waardoor het perspectief niet weergegeven kan worden. Soms wordt een opleiding in een bepaalde leerweg feitelijk niet gegeven. Voor de opleidingen Sport en Bewegen geldt dit voor de BBL. Perspectief op beroepspraktijkvormingsplaatsen Landelijk bestaat de verwachting dat er voor de meeste opleidingen (ruim) voldoende bpv-plaatsen beschikbaar zullen zijn. Uitzonderingen zijn de opleidingen Sport en Bewegen. Voor deze opleidingen zijn er op dit moment niet voldoende BPV-plaatsen beschikbaar voor het huidige aantal deelnemers. Perspectief op arbeidsplaatsen Landelijk verwachten we dat er voor de opleidingen Zorghulp, Sociaal Pedagogisch Werker niveau 4 en Apothekersassistent ruim voldoende openvallende arbeidsplaatsen zullen zijn voor gediplomeerde schoolverlaters. Voor de opleidingen tot helpende, verzorgende, verpleegkundige helpende welzijn en Sociaal Pedagogisch Werker Niveau 3 wordt een minder gunstig arbeidsmarktperspectief verwacht. Voor de overige opleidingen is het arbeidsmarktperspectief moeilijk te schetsen. In de meeste gevallen komt dit doordat op dit moment niet is in te schatten hoeveel baanopeningen voor schoolverlaters er in de nabije toekomst zullen ontstaan. Pagina 68 van 83
Tabel 81 Perspectief op een beroepspraktijkvormingsplaats en Perspectief op een Arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in heel Nederland Perspectief BPV-plaats Perspectief arbeidsplaats CWI Dnr CWI Dist Kwalificatie BPV BOL BBL BOL totaal 0 Nederland Zorghulp + + + + Helpende + - - - Verzorgende + = - - Verpleegkundige + - - - Helpende Welzijn + - - - Sociaal Dienstverlener + Sociaal Cultureel Werker + Sociaal Pedagigisch Werker 3 + - - - Sociaal Pedagogisch Werker 4 + + + + Onderwijsassistent + Doktersassistent + Tandartsassistent + Apothekersassistent + + + + Facilitair Medewerker + Facilitair Leidinggevende + Sport en Bewegingsleider (oud) - nvt Sport- en Bewegingsbegeleider - nvt Sport- en Bewegingsleider - nvt Sport- en Bewegingscoördinator - nvt 7.3 Regionale resultaten De regionale gegevens zijn schematisch samengevat in de tabellen Tabel 82 tot en met Tabel 87. De regionale verwachtingen voor wat betreft het perspectief op een bpv-plaats en het perspectief een arbeidsplaats is weergegeven, voor schooljaar 2004-2005, per CWI-district. In de tabellen is aangegeven of deze perspectieven gunstig (+) of ongunstig (-) zijn, of dat vraag en aanbod in evenwicht (=) zijn. Daar waar geen oordeel is weergegeven ontbreken gegevens, waardoor er geen oordeel is te formuleren. Dit geldt met name voor het arbeidsmarktperspectief voor enkele opleidingen. CWI-district Noord Dit district omvat de RBA-gebieden: Groningen (1), Friesland (2) en Drenthe (3). Perspectief op BPV-plaatsen Wat betreft BPV-plaatsen volgt district Noord het landelijke beeld: voor de meeste opleidingen zijn voldoende BPV-plaatsen beschikbaar, behalve voor de opleidingen Sport en Bewegen. Voor deze opleidingen worden méér deelnemers verwacht dan er op dit moment BPV-plaatsen beschikbaar zijn. Perspectief op arbeidsplaatsen Ook wat betreft het perspectief op arbeidsplaatsen wijkt het beeld in district Noord weinig af van het landelijke beeld. Het perspectief is gunstig voor zorghulpen, Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 4 en voor Apothekersassistenten. Het perspectief is ongunstig voor Helpenden, Verzorgenden, Helpenden Welzijn en Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 3. Letten we op de gevolgde leerweg, dan is voor district Noord het arbeidsmarktperspectief voor Verzorgenden, Verpleegkundigen en Helpenden welzijn in de BBL iets gunstiger en het perspectief voor Zorghulpen in de BOL iets ongunstiger dan landelijk. Hierbij moeten we echter bedenken dat dit onderscheid is gebaseerd op de huidige verdeling van deelnemers over beide leerwegen. Deze verdeling kan veranderen en wat betreft arbeidsmarktperspectief zijn beide leerwegen enigszins uitwisselbaar. Voor de overige opleidingen is geen goed beeld van het arbeidsmarktperspectief te schetsen. Pagina 69 van 83
Tabel 82 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Noord CWI Dnr Perspectief BPV-plaats Perspectief arbeidsplaats CWI Dist Kwalificatie BPV BOL BBL BOL totaal 1Noord Zorghulp + + = + Helpende + - - - Verzorgende + + - - Verpleegkundige + = - - Helpende Welzijn + = - - Sociaal Dienstverlener + Sociaal Cultureel Werker + Sociaal Pedagigisch Werker 3 + + - - Sociaal Pedagogisch Werker 4 + + + + Onderwijsassistent + Doktersassistent + Tandartsassistent + Apothekersassistent + + + + Facilitair Medewerker + Facilitair Leidinggevende + Sport en Bewegingsleider (oud) - nvt Sport- en Bewegingsbegeleider - nvt Sport- en Bewegingsleider - nvt Sport- en Bewegingscoördinator - nvt CWI-district Oost Dit district omvat de RBA-gebieden: Ijssel-Vecht /Twente (4), Ijssel-Veluwe (5), Arnhem/Oost Gelderland/Nijmegen/Rivierenland (6) Perspectief op BPV-plaatsen Wat betreft BPV-plaatsen volgt district Oost gedeeltelijk het landelijke beeld. Voor de meeste opleidingen zijn voldoende BPV-plaatsen beschikbaar. Uitzonderingen hierop zijn de opleidingen Verpleegkundige, Sociaal Cultureel Werker en Sociaal Pedagogisch Werker en drie van de vier opleidingen Sport en Bewegen. Voor deze opleidingen worden méér deelnemers verwacht dan waarvoor er op dit moment BPV-plaatsen beschikbaar zijn. In afwijking van het landelijk beeld zijn er in district Oost voldoende BPVplaatsen beschikbaar voor de opleiding tot Sport- en Bewegingsleider op niveau 3. Perspectief op arbeidsplaatsen Ook wat betreft het perspectief op arbeidsplaatsen wijkt het beeld in district Oost weinig af van het landelijke beeld. Het perspectief is gunstig voor zorghulpen, Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 4 en voor Apothekersassistenten. Het perspectief is ongunstig voor Helpenden, Helpenden Welzijn en Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 3. In afwijking van het landelijke beeld constateren we voor district Oost een relatief gunstig arbeidsmarktperspectief voor de opleiding tot Verzorgende, er is sprake van een evenwichtssituatie. Voor de overige opleidingen is geen goed beeld van het arbeidsmarktperspectief te schetsen. Pagina 70 van 83
Tabel 83 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Oost CWI Dnr Perspectief BPV-plaats Perspectief arbeidsplaats CWI Dist Kwalificatie BPV BOL BBL BOL totaal 2Oost Zorghulp + + + + Helpende + - - - Verzorgende + = - = Verpleegkundige - - - - Helpende Welzijn + - - - Sociaal Dienstverlener + Sociaal Cultureel Werker - Sociaal Pedagigisch Werker 3 + = - - Sociaal Pedagogisch Werker 4 - + + + Onderwijsassistent + Doktersassistent + Tandartsassistent + Apothekersassistent + + + + Facilitair Medewerker + Facilitair Leidinggevende + Sport en Bewegingsleider (oud) - nvt Sport- en Bewegingsbegeleider - nvt Sport- en Bewegingsleider + nvt Sport- en Bewegingscoördinator - nvt CWI-district Mid-West Dit district omvat de RBA-gebieden: Flevoland (7), Midden-Nederland (8), Rijnstreek (11), Haaglanden (12) Perspectief op BPV-plaatsen Wat betreft perspectief op een BPV-plaats zijn er in district Mid-West voldoende BPV-plaatsen voor alle opleidingen op één na. Enkel voor de nieuwe opleiding Sport- en Bewegingsleider op niveau 3 voorzien we dat er méér plaatsen gerealiseerd moeten worden. Dit betekent dat district Mid-West, in tegenstelling tot het landelijke beeld, ook voldoende BPV-plaatsen kent voor de opleidingen Sport- en Bewegingsbegleider, Sport- en Bewegingscoördinator en de oude opleiding Sport- en Bewegingsleider op niveau 4. Perspectief op arbeidsplaatsen Wat betreft het perspectief op een arbeidsplaats volgt district Mid-West grotendeels het landelijke beeld. Voor Zorghulpen, Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 4 en Apothekersassistenten is het perspectief gunstig. Voor Helpenden, Verpleegkundigen, Helpenden Welzijn en Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 3 is het arbeidsmarktperspectief ongunstig. Voor Verzorgenden vinden we voor district Mid-West een relatief gunstig perspectief (evenwichtssituatie), terwijl dit landelijk gezien ongunstig is. Voor de overige opleidingen is geen goed beeld van het arbeidsmarktperspectief te schetsen. Pagina 71 van 83
Tabel 84 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Mid-West CWI Dnr Perspectief BPV-plaats Perspectief arbeidsplaats CWI Dist Kwalificatie BPV BOL BBL BOL totaal 3 Mid West Zorghulp + + + + Helpende + - - - Verzorgende + = + = Verpleegkundige + - - - Helpende Welzijn + - - - Sociaal Dienstverlener + Sociaal Cultureel Werker + Sociaal Pedagigisch Werker 3 + - - - Sociaal Pedagogisch Werker 4 + + + + Onderwijsassistent + Doktersassistent + Tandartsassistent + Apothekersassistent + - + + Facilitair Medewerker + Facilitair Leidinggevende + Sport en Bewegingsleider (oud) + nvt Sport- en Bewegingsbegeleider + nvt Sport- en Bewegingsleider - nvt Sport- en Bewegingscoördinator + nvt CWI-district Noord-West Dit district omvat de RBA-gebieden: Noord-HollandNoord (9), ZuidelijkNoord-Holland (10) Perspectief op BPV-plaatsen Wat betreft het perspectief op een BPV-plaats volgt district Noord-West gedeeltelijk het landelijke beeld. Voor de meeste opleidingen zijn voldoende BPV-plaatsen beschikbaar. Dit geldt, in tegenstelling tot de landelijke situatie óók voor de opleidingen Sport- en Bewegingsbegeleider en Sport- en Bewegingscoördinator. Voor de beide andere sportopleidingen zijn minder BPV-platsen beschikbaar dan voor het huidige aantal deelnemers nodig is. In afwijking van het landelijke beeld geldt dit eveneens voor de opleidingen tot Zorghulp en Sociaal Dienstverlener. Perspectief op arbeidsplaatsen Wat betreft het perspectief op een arbeidsplaats volgt district Noord-West grotendeels het landelijke beeld. Voor Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 4 en Apothekersassistenten is het perspectief gunstig. Voor Helpenden, Verzorgenden, Verpleegkundigen, Helpenden Welzijn en Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 3 is het arbeidsmarktperspectief ongunstig. Voor Zorghulpen vinden we voor district Noord-West een relatief gunstig perspectief (evenwichtssituatie), terwijl dit landelijk gezien gunstiger is. Voor de overige opleidingen is geen goed beeld van het arbeidsmarktperspectief te schetsen. Pagina 72 van 83
Tabel 85 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Noord-West CWI Dnr Perspectief BPV-plaats Perspectief arbeidsplaats CWI Dist Kwalificatie BPV BOL BBL BOL totaal Noord 4West Zorghulp - = = = Helpende + - - - Verzorgende + - = - Verpleegkundige + - - - Helpende Welzijn + - - - Sociaal Dienstverlener - Sociaal Cultureel Werker + Sociaal Pedagigisch Werker 3 + - - - Sociaal Pedagogisch Werker 4 + + + + Onderwijsassistent + Doktersassistent + Tandartsassistent + Apothekersassistent + + + + Facilitair Medewerker + Facilitair Leidinggevende + Sport en Bewegingsleider (oud) - nvt Sport- en Bewegingsbegeleider + nvt Sport- en Bewegingsleider - nvt Sport- en Bewegingscoördinator + nvt CWI-district Zuid-West Dit district omvat de RBA-gebieden: Rijnmond (13), Zeeland (14), Midden-enWest-Brabant (15) Perspectief op BPV-plaatsen Wat betreft perspectief op BPV-plaatsen volgt district Zuid-West het landelijke beeld. Voor de meeste opleidingen is sprake van (ruim) voldoende bpv-plaatsen, behalve voor de opleidingen Sport en Bewegen. Voor deze opleidingen zijn er op dit moment niet voldoende BPV-plaatsen beschikbaar voor het huidige aantal deelnemers. Perspectief op arbeidsplaatsen Wat betreft het perspectief op een arbeidsplaats volgt district Zuid-West grotendeels het landelijke beeld. Voor Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 4 en Apothekersassistenten is het perspectief gunstig. Voor Helpenden, Verzorgenden, Verpleegkundigen, Helpenden Welzijn en Sociaal Pedagogisch Werkers op niveau 3 is het arbeidsmarktperspectief ongunstig. Voor Zorghulpen vinden we voor district Zuid-West een relatief gunstig perspectief (evenwichtssituatie), terwijl dit landelijk gezien gunstiger is. Voor de overige opleidingen is geen goed beeld van het arbeidsmarktperspectief te schetsen. Pagina 73 van 83
Tabel 86 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Zuid-West CWI Dnr Perspectief BPV-plaats Perspectief arbeidsplaats CWI Dist Kwalificatie BPV BOL BBL BOL totaal Zuid 5West Zorghulp + - = = Helpende + - - - Verzorgende + - - - Verpleegkundige + - - - Helpende Welzijn + - - - Sociaal Dienstverlener + Sociaal Cultureel Werker + Sociaal Pedagigisch Werker 3 + - - - Sociaal Pedagogisch Werker 4 + + + + Onderwijsassistent + Doktersassistent + Tandartsassistent + Apothekersassistent + + + + Facilitair Medewerker + Facilitair Leidinggevende + Sport en Bewegingsleider (oud) - nvt Sport- en Bewegingsbegeleider - nvt Sport- en Bewegingsleider - nvt Sport- en Bewegingscoördinator - nvt CWI-district Zuid-Oost Dit district omvat de RBA-gebieden: Noordoost-Brabant (16), Zuidoost-Brabant (17), Limburg (18) Perspectief op BPV-plaatsen Wat betreft perspectief op BPV-plaatsen volgt district Zuid-West gedeeltelijk het landelijke beeld. Voor de meeste opleidingen is sprake van (ruim) voldoende bpv-plaatsen. In afwijking van het landelijke beeld is er in district Zuid-Oost echter sprake van een relatief gunstig perspectief voor de opleiding Sociaal Cultureel Werker en een ongunstig perspectief voor de opleiding tot Sociaal Pedagogisch Werker op niveau 4. Voor de opleidingen Sport en Bewegingsleider (oud) en Sport en Bewegingscoördinator is het perspectief, net zoals landelijk, ongunstig. Voor de opleidingen Sport- en Bewegingsbegeleider en Sporten Bewegingsleider (nieuw) is het perspectief op een BPV-plaats gunstig, waar dat landelijk gezien ongunstig is. Perspectief op arbeidsplaatsen Wat betreft perspectief op een arbeidsplaats volgt district Zuis-Oost het landelijk beeld. Voor de opleidingen Zorghulp, Sociaal Pedagogisch Werker niveau 4 en Apothekersassistent zullen er ruim voldoende openvallende arbeidsplaatsen zijn voor gediplomeerde schoolverlaters. Voor de opleidingen tot helpende, verzorgende, verpleegkundige helpende welzijn en Sociaal Pedagogisch Werker Niveau 3 wordt een minder gunstig arbeidsmarktperspectief verwacht. Voor de BBL-leerweg zien we ongunstige afwijkingen voor de opleidingen Zorghulp en Verzorgende en een gunstige afwijking voor de opleiding Sociaal Pedagogisch Werker. Eerder hebben we bij dit onderscheid naar leerweg al opgemerkt dat bedacht moet worden dat dit onderscheid is gebaseerd op de huidige verdeling van deelnemers over beide leerwegen, dat deze verdeling kan veranderen en dat wat betreft arbeidsmarktperspectief beide leerwegen enigszins uitwisselbaar zijn. Voor de overige opleidingen is het arbeidsmarktperspectief moeilijk te schetsen. Pagina 74 van 83
Tabel 87 Perspectief op een BPV-plaats en Perspectief op een arbeidsplaats voor opleidingen zorg, welzijn, sport en facilitaire dienstverlening, in CWI-district Zuid-Oost CWI Dnr Perspectief BPV-plaats Perspectief arbeidsplaats CWI Dist Kwalificatie BPV BOL BBL BOL Totaal 6 Zuid Oost Zorghulp + - + + Helpende + - - - Verzorgende + - - - Verpleegkundige + - - - Helpende Welzijn + - - - Sociaal Dienstverlener + Sociaal Cultureel Werker = Sociaal Pedagigisch Werker 3 + + - - Sociaal Pedagogisch Werker 4 - + + + Onderwijsassistent + Doktersassistent + Tandartsassistent + Apothekersassistent + + + + Facilitair Medewerker + Facilitair Leidinggevende + Sport en Bewegingsleider (oud) - nvt Sport- en Bewegingsbegeleider + nvt Sport- en Bewegingsleider + nvt Sport- en Bewegingscoördinator - nvt 7.4 Conclusies De conclusie van dit hoofdstuk is dat de situatie in de regio s in hoge mate overeenkomt met het landelijke beeld, zowel voor het perspectief op een BPV-plaats als voor het perspectief op een arbeidsplaats. In drie van zes de regio s zien we incidentele afwijkingen van het landelijke beeld. Het meest opvallende verschil is dat vier van de zes regio s, tegen de landelijke tendens in, voldoende BPVplaatsen voor één of meer van de opleidingen Sport en Bewegen weet te realiseren. Pagina 75 van 83
Bijlage 1 Toelichting berekening BPV-balans Om de BPV-balans te bepalen, zijn twee perspectieven van belang: (a) vanuit de vraag naar leerplaatsen van het onderwijs, als gevolg van deelnemers die een opleiding volgen, en (b) vanuit de vraag van de arbeidsmarkt, als gevolg van het openvallen van arbeidsplaatsen die door (nieuw) gekwalificeerd personeel opgevuld moeten worden (mensen die nu in de opleiding zitten). Het gaat dan om de volgende vragen: 1. Zijn er voldoende BPV-plaatsen om het huidige aantal deelnemers van een BPV-plaats te voorzien? 2. Zijn er voldoende deelnemers om aan de vraag van de arbeidsmarkt naar gekwalificeerd personeel te voldoen? 3. Zijn er, gezien de arbeidsmarktbehoefte, voldoende BPV-plaatsen om de voor de arbeidsmarkt benodigde deelnemers van een BPV-plaats te voorzien? Aan deze vragen liggen de volgende redeneringen ten grondslag: 1. Om antwoord te kunnen geven op de eerste vraag, is de volgende redenering gevolgd: Om de behoefte aan BPV-plaatsen te berekenen is gebruik gemaakt van de curricula van de ROC s. Daarin is opgenomen hoeveel dagen of weken de leerlingen stage lopen per leerjaar. Per opleiding is vervolgens het gemiddelde aantal weken BPV per leerjaar bepaald. Dit afgezet tegen een fulltime leerplaats (5 dagen per week, 40 weken per jaar), levert een bepaalde factor op, voor het gemak de BPV-factor genoemd. Deze staat dan voor het aantal leerplaatsen dat per leerling nodig is, per leerjaar. Bijvoorbeeld: in opleiding x gaan de leerlingen gemiddeld 10 weken per jaar op stage. De BPV-factor is hiermee 10 / 40 = 0,25: per leerling is jaarlijks 0,25 leerplaatsen nodig. Het aanbod van BPV-plaatsen is afgeleid uit het aantal geregistreerde BPV-plaatsen in het register van de OVDB. In de praktijk geldt dat niet iedere geregistreerde plaats daadwerkelijk 40 weken per jaar, 5 dagen per week een leerling kan herbergen. Vaak zijn leerbedrijven niet in staat om zoveel begeleiding te bieden, wat betekent dat 1 leerplaats niet één fulltime leerplaats is, maar een deel daarvan. Dit verschil wordt meegenomen in de berekening van het aanbod door een correctiefactor op te nemen. Deze is gebaseerd op de kennis van de consulenten van het werkveld en moet als volgt gelezen worden: een correctiefactor van 0,5 betekent dat één geregistreerde leerplaats in de praktijk 0,5 fte als leerplaats kan dienen. NB: dit staat geheel los van de mate waarin een ROC gebruik maakt van deze leerplaatsen. Het gaat hier puur om het aanbod, vanuit de markt, van leerplaatsen! Uiteindelijk geeft het verschil tussen de vraag naar BPV-plaatsen en het aanbod van plaatsen aan of er een overschot aan plaatsen is, dan wel een tekort. 2. Om antwoord te kunnen geven op de tweede vraag, is de volgende redenering gevolgd: Uitgangspunt voor de behoefte van de arbeidsmarkt is het aantal baanopeningen dat (op termijn) openstaat voor gediplomeerde schoolverlaters in een beroep. Op grond van deze baanopeningen maken we een schatting hoeveel deelnemers er opgeleid zullen moeten worden, om tegemoet te komen aan de (toekomstige) vraag van de arbeidsmarkt. Om uit baanopeningen het benodigd aantal deelnemers te schatten maken we gebruik van twee indicatoren. De eerste is het beroepsrendement, dit is het aandeel van gediplomeerde schoolverlaters, dat daadwerkelijk in een functie gaat werken waarvoor ze zijn opgeleid. Deze indicator ontlenen we aan het schoolverlatersonderzoek van het ROA, waarin de OVDB participeert als mede-opdrachtgever. De tweede indicator is het studierendement, dit is het aandeel van alle deelnemers dat gekwalificeerd uitstroomt, met een diploma op zak. Studierendement ontlenen we aan het onderzoek Instroom en rendement OVDB-opleidingen 2003 dat Prismant jaarlijks uitvoert, in opdracht van het OSA en de OVDB. In de berekening van het aantal deelnemers dat op een bepaald moment een opleiding volgt, is bovendien rekening gehouden met de opleidingsduur en met (tussentijdse) uitval van deelnemers. De opleidingsduur is van belang, omdat er voor meerjarige opleidingen meerdere cohorten deelnemers tegelijkertijd onderwijs volgen. De tussentijdse uitval is van belang, omdat niet alle deelnemers die instromen de hele onderwijsperiode volmaken. Bij de schatting van de tussentijdse uitval gaan wij ervan uit dat de uitval in de beginperiode van de opleiding het grootst is en daarna afneemt. Pagina 76 van 83
Het resultaat is een schatting van het aantal deelnemers dat op een bepaald moment in opleiding moet zijn, om (op termijn) te voldoen aan de behoefte op de arbeidsmarkt aan nieuw personeel. Dit benodigd aantal deelnemers wordt vervolgens vergeleken met het aantal deelnemers dat feitelijk in opleiding is. Dit gegeven ontlenen we aan de (voorlopige) bekostigingstelling van het CFI. De meest recente gegevens hebben betrekking op schooljaar 2003-2004. Uit deze vergelijking volgt de afweging of er, gezien de arbeidsmarktbehoefte, voldoende, te veel of te weinig deelnemers in opleiding zijn. 3. Om antwoord te kunnen geven op de derde vraag, is de volgende redenering gevolgd: Voor de beantwoording van deze vraag is de redenering in feite gelijk aan die van vraag 1. Als input wordt echter niet uitgegaan van het feitelijke aantal deelnemers in opleiding, maar van het, gezien de arbeidsmarktbehoefte, benodigde aantal deelnemers, zoals dat hierboven is omschreven en berekend. Pagina 77 van 83
Bijlage 2 Aansluiting beroepspraktijkvorming onderwijs: leerplaatsen per leerling In het register van de OVDB staan leerplaatsen voor leerlingen in de verschillende opleidingen geregistreerd. Binnen het rekenmodel (de Balans BPV) worden deze leerplaatsen genuanceerd, gecorrigeerd voor het feit dat ze niet allemaal garant staan voor een fulltime leerplek. Toch is het gegeven geregistreerde leerplaats geen onbruikbare grootheid. Ondanks dat het exacte volume van een dergelijk plaats niet bekend is, mag er vanuit gegaan worden dat er minstens op een gegeven moment een leerling er een BPV-periode kan volbrengen. Wanneer we het aantal leerplaatsen afzetten tegen het aantal leerlingen in de opleiding, krijgen we enig gevoel bij de verhouding tussen deze twee grootheden. Hoe moet zo n cijfer nu gelezen worden? 0,5 leerplaatsen per leerling betekent letterlijk dat er een halve leerplaats per leerling beschikbaar is. Wanneer 2 leerlingen gebruik kunnen maken van 1 leerplaats (door bijvoorbeeld na elkaar op stage te gaan) betekent dat voldoende leerplaatsen. Of die twee leerlingen gebruik kunnen maken van één leerplaats is afhankelijk van de hoeveelheid stage die de leerlingen moeten lopen (wat een hard gegeven is) en de planning van de BPV-periode door het ROC (wat een wat zachter gegeven is). Zo geeft het aantal leerplaatsen per leerling meer feeling met wat dit betekent in de praktijk. De vraag blijft wel: hoeveel leerplaatsen heb je nodig per leerling? Enerzijds heeft dit te maken met de behoefte aan leeromgeving (de BPV-factor), anderzijds mag redelijkerwijs aangenomen worden dat een aanbod van bijvoorbeeld een leerplaats per leerling voldoende (zou) moet(en) zijn. Hieronder worden voor de verschillende OVDB-kwalificaties de leerplaatsen per leerling weergegeven plus kort van commentaar voorzien. V&V In het register van de OVDB staan ruim 17,5 duizend leerplaatsen voor leerlingen verpleging en verzorging geregistreerd. Dit komt zonder te differentiëren naar niveau neer op 0,85 leerplaatsen per leerling. Tabel 1.0 Aantal BOL-leerplaatsen per leerling Kwalificatie Aantal BOL-leerlingen Aantal BOLleerplaatsen Aantal leerplaatsen per leerling Zorghulp 2.081 1.219 0,59 Helpende 4.039 3.892 0,96 Verzorgende 7.202 7.316 1,02 Verpleegkundige 7.301 5.098 0,70 Totaal 20.623 17.525 0,85 Voor de niveaus 2 en 3 is per leerling (bijna) 1 leerplaats beschikbaar. Daarmee lijken tekorten voor deze kwalificaties onmogelijk, tenzij er binnen bepaalde sectoren te weinig plaatsen zijn. Voor niveau 1 is ruim een halve en voor niveau 4 bijna driekwart leerplaats beschikbaar. De zorghulpen lopen gemiddeld 12 weken stage in hun studiejaar. Daarmee zou - wanneer ze niet allen tegelijk op stage hoeven - die halve plaats per leerling voldoende moeten zijn. De verpleegkundigen gaan gemiddeld 16 weken op stage. Hiervoor geldt dan ook dat die driekwart plaats per leerling voldoende zou moeten zijn. Pagina 78 van 83
SAW Voor de leerlingen in de agogische sector zijn ruim 41 duizend leerplaatsen erkend, wat overeen komt met 0,82 leerplaatsen per leerling. In onderstaande tabel is te zien dat deze verhouding verschillend is per kwalificatie. Tabel 2.0 Aantal BOL leerplaatsen per leerling Aantal BOL-leerlingen Aantal BOLleerplaatsen Aantal leerplaatsen Kwalificatie per leerling Helpende Welzijn 6.559 7.192 1,10 Sociaal Dienstverlener 2.305 1.497 0,65 Sociaal Pedagogisch Werker 3 17.180 16.189 0,94 Sociaal Pedagogisch Werker 4 15.636 8.406 0,54 Sociaal Cultureel Werker 2.494 1.894 0,76 Onderwijsassistent 6.251 6.019 0,96 Totaal 50.425 41.197 0,82 Voor de leerlingen helpende welzijn is meer dan één leerplaats per leerling erkend. Voor de SPW3 en Onderwijsassistent leerlingen staat bijna één plaats per leerling geregistreerd. De minste plaatsen per leerling zijn te vinden bij SPW4: hier moeten twee leerlingen één plaats delen. Bovenstaande lijkt erop te duiden dat voor de leerlingen Helpende Welzijn, SPW3 en Onderwijsassistent geen tekorten aan leerplaatsen bestaan. AG Voor de assisterenden zijn bijna 6 duizend leerplaatsen erkend. Dit komt neer op bijna een plaats per leerling. Tabel 3.0 Aantal BOL leerplaatsen per leerling Aantal BOL-leerlingen Aantal BOLleerplaatsen Aantal leerplaatsen Kwalificatie per leerling Apothekersassistent 2.179 1.669 0,77 Doktersassistent 3.066 2.757 0,90 Tandartsassistent 826 1.472 1,78 Totaal 6.071 5.898 0,97 Voor de apothekersassistenten geldt dat er ruim driekwart leerplaats per leerling voorhanden is. Voor tandartsassistenten geldt dat er één driekwart leerplaats per leerling is. De doktersassistenten hebben bijna één plaats per leerling. De assisterenden volgen gemiddeld 10 à 11 weken BPV per leerjaar. Zolang niet alle leerlingen tegelijkertijd hun BPV willen volgen, lijken bovenstaande aantallen leerplaatsen voldoende voor de populatie leerlingen. De verklaring voor de (nog steeds) bestaande tekorten aan BPV-plaatsen voor doktersassistenten moet dan ook in een meer kwalitatieve hoek gezocht worden. Dit wordt ook door de consulenten van de OVDB onderschreven. Zij merken dat met name onderwijsafdelingen met weinig leerlingen, uit angst voor leerlingverlies, aan alle eisen van de leerlingen tegemoet willen komen. Bijvoorbeeld door een BPV adres om de hoek te bieden, terwijl er een paar kilometer verderop een reeds erkende plaats voorhanden is. Op deze manier worden er wel tekorten ervaren, hoewel die er kwantitatief bezien niet zijn. Pagina 79 van 83
SB Voor de leerlingen in de sportopleidingen zijn bijna 8,5 duizend BPV plaatsen erkend. Het grootste deel komt de niveau 3 leerlingen ten goede. Tabel 4.0 Aantal BOL leerplaatsen per leerling Kwalificatie Aantal BOL leerlingen Aantal BOLleerplaatsen Aantal leerplaatsen per leerling Sport- en Bewegingsbegeleider 903 1.121 1,24 Sport- en Bewegingsleider 2.786 3.182 1,14 Sport- en Bewegingscoördinator 3.388 2.623 0,77 Sport- en Bewegingsleider (oud) 2.079 1.376 0,66 Totaal 9.156 8.302 0,91 Uit tabel 4.0 is af te lezen dat voor niveau 2 en 3 geldt dat er meer dan één leerplaats per leerling erkend is. Voor de oude sportopleiding en de nieuwe niveau 4 opleiding geldt dat er respectievelijk tweederde en drievierde plaats per leerling beschikbaar is. Gezien de hoeveelheid stage die de leerlingen moeten lopen in deze opleidingen (gemiddeld 12 weken per jaar) lijkt dat voldoende capaciteit te moeten opleveren. Verraderlijk is hier de grote hoeveelheid kleine BPV-plaatsen. Daarom is het raadzaam het aantal kleine en grote BPV-plaatsen apart per leerling in kaart te brengen. Tabel 4.1 Kleine en grote stages Kleine stages (8 uur, 10 weken) Aantal BOL leerlingen Aantal BOLleerplaatsen Aantal leerplaatsen per leerling Sport- en Bewegingsbegeleider 903 651 0,72 Sport- en Bewegingsleider 2.786 1.692 0,61 Sport- en Bewegingscoördinator 3.388 1.474 0,44 Sport- en Bewegingsleider (oud) 2.079 837 0,40 Aantal BOL leerlingen Aantal BOLleerplaatsen Aantal leerplaatsen Grote stages (600 uur) per leerling Sport- en Bewegingsbegeleider 903 468 0,52 Sport- en Bewegingsleider 2.786 1.490 0,53 Sport- en Bewegingscoördinator 3.388 1.149 0,34 Sport- en Bewegingsleider (oud) 2.079 539 0,26 Uit bovenstaande tabel blijkt dat er voor alle nieuwe sportopleidingen meer kleine dan grote stageplaatsen in het register staan. Wanneer we kijken naar de behoefte aan aantallen kleine stageplaatsen (Prismant, 2003) dan blijkt dat voor alle sportopleidingen geldt dat er méér dan één kleine stageplaats per leerjaar per leerling nodig is. Vooral voor de (oude en nieuwe) niveau 4 opleiding is sprake van een aanzienlijk tekort aan kleine BPVplaatsen. Voor de langere stages geldt dat hier per leerling jaarlijks ongeveer één plaats voor nodig is (Prismant 2003). Dit geldt voor alle SB kwalificaties. Ook hier is dus sprake van een aanzienlijk tekort aan plaatsen. Pagina 80 van 83
FD Voor de facilitair medewerkers zijn ruim 3,5 duizend leerplaatsen erkend. Dit komt overeen met bijna twee leerplaatsen per leerling. Het grootste deel van de leerplaatsen is echter voor de niveau 2 leerlingen, die hiermee ruim in de BPV-plaatsen zitten. Zie tabel 5.0. Tabel 5.0 Aantal BOL-leerplaatsen per leerling Kwalificatie Aantal BOL leerlingen Aantal BOLleerplaatsen Aantal leerplaatsen per leerling Facilitair Medewerker* 427 2.186 5,1 Facilitair Leidinggevende** 1.433 1.493 1,0 Totaal 1.860 3.679 1,98 * Nieuwe opleiding, hieronder vallen ook de leerplaatsen voor de oude opleiding voedingsassistent en facilitair uitvoerende ** Nieuwe opleiding, hieronder vallen ook de leerplaatsen voor de oude opleiding facilitair kader De niveau 2 leerlingen zitten ruim in de leerplaatsen, zo blijkt uit tabel 5.0. Per leerling zijn meer dan 5 leerplaatsen erkend. Deze verhouding ligt beduidend lager bij de studiegenoten op niveau 4. Zij hebben 1 leerplaatsen per persoon tot hun beschikking. Beide cijfers geven echter aanleiding te concluderen dat er geen tekorten aan leerplaatsen voor de leerlingen in de Facilitaire Dienst bestaan. Pagina 81 van 83
Bijlage 3 Aangehaalde bronnen - Breedveld, K. e.a. (april 2003). Rapportage sport 2003. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. - CBS (2004). Statline - Cörvers, F., & Dijksman, S. (november 2002). Koppelingen van kwalificaties voor het gebruik van arbeidsmarktinformatie over het middelbaar beroepsonderwijs. ROA-R-2002/16. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. - CWI (2003). Arbeidsmarktprognose 2003-2008. Amsterdam: CWI - CWI (2004). Arbeidsmarktprognose 2004-2009. Amsterdam: CWI - Essen, G. van, Josten, E.J.C., Meihuizen, H.E., & Oosterhuis, J.A.J.J. (november 2002), Arbeid in zorg en welzijn. Integrerend OSA-rapport 2002. OSA-publicatie ZW 35, Tilburg: Organisatie voor strategisch Arbeidsmarktonderzoek. - Essen, G. van, Josten, E.J.C., Meihuizen, H.E., & Oosterhuis, J.A.J.J, Voogd-Hamelink, M. de. (2003). Trendrapport vraag naar arbeid in zorg en welzijn 2002. Tilburg: Organisatie voor strategisch Arbeidsmarktonderzoek. - Grimme, E., & Lehmann, S. (juni 2001). Adviesrapportage arbeidsmarktonderzoek. Nieuwegein: Meelhuijsen Facilitair. - Grip, A.de, Hensen, M., & Sieben, I. (april 2003). De arbeidsmarkt voor apothekersassistenten tot 2010: een toekomstverkenning. ROA-R-2003/6, Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. - Hingstman, L, Kenens, R., Windt, W. van der, Talma, H.F., Meihuizen, H.E., & Josten, E.J.C. (oktober 2002). Rapportage Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn 2002. Hoofdrapport. OSA- publicatie ZW 36, Tilburg: Organisatie voor strategisch Arbeidsmarktonderzoek. - Hingstman, L.., Kenens, R., Windt, W. van der, Talma, H.F., Meihuizen, & H.E., Josten, E.J.C. (oktober 2002). Rapportage arbeidsmarkt zorg en welzijn 2002. Bijlagen. OSA- publicatie ZW 36. Tilburg: Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. - Jansen, L. en Kok, L. (2004). Uittreding en herintreding in zorg en welzijn. Tilburg: OSA. - Maas, G.W.A., & Pleunis, J.W. (2001). Facility Management. Amersfoort: Twynstra & Gudde Management Consultants. Uitgeverij Kluwer - OcenW (2003). Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in kerncijfers 2003. - ROA (2003). Arbeidsmarktinformatiesysteem (AIS) tot 2008. - ROA (2003). De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2008. Maastricht: ROA. - ROA (2003). Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt 2002. Maastricht: ROA. - ROA (2004). Gegevens Schoolverlatersonderzoek 2003 (informatie aangeleverd op verzoek). (juli 2004) - Sanders, J., Vries, R. de, & Wolbers, M. (april 2003). Apothekersassistenten van school naar werk. ROA-R-2003/5, Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. - Stichting Bedrijfsfonds Apotheken (mei 2003). Arbeidsmonitor Apotheken. Personeel vinden, binden en boeien. Nieuwegein: SBA. - Werff, H. van der, Evers, G., & Bergh, M. von (december 2002). Werk in Welzijn. Ontwikkelingen in de vraag naar en het aanbod van arbeid in de welzijnssector. OSA- publicatie ZW 40, Tilburg: Organisatie voor strategisch Arbeidsmarktonderzoek. - Windt, W. van der (2002). Regiomarge 2001. Een arbeidsmarktverkenning van verpleegkundigen, verzorgenden en sociaalpedagogen. Utrecht: Prismant. - Windt, W. van der (2003, juli). Beschikbaarheid van BPV-plaatsen in de GDW-sector, monitor 2003. Utrecht: Prismant. - Windt, W. van der (2004). Regiomarge 2003. Een arbeidsmarktverkenning van verpleegkundigen, verzorgenden en sociaalpedagogen. Utrecht: Prismant. - Windt, W. van der (2004). Verkenningen voor RegioMarge. Tilburg: OSA. - Windt, W. van der (maart 2003). Regiomarge 2002. Een arbeidsmarktverkenning van verpleegkundigen, verzorgenden en sociaalpedagogen. Utrecht: Prismant. - Windt, W. van der en Arnold, E. (2004). Rapportage Instroom en rendement OVDB-opleidingen 2003. Utrecht: Prismant. - Windt, W. van der, Calsbeek, H., Talma, H., & Hingstman, L..(november 2002). Feiten over verpleegkundige en verzorgende beroepen in Nederland. Utrecht: Landelijk Centrum voor Verpleging en Verzorging. Pagina 82 van 83
Disclamer OVDB kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden in dit document. Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. OVDB Runnenburg 34 Postbus 131 3980 CC Bunnik tel: 030-7507000 fax: 030 7507001 www.ovdb.nl ovdb@ovdb.nl Pagina 83 van 83