Voorziening Voormalig Personeel Soort document: Beleid Auteur: Verslaggeving Datum: 14-09-2015 Geaccordeerd door: Datum: Algemeen In dit document worden de voorziening voormalig personeel van de HvA beschreven. 1
Beleid Voorziening Voormalig Personeel In het kader van de Richtlijnen Jaarverslaggeving dient op elke balansdatum worden beoordeeld of er verplichtingen zijn aangegaan waarvoor het noodzakelijk is om een voorziening te treffen (RJ 314). Op grond van RJ 271.402 dient een rechtspersoon de in het kader van uitkeringen uit hoofde van vervroegde uittredingsregelingen (VUT) en andere non activiteitsregelingen voortvloeiende verplichtingen te voorzien. Binnen het (hoger) onderwijs bestaan er verschillende non-activiteitregelingen waarvoor de instellingen risicodrager zijn en waarvoor de instellingen een voorziening moeten treffen voor de hieruit voortvloeiende verplichtingen. Voor de bepaling van de omvang van de voorziening is een rekenmodel gemaakt met hierin opgenomen de toekomstige verplichtingen voor elke regeling afzonderlijk. Het model is opgebouwd uit de volgende onderdelen: 1. Verloopoverzicht voorziening: beginstand, onttrekkingen, dotatie en eindstand 2. Recapitulatie van de toekomstige verplichtingen ultimo verslagperiode/boekjaar. Deze vormt de onderbouwing van de voorziening per einde verslagperiode. Deze is gekoppeld met de in het model opgenomen prognoseberekeningen Per regeling moet, in verband met de presentatie in de jaarrekening, onderscheid worden gemaakt in de verplichtingen met een looptijd van: a. < 1 jaar b. > 1 jaar en < 5 jaar c. > 5 jaar 3. Recapitulaties van de toekomstige verplichtingen voorgaande verslagperiode. Deze vormt de onderbouwing van de voorziening per begin verslagperiode. Deze overzichten zijn als waarde - kopie ingeplakt uit de specificatie van de voorgaande verslagperiode. 4. Prognoseberekeningen per regeling (zie onderstaand). De berekening van de verplichtingen moeten worden onderbouwd met informatie van de uitkeringsinstantie. Dit betreft enerzijds gescande facturen en anderzijds downloads van prognoseberekeningen vanuit de door de uitkeringsinstantie beschikbaar gestelde applicaties. Onderstaand wordt per regeling toegelicht hoe de voorziening moet worden bepaald. Flexibel Pensioen Uittreden (FPU) Werknemers die geboren zijn voor 1950 en sinds 01-04-1997 onafgebroken deelnemer bij het ABP zijn geweest kunnen opteren voor de FPU. Met werknemers zijn individueel afspraken gemaakt over deelname aan de FPU-regeling. De kosten van deze FPU-suppletieregelingen en van de pensioenpremies voor de gedeeltelijke opbouw van pensioenrechten gedurende de FPU-periode worden door ABP bij de HvA in rekening gebracht. Gezien bovenstaande voorwaarde wordt de kans op instroom van nieuwe gevallen steeds kleiner en zal het bestand aan gebruikers van deze regeling met de loop der jaren kleiner worden. De uitkeringskosten worden op centraal niveau verwerkt. Grondslag voor de berekening van de voorziening vormt het bestand aan voormalig werknemers die gebruik maken van de FPU regeling en waarvan door het ABP de FPU suppletie en de opbouw ouderdomspensioen (art. 16.5) gedurende het FPU traject in rekening wordt gebracht. De toekomstige verplichtingen zijn individueel bepaald: Voor de FPU suppletie vanaf het moment uit dienst totdat de voormalig werknemer de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Voor de opbouw ouderdomspensioen vanaf het moment uit dienst tot een maximum van 4 jaar (of 48 maanden) of korter totdat de leeftijd van 65 jaar is bereikt. 2
Uitgangspunt van de hoogte van de verplichting vormt de door het ABP in rekening gebrachte kosten over de laatste maand voorafgaand aan de periode waarover de voorziening betrekking heeft. Voor de onderbouwing van de voorziening dienen deze facturen te worden gescand en afzonderlijk in de daartoe bestemde map te worden opgeslagen. Voor zowel de FPU suppletie als de opbouw ouderdomspensioen (art. 16.5) gedurende het FPU traject wordt een aparte declaratie ontvangen. De volgende onderdelen vanuit de declaratie worden in de berekening opgenomen: Naam werknemer Geboortedatum werknemer Klantnummer ABP Ingangsdatum FPU Gedeclareerd bedrag FPU suppletie en Opbouw Ouderdomspensioen (art. 16.5) De datum waarop de werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt wordt automatisch bepaald. Aan de hand van deze datum moet handmatig de einddatum van de FPU regeling worden toegevoegd. Vervolgens dient in het rekenmodel de peildatum te worden geactualiseerd. Dit betreft de eerste dag volgend op de periode die wordt afgesloten, ofwel: Jaarrekening / periode 12: 01-01-jaar Periode 4: 01-05-jaar Periode 6: 01-07-jaar Periode 8: 01-09-jaar Op basis van deze peildatum wordt het resterend aantal maanden berekend die door het ABP met de werkgever nog worden verrekend. Vervolgens wordt aan de hand van het aantal resterende maanden de totale toekomstige verplichting, afzonderlijk voor de FPU suppletie als de Opbouw Ouderdomspensioen (art. 16.5) berekend. Deze toekomstige verplichtingen worden vervolgens over de toekomstige kalenderjaren verdeeld. Het totaal van de per kalenderjaar bepaalde verplichtingen moeten vervolgens (via koppeling) tot uitdrukking komen in de recapitulatie. De toekomstige verplichtingen zijn bepaald op het prijspeil van de laatste declaratie. Dit betekent dat deze nog moeten worden geïndexeerd. In de recapitulatie vindt indexatie plaats tegen 1,5% per jaar. Werkloosheidsuitkeringen Werknemers van de HvA kunnen bij ontslag, bij afloop van een tijdelijk dienstverband of bij afloop van een tijdelijke uitbreiding van het dienstverband recht hebben op een WW-uitkering. De WW-uitkering bestaat uit een wettelijk en een bovenwettelijk deel. Het bovenwettelijk deel vormt een aanvulling op de WW-uitkering. Na afloop van de WW-uitkering kan, afhankelijk van leeftijd en onderwijsdiensttijd, recht bestaan op een aansluitende bovenwettelijke uitkering. Het wettelijk deel van de WWuitkeringen worden toegekend en uitgekeerd door het UWV, de aanvullende en aansluitende bovenwettelijke uitkeringen door Loyalis Maatwerkadministratie (LMA). Deze instanties brengen deze uitkeringen vervolgens in rekening bij de HvA. Uitgangspunt is dat de kosten ontstaan na 1 januari 2009 ten laste komen van het budget van de organisatorische eenheid waartoe de ex-medewerker behoorde en blijven doorlopen voor zolang en voor zover er voor de ex-werknemer kosten in rekening worden gebracht. Onder organisatorische eenheid worden hier verstaan de Domeinen, elk van de Centrale Diensten en Stafafdelingen en de Bestuursondersteuning. Het is aan de Domeinen, diensten of stafafdeling of zij de kosten verder doorbelasten. 3
Bovenstaande werkwijze impliceert dat een eenheid met niet meer wordt belast dan met de daadwerkelijk aan de uitkeringsinstanties betaalde kosten. Zolang de ex-medewerker werkloos blijft, worden de kosten doorbelast. Een leidinggevende / budgethouder heeft er daarmee alle belang bij dat de ex-medewerker bij voorkeur zonder onderbreking van werk naar werk gaat of, als dat niet lukt, om de uitkeringsperiode zo kort mogelijk te houden. De uitkeringskosten ontstaan vóór 1 januari 2009 wordt op centraal niveau in de kosten verwerkt. Grondslag voor berekening van de voorziening vormt het bestand aan voormalig werknemers die gebruikmaken van de wachtgeld- en werkloosheidsregeling per ultimo kalenderjaar. De verplichtingen zijn individueel bepaald en uitgangspunt van de hoogte van de verplichting vormt de door Loyalis en UWV berekende toekomstige loonkosten die in rekening worden gebracht. Voor het bepalen van de door Loyalis en UWV berekende toekomstige loonkosten kan een beroep worden gedaan op de door de desbetreffende uitkeringsinstantie beschikbaar gestelde prognoseberekeningen. Deze prognoseberekening zijn individueel berekend voor de resterende duur dat de voormalige werknemer gebruik kan maken van de regeling en worden jaarlijks tegen 1,5% geïndexeerd. Dit betekent dat in het rekenmodel afzonderlijke indexatie niet hoeft plaats te vinden. Voor elk van bovenstaande werkgevers moet een afzonderlijke prognoseberekening worden gemaakt. Voor de prognoseberekeningen moet men onderscheid maken in: berekeningen voor de toekomstige verplichtingen in het lopend boekjaar en berekening voor de toekomstige verplichtingen in de komende boekjaren. Men gaat eerst de toekomstige verplichtingen in het lopend boekjaar bepalen en wel als volgt: Verplichtingen huidig boekjaar: In een rekenmodel staat een historie van de in het huidig kalenderjaar verrekende uitkeringen als een prognose voor de verplichtingen van de rest van het jaar. Uit dit bestand neemt men de volgende gegevens over in het rekenmodel: Burgerservicenummer Achternaam Ingangsdatum Einddatum Prognose loonkosten restant jaar. De prognose loonkosten dient met 8% i.v.m. vakantiegeld worden verhoogd, omdat in de prognose loonkosten hiermee geen rekening wordt gehouden. Verplichtingen komende boekjaren: Voor de prognoseberekening neemt men van het 1 e prognosejaar voor elk persoon afzonderlijk de geprognosticeerde loonkosten over en vermeld deze naast de geprognosticeerde loonkosten zoals bepaald voor het huidig jaar. Vervolgens doet men dit voor het 2 e jaar, 3 e jaar etc. etc. Het totaal van de per kalenderjaar bepaalde verplichtingen moeten vervolgens tot uitdrukking komen in de recapitulatie. Let op: de prognoseberekening is altijd gebaseerd op de meest actuele stand. Dit betekent dat het tijdstip van berekening van de prognoses van invloed is op de bepaling van de voorziening. Daarnaast zijn voor maximaal de komende vijf jaren vooruit prognoseberekeningen beschikbaar. Aangezien bij elke uitkering de einddatum staat aangegeven kan de prognose worden doorgetrokken tot aan de einddatum. Zoals eerder aangegeven staat in het overzicht de einddatum vermeld waarop men recht heeft op de bovenwettelijke uitkering. Dit betekent dat de verplichting feitelijk doorloopt na het 5 e prognosejaar. Derhalve dient de laatste beschikbare 5 e prognose te worden aangevuld met prognoses tot aan de in het overzicht vermelde einddatum. Deze prognoses worden jaarlijks met 1,5% geïndexeerd. 4
Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA) Werknemers zijn verplicht verzekerd voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Via deze wet kunnen zij een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen na 2 jaar ziekte. De hoofdregel is dat UWV deze uitkeringen uitvoert en de kosten voor rekening van de werkgever komen. Als een werknemer vervolgens recht heeft op een WGA-uitkering, dan betaalt de werkgever deze gedurende de eerste 10 jaar zelf. Na 10 jaar wordt deze uitkering door UWV betaald. Grondslag voor berekening van de voorziening vormt het bestand aan voormalig werknemers die gebruikmaken van de WGA-regeling per ultimo kalenderjaar. De verplichtingen zijn individueel bepaald en uitgangspunt van de hoogte van de verplichting vormt de door het UWV in rekening gebrachte maandelijkse kosten over de laatste maand voorafgaand aan de periode waarover de voorziening betrekking heeft.. De toekomstige verplichtingen zijn individueel berekend voor de resterende duur tot maximaal 10 jaar dat de voormalige werknemer gebruik kan maken van de regeling en worden jaarlijks tegen 1,5% geïndexeerd. De volgende onderdelen vanuit de declaratie worden in de berekening opgenomen: Burgerservicenummer Naam werknemer Ingangsdatum WGA uitkering Gedeclareerd bedrag WGA In verband met de maximale duur tot 10 jaar kan aan de hand van de ingangsdatum WGA uitkering de einddatum worden bepaald. Deze einddatum wordt aan de berekening toegevoegd. Op basis van de peildatum voor het bepalen van de voorziening en de einddatum kan het resterend aantal jaren / maanden worden berekend die door het UWV met de werkgever nog worden verrekend. Het totaal van de per kalenderjaar bepaalde verplichtingen moeten vervolgens tot uitdrukking komen in de recapitulatie. De toekomstige verplichtingen zijn bepaald op het prijspeil van de laatste declaratie. Dit betekent dat deze nog moeten worden geïndexeerd. In de recapitulatie vindt indexatie plaats tegen 1,5% per jaar. Contante waarde bepaling toekomstige verplichtingen Conform RJ 252.306 dienen voorzieningen contant te worden gemaakt tegen de actuele marktrente. Voor de berekening van de contante waarde van deze verplichtingen is de rekenrente gebaseerd op het renteoverzicht van de Agentschap van de Generale Thesaurie voor het rentetarief met een looptijd van 10 jaar. Onttrekkingen Grondslag voor de onttrekkingen vormen de specificaties zoals die worden opgesteld bij de ontvangst en codering van de facturen van de uitkeringsinstanties. Deze worden onderstaand aan het verloopoverzicht opgenomen. 5