Handleiding sectorwerkstuk Mavo 4 2017 2018
Inleiding: Je gaat dit jaar een sectorwerkstuk maken. Het doel van het sectorwerkstuk is dat je leert op een zelfstandige manier onderzoek te doen. Daarnaast leer je de uitkomsten van het onderzoek te vertalen en onderbouwen naar jouw eigen conclusie en mening. Uiteindelijk zal je leren om het proces en werkstuk te presenteren. Dit zijn vaardigheden die op het MBO en HAVO steeds meer van je verwacht gaan worden. In deze handleiding lees je waaraan een sectorwerkstuk moet voldoen en hoe je begeleid en voorbereid wordt op het maken van een sectorwerkstuk. Het sectorwerkstuk gaat bij voorkeur over een onderwerp dat belangrijk is in de samenleving of te maken heeft met de vervolgopleiding en de beroepenwereld die bij sector past. Het onderzoek moet aan een aantal wettelijke eisen voldoen: a. Het sectorwerkstuk heeft een studielast van 20 klokuren. b. De beoordeling gebeurt aan de hand van de criteria achter in deze handleiding. c. Het sectorwerkstuk moet in ieder geval met voldoende zijn beoordeeld om het diploma in ontvangst te kunnen nemen. Daarnaast heeft onze school nog voor een aantal uitgangspunten gekozen: Het onderzoek wordt gedaan door een groep van twee of drie leerlingen. Wanneer één van de leerlingen van de groep de voortgang van het werk erg ophoudt, kan alleen de afdelingsleiding beslissen dat de leerling afzonderlijk het werk voortzet. Wijziging van de samenstelling van de groep wordt niet toegestaan. a. Iedere groep wordt begeleid door hun mentor. Je hebt minimaal 3x keer contact met je mentor. Je mentor beoordeelt niet alleen het product maar ook het proces ( = de manier waarop je tot het product bent gekomen). b. Iedere groep * maakt een schriftelijk werkstuk (zie eisen schriftelijk werkstuk) * presenteert het werkstuk. c. In je sectorwerkstuk moeten in ieder geval de volgende onderdelen verwerkt worden: 1. Minstens 1 informatiebron van recente datum. Dit kan bijv. een artikel zijn uit een krant of tijdschrift, of een informatieve tv-uitzending van kort geleden, enz. Deze informatiebron moet ook duidelijk verwerkt worden in (een van de) deelvragen. 2. Een onderzoek in de praktijk. Een gedeelte van de informatie die je nodig hebt om antwoord te geven op jouw hoofdvraag moet verkregen worden door een onderzoek /informatiewinning in de praktijk. (bijv. een bezoek aan een Mbo-opleiding, bezoek aan een energiebedrijf, of een opvangtehuis voor gehandicapten, of een interview met een medewerker van een bedrijf (géén familie). Deze informatie moet duidelijk verwerkt worden in (een van) de deelvragen. 3. Je moet alle bronnen die je gebruikt hebt duidelijk vermelden.
PLANNING: Di. 11 sept. 8:30-9:20 Afstemmen SWS met mentoren 9:20-12:15 Intro SWS doel: L.l. weten wat er verwacht wordt l.l. hebben groepjes gemaakt l.l. maken kennis met interview, werkbezoek en actueel nieuwsitem Voorlopig onderzoeksvraag + deelvragen Di 10 okt. Blok 8 t/m blok 11 Eerste werkperiode Di 7 nov. Blok 13 t/m blok 16 Tweede werkperiode Maandag 4 december Uiterlijk dinsdag 12 december Woensdag 20 december Tijdens SE 2 deadline inleveren SWS bij de mentor. Feedback van mentor op ingeleverd werk. Definitief inleveren SWS bij mentor Presentaties SWS
Hoe ga je beginnen? Voorbereiding Je gaat een onderwerp zoeken, algemeen binnen de sector of in het kader van je mogelijke vervolgopleiding. Het onderwerp is goed als: - je hierdoor meer te weten komt over de sector - je voldoende informatie over dit onderwerp denkt te kunnen vinden - je het interessant vindt - je zelf onderzoek kunt doen over het onderwerp Je kiest een hoofdvraag, die bij het onderwerp hoort. De hoofdvraag en deelvragen zijn altijd open vragen De hoofdvraag moet duidelijk en helder zijn. In de periode dat je aan het sectorwerkstuk werkt, moet je steeds de hoofdvraag in je gedachten houden. Uiteindelijk moet je ervoor zorgen dat je de hoofdvraag kunt beantwoorden. (Dan is je sectorwerkstuk geslaagd.) Voor het kunnen beantwoorden van de hoofdvraag, splits je het hoofdonderwerp van jouw sectorwerkstuk op in een aantal deelvragen. Minstens 4 Je kunt ze vinden door zoveel mogelijk vragen op te schrijven, die te maken hebben met het onderwerp. Je kiest de beste vragen als deelvragen voor het sectorwerkstuk. Over die deelvragen moet wel van alles te vinden zijn. Om je een indruk te geven zie je hieronder twee voorbeelden: Onderwerp: WO II Hoofdvraag: Hoe kon Hitler de macht grijpen? Deelvragen: 1. Wat is fascisme en Nationaal-socialisme? 2. Hitlers beloftes 3. Propaganda en intimidatie 4. Wat zijn de gevolgen voor de verschillende bevolkingsgroepen? Onderwerp: Milieu Hoofdvraag: Wordt in mijn omgeving voldoende zorg aan milieu besteed? Deelvragen: 1. Wat doe je thuis aan milieubescherming? 2. Welke milieubesparende maatregelen vind je in je omgeving? 3. Welke maatregelen neemt de overheid in het kader van milieubescherming? 4. Wie betaalt de kosten van milieubesparende maatregelen en op welke manier gebeurt dit?
Werkplan Je kunt bij het samenstellen van de hoofd en deelvragen de volgende zes typen onderscheiden: 1. je beschrijft een persoon, een bedrijf of een bepaalde situatie 2. je zoekt binnen een onderwerp overeenkomsten en verschillen 3. je probeert antwoord te geven op een vraag, bijvoorbeeld je geeft een verklaring voor het gratis internetten. 4. je probeert een situatie in de toekomst te voorspellen 5. je probeert een oplossing te vinden voor een bepaald probleem, bijvoorbeeld je zoekt mogelijkheden om het grote aantal arbeidsongeschikten in ons land terug te dringen. 6. je geeft een oordeel over een onderwerp; je zoekt bijvoorbeeld uit welke aanbieder van mobiele telefoons de beste is. Nadat je de hoofdvraag en de deelvragen hebt geformuleerd, ga je het plan van aanpak maken, werkplan. Dit plan maak je voordat je met het onderzoek gaat beginnen. Het is een plan, waarin je de grote lijnen beschrijft wat je wilt gaan doen en hoe je te werk wilt gaan. Je moet hierin ook vermelden hoe je het sectorwerkstuk gaat presenteren. Dit plan van aanpak vul je netjes in en spreek je door met je begeleider om te beoordelen of het tot zover goed is. De begeleider probeert in dit gesprek aan de hand van je plan van aanpak te achterhalen hoe je de voorbereiding op het sectorwerkstuk hebt uitgevoerd. Je begeleider zal bij de beoordeling bijvoorbeeld letten op de volgende zaken: Behoort het gekozen onderwerp tot de gekozen sector? Is de vraagstelling duidelijk? Is de hoofdvraag niet te eng of te breed? Is onderzoek naar de hoofdvraag haalbaar? Helpen de deelvragen antwoord te geven op de hoofdvraag? Is er een goede verdeling van de taken? Is de planning haalbaar? Is er goed nagedacht over de presentatie? Hoe gaan jullie presenteren?
Plan van aanpak Onderwerp: Sector: Hoofdvraag: Deelvragen: Planning Wanneer beginnen met informatie zoeken? Wanneer presentatie? Wanneer compleet onderzoek inleveren? Logboek Wanneer laat ik mijn logboek zien aan de begeleider? Documentatiemap Wat verzamel ik in mijn documentatiemap? Presentatie Hulpmiddelen: Keuze uit o.a. werkstuk, Power-point presentatie, demonstratie, toneelstuk, videopresentatie. Afspraken Contactmomenten (3x): Datum afspraak 1 Datum afspraak 2. Datum afspraak 3
Ga naar je mentor!!! Laat het plan van aanpak beoordelen. STOP GO De mentor kan eisen dat je het plan van aanpak aanpast en rekening houdt met de adviezen van je mentor. Beoordeling mentor: de mentor geeft aan of je nog zaken moet verbeteren (STOP) of dat je door mag gaan aan het sectorwerkstuk, omdat tot zover alles goed is (GO)! Het Plan van Aanpak moet je door de mentor laten aftekenen voor akkoord. Indien akkoord, mag je verder werken aan het sectorwerkstuk. Nadat het plan van aanpak is goedgekeurd door je mentor, ga je starten met de uitvoering van het onderzoek. Alles wat je doet tijdens het onderzoek, noteer je in een logboek. Bijvoorbeeld als je in de bibliotheek informatie hebt gezocht of bij elkaar bent gekomen om iets te bespreken. Noteer dus bij elke stap nauwkeurig alle gegevens. De stappen, die je uitvoert, geef je aan op een logboekkaart. Je ziet hieronder de logboekkaart, die je gaat gebruiken. Je kunt logboekkaarten halen op de teamkamer of bij je mentor. Je verzamelt de logboekkaarten in een documentatiemap op volgorde van datum.
Logboekkaart van NR Wat heb je gedaan? Wanneer? (Datum) Hoeveel tijd? Wie? Waar? Opmerkingen Aantekeningen/afspraken:
De invulling van de logboekkaarten moet je goed bijhouden, zodat je mentor snel kan zien, wat je al gedaan hebt. Je dient de documentatiemap met logboekkaarten dus steeds bij je te hebben tijdens de contactmomenten.. De mentor geeft bovendien een beoordeling voor het proces (de manier waarop er gewerkt is) tijdens het onderzoek. Dit doet hij aan de hand van het logboek. De start van het onderzoek Je gaat nu informatie verzamelen over je onderwerp. Je vermeldt waar je de informatie hebt gevonden (bron) en stopt alles bij elkaar in een documentatiemap. Bij het verzamelen van allerlei gegevens, sorteer je al direct de informatie op basis van de gemaakte deelvragen. Elke deelvraag vormt een apart hoofdstuk. Zoek in je informatie naar gegevens die bij de deelvragen passen. Noteer de informatie en de bron bij het blaadje met de bijbehorende deelvraag. Je moet voldoende informatie hebben om antwoord te kunnen geven op de deelvragen. Bovendien moet je informatie betrouwbaar zijn. Maak kopieën van illustraties die je wilt gebruiken. Wanneer je met het onderzoek start, zorg je er voor dat je steeds de documentatiemap meeneemt. De map vul je voor een deel met lege logboekkaarten. Op deze logboekkaarten noteer je alles wat je achtereenvolgens doet, wat te maken heeft met het onderzoek. Hoe verwerk je de informatie? Je kijkt eerst uit of de informatie in de documentatiemap juist geselecteerd is per deelvraag. Als alles goed is, weet je nu al het antwoord op de hoofdvraag. De deelvragen kunnen de aanleiding zijn voor de indeling in hoofdstukken. Bedenk welke titels je aan de hoofdstukken wilt geven. Is de volgorde van de hoofdstukken wel logisch? Hoeveel pagina s per hoofdstuk wil je hebben? Aan de hand van de informatie uit de map schrijf je nu een eerste versie van je werkstuk. Je doet dit per hoofdstuk. Sta niet te lang stil bij formuleringen. Het maken van mooie zinnen komt straks wel. Let eerst alleen op de opbouw. Is die helder (vlot leesbaar) en logisch. Maak je verslag op de computer. Neem A4 papier, laat de achterkanten leeg. Begin elk hoofdstuk op een nieuwe pagina. Je verhoogt de leesbaarheid door te werken met kopjes, die je vet afdrukt. Sla soms een regel over. Gebruik de spellingscontrole. Je kunt je werkstuk met enkele illustraties duidelijker en mooier maken, maar overdrijf niet. Vraag je af of de afbeelding zinvol is. Laat de afbeeldingen aansluiten bij de tekst. Zet bij elke afbeelding een passend bijschrift. Schrijf een afsluitend hoofdstuk waarin je het antwoord op de hoofdvraag(slotconclusie) vermeldt met enkele belangrijke argumenten.
Tot slot maak je een lijst met alle bronnen die je voor het werkstuk hebt gebruikt. Je noteert dus ook de internetsites die je bezocht hebt. Nummer alle bladzijden en maak als laatste de inhoudsopgave. Wanneer je dit allemaal gedaan hebt, bestaat je werkstuk uit zes onderdelen: 1. een voorblad 2. de inhoudsopgave 3. de inleiding 4. een aantal hoofdstukken 5. een afsluitend hoofdstuk (slotconclusie) 6. lijst met bronnen Lever het sectorwerkstuk en de documentatiemap met de logboekkaarten in bij je begeleider.
Eindbeoordeling sectorwerkstuk criteria De eindbeoordeling kan alleen plaats vinden wanneer aan de volgende 6 eisen is voldaan: 1. Het sectorwerkstuk bevat per groepslid minimaal 750 woorden en maximaal 1000 eigen woorden (over het gehele document) 2. De groep heeft een papieren versie en een digitale versie ingeleverd. 3. De groep heeft een werkbezoek afgelegd. 4. De groep heeft een onderwerp gekozen dat binnen één de volgende gebieden valt: Het beroepenveld van de gekozen sector. Aansluiting heeft bij de vervolgopleidingen 5. De groep presenteert het werkstuk aan de mentorgroep. Deze presentatie duurt tussen de 10 en 15 minuten. 6. De groep behaalt minstens 38 punten via het beoordelingsmodel. Alleen de teamleider mag beslissen om toch te beoordelen, als aan één van bovengenoemde eisen niet is voldaan.
Proces 1 De groep kan een planning opstellen en weet zich aan 0-1 -2 deze planning te houden 2 De groep weet op gepaste wijze om te gaan met zijn begeleiders en komt 0-1 -2 afspraken na. 3 De groep heeft minimaal 3 keer buiten alle verplichte bijeenkomsten om, 0-1 -2 zelf contact gezocht met zijn begeleiders 4 De groep heeft in voldoende en effectieve mate samengewerkt 0-1 -2 5 De groep laat zien dat hij gevonden tekst kan omzetten in een 0-1 -2 zelfgeschreven tekst 6 De groep verwerkt kwalitatief goede informatie over het onderwerp 0-1 -2 7 De groep heeft werkbezoek afgelegd en er een interview afgenomen over 0-1 -2 het onderwerp van het sectorwerkstuk 8 De groep maakt tijdens interview gebruik van open en gesloten vragen 0-1 -2 Werkstuk 1 Het werkstuk bevat lettertype Verdana 12 en maakt een goede pagina 0-1 -2 indeling 2 Het werkstuk bevat een titelpagina, inhoudsopgave, inleiding, conclusie 0-1 -2 over proces en inhoud en bronvermeldingen. 3 Het werkstuk bevat een goede inleiding en conclusie 0-1 -2 4 Het werkstuk bevat één duidelijke hoofdvraag en minimaal vier deelvragen 0-1 -2 opgesteld 5 Het werkstuk beantwoordt de deelvragen in voldoende mate 0-1 -2 6 Het interview voegt goede informatie toe aan het werkstuk. 0-1 -2 7 Het werkstuk bevat een actueel nieuwsitem met een verwerking waarbij 0-1 -2 een verband word gelegd tussen het item en het gekozen onderwerp. 8 Het schriftelijk werkstuk ziet er verzorgd uit en is voorzien van illustraties die de inhoud de tekst versterken. 0-1 -2 Presentatie 1 De groep geeft vóór de presentatie een hand-out aan de begeleiders 0-1 -2 2 De groep begint de presentatie met vermelding van: 0-2 naam, klas, sector en de hoofdvraag 3 De groep laat zien dat zij een aantrekkelijke presentatie kan maken 0-1 -2 4 De leerlingen laten zien dat zij het onderwerp goed kennen en kunnen de 0-1 -2 presentatie houden met behulp van maximaal 2 steekwoorden per dia 5 De leerlingen weten de inhoud goed duidelijk te maken aan de 0-1 -2 toeschouwers 6 De leerlingen spreken duidelijk en hebben correct taalgebruik 0-1 -2 7 De leerlingen maken oogcontact met de toeschouwers 0-1 -2 8 De leerlingen hebben een goede lichaamshouding 0-1 -2 9 De leerlingen sluiten de presentatie af met het geven van een dankwoord en een gelegenheid tot vragen stellen en beantwoorden. 0-1 -2 Totaalscore:
Maximaal 50 punten De eindbeoordeling is voldoende als de leerling minimaal 38 punten scoort bij de criteria. De eindbeoordeling is goed als de leerling minimaal 42 punten scoort bij de criteria. Eindbeoordeling: Onvoldoende (minder dan 38) Voldoende (38-41) Goed (42-48) Handtekening begeleider: Opmerkingen: