OPERATIONALISERING CRITERIA M-DECREET TYPE 2

Vergelijkbare documenten
OPERATIONALISERING CRITERIA M-DECREET TYPE 2 Versie 2

OVERZICHT INSTRUMENTEN ADAPTIEF GEDRAG Bea Maes, Ilse Noens en Jarymke Maljaars, KU Leuven, Onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek Mei 2017

VERSLAG M-DECREET DEEL I : ATTEST IDENTIFICATIEGEGEVENS LEERLING OUDERS CLB. Klik hier als u tekst wilt invoeren. Voor- en achternaam

W. Magez A. Bos M. Tierens. CoVaT CHC Basisversie als cognitieve ontwikkelingsschaal

Traject School CLB in kader van opmaak verslaggeving M decreet

ALGEMENE PRINCIPES VAN HET NIEUWE ONDERSTEUNINGSMODEL IN BASIS- EN SECUNDAIR ONDERWIJS

Samen maken we BUITENGEWOON onderwijs!

Prodiaen het protocol Wiskundeproblemen en dyscalculie

VERSLAG M-DECREET DEEL I : ATTEST IDENTIFICATIEGEGEVENS LEERLING OUDERS. Voor- en achternaam Klik hier als u tekst wilt invoeren. invoeren.

schoolinterne zorg Katia De Coussemaker

Bijlage 10: CHC-model en intelligentie 1

Toelichting bij de. Classificerende Diagnostische Protocollen

Handreiking Expertisecentrum Verstandelijke Beperking

GEMOTIVEERD VERSLAG M-DECREET

VLAAMSE THUISBEGELEIDINGSDIENSTEN AUTISME. Floor Tempelaere Pedagogisch begeleider in het project rond competentieontwikkeling Regio West-Vlaanderen

Dag van intelligentie. Lindsay Vanhecke Intelligentiemeting met WISC-V-NL en RAKIT-2

VCLB De Wissel Antwerpen Vrij Centrum voor Leerlingenbegeleiding TOELICHTING ONDERZOEKSVERSLAG DYSLEXIE BIJ DE OVERSTAP NAAR HET SECUNDAIR ONDERWIJS

Type basisaanbod: evaluatie terugkeer BuBaO en BuSO

GEMOTIVEERD VERSLAG M-DECREET

Draaiboek bij Prodia-protocol : gedrag, emotie en vermoeden van een ontwikkelingsstoornis FASE 2 : uitbreiding van zorg. ONTHAAL

M. Tierens. W. Magez. K. Van Parijs. Normen: Jongens versus Meisjes?

10 VeROudeRINg VAN de TeSTNORMeN 10.1 AANWIJzINgeN VOOR een MINdeR STeRk flynn-effect

elk kind een plaats... 1

Het ondersteuningsmodel

het Algemeen Diagnostisch Protocol Prodia verbouwt en vernieuwt: Lies Verlinde, namens het Prodia-team

VERSLAG CHC- INTELLIGENTIEONDERZOEK 6 16 jaar

Niet-talig onderzoek van cognitieve vaardigheden

Handelingsgericht diagnosticeren 1

Wat doen wij al zo? Graag voorbeelden!

Het traject start zoals een normaal traject met onthaal, vraagverheldering,

Resultaten vragenlijst. Input vanuit de praktijk

W. Magez K. Van Parijs. Validiteit. BCV-IQ/GCV en studie-opties in het tweede jaar secundair onderwijs

Dag van intelligentie. Selma Ruiter De Waarde van het IQ

Handelingsgericht diagnosticeren 1

ONTWIKKELINGSSCHALEN VOOR HET KERNPROCES VRAAGGESTUURDE LEERLINGENBEGELEIDING OP DE VIER BEGELEIDINGSDOMEINEN

Intelligentie-onderzoek volgens het CHC-model. IB/directiedagen SWV Rijnstreek 21 en 23 november 2017 Judith de Vries

Onderzoek Praktijktest in het kader van Leerzorg

VVKSO CODIS/DOC/12/ Kansen en. Brussel, BESLUIT: ./.

V. Decaluwé. M. Tierens. W. Magez. Onderzoeksrapport. Test-hertestbetrouwbaarheid

Stappenplan (Stroomschema Zorg), van vraag naar antwoord!

Rol van het CLB en samenwerking met schoolexterne hulpverleners in het M-decreet

PROGRAMMA. 1. Cognitief profiel 2. Adaptief functioneren 3. Handelingsgericht Arrangeren

VERSLAG M-DECREET. Klik hier als u tekst wilt invoeren. Klik hier als u tekst wilt invoeren.

Tips vanuit het secretariaat lwoo/pro:

SRS-2. Screeningslijst voor autismespectrumstoornissen. HTS Report. Julia de Vries ID Datum

VCLB De Wissel Antwerpen Vrij Centrum voor Leerlingenbegeleiding

COZOCO 19 maart M-decreet. Goedgekeurd door het Vlaams Parlement op 12 maart 2014

IDS-2. Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren. HTS Report. Jeroen De Vries ID Datum

Methodologie van het gemiddelde BCV versus IQ

PROTOCOL Ernstige Rekenwiskundeproblemen

VERSLAG CHC- INTELLIGENTIEONDERZOEK 4 8 jaar

SRS-A. Screeningslijst voor autismespectrumstoornissen bij volwassenen. HTS Report. Jeroen de Vries ID Datum

Methodologie van het gemiddelde BCV versus IQ

Welkom op campus Kasterlinden

Bruininks-Oseretsky Test of Motor Proficiency, second edition. Kathy Blanchaert COS Gent Potloot Gentbrugge- Lochristi Dinamo Lochristi BOT-2

Developmental Test of Visual Perception (DTVP-2) 2 th Edition

IDS-2. Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren. HTS Report. Jeroen De Vries ID Datum

De HGW-bril toegepast in de cel leerlingenbegeleiding

CLASSIFICERENDE DIAGNOSTISCHE PROTOCOLLEN

3 Uitbreiding van zorg fase 2

Verstandelijk beperkte pa0ënten

Vastlopen op de ondergrens van intelligentietests is verleden tijd

EEN NETOVERSTIJGENDE VISIE OP TRAJECTEN DIE LEIDEN TOT EEN GEMOTIVEERD VERSLAG OF VERSLAG

Visietekst en stappenplan M decreet VCLB De Wissel-Antwerpen

Het WISC-V project in Vlaanderen ( ) Testpracticum PPW

AANVRAAG TOELAATBAARHEIDSVERKLARING CLUSTER 3 1. ZEER MOEILIJK LEREN 2. LANGDURIGE ZIEKTE 3. LICHAMELIJKE HANDICAP 4. MEERVOUDIG HANDICAP

Kansrijk Onderwijs Workshop Ondersteuningsnetwerken 29 mei 2018 Lode De Geyter en Dirk Uten

Verantwoording door het CLB. Inhoud II - 1

M-decreet. Joke Pauwels Hoofdadviseur BuO

PVOC ANTWERPEN. Provinciale Vormings- en Ondersteuningscel VCLB Antwerpen WERKBROCHURE

Verstandelijk beperking in de praktijk

Leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) Praktijkonderwijs (PrO) Wat zijn de criteria voor Praktijkonderwijs en Leerwegondersteunend onderwijs?

4/5/2012. Continuüm in zorg

A. Bos. W. Magez. Onderzoek naar de intelligentie bij kinderen met dyspraxie

IDS-2. Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren. HTS Report. Jeroen De Vries ID Datum Executieve functies

Cognitieve vaardigheidstest (Covaar) voor anderstalige nieuwkomers e.a. Handleiding

21/09/2018 CULTUUR EN PSYCHODIAGNOSTIEK WIE INHOUD. Caroline Dejonghe

Guy Bosmans, Patricia Bijttebier, Ilse Noens & Laurence Claes

Samenvatting. Samenvatting

Transcriptie:

OPERATIONALISERING CRITERIA M-DECREET TYPE 2 Betrokkenen: Filip Bally (OVSG), Elif Beyazi (OVSG), Tine Gheysen (VCLB), Prof. Bea Maes (KUL), Stefanie Pieters (GO!), Lies Verlinde (VCLB), Walter Magez (CAP vzw) De richtlijnen inzake operationalisatie criteria type 2 zijn te situeren binnen een handelingsgericht diagnostisch traject dat Centra voor Leerlingenbegeleiding samen met een leerling, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken, het schoolteam en eventuele andere betrokkenen lopen. Het bepalen of een leerling al dan niet tot de doelgroep van type 2 behoort is bijgevolg niet het startpunt om te bepalen of er al dan niet sprake kan zijn van een verslag, maar valt eerder te situeren naar het einde toe van een heel traject dat met alle betrokkenen werd gelopen. Eerst moet een duidelijk beeld geschetst worden van de onderwijsbehoeften van de leerling en als daaruit duidelijk blijkt dat er nood is aan ondersteuning vanuit ION of buitengewoon onderwijs zullen de criteria zoals ze bepaald zijn voor type 2 meegenomen worden in de afweging om al dan niet tot een verslag te komen. Deze nota is bedoeld voor CLB-teams om bijkomende handvatten aan te leveren in functie van de afwegingen waar de criteria voor type 2 een rol spelen. De uiteindelijke afweging ligt bij het CLB-team in kwestie en zal afhankelijk zijn van casus tot casus, maar met deze nota willen we toch streven naar meer gelijkgerichtheid tussen centra door een aantal elementen uit het M-decreet verder te operationaliseren. Deze nota werd opgemaakt in overleg met prof Bea Maes omdat we deze operationalisatie zo goed mogelijk willen aansluiten bij recente wetenschappelijke evoluties. Deze nota werd ook voorgelegd aan en afgetoetst bij de overheid. De overheid onderschrijft de algemene richtlijnen, maar doet geen uitspraak over de meer technische aspecten van deze nota. Daarvoor zijn we als sector zelf bevoegd. De uiteindelijke keuzes inzake cut-off zijn het resultaat van netoverstijgend CLB-overleg. De keuzes zijn zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, maar zijn voor een deel ook pragmatische keuzes. We willen er heel uitdrukkelijk op wijzen dat het al dan niet voldoen aan criteria type 2 niet samenvalt met een bepaalde ernst (licht, matig, ernstig, diep) van verstandelijke beperking. Om tot een correcte classificatie te komen, verwijzen we naar het Specifiek Diagnostisch Protocol (SDP) bij vermoeden van zwakbegaafdheid en verstandelijke beperking van Prodia en naar het Classificerend Diagnostisch Protocol (CDP) van het VAPH 1. 1 CDP verstandelijke beperking van VAPH wordt momenteel herwerkt Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 1

Op het einde van het handelingsgericht diagnostisch traject dat wordt gelopen zijn twee stappen te onderscheiden. Een eerste stap betreft het beoordelen van de nood aan een verslag, in een tweede stap kan dan met ouders bekeken worden in welke mate zij met dit verslag een overstap wensen te maken naar buitengewoon onderwijs, dan wel kiezen voor verder schoollopen in het gewoon onderwijs met ondersteuning. Voor lager en secundair onderwijs is deze ondersteuning de vroegere ION-ondersteuning. ALGEMENE RICHTLIJNEN We vragen extra aandacht voor degelijke differentiaaldiagnostiek. In een aantal situaties zijn zwakke scores op intelligentietesten of schalen adaptief gedrag immers niet te verklaren door een verstandelijke beperking, maar zijn deze resultaten beïnvloed door andere factoren. Als dit laatste het geval is, dan dient voorzichtig omgegaan te worden met de bekomen IQ-score, en dient men voorzichtig te zijn met het toekennen van een classificatie verstandelijke beperking. Indien het globaal IQ minder betrouwbaar is omwille van andere factoren (anderstaligheid, motorische of sensorische beperkingen, taalstoornis, ) dan is het bekijken van de IQ-, factor- en/of indexscores die niet of minder negatief beïnvloed worden door voornoemde factor(en) zeer belangrijk. Deze deelscores kunnen mee bepalen in welke mate de hypothese verstandelijke beperking verder wordt meegenomen in het HGD-traject. Deze nota behandelt verder de operationalisatie van de criteria type 2 zowel op vlak van intelligentie als op vlak van adaptief gedrag. Het is belangrijk dat er een proces van brede handelingsgerichte diagnostiek gebeurt met oog op een degelijke analyse van onderwijs- en opvoedingsbehoeften. Categoriale classificatie kan hier deel van uitmaken. We verwijzen hiervoor naar de diagnostische protocollen van Prodia (www.prodiagnostiek.be). De afweging Komt deze leerling mogelijks in aanmerking voor type 2? is nodig in drie situaties: o De onderwijs- en opvoedingsbehoeften van een leerling, vastgesteld binnen een HGD-traject zijn van die aard dat overwogen wordt om een verslag op te maken dat recht geeft op type 2 onderwijs. Deze tekst geeft handvatten aan het CLB-team om te beoordelen of de leerling hiervoor in aanmerking komt. o De onderwijs- en opvoedingsbehoeften van een leerling, vastgesteld binnen een HGD-traject zijn van die aard dat overwogen wordt om een (gemotiveerd) verslag op te maken dat recht geeft op type 3, type 7 taal-spraak of type 9, maar er is een vermoeden dat de leerling ook aan de criteria voor type 2 voldoet. M-decreet stelt dat leerlingen die voldoen aan de criteria voor type 2 geen (gemotiveerd) verslag type 3, type 7 taal-spraak of type 9 mogen krijgen. Deze tekst biedt handvatten om deze afweging te maken. Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 2

o De onderwijs- en opvoedingsbehoeften van een leerling, vastgesteld binnen een HGD-traject zijn van die aard dat overwogen wordt om een gemotiveerd verslag of een verslag op te maken dat recht geeft op ondersteuning vanuit geïntegreerd onderwijs type 4, type 6 of type 7, maar er is een vermoeden dat de leerling ook aan de criteria voor type 2 voldoet. Voor deze leerlingen sluit het M-decreet niets uit (beide types kunnen in principe worden toegekend), maar voor leerlingen die aan beide criteria voldoen en die binnen gewoon onderwijs ondersteuning willen vragen vanuit geïntegreerd onderwijs (op basis van gemotiveerd verslag of op basis van verslag), bepaalt het BVR rond verslaggeving dat er geen eenheden worden voorzien voor leerlingen met een (gemotiveerd) verslag type 4, 6 of 7 als ze bijkomend ook aan de criteria van type 2 voldoen. Leerlingen uit deze groep die kiezen voor gewoon onderwijs, krijgen best een verslag type 2. Ze komen dan in aanmerking voor ION-ondersteuning op niveau lager en secundair onderwijs. Voor leerlingen die kiezen voor buitengewoon onderwijs, zijn de onderwijsbehoeften doorslaggevend om te bepalen welk type het meest aangewezen onderwijsaanbod kan bieden. We werken zoveel mogelijk met Vlaamse normgroepen, tenzij bij vragen van leerlingen uit Nederland, dan beoordeelt het CLB-team welke normgroep best aansluit bij de context van de leerling. Voor anderstalige en kansarme leerlingen houden we rekening met de principes van faire diagnostiek. CRITERIUM INTELLIGENTIE Formulering M-decreet: significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest kleiner of gelijk aan 60, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval 1. AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN JONGE KINDEREN Procesdiagnostiek bij de diagnosestelling van een verstandelijke beperking is altijd aangewezen, maar bij jongere kinderen willen we daar extra aandacht voor vragen. Op jonge leeftijd kunnen scores op ontwikkelingsschalen/intelligentietesten immers fluctueren. Daarom is hertesting en follow-up bij jongere kinderen frequenter aangewezen dan bij oudere leerlingen bij wie de verstandelijke beperking al duidelijk werd vastgesteld. Gezien de dringendheid inzake het verspreiden van deze nota, werkten we voorlopig de operationalisatie voor ontwikkelingsschalen niet verder uit. Van zodra we deze hebben, wordt deze nota aangevuld. Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 3

2. AANBEVELINGEN OP VLAK VAN INSTRUMENTARIUM Bij het beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor een verslag type 2, pleiten we voor het gebruik van een algemene intelligentietest 2. Indien men enkel beschikt over een IQ-cijfer op basis van een specifieke intelligentietest is het belangrijk om zoveel mogelijk aanvullende informatie te verzamelen over de brede cognitieve vaardigheden die niet aan de hand van de gehanteerde specifieke intelligentietest in beeld konden worden gebracht. Het gaat hier immers om een vrij belangrijke beslissing die niet kwaliteitsvol kan gemaakt worden zonder gebruik van een algemene intelligentietest. We opteren voor een betrouwbaarheidsinterval van.95 (voor testen die geen betrouwbaarheidsinterval. 95 hebben, nemen we het hoogst beschikbare BI). We raden aan om zoveel mogelijk met Vlaamse normen te werken waar die voorhanden zijn (tenzij het uiteraard gaat om leerlingen uit Nederland waarbij beter de Nederlandse normen gehanteerd worden). In het M-decreet is IQ 60 opgenomen als grenswaarde rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval. Dit betekent concreet: Vertrek van de behaalde IQ-score op een algemene intelligentietest Bepaal het.95 betrouwbaarheidsinterval dat bij deze IQ score hoort. Ga na waar het betrouwbaarheidsinterval zich situeert ten opzichte van de grens van 60. o Indien het betrouwbaarheidsinterval 60 bevat of volledig onder de 60 ligt, behoort de leerling mogelijks tot de doelgroep van type 2. o Afhankelijk van de onderwijsbehoeften en de resultaten op het instrumentarium rond adaptief gedrag oordeelt het CLB-team of de leerling in aanmerking komt voor een verslag. CRITERIUM SOCIAAL AANPASSINGSGEDRAG (ADAPTIEF GEDRAG) 3 Formulering M-decreet: significante beperkingen in het sociale aanpassingsgedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor sociaal aanpassingsgedrag, die minstens drie standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval Werken met standaarddeviaties vraagt een normering van het instrument op een algemene populatie en er zijn geen Vlaamse instrumenten voor adaptief gedrag die daaraan voldoen. Voor de PEDI-NL kunnen we werken op basis van de standaarddeviaties, voor de SRZ-i en Vineland-Z kiezen we voor een herformulering via de standaardscore voor een meer specifieke populatie (als cut-off) en een pragmatisch BI van +/- 1 SS. We raden af om te werken met leeftijdsequivalenten. 2 Voor meer informatie omtrent de opdeling tussen algemene, beperkte algemene en specifieke intelligentietesten zie CAP- Basisvademecum 2012 p 1.21 3 We vermelden hier zowel de term Sociaal aanpassingsgedrag als adaptief gedrag. In het M-decreet is sprake van sociaal aanpassingsgedrag. Naar de toekomst toe is de term adaptief gedrag wenselijker om te hanteren. Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 4

1. AANBEVELINGEN OP VLAK VAN INSTRUMENTARIUM Tot de leeftijd van 4 à 5 jaar gaat de voorkeur uit naar de Pedi-NL. Voor leerlingen met meervoudige problematieken raden we aan om de PEDI-NL te gebruiken tot 7j6m. Vanaf 4 à 5 jaar gaat de voorkeur uit naar de Vineland-Z of SRZ-i. Het invullen van de lijsten gebeurt bij voorkeur in een interview met ouders omdat men het instrument dan betrouwbaarder kan scoren en men dan ook nog kwalitatieve info kan verzamelen (bv. verschil tussen wat een kind/jongere effectief doet en wat de ouders inschatten dat hij/zij kan, bv. welk aanbod geven ouders, bv. context, bv. culturele invloeden enz). Voor SRZ-i en Vineland-Z baseren we ons op de tabel van Kraijer en Plas (Kraijer, D. & Plas, J. (2014) Handboek psychodiagnostiek en beperkte begaafdheid. Pearson p. 63). Een standaardscore 6, berekend op de normgroep van de totale populatie van personen met een verstandelijke beperking, vormt de grens tussen een lichte en matige verstandelijke beperking. Rekening houden met het betrouwbaarheidsinterval werd ingevuld als ± 1 standaardscore. Voor standaardscore 6 is het betrouwbaarheidsinterval 5-7. Het gebruik van de SRZ-i en Vineland-Z wordt uitgewerkt in Bijlage 3. Afhankelijk van de onderwijsbehoeften en de resultaten van het IQ-onderzoek, oordeelt het CLB of de leerling in aanmerking komt voor een verslag en voor welk type. PEDI-NL is wel genormeerd op een normale populatie, alleen zijn er wat bedenkingen bij het gebruik van dit instrument om adaptief gedrag te beoordelen, omdat de schaal conceptueel opgemaakt is vanuit een ander perspectief. Voor kinderen vanaf 5 jaar wordt daarom bij voorkeur een ander instrument gebruikt. De PEDI-NL geeft in de handleiding ook geen totaalscore weer. Minstens 3 standaarddeviaties onder het gemiddelde betekent hier een normatieve standaardscore T 20 (m = 50, SD = 10) op de schalen rond functionele vaardigheden zelfverzorging én sociaal functioneren. We nemen de schaal ambulantie niet mee in de afweging omdat dit een schaal is die vooral op de motorische ontwikkeling gericht is. De schalen rond verzorgersassistentie worden niet meegenomen in de afweging inzake criteria type 2, maar kunnen wel relevante informatie bieden om de ondersteuningsbehoeften van leerlingen concreter te gaan omschrijven. Op basis van de meetfout zoals weergegeven in de handleiding komt het 95%-betrouwbaarheidsinterval over de hele schaal neer op ± 2 T-punten. Voor T-score 20 is het betrouwbaarheidsinterval dus 18-22. In bijlage 4 wordt voor de subschalen zelfverzorging en sociaal functioneren toegelicht hoe op basis van de ruwe scores kan nagegaan worden of er al dan niet voldaan is aan het criterium adaptief gedrag. Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 5

AFWEGING OP BASIS VAN CRITERIA INTELLIGENTIE EN SOCIAAL AANPASSINGSGEDRAG WE ONDERSCHEIDEN 3 GROEPEN 1. BEHOORT DUIDELIJK TOT DOELGROEP TYPE 2 ZOALS BEPAALD IN M Leerlingen die duidelijk tot de doelgroep van type 2 behoren (zoals omschreven in het M-decreet) zijn leerlingen waarbij de betrouwbaarheidsintervallen van de scores behaald op een algemene intelligentietest en op een schaal voor adaptief gedrag volledig onder de grens liggen die bepaald is voor de verschillende schalen (60 voor TIQ ; 6 voor SRZ-i en Vineland-Z ; 20 voor PEDI-NL) Concreet betekent dit voor de Wechslerschalen en CHC-IQ: TIQ < 49. Voor andere intelligentietesten varieert het betrouwbaarheidsinterval mogelijks naargelang leeftijd, in deze gevallen dient de handleiding geraadpleegd te worden om bovenstaand principe toe te passen. We verwijzen naar Bijlage 3 voor de concrete grenzen op de SRZ-i en de Vineland-Z en naar Bijlage 4 voor de PEDI-NL. Als een leerling tot deze groep behoort en bijkomend ook een gedrags- of emotionele stoornis, een taalspraakstoornis of een autismespectrumstoornis heeft, dan kan voor deze leerling (gezien het exclusiecriterium in het M-decreet voor de types 3, 7 taal en spraak en 9) enkel een verslag type 2 worden opgemaakt indien de onderwijsbehoeften van die aard zijn dat een verslag nodig is. 2. BEHOORT DUIDELIJK NIET TOT DOELGROEP TYPE 2 ZOALS BEPAALD IN M Leerlingen die duidelijk NIET tot de doelgroep van type 2 behoren, zijn leerlingen waarbij de betrouwbaarheidsintervallen van de scores behaald op een algemene intelligentietest of de betrouwbaarheidsintervallen van een schaal voor adaptief gedrag volledig boven de grens liggen die bepaald is voor de verschillende schalen (60 voor TIQ ; 6 voor SRZ-i en Vineland-Z ; 20 voor PEDI-NL). Concreet betekent dit voor de Wechslerschalen en CHC-IQ: TIQ > 65. Voor andere intelligentietesten varieert het betrouwbaarheidsinterval mogelijks naargelang leeftijd, in deze gevallen dient de handleiding geraadpleegd te worden om bovenstaand principe toe te passen. We verwijzen naar Bijlage 3 voor de concrete grenzen op de SRZ-i en de Vineland-Z en naar Bijlage 4 voor de PEDI-NL. Indien bij deze leerlingen bijkomend sprake is van een gedrags- of emotionele stoornis, een taal-spraakstoornis of een autismespectrumstoornis, komen ze mogelijks in aanmerking voor een gemotiveerd verslag of verslag type 3, type 7-taal-spraak of type 9. Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 6

Noot: we verwachten dat een deel van de leerlingen die vroeger in aanmerking kwamen voor type 2 met de nieuwe criteria uit het M-decreet in deze groep zullen vallen. We pleiten voor een monitoring van de groep kinderen die in onze ogen nood heeft aan type 2, maar er niet meer voor in aanmerking komt. Voor deze groep leerlingen kunnen we echter geen oplossing bieden via operationalisatie van de nieuwe criteria. Als we duidelijk problemen merken, moet dit aan het beleid gesignaleerd worden. 3. GRIJZE ZONE Leerlingen die mogelijks tot de doelgroep van type 2 behoren, zijn leerlingen waarbij de grenzen die bepaald zijn (60 voor TIQ ; 6 voor SRZ-i en Vineland-Z ; 20 voor PEDI-NL) voor minstens één van de schalen binnen het betrouwbaarheidsinterval van de behaalde score(s) valt. Het CLB-team maakt voor deze leerlingen op basis van alle beschikbare elementen de uiteindelijke afweging of een verslag type 2 te verantwoorden is. Concreet voor de Wechslerschalen en CHC-IQ gaat het om het bereik 49 TIQ 65. Voor andere intelligentietesten varieert het betrouwbaarheidsinterval mogelijks naargelang leeftijd, in deze gevallen dient de handleiding geraadpleegd te worden om bovenstaand principe toe te passen. We verwijzen naar Bijlage 3 voor de SRZ-i en de Vineland-Z en naar Bijlage 4 voor de PEDI-NL. Indien bij deze leerlingen bijkomend sprake is van een gedrags- of emotionele stoornis, een taal-spraakstoornis of een autismespectrumstoornis, maakt het CLB-team op basis van de onderwijs-, opvoedings- en ondersteuningsbehoeften de afweging in welke mate de opmaak van een gemotiveerd verslag of verslag te verantwoorden is en welk type dan voor de leerling in kwestie meest aangewezen is. Opgemaakt door ISC 25.03.2015 versie met errata en verduidelijkingen op 12.05.2015 Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 7

Bijlage 1 Synthese van de kwalificatie van individuele IQ-tests in Vlaanderen door de Commissie Psychodiagnostiek van de BFP (Voorzitter: Mark Schittekatte) Versie 5.0, dd. februari 2015 (a) Algemeen (s) Specifiek A+ Uitstekend - - A Goed KAIT, RAKIT-II, WISC-III, WAIS-IV, WPPSI-III (+4j) WPPSI-III (<4j), K-SNAP B Voldoende - SON-R (6-40), WNV C Voorlopig GOS 2½-4½ aanvaardbaar in uitzonderlijke gevallen, al is de kwaliteit niet voldoende of (nog) niet bekend of verouderd D Onvoldoende BgT, GIT-2, IST, LDT, LEM, MOS, RAKIT, Stutsman, Terman-Merrill, WAIS, WAIS-R, WAIS-III, WISC-R, WPPSI-R BSID-II, MSEL, Raven SPM, SON-R (2.06-7.11), SON-R (5.06-17) DOS, Goodenough, Leiter, Menstekening Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 8

Bijlage 2 Overzicht instrumentarium adaptief gedrag in Prodia protocol vermoeden van zwakbegaafheid/verstandelijke beperking Schalen voor sociaal aanpassingsgedrag PEDI-NL: totale populatie tot 7;6 Schalen voor sociaal aanpassingsgedrag bij zwakbegaafdheid en verstandelijke beperking SRZ: Sociale Redzaamheidsschaal-Z SRZ- i: interviewversie SRZ-P( SRZ-plus) Vineland-Z Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 9

BIJLAGE 3: : Aanbevelingen voor SRZ-i i en Vineland-Z bij aftoetsen tsen criterium sociaal aanpassingsgedrag Criterium sociaal aanpassingsgedrag, als onderdeel van criteria type 2: significante beperkingen in het sociale aanpassingsgedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor sociaal aanpassingsgedrag, die minstens drie standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval Bepalen van grenswaarde SRZ-i en Vineland-Z zijn niet genormeerd op een normale populatie maar op een populatie van kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking. Bijgevolg kan de grenswaarde niet bepaald worden aan de hand van het gemiddelde en de standaarddeviatie van de instrumenten zelf. Op basis van de handleidingen van de instrumenten en de tabel uit Handboek psychodiagnostiek en beperkte begaafdheid (Kraijer & Plas, 2014) werd de grenswaarde gelegd op standaardscore 6 van de normgroep (totale) populatie met een verstandelijke beperking. Ingeschat wordt dat dit overeenkomt met de grens tussen een lichte en een matige verstandelijke beperking. Rekening houden met het betrouwbaarheidsinterval Het bepalen van de betrouwbaarheidsintervallen van zowel de Vineland-Z als de SRZ-i gebeurt via de ruwe scores. De range van ruwe scores die met standaardscore 6 overeenkomen is vrij breed, waardoor het niet haalbaar bleek om op basis daarvan eenduidige en bruikbare richtlijnen vast te leggen zonder het interval ofwel heel breed ofwel heel eng vast te leggen. Van daaruit werd gekozen om een betrouwbaarheidsinterval vast te leggen op 1 standaardscore (Stc). Voor standaardscore 6 is het betrouwbaarheidsinterval dan 5 7. Na het scoren van het instrument aan de hand van de handleiding, zijn er 3 mogelijkheden: Standaardscore op SRZ-i i of Vineland-Z (voor populatie met verstandelijke beperking) Stc 4 5 Stc 7 Stc 8 Besluit score valt onder de grenswaarde voldaan aan criterium type 2 score valt in het betrouwbaarheidsinterval grijze zone score valt boven de grenswaarde niet voldaan aan criterium type 2 Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 10

BIJLAGE 4: : Aanbevelingen voor PEDI-Nl bij aftoetsen criterium sociaal aanpassingsgedrag Criterium sociaal aanpassingsgedrag, als onderdeel van criteria type 2: significante beperkingen in het sociale aanpassingsgedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor sociaal aanpassingsgedrag, die minstens drie standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval De volgende subschalen werden geselecteerd om het niveau van het sociaal aanpassingsgedrag in kaart te brengen: - Functionele vaardigheid zelfverzorging (ZV) - Functionele vaardigheid sociaal functioneren (SF) Intercorrelatie ZV - SF 0 2 j.87 2 j 5 j.79 5 j 7j5m.53 De subschaal functionele vaardigheid ambulantie wordt niet meegenomen in de afweging criteria type 2 omdat deze subschaal vooral op de motorische ontwikkeling gericht is. De subschalen verzorgersassistentie worden ook niet meegenomen. Dit neemt niet weg dat de afname van al deze schalen wel relevante informatie kan opleveren over de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van leerlingen. Grenswaarde op basis van gemiddelde g en standaarddeviatie PEDI-NL is genormeerd op een normale populatie. In de handleiding worden de ruwe scores op de verschillende subschalen omgezet in genormaliseerde standaardscores in T-waarden met - gemiddelde van 50 - standaarddeviatie 10 De grens van -3SD komt overeen met een T-score van 20. Equivalentietabel SD -4SD -3SD -2SD -1SD +1SD +2SD +3SD +4SD T 10 20 30 40 50 60 70 80 90 Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 11

Rekening houden met het betrouwbaarheidsinterval Het 95%-betrouwbaarheidsinterval over de hele schaal is 2 T-punten (zie handleiding: standaardmeetfout x 1,96). Voor T = 20 is het betrouwbaarheidsinterval 18-22. Op basis daarvan zijn er 3 mogelijkheden: - T 17 score valt onder de grenswaarde = voldaan aan criterium type 2-18 T 22 score valt in het betrouwbaarheidsinterval = grijze zone - T 23 score valt boven de grenswaarde = niet voldaan aan criterium type 2 Interpretatie van scores van de twee subschalen Om te bepalen of er al dan niet voldaan is aan het criterium voor type 2 (binnen het M- decreet) worden de scores van de subschalen zelfverzorging (ZV) en sociaal functioneren (SF) gecombineerd. Gezien de inhoud van de twee schalen, werd de keuze gemaakt om bij de beoordeling in onderstaande tabel de score op de subschaal sociaal functioneren zwaarder te laten doorwegen. Sociaal functioneren Zelfverzorging Besluit T 17 T 17 Voldaan aan criterium T 17 18 T 22 Voldaan aan criterium T 17 18 T 22 T 17 Grijze zone 18 T 22 18 T 22 Grijze zone T 23 T 17 T 23 Grijze zone (sterke discrepantie, nader onderzoek zinvol) Grijze zone (sterke discrepantie, nader onderzoek zinvol) 18 T 22 T 23 Niet voldaan aan criterium T 23 18 T 22 Niet voldaan aan criterium T 23 T 23 Niet voldaan aan criterium Omzetting van betrouwbaarheidsinterval van standaardscore 20 naar ruwe scores per leeftijd Voor de verschillende leeftijden werd nagegaan welke ruwe subschaalscores overeenkomen met het 95%-betrouwbaarheidsinterval van T 20, met name 18 T 22. Deze tabel werd opgesteld aan de hand van de handleiding, Bijlage 3 Normscores functionele vaardighedenschaal. Er werd steeds de meest aansluitende score genomen bij respectievelijk T 18 en T 22. Bijvoorbeeld bij T 17,6 en volgende T 18,6, werd voor T 18 de ruwe score genomen die zich het dichtst situeert, nl. de ruwe score vermeld bij T 17,6. In enkele gevallen was het wenselijk aanvullend te smoothen zodat een hoger leeftijdsjaar nooit een lagere ruwe score heeft dan het vorige leeftijdsjaar. Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 12

Ruwe Scores (RS) voor 18 T 22 (95% betrouwbaarheidsinterval van grenswaarde T 20) Zelfverzorging Sociaal functioneren Leeftijd T 17 18 T 22 T 23 T 17 18 T 22 T 23 2j 2j5m RS 12 13 RS 15 RS 16 RS 14 15 RS 18 RS 19 2j5m 3j RS 16 17 RS 20 RS 21 RS 19 20 RS 23 RS 24 3j 3j5m RS 22 23 RS 27 RS 28 RS 26 27 RS 30 RS 31 3j5m 4j RS 27 28 RS 32 RS 33 RS 29 30 RS 33 RS 34 4j 4j5m RS 40 41 RS 44 RS 45 RS 35 36 RS 39 RS 40 4j5m 5j RS 43 44 RS 47 RS 48 RS 37 38 RS 41 RS 42 5j 5j5m RS 47 48 RS 51 RS 52 RS 38 39 RS 42 RS 43 5j5m 6j RS 47 48 RS 51 RS 52 RS 42 43 RS 46 RS 47 6j 6j5m RS 48 49 RS 52 RS 53 RS 42 43 RS 47 RS 48 6j5m 7j RS 50 51 RS 55 RS 56 RS 43 44 RS 47 RS 48 7j 7j5m RS 54 55 RS 58 RS 59 RS 46 47 RS 50 RS 51 Nota ISC-wg Operationalisering criteria type 2 versie 1.1 13