Sprechmittel Endlich Ferien! Je zegt dat je zin in de vakantie hebt. Je geeft aan dat je zin hebt op reis te gaan. Je vertelt het liefste thuis te blijven. Je wilt naar het buitenland. Eindelijk eens van die school af. Je geeft de duur van je vakantie aan. Je geeft aan, wanneer je vakantie hebt. Je zegt dat je in de vakantie gaat werken. Luieren vind je lekker. Je verheugt je op de vrije tijd. Je bent een strandliefhebber. Je houdt van wandelen, lezen etc. Voor de buis hangen, dat is jouw ding. Je vertelt dat je thuis moet helpen. Je hoopt op mooi weer. Je gaat met je ouders op vakantie. Ferien Je ouders vinden je nog te jong om alleen op vakantie te gaan. Je zou wel eens met je vrienden / / vriendinnen op vakantie willen. Vakanties zijn niet goedkoop. Je vertelt dat je op een camping verblijft. - Ich habe Lust auf die Ferien. - Ich möchte gerne auf Reisen gehen. - Ich bleibe am liebsten zu Hause. - Ich möchte ins Ausland fahren. - Endlich mal keine Schule. - Ich habe fast 2 Monate Ferien. - Ich habe Ferien im (Juli, August usw.). - Ich suche einen Ferienjob. - Faulenzen ist super. - Ich freue mich auf die Freizeit. - Ich fahre gerne an den Strand. - Ich spaziere, lese gern usw. - Ich hänge gerne vor der Glotze. - Ich muss zuhause helfen. - Hoffentlich ist das Wetter schön. - Ich fahre mit meinen Eltern in die - Meine Eltern lassen mich noch nicht alleine in die Ferien gehen. - Ich möchte mal mit meinen Freunden Freundinnen zusammen in die Ferien gehen. - Die Ferien kosten viel Geld. - Wir sind auf einem Campingplatz. 1
Jouw ouders gaan altijd met de caravan. Je houdt van bezienswaardigheden. Jullie maken dagtochtjes. Je ligt het liefste de hele dag in het das zwembad. Je bent het liefste buiten in de zon. Eindelijk eens tijd voor iets anders! Je bent blij dat je je nu eens echt kunt wirklich ontspannen. - Meine Eltern fahren immer mit dem Wohnwagen. - Ich finde Sehenswürdigkeiten toll. - Wir machen immer Tagesausflüge. - Den ganzen Tag im Schwimmbad, ist super! - Am liebsten bin ich draußen in der Sonne. - Endlich mal Zeit für etwas anderes! - Ich bin froh, dass ich jetzt mal abschalten kann. Thematischer Wortschatz Endlich Ferien! de vakantie die Ferien (onderwijs) / der Urlaub (werknemers) de zomervakantie die Sommerferien de herfstvakantie die Herbstferien de kerstvakantie die Weihnachtsferien de voorjaarsvakantie die Frühlingsferien de paasvakantie die Osterferien op vakantie gaan in die Ferien gehen op vakantie zijn in den Ferien sein thuis blijven zu Hause bleiben op reis gaan auf Reisen gehen reizen reisen de autosnelweg die Autobahn het buitenland das Ausland naar het buitenland gaan ins Ausland fahren inpakken einpacken de bagage das Gepäck de koffer der Koffer (-) de tas die Tasche (-n) de streek die Gegend de omgeving die Umgebung 2
liggen (bij) liegen (bei) in de buurt van in der Nähe von in het noorden, oosten, im Norden, Osten, zuiden, westen Süden, Westen enzovoort (enz.) und so weiter (usw.) naar het noorden etc. nach Norden usw. noordelijk etc. van nördlich usw. von rijden fahren vliegen fliegen vertrekken abfahren de heenreis die Hinreise aankomen ankommen terugkomen zurückkommen de terugreis die Heimfahrt het verblijf der Aufenthalt ergens irgendwo kamperen zelten de tent das Zelt (-e) de caravan der Wohnwagen de camping der Campingplatz de campinggids der Campingführer het hotel das Hotel het vakantiehuisje das Ferienhaus ( - er) het vakantie-appartement die Ferienwohnung (- en) huren mieten de tourist der Tourist ( -en) het reisbureau das Reisebüro het VVV das Fremdenverkehrsamt de informatie die Information de folder der Prospekt (- e) all in pauschal wandelen spazieren gehen een trektocht maken wandern bergklimmen bergsteigen 3
luieren faulenzen uitslapen ausschlafen winkelen einkaufen zin hebben in Lust haben auf het plezier der Spaß lekker lecker gezellig gemütlich lol maken Spaß machen de vriendengroep die Clique de vrije tijds-aktiviteit die Freizeitaktivität het uitstapje der Ausflug ( e) de dagtocht der Tagesausflug ( -e) het strand der Strand naar het strand gaan an den Strand gehen de zee das Meer, die See het meer der See het eiland die Insel het bos der Wald ( er) de duinen die Dünen de heuvel (-s) die Hügel (-n) de berg (-en) der Berg (-e) het gebergte das Gebirge de rivier der Fluss de beek der Bach het weer das Wetter de zon die Sonne de regen der Regen regenen regnen de bui der Schauer ( - ) het onweer das Gewitter de wind der Wind de hitte die Hitze de koude die Kälte zich vervelen sich langweilen 4
de verveling de vreemde taal communiceren in het Duits / Frans etc die Langeweile die Fremdsprache (-n) sich verständigen auf Deutsch / Französisch usw. 5