Maatschappelijk werker Doel van de functie Verzekert het recht op maatschappelijke dienstverlening om mensen in staat te stellen: - een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid; - om te gaan met problemen en verstoringen in het functioneren binnen de sociale omgeving; - hun noodsituatie op te heffen of te verbeteren. Verzorgt de specifieke administratie in het eigen domein. Plaats in de organisatie Afdeling Dienst Directe leidinggevende Sociale dienst Hoofdmaatschappelijk werker Directeur woonzorgcentrum (voor de specifieke dienstverlening) Graad Niveau Maatschappelijk werker B1-B3 Resultaatsgebieden Algemene dienstverlening: m.b.t. de problematiek die de cliënt aanbrengt: verzorgen van intake, verrichten van sociaal onderzoek, stellen van de diagnose, opstellen van een hulpverleningsplan, rapporteren aan de cliënt van de beslissingen genomen door de bevoegde bestuursorganen, uitvoeren van voormelde besluiten; m.b.t. opzetten van een psychosociale begeleiding en verrichten van een crisisinterventie: ondersteuning van de cliënt en zijn omgeving (administratieve begeleiding, budgetbegeleiding,.), de cliënt helpen bij het duiden van zijn problemen, stimuleren van zelfwerkzaamheid, formuleren van adviezen en begeleid doorverwijzen; verzamelen en verstrekken van alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en de nodige stappen ondernemen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens Belgische of buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken, de meest passende middelen voorstellen om in de vastgestelde behoeften te voorzien; Specifieke dienstverlening: verantwoordelijk voor (sociaal onderzoek, wachtlijsten, toewijzingen, besluiten bcsd, (administratieve) opvolging, werk- en verlofregelingen, vorming, afspraken, overlegbijeenkomsten, functionering en evaluatie van personeel, ) en evalueren van de dienstverlening: thuisbezorgde maaltijden, dienstenchequebedrijf, klusjesdienst, budgetbeheer, mindermobielencentrale, ; verantwoordelijk voor (sociaal onderzoek, wachtlijsten, toewijzingen, overeenkomsten, plaatsbeschrijvingen, (administratieve) opvolging cliënt en woning, energieverbruik,.) en evalueren van de werkzaamheden op huisvestingsvlak: bejaardenwoningen, sociale woningen, transitwoningen, L.O.I., ; organiseren en opvolgen van de bijeenkomsten van de lokale adviescommissie, projecten rond energieverbruik, ; instaan voor het sociaal onderzoek en de toekenning van diverse vormen van steun: de thuiszorgtoelagen, waarderingspremies, verwarmingstoelagen, voedselpakketten, culturele participatie, ; Dienstverlening betreffende het woonzorgcentrum: verstrekt info aan (kandidaat-)bewoners, (kandidaat-)kortverblijvers en hun familie; begeleidt de opnames: maakt het administratief opnamedossier op, voert intakegesprek met bewoners en hun familie, doet sociaal en financieel onderzoek, neemt deel aan het onthaal van nieuwe bewoners; levert administratieve bijstand aan bewoners (aanvragen - herzieningen HAB, belastingsaangiften, attesten, betalingsregelingen, aanvragen OCMW - tussenskomst, ); organiseert tevredenheidsmetingen en gesprekken met bewoners en familie in verband met de dienstverlening; organiseert en coördineert gebruikersraden, familieavonden, infomomenten, 1
budgetbeheer (betaling van verblijfskosten) op vraag van bewoners; actieve deelname aan diensthoofdenvergadering en interdisciplinaire bewonersbesprekingen, regionaal overleg met de ziekenhuizen e.a. overlegmomenten; samen met referentieverpleegkundige verantwoordelijk voor de palliatieve zorg in het woonzorgcentrum; meewerken aan een kwaliteitsbeleid (o.a. optimaliseren opname-en ontslagbeleid, uitbouw sociale dienstverlening, evalueren hulp-en dienstverlening); mede instaan voor een optimale bezetting van het woonzorgcentrum. Interne en externe relaties: opbouwen en onderhouden van professionele samenwerkingsrelaties met andere hulpverleners, instanties en organisaties buiten het OCMW (ziekenhuizen, revalidatiecentra, pensioendienst, mutualiteiten, advocaten, Ministerie van Sociale Voorzorg, HRI,...); participeren aan overlegstrucuren: lokaal woonoverleg, SEL, ; actualiseren van de sociale kaart; actief en opbouwend participeren aan de teamvergaderingen van de sociale dienst en de supervisie; de gemaakte afspraken naleven; doorgeven van nuttige informatie en kennis aan collega s en meedenken rond hulpverleningsplannen ten aanzien van elkaar; onderhouden van goede samenwerking met vrijwilligers; correcte contacten (info, administratie, ) met andere interne diensten: personeelsdienst, financiële en technische dienst, aankoopdienst, ; Beleid: uitwerken van en formuleren van voorstellen m.b.t. preventieve activiteiten en samenwerkingsmogelijkheden, ter voorkoming van hulpvragen; signaleren van noden, behoeften en tekorten in de hulpverlening, vastgesteld tijdens het werken met cliënten of bevolkingsgroepen; actief meewerken aan diverse beleidsaangelegenheden: beleidsplannen, jaarverslagen, budget, meerjarenplan; opstellen en toelichten van het sociaal verslag m.b.t. dringende steun; opstellen en toelichten van het sociaal verslag in functie van de te treffen beslissingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst; voorbereiden, verwerken, uitvoeren en opvolgen van beslissingen van het bijzonder comité sociale dienst en de raad m.b.t. de sociale dienst en het woonzorgcentrum. Administratie: tijdig en correct uitvoeren van alle administratie inherent aan de functie: ter bevordering van een goede dossiervorming, ten aanzien van de subsidiërende (betoelaging) overheden en andere instanties (mutualiteiten, vakbonden, pensioenkassen,..), ter bevordering van de administratieve en boekhoudkundige verwerking en de facturatie van de dienstverlening; verantwoordelijk voor de provisie die ter beschikking gesteld werd onder de voorwaarden bepaald bij raadsbesluit; overzichtelijk klassement opmaken en bijhouden. Verruimende bepalingen Uitvoeren van en helpen bij taken van de eigen dienst of de andere gemeentelijke of OCMWdiensten op vraag van de hoofdmaatschappelijk werker of directeur. Competenties kennis kennis van de werking van het OCMW en het WZC; kennis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van steun, de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie; kennis van het woonzorgdecreet van 13 maart 2009 en de uitvoeringsbesluiten; de methodieken van maatschappelijk werk; reglementen eigen aan de dienst; software eigen aan de functie. 2
Competenties andere WAARDEGEBONDEN COMPETENTIES voortdurend verbeteren: voortdurend verbeteren van het eigen functioneren en van de werking van de dienst, door de bereidheid om te leren en mee te groeien met veranderingen. Ontwikkelt zich binnen de eigen functie en werkt actief mee aan het verbeteren van de uitvoering van taken Maakt zich vertrouwd met nieuwe materies die relevant zijn voor de eigen taak (bv. nieuwe regelgeving, informaticatoepassingen, werkmethoden ); Informeert zich over nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de eigen functie (leest vakliteratuur, neemt deel aan congressen ); Past nieuwe richtlijnen, kennis, informatie en inzichten toe in de praktijk; Gaat na of en hoe nieuwe tendensen en ontwikkelingen in de eigen functie ingezet kunnen worden; Zoekt actief naar mogelijkheden om de uitvoering van het takenpakket te verbeteren en werkt die mogelijkheden verder uit tot concrete voorstellen. klantgerichtheid: met het oog op het dienen van het algemeen belang, de legitieme behoeften van verschillende soorten (interne en externe) klanten onderkennen en er adequaat op reageren. Reageert vriendelijk, adequaat en correct op voor de hand liggende vragen van klanten Helpt klanten op een vriendelijke en adequate wijze voort; Blijft beleefd bij klachten; Onderneemt concrete acties om de problemen en klachten van klanten op te lossen; Verleent een correcte service aan alle klanten, ongeacht hun afkomst, geslacht, handicap enz. (bv. houdt de wachttijd voor een klant minimaal, voert stipt uit wat werd vastgelegd, levert duidelijke producten af, neemt een lagedrempelhouding aan, is beschikbaar en bereikbaar); Stelt zich hulpvaardig op; Reageert snel en gepast op vragen van klanten; Kiest een aangepaste aanpak gezien de mogelijkheden en beperkingen van de klant (bv. kinderen, bejaarden, zieken). samenwerken: met het oog op het algemeen belang een bijdrage leveren aan een gezamenlijk resultaat op het niveau van een team, entiteit of de organisatie, ook als dat niet onmiddellijk van persoonlijk belang is. Helpt anderen en pleegt overleg Steunt de voorstellen van anderen en bouwt daarop voort om tot een gezamenlijk resultaat te komen; Stemt de eigen inbreng/prioriteiten/aanpak af op de behoeften van de groep; Houdt rekening met de gevoeligheden en met de verscheidenheid van mensen; Biedt hulp aan bij problemen, ook al valt de taak niet onder de eigen opdracht; Vraagt spontaan en proactief de mening van anderen. betrouwbaarheid consequent en correct handelen : handelen vanuit de codes van integriteit, zorgvuldigheid, objectiviteit, gelijke behandeling, correctheid en transparantie uitgaande van de basisregels, sociale en ethische normen (diversiteit, milieuzorg ); afspraken nakomen en zijn verantwoordelijkheid opnemen. brengt sociale en ethische normen in de praktijk neemt de verantwoordelijkheid op zich voor zijn eigen handelen (past geen paraplupolitiek toe); leeft de deontologie na die eigen is aan de functie of het functieniveau; spreekt anderen erop aan als ze niet conform bestaande regels en afspraken handelen; handelt consequent: neemt in soortgelijke omstandigheden soortgelijke standpunten in of een soortgelijke houding aan; kan inschatten of informatie al dan niet verder kan of mag worden verspreid; vertoont voorbeeldgedrag rond basisregels en afspraken. PERSOONSGERELATEERD GEDRAG omgaan met stressfactoren: efficiënt gedrag vertonen in situaties met hoge complexiteit, tijds- of werkdruk of bij tegenslag, teleurstelling of kritiek. blijft kalm en rustig in situaties van langdurig verhoogde druk of in crisissituaties die eigen zijn aan de opdracht blijft rustig praten en geeft een ontspannen indruk, ook al maakt zijn gesprekspartner het hem moeilijk; 3
behoudt bij confrontaties een correcte en tactvolle houding: vermijdt woordenwisselingen, reageert respectvol; blijft zich in crisismomenten open opstellen voor kritiek van anderen, en blijft bereid zijn eigen aanpak te toetsen; kan voor zichzelf problemen, spanningen of tegenslagen verwerken en relativeren; blijft doorzetten in geval van tegenslagen en teleurstellingen. organisatiebetrokkenheid: zich verbonden tonen met de organisatie, taak en beroep; de belangen ervan verdedigen bij anderen. houdt bij de eigen acties (pro)actief rekening met de belangen van de organisatie overweegt in de eigen acties en voorstellen de voor- en nadelen voor de organisatie; zet zich in om de doelstellingen van de organisatie te realiseren, ook al zou hij zelf andere doelen voorrang kunnen geven; respecteert in de eigen adviezen en beslissingen het ruimere beleidskader (doelen, waarden, cultuur ); heeft oog voor de kosten die met een bepaald voorstel of initiatief samenhangen; schat bij eigen acties en beslissingen de ruimere gevolgen daarvan voor de organisatie in. INTERPERSOONLIJK GEDRAG mondelinge uitdrukkingsvaardigheid: spreken in een taal zodat het publiek tot wie u zich richt u begrijpt. Zorgt voor een heldere communicatie in twee richtingen Richt zich tot zijn gesprekspartner; Gaat regelmatig na of de boodschap voor de andere duidelijk is; Biedt zijn gesprekspartner(s) de mogelijkheid om vragen te stellen; Geeft de gesprekspartner de ruimte om zich te uiten en onderbreekt hem niet; Past de communicatiewijze aan de mogelijkheden of eigenheden van de gesprekspartner aan. schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid: een schrijfstijl hanteren die past bij de boodschap en de doelgroep. Structureert zijn boodschap en hanteert een gepast taalgebruik afhankelijk van de situatie of het publiek Stelt eenduidig leesbare documenten op die beknopt en ter zake zijn; Levert teksten met een duidelijke structuur (zowel inhoudelijk als vormelijk, en de inhoud en vorm zijn op elkaar afgestemd); Gebruikt een stijl die aangepast is aan de situatie (zakelijk, onderhoudend, informatief ); Gebruikt een taal die aan het publiek aangepast is (bv. licht jargon toe, schrijft 'leesbare' teksten ); Houdt in taalgebruik en boodschap rekening met de behoeften en beperkingenvan de verschillende doelgroepen. OMGAAN MET INFORMATIE probleemanalyse (analytisch denken): een probleem duiden in zijn verbanden. Op een efficiënte wijze op zoek gaan naar aanvullende, relevante informatie. Legt verbanden en ziet oorzaken Benadert een probleem vanuit verschillende gezichtspunten; Benoemt de oorzaken van problemen die zich voordoen; Legt verbanden tussen verschillende soorten informatie; Detecteert onderliggende problemen; Integreert nieuw gevonden informatie met bestaande informatie. PROBLEEMOPLOSSEND GEDRAG flexibel gedrag: de eigen gedragsstijl kunnen veranderen om een gesteld doel te bereiken. In verschillende situaties of ten aanzien van verschillende personen op een efficiënte wijze zijn gedrag kunnen aanpassen. Past zijn aanpak of gedrag aan als de concrete situatie dat vereist Verandert zijn agenda en operationele planning afhankelijk van tijdsdruk, nieuwe prioriteiten, dringende vragen of behoeften; Verhoogt het werktempo als de omstandigheden dat vragen (bv. gewijzigde deadline, tegenslagen, plots extra taken; Zoekt tijdig een alternatieve oplossing of aanpak als blijkt dat de gekozen aanpak niet geschikt was; Is bereid taken uit te voeren die niet tot het normale pakket behoren, als de 4
omstandigheden dat vereisen. BEHEERSMATIG GEDRAG plannen: structuur aanbrengen in tijd, ruimte en prioriteit bij het aanpakken van taken of problemen. Plant eigen werk en dat van anderen effectief Brengt structuur aan in eigen werk en dat van anderen (bv. bepaalt werkterreinen, prioriteiten, termijnen); Houdt bij het inplannen van taken rekening met deadlines; Maakt goede werkschema s en tijdsplanningen op (werkbaar, volledig, overzichtelijk); Geeft op een duidelijke en eenduidige manier aan welke de prioriteiten zijn. LEIDERSCHAP richting geven: aansturen, ontwikkelen en motiveren van medewerkers zodat ze hun doelstellingen en die van de entiteit op een correcte manier kunnen realiseren, zowel individueel als in teamverband. Geeft richting op het niveau van taken en de uitvoering daarvan Geeft richtlijnen, aanwijzingen, suggesties, instructies aan individuele medewerkers of aan het team over uit te voeren taken; Verschaft de middelen (informatie, budget, materiaal, mensen ) die de medewerkers nodig hebben om goede resultaten te halen; Drukt in meetbare resultaten uit wat hij van de medewerker of van het team verwacht; Geeft open en duidelijke positieve of negatieve feedback met het oog op de te bereiken doelstellingen en afspraken; Treedt corrigerend op met het oog op de te bereiken doelstellingen en gemaakte afspraken; Zorgt voor een goede afstemming tussen de verschillende taken die door het team worden opgenomen; Geeft duidelijk aan wat de prioriteiten zijn voor de medewerker of het team; Zorgt ervoor dat alle medewerkers met respect worden behandeld en geeft hierin zelf het goede voorbeeld. ontwikkelen van medewerkers (resultaatgericht coachen): medewerkers ondersteunen bij het behalen van goede resultaten en het groeien in een functie door hen te helpen bij het ontwikkelen van hun vermogen om zelfstandig problemen op te lossen. Coacht om taken te kunnen volbrengen en resultaten te behalen Moedigt de medewerkers aan om nieuwe taken te leren en om zich te vervolmaken in hun job; Geeft duidelijke en constructieve feedback aan medewerkers over hun functioneren; Legt aan nieuwe medewerkers uit hoe iets op een bepaalde manier uitgevoerd moet worden en waarom; Begeleidt (nieuwe) medewerkers tijdens leren op de werkvloer; Houdt bij het leerproces rekening met de mogelijkheden en beperkingen van de medewerkers. Beoordelingscriteria De te gebruiken schalen zijn deze vermeld in de rechtspositieregeling (goed, zeer goed, uitstekend, ongunstig, onvoldoende, geheel onvoldoende). doelstellingen: de doelstellingen vermeld in de functioneringsgesprek(ken) van de evaluatieperiode. resultaatsgebieden: de resulaatsgebieden vermeld in de functiebeschrijving competenties kennis: de kenniscompetenties vermeld in de functiebeschrijving andere competenties: vermeld in de functiebeschrijving 5