De Leidsche Schutterstukken. Het was eene echt Hollandsche gewoonte om de vergaderzalen te sieren met de portretgroepen van regenten en hoofdlieden en haast elk Hollandsch museum bezit nog enkele regentenstukken met stoere koppen van de zich zelfbewuste magistraten en aanzienlijken. Gilden, vroedschappen, bestuurscolleges van gast- en godshuizen lieten zich afbeelden, doch het grootst is wellicht nog het aantal Schutterstukken, waarop de met eenige der voornaamste in manhafte houding zich op het doek deden brengen om de wanden van de te sieren, waar naast de ook het gezellig verkeer niet vergeten werd. In het Leidsch museum vindt men eene serie van 6 schilderstukken van de hand van Joris van uit 1626 en op het Raadhuis een ongedateerd stuk van zijne hand en een uit het jaar 1650. Twee kapiteins, Mr. G. Lz. van Grootveld en Cl. Hz. de Munt,
102 deden zich enkele jaren daarna, in 1657, afbeelden door Jacobus van der De serie van zes stukken uit 1626 vormde een heel en werd volgens eene opdracht geschil. derd. Elk doek stelt een groep voor uit een der 6 vendels, waarin de Leidsche schutterij sinds 1599 was verdeeld. 1618 werd dit aantal wel op 9 gebracht, doch reeds in 1620 werd tot de oude indeeling teruggekeerd. Het zevende, ongedateerde stuk, dat thans in het Raadhuis hangt, moet dus eene andere gelegenheid geschilderd gelijk reeds door het verschil in afmetingen wordt aangetoond Dit wordt ook nader bevestigd door de namen der voorgestelden, waarvan de kapitein Laurens Lanschot eerst in 1628 als danig voorkomt en de luitenant-vaandrig Marie Gillisz. van in 1641 als kapitein wordt vermeld. is het laatste stuk kort na 1630 geschilderd. Joris van werd in 1587 te Leiden geboren en overleed aldaar in 1651. Hij was een leerling van Evert van der Maes en schilderde allegorische tafereelen en portretten Hij was lid van de Sint met den schilder David Bailly, De 6 stukken zijn allen 1.74 1.75 hoog 1.87 1.91 breed, terwijl het zevende 1.58 hoog is en 2.71 Hij wordt als zoodanig tot 1634 vermeld bij Orlcrs. Zie over hern: Overvoorde en Het te Leiden.
103 dien ook op een der schutterstukken afgebeeld vinden. Werd deze wellicht onaangenaam getroffen door de opdracht aan zijn kunstbroeder? Het schijnt tenminste wel niet toevallig te zijn, dat kort na de opdracht aan van op 21 April, den 23 Juni daarop door Mr. David Bailly werd verzocht vendel ontslagen te om redenen, dat hij van meeninge was buyten metterwoon te welk verzoek door hem 30 Juni werd herhaald Het ontslag is hem niet verleend en vinden niet dat hij later hierop is teruggekomen; is de vrede spoedig hersteld. Volgens het hierachter volgend contract zal van op elk doek 7 personen afbeelden, het paneel vrij en voor elk persoon 12 gulden ontvangen, terwijl hij bij elke groep nog, zonder verdere vergoeding, den persoon zal schilderen, die hem door de hoofdmannen zal worden aangewezen. vindt men elke groep op den achtergrond een een bode of den schilder zelf, zooals bij het vendel van C. van De schilder zal zelf het bedrag van de moeten innen, zonder dat op de hoofdmannen hiervoor eenig verhaal zal hebben dan voor hun eigen aandeel. Hij zal hierbij de of lager mogen stellen naarmate en int affsetten van persoon Deze bijdragen zullen echter niet der Schutterij fol. 217 vs. en 218.
104 mogen zijn dan 15 gulden en niet lager dan 9 gulden. Ter vergelijking vermeld, dat Rembrandt voor de Nachtwacht, ook een schutterstuk, in 1642 honderd gulden per portret of te zamen 1600 gulden ontving. J. OVERVOORDE. BIJLAGE. uit het Notulenboek der vergadering van 21 April (fol. 214).... 1626 capiteynen mans geaccordeert verdraegen met Joris Ver Schooten, schilder, dat de ses hooftmans met alle hooftoffrcieren derzelver die sulxs sullen begeren, tot zeven toe in vendel, nae tleven affsetten contrefeyten panelen hem daertoe te behandigen volgens d ordre hem by de voorscreven hooftmans dat voor de van twaelff guldens van persoon, die hy voorscreven sal afsetten midts dat hy om deselffde in vaendel ter begeerte hoofdmans sal contrefeyten een persoon, daervoeren hy niet en sal genieten, en met conditie dat de Ver de betaelinge voorscreven hooftoffrcieren selfs sal moeten invorderen, sonder dat de voorscreven hooftmans anders als voor
1 0 5 hooft persooa daerinne eenichsins gehouden ofte verobligeert. Als ten welcken eynde den voornoemde Ver behandicht hebben de onderteyckeningen der voorscreven hooftofficieren, daerbij de contrefeytinge van persoonen hebben ingewillicht toegestaen, om betaelinge daermeede te eysschen dat tot soodanighe pryse als de voorszeyde hooftmans metten voornoemde Ver Schooten, naedat de voorscreven eontrefeytselen sullen volmaeckt, sullen goedtvinden, dat nae de moeyte int affsetten van persoon gedaen, sal hebben te gelden, nochtans dat de voorscreven taxatie nyet en geschieden booven de noch beneden de negen guldens.