1e Deeltentamen Inleiding Taalkunde 28/05/2009 13.15-16.15 Dit tentamen heeft 5 vragen. Je hebt drie uur de tijd om deze te beantwoorden. Vergeet niet je naam en studentnummer steeds duidelijk te vermelden. Lever als je klaar bent het dit vragenformulier samen met je antwoorden in. 1 Inleiding Leg uit wat Chomsky bedoelt met de notie Universele Grammatica en op basis van welke argumentatie hij aanneemt dat er zo n soort Universele Grammatica moet zijn. 2 Taalevolutie Geef twee voorbeelden van een zogenaamde prototaal en beschrijf twee kenmerken van deze soorten talen die typisch zijn voor prototalen. 3 Klanken (fonologie) In het Endo worden niet-lage klinkers uitgesproken als halfvocalen (j en w) als ze tussen een medeklinker en een klinker in staan. De voorbeelden in (3.1) (sterk vereenvoudigd) laten zien welke klinkers dat zijn en in welke halfvocaal ze veranderen. (3.1) a. /ki-a-ket/ ik heb gedood [kjaket] b. /ku-am-ej/ hij eet [kwamej] c. /ke-ap/ het wordt genomen [kjap] d. /a-mi-a/ ik ben [amja] e. /ku-ju-ej/ hij warmt zich [kujwej] f. /nco-ej/ schreeuwen [ncwej] a. Formuleer de fonologische herschrijfregel die het proces in (4a-f) beschrijft. Gebruik daarbij alleen de binaire kenmerken [±consonant], [±back] en [±low]. De /a/ is de enige
klinker die [+low] is. De klanken /i/, /e/ en /j/ vormen een natuurlijke klasse, net als /u/, /o/ en /w/. b. Beschrijf de relatie tussen k en p in termen van de fonetische noties plaats van articulatie en wijze van articulatie en leg uit om wat voor soort fonologisch proces het gaat in (3.1). In (3.2) zien we een ander klankproces, waarbij een /w/ verandert in een /[k]/ na een /p/. (3.2) a. /pwat/ herinneren [pkat] b. /tup-wa/ begrafenis [tupka] c. /chep-wos-at/ dwaas persoon [chepkosat] c. In welke volgorde moeten deze twee processen plaatsvinden om de oppervlaktevorm in (3.3) af te leiden? Motiveer je antwoord. (3.3) /ap-u-an/ breng me [apkan] d. Teken een eindige transducer die het fonologische proces in (3.2) kan uitvoeren. Die eindige transducer moet alle strings waarin een w op een p volgt omzetten in strings waarin de w een k is geworden. Andere strings blijven ongewijzigd. Dus: input output # p w a a t # # p k a a t # # t u p ^ w a# # t u p k a # Gebruik in je automaat alleen de symbolen p, k, w, : (dubbele punt), ^, ε, # en other. Geef duidelijk aan wat begin- en eindtoestanden zijn. Label de overgangen op de volgende manier: A:B als symbool A gerelateerd wordt aan symbool B, alleen A als afkorting voor A:A en other voor elke overgang waarin niet één van de specifieke symbolen wordt genoemd.
4 Woorden (morfologie) a. Bekijk de volgende zin: (i) De geplaagde dierenvriend bakte een lekker appeltaartje. Geef van elk woord in (i) aan uit welke morfemen ze bestaan (door verbindingsstreepjes te zetten). Geef bovendien zo volledig mogelijk aan welk(e) morfologisch proces(sen) (inflectie, derivatie, etc.) aan het woord ten grondslag ligt/liggen. Het Nederlands kent een vrij karige inflectie voor werkwoorden in (onvoltooid) verleden tijd. Naast onregelmatige werkwoorden zijn er twee soorten overige woorden. (I) Woorden die op één van de medeklinker in 't kofschip (ook wel 't fokschaap) eindigen krijgen suffix -te in het enkelvoud en -ten in het meervoud. (II) Overige regelmatige werkwoorden inflecteren met - de/-den. De volgende tabel geeft een voorbeeld van het paradigma. 1e, 2e, 3e persoon 1e, 2e, 3e persoon Stam enkelvoud meervoud 't kofschip fiets fietste fietsten niet in 't kofschip ren rende renden onregelmatig roep riep riepen b. Teken een eindige automaat die op een efficiënte manier alle regelmatige werkwoordsvormen van het Nederlands in (onvoltooid) verleden tijd herkent. Je mag gebruik maken van labels op de transities tussen de toestanden als tkofschip-werkwoordstam, niet-tkofschip-werkwoord-stam, etc. Het doel van de automaat moet zijn om zo min mogelijk woorden in het lexicon op te slaan. c. Breid de automaat vervolgens uit om ook inflectie in tegenwoordige tijd te herkennen (teken een tweede automaat). Je uiteindelijke automaat moet dus alle vormen in 1e, 2e, 3e persoon, enkelvoud en meervoud, tegenwoordige en (onvoltooid) verleden tijd herkennen. Het gaat wederom alleen om regelmatige werkwoorden. Je hoeft geen rekening te houden met spellingsregels. (Bijvoorbeeld: loop+en => lopen. Je automaat mag echter gewoon loopen genereren/herkennen). Geef in de automaten goed aan wat de begintoestand is en welke de accepterende toestanden zijn!
5 Zinnen (syntaxis) Gegeven is de volgende phrase structure grammatica voor een fragment van het Nederlands. (N correspondeert ruwweg met wat het boek Nominal noemt. Adv = adverb, hier gebruikt voor bijwoorden van graad als heel en zeer. Let op dat het woord heel hier in twee verschillende categorieën voorkomt.) S NP VP NP Det N N AP N N N AP Adv AP AP A VP V NP VP V NP Els NP Jaap Det een Det de Det het N brood N boterham N halfje A wit A heel A bruin Adv heel Adv zeer Adv erg V koopt V slaapt V eet a. Teken de twee boomstructuren zoals die door deze grammatica worden toegekend aan de zin Els koopt een heel wit brood. b. Geef parafrases die duidelijk maken hoe de betekenis van die twee boomstructuren verschilt. c. De grammatica genereert ook ongrammaticale zinnen. Geef één voorbeeld van een ongrammaticale zin die door deze grammatica wordt gegenereerd omdat we geen voorzieningen hebben getroffen voor agreement (congruentie) binnen de NP. Geef ook één voorbeeld van een ongrammaticale zin die gegenereerd wordt omdat we niets aan
subcategorisatie hebben gedaan. Leg in beide gevallen uit hoe en waarom het precies fout gaat. d. Welke regels moeten aan de grammatica worden toegevoegd om het mogelijk te maken om de zin Els geeft een brood aan Jaap te genereren? Je hoeft niet te veronderstellen dat knopen in bomen binair vertakken. Regels van het type A B C D zijn ook mogelijk.