Omgevingsvergunning UV

Vergelijkbare documenten
Ontwerp omgevingsvergunning UV

Ontwerp besluit UV

Omgevingsvergunning OV

in in ii mi ii mm ii ii

Omgevingsvergunning OV

* UM * Melk- en fokveebedrijf Graumans

Pagina 1 van 49 Registratienummer: Z / D

Pagina 1 van 50 Registratienummer: Z / D

Eenheid Klant - Bouwen, Wonen & Ondernemen. Vormvrije Mer beoordeling

Omgevingsvergunning UV 25091

ONTWERP Omgevingsvergunning UV 23675

De intrekking heeft betrekking op 203 schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg (B1).

Omgevingsvergunning. De overwegingen om te komen tot dit besluit staan in de bijlage welke een onderdeel is van dit besluit.

Beschikking van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Beoordeling omgevingsvergunning beperkte milieutoets

Omgevingsvergunning U

tômgevingsd/msŕ jc Midden- ca Wts-t-Brabaat

Omgevingsvergunning UV

eurne Eijnden Hoeve V.O.F. t.a.v. de heer M. van den Eijnden Griendtsveenseweg B DEURNE

* *

Omgevingsvergunning UV/

* *

Omgevingsvergunning. De overwegingen om te komen tot dit besluit staan in de bijlage welke een onderdeel is van dit besluit.

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht

OMGEVINGSVERGUNNING BEPERKTE MILIEUTOETS

Omgevingsvergunning. De overwegingen om te komen tot dit besluit staan in de bijlage welke een onderdeel is van dit besluit.

Omgevingsvergunning. Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg. voor de activiteit milieuneutraal veranderen. Rockwool B.V.

* *

veranderen van milieu-inrichting Steenbergen, 28 maart 2013

Ontwerp omgevingsvergunning UV

Omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte documenten.

* *

Pagina 1 van 51 Registratienummer: Z / D

Beschikking van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht

* *

Besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal

Omgevingsvergunning Verkleinen van de inrichting

Beschikking Wet milieubeheer

[ONTWERP] Omgevingsvergunning UV 31844

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht

tömgevingsdí enst ļfi Midden- co West-Br»b«nt

DEFINITIEVE VERGUNNING. EEW Energy from Waste Delfzijl BV

BESCHIKKING. Omgevingsvergunning (milieuneutrale wijziging) datum: 31 augustus 2016 Gemeente Bronckhorst nr. 2016W0138

Omgevingsvergunning UV/

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht

Pagina 1 van 11 Registratienummer: Z / D

Zaaknummer : Vergunninghouder : W. Hoeve Projectomschrijving : Verbouw en verlengen stal en het oprichten van een mestloods

BIJLAGE 2. Milieuneutrale wijziging

Milieu inventarisatie afdeling Milieu ten behoeve van plan- en projectadvisering. Datum: 4 november 2009

Beschikking van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Beschikking van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Q,dbn. Verklaring van geen bedenkingen van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Omgevingsdienst Brabant Noord

OMGEVINGSVERGUNNING (Ontwerp)

Verklaring van geen bedenkingen van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Omgevingsdienst Brabant Noord

ONTWERP-OMGEVINGSVERGUNNING

Omgevingsvergunning UV

ADVIES. Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) datum: 9 oktober 2015 Gemeente Bronckhorst nr

* *

het oprichten van een appartementengebouw Onyxdijk 167 te Roosendaal

FUIV[b. Grou, 5 maart 2015 VERZONDEN -6 MRT Friese Uitvoeringsdienst Milieu en Omgeving

Kadastrale ligging: Mestbassins: Gem. Coevorden, Dalen Sectie H nr. 485

Omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte documenten.

eurne Maatschap Wijnen F.J.W.P. & Frawij B.V. Moorveld PN LIESSEL

OMGEVINGSVERGUNNING *D * D

ONTWERP OMGEVINGSVERGUNNING

* *

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Onderwerp Datum

Overige bijgevoegde documenten Onlosmakelijk onderdeel van deze vergunning zijn de bijgevoegde en als zodanig gewaarmerkte stukken.

Omgevingsvergunning. Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg. Activiteit milieuneutraal veranderen. Rockwool B.V. te Roermond

BESLUIT. Omgevingsvergunning (intrekking op verzoek) datum: Gemeente Bronckhorst nr

* *

Omgevingsvergunning uitgebreide procedure WBD

Omgevingsvergunning. Bijgevoegde documenten De volgende bij het besluit behorende gewaarmerkte documenten worden digitaal nagezonden:

BESCHIKKING WET ALGEMENE BEPALINGEN OMGEVINGSRECHT Milieu Omgevingsvergunning beperkte milieutoets

Bouwen en wonen ONTWERPBESLUIT. Stichting Waternet T.a.v. de heer C. Voortman. Postbus GT AMSTERDAM. Geachte heer Voortman,

ECLI:NL:RVS:2012:BV9444

OMGEVINGSVERGUNNING. voor het flexibel kunnen opslaan van de hoeveelheid bodemasgranulaat. milieuneutraal veranderen van een inrichting

BESCHIKKING WET ALGEMENE BEPALINGEN OMGEVINGSRECHT

ONTWERPBESCHIKKING. Omgevingsvergunning beperkte milieutoets. datum: 28 juni 2016 Gemeente Bronckhorst nr

OMGEVINGSVERGUNNING. : het wijzigen van de grens van een inrichting bedoeld voor de zuivering van rioolwater

OMGEVINGSVERGUNNING. GemHG/UIT/48430 Zaaknummer: O 2017/169 Bagid.:

* *

en met toepassing van artikel 3.3 lid 3 van de Wabo de aanhoudingsplicht van artikel 3.3 van de Wabo te doorbreken.

Deze wijziging is vereist voor het opslaan van waterstof en koolzuur in gasflessen.

Overige bijgevoegde documenten Onlosmakelijk onderdeel van deze vergunning zijn de bijgevoegde en als zodanig gewaarmerkte stukken.

OMGEVINGSVERGUNNING nr

GECORRIGEERD EXEMPLAAR OMGEVINGSVERGUNNING. GemHG/UIT/48301 Zaaknummer: O 2017/131

Dit besluit is voorbereid volgens de procedure van paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Overige bijgevoegde documenten Onlosmakelijk onderdeel van deze vergunning zijn de bijgevoegde en als zodanig gewaarmerkte stukken.

VERZONDEN 0 8 SEP 2016

De Pirk BV. Greutelseweg 51. Ontwerp omgevingsvergunning

in in miii ii inn ii i ii

Omgevingsvergunning. Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg. Plaatsen kantoorunit. Componenta B.V. te Weert. Zaaknummer:

O Pagina 1 van 5

OMGEVINGSVERGUNNING. aanleg waterstofleiding. milieuneutraal veranderen van een inrichting. Oosterhorn 4 te Farmsum. vth-nummer: Z

BESCHIKKING. Omgevingsvergunning (milieu) datum: 1 maart 2018 Gemeente Bronckhorst nr

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht

Transcriptie:

Omgevingsvergunning UV 20120169 Aanvraag Op 28 augustus 2012 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen voor een varkenshouderij op het adres Eindhovensebaan 15 in Nederweert. De aanvraag is ingeschreven onder UV 20120169. De volgende stukken maken onderdeel uit van de aanvraag. Aanvraagformulier, ingekomen op 28 augustus 2012; Bijlagen, ingekomen op 28 augustus 2012; Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: Het plaatsen van andere luchtwassers ((BWL 2009.12 in plaats van BWL 2006.14.V1); Het verplaatsen van de centrale gang in de drie stallen; Het realiseren van een ontijzeringsinstallatie; Het verplaatsen van de propaantank; Het verplaatsen van de voedersilo s; Het verwijderen van de spuiwatersilo; Het opslaan van het spuiwater in een gesloten put; Het lozen van hemelwater en spoelwater van de ontijzeringsinstallatie op het oppervlakte water; Het actualiseren van de vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven omgevingsaspecten: - Het oprichten, veranderen, of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, lid 1 e van de Wabo) Als één of meer van bovengenoemde aspecten voorkomen, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet. De volgende stelsels zijn aangehaakt: - Natuurbeschermingswet In de bijlage zijn de nadere inhoudelijke overwegingen opgenomen. Bevoegd gezag Gelet op bovenstaande projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij horende bijlage zijn wij het bevoegd gezag om de integrale omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij zijn wij er procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle relevante aspecten aan de orde komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zoals ruimte, milieu, natuur en aspecten met betrekking tot bouwen, monumenten en brandveiligheid. Verder dienen wij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd. Ontvankelijkheid Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze aan de hand van de Mor getoetst op ontvankelijkheid. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. De aanvrager is hierop in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens te leveren. We hebben de aanvullende gegevens ontvangen. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag alsmede de latere aanvulling daarop voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen. Eindhovensebaan 15 1

Procedure De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (uitgebreide procedure). Coördinatie en aanhouding De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort waarbij sprake is van het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet. Hiervoor is een vergunning noodzakelijk op grond van de Waterwet. Samen met deze aanvraag is een aanvraag om een vergunning op grond van de Waterwet ingediend. Het bevoegd gezag met betrekking tot de watervergunning heeft op grond van artikel 3.19, lid 1 Wabo een advies uitgebracht over de samenhang van de beschikkingen. Dit advies, ontvangen op 24 oktober 2012, luidt samengevat als volgt: Gelijktijdig met het tijdstip waarop de omgevingsvergunning is ingediend is een aanvraag voor een watervergunning ontvangen. Er is derhalve geen reden om de aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 3.18, tweede lid van de Wabo buiten behandeling te laten. Gelet op artikel 3.21 Wabo dienen wij in te gaan op de invloed die de samenhang tussen de omgevingsvergunning enerzijds en de watervergunning anderzijds heeft gehad op de inhoud van de omgevingsvergunning. Hierover merken wij het volgende op: De aanvraag om een omgevingsvergunning en de aanvraag om een watervergunning beschrijven dezelfde activiteit. Verklaring van geen bedenkingen Op grond van artikel 2.27 Wabo wijst het Bor of een bijzondere wet categorieën van gevallen aan waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning niet wordt verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Omdat het hier een geval betreft als vermeld in de Natuurbeschermingswet, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Op 28 februari 2012 heeft de Provincie Limburg een Natuurbeschermingswet vergunning aanvraag ontvangen. Deze aanvraag is door de provincie voorafgaand aan deze procedure ontvangen. Er is derhalve geen grond om de procedure te laten aanhaken. Overwegingen De aanvraag is beoordeeld aan de artikelen van de Wabo. Voorts is de aanvraag getoetst aan het Besluit omgevingsrecht en de Ministeriële regeling omgevingsrecht. Gebleken is dat uw aanvraag voldoet en daarom verlenen wij u de gevraagde omgevingsvergunning. In de bijlage zijn de nadere inhoudelijke overwegingen opgenomen. Ter inzage legging Van 30 november 2012 tot en met 10 januari 2013 heeft een ontwerp van deze beschikking ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Nadere ambtshalve overwegingen Op 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit milieubeheer in werking getreden. Als gevolg van het in werking treden van voormeld besluit wordt onderhavige inrichting sinds 1 januari 2013 aangemerkt als een type C inrichting. De inrichting is vergunningplichtig, echter op basis van artikel 1.4 van het besluit gelden voor de in dat artikel bepaalde onderdelen de voorschriften op grond van het besluit. Ingevolge overgangsrecht wordt de aanvraag tevens gezien als melding ingevolge het besluit. Eindhovensebaan 15 2

De volgende hoofdstukken/voorschriften zijn derhalve, gedeeltelijk, verwijderd bij dit definitieve besluit. Gecombineerd luchtwassysteem bwl 2009.12; Het houden van vleesvarkens. Ook betekend dat door de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer, de vergunningplicht voor het lozen van afvalwater van de ontijzeringsinstallatie en hemelwater in de Winnerstraatlossing te Nederweert is komen te vervallen. Conform overgangsrecht in het Activiteitenbesluit milieubeheer is de Waterwetvergunning aanvraag aangemerkt als een melding. Het Waterschap Peel en Maasvallei handelt de melding af. De coördinatieverplichting is hierdoor komen te vervallen. Voor het overige zijn er geen feiten/gegevens die tot een ander oordeel leiden dan reeds in ontwerpbesluit meegenomen. Besluit Burgemeester en wethouders besluiten, gelet op artikel 2.1, 2.2 en 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bovenstaande overwegingen de omgevingsvergunning te verlenen. De omgevingsvergunning wordt verleend onder de bepaling dat de gewaarmerkte stukken deel uitmaken van de vergunning en onder de in bijlage opgenomen voorschriften. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de volgende activiteiten: - Het oprichten, veranderen, of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, lid 1 e van de Wabo) Beroepsclausule Tegen het besluit kan binnen zes weken na ter inzage legging beroep worden aangetekend. Het beroepsschrift moet in tweevoud worden ingediend bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Roermond. De beschikking treedt in werking nadat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. Het indienen van een beroepschrift schorst de werking van het besluit niet. Hebben u of derde belanghebbenden er veel belang bij dat dit besluit niet in werking treedt, dan kan een voorlopige voorziening worden gevraagd bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Roermond. U kunt ook digitaal beroep instellen of voorlopige voorziening vragen bij genoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Wanneer een voorlopige voorziening wordt aangevraagd treedt de beschikking pas in werking nadat hierover een beslissing is genomen. Voor meer informatie over deze clausule verwijzen wij u naar de bijlage. Nederweert, 24 januari 2013 Burgemeester en wethouders van Nederweert, Namens dezen 1 Afdeling Samenleving en Ruimte, D.N.A. Kempkens - Overwegingen en voorschriften 1 Gelet op het op basis van bestuursmandaatbesluiten door het hoofd van de Afdeling Samenleving en Ruimte verleende ondermandaat. Eindhovensebaan 15 3

INHOUDSOPGAVE I. OVERWEGINGEN... 5 Het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk... 5 Bescherming natuur (Natuurbeschermingswet 1998).... 12 II. VOORSCHRIFTEN... 13 Het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk... 13 1 algemeen... 13 2 spuiwater luchtwassysteem... 13 Eindhovensebaan 15 4

I. OVERWEGINGEN Aan het besluit liggen de volgende inhoudelijke overwegingen ten grondslag: Het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk. A. AANGEVRAAGDE MILIEUSITUATIE. De totale veebezetting welke aangevraagd wordt is aangegeven in tabel 1. Tabel 1: aangevraagde veebezetting Stal Dieren per categorie (Rav code) Aantal Dieren NH 3 factor/ dier NH 3 totaal OU E / dier OU E totaal Fijn stof (PM 10 ) (g/dier) Fijn stof (PM 10 ) totaal (kg) 1 2 3 Vleesvarkens (D 3.2.15.4.2) 1 2.224 0,53 1.178,7 3,5 7.784,0 31 68,9 Vleesvarkens (D 3.2.15.4.2) 1 2.248 0,53 1.191,4 3,5 7.868,0 31 69,7 Vleesvarkens (D 3.2.15.4.2) 1 2.248 0,53 1.191,4 3,5 7.868,0 31 69,7 Totaal 3.561,6 23.520,0 208,3 1 Diercategorie vleesvarkens gedeeltelijk roostervloer luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie met watergordijn en biologische wasser ( BWL 2009.12) hokoppervlak groter dan 0,8 m 2 per varken. Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) Het activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling bevatten algemene regels die rechtstreeks van toepassing kunnen zijn op de aangevraagde activiteiten. Omdat dit besluit en deze regeling een rechtstreekse werking hebben, zijn hiervoor geen voorschriften in de vergunning opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn in de hoofdstukken 2 en 3 activiteiten vermeld die ook van toepassing zijn op type C bedrijven. Wij willen u erop wijzen dat deze (relevante) activiteit(en) volgens het Activiteitenbesluit moet(en) plaatsvinden overeenkomstig de voorschriften uit dat Besluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling. Vanwege de rechtstreekse werking van dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling kunnen in de vergunning geen voorschriften worden opgenomen die betrekking hebben op de daarin geregelde activiteiten en aspecten, tenzij dit besluit of bijbehorende regeling de mogelijkheid biedt tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Eindhovensebaan 15 5

B. VERGUNDE MILIEUSITUATIE. Voor de inrichting is op 29 maart 2010 een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer thans WABO vergunning verleend. Op grond van artikel 1.2 lid 4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden reeds verleende beschikkingen ingevolge van de Wet milieubeheer gelijkgesteld met aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. De vergunningsituatie heeft betrekking op de volgende veebezetting. Tabel 2: vigerende veebezetting Stal Dieren per categorie (Rav code) Aantal Dieren NH 3 factor/ dier NH 3 totaal OU E / dier OU E totaal Fijn stof (PM 10 ) (g/dier) Fijn stof (PM 10 ) totaal (kg) 1 2 3 Vleesvarkens (D 3.2.15.1.2) 1 2.224 0,53 1.178,7 6,9 15.345,6 31 68,9 Vleesvarkens (D 3.2.15.1.2) 1 2.248 0,53 1.191,4 6,9 15.511,2 31 69,7 Vleesvarkens (D 3.2.15.1.2) 1 2.248 0,53 1.191,4 6,9 15.511,2 31 69,7 Totaal 3.561,6 46.368,0 208,3 1 Diercategorie vleesvarkens gedeeltelijk roostervloer luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie met chemische wasser (lamellenfilter) en waterwasser (BWL 2006.14.V2) hokoppervlak groter dan 0,8 m 2 per varken. De Wet milieubeheer (revisie) vergunning thans WABO vergunning is rechtsgeldig voor bovengenoemde veebezetting. C. TOETSING AAN MILIEUCRITERIA. C. 1. Toetsing aan de Wet geurhinder en veehouderij Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. De geurhinder van dierenverblijven van een veehouderij moet worden getoetst volgens de methode zoals aangegeven in deze wet en de gelijknamige regeling. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de ligging van geurgevoelige objecten binnen of buiten de bebouwde kom én binnen of buiten concentratiegebieden. De geurbelasting van een inrichting is o.a. afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is gepubliceerd op 18 december 2006 en hierna nog enkele malen gewijzigd. In de Rgv is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld. De geurbelasting dient te worden berekend met het hiervoor ontworpen programma V-stacks vergunningen. Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, gelden minimaal aan te houden afstanden. Geurnormen De gemeente Nederweert is gelegen in concentratiegebied Zuid zoals bedoeld in bijlage I van de Meststoffenwet. Derhalve geldt op grond van artikel 3, lid 1 van de Wgv een normstelling van 3,0 OU E /m 3 voor woningen en andere geurgevoelige objecten die zijn gelegen binnen de bebouwde kom en een normstelling van 14,0 OU E /m 3 voor woningen en andere geurgevoelige objecten die zijn gelegen buiten de bebouwde kom. De nabij gelegen woningen en geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Eindhovensebaan 15 6

Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen (art. 6, lid 1 Wgv). Op 22 april 2008 heeft de gemeenteraad een dergelijke verordening vastgesteld. Deze verordening is op 8 mei 2008 gepubliceerd en op 9 mei 2008 in werking getreden. Dit met uitzondering van de norm voor het bedrijventerrein Ketelaarsweg. Hiervoor heeft de raad op 27 mei 2009 besloten de norm van 14,0 OU E /m 3 vast te stellen. Op 26 juni 2009 is door de gemeenteraad een aanvulling op de verordening vastgesteld. Deze aanvulling is op 2 juli 2009 gepubliceerd en op 3 juli 2009 in werking getreden. Op de bij de gemeentelijke verordening behorende kaart is aangegeven welke geurnormen gelden voor de betreffende gebieden. In afwijking van de wettelijk vastgestelde normen, zijn de volgende normen vastgesteld. - Voor de op de kaart aangegeven uitbreidingsgebieden: 8 OU E /m 3. - Voor gronden waar binnen de vigerende bestemmingsplannen een binnenplanse vrijstelling of wijzigingsbevoegdheid richting een geurgevoelige bestemming is opgenomen: 8 OU E /m 3. - Voor het bedrijventerrein Pannenweg (bestaand en in ontwikkeling zijnde): 8 OU E /m 3. Afstanden tot woningen bij veehouderijen Deze waarden gelden ingevolge artikel 3, lid 2 van de Wgv niet voor een woning bij een andere veehouderij. De afstand tot dergelijke bedrijfswoningen moet tenminste 50 meter bedragen buiten de bebouwde kom en moet tenminste 100 meter bedragen binnen de bebouwde kom. Bij gemeentelijke verordening van 22 april 2008 is afgeweken van deze afstandseisen (art. 6, lid 2 Wgv). In afwijking van de wettelijk vereiste afstand bedraagt de vereiste afstand tot bestaande (tweede bedrijfs) woningen bij melkveehouderijen en paardenhouderijen 25 meter. Het emissiepunt van nieuwe stallen mag niet binnen een afstand van 50 meter gerealiseerd worden en bestaande stallen mogen niet uitbreiden richting een woning binnen 50 meter. Bij het bepalen of een woning als bestaand aangemerkt kan worden, geldt dat de bouwvergunning uiterlijk op 22 april 2008 moet zijn verleend. Bij de aanvulling op de gemeentelijke verordening van 26 juni 2009 is bepaald dat geurgevoelige objecten die in gebruik zijn genomen als burgerwoning en die zijn afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij voor wat betreft de beoordeling in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij worden gelijkgeschakeld met agrarische bedrijfswoningen. Afstanden tussen de gevels Ingevolge artikel 5, lid 1 moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object binnen en buiten de bebouwde kom respectievelijk 50 en 25 meter bedragen. De dichtstbij gelegen woning zijnde een, buiten de bebouwde kom gelegen, burgerwoning aan Eindhovensebaan 13 ligt op een afstand van 370 meter van de inrichting. De dichtstbij gelegen bedrijfswoning behorende bij een veehouderij is gelegen aan Eindhovensebaan 17 op 110 meter van de inrichting. De dichtstbij gelegen burgerwoning binnen de bebouwde kom van Ospel ligt op circa 2.700 meter afstand van de inrichting. In het volgende overzicht zijn de berekende geurbelastingen op en afstanden tot omliggende woningen van derden, die als geurgevoelig object moeten worden aangemerkt, weergegeven. Tabel 3: Omgevingscategorieën met geurbelasting en gewenste en werkelijke afstanden Geurgevoelige objecten: Adres geurgevoelig object Cat. object Geurbelasting (OU E /m³) Gemeten tot buitenzijde Werkelijk Norm Werk. afst. (+/- m) Gew. afst. (m) Eindhovensebaan 13 Buiten 3,4 14 370 25 3 Zuidhoeveweg 1 Buiten 2,4 14 380 25 1 Ommelpad 38 Buiten 1,0 14 900 25 1 Ommelpad 11a Buiten 0,7 14 1.100 25 1 Punt (Stal) Eindhovensebaan 15 7

Conclusie Voor alle woningen wordt voldaan aan de afstandseisen en de geurnorm. Aan de bepalingen van de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. C. 2. Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij in werking getreden. Ingevolge de Wet van 17 februari 2007, houdende wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij richt de wet zich op de bescherming van zeer kwetsbare gebieden. Zeer kwetsbare gebieden moeten worden aangewezen door de provincies. Binnen deze gebieden en de zones van 250 meter rond deze gebieden wordt uitgegaan van een emissie-standstill. De inrichting is gelegen op een afstand van circa 1.600 meter van het meest nabij gelegen zeer kwetsbare vogelrichtlijngebied Weerter- en Budelerbergen en Ringselven en circa 2.600 meter van het meest nabij gelegen zeer kwetsbare habitatgebied De Groote Peel. Er geldt derhalve geen emissie-standstill verplichting voor de inrichting. C.3. Best beschikbare technieken (BBT) Getoetst is aan de eis om de voor de inrichting in aanmerking komende Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe te passen (onder andere artikel 2.14 lid 1 aanhef en onder c Wabo). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen zijn maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit ammoniak huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting). Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Dit is bevestigd in de 'Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij' d.d. 30 juli 2007 (een uitgave van het Ministerie van VROM). De eisen in het Besluit huisvesting zijn tot stand gekomen door rekening te houden met gegevens die het bevoegd gezag op grond van artikel 5.4 van het Besluit omgevingsrecht ook bij het vaststellen van BBT moet betrekken. De maximale emissiewaarden zijn opgenomen in bijlage 1 bij het Besluit huisvesting en dienen in acht te worden genomen bij nieuwbouw en aanpassing van huisvestingssystemen (feitelijke vervanging van het huisvestingssysteem). In de Wav is bepaald dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften van het Besluit huisvesting moet voldoen. Voor bestaande huisvestingssystemen gelden een aantal bijzondere bepalingen, zoals een overgangstermijn (zie bijlage 2 bij het Besluit huisvesting). Stalsystemen die voldoen aan de maximale emissiewaarden, voldoen aan BBT. In de navolgende tabel zijn de ammoniakemissiefactoren en maximale emissiewaarden van de aangevraagde huisvestingsystemen voor de verschillende diercategorieën aangegeven. Tabel 4: maximale emissiewaarden Diercategorie Aantal Ammoniak emissie Factor Ammoniak emissie aanvraag Maximale emissie waarde Maximale ammoniak emissie Vleesvarkens 1 2.224 0,53 1.178,7 1,4 3.113,6 Vleesvarkens 1 2.248 0,53 1.191,4 1,4 3.147,2 Vleesvarkens 1 2.248 0,53 1.191,4 1,4 3.147,2 Totaal 3.561,6 9.408,0 1 Het toegepaste huisvestingssysteem is BBT++. Uit bovenstaande tabel blijkt dat de huisvesting individueel in alle stallen voldoet aan de maximale emissiewaarden. Conclusie De gevraagde vergunning voldoet aan het criterium van het toepassen van de BBT voor de emissie van ammoniak. Eindhovensebaan 15 8

C.4. IPPC Richtlijn De IPPC-richtlijn (Europese Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) verplicht de lidstaten van de EU om grote milieuvervuilende bedrijven te reguleren middels een integrale vergunning gebaseerd op de beste beschikbare technieken (BBT). Ook is deze verplichting in de Wav (artikel 3, lid 3) en het Besluit huisvesting (artikel 2a) opgenomen. Aangezien binnen het bedrijf meer dan 2.000 vleesvarkens gehouden worden, zijnde de drempelwaarde uit de bijlage I van de IPPC-richtlijn, valt het bedrijf onder de Richtlijn. Dit betekent dat de Richtlijn van toepassing is. Op 25 juni 2007 is de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij vastgesteld. In deze beleidslijn is aangegeven dat verdergaande maatregelen dan BBT (BBT+) noodzakelijk zijn indien de ammoniakemissie van een veehouderij, na uitbreiding en toepassing van BBT meer bedraagt dan 5000 kg per jaar. Nog verdergaande maatregelen (BBT++) zijn noodzakelijk indien de ammoniakemissie na uitbreiding meer bedraagt dan 10.000 kg per jaar. In onze vergadering van 10 juli 2007 hebben wij besloten om de beleidslijn toe te passen bij aanvragen om een milieuvergunning. Uit tabel 4 blijkt dat er BBT++ maatregelen toegepast worden in alle drie de stallen. Dit betekent dat er, op grond van de beleidslijn, reeds extra verdergaande maatregelen dan BBT worden getroffen, zoals bedoeld in artikel 3, lid 3 van de Wav. C.5. Besluit milieu-effectrapportage De Europese MER-richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER). Het Besluit MER bepaalt dat er een directe verplichting tot het opstellen van een milieu-effectrapportage (bijlage C) of een merbeoordelingsplicht (bijlage D) bestaat bij het oprichten, wijzigen of uitbreiden van installaties met meer dan 2.000 stuks mestvarkens, 750 stuks zeugen of 2.700 stuks gespeende biggen. In de aangevraagde situatie blijft het aantal te houden dieren, ammoniakemissie en de fijn stof emissie gelijk. De geuremissie vanuit de inrichting neemt als gevolg van de gevraagde verandering af. Aan de geldende wet- en regelgeving wordt voldaan (zie de overwegingen verderop in deze overweging). Door het toepassen van vergaande technieken wordt bewerkstelligd dat de inrichting in zijn geheel voldoet aan BBT. Voor geluid wordt aan de richtwaarde voor het landelijk gebied voldaan. Er zijn geen planologisch aspecten die de gevraagde uitbreiding in de weg staan. In de directe omgeving zijn, gelet op bovenstaande overwegingen, geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten. De activiteit heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven criteria die betrekking hebben op: 1. de kenmerken van de activiteit én de samenhang met de andere activiteiten ter plaatse; 2. de plaats waar de activiteit plaatsvindt; 3. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. Deze beoordeling geeft geen aanleiding een mer-beoordelingsprocedure te volgen. C.6. Toetsing directe ammoniakschade Bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu kan mogelijke directe schade aan bossen en andere vegetaties door de uitstoot van ammoniak van belang zijn. Deze schade blijkt in de praktijk vooral plaats te vinden bij coniferen en fruitbomen, maar ook andere gewassen zijn er echter gevoelig voor. Of er sprake is van onaanvaardbare ammoniakschade kan beoordeeld worden aan de hand van rapport "Stallucht en Planten" van het IMAG in Wageningen uit juli 1981. Uit dit rapport blijkt dat schade door uitstoot van ammoniak uit stallen zich kan voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade blijkt dat een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen moet worden aangehouden. Toetsing aan dit rapport is, Eindhovensebaan 15 9

blijkens de uitspraak in casus E03.98.0118, nog steeds conform de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. Er bevinden zich binnen bovengenoemde afstanden van stallen géén gevoelige vegetaties zoals bedoeld. Daardoor kan in de aangevraagde situatie worden gewaarborgd dat er door de ammoniakemissie vanuit de dierverblijven geen directe ammoniakschade zal optreden. C.7. Toetsing aan overige milieucriteria Algemeen De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het toetsingskader voor de beslissing op de aanvraag. Hierna wordt aangegeven hoe de aanvraag zich tot het toetsingskader verhoudt. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed kunnen zijn. Afvalstoffen Er vindt geen wijziging plaats in de aard en omvang van het afvalwater van de onderhavige veehouderij. Afvalwater Het spoelwater van de ontijzeringsinstallatie en het hemelwater wordt geloosd in het oppervlaktewater. Hiervoor hoeven geen aanvullende voorschriften aan deze vergunning voor verbonden te worden omdat er voorschriften worden opgenomen in de Waterwet vergunning. Bodem Binnen de inrichting wordt geen zwavelzuur meer opgeslagen omdat er andere luchtwassers geplaatst worden. Voor het overige vindt er geen wijziging plaats in de aard en omvang van het afvalwater van de onderhavige veehouderij. Grondwaterputten De inrichting is gelegen in de zogenaamde Roerdalslenk, zoals bedoeld in de bijlage bij artikel 2.1, tweede lid, 5.2, eerste lid, en 5.4 van de Omgevingsverordening Limburg. De gemeente Nederweert is gelegen in Roerdalslenk zone III. Dit betekent dat voorschriften dienen te worden gesteld indien de diepte van een grondwater put 80 meter of meer bedraagt. Binnen de inrichting is een grondwaterput met een diepte van circa 60 meter aanwezig. Er hoeven derhalve geen aanvullende voorschriften opgesteld te worden. Energiegebruik Er vindt geen wijziging plaats in de aard en omvang van het energieverbruik van de onderhavige veehouderij. Geluid Er vindt geen wijziging plaats in de aard en omvang van de geluidsuitstraling van de onderhavige veehouderij. Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) van kracht geworden. Ingevolge deze wet gelden, in afwijking van artikel 5.1 van de Wet milieubeheer, ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht, de bepalingen van Titel 5.2 en de daarbij behorende bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Ingevolge artikel 5.17, lid 1 van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij de uitoefenen rekening met de in bijlage 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen en de richtwaarden voor ozon, nikkel, arseen, cadmium en benzo(a)pyreen. Onderhavige inrichting betreft een veehouderij. Bij veehouderijen is in het kader van de genoemde luchtkwaliteitseisen uitsluitend de emissie van zwevende deeltjes (PM10), ofwel fijn stofemissie van belang. Voor zwevende deeltjes gelden de volgende grenswaarden: - 40 microgram per m 3 (µg/m 3 ) als jaargemiddelde concentratie; Eindhovensebaan 15 10

- 50 microgram per m 3 (µg/m 3 ) als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Het uitgangspunt is dat de grens- en richtwaarden voor voornoemde stoffen in acht worden genomen. Ingevolge artikel 5.16, lid 1 onder b, juncto 1 e, hoeft een vergunning echter niet te worden geweigerd als de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van een activiteit per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft. Op 19 december is de Wijziging van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 in werking getreden. Op grond van de gewijzigde regeling hoeft toetsing van de luchtkwaliteitseisen niet meer plaats te vinden op niet publiek toegankelijk locaties en waar geen vaste bewoning is, terreinen met één of meer inrichtingen waarop de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is, rijbanen van wegen en op middenbermen van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben. Er wordt alleen getoetst indien significante blootstelling plaatsvindt, zoals bij woonbebouwing, scholen e.d. plaatsvindt. In de omgeving van de inrichting zijn uitsluitend (bedrijfs)woningen van derden, wegen zonder voetpad en niet voor publiek toegankelijke landbouwgronden gelegen. Toetsing hoeft derhalve uitsluitend plaats te vinden ter plaatse van de (bedrijfs)woningen aan Eindhovensebaan en Zuidhoeveweg. Uit de berekening (Van Rooij, Eindhovensebaan 15 (UV 20120169)) blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes ter plaatse van woningen van derden niet boven de 40 microgram per m 3 komt en dat er minder dan 35 maal per jaar een overschrijding is van de vierentwintiguurgemiddelde concentratie. De vergunning behoeft derhalve niet geweigerd te worden op grond van artikel 8.8 tweede en derde lid juncto artikel 5.17 van de Wet milieubeheer. C.8. Veiligheid Binnen de inrichting wordt geen zwavelzuur meer opgeslagen omdat er andere luchtwassers geplaatst worden. C.9. Informatie en advies Wij adviseren de vergunninghouder een bedrijfsintern milieuzorgsysteem in te voeren. Een milieuzorgsysteem is het geheel van beleidsmatige, organisatorische en administratieve maatregelen, gericht op - het inzicht krijgen in, - het beheersen van, - en het waar mogelijk verminderen van de nadelige gevolgen voor het milieu. In deze vergunning zijn elementen opgenomen die ook deel uit kunnen maken van een bedrijfsintern milieuzorgsysteem. Eindhovensebaan 15 11

Bescherming natuur (Natuurbeschermingswet 1998). De Natuurbeschermingswet verbiedt handelingen die schadelijk zijn voor een aangewezen natuurmonument, habitatrichtlijngebied of vogelrichtlijngebied, tenzij daarvoor een vergunning is verleend. Het verlenen van een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Sinds de invoering van de Wabo is de NB-wet geïntegreerd in de Wabo. Dit houdt in dat als er een omgevingsvergunning aangevraagd wordt, welke betrekking heeft op een activiteit waarvoor tevens een een natuurbescherminsvergunning (NB-wet) is vereist, de NB-wet vergunning aanvraag onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning aanvraag. Indien de NB-wet niet gelijktijdig aangevraagd wordt dient de omgevingsvergunning buiten behandeling gelaten te worden. Deze verplichting om de NB-wet gelijktijdig in te dienen vervalt op grond van artikel 46, lid 2 van de NB-wet indien voorafgaand aan de omgevingsvergunningaanvraag reeds een NB-wet vergunning aanvraag is ingediend. Op 28 februari 2012 heeft de Provincie Limburg een NB-wet vergunning aanvraag ontvangen. Hierdoor is er geen verplichting meer om aan te haken aan de Wabo procedure. Eindhovensebaan 15 12

II. VOORSCHRIFTEN Het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk. 1 ALGEMEEN 1.1.1 Op de inrichting zijn de voorschriften behorende bij de revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer thans WABO vergunning van 29 maart 2010 van toepassing, met uitzondering van: Hoofdstuk 6 Gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.14.V1. Dit hoofdstuk wordt vervangen door onderstaand hoofdstuk 2 Gecombineerd luchtwassysteem BWL 2009.12 ; Hoofdstuk 8 Spuiwater luchtwassysteem. Dit hoofdstuk wordt vervangen door onderstaand hoofdstuk 3 Spuiwater luchtwassysteem BWL 2009.12 ; Voorschrift 3.1.1. wordt vervangen door onderstaand voorschrift 4.1.1; Hoofdstuk 7 Opslag en gebruik zwavelzuur luchtwassysteem komt te vervallen. Op grond van artikel 1.2 lid 4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden reeds verleende beschikkingen ingevolge van de Wet milieubeheer gelijkgesteld met aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. 2 SPUIWATER LUCHTWASSYSTEEM 2.1 Opslag spuiwater algemeen 2.1.1 Het spuiwater van de luchtwasser (BWL 2009.12) dient te worden opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde afgesloten spuiwateropslag. 2.1.2 Het vorige voorschrift geldt voor alle spuiwaterstromen die uit de gecombineerde luchtwasser (BWL 2009.12) vrijkomen. 2.1.3 De wanden en vloer van de opslagruimte moeten bestand zijn tegen de invloed van het spuiwater. Bewijzen van de behandeling die de wanden en de vloer van de spuiwateropslag hebben ondergaan moeten binnen de inrichting aanwezig zijn. 2.1.4 De stijfheid en sterkte van de spuiwateropslag en de leidingen moet voldoende zijn om schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen, terwijl de dichtheid onder alle omstandigheden moet zijn verzekerd. 2.1.5 De spuiwateropslag moet voldoende inhoud hebben en mag niet zijn voorzien van een overstort. Afvoer naar een mestkelder / mestopslagruimte is niet toegestaan. 2.1.6 De spuiwateropslag mag slechts voor 95% worden gevuld. 2.1.7 De spuiwateropslag moet zijn voorzien van een opschrift met de woorden "OPSLAG SPUIWATER". Indien het spuiwater wordt opgeslagen in een opslagkelder, dient bij de putopening een bord te worden gehangen met de woorden "OPSLAG SPUIWATER". Eindhovensebaan 15 13

2.1.8 Indien een vloeistofstandaanwijzer of peilinrichting is aangebracht, moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de spuiwateropslag, ook door verkeerde werking of door breuk, wordt voorkomen. 2.1.9 De spuiwateropslag moet zijn voorzien van een ontluchtingspijp of ontluchtingsopening met een inwendige middellijn van tenminste 50 mm. 2.1.10 In elke aansluiting op de spuiwateropslag beneden het hoogste vloeistofniveau moet zo dicht mogelijk bij de wand een metalen afsluiter zijn geplaatst. Deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend, dan wel is gesloten. 2.1.11 Het laadpunt van de spuiwateropslag moet zich boven een vloeistofkerende vloer bevinden met een oppervlakte van tenminste 3 x 3 meter. 2.1.12 Het is niet toegestaan spuiwater in de riolering te brengen. 2.1.13 De afvoer van het spuiwater dient te worden geregistreerd (hoeveelheid en concentratie). Deze registratiegegevens worden gedurende een periode van 5 jaar bewaard en zijn beschikbaar voor controle door het bevoegde gezag. 2.1.14 Bij het vullen of ledigen van de opslagruimte mag geen verontreiniging van de bodem of het oppervlaktewater plaatsvinden. 2.1.15 Bij het afvoeren van spuiwater/percolaat mag de omgeving niet worden verontreinigd. Transport moet plaatsvinden in gesloten tankwagens. 2.1.16 Gemorst product moet met behulp van absorptiemateriaal zo spoedig mogelijk worden verwijderd. 2.2 Opslag spuiwater biologisch aanvullend 2.2.1 Bij de waterzuivering moet een duidelijke instructie van de leverancier aanwezig zijn. Deze instructie moet duidelijk aangeven op welke manier de installatie gedreven moet worden om een ongestoorde werking te garanderen. Tevens moet in de instructie worden aangegeven wat te doen bij storingen of calamiteiten. 2.2.2 Er moet volgens de in het voorgaande voorschrift genoemde instructie van de leverancier worden gewerkt, tenzij door of namens het bevoegd gezag een ander instructie wordt gegeven. 2.2.3 Er moet een logboek worden bijgehouden waarin vermeld wordt: - op welk moment de waterzuivering buiten werking is gesteld; - de reden van buiten werking stelling; - de genomen maatregelen; - de tijdstippen waarop de installatie weer in werking wordt gebracht. 2.2.4 Het logboek moet binnen de inrichting aanwezig zijn en moet op verzoek aan het bevoegd gezag worden getoond. De in het logboek opgenomen gegevens moeten 5 jaren binnen de Eindhovensebaan 15 14

inrichting worden bewaard. 2.2.5 De waterzuivering mag het rendement van de biologische luchtwasinstallatie niet negatief beïnvloeden. Dit betekent dat de hiervoor genoemde biologische luchtwasser samen met de waterzuivering een ammoniakverwijderingsrendement van tenminste 85% moet bewerkstelligen. Eindhovensebaan 15 15