Gebruikershandleiding KL2 MED 11 TX KL3 MED 11 TX KIWA/SCM goedgekeurd alarmsysteem met eigen autorisatie
Inhoud Korte beschrijving:... 3 Voorwoord... 3 Aan u wordt verstrekt...... 3 Inschakelen alarm... 3 Uitschakelen alarm.... 4 LED indicaties... 6 Startblokkering.... 6 Functionele beschrijving:... 8 Systeemeigenschappen... 8 Systeem onderdelen... 8 Als de auto naar de garage gaat.... 10 Helling hoek detectie.... 10 Codesleutels.... 10 Codekaart... 11 Noodprocedure... 12 Aanleren van MED transponders of code sleutels.... 12 Onderhoud... 13 Systeemconfiguratie... 13 storing... 15 2
Korte beschrijving: Voorwoord Dank u voor de aanschaf van dit MED product. Dit product is ontwikkeld met behulp van de allermodernste technologie alsmede een jarenlange ervaring op auto-beveiligingsgebied; daarmee biedt het u de hoogst mogelijke beveiliging voor uw voertuig. Het product voldoet aan de Europese normen en is KIWA/SCM goedgekeurd volgens het VBV AA04 keuringsvoorschrift. Lees, om het systeem probleemloos te kunnen bedienen, voordat u met uw beveiligde auto op weg gaat, deze handleiding zorgvuldig door. Aangezien het systeem op verschillende manieren geconfigureerd kan worden, zullen niet alle beschreven eigenschappen voor u van toepassing zijn. Laat u informeren door de installateur! Aan u wordt verstrekt... De volgende zaken moet u bij aflevering van uw alarm van uw installateur hebben ontvangen: - Een codekaart met daarop vermeld de noodcode. Belangrijk; goed bewaren!!! - Deze bedieningshandleiding. - Indien het systeem is aangemeld voor de verzekering: kopie van het SCM inbouwcertificaat. Indien een van de bovenstaande zaken ontbreekt...vraag uw installateur erom!!! Inschakelen alarm Controleer altijd of ramen en deuren goed gesloten zijn. Dit voorkomt valse alarm meldingen. Met gesloten ramen en het ultrasoon ingeschakeld. 3 Neem de sleutel uit het contactslot en verlaat de auto. Controleer of alle portieren, motorkap, kofferdeksel, ramen en schuifdak gesloten zijn, de LED in de auto moet uit zijn. Sluit de auto af met behulp van de originele handzender van de auto, zoals aangegeven door de autofabrikant. De richtingaanwijzers lichten twee keer op en uit de sirene klinkt twee keer een tweetonig signaal, de centrale deurvergrendeling wordt gesloten. De LED gaat constant branden. Het systeem heeft twee verschillende inschakelvertragingen: Na 5 seconden is de deur, motorkap-, kofferdeksel- en contactslot detectie actief. Na 20 seconden is de ultrasoon-interieur detectie actief. De LED gaat na 20 seconden knipperen. Met open ramen en het ultrasoon uitgeschakeld. Zet de auto minimaal 10 seconden op het contact. Neem de sleutel uit het contactslot en doe de bestuurdersdeur open.
De LED gaat nu branden. Druk op de LED/schakelaar totdat uit de sirene één keer een tweetonig signaal klinkt. Verlaat de auto en controleer of alle portieren, motorkap en kofferdeksel gesloten zijn. Sluit de auto af met behulp van de originele handzender van de auto, zoals aangegeven door de autofabrikant. De richtingaanwijzers lichten vier keer op en uit de sirene klinkt vier keer een tweetonig signaal en de centrale deurvergrendeling wordt gesloten. De LED gaat knipperen. Na 5 seconden: is de deur-, motorkap-, kofferdeksel- en contactslot-detectie actief. Het ultrasoon is uitgeschakeld. Afwijkingen bij inschakelen. Contact aan. Indien het contact aan staat zal het alarm niet inschakelen. De onderstaande functies zijn in het systeem te configureren en zullen afhankelijk van het voertuig wel of niet actief zijn. Massa controle functie (directe massa-ingang). De massa controle functie zorgt er voor dat het systeem een waarschuwing geeft indien de detectie schakelaars niet gesloten zijn ( LED aan). Het alarm zal dit kenbaar maken door drie korte pieptonen te geven. Het systeem zal wel inschakelen maar de directe massa ingang van het systeem uitsluiten Inschakelen na sluiten laatste deur (directe massa-ingang). Indien deze functie actief is en de handzender wordt bediend om het alarm in te schakelen zal het systeem niet eerder inschakelen, nadat alle detectie schakelaars gesloten zijn (LED aan). Het alarm zal een aanhoudende toon geven vanaf het moment van het inschakelen met de afstandsbediening en het inschakelen van het alarm. Inschakelvertraging (vertraagde massa-ingang). Als het alarm ingeschakeld wordt mag het +/- nog 30 seconden duren voor dat alle detectie schakelaars gesloten zijn (LED aan). Het alarm zal direct inschakelen en na 30 of 50 seconden alarm geven indien er nog een detectie schakelaar open is. Radar i. p. v. ultrasoon. Indien in het voertuig een radarmodule wordt gebruikt voor interieurdetectie in plaats van een ultrasoon systeem, zal het alarm bij het inschakelen de richtingaanwijzers driemaal aansturen en de sirene driemaal een tweetonig signaal geven. Het uitschakelen van het ultrasoon bij een geopend raam vervalt. 5 buzzer-pieptonen en 5 sirene-piepjes. Het systeem is in de configuratie geheel uitgeschakeld en zal dus niet werken. Uitschakelen alarm. 4 Ontgrendel het voertuig met de originele afstandsbediening. Het alarm zal nog niet uitschakelen maar komt in de uitschakel modus te staan.
Na het openen van een deur of kofferdeksel gaat het alarm naar de transponder zoeken. Dit wordt kenbaar gemaakt door een constante piep van de sirene. Indien de transponder binnen 10 seconden herkend worden. o De richtingaanwijzers lichten gedurende een aantal seconden op en de sirene geeft een tweetonig signaal; de constante piep stopt. Indien de transponder niet binnen 10 seconden herkend worden. o De richtingaanwijzers gaan knipperen en de sirene gaat af. Bij auto s die een extra knop voor het openen van de kofferruimte hebben kan het voorkomen dat u eerst de deuren open moet sturen alvorens de kofferbak te openen met de afstandsbediening. Voordat u het contact inschakeld, controleer of de indicatie LED op het dashboard een knippercode weergeeft ten teken dat er een alarmmelding heeft plaatsgevonden. Afwijkingen bij uitschakelen van alarm. Storingscode. Als na het uitschakelen het tweetonig signaal geklonken heeft en de sirene nog één of meer tonen geeft, is dit een indicatie dat het alarm af is gegaan. Het aantal tonen komt overeen met het aantal knippersignalen van de LED (zie tabel). Zolang de auto niet op contact wordt gezet, zal de laatste foutcode bij het opnieuw uitschakelen van het systeem weergegeven worden. Noodprocedure. U heeft een codekaart ontvangen met daarop vermeld de noodcode. Met deze noodcode kunt u het alarmsysteem uitschakelen indien uw handzender of transponder niet zou werken of u deze bent verloren. Bewaar deze kaart op een veilige plaats (niet in de auto, maar bijvoorbeeld bij uw autopapieren). De codesleutel kan ook gebruikt worden om het systeem voor nood uit te schakelen. Alarm melding. Als het alarm af gaat 10 seconden na het openen van het portier of de kofferruimte kan het zijn dat de transponder niet herkend is. Zorg er voor dat de transponder beweegt en dat de transponder zich dicht bij het voertuig bevind. Controleer de batterij van de transponder. Afwijkingen bij in- en uitschakelen van alarm. Akoestische indicatie bij in- en uitschakelen. Deze optie van het alarm kan in- of uitgeschakeld worden. Standaard is deze optie ingeschakeld. Storingscodes worden wel weergegeven en alarmmeldingen ook. Optische indicatie bij in- en uitschakelen. In een aantal gevallen worden de richtingaanwijzers van de auto aangestuurd door de afstandsbediening van de auto zelf. Als dit het geval is, wordt deze functie in het alarm uitgeschakeld. De indicatie van de richtingaanwijzers zal dan anders zijn dan omschreven. Indien de richtingaanwijzers niet door het voertuig aangestuurd worden en de functie is in het alarm uitgeschakeld, dan zullen de richtingaanwijzers niet oplichten bij het in- en uitschakelen. 5
LED indicaties De indicatie LED op het dashboard is multifunctioneel en geeft de volgende informatie: - Rustig knipperend na inschakeling: het alarm is ingeschakeld. - Continu branden na inschakeling: het alarm zit in de inschakelvertraging van 20 seconden na inschakeling. - Snel knipperend met het contact aan of uit: de startblokkering van het alarm is ingeschakeld, het alarm is uitgeschakeld. - Kort oplichten na uitzetten contact: Uit zetten van contact wordt geregistreerd. - Continu branden met het contact uit: detectie-schakelaars zijn nog niet gesloten. (Indien de startblokkering is ingeschakeld wordt deze functie uit geschakeld0 - Indicatie tijdens de noodprocedure (beschrijving zie noodprocedure ). - Een aantal knippersignalen na uitschakeling (knippercode): er is een alarmmelding geweest. Om de knippercode opnieuw te bekijken kan het alarm een keer in en uit worden geschakeld. Deze knippercode wordt gewist als de auto op contact wordt gezet. Startblokkering. Het alarmsysteem is voorzien van een automatisch inschakelende blokkering die afhankelijk van de systeemconfiguratie direct of vertraagd kan inschakelen. Direct: Bij een direct inschakelende startblokkering zal de startblokkering actief worden: - Als de auto van contact gezet is en daarna de deur geopend wordt. - Het inschakelen van de blokkering wordt uitgesteld als de transponder zichtbaar is. Het inschakelen van de blokkering wordt kenbaar gemaakt door een aantal pieptonen van de sirene en een aantal knippersignalen van de LED. De LED in de auto gaat daarna snel knipperen. 6 Aantal Alarm ingang knippersignalen 1 Deuren, motorkap, kofferdeksel openen detectie via CANbus. 2 Contact [15] AAN. 3 Ultrasoon sensor. 4 Deuren, motorkap, kofferbak en extra modules op vertraagde analoge ingang (lichtblauw / Witte draad - IN 1). 5 Sabotage van de ultrasoon sensor. 6 Deuren, motorkap, kofferdeksel op onmiddellijke analoge lijn (lichtblauw draad - IN 2). 7 Contact sleutel ingeschakeld op "CAN" lijn. 12 Kofferklep schakelaar, indien afzonderlijk gedetecteerd op de "CAN-bus (of slechts 1 signaal). 13 Motorkap schakelaar, indien afzonderlijk gedetecteerd op de "CAN" lijn (of slechts 1 signaal). 14 Motorkap schakelaar, indien afzonderlijk gedetecteerd op de draadloze code sirene SIR 070LW. 15 Onderbreking van de voeding van de draadloze code sirene SIR 070 LW.
De blokkering wordt weer uitgeschakeld als een deur wordt geopend of het contact wordt ingeschakeld en de transponder wordt gezien. Wanneer het contact wordt ingeschakeld met een ingeschakelde blokkering zal de sirene een pieptoon geven tot de transponder herkend is. Let op: Als het contact een 2e keer ingeschakeld wordt nadat de blokkering automatisch is ingeschakeld zal het alarm af gaan. Vertraagd: Bij een vertraagd inschakelende blokkering zal de startblokkering actief worden: - 1 minuut na het van contact zetten. - 2 minuten na het met de handzender uitschakelen van het alarm. - Het inschakelen van de blokkering wordt uitgesteld als de transponder zichtbaar is. Het inschakelen van de blokkering wordt kenbaar gemaakt door een aantal pieptonen van de sirene en een aantal knippersignalen van de LED. De LED in de auto gaat daarna snel knipperen. De blokkering wordt weer uitgeschakeld als een deur wordt geopend of het contact wordt ingeschakeld en de transponder wordt gezien. Wanneer het contact wordt ingeschakeld met een ingeschakelde blokkering zal de sirene een pieptoon geven tot de transponder herkend is. Let op: Als het contact een 2e keer ingeschakeld wordt nadat de blokkering automatisch is ingeschakeld zal het alarm af gaan. 7
Functionele beschrijving: Systeemeigenschappen Microprocessor gestuurd ultrasoon alarmsysteem. Inschakelend via de originele afstandsbediening van de auto. Uitschakelend via Transponder i.c.m de originele afstandsbediening van de auto. Codesleutel. Eigen autorisatie voor uitschakelen alarmsysteem bij gebruik van handzender auto. Indicatie LED t.b.v. alarmstatus, alarm-geheugenfunctie en programmering. Programmeren voertuigspecifieke parameters. Programmeren systeemeigenschappen. Beveiliging van de voor- en achterportieren door schakelaars. Beveiliging van de kofferruimte door schakelaars. Beveiliging van de motorruimte door schakelaars. Beveiliging van het interieur met een ultrasoon systeem, zelfinstellend met sabotagebeveiliging en uitschakelbaar. Extra detectiemodules uitschakelbaar voor 1 cyclus. Startblokkering (onderbreking van de startmotor) bestuurd door alarmcentrale (relais 20A). Automatisch inschakelende motor- en startonderbrekingen. Gecodeerde nooduitschakelprocedure. Nooduitschakelprocedure d.m.v. codesleutel. Aansturing van de richtingaanwijzers bij inschakelen, uitschakelen en afgaan van het alarm. Aansturing van een voertuigvolgsysteem of extra sirene. Aansturing van de richtingaanwijzers bij inschakelen, uitschakelen en afgaan van het alarm. Aansturing van de sirene bij afgaan van het alarm. Aansturing van de sirene bij bedienen van het alarm. Sirene voorzien van noodstroomvoorziening. Draadloze sirene met anti jamming. Systeem onderdelen Bediening Het systeem maakt gebruik van de handzender van het voertuig. Voor informatie over de afstandsbediening van het voertuig, raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de auto. Transponder In deze kit wordt een transponder meegeleverd voor de eigen autorisatie. De transponder gaat als hij niet bewogen wordt na 1 minuut in slaapmode. Hiermee wordt voorkomen dat het signaal van de transponder door een dief verlengd kan worden (Relaying). Tevens wordt de levensduur van de battery hierdoor verlengd. Als de transponder zich in de slaap modus bevindt zal het alarm de transponder niet vinden en zal het alarm en of de blokkering niet uitgeschakeld worden. 8
Batterij controlefunctie. In de transponder zit een batterij van het type CR2032. De levensduur van de batterij is afhankelijk van het gebruik. Om te voorkomen dat de transponder het niet meer doet zit er een batterij test functie op de transponder. Druk op de knop (het geribbelde vlak) van de transponder. Als de LED 1x oplicht is de batterij goed. Als de LED 2x achterelkaar oplicht moet de batterij vervangen worden. LED. Indien de batterij niet tijdig wordt vervangen is het systeem alleen nog via de nood uitschakeling te bedienen. Nooduitschakeling: Nooduitschakeling kan met behulp van de standaard meegeleverde LED druktoets of de codesleutel. OF Alarmering Het alarmsysteem kan (na de inschakelvertraging) worden geactiveerd door: - Het openen van portieren, motorkap of kofferdeksel. - Het op contact zetten van de auto. - Een beweging in de auto (alleen als het ultrasoon niet is uitgeschakeld). - Het optakelen of wegslepen van de auto (alleen als de auto is voorzien van een hellingsdetector). - Loskoppelen van de accu. Het alarmsysteem kan (na de uitschakelvertraging) worden geactiveerd door: - Het ontbreken van de transponder autorisatie. Wanneer het alarm geactiveerd is, gebeurt het volgende: - richtingaanwijzers knipperen gedurende 30 seconden. - sirene gaat af gedurende 30 seconden. Het alarm kan op de normale wijze uitgeschakeld worden. De sirene is voorzien van een sabotagebeveiliging. Als één van de voedingsdraden van het alarm of de sirene onderbroken wordt, zal de sirene afgaan. De richtingaanwijzers worden hierbij ook aangestuurd. Het alarm kan in dit geval niet met de afstandsbediening worden uitgeschakeld. het alarm ook af gaan als de draadloze verbinding gejamed wordt. 9
Lage accu spanning: Als de accu van het voertuig langzaam leeg loopt (te wijten aan bv het aan laten staan van de lampen of andere apparaten), zal de sirene niet af gaan op de noodstroom accu. Laad de accu van het voertuig weer op, het systeem is dan weer uit te schakelen met de afstandsbediening, de codesleutel of de nood code. Als de auto naar de garage gaat. Als de accu van de auto bij onderhoud of reparatie losgekoppeld moet worden, is het noodzakelijk de sabotagebeveiliging van de sirene tijdelijk uit te schakelen: Schakel het systeem uit. Koppel nu de stekker van de sirene los; de sirene is nu uitgeschakeld. Als na onderhoud of reparatie de stekker weer op de sirene wordt geplaatst, is de sirene weer ingeschakeld. Helling hoek detectie. De optionele externe hellingshoek sensor wordt geactiveerd als het alarm ingeschakeld wordt. Indien de hoek van het voertuig verandert zal dit tot een alarm conditie leiden. De hellingshoek sensor kan voor een cyclus uitgeschakeld worden. De wordt op de zelfde wijze uitgeschakeld als het ultrasoon. Codesleutels. Met de codesleutel kan het alarm ingeschakeld worden en kan het alarm uitgeschakeld worden. Tevens worden alle aangesloten optionele modules aangestuurd. De codesleutel kan ook gebruikt worden als nood uitschakeling. De codesleutels werken op basis van een rollende code. De sleutels moeten op het systeem aangeleerd worden. Er kunnen maximaal 4 sleutels aan het systeem aangeleerd worden. Bediening. Druk de codesleutel op het contact dat in het voertuig geplaatst is. Zorg ervoor dat buitenste ringen en het middelste punt goed contact met elkaar maken. Inschakeling van het alarmsysteem met een codesleutel 10 Neem de sleutel uit het contactslot. Druk de codesleutel op het contact. De sirene zal 20 seconden lang een aanhoudende toon weergeven en de LED gaat constant branden.
Sluit binnen deze 20 seconden de auto af. Na de uitstapvertraging van 20 seconden zullen de richtingaanwijzers twee keer oplichten en de sirene geeft tweemaal een tweetonig signaal. De LED gaat knipperen. Het systeem is actief. Inschakeling van het alarm met codesleutel en uitgeschakeld ultrasoon systeem. Zet de auto van het contact of open het bestuurdersportier. Druk 1x op de LED-schakelaar als de LED brandt en uit de sirene klinkt éénmaal een tweetonig signaal. Druk de codesleutel op het contact. De sirene zal 20 seconden lang een aanhoudende toon weergeven en de LED gaat constant branden. Sluit binnen deze 20 seconden de auto af. Na de uitstapvertraging van 20 seconden zullen de richtingaanwijzers vier keer oplichten en uit de sirene klinkt viermaal een tweetonig signaal. De LED gaat knipperen. Het systeem is actief. Het ultrasoon is eenmalig uitgeschakeld. Uitschakelen van het alarmsysteem met codesleutel Open de deur met de sleutel van het voertuig. Als de auto wordt geopend met de afstandsbediening van de auto kan het systeem binnen 10 seconden uitgeschakeld worden zonder dat het alarm afgaat. Als auto wordt geopend met de sleutel van de auto zal het alarm direct af gaan bij het openen van de deur. Druk de codesleutel op het contact. Het alarm zal op de gebruikelijke manier uitschakelen. Aanleren van de codesleutel. Het systeem moet uitgeschakeld zijn om de codesleutels aan te leren. Voer de noodprocedure in met de mastercode. Als de bevestigingspieptoon is beëindigd en de LED brandt constant, druk de codesleutel met het metalen gedeelte drie keer kort na elkaar op het codesleutel-contact. Codekaart Op de codekaart staat het serienummers van de centrale en de mastercode van het systeem vermeld. Tevens staat er een beknopte omschrijving over het invoeren van de noodprocedure. Met de code kaart kan het alarmsysteem uitgeschakeld worden als de handzender of codesleutel niet meer werkt. De code kaart wordt ook gebruikt om nieuwe MED afstandbedieningen, transponders of codesleutels op het systeem aan te leren. LET OP: Bewaar de code kaart goed. Deze wordt slechts eenmalig bij het systeem verstrekt. 11
Noodprocedure Opmerking: als de periode tussen de diverse stappen van de noodprocedure langer duurt dan 10 seconden, of er is een fout gemaakt, wacht dan 30 seconden en probeer de code opnieuw in te voeren. Oefen deze noodprocedure één keer, het voorkomt ergernis als de noodprocedure een keer echt uitgevoerd dient te worden. De noodprocedure dient als volgt uitgevoerd worden: Uw noodcode is bijvoorbeeld 2473 (uw eigen code staat op de codekaart). Open de auto met de sleutel (het alarm kan nu afgaan). Doe de sleutel in het contact. Zet het contact snel een keer aan en uit de LED gaat constant branden. Begin met het drukken als de LED nog constant brand. Druk nu 2 keer op de LED schakelaar en wacht tot de LED uitgaat en weer aan. Druk nu 4 keer op de LED schakelaar en wacht tot de LED uitgaat en weer aan. Druk nu 7 keer op de LED schakelaar en wacht tot de LED uitgaat en weer aan. Druk nu 3 keer op de LED schakelaar en wacht tot de LED uitgaat en weer aan. De richtingaanwijzers lichten gedurende een aantal seconden op en de sirene geeft een tweetonig signaal. U kunt nu binnen 1 minuut de auto op contact zetten, starten en wegrijden. Indien dit niet gebeurt, schakelt de startblokkering na 1 minuut weer in. Als u het contact uitzet, zal na 1 minuut de startblokkering weer inschakelen en moet u opnieuw de noodcode inbrengen alvorens u weer kunt starten. Opmerking: Nooduitschakeling kan ook met behulp van de optionele codesleutel. Aanleren van MED transponders of code sleutels. Op het systeem kunnen de volgende onderdelen aangeleerd worden. - Codesleutel (max 4) - Transponder (max 4) Handzenders van de auto kunnen niet aangeleerd worden. De meegeleverde componenten zijn al op het systeem geprogrammeerd. Met behulp van de codekaart kunnen nieuwe componenten geprogrammeerd worden. 1. Schakel het systeem uit (led uit). 2. Voer de noodprocedure uit. 3. Aan het eind van de noodcode geeft de sirene een bevestigingstoon en gaat de LED constant branden. 4. Het systeem staat nu in de programmeer mode. 5. Druk nu drie keer op de knop van de te programmeren handzender of 1x lang op de transponder. (De codesleutel moet 3 keer tegen het contact gedrukt worden) 6. Elke keer als de knop wordt ingedrukt gaat de LED even uit en geeft de sirene een pieptoon. 7. Als het component door het systeem herkend is wordt dit bevestigd door: - 2 pieptonen kort achter elkaar en 2x knipperen van de LED bevestigd dat het component is aangeleerd. 12
- 4 pieptonen kort achter elkaar en 4x knipperen van de LED geven aan dat component reeds is geactiveerd. - 6 pieptonen kort achter elkaar en 6x knipperen van de LED geeft aan dat het maximum aantal componenten al is aangeleerd. Indien er een tweede of derde component geprogrammeerd moet worden, herhaalt u stap 5. Zet de auto op en van contact of wacht 25 seconden om het programmeren te beëindigen. De handzender(s) zijn geprogrammeerd. Handzenders, codesleutels en transponders die geprogrammeerd waren en niet tijdens het programmeren ingedrukt zijn, zullen niet meer werken. Bij het aanleren van een nieuw component zullen allen de aangeleerde componenten van het zelfde type in het geheugen gewist worden. Zodra de eerste nieuwe handzender is aangeleerd kan de procedure niet meer afgebroken worden. Onderhoud Het systeem is onderhoudsvrij. Indien u de motorruimte reinigt met hoge druk, dient de sirene afgeschermd te worden. Controleer maandelijks de juiste werking van het systeem. Systeemconfiguratie De volgende functies kunnen aangepast worden. 11A 11B 11C 11D 11E 11F Knipperlichtaansturing bij in- of uitschakeling alarm Akoestisch signaal bij in- of uitschakeling alarm Status van de alarmcentrale Alarmcycli CANbus omtrekdetectie Analoge omtrekdetectie Om een gebruikerconfiguratie te laden, dienen de volgende stappen doorlopen te worden: 13 Zet het contact éénmaal aan en uit. Begin en eindig met een uitgeschakeld contact. Druk 11 keer op de LED-schakelaar tot de sirene een ander signaal geeft. Wacht tot de sirene een bevestiging geeft van een aantal pieptonen na elkaar. Het systeem staat nu in de programmeermode. Zoek de functie op in de lijst. Druk nu net zo vaak op de knop van de LED als het nummer voor de functie aangeeft. Let op; iedere keer als de knop ingedrukt wordt, moet de LED uitgaan en de sirene een pieptoon geven. Als de sirene niet gehoord wordt tijdens het indrukken van een toets mag deze niet geteld worden. De LED zal ter bevestiging een aantal keren snel knipperen en daarna zal de sirene 5 seconden lang een tweetonig signaal geven; de LED gaat weer constant branden. Als de programmering niet gelukt is of als de code niet bestaat zal de LED snel gaan knipperen en de sirene snel na elkaar een tweetonig signaal geven. Herhaal de procedure vanaf stap 4. Indien een tweede functie geprogrammeerd moet worden, ga dan naar stap 5. Zet het contact aan en uit. De LED gaat uit en de centrale is uit de systeemprogrammeermode
Opties voor de gebruikerconfiguratie. (11A) Knipperlichtaansturing bij in- of uitschakeling alarm 3 1: Ingeschakeld <> 2: uitgeschakeld (11B) Akoestisch signaal bij in- of uitschakeling alarm 4 1: Ingeschakeld <> 2: uitgeschakeld (11C) Status van de alarmcentrale 5 1: Operationeel <> 2: uitgeschakeld (11D) Alarmcycli 6 1: 3 alarm cycli <> 2: 1 alarm cyclus (11 E) CANbus omtrekdetectie 7 1: Ingeschakeld > 2: uitgeschakeld (11F) Analoge omtrekdetectie 8 1: Ingeschakeld > 2: uitgeschakeld Verklaring van functie (11A) Knipperlichtaansturing bij in- of uitschakeling alarm. Bij het in en uit schakelen van het alarm, wordt er een bevestiging door de richting aanwijzers gegeven. Indien dit niet gewenst is kan deze functie uitgeschakeld worden. (indien er gebruik wordt gemaakt van de originele handzender van de auto mag deze functie niet ingeschakeld worden omdat de auto de richting aanwijzers al aanstuurt). (11B) Akoestisch signaal. Bij het in en uit schakelen van het alarm wordt er een bevestiging door de sirene gegeven. Indien dit niet gewenst is, kan deze functie uitgeschakeld worden. Fout indicaties worden wel weergegeven. (11C) Status van de alarmcentrale. Indien de auto voor onderhoud naar de garage gaat of voor een lange tijd niet gebruikt wordt kan het alarmsysteem geheel uitgeschakeld worden. LET OP: vergeet niet het systeem weer aan te zetten. Als het systeem ingeschakeld wordt met een uitgeschakeld systeem zal de sirene 5 korte piepjes geven (11D) Alarmcycli. Standaard geeft de alarm centrale één alarmmelding per detectie op de omtrekbeveiliging. Dit kan aangepast worden naar 3 cucli indien gewenst. (11 E) CAN-bus omtrekdetectie. Deze functie wordt gebruikt om de detectiefunctie van de deur, motorkap, kofferdeksel schakelaars voor de CAN-bus ingang uit te schakelen. (11F) Analoge omtrekdetectie. Deze functie wordt gebruikt om de detectiefunctie van de deur, motorkap, kofferdeksel schakelaars alsmede aanvullende modules afzonderlijk voor de analoge ingang lichtblauw of blauw / Wit draad uit te schakelen. 14
WAARSCHUWING: Gebruik de laatste 2 functies in het geval dat een van de schakelaars of sensoren faalt. Laat deze zo snel mogelijk repareren. storing Afstandbediening van de auto werkt niet. Raadpleeg de handleiding van het voertuig. Transponder werkt niet. Indien de batterijen leeg beginnen te raken zal de afstand steeds kleiner worden waarop deze nog functioneert. Gebruik de batterij controlefunctie om dit te controleren. Vervang de batterij op tijd. Type batterij :CR2032. Voor het tijdig ontvangen van een nieuwe batterij kunt u gebruikmaken van onze batterij service. Voor meer informatie raadpleeg onze website; www.autosound.nl/batterijservice. Lage accu spanning. Als de accu van het voertuig langzaam leeg loopt (te wijten aan bv het aan laten staan van de lampen of andere apparaten), zal de sirene niet af gaan op de noodstroom accu. Laad de accu van het voertuig weer op, het systeem is dan weer uit te schakelen met de afstandsbediening, de codesleutel of de nood code. Het alarm schakelt niet uit. In geval van een storing kan het systeem met behulp van de noodprocedure uitgeschakeld worden. Vals alarm. Zorg er voor dat u de knippercode van de led weet. Neem contact op met uw installateur. Deze kan aanwijzingen geven om te helpen bij de storing. 15
Dealer stempel Copyright Juli 2016 V4.5 FW1.43 Autosound B.V. Euregioweg 330A 7532SN Enschede Tel: 0900-1111 276 E-mail: E-mail: Internet: info@autosound.nl helpdesk@autosound.nl www.autosound.nl 16