groep ERFGOEDEDUCATIE Het zinvol beleven van het erfgoed is een centraal begrip in de didactiek voor erfgoededucatie. Het werken met het erfgoed wordt gestuurd door het stellen van betekenisvolle vragen. De leerlingen worden door opdrachten gestuurd in het beleven van het erfgoed. groep 5-6 en 7-8 DE RODE DRAAD VAN TWENTE HOE MENSEN IN VERSCHILLENDE TIJDEN LEVEN Deze handleiding bevat informatie over het programma De Rode Draad van Twente. Het programma speelt zich af in TwentseWelle, in Het Grote Verhaal, een permanente tentoonstelling over hoe de mens dankzij vindingrijkheid kon overleven. Het Grote Verhaal schetst de geschiedenis vanaf de prehistorie tot in het heden, met een blik op de toekomst. Dit universele verhaal wordt verteld aan de hand van Twentse voorbeelden, objecten en verhalen, ons cultureel erfgoed. INHOUD In de klas... 2 stamboom... 3 Planning... 4 In het museum... 4 Aan het werk... 5 Afsluiting... 6 Begrippenlijst... 7 Leerdoelen en Kerndoelen... 8 Er zijn 2 versies van het programma: voor groep 5-6 Dit betekent: formulering van de tekst op niveau. Antwoorden aankruisen. groep 7-8 B M Tekst op niveau. Meer zelf antwoorden formuleren. De vraagstelling is meer op niveau van deze leeftijd.
In de klas U heeft een afspraak gemaakt met TwentseWelle voor een schoolbezoek. Bereid uw leerlingen voor op het bezoek aan het museum door te vertellen waar het museum over gaat en wat de klas gaat doen. Hiervoor kunt u gebruik maken van het introductiefilmpje op de website. Daarnaast is het nuttig om ook even de huisregels door te nemen. HUISREGELS 4 Houd rekening met andere bezoekers. 4 Niet eten en drinken in het museum, ook niet in de entreehal. 4 De liften niet gebruiken, behalve uit noodzaak. Ieder onderwijsprogramma van TwentseWelle bestaat uit 3 deelprocessen: activeren van de voorkennis, beleving en reflectie. Samen zorgen ze voor een volwaardig leerproces en vormen ze de vaste didactische structuur voor de onderwijsprogramma s. Dit leerproces WAT WETEN WE AL, WAT GAAN WE DOEN en WAT HEBBEN WE GELEERD vindt plaats in het museum. Voor groep 5-6: Niet noodzakelijk, maar wel aan te raden is het vooraf behandelen van het tijdsbegrip. Hiervoor kunt u werkbladen over de stamboom gebruiken. Begin met de eigen stamboom in te laten vullen, met het tekenen van jezelf, vader, moeder, opa s, oma s. Vervolgens de stamboom van de tijd. De uitleg staat op het werkblad. Wij hanteren de aanduiding van zoveel opa s en oma s geleden, dwz. generaties van 70 jaar. Oftewel: de opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa van je opa... etc. 2
Stamboom onze tijd tijd van de fabrieken = 140 jaar geleden tijd dat iedereen boer was = 700 jaar geleden tijd van de eerste boeren = 3500 jaar geleden tijd van jagers en verzamelaars = 7000 jaar geleden den rkbla e w b o om Stam en als n zijn e t a l p n kleur loade n w o ed PDF t 3
Planning Neem voldoende begeleiders mee, 1 op 15 leerlingen is een goede norm. Wij verwachten van de leerkracht een actieve rol bij het uitvoeren van dit onderwijsprogramma in het museum. Een museumdocent ontvangt u en uw leerlingen. In het museum: Wat? Waar? Hoe lang? Intro: voorkennis activeren. Wat weten we al? In de hal bij de filmwand. 5 minuten De museumdocent neemt u mee naar de eerste zaal. Wat? Waar? Hoe lang? Het programma De Rode Draad van Twente Door de gehele tentoonstelling. Beginnend bij het instructiebord. ca. 60 minuten Wat? Waar? Hoe lang? Afsluiting: reflectie. Wat hebben we geleerd? Bij het instructiebord. 5-10 minuten Ga na afloop via de hellingbaan weer terug naar de ingang. In het museum Het activeren van voorkennis zorgt ervoor dat leerlingen dat wat ze gaan leren kunnen verbinden aan wat ze al weten. Dat betekent dat de basisinformatie wordt aangesproken die nodig is om het erfgoed van TwentseWelle zinvol te beleven. 4
De tentoonstelling Het Grote Verhaal is op te delen in verhalen uit verschillende tijden: JAGERS EN VERZAMELAARS, BOEREN, OPKOMENDE HANDEL, INDUSTRIE EN INNOVATIE. De filmwand in de hal laat deze verschillende periodes chronologisch zien. De museumdocent: VRAAGT: VERTELT: VRAAGT: VERTELT: Wie is al eerder in TwentseWelle geweest? Wat heb je toen gezien en geleerd? Dat dingen van vroeger bewaard worden in een museum. Al die dingen bij elkaar vertellen een verhaal. Een heel groot verhaal. Over hoe we hier zijn begonnen in de prehistorie en hoe we hier nu leven. Het Grote Verhaal kun je opdelen in verhalen uit verschillende tijden. Welke tijden of periodes ken je? We gaan straks het museum in. We gaan de perioden onderzoeken. We volgen de rode draad door de geschiedenis van Twente. 5
Aan het werk Met een groot, duidelijk instructiebord legt de museumdocent uit wat de leerlingen gaan doen: Met z n allen een boek maken met veel informatie over Twente. Per groepje drie bladzijden invullen van het boek. Antwoorden op een bloknootje noteren. Puzzelkaartjes verzamelen. De leerlingen worden in 9 groepjes verdeeld. Ieder groepje krijgt een rugzakje met een plattegrond met de opdrachten en drie bladzijden uit het boek. 6
Op de plattegrond staan vragen. De antwoorden zijn te vinden in de tentoonstelling en worden genoteerd op een bloknootje. Deze zijn nodig voor de woordpuzzel. De woordpuzzel wordt gemaakt met puzzelkaartjes die ze bij elk antwoordpunt mee nemen. Negen groepjes met elk drie bladzijden, dat zijn in totaal 27 bladzijden voor het boek. De hoofdstukken en de kaft worden meegegeven aan de leerkracht. Evenals een antwoordkaart, zodat het optimaal in de klas benut kan worden! 7
Afsluiting Aan het eind van het leerproces vindt reflectie plaats. Door het stellen van de vraag wat heb je geleerd en het toetsen van de leerdoelen, wordt het eigenlijke leereffect behaald. Na het maken van de opdrachten komt de groep weer bij elkaar. Zijn er nog vragen die niet duidelijk zijn? Beantwoord ze met elkaar. De museumdocent vraagt de leerlingen: o En... wat kwam er uit de puzzel van de kaartjes? o Wat heb je geleerd vandaag? Wat vond je mooi in het museum? o Wat heb je van vroeger ontdekt? 8
Begrippenlijst De volgende begrippen vragen misschien nog om uitleg aan uw leerlingen. Fossielen: zijn versteende resten van dieren of planten. Aan fossielen kunnen we zien wat voor planten en dieren vroeger voorkwamen. IJstijd: is de tijd van grote kou, sneeuw en ijs. In Twente ligt die tijd al meer dan 11.000 jaar achter ons. Het land was kaal en er leefden grote dieren als mammoeten en neushoorns. Mensen kwamen hier nog maar heel weinig voor. Steentijd: na de ijstijd kwam de steentijd. Het werd warmer in ons land. Er kwamen meer mensen in Twente, die op jacht gingen en voedsel verzamelden. Ze maakten speren, bijlen en hamers van hout en vuursteen. De stenen voorwerpen zijn bewaard gebleven, daarom spreken we over de steentijd. Lös Hoes: is een echte Twentse boerderij. In dit open huis leefden de mensen en de dieren dicht bij elkaar. Handelaar: koopt spullen in die door andere mensen zijn gemaakt en verkoopt deze spullen weer door aan andere mensen. Met het doorverkopen verdienen ze hun geld. Stoommachine: een machine die werkt op de kracht van hete stoom. De stoom zet verschillende onderdelen in beweging. Het is een knappe uitvinding. Stoommachines worden voor verschillende toepassingen gebruikt.. Innovatie: is vernieuwing. Je doet bijvoorbeeld onderzoek in een laboratorium om nieuwe producten te verzinnen. Maar innovatie kan ook betekenen dat we problemen op een hele nieuwe manier gaan aanpakken. 9
Leerdoelen en Kerndoelen LEERDOELEN De leerlingen: Leren dat het Grote Verhaal van de geschiedenis van Twente is op te delen in verschillende tijden: tijd van jagers en verzamelaars, tijd van de eerste boeren, tijd dat iedereen boer was, de tijd van fabrieken en onze tijd. Leren over het leven van mens en dier in de verschillende tijdsperioden: ze leren over fossielen, mensen en dieren die leefden in de ijstijd, de steentijd, het lös hoes, over het begrip handel, de komst van de stoommachines en leren over het begrip innovatie. Orientatie op jezelf en de wereld: Kunnen voorbeelden geven van tastbare sporen die terug te vinden zijn in TwentseWelle. In dit leergebied oriënteren leerlingen zich op zichzelf, op hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze problemen oplossen en hoe ze zin en betekenis geven aan hun bestaan. Leerlingen oriënteren zich op de natuurlijke omgeving en op verschijnselen die zich daarin voordoen. Leerlingen oriënteren zich op de wereld dichtbij, veraf, toen en nu en maken daarbij gebruik van cultureel erfgoed. KERNDOEL 51 De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren. KERNDOEL 52 De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de verschillende tijdvakken. Tijd van jagers en boeren. Tijd van burgers en stoommachines. Tijd van de televisie en de computer. KERNDOEL 56 De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed. Nederlands: KERNDOEL 1 KERNDOEL 9 De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven. De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten. 10