De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Situatie 2013

Vergelijkbare documenten
Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid

FOCUS Werkgelegengheid in het Brussels Grootstedelijk Gebied

De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013

Profiel van de UVW-WZ: vergelijking 2004/ 2013

FOCUS De situatie van oudere werknemers op de Brusselse arbeidsmarkt

Heel gunstige arbeidsmarktevolutie in Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten -

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt

Trends op de Belgische arbeidsmarkt ( )

B. Werkende beroepsbevolking en interne werkgelegenheid

De werkloosheid op haar hoogste peil sinds het begin van de crisis

PERSBERICHT Brussel, 28 maart 2013

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Juli 2014

De Belgische arbeidsmarkt in 2012

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Januari 2015

PERSBERICHT Brussel, 30 september 2013

Regionale economische vooruitzichten

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Juli 2018

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Oktober 2018

PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013

De jonge uitkeringstrekkers ten laste van de RVA

Pendelarbeid tussen Gewesten en provincies

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag November 2018

Regionale economische vooruitzichten

PERSBERICHT Brussel, 25 maart 2014

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Juli 2015

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Juni 2018

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Mei 2016

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Augustus 2017

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Januari 2017

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Juni 2015

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag juni 2016

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Februari 2019

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Mei 2017

B. Werkende beroepsbevolking en interne werkgelegenheid

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag April 2019

0. KENGETALLEN. Bron: FOD Economie (Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie), INR, VDAB, RVA en Steunpunt WSE.

PERSBERICHT Brussel, 22 december 2015

BIJLAGE DERDE EDITIE ECONOMISCH GEWICHT VAN DE IZW S IN BELGIE

Stijging van het aantal werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen maar eerste daling bij de jongeren onder 25 jaar

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag November 2017

De 50-plussers op de Limburgse arbeidsmarkt

Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Maart 2019

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag September 2015

34,0 31,9 % 32,0 30,0 28,0 26,7 % 26,0 26,5 % 24,0 22,0. Jaarlijkse evolutie. Jeugdwerkloosheid -992 eenheden

Trends op de arbeidsmarkt tussen 1986 en 2006

De 50-plussers op de Limburgse arbeidsmarkt

Evolutie van het arbeidsongevallenrisico in de privésector in België tussen 1985 en 2013

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Oktober 2015

PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015

ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 26 november 2010

Overzicht van de behoeften aan wetenschappelijke en technologische beroepen

FOCUS Welke tewerkstellingsperspectieven hebben hooggeschoolden in Brussel?

67,3% van de jarigen aan het werk

Juni 2018: van de jonge Brusselaars zijn nu minder dan werkzoekende

De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Geslacht, leeftijdsklasse en dichtheid 2014 Nationaliteit 2013

Jongeren vinden moeilijker een job - Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten, derde kwartaal

Gedifferentieerde evolutie van de langdurige werkloosheid volgens geslacht

Samenvatting van de IMA-studie. Sociaaleconomisch profiel en zorgconsumptie van personen in primaire arbeidsongeschiktheid

PERSBERICHT Brussel, 26 juni 2015

De jongerenwerkloosheid blijft verder dalen in Brussel: -9,3% in één jaar tijd

VLAANDEREN OP HET EUROPESE SCOREBORD Hoofstuk 4

Evolutie van de uitkeringstrekkers van 50 jaar of ouder

Arbeidsmarktbarometer Onderwijs

34,0 32,0 30,0 28,0 26,0 24,0 22,0. Jaarlijkse evolutie. Jeugdwerkloosheid -534 eenheden

Augustus 2018: aantal jonge werkzoekenden op laagste niveau sinds 1990

Regionale verdeling van de notariële vastgoedindex

De sociale balans gewaardeerd en gecorrigeerd

34,0 32,0 30,0 28,0 26,0 24,0 22,0 20,0. Jaarlijkse evolutie. Jeugdwerkloosheid -291 eenheden

Impact van de activeringsmaatregelen op de tewerkstelling van werknemers met een buitenlandse nationaliteit

Profiel en evolutie van de sociale uitkeringstrekkers anno 2001

Arbeidsmarktbarometer Onderwijs

Impact van gesubsidieerde tewerkstelling op de tewerkstelling van werknemers met een buitenlandse nationaliteit

Spotlight. Een onderwerp telkens beknopt uitgelicht. 1 Inleiding. 3 Resultaten. 3.1 Gewest en jaar. 2 Methodologie

BRUSSELS ARMOEDERAPPORT 2015 Welzijnsbarometer: samenvatting

DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE. Kerncijfers Vergrijzing en Werkzaamheid Versie 20 juni 2013

De evolutie van de sociale situatie en de sociale bescherming in België Samenvatting en kernboodschappen

April 2018: Brusselse werkloosheidsgraad op laagste niveau in 25 jaar

Tewerkstellingssteun in het Brussels Gewest: 255 miljoen euro voor de Brusselaars

Arbeidsmarktbarometer 2011 Basisonderwijs en Secundair onderwijs

Meeruitgaven in 2005 t.o.v voor vrouwelijke 60-plussers als gevolg van de pensioenhervorming in 1996

Werkloosheidscijfers Tijdelijke werkloosheid Faillissementen

Fiche 3: tewerkstelling

Arbeidsmarktbarometer Onderwijs

De regionale impact van de economische crisis

Sectorrapport: Social Profit

NOVEMBER 2014 BAROMETER

Tabel 4.1 geeft een overzicht van de verdeling van de deels werkloos, deels werkend (DWDW)-en naar leeftijdsniveau.

Tewerkstellingssteun in het Brussels Gewest: Vanaf 1 oktober belangrijke wijzigingen voor tienduizenden werkzoekenden!

Evolutie sinds 1954 van de vergoede volledige werkloosheid in perspectief geplaatst

Secretariaat: Xavier BERCKMANS (fr) 02/ Griet HANSSENS (nl) 02/

De Brusselse arbeidsmarkt: statistische gegevens

De arbeidsmarkt in april 2015

PERSBERICHT Brussel, 26 juni 2014

VOLTIJDS LOONTREKKEND DOOR HET LEVEN Hoofdstuk 21

Transcriptie:

De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Situatie 2013 Met de steun van het Europees sociaal fonds

Redactie Khadija Senhadji 02/505.77.17 ksenhadji@actiris.be September 2014 Verantwoordelijke uitgever Grégor Chapelle Directeur-generaal van Actiris, Gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling

Het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid is een dienst van Actiris die in 1995 werd opgericht en door het Europees Sociaal Fonds wordt gecofinancierd. Momenteel is het Observatorium één van de maatregelen van het Operationeel Programma 2007-2013 Doelstelling Regionaal Concurrentievermogen en Werkgelegenheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De opdracht van het Observatorium is het opvolgen van de ontwikkeling van de werkgelegenheid en werkloosheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Via thematische analyses onderzoekt het de veranderingen en transformaties waaraan de betrekkingen, de beroepen en de kwalificaties onderhavig kunnen zijn. Directrice-diensthoofd: Monica DE JONGE (nl) 02/505.77.42 mdejonge@actiris.be Verantwoordelijke: Stéphane THYS (fr) 02/505.14.54 sthys@actiris.be Medewerkers: Amandine BERTRAND (fr) 02/505.78.76 abertrand@actiris.be Mourad De VILLERS (fr) 02/505.14.14 mdevillers@actiris.be Jérôme FRANÇOIS (fr) 02/505.77.21 jfrancois@actiris.be Sharon GECZYNSKI (fr) 02/800.42.66 sgeczynski@actiris.be Inge GOOSSENAERTS (nl) 02/505.79.38 igoossenaerts@actiris.be Guillaume JACOMET (fr) 02/505.16.07 gjacomet@actiris.be The Man LAÏ (fr) 02/505.14.12 tlai@actiris.be Emmanuelle POTTIER (fr) 02/800.42.62 epottier@actiris.be Khadija SENHADJI (fr) 02/505.77.17 ksenhadji@actiris.be Bénédicte VAN EGEREN (fr) 02/505.15.35 bvanegeren@actiris.be Sandy VAN RECHEM (nl) 02/505.14.56 svanrechem@actiris.be Secretariaat: Xavier BERCKMANS (fr) 02/505.11.49 xberckmans@actiris.be De Brouckèreplein 12-1000 Brussel ( studies@actiris.be website Observatorium www.actiris.be)

Inhoudstafel VOORWOORD... 10 INLEIDING... 12 Hoe is de wereldeconomie in 2013 geëvolueerd?... 12 Wat is de situatie in het Brussels Gewest?... 13 DE VRAAG NAAR WERK: DE INTERNE WERKGELEGENHEID EN DE DEMOGRAFIE VAN DE ONDERNEMINGEN... 15 1. DE INTERNE WERKGELEGENHEID... 15 Wat kenmerkt de interne werkgelegenheid?... 15 2. DE BEZOLDIGDE WERKGELEGENHEID... 16 Hoe evolueert de bezoldigde werkgelegenheid in Brussel?... 17 Wat zijn de arbeidsomstandigheden van de bezoldigde werknemers?... 22 Hoe ziet de bezoldigde werkgelegenheid er op gemeentelijk niveau uit?... 23 Focus op de sectoren die in het Brussels Gewest het meest voor werkgelegenheid zorgen: specifieke kenmerken en demografische perspectieven... 24 3. ZELFSTANDIGE ARBEID... 32 4. DE TEWERKSTELLINGSKANSEN IN HET BRUSSELS GROOTSTEDELIJK GEBIED... 35 5. DE DEMOGRAFIE VAN DE ONDERNEMINGEN... 38 HET AANBOD VAN WERK: DE BRUSSELSE BEROEPSBEVOLKING... 41 1. DEMOGRAFISCHE ELEMENTEN... 41 2. DE WERKENDE BEROEPSBEVOLKING... 43 3. HET PENDELVERKEER... 46 Hoe evolueert het pendelverkeer naar en vanuit Brussel?... 46 Welk profiel hebben de pendelaars in Brussel?... 47 4. DE NIET-WERKENDE BEROEPSBEVOLKING... 50 Hoe evolueert de werkloosheidsgraad?... 50 Hoe staat het met de werkloosheidsgraad in het Brussels grootstedelijk gebied?... 53 Hoe evolueren de niet-werkende werkzoekenden?... 54 Welke in- en uitstroom is kenmerkend voor werklozen?... 57 Welke elementen zijn bepalend voor de werkloosheid in Brussel?... 61 CONCLUSIES EN VOORUITZICHTEN... 65 BIBLIOGRAFIE... 68 BIJLAGE: SAMENVATTENDE TABELLEN VAN DE VOORNAAMSTE INDICATOREN VAN DE BRUSSELSE ARBEIDSMARKT... 69

Overzicht van de illustraties Figuur 1 : Sectorale specialisatiecoëfficiënt in het Brussels Gewest (2012)... 17 Figuur 2: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid in de drie gewesten (2007-2012) (index 100)... 18 Figuur 3: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid volgens leeftijdsgroep in het Brussel Gewest (2008-2012)... 21 Figuur 4: Ondernemingen en werknemers volgens grootte van de onderneming in het Brussel Gewest (2012) (%)... 22 Figuur 5: Groei van de bezoldigde werkgelegenheid volgens het arbeidsregime en het gewest van tewerkstelling (2008-2013)... 22 Figuur 6: Percentage deeltijdse tewerkstellingen volgens geslacht en gewest van tewerkstelling (2013)... 22 Figuur 7: Groei van de bezoldigde werkgelegenheid volgens het soort overeenkomst en het gewest van tewerkstelling (2008-2013)... 23 Figuur 8: Percentage tijdelijke werkgelegenheid volgens geslacht en gewest van tewerkstelling (2013)... 23 Figuur 9: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid per gemeente (2012)... 24 Figuur 10: Leeftijdspiramide van de loontrekkenden volgens sector in het Brussels Gewest (2012)... 25 Figuur 11: Verdeling van de zelfstandigen volgens geslacht en woonplaats (2013)... 34 Figuur 12: Verdeling van de zelfstandigen volgens leeftijdsklasse en woonplaats (2013)... 34 Figuur 13: Verdeling van de zelfstandigen in het Brussels Gewest volgens bedrijfstak (2013)... 35 Figuur 14: Relatieve sectorspecialisatie van het Brussels Gewest ten opzichte van de rand (2012)... 37 Figuur 15: Vervangingsgraad van de beroepsactieven (15-24 jaar/55-64 jaar)... 42 Figuur 16: Origine van de personen tussen 18 en 64 jaar in het Brussels Gewest (2012)... 42 Figuur 17: De indicatoren van de Brusselse arbeidsmarkt (15-64 jaar) (2013)... 43 Figuur 18: Ratio van het inkomend/uitgaand pendelverkeer in het Brussels Gewest... 47 Figuur 19: Leeftijdspiramide van de werknemers in Brussel volgens hun woonplaats (2013)... 48 Figuur 20: Opleidingsniveau van de werknemers in Brussel volgens hun woonplaats (2013)... 48 Figuur 21: Tewerkstellingssector van de werknemers in Brussel volgens hun woonplaats (2013)... 49 Figuur 22: Evolutie van de administratieve werkloosheidsgraad per gewest (1989-2013)... 50 Figuur 23: Evolutie van de administratieve werkloosheidsgraad volgens geslacht in het Brussels Gewest (1989-2013)... 51 Figuur 24: Evolutie van de administratieve werkloosheidsgraad volgens leeftijd in het Brussels Gewest (2008-2013)... 51 Figuur 25: Evolutie van de werkloosheidsgraad volgens origine in het Brussels Gewest (2008-2012)... 52 Figuur 26: Evolutie van de werkloosheidsgraad per gemeente (2008-2012)... 53 Figuur 27: Werkloosheidsgraad in het Brussels grootstedelijk gebied (2013)... 54 Figuur 28: Evolutie van het aantal NWWZ per gewest (1989-2013)... 55 Figuur 29: Arbeidsreserve, instromen in en uitstromen uit de werkloosheid tijdens het jaar 2013... 58 Figuur 30: Uitstroom van de arbeidsreserve volgens uitstroommotief (2013)... 60 Figuur 31: Instroom in de arbeidsreserve volgens instroommotief (2013)... 60 Tabel 1: Eigenschappen van de interne werkgelegenheid per gewest (2013)... 16 Tabel 2: Evolutie van het aantal bezoldigde arbeidsplaatsen per sector in het Brussels Gewest (2008-2012)... 19 Tabel 3: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid volgens statuut en gewest van tewerkstelling (2007-2012)... 20 Tabel 4: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid volgens geslacht en gewest van tewerkstelling (2007-2012)... 20 Tabel 5: Daglonen volgens sector (zonder RSZ plaatselijke besturen) (2012)... 32 Tabel 6: Evolutie van het aantal zelfstandigen volgens statuut en woonplaats (2008-2013)... 32 Tabel 7: Evolutie van het aantal opgestarte en stopgezette activiteiten volgens woonplaats (2013)... 33 Tabel 8: Evolutie van het aantal bezoldigde en zelfstandige banen in het Brussels grootstedelijk gebied... 36 Tabel 9: Sectorale verdeling van de bezoldigde werkgelegenheid in het Brussels Gewest en in de rand (2012)... 36 Tabel 10: Kenmerken van de bezoldigde werkgelegenheid in het Brussels Gewest en in de rand (2012) (%)... 38 Tabel 11: Evolutie van het aantal btw-plichtige ondernemingen volgens gewest (2008-2013)... 39 Tabel 12: Evolutie van de oprichting- en stopzettingsgraad van ondernemingen volgens gewest en provincie (2008-2013)... 39 Tabel 13: Evolutie van het aantal faillissementen in het Brussels Gewest volgens activiteitensector (2008-2013)... 40 Tabel 14: Evolutie van het jobverlies als gevolg van faillissementen in het Brussels Gewest volgens activiteitensector (2008-2013)... 40 Tabel 15: Evolutie van het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) in het Brussels Gewest volgens diverse kenmerken (2008-2013)... 56 Tabel 16: Arbeidsreserve volgens diverse kenmerken (2013)... 59

Voorwoord Deze jaarlijkse situatieschets van de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is ontstaan vanuit de wens en de behoefte om de recente evoluties van de werkgelegenheid en de werkloosheid in Brussel te analyseren. Deze publicatie is bestemd voor verschillende doelgroepen en streeft er dan ook naar om de belangrijkste gegevens die de gewestelijke werkgelegenheids- en werkloosheidskwesties kenmerken op een analytische manier uiteen te zetten. Dit verslag baseert zich op de meest recente beschikbare gegevens: 2013 voor het merendeel van de bronnen en 2012 voor de RSZ-gegevens. Het rapport is opgebouwd uit twee grote hoofdstukken die ingaan op de twee hoofdelementen die de werking van de arbeidsmarkt sturen, namelijk de vraag naar en het aanbod van werk. Het eerste hoofdstuk staat in het teken van de vraag naar werk, die hier wordt beschreven door de interne werkgelegenheid, zowel de bezoldigde als de zelfstandige arbeid. Daarnaast komen de gegevens over de demografie van de ondernemingen aan bod en kijken we ook naar de tewerkstellingsperspectieven in de rand. Het tweede hoofdstuk is gewijd aan het aanbod van werk. Enerzijds focussen we op de werkende beroepsbevolking (of de actieve bevolking) en gaan we dieper in op het pendelfenomeen. Anderzijds onderzoeken we de niet-werkende beroepsbevolking (of de werkloze bevolking), zowel uitgaande van de reserves en in- en uitstroomgegevens. Tot slot groepeert de bijlage aan de hand van een reeks tabellen de voornaamste indicatoren waarop de analyse is gebaseerd. Ze geven een synthetisch cijferoverzicht van de huidige situatie van de arbeidsmarkt in Brussel. Grégor Chapelle Directeur-generaal Yves Bastaerts Adjunct-directeur-generaal

Inleiding Hoe is de wereldeconomie in 2013 geëvolueerd? De internationale economische context werd in 2013 gekenmerkt door een matiging van de schuldencrisis in de eurozone en een verbetering van de conjunctuur. In de loop van 2013 groeide het mondiale bruto binnenlands product (BBP) met 3%, een lager percentage dan dat van 2012 en 2011. In de eurozone liep het BBP daarentegen terug met gemiddeld 0,4% ten opzichte van het voorgaande jaar. In België nam het BBP met 0,2% toe. De inflatie vertraagde aanzienlijk omwille van de prijsevolutie van de energieproducten, in het bijzonder de prijs van gas en elektriciteit. Ondanks voortekenen van stabilisering verslechterde de situatie op de arbeidsmarkt verder. Op het vlak van werkloosheid bleven er sterke contrasten bestaan tussen de verschillende lidstaten van de Europese Unie, gaande van ongeveer 5% in Oostenrijk, Duitsland en Luxemburg tot meer dan 26% in Griekenland en Spanje. Onder meer de werkloosheid bij jongeren onder de 25 jaar bleef bijzonder hoog met een gemiddelde van 24,2% in de eurozone. In België bleven de gevolgen van de in 2012 opgetekende achteruitgang van de economische activiteit voelbaar. Zo kende de werkgelegenheid een daling van 0,2%, onder meer omwille van de relatief lange duur van de crisis die het weerstandsvermogen van de ondernemingen heeft aangetast, alsook omwille van de verstrenging van de voorwaarden om van tijdelijke werkloosheid gebruik te maken. In totaal kromp de interne werkgelegenheid in vergelijking met het voorgaande jaar met 11.000 eenheden. In de industrie liep de werkgelegenheid het meest terug, maar ook de overheidsdiensten en het onderwijs werden hierdoor getroffen, hoewel deze sectoren de crisis tot dan goed hadden weerstaan. Andere gesubsidieerde sectoren, zoals de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening, of nog, de dienstenchequeactiviteiten, droegen dan weer bij tot meer werkgelegenheid. De bevolking op beroepsactieve leeftijd steeg in België met 22.000 personen en de beroepsbevolking nam met 14.000 eenheden toe. De werkloosheid breidde verder uit en bereikte volgens de cijfers van de RVA een aantal van 584.000 werklozen. In Vlaanderen steeg de werkloosheid het sterkst omdat dit gewest gevoeliger is voor conjunctuurschommelingen. Er kwamen 17.000 werklozen bij in Vlaanderen, tegenover 5.000 in Wallonië en 1.600 in Brussel. Tijdens de eerste zes maanden van 2013 nam de jeugdwerkloosheid (jongeren onder de 25 jaar) het meest toe (gemiddeld 118.000 werklozen), terwijl in het tweede semester het aantal werkzoekenden vanaf 50 jaar in stijgende lijn zat, hoofdzakelijk wegens een hervorming die op 1 januari 2013 werd doorgevoerd. Door deze wijziging ligt de leeftijd waarop een vrijstelling van inschrijving als werkzoekende kan worden aangevraagd immers op 60 jaar (in plaats van 58 jaar voordien). 12

Wat is de situatie in het Brussels Gewest? De paradox waarmee Brussel te maken krijgt, is bekend: hoewel het gewest rijkdom voortbrengt, komt dit de Brusselaars onvoldoende ten goede. Ondanks een BBP dat tot één van de hoogste van Europa mag worden gerekend, blijft de werkloosheidsgraad erg hoog. Bovendien hebben de sociale ongelijkheden, die we onder meer kunnen afleiden uit de gemiddelde inkomsten per huishouden, zich de twee laatste decennia verder verscherpt. Deze schijnbare tegenstelling tussen de economische ontwikkeling en de sociale evolutie kunnen we verklaren aan de hand van de sterke aanwezigheid van pendelaars die in Brussel werken, maar er niet wonen. De economische prestaties van het gewest worden immers gestimuleerd, zonder dat ze evenwel de sociale toestand van de Brusselse bevolking weergeeft. Daarbij komt dat de dualiseringsfenomenen die kenmerkend zijn voor het Brussels Gewest nog worden versterkt door een dubbele internationaliseringsbeweging, namelijk de mondialisering van bovenaf en van onderuit 1. Enerzijds zorgen de talrijke internationale instellingen die Brussel rijk is voor werkgelegenheid die de Brusselaars te weinig ten goede komt. Anderzijds oefent Brussel als Europese en Belgische hoofdstad een aantrekkingskracht uit, waardoor Brussel de toegangspoort is voor grote stromen van migranten uit andere Europese landen, maar ook uit minder rijke landen. Ten slotte schept de Brusselse economische groei weliswaar goed betaalde banen, maar die zijn beperkt in aantal. De interne werkgelegenheid groeit namelijk minder snel dan de gewestelijke toegevoegde waarde. De werkgelegenheidscreatie, die de laatste jaren weliswaar sterker was dan in Vlaanderen en Wallonië, volstaat bijgevolg niet om de nieuwkomers op de arbeidsmarkt op te nemen. Hun aantal blijft verder toenemen omwille van de demografische groei waarmee Brussel wordt geconfronteerd. In vijf jaar is de bezoldigde werkgelegenheid met 0,9% toegenomen (+5.000 arbeidsplaatsen). We zien dat er een stijgende tendens naar flexibiliteit is, met meer deeltijdse en tijdelijke overeenkomsten. De zelfstandige werkgelegenheid is nog meer toegenomen, waar we 12.000 betrekkingen meer optekenen (+15,1%). De relatieve toename van de bezoldigde werkgelegenheid is vooral toe te schrijven aan de administratieve en ondersteunende diensten die met 16.700 arbeidsplaatsen zijn uitgebreid dankzij de ontwikkeling van de dienstencheques. Andere activiteitensectoren hebben in deze periode daarentegen een duidelijke achteruitgang geregistreerd, zoals de financiën, de handel of de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening. De werkloosheid is blijven stijgen. Enkel al in het laatste jaar nam het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) met bijna 1.600 eenheden toe. De stijgende werkloosheid komt meer 1 Economische en Sociale Raad, De dubbele internationale uitdaging van Brussel, de Handelingen van het Colloquium, mei 2013. 13

bepaald tot uiting bij de NWWZ ouder dan 50 jaar en de NWWZ die sinds minstens twee jaar werkloos zijn. De tewerkstellingsperspectieven doen vermoeden dat er zich voor de Brusselse arbeidskrachten zowel in het centrum als in de rand kansen voordoen. Sinds enige tijd zien we een dalende tendens bij het inkomende pendelverkeer ten voordele van de Brusselaars. De vergrijzing bij de pendelaars zal er waarschijnlijk voor zorgen dat deze tendens wordt voortgezet. De demografische vergrijzing in de rand kan ook leiden tot jobs voor de Brusselaars, aangezien in Vlaams- en Waals-Brabant het aantal nieuwe werknemers op de arbeidsmarkt op termijn niet voldoende zal zijn om het aantal uitstromers te vervangen. Er komt dus bewegingsruimte om de werkgelegenheid van de Brusselaars op te krikken. Met de regionalisering van de federale tewerkstellingsmaatregelen zal het optrekken van de gewestelijke werkgelegenheidsgraad een steeds belangrijkere uitdaging worden om de Brusselse begroting leefbaar te houden. Om dit te bereiken, staat het gewest tegenover veelvuldige sociaal-economische uitdagingen, zoals ook blijkt uit het recente regeerakkoord dat onder meer van de alliantie werkopleiding één van de speerpunten van het gewestelijk tewerkstellingsbeleid maakt. 14

De vraag naar werk: de interne werkgelegenheid en de demografie van de ondernemingen 1. DE INTERNE WERKGELEGENHEID De interne werkgelegenheid doelt op het aantal arbeidsplaatsen die in het Brussels Gewest zijn ingevuld, ongeacht de woonplaats van de werknemers. De Brusselse interne werkgelegenheid is goed voor circa 709.000 arbeidsplaatsen, of ongeveer 16% van de interne werkgelegenheid in het hele land. Brussel is hiermee het grootste tewerkstellingsbekken van het land, hoewel slechts 10% van de Belgische bevolking in Brussel woont. Tussen 2008 en 2013 is de interne werkgelegenheid in het Brussels Gewest sneller gestegen (+3,3%) dan in Vlaanderen en Wallonië (respectievelijk +2,8% en +0,4%). Hoewel de werkgelegenheid in Brussel de crisis tamelijk goed heeft doorstaan, is dit uitsluitend te danken aan de stijging van de tewerkstelling van vrouwen, met name in de dienstenchequessector. Wat kenmerkt de interne werkgelegenheid? Zoals we zullen zien in het hoofdstuk over het pendelverkeer worden iets meer dan de helft van de in Brussel beschikbare banen ingevuld door werknemers die in Vlaanderen of Wallonië wonen. Iets meer jobs worden door mannen ingevuld (53%) dan door vrouwen (47%), een verdeling die vergelijkbaar is met de twee andere gewesten. Dit verschil tussen de geslachten vinden we in Brussel vooral terug bij de zelfstandige werkgelegenheid. Het Brussels Gewest onderscheidt zich evenwel van Vlaanderen en Wallonië door het feit dat er een pak meer jobs voor hooggeschoolden zijn. Meer dan één op de twee arbeidsplaatsen in Brussel vereist een diploma van het hoger onderwijs. Voor heel België is dit voor amper één op de drie betrekkingen het geval. Deze zeer hoge kwalificatiestructuur die ook is terug te vinden in andere grote stedelijke gebieden in Europa (in Berlijn, Parijs of Londen), is één van de verklaringen waarom het pendelverkeer in Brussel zo n omvang aanneemt. Er mogen dan wel betrekkelijk veel personen met een diploma van het hoger onderwijs in het Brussels Gewest zijn (34%, oftewel iets meer dan 310.000 personen ouder dan 15 jaar), dit volstaat niet om het aantal arbeidsplaatsen voor hoger opgeleiden in te vullen (bijna 400.000 jobs). Tegelijk telt Brussel heel wat laaggeschoolden (40%), wat aangeeft dat de Brusselse bevolking een erg duale kwalificatiestructuur heeft. 15

De verdeling van de interne werkgelegenheid per leeftijdsgroep komt nagenoeg overeen met Vlaanderen en Wallonië. Er zijn iets minder werknemers onder de 25 jaar in Brussel, maar de leeftijdsgroep van de 30-39-jarigen is dan weer erg talrijk. Het Brussels Gewest heeft in de eerste plaats een diensteneconomie (negen op de tien arbeidsplaatsen behoren tot de tertiaire sector en meer dan de helft betreft profitdiensten), dit in tegenstelling tot het Vlaams en het Waals Gewest, waar de economie meer gericht is op de secundaire sector en de zware industrie in het bijzonder (het gaat om respectievelijk een kwart en een vijfde van de gewestelijke werkgelegenheid). Tabel 1: Eigenschappen van de interne werkgelegenheid per gewest (2013) Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Woonplaats 48,4 32,5 19,1 Geslacht Mannen 53,2 54,4 52,9 Vrouwen 46,8 45,6 47,1 Opleidingsniveau Laag 15,2 18,3 21,6 Middelmatig 28,6 43,2 40,8 Hoog 56,1 38,5 37,6 Leeftijdscategorie < 25 jaar 4,2 7,7 7,0 25-29 jaar 11,7 11,5 11,8 30-39 jaar 28,6 25,3 25,3 40-49 jaar 28,5 28,5 28,2 > 50 jaar 26,9 27,0 27,7 Activiteitensector Landbouw 0,5 1,5 1,9 Industrie 10,1 25,1 20,9 Klantenservice 89,8 73,4 77,2 TOTAAL 709.111 2.572.940 1.148.918 Bron: FOD Economie ADSEI (EAK), berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 2. DE BEZOLDIGDE WERKGELEGENHEID Kenmerkend voor de Brusselse economie is dus dat ze voornamelijk op diensten is gericht. De tertiaire sector vertegenwoordigt op zichzelf al meer dan 90% van de bezoldigde werkgelegenheid. Binnen de tertiaire sector is de overheidssector (in ruime zin) goed voor ongeveer vier op de tien arbeidsplaatsen. Zes sectoren vertegenwoordigen een aanzienlijk deel van het volume van de bezoldigde werkgelegenheid: het openbaar bestuur (17,7%), de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening (10,2%), het onderwijs (9,9%), de handel (9,9%), de financiële activiteiten en verzekeringen (9,7%) alsook de administratieve en ondersteunende diensten (9,4%). In 16

grafiek 1 blijkt uit de sectorale specialisatiecoëfficiënt 2 dat de meest vertegenwoordigde activiteiten in het Brussels Gewest allemaal tot de dienstensector behoren. Figuur 1 : Sectorale specialisatiecoëfficiënt in het Brussels Gewest (2012) Financiën en verzekeringen Informatie en communicatie Andere dienstenactiviteiten Overheidsdiensten Vastgoed Wetenschappelijke en technische activiteiten Energie Huisvesting en horeca Kunst, spektakels en recreatieve activiteiten Administratieve en ondersteunende diensten Onderwijs Vervoer en opslag Water en afvalstoffenbeheer Handel Gezondheidszorg en maatschappelijke Bouw Verwerkende nijverheid Winning van delfstoffen Landbouw, bosbouw en visvangst 0,0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 3,5 Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Hoe evolueert de bezoldigde werkgelegenheid in Brussel? De crisis in 2008 zorgde voor een achteruitgang van de bezoldigde werkgelegenheid in de drie gewesten. Daarna, op het moment van het herstel in 2010, steeg de bezoldigde werkgelegenheid. De afgelopen vijf jaar nam het aantal bezoldigde arbeidsplaatsen het sterkst toe in het Waals Gewest (+3,5% tegenover +0,9% in het Brussels Gewest, ofwel een toename van 5.590 arbeidsplaatsen, en +2,2% in het Vlaams Gewest). Het afgelopen jaar is het aantal bezoldigde arbeidsplaatsen dan weer tamelijk stabiel gebleven in Vlaanderen (+0,2%), in tegenstelling tot de twee andere gewesten waar de 2 Een coëfficiënt hoger dan 1 geeft aan dat er wel degelijk sprake is van sectorale specialisatie in Brussel. 17

bezoldigde werkgelegenheid een neerwaartse trend doormaakt (-1,0% in het Brussels Gewest, ofwel een daling van 6.236 arbeidsplaatsen en -0,6% in het Waals Gewest). Figuur 2: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid in de drie gewesten (2007-2012) (index 100) 105,0 104,0 103,0 102,0 101,0 100,0 99,0 98,0 97,0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid In Brussel is de bezoldigde werkgelegenheid vooral gegroeid dankzij de administratieve en ondersteunende diensten (+16.700 arbeidsplaatsen, met name in de activiteiten van de dienstencheques) en het onderwijs (+ 5.900 arbeidsplaatsen). De sectoren waar we een achteruitgang opmerken, zijn de financiën en verzekeringen waar de crisis erg hard heeft toegeslagen (-5.900 jobs), de handel (-4.700 jobs), de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening (-4.400 jobs), de informatie- en communicatiesector (-3.300 jobs) alsook de industrie die verder achteruit gaat (-3.000 jobs). 18

Tabel 2: Evolutie van het aantal bezoldigde arbeidsplaatsen per sector in het Brussels Gewest (2008-2012) Variatie 2008-2012 2008 2012 a.w. % Winning van delfstoffen en verwerkende nijverheid 23.832 20.795-3.037-12,7 Energie 7.870 8.406 536 6,8 Bouwnijverheid 19.018 16.405-2.613-13,7 Handel 66.740 62.033-4.707-7,1 Vervoer en opslag 29.448 27.930-1.518-5,2 Horeca 25.803 26.307 504 2,0 Informatie en communicatie 34.940 31.621-3.319-9,5 Financiën en verzekeringen 66.359 60.468-5.891-8,9 Vastgoedsector 3.751 5.643 1.892 50,4 Gespecialiseerde, wetenschappelijke en technische activiteiten 35.469 36.216 747 2,1 Administratieve en ondersteunende diensten 42.406 59.102 16.696 39,4 Overheidsdiensten 107.777 110.665 2.888 2,7 Onderwijs 56.368 62.328 5.960 10,6 Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening 68.087 63.616-4.471-6,6 Kunst, amusement en recreatie 9.002 8.845-157 -1,7 Varia 24.613 26.123 1.510 6,1 Totaal 621.483 626.503 5.020 0,8 Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De werkgelegenheid voor arbeiders is de laatste jaren aanzienlijk gestegen in het Brussels Gewest (+5,6%), terwijl deze in Vlaanderen een dalende tendens kende (-1,4%) en trager groeide in Wallonië (+2,2%). De werkgelegenheid voor arbeiders was lange tijd beperkt tot de industrie, een sector die al verschillende decennia aan het aftakelen is, maar ontvouwt zich zelfs in het hart van de dienstensector. Het aandeel van de industrie in de werkgelegenheid voor arbeiders was immers geneigd te verminderen (met name in de verwerkende nijverheid en de bouw) ten voordele van de tertiaire sector, in het bijzonder de dienstenchequeactiviteiten. Door de ontwikkeling van de dienstenchequeactiviteiten is de werkgelegenheid voor arbeiders vervrouwelijkt. De laatste vijf jaar is de toename van het aantal arbeidersbetrekkingen trouwens uitsluitend toe te schrijven aan vrouwen (het gaat om ongeveer 10.400 arbeidsplaatsen, ofwel +24,7%). De mannelijke werkgelegenheid voor arbeiders is in die periode gedaald met zo n 3.700 arbeidsplaatsen (-4,8%). Hoewel het aantal bedienden min of meer stabiel is gebleven (+0,1%), tekenen we een daling van 1,3% van het aantal ambtenaren op. Deze daling is evenwel minder uitgesproken dan in de twee andere gewesten en is te wijten aan de inkrimping van de overheidssector (-1,6%) in dezelfde periode. 19

Tabel 3: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid volgens statuut en gewest van tewerkstelling (2007-2012) Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest België 2012 Variatie 07-12 2012 Variatie 07-12 2012 Variatie 07-12 2012 Variatie 07-12 Arbeiders 126.220 5,6 864.949-1,4 368.434 2,2 1.359.603 0,2 Bedienden 381.772 0,1 1.043.772 7,4 475.238 10,1 1.900.782 6,5 Ambtenaren 118.511-1,3 277.869-4,4 169.804-9,2 566.184-5,3 Totaal 626.503 0,9 2.186.590 2,2 1.013.476 3,5 3.826.569 2,3 Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De crisis van 2008 heeft in de drie gewesten mannen het hardst getroffen. De tewerkstelling van vrouwen ging er overal op vooruit. De afname in het Brussels Gewest van de mannelijke werkgelegenheid, die vooral kwetsbaar is in de bouwsector en de sector van de informatie en de communicatie, springt het meest in het oog (-3,0%). De groei van de vrouwelijke werkgelegenheid (+5,1% in Brussel) is voornamelijk te verklaren door de bloei van de dienstenchequeactiviteiten en, zij het in mindere mate, door de ontwikkeling van de vastgoedactiviteiten. Het aandeel van de vrouwelijke werkgelegenheid in de bezoldigde arbeid blijft dus groeien, van 47,8% in 2007 naar 49,8% in 2012 wat het Brussels Gewest betreft. Tabel 4: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid volgens geslacht en gewest van tewerkstelling (2007-2012) Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest België Variatie Variatie Variatie Variatie 2012 2012 2012 2012 07-12 07-12 07-12 07-12 Mannen 314.236-3,0 1.138.837-1,5 510.679-1,3 1.963.752-1,7 Vrouwen 312.267 5,1 1.047.753 6,6 502.797 9,0 1.862.817 7,0 Totaal 626.503 0,9 2.186.590 2,2 1.013.476 3,5 3.826.569 2,3 Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Grafiek 3 toont de gevolgen van de vergrijzing van de bezoldigde werknemers in het Brussels Gewest. In het verleden verminderde de werkgelegenheid van de oudere werknemers met de leeftijd omwille van de vervroegde uitstap naar inactiviteit. De laatste vijf jaar is het volume van de bezoldigde werkgelegenheid echter in de jongere leeftijdsgroepen achteruitgegaan, meer bepaald in de groep van de min-25-jarigen (daling van 6.800 arbeidsplaatsen, ofwel -16,7%). Omgekeerd merken we een toename op van de participatie van de hogere leeftijdsklassen aan de bezoldigde werkgelegenheid. In 2012 werden in vergelijking met 2008 3.600 extra arbeidsplaatsen door 45-54-jarigen ingevuld (+2,5%) en bij de 55-64-jarigen tekenen we een uitbreiding van 8.800 arbeidsplaatsen op (+13,0%). Deze stijgende tendens heeft ook betrekking op personen die niet meer op arbeidsleeftijd zijn (de 65- plussers). De demografische evolutie samen met de verschillende reglementaire hervormingen zorgen ervoor dat de beroepsactieve bevolking bij de zogenaamd oudere werknemers uitbreidt. De verschillende hervormingsprojecten die bedoeld zijn om de effectieve leeftijd waarop men uit het actieve leven treedt te vertragen, het brugpensioenstelsel te wijzigen, de effectieve pensioenleeftijd uit te stellen of de 20

voorwaarden om een vrijstelling voor het statuut van werkzoekende te veranderen, hebben een rechtstreeks effect gehad op de stijging van zowel de werkloosheid als de tewerkstelling van deze werknemers. De vergrijzing van de bezoldigde werknemers in het Brussels Gewest wordt overigens ook beïnvloed door het inkomende pendelverkeer. We stellen immers vast dat het aandeel van de werknemers ouder dan 45 jaar bij het inkomende pendelverkeer sinds een tiental jaar met rasse schreden vooruitgaat. Figuur 3: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid volgens leeftijdsgroep in het Brussel Gewest (2008-2012) 180.000 160.000 140.000 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0 < 25 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar > 65 jaar 2008 2012 Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De zeer kleine ondernemingen die minder dan 5 werknemers tellen (oververtegenwoordigd in de vastgoedactiviteiten en in de bouw) zijn overduidelijk in de meerderheid (63,3%), maar zorgen slechts voor een uiterst klein deel van de gewestelijke werkgelegenheid (6,2%). Bij de zeer grote ondernemingen (meer dan 200 werknemers) is het aandeel van de bezoldigde werkgelegenheid het grootst (48,8%). Dit percentage is vergeleken met de andere gewesten bijzonder omvangrijk (28,8% in Vlaanderen en 26,0% in Wallonië), wat te verklaren is door de aanwezigheid van grote administraties en de vestiging van heel wat hoofdzetels van bedrijven (met name van de financiële sector) in de hoofdstad. De laatste jaren hebben de zeer grote ondernemingen hun bezoldigde werkgelegenheidsvolume zien dalen (-1,8%), ten voordele van bedrijven van een andere omvang, in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen. Deze evolutie wijst ofwel op een versplintering van de grote ondernemingen (door toenemende franchising) ofwel op de effectieve oprichting van kleine en middelgrote ondernemingen. 21

Waals Gewest Vlaams Gewest Brussels Gewest Figuur 4: Ondernemingen en werknemers volgens grootte van de onderneming in het Brussel Gewest (2012) (%) 70,0 60,0 50,0 40,0 30,0 20,0 10,0 0,0 Minder dan 5 werknemers 5 tot 19 werknemers 20 tot 49 werknemers 50 tot 199 werknemers Meer dan 200 werknemers Ondernemingen Werknemers Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Wat zijn de arbeidsomstandigheden van de bezoldigde werknemers? Deeltijds werk is de laatste vijf jaar sterk uitgebreid in de drie gewesten van het land. Deze groei was iets minder sterk in Vlaanderen (+9,5%) dan in Brussel (+11,0%) of Wallonië (+13,3%). De groeicijfers voor voltijds werk daarentegen zijn aanzienlijk hoger bij Brusselaars dan bij Vlaamse en Waalse werkenden. Vrouwen werken vaker deeltijds dan mannen. Het aandeel bezoldigde vrouwen dat deeltijds werkt, blijft niettemin kleiner in Brussel dan in Vlaanderen en Wallonië. Bij vrouwen liggen familiale en persoonlijke redenen zeer vaak aan de basis om deeltijds te werken (meer dan een derde van de gevallen tegenover een vijfde bij de mannen). Figuur 5: Groei van de bezoldigde werkgelegenheid volgens het arbeidsregime en het gewest van tewerkstelling (2008-2013) Figuur 6: Percentage deeltijdse tewerkstellingen volgens geslacht en gewest van tewerkstelling (2013) 15,0 10,0 Mannen Vrouwen 5,0 Mannen 0,0 Voltijds Deeltijds Vrouwen Mannen -5,0 Vrouwen Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest 0,0 0,1 0,2 0,3 0,4 0,5 Bron: FOD Economie (ADSEI) - EAK, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 22

Waals Gewest Vlaams Gewest Brussels Gewest Tussen 2008 en 2013 groeide de tijdelijke werkgelegenheid (die voor meer dan de helft uit arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur en voor een tiende uit uitzendovereenkomsten bestaat) sneller in Wallonië (+4,1%) dan in Brussel (+2,9%). In Vlaanderen kromp de tijdelijke werkgelegenheid (-3,4%). De tijdelijke werkgelegenheid blijft echter het hoogst in het Brussels Gewest, en dit zowel bij de mannen als bij de vrouwen (respectievelijk 11,7% en 12,7%). Jongeren onder de 25 jaar blijken het vaakst met tijdelijke overeenkomsten te werken (37,3%) en werknemers ouder dan 50 jaar het minst (5,3%). Figuur 7: Groei van de bezoldigde werkgelegenheid volgens het soort overeenkomst en het gewest van tewerkstelling (2008-2013) 6 4 Figuur 8: Percentage tijdelijke werkgelegenheid volgens geslacht en gewest van tewerkstelling (2013) Mannen Vrouwen 2 Mannen 0-2 Permanente werkgelegenheid Tijdelijke werkgelegenheid Vrouwen Mannen -4 Vrouwen Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest 0,0 5,0 10,0 15,0 Bron: FOD Economie (ADSEI) - EAK, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Hoe ziet de bezoldigde werkgelegenheid er op gemeentelijk niveau uit? De verdeling van de bezoldigde werkgelegenheid op gemeentelijk vlak loopt niet noodzakelijk gelijk met de verdeling van de bevolking. Brussel-Stad genereert nagenoeg 40% van de gewestelijke bezoldigde werkgelegenheid, terwijl slechts 15% van de Brusselse bevolking deze gemeente als woonplaats heeft. De hoofdverklaring is dat de financiële sector en de overheidsdiensten in deze gemeente bijzonder vertegenwoordigd zijn. De meeste andere gemeenten daarentegen, zoals Schaarbeek, Anderlecht of Molenbeek, tellen meer inwoners dan arbeidsplaatsen. De groei met zo n 5.600 bezoldigde arbeidsplaatsen in het Brussels Gewest tussen 2007 en 2012 verliep geografisch gezien erg onregelmatig. De werkgelegenheid nam immers vooral toe in Sint-Gillis (verhoging van om en bij de 5.300 arbeidsplaatsen). In de gemeente Elsene zagen we een terugval van bijna 9.700 betrekkingen. 23

Figuur 9: Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid per gemeente (2012) 12.000 8.000 4.000 0-4.000-8.000-12.000 Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Focus op de sectoren die in het Brussels Gewest het meest voor werkgelegenheid zorgen: specifieke kenmerken en demografische perspectieven In Brussel zorgen zes sectoren voor ongeveer twee derde van de gewestelijke bezoldigde werkgelegenheid. Het betreft de overheidsdiensten, het onderwijs, de financiële sector, de sector van de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening, de handel evenals de administratieve en ondersteunende diensten. Deze sectoren die de meeste arbeidsplaatsen in het Brussels Gewest op hun conto mogen schrijven, stemmen niet volledig overeen met de sectoren die werkgelegenheid creëren zoals bepaald in onder meer het Pact voor een Duurzame Stedelijke Groei (PDSG). Welke veranderingen maken deze sectoren door? Wat zijn hun specifieke kenmerken? Welke perspectieven tekenen zich af op basis van de leeftijdspiramide van hun personeelsbestand? Welke arbeidsvoorwaarden bieden zij, in het bijzonder wat betreft de lonen? Dit zijn een aantal vragen waarop deze focus een beknopt antwoord tracht te formuleren. 24

Figuur 10: Leeftijdspiramide van de loontrekkenden volgens sector in het Brussels Gewest (2012) 3 Handel Financiën en verzekeringen Administratieve diensten Overheidsdiensten Onderwijs Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening Totaal 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% -30 jaar 30 tot 49 jaar +50 jaar Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid I. De overheidsdiensten Door zijn gewestelijk en nationaal belang biedt Brussel plaats aan talrijke overheidsdiensten die over het algemeen omvangrijk zijn en vele pendelaars aantrekken. De overheidsdiensten zijn aldus de grootste leverancier van banen op Brussels niveau. Ze zijn goed voor 17,7% van de gewestelijke bezoldigde werkgelegenheid (110.000 arbeidsplaatsen). Tussen 2008 en 2012 breidde de bezoldigde werkgelegenheid in deze sector met 2,7% uit, wat vergelijkbaar is met de stijging die zich op nationaal niveau voordeed (2,3%). Deze toename heeft enkel betrekking op de ambtenaren, aangezien het aantal werknemers met het statuut van contractueel in deze periode is verminderd. Ambtenaren blijven de meerderheid uitmaken in de sector, hoewel het aandeel ambtenaren afhankelijk is van segment tot segment. Ambtenaren zijn vooral talrijk bij defensie, de politie, de brandweer of bij de federale overheidsdiensten. De plaatselijke besturen en de OCMW s tellen dan weer overwegend contractuelen. Dit geldt ook voor de verdeling per geslacht. Hoewel de verdeling tussen mannen en vrouwen tamelijk evenwichtig is in de sector, zijn er variaties naargelang het beschouwde segment. Sommige segmenten stellen immers hoofdzakelijk mannen tewerk (de brandweer, defensie, de politie en strafinstellingen) en andere blijken vooral vrouwen in dienst te hebben (zoals de OCMW s en de sociale zekerheid). De sector van de overheidsdiensten telt bovendien aanzienlijk meer dan gemiddeld werknemers van 50 jaar en ouder, wat op termijn vragen zal doen rijzen over de hernieuwing van deze 3 Deze gegevens zijn afkomstig van de RSZ en houden geen rekening met de plaatselijke besturen. De cijfers zijn dus niet exhaustief voor de overheidsdiensten (77,2% van de bezoldigde werkgelegenheid is gebaseerd op deze gegevens), de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening (77,7%), het onderwijs (92,8%) en de administratieve en ondersteunende diensten (95,0%). 25

arbeidskrachten. Omdat het daarenboven gaat om één van de sectoren waar veelvuldig wordt gependeld (onder meer door de oudste werknemers), opent deze hernieuwing plaatselijke tewerkstellingsperspectieven voor de Brusselaars. De overheidsdiensten bezoldigen op basis van barema s en de lonen blijken iets beter te zijn dan gemiddeld in andere sectoren. Te oordelen naar de door Actiris behandelde werkaanbiedingen, is dit waarschijnlijk te verklaren door het feit dat deze sector grotendeels hoogopgeleide personen (60%) aanwerft. Naast de vergrijzing van het personeelsbestand betekent de overdracht van de bevoegdheden van de zesde staatshervorming op korte en middellange termijn één van de grote uitdagingen die de sector, vooral op het niveau van de federale en gewestelijke overheidsdiensten, dient aan te gaan. II. Het onderwijs 4 Het onderwijs is een andere tak van de openbare sector en neemt een belangrijke plaats in, zowel op Belgisch als Brussels niveau. De ondertekenaars van de New Deal (Pact voor een Duurzame Stedelijke Groei) duidden het onderwijs aan als één van de prioritaire sectoren in het Brussels Gewest omwille van de uitdagingen die ermee gepaard gaan, zowel voor de professionelen uit de sector (tekort aan kandidaten, de arbeidsomstandigheden, levenslang leren enz.) als voor de begunstigden (gebrek aan plaatsen, dualisering van het onderwijs, actieve doorstroming naar werk na onderwijs enz.). In Brussel zijn er zo n 62.000 jobs in het onderwijs, dat voor het merendeel vrouwen tewerkstelt. Toch daalt het aandeel vrouwen dat in het onderwijs aan het werk is met de hoogte van het onderwijsniveau. Vrouwen zijn in de overgrote meerderheid in het kleuteronderwijs, maar zijn in verhouding minder talrijk in het hoger onderwijs. Het onderwijs telt bovendien iets minder jongeren van 30 jaar dan gemiddeld in de Brusselse sectoren. Sinds 2008 kwamen er in de sector een 6.000-tal werknemers bij (+10%) in het Brussels Gewest, terwijl dit in Vlaanderen in mindere mate het geval was en er in Wallonië sprake was van een stabilisering. Deze positieve evolutie is in hoofdzaak te danken aan de opening van nieuwe klassen en scholen in Brussel als gevolg van de explosieve demografische groei en de verjonging van de Brusselse bevolking. Daarnaast roept deze toename ook vragen op over de toegang tot het beroep voor personen die niet het vereiste diploma hebben, ingegeven door het nijpende lerarentekort. Door deze personen in het onderwijs toe te laten, kan er weliswaar worden ingespeeld op de verhoogde behoefte aan leerkrachten, maar dit blijft niet zonder gevolgen voor hun arbeidsomstandigheden. Uit de tabel met de bezoldigingen leiden we af dat het onderwijs gemiddeld gezien meer middelmatige en 4 Voor meer informatie over de sector van het onderwijs kunt u de volgende studie raadplegen: Monitoring en anticipatie. Werkgelegenheid, opleidingen en arbeidsmarktbemiddeling in Brussel. Sector onderwijs Actualiteit en perspectieven (Brussels Observatorium voor de werkgelegenheid, juli 2014). 26

hoge lonen uitbetaalt dan in alle andere sectoren het geval is. De barema s verschillen echter naargelang de leerkrachten in de Franse Gemeenschap dan wel in de Vlaamse Gemeenschap lesgeven (de barema s van de Vlaamse Gemeenschap zijn namelijk voordeliger). Op de koop toe variëren de barema s wanneer de lesgever al dan niet houder is van het vereiste pedagogische diploma. In het Brussels Gewest ondervindt het onderwijs chronische moeilijkheden om onderwijzend personeel aan te werven. Niet alleen de kwantitatieve tekorten aan kandidaten, ook de specifieke werkomstandigheden van de onderwijsberoepen liggen aan de basis van deze moeilijkheden. We denken aan de stress die wordt veroorzaakt door de relatief grote klassen omwille van het tekort aan plaatsen, de frequente aaneenschakeling van uitzend- of vervangingsovereenkomsten in het begin van de loopbaan, het gebrek aan ondersteuning van nieuwe leerkrachten door ervaren leerkrachten enz. Deze factoren maken het voor net afgestudeerde leerkrachten een hele opgave om zich professioneel in te schakelen. Ze verklaren waarom een deel van deze leerkrachten er uiteindelijk voor kiest om het onderwijs na enkele jaren de rug toe te keren. Volgens het arbeidsmarktrapport van 2012 van het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Opleiding verlaten 35% van alle lesgevers onder de 30 jaar (dus vastbenoemde, tijdelijk aangestelde en vervangende lesgevers samen) in Brussel na vijf jaar het Nederlandstalig kleuteronderwijs, in het Nederlandstalig lager onderwijs is dit 42% 5. Deze uitstroompercentages liggen driemaal hoger dan in Vlaanderen. Het merendeel verlaat hun Brusselse school voor een school die buiten Brussel ligt. Toch zijn er respectievelijk ook 10% en 15% die het beroep definitief verlaten, wat overeenkomt met de situatie in Vlaanderen. Een recente studie 6 toont aan dat de uitstroomgraad voor het beroep van leerkracht in het Franstalig onderwijs 14% is in het lager onderwijs, een uitstroompercentage dat overeenkomt met dat van de volledige Franse Gemeenschap. Deze uitstroom gaat vooral om leerkrachten die lesgeven zonder pedagogisch diploma (met een zogenaamde knelpuntkwalificatie ( titre en pénurie ) of voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen van groep B ( titre suffisant ) die aangenomen werden tijdens het schooljaar of slechts deeltijds lesgeven. Rekening houdende met een volgehouden demografische groei, vormt de bijkomende nood aan enerzijds geschikte onderwijsinfrastructuur en anderzijds opgeleid en gemotiveerd personeel nochtans één van de voornaamste uitdagingen die de sector in de komende jaren dient aan te gaan. 5 Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming (Departement Onderwijs en Vorming), Brussel Rapport personeel 2012. 6 Bron: Delvaux, Desmarez et al., 2013. 27

III. Financiën en verzekeringen Met zo n 60.000 bezoldigde banen is de sector van de financiën en de verzekeringen ook één van de kerntakken van de Brusselse economische activiteit. Op het hoogtepunt van de financiële crisis in 2008 werd deze sector zwaar op de proef gesteld, met een verlies van 5.900 jobs (of -8,9%) tijdens de laatste vijf jaar. Financiële intermediairs, meer bepaald de banken, kregen te maken met herstructureringen, fusies en andere bedrijfsovernames. Bovendien zullen evoluties binnen de sector, zoals op de eerste plaats de ontwikkeling van telefoon- en internetbankieren, het landschap binnen de sector nog verder hertekenen. De sector van de financiële activiteiten en de verzekeringen trekt heel wat pendelaars aan, vooral uit Vlaanderen. De vele pendelaars in deze sector zijn te verklaren door de hoge kwalificatie-eisen van de werkgevers: zij rekruteren omwille van die hoge eisen om ook in de twee andere gewesten. Het percentage hoge salarissen ligt in deze sector stukken hoger dan bij alle Brusselse loontrekkenden tezamen, ook omwille van die hoge kwalificatiestructuur. Daarnaast komen de aantrekkelijke lonen in de financiële sector voort uit het feit dat deze sector een grote toegevoegde waarde schept en ondanks de crisis aanzienlijke winsten blijft boeken. In 2012 en 2013 vereisten gemiddeld zeven op de tien door Actiris behandelde werkaanbiedingen een diploma van het hoger onderwijs 7. En, hoewel dit paradoxaal kan lijken, deed er zich in dezelfde periode een verdringingseffect bij de aanwerving in de sector voor: er zijn minder arbeidsplaatsen voor hogeropgeleiden dan hoogopgeleide werknemers 8. De sector doet steeds vaker een beroep op minder gebruikelijke en minder duurzame aanwervingsvormen dan klassieke arbeidsovereenkomsten: tijdelijke opdrachten, consultancy met een zelfstandigenstatuut enz. Zoals bij de sector van de overheidsdiensten het geval is, vinden we bij de sector van de financiële activiteiten en de verzekeringen een grote groep oudere werknemers boven de 50 jaar en betrekkelijk weinig jongeren onder de 30 jaar terug. Met deze specifieke leeftijdspiramide moet worden nagegaan hoe de personeelsleden die binnenkort met pensioen gaan, zullen worden vervangen en hoe de kennis van de oudere naar de jongere/nieuwere werknemers zal worden overgedragen. IV. Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening De sector van de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening is een relatief heterogene sector waarin zowel de gezondheidszorg, de maatschappelijke dienstverlening met huisvesting (zoals rusthuizen) als de maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting (zoals crèches en kinderdagverblijven) worden ondergebracht. In deze sector werken ongeveer 63.000 werknemers en ook zo n 5.700 zelfstandigen, met name in de vrije beroepen. 7 We merken op dat de sector van financiën en verzekering niet sterk vertegenwoordigd is bij de werkaanbiedingen ontvangen door Actiris. 8 Bron: FOD Economie ADSEI (EAK). 28

Voor heel wat beroepen zijn de toelatingsvoorwaarden gereglementeerd (artsen, verpleegkundigen, psychologen, maatschappelijk werkers, gespecialiseerde opvoeders, of kinderverzorgers), maar eveneens kenmerkend voor deze sector is dat er redelijk recent ook nieuwe beroepen bijkomen die voor veranderingen zorgen. Dit is in het bijzonder het geval in het segment van de maatschappelijke dienstverlening (met onder meer de opkomst van coördinatoren, projectleiders) 9. Met deze opkomende beroepen dringt zich de vraag op naar hun officiële erkenning, ook al worden nieuwe universitaire programma s ontwikkeld om mensen voor dergelijke beroepen op te leiden. Verder moet worden gekeken of er eventuele verdringing optreedt ten gevolge van een lagere waardering van hun statuut. Voor het Brussels Gewest, dat zich demografisch gezien van de twee andere gewesten onderscheidt door een minder sterke vergrijzing en een uitgesproken verjonging van de bevolking, zien we een neerwaartse trend van de bezoldigde werkgelegenheid (-4.500 arbeidsplaatsen tussen 2008 en 2012, ofwel -6,6%). In deze sector werken overheersend vrouwen, voornamelijk in segmenten die als "typisch vrouwelijk" worden bestempeld, zoals crèches, kinderdagverblijven, thuishulp enz. Over het algemeen zijn de lonen er in vergelijking met andere sectoren vaker hoog, al zijn er sterke verschillen naargelang het segment. De bezoldiging is minder gunstig in de maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting. De hoogste salarissen komen voor in de gezondheidszorg. De sector van de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening wordt trouwens aanhoudend met aanwervingsproblemen geconfronteerd, met name voor de functies van verpleegkundige en kinderverzorgster. We mogen niet zomaar aan deze tekorten voorbijgaan, want de Brusselse bevolking groeit massaal en de behoeften inzake gezondheidszorg en kinderopvang zullen alleen maar toenemen. Verder stellen we tegelijkertijd een algemene stijging van het aantal thuisverpleegkundigen vast, wat rechtstreeks samenhangt met de vergrijzing van de bevolking: bejaarde personen die minder mobiel zijn, verkiezen meestal om thuis te worden verzorgd. V. De handel 10 De sector van de handel, waaronder de groot- en detailhandel en de handel in auto s en motorfietsen, is nauw verbonden met de positie van Brussel als economisch middelpunt, toeristische trekpleister en zakencentrum. De handel draagt bij tot de economische dynamiek van het gewest (door zo n 62.000 werknemers en meer dan 18.000 zelfstandigen werk te verschaffen), maar is in zekere zin ook kwetsbaar aangezien de handel onderhevig is aan conjunctuurvariaties en de concurrentie binnen de 9 Hamzaoui M., Les figures indécises: le cas des travailleurs sociaux, in TEF, Cahiers de Sociologie et d Economie régionale nr. 8/2008. 10 Voor meer informatie over de sector van de handel kunt u de volgende studie raadplegen: Monitoring en anticipatie. Werkgelegenheid, opleidingen en arbeidsmarktbemiddeling in Brussel. Sector handel Actualiteit en perspectieven (Brussels Observatorium voor de werkgelegenheid, juli 2014). 29

sector zelf. Sinds het begin van de crisis in 2008 zijn in de handel in het Brussels Gewest 4.700 arbeidsplaatsen verloren gegaan (-7,1%). Dit banenverlies heeft zowel betrekking op de groothandel (voornamelijk door zijn periferisering) als de detailhandel, die totnogtoe de crisis nochtans redelijk goed had doorstaan. Tevens is de zelfstandige arbeid in de sector afgenomen (terugval van 1.440 arbeidsplaatsen, ofwel -7,3%). De detailhandel is eerder een vrouwenzaak qua werkgelegenheid (in het bijzonder parfumerieën, textielwinkels en apotheken). In de groothandel en de handel van auto s en motorfietsen zijn dan weer voornamelijk mannen aan de slag. De sector biedt daarenboven een groot aantal jobmogelijkheden aan laaggeschoolden, jobs die overigens niet verplaatsbaar zijn, toch wat de detailhandel betreft. De handel krijgt evenwel ook te maken met structurele aanwervingsmoeilijkheden bij uiteenlopende beroepen zoals verkoopspersoneel, televerkopers, winkelverantwoordelijken enz. Ook al is het kwalificatieniveau niet altijd een vereiste voor de indienstneming (bijna de helft van de door Actiris in 2012-2013 behandelde werkaanbiedingen voor deze sector vergden geen specifiek diploma), werkgevers kunnen andere voorwaarden stellen, zoals de kennis van een tweede of zelfs derde taal, beroepservaring, commerciële en relationele vaardigheden. De werkomstandigheden kunnen eveneens verklaren waarom kandidaten een gebrek aan interesse hebben voor de beroepen in de handel. Deeltijds werken komt tamelijk vaak voor (zo goed als een derde van de banen is deeltijds, tegenover één op de tien jobs voor alle loontrekkenden in Brussel) en de specifieke uurroosters in de sector (zoals zaterdagwerk) zijn soms moeilijk te rijmen met een gezinsleven. Verder is de handel één van de sectoren die het minst goed betaalt in het Brussels Gewest. Er zijn behoorlijk wat lage lonen in de handel, die soms lager dan het leefloon liggen. De handelssector is een economisch dynamische sector, maar wordt wel verzwakt door een voortdurende blootstelling aan conjunctuurschommelingen en zal in de toekomst het hoofd zal moeten bieden aan uiteenlopende uitdagingen zoals de digitalisering van de handelstransacties, de verzadiging van het wagenpark (voor de autohandel) of de delokalisering van grote handelscentra naar de rand. VI. Administratieve en ondersteunende diensten De sector van de administratieve en ondersteunende diensten is erg verscheiden en vertegenwoordigt in Brussel 59.000 bezoldigde banen. Uiteenlopende segmenten maken er deel van uit: de administratieve dienstverlening aan bedrijven, maar ook uitzendkantoren, reisbureaus, schoonmaakactiviteiten, verhuuractiviteiten, enquêtebureaus en bewakingsfirma s. De laatste vijf jaar zorgde hoofdzakelijk de ontwikkeling van de dienstenchequeactiviteiten voor een bloei van de administratieve en ondersteunende diensten (toename van 16.700 arbeidsplaatsen, ofwel +39,4%). In 30

andere segmenten kromp het personeelsbestand tijdens dezelfde periode (het gaat onder meer over het vaste personeel van de uitzendkantoren en de bewakingsfirma's). Het profiel van de werknemers die werkzaam zijn in de dienstenchequesector 11 wijst uit dat het in negen op de tien gevallen over vrouwen gaat. Dit is één van de redenen waarom de vrouwelijke werkgelegenheid in het Brussels Gewest over het algemeen meer gespaard bleef van de crisis dan de mannelijke werkgelegenheid. In het dienstenchequesysteem werken voornamelijk zeer laaggeschoolde werknemers: meer dan de helft van hen is laaggeschoold en twee op de vijf heeft een diploma van het hoger secundair onderwijs. Verder biedt de sector jobmogelijkheden voor langdurige werklozen (ongeveer de helft van de werknemers) en personen met een buitenlandse afkomst (ongeveer twee op de vijf werknemers). De dienstenchequeactiviteiten vormen dan ook een belangrijke toegang tot de arbeidsmarkt voor buitenlanders, en meer bepaald voor nieuwkomers. De gemiddelde dienstenchequewerknemer is tot slot behoorlijk jong: ongeveer een kwart van hen valt in de leeftijdsgroep van de 25-34-jarigen. Bijna de helft is tussen de 35 en 49 jaar. Dit is te verklaren door een reglementaire bepaling: werklozen onder de 50 jaar mogen sinds 1 juli 2009 geen huishoudelijke activiteiten bij mensen thuis meer verrichten in het PWA-stelsel. Deze werkzoekenden vinden in het dienstenchequesysteem bijgevolg het geschikte kader om dit soort activiteiten uit te oefenen. Als we de arbeidsomstandigheden onder de loep nemen, stellen we vast dat de overgrote meerderheid van de dienstenchequewerknemers deeltijds zijn tewerkgesteld. Een kwart van hen werkt minder dan halftijds en ongeveer twee derde presteert tussen de 19 en 37 u. per week. In vergelijking met andere sectoren is de bezoldiging voor deze activiteiten tamelijk laag. Wat de toekomst betreft, kunnen we ons afvragen of de achteruitgang van de vraag gecombineerd met de prijsstijging van de dienstencheques de dienstenchequeactiviteiten niet zal stabiliseren. Ook de impact van de regionalisering op de maatregelen zal op termijn moeten worden gemeten. 11 De gegevens over de profielen van dienstenchequewerknemers hebben betrekking op heel België en zijn overgenomen uit het jaarverslag 2013 van de RVZ Indicatoren van de arbeidsmarkt en evolutie van de uitkeringen. 31

Tabel 5: Daglonen volgens sector (zonder RSZ plaatselijke besturen) (2012) < 70 70-99 100-149 150-199 > 199 Overheidsdiensten 0,3 17,5 37,9 22,6 21,7 Onderwijs 0,6 9,3 45,6 27,6 16,8 Gezondheidszorg en maatschappelijke 1,2 21,3 44,9 21,8 10,7 dienstverlening Financiën verzekeringen 0,2 3,2 24,8 32,8 38,9 Handel 5,5 31,9 32,1 14,2 16,4 Administratieve en ondersteunende 2,9 61,8 24,3 7,0 4,0 diensten Totaal van de sectoren 1,9 23,1 35,7 20,7 18,6 Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 3. ZELFSTANDIGE ARBEID Brussel telt bijna 96.000 zelfstandigen, waarvan er 90.000 een zelfstandige activiteit uitoefenen en iets meer dan 5.000 de rol van helper vervullen 12. Ongeveer vier op de vijf van deze zelfstandigen oefenen hun activiteit in hoofdberoep uit. De zelfstandige arbeid vertegenwoordigt in het Brussels Gewest ongeveer een tiende van de nationale zelfstandige arbeid. Het Brussels Gewest concentreert daarentegen meer arbeid in loondienst (ongeveer één op de tien bezoldigde banen is in Brussel gevestigd). In vijf jaar is de zelfstandige arbeid evenwel sneller gegroeid in het Brussels Gewest (+15,1%) dan elders (+7,6% in Vlaanderen en +7,3% in Wallonië). Het aantal helpers is bijzonder sterk gestegen in Brussel (+38%), terwijl we in de twee andere gewesten een daling zien. De stijging in Brussel is uitsluitend toe te schrijven aan mannelijke helpers en is voornamelijk te danken aan de komst van nieuwe zelfstandigen uit onder meer Oost-Europa die in de bouwsector aan de slag gaan. Tabel 6: Evolutie van het aantal zelfstandigen volgens statuut en woonplaats (2008-2013) Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Bron: RSVZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 2013 Variatie 2008-2013 (in aantal) Variatie 2008-2013 (%) Zelfstandigen 90.609 11.143 14,0 Helpers 5.263 1.458 38,3 Totaal 95.872 12.601 15,1 Zelfstandigen 570.046 57.557 11,2 Helpers 46.243-14.081-23,3 Totaal 616.289 43.476 7,6 Zelfstandigen 261.712 22.129 9,2 Helpers 17.159-3.057-15,1 Totaal 278.871 19.072 7,3 Totaal België 991.032 75.149 8,2 De evolutie van het aantal opgestarte activiteiten bevestigt de toename van de zelfstandige activiteit in Brussel. Op vijf jaar heeft het gewest immers bijna 3.500 nieuwe btw-plichtigen geregistreerd, wat 12 We bedoelen het gewest waar de werknemer woont, rekening houdende met het feit dat dit voor zelfstandigen in veel gevallen overeenstemt met het gewest van tewerkstelling. 32

overeenstemt met een toename van 30%. Deze zeer duidelijke groei resulteert uit de komst van nieuwe zelfstandigen uit Oost-Europa, vooral uit Roemenië en Bulgarije, waar het voorheen vooral Poolse arbeidskrachten waren die de inkomende stroom van zelfstandigen uitmaakten. Er zijn in het Brussels Gewest ook meer zelfstandigen die hun activiteit hebben neergelegd (ongeveer 1.600 stopzettingen, ofwel een toename van 37%). In absolute cijfers zijn er niettemin minder stopzettingen van activiteiten dan opgestarte activiteiten, waardoor het aantal zelfstandigen uiteindelijk toeneemt. Na afloop van de periode die op de crisis volgde, stellen we een sterkere ondernemingsdynamiek vast, zowel wat betreft het aantal opgestarte als stopgezette activiteiten. Tabel 7: Evolutie van het aantal opgestarte en stopgezette activiteiten volgens woonplaats (2013) 2013 Variatie 2008-2013 Variatie 2008-2013 (in aantal) (%) Opgestarte activiteiten Brussels Gewest 14.791 3.454 30,5 Vlaams Gewest 49.637 3.071 6,6 Waals Gewest 24.871 4.168 20,1 België 89.299 10.693 13,6 Stopgezette activiteiten Brussels Gewest 6.153 1.582 34,6 Vlaams Gewest 24.422 5.502 29,1 Waals Gewest 12.167 1.399 13,0 België 42.742 8.483 24,8 Bron: RSVZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Over heel het land blijft het aandeel vrouwelijke zelfstandigen het laagst in het Brussels Gewest (28% tegenover 35% in de twee andere gewesten). Dit kleinere aandeel van vrouwen in de zelfstandige arbeid in Brussel komt voor in de meeste activiteitensectoren, en met name in de industrie (waarvan de bouwsector afhangt) en de handel. 33

Figuur 11: Verdeling van de zelfstandigen volgens geslacht en woonplaats (2013) 80,0 70,0 60,0 50,0 40,0 30,0 20,0 10,0 0,0 Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Mannen Vrouwen Bron: RSVZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De gemiddelde leeftijd van de zelfstandigen ligt in het Brussels Gewest lager dan in Vlaanderen of Wallonië. In Brussel zijn er in vergelijking met de twee andere gewesten namelijk meer zelfstandigen die tot de jongere leeftijdscategorieën behoren: 28% van de zelfstandigen in Brussel is jonger dan 35 jaar. In het Vlaams en het Waals Gewest is dit aandeel respectievelijk 20% en 19%. In Brussel is de zelfstandige arbeid in deze leeftijdsgroep de laatste vijf jaar met meer dan 13% vermeerderd. Figuur 12: Verdeling van de zelfstandigen volgens leeftijdsklasse en woonplaats (2013) 35,0 30,0 25,0 20,0 15,0 10,0 5,0 0,0 < 25 jaar 25-35 jaar 35-45 jaar 45-55 jaar 55-64 jaar 65 jaar en + Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Bron: RSVZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid In Brussel zijn de vrije beroepen (zoals artsen/chirurgen, advocaten, paramedische functies enz.) met één op de drie zelfstandigen het sterkst vertegenwoordigd. De handel komt op de tweede plaats (30%), gevolgd door de industriële activiteiten (27%) en meer bepaald de beroepen van de bouwsector (metsers, loodgieters, stukadoors, elektriciens enz.). 34

De toename van het aantal Brusselse zelfstandigen die de laatste vijf jaar werd geregistreerd, is vooral de verdienste van de industrie en de bouwsector (+6.800 eenheden) en de vrije beroepen (+6.500 eenheden). Figuur 13: Verdeling van de zelfstandigen in het Brussels Gewest volgens bedrijfstak (2013) 6% 2% 27% Industrie Handel 35% Vrije beroepen Diensten Varia 30% Bron: RSVZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 4. DE TEWERKSTELLINGSKANSEN IN HET BRUSSELS GROOTSTEDELIJK GEBIED De bezoldigde werkgelegenheid steeg de laatste vijf jaar in het Brussels Gewest slechts beperkt (+0,9%), maar in de rand, zien we een snellere groei, en dit vooral in Waals-Brabant (+9,5%). Over het volledige Brusselse grootstedelijke gebied is de bezoldigde werkgelegenheid met zo n 25.500 arbeidsplaatsen uitgebreid. In dezelfde periode kende het Brussels Gewest een grotere ondernemingsdynamiek dan in de rand, aangezien er een grotere relatieve stijging van het aantal zelfstandigen was (15% tegenover 10% in Vlaams-Brabant en 11% in Waals-Brabant). 35

Tabel 8: Evolutie van het aantal bezoldigde en zelfstandige banen in het Brussels grootstedelijk gebied Bezoldigde werknemers Zelfstandigen 2012 % België Var. 07-12 2013 % België Var. 08-13 Brussels Gewest 626.503 16,4 0,9 95.872 9,7 15,1 Vlaams-Brabant 366.192 9,6 2,6 107.596 10,9 10,6 Waals-Brabant 121.152 3,2 9,5 43.336 4,4 11,4 Brussels grootstedelijk gebied 1.113.847 29,1 2,3 246.804 24,9 12,5 België 3.826.569 100,0 2,3 991.032 100,0 8,2 Bronnen: RSZ, RSVZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De sectorale verdeling van de bezoldigde werkgelegenheid varieert gevoelig tussen Brussel en zijn rand. Zowel in Vlaams- als in Waals-Brabant komt de handel op de eerste plaats (respectievelijk 19,4% en 15,9% van de totale bezoldigde werkgelegenheid van de provincie). In het Brussels Gewest concentreert het grootste aandeel van de bezoldigde werkgelegenheid zich daarentegen in de overheidsdiensten (17,7%). Andere sectoren komen meer voor in de rand dan in Brussel. Dit is het geval voor de winning van delfstoffen en de verwerkende nijverheid of nog, de sector van vervoer en opslag. Tabel 9: Sectorale verdeling van de bezoldigde werkgelegenheid in het Brussels Gewest en in de rand (2012) Brussels Gewest Vlaams-Brabant Waals-Brabant Aantal % van het totaal Aantal % van het totaal Aantal % van het totaal Winning van delfstoffen en verwerkende 20.795 3,3 31.999 8,7 18.871 15,6 Bouwnijverheid 16.405 2,6 12.845 3,5 5.931 4,9 Handel 62.033 9,9 70.886 19,4 19.246 15,9 Vervoer en opslag 27.930 4,5 30.495 8,3 4.436 3,7 Verschaffen van accommodatie en 26.307 4,2 10.385 2,8 4.103 3,4 maaltijden Informatie en communicatie 31.621 5,0 17.282 4,7 3.328 2,7 Financiën en verzekeringen 60.468 9,7 8.372 2,3 3.823 3,2 Vastgoedsector 5.643 0,9 1.147 0,3 675 0,6 Gespecialiseerde, wetenschappelijke en 36.216 5,8 25.160 6,9 5.680 4,7 technische Administratieve activiteiten en ondersteunende 59.102 9,4 33.828 9,2 9.760 8,1 diensten Overheidsdiensten 110.665 17,7 24.181 6,6 11.653 9,6 Onderwijs 62.328 9,9 37.666 10,3 14.654 12,1 Gezondheidszorg en maatschappelijke 63.616 10,2 47.903 13,1 13.606 11,2 dienstverlening Kunst, amusement en recreatie 8.845 1,4 3.905 1,1 1.549 1,3 Overige diensten 23.183 3,7 5.707 1,6 2.222 1,8 Varia 11.346 1,8 4.431 1,2 1.615 1,3 Totaal 626.503 100,0 366.192 100,0 121.152 100,0 Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De sectorspecialisaties van het centrum (Brussel) ten opzichte van de rand worden duidelijker in grafiek 14. Uit de grafiek leiden we af dat het Brussels Gewest gespecialiseerd is in sectoren die intrinsiek gelinkt zijn aan zijn statuut van hoofdstad waar zowel overheidsdiensten en bedrijven als toeristische en culturele trekpleisters terug te vinden zijn. Financiële activiteiten en verzekeringen, 36

vastgoedactiviteiten, overheidsdiensten, horeca, de kunstsector alsook activiteiten m.b.t. communicatie en informatie zijn bijgevolg ook sterk aanwezig in Brussel. De rand is op zijn beurt eerder gespecialiseerd in de winning van delfstoffen en de verwerkende nijverheid (vooral Waals-Brabant), de handel, vervoer en opslag (Vlaams-Brabant) en de bouw. Verschillende factoren dragen bij tot de uitgesproken aanwezigheid van deze sectoren in de rand: de aanhoudende ontstedelijking van de verwerkende industrie die zich decennia geleden heeft ingezet, de massale stadsvlucht van de Brusselaars die tot een toename van de vraag naar woningen in de rand heeft geleid, de aanwezigheid van grote verdeelcentra gespecialiseerd in de groothandel of de nabijheid van de nationale luchthaven en zijn impact op de ontwikkeling van de transport- en logistieksector. Figuur 14: Relatieve sectorspecialisatie van het Brussels Gewest ten opzichte van de rand (2012) Financiën en verzekeringen Vastgoed Overheidsdiensten Andere dienstenactiviteiten Huisvesting en horeca Kunst, spektakels en recreatieve activiteiten Informatie en communicatie Administratieve en ondersteunende diensten Onderwijs Gespecialiseerde, wetenschappelijke en technische activiteiten Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening Bouw Vervoer en opslag Handel Winning van delfstoffen en verwerkende nijverheid 0,0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 Brussels Gewest Vlaams-Brabant Waals-Brabant Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Deze relatieve sectorspecialisaties beïnvloeden de kenmerken van de bezoldigde werkgelegenheid. In de rand vertoont de bezoldigde werkgelegenheid dan ook typische eigenschappen. Het percentage arbeiders is hoger in Vlaams- en Waals-Brabant omdat er meer arbeidsplaatsen voor handenarbeid 37

zijn (bouw, vervoer en opslag, verwerkende nijverheid enz.). Het Brussels Gewest telt dan weer meer bedienden en ook ambtenaren, doordat de overheidsdiensten er zo'n belangrijke plaats innemen. Anderzijds is de bezoldigde werkgelegenheid in Brussel relatief evenwichtig tussen de geslachten verdeeld, terwijl de rand, en in het bijzonder Vlaams-Brabant, meer jobkansen voor mannen biedt. Een analyse van het aantal bezoldigde arbeidsplaatsen volgens de grootte van de ondernemingen brengt verschillen aan het licht tussen de Brusselse economische structuur en die van zijn hinterland. In het Brussels Gewest is bijna de helft van de bezoldigde werkgelegenheid terug te vinden in zeer grote bedrijven (vestigingen die meer dan 200 personen in dienst hebben). Dit blijkt in de rand een aanzienlijk kleiner aandeel te zijn, maar de kleine en middelgrote ondernemingen stellen naar verhouding wel meer werknemers dan in Brussel tewerk. Tabel 10: Kenmerken van de bezoldigde werkgelegenheid in het Brussels Gewest en in de rand (2012) (%) Vlaams-Brabant Waals-Brabant Brussels Gewest 1) Statuut Bediende 59,3 58,1 60,9 Arbeider 30,1 30,4 20,1 Ambtenaar 10,6 11,5 18,9 2) Geslacht Mannen 54,1 51,5 50,2 Vrouwen 45,9 48,5 49,8 3) Bedrijfsgrootte Minder dan 5 werknemers 6,7 9,4 6,2 5 tot 19 werknemers 14,6 18,7 12,2 20 tot 49 werknemers 17,1 18,5 12,8 50 tot 199 werknemers 27,5 27,6 20,0 Meer dan 200 werknemers 34,0 25,8 48,8 Bron: RSZ, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 5. DE DEMOGRAFIE VAN DE ONDERNEMINGEN We kunnen eveneens inzicht krijgen in de economische gezondheid van het Brussels Gewest aan de hand van gegevens over de demografie van de ondernemingen. Deze tonen aan dat de crisis de ondernemingsdynamiek niet heeft aangetast, want het aantal btw-plichtige bedrijven is in Brussel sinds 2008 gunstig geëvolueerd in vergelijking met de twee andere gewesten. We wijzen erop dat deze gegevens niet volledig samenvallen met deze voor de zelfstandigen, aangezien een aantal zelfstandigen (zoals zij die een vrij beroep uitoefenen) niet ingeschreven zijn bij de btw-administratie. 38

Tabel 11: Evolutie van het aantal btw-plichtige ondernemingen volgens gewest (2008-2013) Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest 2013 88.731 497.546 223.844 Variatie 2008-2013 +8.675 +40.888 +14.139 Variatie in % +10,8 +9,0 +6,7 Bron: FOD Economie, Kmo, Middenstand en Energie, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De oprichtingsgraad van ondernemingen geven weer dat in Brussel meer ondernemingen worden opgericht dan in Vlaanderen en Wallonië, ondanks een lichte daling in de oprichtingsgraad sinds 2008. Dezelfde verhouding vinden we terug wanneer we Brussel en de rand vergelijken. Bovendien blijft het verschil tussen de oprichtingsgraad en de stopzettingsgraad hoger in Brussel dan elders. Tabel 12: Evolutie van de oprichting- en stopzettingsgraad van ondernemingen volgens gewest en provincie (2008-2013) Oprichtingen Stopzettingen Saldo oprichtingenstopzettingen 2008 2013 2008 2013 2008 2013 Brussels Gewest 11,2 10,9 8,3 8,6 2,9 2,3 Vlaams Gewest 8,8 7,5 6,5 6,7 2,3 0,8 Waals Gewest 9,2 8,6 8 7,9 1,2 0,7 Vlaams-Brabant 9,1 7,7 6,6 6,4 2,5 1,3 Waals-Brabant 8,6 7,9 6,4 6,8 2,2 1,1 Brussels grootstedelijk gebied 9,8 9,1 7,3 7,5 2,5 1,6 Bron: FOD Economie, Kmo, Middenstand en Energie, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid In 2013 waren er in het Brussels Gewest 2.652 faillissementen, iets meer dan een vijfde van het totale aantal faillissementen in België in dat jaar. Zoals de voorgaande jaren reeds werd vastgesteld, zijn de handel, de horeca en de bouw de sectoren waar de meeste faillissementen voorkomen (respectievelijk 28,2%,17,8% en 13,1% van alle faillissementen in Brussel). In Brussel is het aantal faillissementen de afgelopen vijf jaar het sterkst gestegen (+46,3%, tegenover +34,4% in Vlaanderen en +40,0% in Wallonië). In absolute waarden zijn het de drie zelfde sectoren die de grootste stijging van het aantal faillissementen laten optekenen (+147 eenheden bij de bouwsector, ofwel +73,1%; +182 eenheden bij de handel, ofwel +32,2%; +171 eenheden voor de horeca, ofwel +56,8%). 39

Tabel 13: Evolutie van het aantal faillissementen in het Brussels Gewest volgens activiteitensector (2008-2013) 2013 Variatie 2008-2013 a.w. % Industrie 82 27 49,1 Bouwnijverheid 348 147 73,1 Handel 747 182 32,2 Vervoer en opslag 169 63 59,4 Horeca 472 171 56,8 Informatie en communicatie 115-6 -5,0 Financiën en verzekeringen 47 21 80,8 Vastgoedsector 76 33 76,7 Gespecialiseerde, wetenschappelijke en technische activiteiten 197 83 72,8 Administratieve en ondersteunende diensten 220 97 78,9 Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening 28 15 115,4 Kunst, amusement en recreatie 32 19 146,2 Varia 119-13 -9,8 Totaal 2.652 839 46,3 Bron: FOD Economie, Kmo, Middenstand en Energie, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Alle faillissementen in het Brussels Gewest in 2013 samen resulteerden in een verlies van 4.357 banen. De sectoren die het zwaarst door dit jobverlies werden getroffen zijn, in dalende volgorde: de administratieve en ondersteunende diensten (21,0%), de handel (18,2%) en de bouw (15,2%). De sectoren waar de afgelopen vijf jaar in absolute cijfers de meeste jobs verloren gingen als gevolg van faillissementen zijn opnieuw de administratieve en ondersteunende diensten (+521 eenheden) en de bouw (+244 eenheden). Tabel 14: Evolutie van het jobverlies als gevolg van faillissementen in het Brussels Gewest volgens activiteitensector (2008-2013) 2013 Variatie 2008-2013 a.w. % Industrie 172 46 36,5 Bouwnijverheid 663 244 58,2 Handel 794-4 -0,5 Vervoer en opslag 333 64 23,8 Horeca 554 26 4,9 Informatie en communicatie 175 42 31,6 Financiën en verzekeringen 27 3 12,5 Vastgoedsector 52-19 -26,8 Gespecialiseerde, wetenschappelijke en technische activiteiten 283 130 85,0 Administratieve en ondersteunende diensten 915 521 132,2 Overheidsdiensten 0-1 -100,0 Onderwijs 14-1 -6,7 Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening 158 104 192,6 Kunst, amusement en recreatie 36 18 100,0 Varia 181 25 16,0 Totaal 4.357 1.198 37,9 Bron: FOD Economie, Kmo, Middenstand en Energie, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 40

Het aanbod van werk: de Brusselse beroepsbevolking 1. DEMOGRAFISCHE ELEMENTEN Het Brussels Gewest strekt zich uit over een beperkt grondgebied van 161 km² en telt ongeveer 1.155.000 inwoners. Bijgevolg is het gewest het meest dichtbevolkte gebied van België. De Brusselse bevolking onderscheidt zich van de Vlaamse en Waalse bevolking door een relatief sterke stijging. De voorbije tien jaar is de Brusselse bevolking immers met 16,4% toegenomen, tegenover 6,4% in het Vlaams Gewest en 5,8% in het Waals Gewest. Deze bevolkingsgroei is het gevolg van natuurlijke bewegingen (of het verschil tussen geboortes en sterftes) en vooral van migratiebewegingen (of het verschil tussen het aantal personen dat zich op het grondgebied komt vestigen en het aantal personen dat het gewest verlaat). Wat de rand betreft, is de stijging evenwel iets meer uitgesproken dan in Vlaanderen en Wallonië (+7,1% in Vlaams-Brabant en +8,5% in Waals-Brabant). De oorzaak hiervan zijn namelijk aanzienlijke migratiebewegingen van Brussel naar de beide Brabantse provincies. Hoewel de toename van de Brusselse bevolking in de eerste plaats de jongste leeftijdscategorie betreft (+24,4% bij de min-15-jarigen), heeft dit eveneens belangrijke gevolgen voor de bevolking op beroepsactieve leeftijd (+18,6% bij de personen tussen 15 en 64 jaar). Concreet betekent dit dat tussen 2003 en 2013 het aantal personen die actief zouden kunnen zijn op de arbeidsmarkt met ongeveer een vijfde is gestegen. Deze verjongingstendens van de Brusselse bevolking heeft een onmiskenbare weerslag op de arbeidsmarkt. Figuur 15 toont op basis van demografische ontwikkelingen en voorspellingen voor de komende 10 jaar het verband tussen het aantal 15- tot 24-jarigen die tot de arbeidsmarkt zouden kunnen toetreden en het aantal 55- tot 64-jarigen die de arbeidsmarkt zullen verlaten. Wanneer deze ratio boven 100 ligt, betekent dit dat er meer jongeren op de arbeidsmarkt zullen komen dan ouderen die deze zullen verlaten. In het begin van de jaren 1990 was de situatie in de drie gewesten vergelijkbaar. Dit is vandaag niet langer het geval. Waar de vervangingsgraad van de beroepsactieven in het Brussels Gewest 126 bedraagt, is deze in Vlaanderen en Wallonië onder 100 gedaald (respectievelijk 91 en 99). Volgens de huidige demografische vooruitzichten 13 zal de vervangingsgraad in Brussel stabiel blijven op zijn huidige niveau, terwijl deze in de twee andere gewesten zal blijven afnemen. Deze daling geldt eveneens voor Vlaams- en Waals-Brabant, wat betekent dat er in de rand jobmogelijkheden zullen ontstaan voor Brusselaars, aangezien de jongeren die de arbeidsmarkt zullen betreden niet alle 13 Bronnen: Federaal Planbureau, Demografische vooruitzichten 2013-2060. Bevolking, huishoudens en prospectieve sterftequotiënten, april 2014; BISA, Bevolkingsprojecties 2010-2020 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de cahiers van het BISA nr. 1, mei 2010. 41

oudere personen die deze zullen verlaten, zullen kunnen vervangen. Deze demografische ontwikkeling zal bovendien gevolgen hebben op het inkomend pendelverkeer naar Brussel in die mate dat een groot deel van de pendelaars uit de provincies Vlaams- en Waals-Brabant komt. 160,0 Figuur 15: Vervangingsgraad van de beroepsactieven (15-24 jaar/55-64 jaar) 150,0 140,0 130,0 120,0 110,0 100,0 90,0 80,0 70,0 Demografische voorspelling 1991 1994 1997 2000 2003 2006 2009 2012 2015 2018 2021 2024 Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Vlaams-Brabant Waals-Brabant Bron: FOD Werkgelegenheid ADSEI (EAK), berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Naast een verjongingstendens onderscheidt de Brusselse bevolking zich eveneens door een sterke aanwezigheid van personen van buitenlandse origine. Meer dan twee derde van de bevolking op beroepsactieve leeftijd (hier gedefinieerd als personen tussen 18 en 64 jaar) is van buitenlandse afkomst 14. In het Waals Gewest is dit een vierde en in het Vlaams Gewest een zesde. Van de 68% personen van buitenlandse afkomst die in Brussel wonen, zijn meer dan de helft afkomstig uit een land buiten de Europese Unie. Figuur 16: Origine van de personen tussen 18 en 64 jaar in het Brussels Gewest (2012) 7,7 24,3 Belgische origine Europese orgine 38,2 Niet-Europese origine Origine onbepaald 29,8 Bron: KSZ Datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 14 Onder buitenlandse afkomst verstaan we alle personen met een buitenlandse nationaliteit en/of de personen geboren met een buitenlandse nationaliteit en/of de personen waarvan één van de ouders geboren is met een buitenlandse nationaliteit. 42

2. DE WERKENDE BEROEPSBEVOLKING In 2013 telde het Brussels Gewest ongeveer 777.000 personen tussen 15 en 64 jaar. In het vorige punt hebben we gezien dat deze bevolkingsgroep die we de bevolking op beroepsactieve leeftijd noemen aanzienlijk is toegenomen. Deze groep is de laatste vijf jaar namelijk met 9,7% gegroeid, een stijging die aanzienlijk sterker is dan die in de twee andere gewesten (+1,7% in Vlaanderen en +2,0% in Wallonië). Figuur 17: De indicatoren van de Brusselse arbeidsmarkt (15-64 jaar) (2013) Bron: FOD Economie ADSEI (EAK), berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Niet alle personen op beroepsactieve leeftijd zijn actief op de arbeidsmarkt: sommigen studeren nog, anderen zijn huisman/huisvrouw enz. 506.000 personen in deze categorie worden daadwerkelijk als beroepsactief beschouwd, dat wil zeggen aan het werk of op zoek naar werk (werkloos). De beroepsbevolking bestaat uit 408.000 personen die werken (de werkende beroepsbevolking), al dan niet als loontrekkende of als zelfstandige, en uit ongeveer 98.000 werklozen (de niet-werkende beroepsbevolking). De activiteitsgraad (of het aantal personen van de bevolking op beroepsactieve leeftijd die actief zijn op de arbeidsmarkt) in het Brussels Gewest bedraagt 65,1%, terwijl deze in het Vlaams Gewest 69,8% en in het Waals Gewest 64,4% bedraagt. De activiteitsgraad is tussen 2008 en 2013 in Brussel met 1,1% gedaald, waardoor Brussel het enige gewest is waar het niveau van vóór de crisis niet opnieuw werd bereikt. De activiteitsgraad schommelt naargelang de beoogde doelgroepen. Volgens geslacht: De activiteitsgraad ligt aanzienlijk hoger bij mannen (71,9%) dan bij vrouwen (58,4%), wat aantoont dat vrouwen zich vaker in situaties bevinden waarin ze zich uit het beroepsleven 43

terugtrekken. Dit geldt in het bijzonder voor Brussel waar het verschil tussen de geslachten meer uitgesproken is in vergelijking met Vlaanderen en Wallonië. Volgens leeftijd: De activiteitsgraad van de min-25-jarigen is relatief zwak (25,5%) wegens het grote aantal studenten, wat het aantal beroepsactieven in deze categorie verlaagt. Het aandeel van de beroepsactieve jongeren is minder sterk in Brussel dan in de twee andere gewesten. De activiteitsgraad van de jongeren zit in een neerwaartse spiraal: deze daalde immers van 28,4% in 2008 naar 25,5% in 2013. Deze afname kan worden verklaard aan de hand van de twee volgende factoren: de toename van het aantal studerende jongeren enerzijds (voornamelijk wegens de verlenging van de studieduur) en de stijging van het aantal NEET-jongeren anderzijds (namelijk jongeren die niet werken, niet studeren en/of geen opleiding volgen). De activiteitsgraad van de personen ouder dan 50 jaar is de afgelopen vijf jaar dan weer gestegen, namelijk van 45,8% in 2008 naar 59,3% in 2013. Deze toename brengt een tendens aan het licht onder de oudere werknemers om langer op de arbeidsmarkt te blijven, hoofdzakelijk door wetswijzigingen die de leeftijd van de vervroegde uitstap uit het beroepsleven hebben uitgesteld, alsook door activeringsmaatregelen gericht op deze doelgroep. Volgens opleidingsniveau: Wat de werkgelegenheidsgraad betreft, is er een aanzienlijk verschil tussen hooggeschoolden (83,3%) en laaggeschoolden (46,5%). Dit verschil is nog meer uitgesproken in Vlaanderen en Wallonië. Volgens nationaliteit: De activiteitsgraad van buitenlanders verschilt sterk naargelang ze uit een land van de Europese Unie (76,5%) of een land buiten de Europese Unie (59,6%) komen. Volgens origine: Personen van buitenlandse, niet-europese origine (waaronder buitenlanders, maar eveneens genaturaliseerde Belgen) zetten een zwakkere activiteitsgraad (52,6%) dan de Belgen (75,0%) neer. De werkgelegenheidsgraad vult de activiteitsgraad aan met het aandeel van de bevolking op beroepsactieve leeftijd dat effectief werkt. De werkgelegenheidsgraad in het Brussels Gewest bedraagt 52,5%, in het Vlaams Gewest 66,2% en in het Waals Gewest 57,0%. De werkgelegenheidsgraad kan op nationaal niveau worden gezien als een indicator van de economische prestaties die ons inzicht verschaft in de mate waarin een economie in staat is om jobs te creëren, maar we benadrukken dat de werkgelegenheidsgraad op gewestniveau in eerste instantie een graadmeter voor de arbeidsparticipatie is. Wat Brussel betreft moeten we, als we de werkgelegenheidsgraad willen gebruiken als maatstaf voor het vermogen van de Brusselse economie 44

om werk te creëren, eveneens rekening houden met de wisselwerking tussen het stadscentrum en het Brusselse hinterland. In die zin ligt de werkgelegenheidsgraad van het Brussels grootstedelijk gebied hoger (59,5%), wanneer we de performanties van Vlaams- en Waals-Brabant meetellen. De werkgelegenheidsgraad wisselt, zoals de activiteitsgraad, eveneens naargelang de beoogde doelgroepen. Volgens geslacht: De werkgelegenheidsgraad is hoger bij mannen (56,7%) dan bij vrouwen (48,5%). Dit is echter geen typisch Brussels verschijnsel, want in beide andere gewesten zien we dezelfde tendens. Volgens leeftijd: De werkgelegenheidsgraad van de min-25-jarigen (uitgezonderd studentenarbeid) is relatief zwak (46,0%) ten opzichte van dezelfde leeftijdscategorie in Vlaanderen (74,5%) en Wallonië (55,9%). Volgens opleidingsniveau: Zoals de activiteitsgraad doet vermoeden, is de werkgelegenheidsgraad eveneens het hoogst onder hoogopgeleiden (75,4%) en het laagst onder laaggeschoolden (31,6%). De werkgelegenheidsgraad van laaggeschoolden is het minst hoog in het Brussels Gewest (41,3% in Vlaanderen en 34,2% in Wallonië). Volgens nationaliteit: De werkgelegenheidsgraad van de niet-europese buitenlanders is bijzonder zwak (39,1%) in vergelijking met die van de buitenlanders afkomstig uit de Europese Unie (65,4%). Het fenomeen van de ondertewerkstelling treft vooral vrouwen met een niet-europese nationaliteit aangezien ze een veel groter percentageverschil laten optekenen ten opzichte van vrouwen uit een Europese lidstaat (verschil van 30,3% tegenover 22,8% bij de mannen). Volgens origine: Personen met een buitenlandse, niet-europese origine (waaronder buitenlanders, maar eveneens genaturaliseerde Belgen) zetten een zwakkere activiteitsgraad (38,5%) dan de Belgen (67,0%) neer. Hoewel de werkende beroepsbevolking in het Brussels Gewest de voorbije vijf jaar sneller is toegenomen (+3,7%) dan in Vlaanderen (+1,3%) en Wallonië (+1,6%), heeft zich dat niet in een stijging van de werkgelegenheidsgraad geuit. Aan het einde van de beschouwde periode is de werkgelegenheidsgraad teruggelopen (-3,1%) en is de werkloosheidsgraad in Brussel toegenomen. Om deze ogenschijnlijk tegenovergestelde evolutie te begrijpen, moeten we haar in het licht van de Brusselse demografische ontwikkelingen bekijken en meer bepaald tegen de achtergrond van de bevolking op beroepsactieve leeftijd. Immers, aangezien de bevolking tussen 15 en 64 jaar in vijf jaar tijd sneller is toegenomen dan de werkende bevolking (+9,7% tegenover +3,7%), is het aantal 45

Brusselse werknemers onvoldoende gestegen om de werkgelegenheidsgraad in het gewest de hoogte in te stuwen. 3. HET PENDELVERKEER Op Belgisch niveau zijn er ongeveer 508.000 personen die tussen de gewesten pendelen. Van al deze personen pendelt meer dan 7 op de 10 dagelijks naar Brussel om er te werken. We weten het inmiddels: het fenomeen van het woon-werkverkeer is belangrijk om de Brusselse arbeidsmarkt te begrijpen. Het aantal jobs in Brussel ligt immers beduidend hoger dan het aantal werkenden die er wonen (709.000 vs. 506.000). Iets meer dan de helft van de jobs in het gewest (51,6%) wordt ingevuld door personen die in Vlaanderen of Wallonië wonen, meer bepaald door personen uit Vlaams- en Waals-Brabant (en in mindere mate door personen uit Oost-Vlaanderen en Henegouwen). Het toegenomen pendelverkeer naar Brussel houdt in dat het tewerkstellingsbekken van het gewest niet bij de administratieve grenzen stopt: heel wat rekruteringen reiken verder dan de grenzen van het gebied. De omvang van het woon-werkverkeer kan aan de hand van zowel individuele als economische factoren worden uitgelegd. Wat het individu betreft, kunnen we veronderstellen dat een economische kern zoals Brussel inwoners uit de twee andere gewesten aantrekt (veelvuldige tewerkstellingsperspectieven, diversiteit van de aangeboden functies, aantrekkelijkheid van de lonen enz.). Brusselse kandidaten voeren dan ook een concurrentiestrijd met hun Vlaamse en Waalse tegenhangers. Deze concurrentiedruk heeft rechtstreekse gevolgen voor de rekruteringspraktijken van de werkgevers. Immers, hoewel objectieve redenen werkgevers kunnen aansporen om buiten Brussel aan te werven met het oog op een gekwalificeerde en/of tweetalige arbeidskracht, ze kunnen nochtans bij een hoger aanbod dan vraag naar werk geneigd zijn om hun vereisten naar boven te herzien. Bijgevolg blijven minder jobmogelijkheden over voor de plaatselijke arbeidskrachten waarvan een aanzienlijk deel laaggeschoold is en slechts één van de twee landstalen beheerst. Hoe evolueert het pendelverkeer naar en vanuit Brussel? Hoewel het pendelverkeer naar Brussel grote proporties aanneemt, toont de analyse van het woonwerkverkeer over een lange periode evenwel dat de evolutie in het voordeel van de Brusselaars uitvalt. Ook al steeg het inkomend pendelverkeer tot het eind van de jaren 1990, we nemen sindsdien een relatieve en continue daling waar van het aantal werknemers die naar Brussel pendelen. De oorzaken hiervan zijn de toename van de in Brussel wonende en werkende beroepsbevolking en de stijging van de interne werkgelegenheid de voorbije tien jaar, voornamelijk in het voordeel van de Brusselaars (+15,1%). 46

Figuur 18: Ratio van het inkomend/uitgaand pendelverkeer in het Brussels Gewest 10,0 9,0 8,0 7,0 6,0 5,0 4,0 3,0 2,0 1,0 0,0 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 Bron: FOD Economie ADSEI (EAK), berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Het uitgaand pendelverkeer (Brusselaars die buiten de gewestgrenzen gaan werken) is tezelfdertijd onafgebroken gestegen: een toenemend aantal Brusselaars vindt werk in één van de twee andere gewesten (20.000 meer dan in 1993 en 11.000 meer dan in 2003). De verhouding tussen de uitgaande en inkomende pendelaars is vandaag immers interessanter dan pakweg tien of twintig jaar geleden. Deze bedroeg 1 op 5,5 in 2013, ten opzichte van 1 op 7 in 2003 en 1 op 9,2 in 1993. De stijging van het uitgaand pendelverkeer naar Vlaanderen en Wallonië werd de afgelopen jaren aangemoedigd door verschillende maatregelen. Voorbeelden hiervan zijn de interregionale samenwerkingsakkoorden die de mobiliteit van de werknemers trachten te verhogen (en waarvan het eerste akkoord in 2005 werd gesloten) en het actieplan met betrekking tot de uitwisselingen tussen de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling (waarvan de eerste concrete toepassingen van juni 2007 dateren). Sinds 2006 is het uitgaand pendelverkeer sneller gegroeid dan het aantal in Brussel wonende en werkende personen (25% tegen 10%). Welk profiel hebben de pendelaars in Brussel? De inkomende pendelaars zijn gemiddeld ouder dan de in Brussel wonende en werkende personen. We zien in Brussel immers een groter aantal Vlaamse en Waalse werknemers ouder dan 40 jaar dan Brusselse werknemers en hetzelfde geldt voor de werknemers ouder dan 50 jaar. De Vlaamse en Waalse pendelaars in Brussel zijn zelfs gemiddeld ouder dan de Vlamingen of Walen die in hun eigen gewest werken. 47

Figuur 19: Leeftijdspiramide van de werknemers in Brussel volgens hun woonplaats (2013) 40,0 35,0 30,0 25,0 20,0 15,0 10,0 5,0 0,0 15-24 jaar 25-29 jaar 30-39 jaar 40-49 jaar 50 jaar en + Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Bron: FOD Economie ADSEI (EAK), berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Het opleidingsniveau van de naar Brussel komende pendelaars ligt gemiddeld hoger dan dat van de Brusselaars die in het gewest werken: 6 op de 10 zijn hoogopgeleid tegenover slechts 5 op de 10 Brusselaars. Deze oververtegenwoordiging van hooggeschoolden onder de pendelaars is vooral zichtbaar bij de personen die een niet-universitair diploma (van het korte of lange type) bezitten. De jobs waarvoor een diploma van het hoger onderwijs van het korte type is vereist, worden voor twee derde door pendelaars ingevuld. De Brusselse werknemers daarentegen oefenen in diezelfde mate jobs uit waarvoor maximaal een diploma van het lager secundair onderwijs nodig is. Figuur 20: Opleidingsniveau van de werknemers in Brussel volgens hun woonplaats (2013) 70,0 60,0 50,0 40,0 30,0 20,0 10,0 0,0 Zwak Middelmatig Hoog Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Bron: FOD Economie ADSEI (EAK), berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid In bepaalde sectoren worden hoofdzakelijk Brusselse arbeidskrachten tewerkgesteld: in de horecasector (vier op vijf zijn Brusselaars), in de activiteiten van de extraterritoriale instellingen, in de 48

administratieve en ondersteunende diensten (waaronder het personeel van uitzendkantoren en dienstenchequebedrijven), in de bouwsector, in de vastgoedsector alsook in de sector van de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening. De plaatselijke rekrutering kan te wijten zijn aan het specifieke karakter van de arbeidsvoorwaarden (zoals het variabel en/of onderbroken uurrooster in de horecasector, activiteiten waarvoor een grote flexibiliteit nodig is zoals in de sector van de dienstencheques enz.) of door het karakter dat eigen is aan de activiteit (met name in de extraterritoriale instellingen die hoofdzakelijk in Brussel wonende gedetacheerde werknemers en internationale ambtenaren tewerkstellen). Andere sectoren daarentegen rekruteren grotendeels buiten de grenzen van het Brussels Gewest, meer bepaald de sector van de financiën en verzekeringen, het openbaar bestuur en de vervoerssector. De financiële sector is sterk vertegenwoordigd in Brussel, aangezien om en bij de helft van deze instellingen er is gevestigd (voornamelijk de hoofdzetels). Hetzelfde geldt voor bepaalde segmenten van de overheidssector, in het bijzonder voor de federale overheid. Bovendien worden in deze beide sectoren voornamelijk hooggeschoolden aangeworven. We weten inmiddels dat er een relatief sterk verband is tussen het diploma en het pendelverkeer, wat vooral kan worden vastgesteld bij hooggeschoolden omdat de financiële baten voor hen groter zijn. Om rendabel te zijn, moet de loonwinst die het pendelen oplevert groter zijn dan de mobiliteitskosten (met name de verplaatsingskosten, de kosten voor de kinderopvang enz.). Figuur 21: Tewerkstellingssector van de werknemers in Brussel volgens hun woonplaats (2013) Winning van delfstoffen en verwerkende nijverheid Energie Bouw Handel Vervoer en opslag Horeca Informatie en communicatie Financiën en verzekeringen Vastgoed Gespecialiseerde, wetenschappelijke en technische activiteiten Administratieve en ondersteunende diensten Overheidsdiensten Onderwijs Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening Kunst, spektakels en recreatieve activiteiten Extraterritoriale instellingen 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Bron: FOD Economie ADSEI (EAK), berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 49

4. DE NIET-WERKENDE BEROEPSBEVOLKING Hoe evolueert de werkloosheidsgraad? Zoals in andere grote Europese steden is de administratieve werkloosheidsgraad in Brussel de afgelopen jaren sterk gestegen. Sinds de oprichting van het gewest in 1989 is de werkloosheidsgraad van 12,4% naar 20,6% in 2013 gegroeid, terwijl deze in Vlaanderen relatief stabiel is gebleven en in Wallonië minder snel is gestegen. In het Brussels Gewest is de werkloosheid in drie fases toegenomen: eerst tussen 1991 en 1997, vervolgens tussen 2002 en 2007 en ten slotte naar aanleiding van de crisis van 2008. De werkloosheidsgraad in Brussel en in Vlaanderen is de voorbije vijf jaar, in tegenstelling tot in Wallonië, aanzienlijk gestegen (respectievelijk +1,9% en +1,5%). In Wallonië is de werkloosheidsgraad in 2009 en 2010 namelijk lichtjes de hoogte ingegaan om in 2013 opnieuw op het niveau van vóór de crisis te komen. 25,0 Figuur 22: Evolutie van de administratieve werkloosheidsgraad per gewest (1989-2013) 20,0 15,0 10,0 5,0 0,0 1989 1991 1993 1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013 Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest België Bronnen: NBB, FOD Economie ADSEI (EAK), RVA - Directie Statistieken, de VDAB, Forem, Actiris, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Hoewel de werkloosheidsgraad bij vrouwen historisch hoger ligt dan bij mannen, lijkt deze kloof met de tijd af te zwakken. In 2013 bedroeg deze bij de vrouwen immers 20,9% tegenover 20,4% bij de mannen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de tewerkstelling van vrouwen de voorbije jaren een sterkere groei heeft gekend dan die van mannen, meer bepaald sinds de crisis van 2008 die, zoals we hebben gezien, een sterkere weerslag op mannen heeft gehad. Bovendien kunnen we van de hypothese uitgaan dat vrouwen zich meer getroffen worden door sancties van de RVA 15. We merken een correlatie op tussen de aanwezigheid van (een) kind(eren) in het gezin en het bekomen van een negatief resultaat bij het gesprek met een facilitator van de RVA. 15 Bastyns C., Le passif de l état actif, vu à travers la politique d activation des chômeurs, Lire et Ecrire, maart 2013. 50

Figuur 23: Evolutie van de administratieve werkloosheidsgraad volgens geslacht in het Brussels Gewest (1989-2013) 25,0 20,0 15,0 10,0 5,0 0,0 1989 1991 1993 1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013 Mannen Vrouwen Bronnen: NBB, FOD Economie - DGSIE (EAK), Actiris, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De administratieve werkloosheidsgraad van de min-25-jarigen in het Brussels Gewest ligt structureel hoog (31,8%). Uit de EAK-gegevens blijkt dat hoe lager het opleidingsniveau van jongeren, hoe hoger hun werkloosheidsgraad is. De beroepsinschakelingsgraad van jongeren varieert eveneens sterk naargelang hun opleidingsniveau. Met name laaggeschoolde jongeren hebben minder kans om op de arbeidsmarkt te worden ingeschakeld 16. De jongerenwerkloosheidsgraad lijkt echter minder snel te stijgen dan die van de andere leeftijdscategorieën. Zoals verder zal blijken, hebben personen van 50 jaar en ouder de afgelopen vijf jaar de sterkste stijging inzake werkloosheid laten optekenen. Hoewel de jongerenwerkloosheid in Brussel zorgwekkend blijft, mogen we andere vormen van leeftijdsgebonden discriminatie niet uit het oog verliezen. Figuur 24: Evolutie van de administratieve werkloosheidsgraad volgens leeftijd in het Brussels Gewest (2008-2013) 35 30 25 20 15 10 5 0-25 jaar 25 tot 49 jaar 50 jaar en + 2008 2013 Bronnen: NBB, FOD Economie - DGSIE (EAK), Actiris, berekeningen van het Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 16 Bron: Actiris, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid 51

De werkloosheidsgraad volgens origine vertoont de afgelopen jaren geen grote schommelingen. We blijven in het Brussels Gewest de hoogste werkloosheidsgraad registreren voor de personen met een niet-europese afkomst (26,8%), terwijl deze aanzienlijk lager is voor de personen met een Belgische afkomst (10,7%) en de personen afkomstig uit een andere Europese lidstaat (11,5%). Dit bewijst dat de toegang tot werk bijzonder moeilijk blijft voor de personen met een niet-europese afkomst. De Belgische nationaliteit bekomen biedt overigens niet significant meer kansen op een job, aangezien de werkloosheidsgraad van de niet-europese vreemdelingen dicht aanleunt bij die van de personen met een niet-europese origine (28,6% tegen 26,8%). Bijgevolg blijft de gedifferentieerde toegang tot werk volgens origine zorgwekkend in een sterk multicultureel gewest zoals Brussel. Figuur 25: Evolutie van de werkloosheidsgraad volgens origine in het Brussels Gewest (2008-2012) 30,0 25,0 20,0 15,0 10,0 5,0 0,0 Belgische origine Niet-Europese origine Europese origine 2012 2008 Bron: KSZ Datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Tussen 2008 en 2013 kregen alle Brusselse gemeentes met een toename van de werkloosheidsgraad te maken. Deze toename was het sterkst in Evere (+3,3%), Ganshoren (+3,1%), Sint-Agatha-Berchem (+3,1%) en Vorst (+3,0%), met andere woorden in de gemeentes van de tweede kroon. Hoewel de werkloosheidgraad het hoogst blijft in de centrale gemeentes Sint-Joost-ten-Node en Molenbeek, blijkt uit deze evolutie dat het werkloosheidsfenomeen verder toeneemt in gemeentes die normaal gezien niet als de meeste kwetsbare van het gewest worden beschouwd. Dit roept vragen op bij de actualiteit van een categorie zoals "arme sikkel" die in het licht van de recente ontwikkelingen inzake werkloosheid achterhaald kan lijken. 52

35,0 30,0 25,0 20,0 15,0 10,0 5,0 0,0 Figuur 26: Evolutie van de werkloosheidsgraad per gemeente (2008-2012) 2013 2008 Bronnen: NBB, FOD Economie ADSEI (EAK), RVA - Directie Statistieken, de VDAB, Forem, Actiris, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Hoe staat het met de werkloosheidsgraad in het Brussels grootstedelijk gebied? Het fenomeen van de Brusselse metropolisering komt zowel in de tewerkstelling als in de werkloosheid tot uiting. Meerdere factoren verklaren waarom werklozen zich meer in de stadskern dan in de rand bevinden. Vooreerst zijn er de demografische factoren. Enerzijds zijn de grote steden vaak uiterst aantrekkelijk voor nationale of internationale migrerende arbeidskrachten. Daarnaast zorgt de stadsvlucht ervoor dat het werkloosheidspeil in de centrale stad hoog blijft, aangezien vooral werkenden zich in de rand vestigen en tegelijkertijd hun job in het Brussels Gewest behouden. Anderzijds stijgt de bevolking op beroepsactieve leeftijd sneller in Brussel dan in de twee andere gewesten en in de rand, wat belangrijke gevolgen heeft voor de Brusselse tewerkstelling en werkloosheid. Bovendien zijn er nog andere kenmerkende factoren met betrekking tot de Brusselse werkloosheid die verklaren waarom de werkloosheidsgraad in Brussel hoger is dan in zijn hinterland: de sterk gepolariseerde structuur van de Brusselse arbeidskrachten (namelijk een groot aantal hooggeschoolden en groot aantal laaggeschoolden) in een context waar de werkgever steeds hogere kwalificaties eist, het zwakke tweetaligheidsniveau van de Brusselse werkzoekenden, het fenomeen van de discriminatie bij de aanwerving in een zeer multicultureel gewest enz. De werkloosheidsgraad (IAB) in het Brussels Gewest mag dan relatief hoog zijn (19,2%), als we het volledige grootstedelijke gebied beschouwen kunnen we dit resultaat nuanceren (met een werkloosheidsgraad van 11,8%). Het Belgische gemiddelde (8,4%) wordt weliswaar overschreden, maar de Brusselse werkloosheid houdt gelijke tred met het gemiddelde van de Europese Unie (10,8%). Wat de provincies betreft, ligt de werkloosheidsgraad van Vlaams-Brabant redelijk laag (5,5%) en nauwelijks iets hoger dan die van het Vlaams Gewest (5,0%). De werkloosheidsgraad van Waals-Brabant ligt dan weer lager dan die van het Waals Gewest (8,2% tegenover 11,3%). 53

De werkloosheid in Brussel is de voorbije vijf jaar sneller toegenomen (+3,3%) dan in de beide Brabantse provincies (+1,3% in Vlaams-Brabant en +1,7% in Waals-Brabant). Figuur 27: Werkloosheidsgraad in het Brussels grootstedelijk gebied (2013) Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Vlaams-Brabant Waals-Brabant Brussels grootstedelijk gebied België EU-28 0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 Bron: Eurostat, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Hoe evolueren de niet-werkende werkzoekenden? In 2013 telde het Brussels Gewest gemiddeld 109.429 niet-werkende werkzoekenden (NWWZ). Voor elke 100 werkzoekenden in 1989, telt Brussel er vandaag 230. Meerdere factoren liggen aan de basis van deze spectaculaire toename. Eerst en vooral hebben de conjunctuurschommelingen een verschillende impact gehad op de evolutie van de werkloosheid in de gewesten. Terwijl de gevolgen van de conjunctuur in Vlaanderen relatief duidelijk zijn (de werkloosheid stijgt er aanzienlijk in crisisperiodes), zijn ze dat veel minder in Wallonië dat redelijk gespaard is gebleven van de laatste crisis van 2008. Het Brussels Gewest tracht dan weer de werkloosheidsgraad van vóór de crisis terug te vinden. Daarnaast kon de toename van de gewestelijke werkloosheid eveneens worden veroorzaakt door wijzigingen aan de regelgeving. Een voorbeeld hiervan is de wetswijziging van 2002 waarvan het doel erin bestond om de arbeidsmarktdeelname van personen ouder dan 50 jaar te verhogen door hun vrijstelling van inschrijving als werkzoekende af te schaffen. Daarnaast zijn er recentere wijzigingen die tevens gevolgen kunnen inhouden voor de stijging van de werkloosheid, zoals het vrij verkeer van Roemeense en Bulgaarse werknemers dat op 1 januari 2014 in werking is getreden. Het Brussels Gewest is ten slotte sterk afhankelijk van demografische ontwikkelingen die het gewest typeren: een aanzienlijke bevolkingstoename, in het bijzonder van de bevolking op beroepsactieve 54

leeftijd, wat zowel tot een stijging van de gewestelijke tewerkstelling als van de gewestelijke werkloosheid leidt. Figuur 28: Evolutie van het aantal NWWZ per gewest (1989-2013) 250,0 200,0 150,0 100,0 50,0 0,0 1989 1991 1993 1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013 Brussels Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest Bronnen: RVA - Directie Statistieken, VDAB, Forem, Actiris, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Tussen 2008 en 2013 was de toename het sterkst voor de categorie "andere NWWZ", dat wil zeggen de werkzoekenden die geen uitkering ontvangen en die zich vrijwillig bij Actiris hebben ingeschreven (+43%). Meerdere factoren kunnen aan de basis liggen van deze aanzienlijke groei: de proportionele stijging van werkzoekenden met een buitenlandse nationaliteit die nog niet aan de voorwaarden voldoen om werkloosheidsuitkeringen te ontvangen (met name de personen uit nieuwe Europese lidstaten zoals Bulgarije en Roemenië, alsook personen met een vluchtelingenstatus), de stijging van het aantal OCMW-begunstigden gedeeltelijke veroorzaakt door de activeringsmaatregelen enz. De werkzoekenden die een uitkeringsaanvraag hebben ingediend (WZUA)zijn minder snel gestegen, net als de jongeren in beroepsinschakelingstijd. Laatstgenoemden hebben vorig jaar zelfs een daling gekend, wat betekent dat de gevolgen van de verlenging van de beroepsinschakelingstijd beginnen af te zwakken. Het anticiperen op de wetswijziging die de maximumduur van de inschakelingsvergoedingen tot 3 jaar beperkt en die op 1 januari 2015 normaal gezien in werking zal treden, kan personen die recht hebben op deze vergoedingen eveneens ertoe aanzetten om sneller een job te aanvaarden, ook al beantwoordt die job niet aan hun aspiraties, uit vrees dat ze hun recht op inschakelingsuitkeringen zouden verliezen. 55

Tabel 15: Evolutie van het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) in het Brussels Gewest volgens diverse kenmerken (2008-2013) 2013 Verschil 2008-2013 Verschil 2012-2013 Categorie Geslacht Leeftijdscategorie Nationaliteit Studieniveau Inactiviteitsduur A.W. % A.W. % A.W. % WZUA 78.473 71,7 8.932 12,8 718 0,9 Jongeren in beroepsinschakelingstijd 6.494 5,9 1.018 18,6-192 -2,9 Andere NWWZ 24.463 22,4 7.365 43,1 1.049 4,5 Mannen 57.940 52,9 10.700 22,7 902 1,6 Vrouwen 51.489 47,1 6.615 14,7 673 1,3 < 25 jaar 14.473 13,2 90 0,6-288 -2,0 25-29 jaar 17.232 15,7 1.315 8,3 345 2,0 30-39 jaar 31.959 29,2 5.006 18,6 323 1,0 40-49 jaar 24.494 22,4 3.966 19,3 432 1,8 50 jaar en + 21.271 19,4 6.937 48,4 762 3,7 Belg 74.441 68,0 10.089 15,7 1.376 1,9 Buitenlanders EU-27 15.003 13,7 4.871 48,1 800 5,6 Buitenlanders buiten EU-27 19.985 18,3 2.355 13,4-601 -2,9 Laag 29.567 27,0-675 -2,2-931 -3,1 Gemiddeld 22.621 20,7 2.448 12,1 724 3,3 Hoog 14.742 13,5 3.000 25,5 787 5,6 Andere studies 42.499 38,8 12.542 41,9 995 2,4 < 6 maanden 25.408 23,2 3.362 15,2-219 -0,9 6 tot 11 maanden 15.017 13,7 2.603 21,0 79 0,5 12 tot 23 maanden 18.919 17,3 4.029 27,1 363 2,0 > of = 24 maanden 50.085 45,8 7.321 17,1 1.352 2,8 Totaal NWWZ 109.429 100,0 17.315 18,8 1.575 1,5 Bron: Actiris, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid De laatste vijf jaar groeide de werkloosheid bij mannen sneller dan bij vrouwen. Het aantal mannelijke werklozen is hoofdzakelijk in de categorieën uitkeringsgerechtigde volledige werklozen en vrij ingeschreven werkzoekenden toegenomen. Zoals hiervoor reeds werd uitgelegd, werden de sectoren die gekend zijn om vooral mannen tewerk te stellen (zoals de bouwsector) harder door de crisis getroffen, terwijl vrouwen hiervan relatief gespaard bleven. Vrouwen hebben overigens een graantje kunnen meepikken van de creatie van heel wat jobs via het systeem van de dienstencheques. Deze minder gunstige conjunctuur voor de mannelijke werknemers is tevens zichtbaar in de sterkere toename van het aantal voltijds of halftijds werkende mannelijke werkzoekenden. De werkloosheid bij de min-25-jarigen is relatief stabiel gebleven en is het afgelopen jaar zelfs afgenomen. In deze categorie hebben vooral de WZUA een daling laten optekenen, aangezien er minder jonge werkzoekenden met een uitkering waren dan vijf jaar geleden. Een verklaring hiervoor kan zijn dat deze doelgroep, nog meer dan bij oudere werklozen het geval is, onderworpen is aan activeringsmaatregelen en dus ook aan mogelijke sancties. Wat de werkzoekenden van 50 jaar en ouder betreft, hun aantal blijft toenemen en is sinds 2008 met de helft gestegen. Eén van de verklarende factoren voor deze spectaculaire groei is de wetswijziging van 1 januari 2013 die de 56

leeftijd waarop een vrijstelling van inschrijving als werkzoekende mogelijk is, van 58 naar 60 jaar optrok. Een andere factor kan de lagere inzetbaarheid van de oudere werknemers zijn, of toch tenminste de perceptie die hierover op de arbeidsmarkt bestaat. Wat de nationaliteit betreft, is het aantal Europese NWWZ sneller gestegen (+48%) dan het aantal niet-europese buitenlanders (13%) enerzijds en het aantal Belgen (+16%) anderzijds. De toename was naar verhouding het sterkst voor de Bulgaarse en Roemeense werkzoekenden, een rechtstreeks gevolg van de toetreding van beide landen tot de Europese Unie. Het vrij verkeer van Roemeense en Bulgaarse werknemers dat sinds 1 januari 2014 van kracht is, zou de stock aan werkzoekenden uit deze landen nog meer moeten doen aangroeien. De stijging is eveneens relatief uitgesproken voor de Spaanse, Portugese en Franse werkzoekenden. Wat de niet-europese werkzoekenden betreft, is de toename vooral zichtbaar bij de vluchtelingen en de staatlozen. De evolutie van het aantal NWWZ per studieniveau toont een verontrustende tendens: terwijl het aantal laaggeschoolde NWWZ daalt, neemt het aantal hooggeschoolde werkzoekenden jaar na jaar toe. Deze stijging raakt vooral de personen in de oudere leeftijdscategorieën (50 jaar en ouder) die over het algemeen het sterkst door de werkloosheidsgroei worden getroffen. Dit wekt de veronderstelling dat hooggeschoold zijn vanaf een bepaalde leeftijd minder tegen werkloosheid beschermt. De categorie andere studies groepeert alle werkzoekenden die studies in het buitenland hebben gedaan die niet in België worden erkend. Deze groep blijft toenemen. De problematiek van de diploma-gelijkschakelingblijft derhalve cruciaal voor zover een zesde van deze andere studies met een hoger kwalificatieniveau overeenstemmen. De kwestie van de langdurige werkloosheid blijft een hot topic in Brussel waar ongeveer twee op de drie NWWZ sinds minstens een jaar bij Actiris zijn ingeschreven. De stock aan dergelijke werkzoekenden neemt bovendien sneller toe dan die aan werkzoekenden die sinds minder dan 6 maanden zijn ingeschreven (respectievelijk +20% tegen +15%). In zekere zin hebben de kenmerken van de werkloosheid de neiging om samen voor te komen: onder deze langdurig werklozen vinden we relatief meer NWWZ die laaggeschoold zijn of die in het buitenland hebben gestudeerd en van wie het diploma niet in België wordt erkend, alsook meer oudere NWWZ. In dit opzicht neemt het aantal NWWZ die sinds meer dan een jaar zijn ingeschreven exponentieel toe met de leeftijd, namelijk van 39% bij de min-25-jarigen naar 82% bij de personen ouder dan 50 jaar. Welke in- en uitstroom is kenmerkend voor werklozen? De gemiddelde stock aan Brusselse NWWZ bedroeg in 2013 ongeveer 109.000 personen, maar uit de analyse van de gegevensstromen blijkt dat in de realiteit bijna 184.000 verschillende personen zich op een bepaald moment tijdens het jaar bij Actiris hebben ingeschreven. Enkel voor 2013 telden we ongeveer 76.000 instromen in de werkloosheid en iets minder dan 75.000 uitstromen uit de werkloosheid. Deze gegevens brengen een belangrijke dynamiek onder de werklozen aan het licht, ze 57

vertalen namelijk het bestaan van consequente bewegingen tussen werkloosheid, tewerkstelling en inactiviteit. Figuur 29: Arbeidsreserve, instromen in en uitstromen uit de werkloosheid tijdens het jaar 2013 Bron: Actiris, berekeningen Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Het begrip arbeidsreserve (AR) heeft betrekking op de stock aan NWWZ op 1 januari van een bepaald jaar waaraan de nieuwe instroom in de werkloosheid wordt toegevoegd die tijdens het jaar werd waargenomen (of het nu gaat om herinschrijvingen van NWWZ die op 1 januari niet meer waren ingeschreven of om nieuwe inschrijvingen). De uitstroom is kenmerkend voor de NWWZ die op 31 december niet meer zijn ingeschreven, terwijl ze dit in het begin van het jaar wel nog waren. Tabel 16 analyseert de bewegingen namelijk de instroom in en uitstroom uit de werkloosheid volgens verschillende variabelen. Uit deze tabel blijkt dat deze bewegingen het meest intens zijn bij de min-25-jarigen en dat deze continu met de leeftijd afnemen. De werklozen ouder dan 50 jaar stromen het minst in en uit de werkloosheid. Deze vaststelling wordt bevestigd door het grotere aantal personen met een relatief korte inactiviteitsduur bij de NWWZ jonger dan 25 jaar in vergelijking met de andere leeftijdscategorieën (twee op vijf personen zijn minder dan 6 maanden ingeschreven). De oudere NWWZ komen daarentegen vaker in langdurige werkloosheid terecht. Hoewel we dus in 2013, in termen van stock, gemiddeld bijna 14.500 jonge NWWZ tellen, zijn er in de realiteit bijna 33.000 jongeren bij Actiris ingeschreven geweest gedurende dat jaar. Het betreft met andere woorden een bijzonder volatiele doelgroep waarvoor de inschrijving bij de openbare tewerkstellingsdienst niet noodzakelijk van lange duur is. Deze doelgroep, die eerder geneigd is om precaire jobs uit te oefenen (interim, contracten van bepaalde duur, ), is eveneens meer onderworpen aan activeringsmaatregelen en is op die manier meer vatbaar voor het komen en gaan tussen tewerkstelling, werkloosheid, inactiviteit en/of sociale bijstand. 58