BIOMASSA BERLIKUM. Van haalbaarheid naar investeringsbeslissing



Vergelijkbare documenten
Opties voor productie van duurzame energie in de regio Helmond d.m.v. van mest en andere biomassa

Biowkk in de glastuinbouw Praktijkvoorbeeld BioEnergieBergerden. 10 september 2009 Zevenhuizen Presentatie; Jan Willemsen

Bio-energie. van de Boer.

Compact Plus biogasinstallatie, Lierop, 600 kw

Melkveebedrijf Familie Prinsen

Uw kenmerk Ons kenmerk Datum verzoek 2 april 2010

Biobased economy in het Groene Hart

Mono vergisting in Wijnjewoude?!

Innovatieve mestverwerking op de boerderij

Workshop mestvergisting. Jan Willem Bijnagte CCS Energie advies

GroenLinks Bronckhorst. Themabijeenkomst Groengas Hoe groen is ons gas? 2 juni 2015

Quickscan energie uit champost

Presentatie HoSt Microferm voor CLM/NMU

Presentatie voor Agrivaknet Kleinschalig mest vergisten met Microferm

Systeemdocument AgriMoDEM mestraffinage

Biogas: In 2011 startte het samenwerkingsverband. Het doel van het project was Biogas

ADVIESMEMO. Plangebied Nuland Oost/Pelgrimsche Hoeve

Milieu. Waterkwaliteit: Denk aan: nitraat uitspoeling / erfwater / gewasbeschermingsmiddelen / alles wat oppervlakte- en grondwater kan vervuilen

GroenGas InOpwerking. Kleinschalige biogasopwaardering met Bio-Up. Rene Cornelissen (CCS) 11 maart 2015

Presentatie Microferm studiegroep Westhoek Holsteins

Voortgangsrapportage Ketenanalyse Bermgras

Mestverwerking in De Peel

Boeren met energie. 11 November 2010

HR WKK met CO 2 winning

Mestverwaarding Op weg naar een duurzame veehouderij

TITRE 00/00/2015 DE LA PRESENTATION ( MENU "INSERTION / 1 EN-TETE ET PIED DE PAGE") Groen Gas Burgum. 25 maart 2017

4.A.1 Ketenanalyse Groenafval

De varkenshouderij: een energieke sector!

Workshop mestvergisting. Jan Willem Bijnagte CCS Energie advies

Compostering reststromen van Vaste Planten- en Zomerbloementelers. Casper Slootweg

Kennisdeling: Duurzaamheid van vergistingsprocess

: Skal-voorwaarden voor vergisters en digestaat : Bedrijven die vergisten en biologische bedrijven die digestaat afnemen

Mest vergisting en bewerking Vier routes verminderen N en P overschot. Welkom op Knowledge Transfer Centre De Marke:

BIJLAGE 1: CHECKLIST AANVRAAG ERKENNING IN HET KADER VAN VERORDENING EG Nr. 1774/2002 ART COMPOSTEERINSTALLATIES

De business case: Mest verwaarden. Hans van den Boom Sectormanager Food & Agri Rabobank Nederland

DS% de juiste indicator? ENERGIE UIT MEST OPBOUW PRESENTATIE MEST # MEST. Mest mest. Wet- en regelgeving. Vloerkeuze en kelderplan

Vergistingstest BATCHTESTEN. Klant 2401/086/A1. Testsubstraat: Maisrestanten. Mystery Man

Land- en Tuinbouw Organisatie Noord

Mestmarkt en mestverwerking

Matrix toekomst grondbank, 26 mei 2016

Projectaanvraag/-voorstel,

Dorset Droogsysteem. biomassa en pluimveemest

Kwantificering van innovaties op de Energiemix van Twente. 4 maart 2014

Optimale waarde uit uw vergister

Optimale benutting van de energie input van een houtgestookte centrale door plaatsing rookgascondensor en CO2- benutting met PVT

Kringloop neutraal denken Emissie, mineralen, energie

Be- en verwerken van mest: een zegen voor water en milieu?

Kosten/baten-analyse MC-installaties en gebruikerservaringen MC

Harry Roetert, Stimuland / Provincie. Themadag bio-energie 27 februari 2013

Mogelijkheden van vergisting voor de productie van biogas. Bruno Mattheeuws 09 juni 2007

Verwerken van (groene) biomassa en mest:

Méér uit mest halen Stand van zaken anno 2017

Agem-cáfe: biogas uit grootschalige mestvergisting. 20 april 2016 Ton Voncken, Programmanager Groen Gas Nederland

Mestscheiding Annelies Gorissen

BIJLAGE 4 - NADERE BESCHRIJVING VAN HET VOORNEMEN

Gezamenlijke aanzet uitvoeringsprogramma Mest Eindconcept, versie 30 april 2018

EUROPESE COMMISSIE. Steunmaatregel SA (2017/N) Nederland Wijziging van de SDE+-regeling voor steun voor biogas

Biomassa Energie Centrales - biogas

Presentatie Warmteproductie met snoeihout. 3 November 2011 Doen! Ervaring en tips uit de praktijk Ben Reuvekamp HeatPlus

Verduurzaming veehouderij Jan Willem Straatsma

Voor het eerste deel van de studie (Rapport I) werd met behulp van een enquête informatie en data verkregen van mestexperts uit de Europese Unie.

Kringloop neutraal denken Emissie, mineralen, energie

Mest, mestverwerking en wetgeving

PROJECTBESCHRIJVING. Microferm met WKK en Gasopwerking

De afvalwaterzuivering als energiefabriek

NEDERLAND Sectie Meststoffendistributie september 2009

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT, Gelet op de artikelen 17 en 31 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren; BESLUIT:

Introductie HoSt B.V.

Notitie Bemestingswaarde van digestaten

BIOLOGISCHE STALLUCHTREINIGING VOOR EEN VEEHOUDERIJ IN HARMONIE MET DE OMGEVING. Ammoniak Geur Stof

Biogas is veelzijdig. Vergelijking van de opties Vergelijking opties voor benutting van biogas

Totale verwerking van mest en/of digestaat

Byosis Group. oplossingen voor vergisters; maisraffinage. Datum: September 2012

Geothermie in de gebouwde omgeving

MEMO GAD BNG ISO Gewestelijke Afvalstoffen Dienst. Portefeuillehouders Milieu. Werkgroep biomassa en 'rijden op groen gas'

Vergisting van eendenmest

CO2 uit biogas Toepassing glastuibouw. Presentatie door Jeroen de Pater - Gastreatment Services 10 september 2009

Energie uit afval, een schone zaak

Bio-industrie in de Peel. L. Reijnders

Luchtkwaliteit: ammoniak en broeikasgassen. VK Loonwerkers Najaar 2018

Co-vergisting van dierlijke mest

Afdeling Ruimtelijk Ordening

Paarden 6 mnd., kg 11 11,6 127,6 36,6 402,6 17,5 192,5 Paarden 6 mnd., > 450 kg 4 15,0 60,0 47,6 190,4 22,0 88,0 Totaal

Vergisting anno 2010 Rendabele vergister onder SDE Hans van den Boom 22 april 2010 Sectormanager Duurzame Energie

Sectorinitiatief: alternatieve verwerking maaisel

Programma Kas als Energiebron

26 maart bijeenkomst startnotitie m.e.r. Bio WKK Arnhem

Mestsituatie en de verwerkingsplicht Gelderse Vallei en Utrechts zandgebied

BEMESTINGSPROEVEN NETWERK MICROVERGISTERS. Albert-Jan Bos Dinsdag 22 november 2016

Vergunningen voor biogas en groen gas installaties

SEPARATOR S 655 / S 855

Synergie energie hergebruik overheden, agrarische sector en industrie

Passen duurzame ontwikkelingen binnen het vergunningenbeleid anno 2008

Excursie Rioolwaterzuivering van Waterschap Vallei en Veluwe te Apeldoorn. d.d

In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de toegepaste mestverwerkingstechnieken van de geïnventariseerde initiatieven die operationeel zijn.

Amsterdam 9 mei 2017 Guy Konings, Joulz

Transcriptie:

BIOMASSA BERLIKUM Van haalbaarheid naar investeringsbeslissing Projectnummer: 0377-03-01-01-021 Bestelnummer: 4800002649 December 2004

SUMMARY In an energy study and later a feasability study in the greenhouse area in Berlikum the use of biomass was seen as a good opportunity for renewable energy. However, there still were too many insecurities to make a definite commitment to invest in an installation. This study was conducted to take the remaining abashments away. These were: aspects regarding manure availability and trading, availability of organic coproducts, smell, CO 2 fertilization, additional de-sulphurization, location, heat trade to the greenhous(es) and feeding electricity into an already heavily burdened electricity grid. Manure availability is insecure, but can be guaranteed using long term contracts with manure distributors or producers. The freshness of the manure can be made part of the contract, possibly in connection with the biogas yield. Co-products from the greenhouse industry (tomato plants etc.) are mixed with the ropes that hold them up, therefore it is not yet feasible to put these products into the digester. Food-waste products are not generally allowed in a digester within the current regulations, leaving mostly agricultural products to add to the manure. Smell can be prevented by sucking the air out of the manure reception area and the mixing basin and using it for combustion in the biogas engine. CO2 fertilization is not possible with the regular biogas plant emissions. Cleaning the emitting CO2 is also too expensive. It will be cheaper to clean the gas in advance. At this moment that option is yet too expensive. In choosing the location the heat-receiving party must be known. From the perspective of zoning ordinances the transport movements must be taken into account. To be assured of a broad acceptance the image of the project involving manure is very important. In this study the following conclusions are drawn: technically and financially it is feasible to build a digester at a greenhouse area. In principal it will therefore be possible to build several central co-manure digesters near greenhouse industries. It will be necessary for all parties involved to have a stake in the success of the installation. This will always remain a complex matter, due to the differing interests and complex regulations that have to be satisfied. Due to several issues, like the image of manure, high costs of extra measures and the impossibility of sharing the (mandatory) environmental advantages under current regulations it is not possible to adequately secure the investment in this digester. KEYWORDS Co-digestion, digester, cooperation, CO2 reduction, organic compounds, smell, sulphur reduction, greenhouses, heat use, methane, biogas, regulations, biomass, glami, permit, 2

SAMENVATTING In Berlikum is een Duurzame energiescan uitgevoerd, waarbij biomassa als energiebron een kansrijke optie bleek te zijn. Hiervoor is tevens een haalbaarheidsstudie verricht. De resultaten hiervan waren positief. Er bleven echter nog te veel onzekerheden over om een definitieve investeringsbeslissing te nemen. Om deze onzekerheden weg te nemen is deze studie uitgevoerd. De knelpunten betreffen: aspecten betreffende mest aan- en afvoer, betreffende de aanvoer van organische stoffen, geuraspecten, CO 2 bemesting, additionele ontzwaveling, locatie, afnemen van warmte en CO 2 door de tuinders en electriciteitelektriciteits levering aan het (zwaarbelaste) net. De mest aan- en afvoer is een grote onzekerheid, welke kan worden afgedekt door gebruik te maken van langerdurende contracten met mestdistributeurs of producenten. De versheid kan onderdeel uitmaken van het contract, eventueel gekoppeld aan de biogasopbrengst. Co-producten uit de glastuinbouw zijn nog te veel voorzien van touw, afvalproducten vanuit de levensmiddelenindustrie zijn nog moeilijk in te passen binnen de huidige regelgeving, as co-producten moeten derhalve met name landbouwproducten worden gebruikt. Geur kan worden beperkt door de ontvangstruimte en de mixput af te zuigen en de afgezogen lucht als verbrandingslucht voor de WKK te gebruiken. CO2 bemesting is met de reguliere rookgassen niet mogelijk. Ook het schoonmaken van deze gassen is niet rendabel. Goedkoper is om het gas eerst te reinigen en daarna naar de WKK te sturen, in dit specifieke geval is ook deze oplossing nog nog te duur. Bij de locatiekeuze moet vooraf een keuze voor de tuinder(s) zijn gemaakt die de warmte kunnen afnemen. Vanuit het perspectief van de Ruimtelijke Ordening zijn met name de vervoersbewegigen een aandachtspunt. Voor het maatschappelijk draagvlak is het imago terdege van belang. Uit deze studie wordt het volgende geconcludeerd: technisch en financieel gezien is het mogelijk om een vergistingsinstallatie te bouwen bij een glastuinbouwgebied. In principe moet het dus mogelijk zijn om enkele centrale vergistingsprojecten op te zetten. Echter, hierbij moet duidelijk het belang van de diverse partijen gediend worden. Het blijft een complexe materie, door de veelheid van belangen en extra regels waar men mee wordt geconfronteerd. In verband met andere zaken, bijvoorbeeld het imago van mest, het te beperkt mogen toevoegen van co-stromen, te hoge kosten om extra aanvullende maatregelen te treffen en de praktische onmogelijkheid van het verdelen van milieuvoordelen tussen tuinders is het niet mogelijk om de investering in deze vergister voldoende te waarborgen. TREFWOORDEN Co-vergisting, samenwerking, CO2 reductie, organische stoffen, geur, ontzwaveling, thermofiel, glastuinbouw, warmtebenutting, methaan, biogas, vergisting, wetgeving, ontheffing, positieve lijst, biomassa, glami, vergunningen, 3

Projectnr : 0377 03 01 01 021 Status : definitief Datum : 23 juni 2005 Uitvoering : Oosterhof Holman /Westland Energie Services / E Kwadraat Advies / HoSt / GWB Coördinatie : Ir. M.J. van Seventer E kwadraat : Telefoon : (0518) 46 17 00 Fax : (0518) 46 28 54 E-mail : info@ekwadraat.com Contactpersoon : Mark van Seventer Auteurs : Robert Engeman, Mark van Seventer : 4

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING... 7 1.1 AANLEIDING... 7 1.2 BIOMASSA IN BERLIKUM... 7 2 TRAJECT TOT NU TOE... 8 2.1 VOORAFGAANDE RAPPORTAGES EN CONCLUSIES... 8 2.2 GECONSTATEERDE KNELPUNTEN EN ONZEKERHEDEN... 8 3 OPZET VAN DIT PROJECT... 10 3.1 PROBLEEMSTELLING... 10 3.2 DOELSTELLING... 12 3.3 WERKWIJZE... 12 4 UITWERKING... 14 4.1 MEST AAN- EN AFVOER (FASE 1)... 15 4.2 AAN- EN AFVOER VAN CO-STROMEN (FASE 2)... 17 4.3 REDUCTIEPOTENTIEEL OVERIGE BROEIKASGASSEN (TEWI BEREKENING)... 18 4.4 TECHNISCHE KNELPUNTEN (FASE 3, 4, 6)... 18 4.5 ORGANISATORISCHE KNELPUNTEN... 21 4.6 LOCATIE (FASE 6)... 22 4.7 BEGROTING (FASE 8)... 23 4.8 BUITENLAND ERVARINGEN... 24 5 WET- EN REGELGEVING (DIVERSE FASEN)... 26 5.1 ONTHEFFING MESTSTOFFENWET... 28 5.1.1 Ontheffingsprocedure... 28 5.1.2 Positieve lijst... 28 5.2 INRICHTINGEN- EN VERGUNNINGENBESLUIT (IVB, WET MILIEUBEHEER)... 29 5.3 RUIMTELIJKE ORDENING... 30 5.4 GLASTUINBOUW MILIEU CONVENANT (GLAMI) EN HET BESLUIT GLASTUINBOUW... 31 5.4.1 Glami... 31 5.4.2 Besluit Glastuinbouw... 31 5.5 OVERIGE ONTWIKKELINGEN... 33 6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN... 34 6.1 ONTWIKKELINGEN REGELGEVING... 34 6.1.1 Mestwetgeving... 34 6.1.2 Milieuwetgeving... 35 6.1.3 Ruimtelijke ordening... 35 6.1.4 Besluit glastuinbouw... 35 6.1.5 Sanitatie... 35 6.2 VERVOLGSTAPPEN... 36 6.2.1 Dit project... 36 6.2.2 Centrale vergisting en glastuinbouw algemeen... 36 6.2.3 Vervolgstappen... 36 5

BIJLAGEN BIJLAGE 1: REACTIE GEMEENTE BERLIKUM BIJLAGE 2: AANBIEDING FIRMA WASSENAAR BIJLAGE 3: PROCESSCHEMA VERGISTER BIJLAGE 4: TEWI BEREKENING ACHTERGROND BIJLAGE 5: AANBIEDING EN INFORMATIE CIRMAC BIJLAGE 6: LIPP ONTZWAVELAAR BIJLAGE 7: BEOORDEELDE LOCATIES BIJLAGE 8: BEDRIJFSPLAN (MANAGEMENT VERSIE) BIJLAGE 9: AANBIEDING WESTLAND ENERGIE SERVICES 6

1 Inleiding 1.1 Aanleiding In Berlikum is een Duurzame energiescan uitgevoerd, waarbij biomassa als energiebron een kansrijke optie bleek te zijn. Buiten het feit dat in Berlikum in ruime mate biomassa (afval van de aanwezige tuinbouwbedrijven) aanwezig is, zorgt de veranderende wetgeving voor een verdere impuls. Het geheel tezamen met de wens van de tuinders om te investeren in duurzame energie heeft de aanleiding gegeven om vanuit de haalbaarheidstudie een investeringsstudie te maken. Waarbij in deze studie de grootste onzekerheden in kaart worden gebracht en oplossingen worden gezocht voor overige knelpunten. 1.2 Biomassa in Berlikum De locatie is gekozen omdat deze zeer geschikt is voor vergisting en wel op meerdere punten. De geproduceerde energie, zowel de warmte als elektriciteit, kan zeer goed afgezet worden in de nabije omgeving (kassenteelt). De locatie zit zeer dichtbij een potentiële aanvoerbron van overige biomassa, namelijk de organische reststroom van de kassenteelt. Tevens is het uitvergiste product (digestaat) een zeer geschikt medium om als meststof af te zetten in de nabijheid gelegen akkerbouwgebieden. Verder wordt er in deze regio zeer veel mest vanuit de overschotgebieden aangevoerd, deze mest moet voor de beschikbaarheid tijdelijk opgeslagen worden in het akkerbouwgebied. Daarom is het verstandig om deze mest goed te gebruiken namelijk met behulp van vergisting om te zetten naar groene energie. Tevens zal er een lagere uitstoot van ammoniak plaatsvinden, omdat de silo ten behoeve van gasproductie in plaats van alleen met een afdekking conform de Nederlandse regelgeving - compleet gasdicht wordt gemaakt. Ook is vanuit de tuinders de wens uitgesproken om te voldoen aan het Glami convenant. Hierin past het investeren in de productie van duurzame energie. Als daarbij tevens financieel rendement te behalen is ontstaat er meer draagvlak voor de benodigde duurzame oplossingen. In relatie hiermee worden ook de effecten op dit project van het Besluit Glastuinbouw behandeld. 7

2 Traject tot nu toe 2.1 Voorafgaande rapportages en conclusies In Berlikum is voor de tuinders een DE scan uitgevoerd door E kwadraat Advies en A+. Hierbij zijn voor het gebied de verschillende duurzame energie opties beoordeeld. Uit deze studie blijkt energie uit biomassa een goed alternatief te kunnen zijn voor het huidige gebruik van gas en elektriciteit. Daarnaast zal door de vermindering van de opslagduur van mest de methaanemissie uit de stallen (door koude vergisting) worden verminderd. Voor het opzetten van een vergistinginstallatie is een haalbaarheidsstudie uitgevoerd in opdracht van het Van Hall Instituut Business Centre. Deze studie is in samenwerking met de tuinders door E Kwadraat Advies, Westland Energie, HoSt en Oosterhof Holman Milieutechniek uitgevoerd. Uit deze studie blijkt vergisting een positief resultaat te kunnen genereren, mits aan een aantal voorwaarden kan worden voldaan. Over deze voorwaarden was nog onvoldoende duidelijkheid om over te gaan tot de investering in de installatie. In deze studie zijn deze zaken nader ingevuld, om tot een gefundeerde investeringsbeslissing te komen. 2.2 Geconstateerde knelpunten en onzekerheden Om een gefundeerde beslissing te nemen over een investering is het van belang de risico s van de investering te kennen. Door de nieuwheid van dit soort projecten is er nog veel onduidelijk. Door deze onduidelijkheid kunnen de risico s onvoldoende worden ingeschat. De onduidelijkheden kunnen in hoofdlijnen worden ingedeeld in technische, financiële, organisatorische, juridische en maatschappelijke aspecten. Deze zijn in een eerder stadium vastgesteld: Technische en financiële aspecten: Hoeveelheid en kosten van mest aan- en afvoer; Beschikbare co-stromen, kosten en gasopbrengsten; Afzet energie, CO 2 aan tuinder of tuinders; Locatiekeuze in relatie tot het voorgaande punt; Optreden van geurhinder naar de omgeving. Organisatorisch: Samenwerkingsvorm van de investeerders en deelname; Logistieke organisatie mest aan- en afvoer; Juridisch: Kunnen en mogen de co-stromen worden toegevoegd en wat zijn daarbij de voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Past het plan binnen de Ruimtelijke en milieutechnische voorwaarden van het gebied, en onder welke omstandigheden. Maatschappelijk: Is er voldoende draagvlak en kan dat positief worden beïnvloed? 8

Er is een duidelijke samenhang tussen de verschillende aspecten. Om deze te behandelen is gekozen voor een gefaseerde aanpak. Deze wordt in het volgende hoofdstuk behandeld. 9

3 Opzet van dit project 3.1 Probleemstelling In Friesland zijn relatief veel grote rundveebedrijven. Bij de huidige mestopslagen (voornamelijk bij opslag in kelders onder de stal, die een open structuur hebben) komt het broeikasgas methaan vrij. Het gas wordt geproduceerd middels koude vergisting. De externe mestopslagen (zoals mestbassins of silo s) zijn in de praktijk veelal wel afgedekt, echter de toegepaste afdekkingen zijn niet gasdicht, daardoor kan nog steeds een hoeveelheid methaan ontwijken. Het project heeft als doel deze methaanemissie te vermijden. Deze methaanemissie naar de atmosfeer kan voorkomen worden door mest in een vergister te vergisten. Om de uitstoot van methaan uit de reguliere opslag zo veel mogelijk te verminderen is korte opslagduur noodzakelijk. De mest moet dus zo vers mogelijk worden aangevoerd. Uit eerder uitgevoerde studies blijkt dat mestvergisting bij rundveebedrijven moeilijk haalbaar is. Alleen met een aanzienlijke investeringssubsidie, gecombineerd met het toedienen van afvalstromen met een negatieve waarde, is mestvergisting bij een groot rundveebedrijf haalbaar te maken. Afvalvergisting heeft tot gevolg dat er relatief kostbare vergunningsprocedures moet worden doorlopen voor toch al matig rendabele installaties. Het onderzoek richt zich daarom op de mogelijkheden om rundveemestvergisting economisch haalbaar te maken bij glastuinbouwbedrijven. De verse mest moet aangevoerd worden naar een centrale vergister zodat methaanemissie wordt voorkomen. Vergisting bij tuinbouwbedrijven biedt betere economische perspectieven: - De tuinbouw kan de warmte benutten; - In de zomerperiode kan de CO 2 benut worden. Nu wordt aardgas verstookt om CO 2 te produceren. Het biogas bevat meer dan 40% CO 2. De rookgassen bevatten bijna tweemaal zoveel CO 2 per eenheid energie dan rookgassen van een aardgas gestookte ketel; - In het tuinbouwconvenant zijn tuinders een verplichting aangegaan om minimaal 4% duurzame energie te gebruiken. De tuinders in Berlikum zijn zeer geïnteresseerd in een vergistingproject vanwege het tuinbouwconvenant; - Economy of scale: De investeringen per ton mest (en per kwh elektrisch) zijn aanzienlijk lager dan bij een kleine installatie. Tevens heeft de gasmotor een aanzienlijk hoger elektrisch rendement en zijn de onderhoudskosten van de gasmotor lager; - In het tuinbouwgebied zijn altijd mensen aanwezig, zodat de beheersfunctie goedkoop is; - Co-vergisten is aantrekkelijker dan alleen mest vergisten; Door de schaalgrootte kan geïnvesteerd worden in logistiek. Voor een dergelijk groot project (35.000 ton per jaar) kunnen meer vergunningskosten worden gemaakt. Het tuinbouwgebied in Berlikum beslaat momenteel circa 40 hectare. De komende jaren zal dit gebied verder uitgebreid worden tot circa 60 hectare. De glastuinbouwbedrijven en Oosterhof Holman hebben gezamenlijk het initiatief genomen om te komen tot een co-vergistingsinstallatie. Aan dit initiatief ligt een langdurige relatie tussen Oosterhof 10

Holman en de glastuinbouw ten grondslag. Oosterhof Holman heeft voor de glastuinbouwbedrijven de gietwatervoorziening gebouwd en bedrijft en onderhoudt deze installatie. De glastuinders hebben zich verenigd in Gietwater Berlikum BV. In het bestemmingsplan staat reeds aangegeven dat een biomassa-energiecentrale op de locatie in Berlikum gebouwd gaat worden. CO 2 leveren aan de tuinders door de mestvergister (of gasmotor WKK) is voor deze tuinders zeer belangrijk. Indien geen CO 2 aan de tuinders kan worden geleverd kan ook maar zeer beperkt warmte geleverd worden; Indien geen CO 2 geleverd wordt, gaan tuinders aardgas stoken voor CO 2 bemesting. De daarbij vrijkomende warmte wordt opgeslagen en benut in koudere periodes. De vergistinginstallatie kan dan slechts een derde deel van het jaar warmte leveren. De rookgassen van een aardgas gestookte motor kunnen geschikt zijn voor CO 2 bemesting. Om CO 2 uit de rookgassen geschikt te maken voor bemesting, dient achter de gasmotor een Oxy-DeNOx katalysator geïnstalleerd te worden. Op dit moment is er geen ervaring met deze katalysatoren achter motoren op biogas. Een bijkomend voordeel van deze katalysator is dat de methaan emissie van de gasmotor (0,5% tot 1% van de gas input) ook wordt geminimaliseerd. Als belangrijkste probleem wordt het zwavelgehalte van circa 200mg/nm 3 gezien. Deze katalysatoren eisen echter een lager zwavelgehalte (<20 mg/nm 3 ). Er zijn twee mogelijke routes die onderzocht dienen te worden, namelijk CO 2 afvangen voor verbranding en diep ontzwavelen. Het tuinbouwgebied Berlikum in Friesland heeft wat betreft warmtevraag en CO 2 bemesting een potentie om een vergistingsinstallatie te bouwen die 6 maal zo groot is. Om niet op korte termijn in langdurige MER procedures te vervallen, wordt in eerste instantie een project van minder dan 100 ton per dag (MER grens) ontwikkeld. In de toekomst kan dan vergunninguitbreiding worden aangevraagd. Met een eventuele uitbreiding dient met het uitvoeren van een MER wel rekening te worden gehouden. In Sexbierum (Friesland) zit het grootste Nederlandse glastuinbouwbedrijf: Hartman. Het bedrijf Hartman heeft belangstelling getoond voor het te ontwikkelen concept. Zodra het projectconcept bij Berlikum is uitgewerkt kan het één op één gekopieerd worden naar het bedrijf van Hartman. Er is reeds een globale haalbaarheidsstudie uitgevoerd. Uit deze globale verkenning blijkt dat dit project economisch perspectief biedt, als naast mest ook andere reststromen vergist worden. Vergisten van rundveemest alleen is economisch niet haalbaar. Er wordt daarom gedacht aan restproducten van de glastuinbouw, gras uit natuurgebieden, restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie (met name vetten). Met de gemeente is een gesprek geweest over de milieuvergunning. De gemeente heeft aangegeven positief te staan ten opzichte van het project (zie bijlage 1). Er is een bijeenkomst geweest met boeren uit de omgeving van Berlikum die potentieel geschikt zijn om mest te leveren. De boeren hebben aangegeven positief te zijn over het project, met name als de uitvergiste mest (het digestaat), retour naar de boerderij, meer direct beschikbare stikstof bevat. Het digestaat kan mogelijkerwijs meer stikstof bevatten door de toevoer van co-substraten aan de vergister. Hierdoor hoeven de boeren minder kunstmest te gebruiken. Hierbij zijn twee zaken van belang, namelijk de verhoogde werkingscoëfficiënt van het stikstof in de mest en de mogelijke toename van de hoeveelheid stikstof door de toevoeging van co-substraten. De verhoogde 11

werkingscapaciteit wordt door de veehouders nog niet ondersteund, dit is voornamelijk te wijten aan onbekendheid met uitvergiste mest. Daarnaast is behoefte aan bodemstructuurverbeteraars. Voorwaarde van de boeren is dat deelname aan een vergistingsproject geen negatieve invloed heeft op de MINAS (totaal stikstof en fosfaat balans). In de huidige regelgeving is de toename van de stikstofhoeveelheid in het digestaat door toevoeging van stikstofhoudende co-stromen nog wel een aanvoerpost. Het is nog onduidelijk hoe hiermee in de toekomst wordt omgegaan. Beheersgras heeft grote voordelen vanwege de aanwezigheid van bodemstructuurverbeteraars en het relatief hoge stikstofgehalte. Met Essent (installatie de Scharlebelt) is gesproken over het oplossen van problemen over de logistiek van toevoegen van bermgras aan co-vergisters. Essent heeft ervaren dat de negatieve waarde aan de poort (circa 30,- per ton gras) voor een belangrijk deel nodig is om de logistieke kosten te dekken (hakselen, inkuilen, ontkuilen, losmaken en toevoegen). Tevens heeft Essent problemen met de grote hoeveelheden zand in het beheersgras. Daarnaast vormt de vezelige structuur een probleem, variërend van drijflagen, verstopte mestleidingen in de installatie tot problemen van verstoppingen bij het uitrijden, van mest op het land met mestinjecteurs. Het loonbedrijf dat momenteel de natuurgebieden beheert heeft interesse getoond om mee te denken over het logistieke systeem. Het onderzoek moet met name gericht zijn op het reduceren van de kosten door een meer geïntegreerde aanpak dan de wijze waarop Essent bermgras verwerkt. Tevens wil de loonwerker meedenken over het verkrijgen van een optimale kwaliteit van gras voor vergisting. Uit reeds uitgevoerde globale haalbaarheidsstudie zijn veel positieve punten naar voren gekomen. Er zijn echter ook diverse knelpunten gesignaleerd. Voordat een weloverwogen investeringsbeslissing genomen kan worden, dienen eerst nog veel aspecten uitgezocht te worden tijdens deze planontwikkelingsfase. 3.2 Doelstelling Het doel van de studie is het uitwerken van de knelpunten binnen de planontwikkelingsfase, zodat de mogelijke projectpartners bij de realisatie een investeringsbeslissing kunnen nemen. 3.3 Werkwijze In de voorgaande haalbaarheidsstudie zijn een aantal knelpunten gesignaleerd, die het nemen van een investeringsbeslissing op dat moment in de weg stonden. Op een aantal punten was de onzekerheid te groot om een investeringsbeslissing te kunnen nemen. In deze studie is helderheid verkregen over de grootste onzekerheden en zijn oplossingen gezocht voor overige knelpunten. De uitwerking is opgedeeld in een aantal fasen, gericht op het nemen van een investeringsbeslissing: Fase 1: Aspecten mest aan- en afvoer Fase 2: Aspecten betreffende de aanvoer van organische stoffen Fase 3: Geuraspecten Fase 4: CO 2 bemesting en additionele ontzwaveling Fase 5: Excursie Fase 6: Locatiekeuze, afname warmte en CO 2 door de tuinders en elektriciteit levering 12

Fase 7: Rikilt ontheffing Fase 8: Opstellen begroting Fase 9: Oprichting Vergistings BV Berlikum Fase 10: Go/No Go beslissing De knelpunten en onzekerheden zijn daarmee in kaart gebracht, waarbij met name is gekeken naar de kritische factoren die helder moeten zijn voor de investeringsbeslissing. Met de verschillende betrokken partijen is geïnventariseerd welke informatie nodig is. Deze zaken zijn nader uitgewerkt door de verschillende partijen, waarbij de invulling van de verschillende onderdelen als volgt is geweest: Fase 1: Aspecten mest aan- en afvoer E kwadraat en HoSt Fase 2: Aspecten betreffende de aanvoer van organische stoffen E kwadraat en HoSt Fase 3: Geuraspecten HoSt en Tuinders Fase 4: CO 2 bemesting en additionele ontzwaveling HoSt en Tuinders Fase 5: Excursie Oosterhof Holman, HoSt (organisatie) en E kwadraat (verslaglegging) Fase 6: Locatiekeuze, afname warmte en CO 2 door de tuinders en elektriciteit levering Tuinder Overbeek en combinatie project Fase 7: Rikilt ontheffing E kwadraat Fase 8: Opstellen begroting HoSt Fase 9: Oprichting Vergistings BV Berlikum Westland, GWB, Oosterhof-Holman en HoSt Fase 10: Go/No Go beslissing Oosterhof Holman, HoSt, Westland Energie, GWB 13

4 Uitwerking De geconstateerde knelpunten zijn divers van aard, zowel van wetgeving als van technische aard. Maatschappelijk Een van de grote knelpunten is het imagoprobleem. De tuinders zijn bang dat ze door het bouwen en exploiteren van een (mest)vergister een negatief imago op hun originele bedrijfsvoering (glastuinbouw) kunnen krijgen. Financieel. De installatie is moeilijker terug te verdienen als er geen andere producten dan mest toegevoegd mag worden, bijv. afgekeurde partijen koekjes of andere reststromen van de levensmiddelenindustrie. Kosten nemen toe bij meer transportbewegingen (logistieke kosten) en bij meer personeel en dergelijke. Hiertegenover moeten de opbrengsten worden uitgezet. Juridisch. Zodra er andere stoffen dan mest toegevoegd worden dan wordt de installatie beoordeeld als verwerkingsinstallatie voor afvalstoffen. In combinatie met het voorgaande levert dit een probleem op. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de overige milieu- en mestwetgeving en dergelijke. Technisch. De regio waarin de vergister geplaatst zou worden, zit op het gebied van elektriciteitslevering aan het maximum. Dit betekent dat er moeilijk teruggeleverd kan worden of er moeten grote investeringen in het elektriciteitsnet plaatsvinden. De regio (Berlikum) had voorheen voornamelijk een agrarische bestemming en daarvoor was het elektriciteitsnet uitgelegd. Door het realiseren van een tuinderscomplex is het elektriciteitsnet tot het maximum belast. Indien er meer elektriciteit afgenomen of geleverd gaat worden, zal de netwerkbeheerder (in dit geval Nuon Network Connections) het elektriciteitsnet gaan aanpassen. Echter dit geheel kan een enige tijd in beslag nemen, aangezien de netwerkbeheerder een jaar na aanvraag pas aan de verplichting hoeft te voldoen. De netwerkbeheerder is genegen om bij teruglevering aan het elektriciteitsnet (bijvoorbeeld door middel van een vergister) het elektriciteitsnet te verhogen, echter dit kan pas definitief toegezegd worden als de aanvraag binnen is. Organisatorisch Doordat de voordelen en nadelen voor de verschillende partijen verschillend zijn is het voor één of twee partijen lastig om een dergelijk project te realiseren. De onderlinge afhankelijkheid is daarvoor te groot. Om de voor- en nadelen optimaal te verdelen is een verregaande samenwerking en daarmee een breed draagvlak noodzakelijk. In deze vergaande samenwerking verloopt de besluitvorming trager, aangezien de verschillende belangen tegenstrijdig kunnen zijn. Er moet gezocht worden naar een consensus, waarin de verschillende belangen helder afgewogen zijn, en die voor alle partijen aanvaardbaar is. In tabel 1 worden de uit te werken knelpunten op een rij gezet: Tabel 1: knelpunten uitwerking 14

Knelpunt Oplossing Uitwerken door Aan te voeren Mesthoeveelheid In kaart brengen mogelijkheden Contractvorming hoeveelheden en leverduur Co-stromen/kippenmest Geen co-stromen i.v.m. Zie boven mestwetgeving, rendement halen uit kippenmest Voordelen groene energieproductie benutten uitzoeken mogelijkheden Nagaan eisen Besluit Glastuinbouw, doelstelling Glami convenant en CO 2 benutting Gebruik digestaat als meststof Mogelijkheden onderzoeken Mogelijkheden onderzoeken wensen tuinders Samenstelling rookgassen, eisen tuinders voor gebruik CO 2 uit rookgassen, reiniging, ontzwaveling etc. Financieel voor- en nadeel Samenstelling gebruikte meststoffen en vrijkomende mest, besparingsmogelijkheden op kunstmest Hinder van de voorgenomen activiteiten In kaart brengen Informeren tuinders en nagaan knelpunten Financieel Uitwerken opties vastleggen kritische factoren en uitwerken in business plan Wet en regelgeving onduidelijk? Locatiekeuze Uitwerken/uitzoeken In kaart brengen voor en nadelen Overleg gemeente en nagaan regelgeving Keuze maken 4.1 Mest aan- en afvoer (fase 1) Ondanks het feit dat de boeren in de omgeving van Berlikum zeer positief staan ten opzichte van een centrale vergister bleek in nadere overleggen dat ze vanwege hun eigen bedrijfsvoering geen garanties konden geven voor een stabiele (en continue) aanvoer van de benodigde mest. Dit is een vereiste voor het goed laten functioneren van de vergister. Tevens willen de boeren de hoeveelheid mest wel teruggeleverd krijgen, maar hierin mogen niet meer mineralen aanwezig zijn, liefst minder. Dit zal mogelijkerwijs een groot probleem opleveren omdat door co-vergisting het totaal aan mineralen toeneemt. Dit heeft de projectpartners genoodzaakt om op zoek te gaan naar een partner die hiervoor wel kan zorgen en ook de uitvergiste mest kan afzetten. Tevens moest deze partner de beschikking hebben over diverse soorten mest, zoals kippenmest en rundveemest. De partner die onder andere aan deze voorwaarden voldeed was de firma Wassenaar (transporteur/loonwerker). De firma Wassenaar heeft diverse soorten mest (en organische reststromen) onder contract, levert deze aan diverse afnemers, heeft eigen vervoer/opslagen en is uit de regio afkomstig. 15

De aanbieding (zie bijlage 2) die de firma Wassenaar heeft gedaan is financieel gezien een zeer reële aanbieding, echter ook zij kunnen op dit moment de wetgeving en de mogelijke veranderingen niet inschatten en houden daarom een slag om de arm. Het voordeel om met een bedrijf te werken dat zowel de aan- en afvoer verzorgt is groot, voornamelijk op het gebied van dierziekteverspreiding. Doordat de firma Wassenaar een officieel gecertificeerd mesttransporteur is, voldoet zij aan de wettelijk gestelde eisen inzake de vermindering van dierziekteverspreiding. Tevens is het risico van kruisbestuiving geminimaliseerd, omdat de uitvergiste mest dan wel direct op het land uitgeleverd wordt, of in een tussenopslag wordt opgeslagen. Wassenaar is in staat om constant verse mest te leveren, wat ook een vereiste is. In plaats van de verse mest wordt dus het digestaat opgeslagen, waar het methaan reeds is uitgegist. Tezamen met de projectpartners is besloten om de vereiste aanvoer door de week te laten plaatsvinden. Dit betekend dat er een mixput/ontvangstput geplaatst moet worden, die de toevoer van de vergister in het weekend (of bij geen aanvoer) kan opvangen (zie bijlage 3 processchema). Mogelijke gegarandeerde hoeveelheden per jaar: 4.000 ton kippenmest en 6.000 7.000 ton drijfmest (varken of rundvee) per jaar. (per week 2 vrachten kippenmest en 3 vrachten drijfmest). Om een goede invoer van de installatie te waarborgen moet hier nog zo n 5.000 ton rundveedrijfmest per jaar aan worden toegevoegd. Als uitgangspunt, voor de aan de vergister toe te voeren hoeveelheden mest en co-substraten is aangehouden dat het droge stofgehalte in de vergister maximaal 20% bedraagt en dat het stikstofgehalte in de vergister niet hoger is als 10 kg stikstof per ton. Op dit moment kan de firma Wassenaar de 5.000 ton rundveedrijfmest niet garanderen, hoewel het waarschijnlijk is dat dit wel geleverd zal kunnen worden. Hiervoor worden in de exploitatiebegroting extra kosten meegenomen. De firma Wassenaar voert verse mest aan van veebedrijven uit overschotgebieden en slaat deze op, om in de bemestingsperiode de mest weer af te zetten of voert het digestaat direct af naar de veehouder of akkerbouwer. Bij Wassenaar is onvoldoende opslagcapaciteit aanwezig. De mest zal eerst worden aangeleverd aan de vergister, waar gebruik gemaakt kan worden van de navergisters voor de opslag van de mest. Wanneer de navergisters vol zijn kan een deel van het digestaat voor een beperkte periode worden opgeslagen bij Wassenaar of teruggaan naar de veehouder. Hierdoor wordt de opslagtijd van onvergiste mest buiten een gasdichte omgeving (vergister) voorkomen. Bij de veehouderijen zijn in sommige gevallen stalaanpassingen nodig, dit geldt met name als er gebruik wordt gemaakt van roostervloeren. Daar waar de stallen voorzien zijn van een mestschuif is investering nauwelijks nodig. Ook zal de prijs van de mestaanvoer voor Wassenaar na het eerste jaar worden geëvalueerd, op basis van de gasopbrengst van de mest. Als de mest verser wordt aangeleverd is de opbrengst hoger, zodat een betere prijs voor Wassenaar mogelijk is. Hierdoor is er voor de mesttransporteur een financiële motivatie om de mest zo vers mogelijk aan te leveren. Hiermee wordt het risico van oudere mest voldoende ondervangen, aangezien het belang voor alle partijen hetzelfde is. Buiten het terugleveren van de uitvergiste mest aan de deelnemende boeren of via de partner (firma Wassenaar), is er ook gekeken naar de mogelijkheid om de mest naar andere kanalen af te zetten. Daarbij zou het de beste combinatie zijn om de uitvergiste mest direct aan te wenden bij de tuinders, die daardoor een besparing op hun meststoffen maken. Naar aanleiding van deze wens is er gekeken naar de mogelijkheden van het aanwenden van uitvergiste mest bij de tuinders. Hierbij zijn enkele eisen van toepassing: 16

1. De uitvergiste mest moet van homogene en hoge kwaliteit zijn 2. Het mag het gebruikte bemestingsysteem, veelal met nozzles uitgevoerd niet aantasten/overbodig maken 3. Probleem van Minas oplossen 4. Bemestingskosten moeten hierdoor verlaagd worden Met deze eisen en bekende (verwerkings)technieken is er gekeken of het mogelijk is om hieraan te voldoen. In de praktijk blijkt, dit komt ondere ander voort uit gesprekken met diverse mensen die werkzaam zijn in de meststoffen wereld (oa Dhr. J. Hullegie, oud directeur Mest Bureau Oost en AMV Eibergen (mestverwerking), dat de kwaliteitseisen vanuit de tuinders te hoog zijn voor een directe aanwending van de uitvergiste mest. Om de uitvergiste mest wel te kunnen aanwenden moet er een behandeling (bijv. scheiding) verricht worden. En dan is het eindproduct van deze behandeling een meststof die voor maar een beperkt aantal tuinders geschikt zijn. Algemeen blijkt dat de mestwetgeving niet voorziet in deze mogelijkheid. Dit zou betekenen dat de tuinders ook een Minasboekhouding moeten gaan bijhouden. Dit zal kostenverhogend gaan werken. Dus het aanwenden van de uitvergiste mest bij de tuinders is geen oplossing. 4.2 Aan- en afvoer van Co-stromen (fase 2) In principe zijn er diverse soorten co-stromen, bijvoorbeeld land- en tuinbouwproducten zoals maïs of bietenpuntjes en afval uit de levensmiddelenindustrie. Grofweg zijn de costromen in twee groepen te verdelen, afkomstig uit de landbouw of uit de industrie. De co-stromen zijn zowel in vloeibare als steekvaste vorm aanwezig. Hiervoor zullen verschillende opslagmogelijkheden gegenereerd moeten worden. Voor de tuinders is het een groot voordeel als de eigen reststromen kunnen worden benut. Met name de overblijfselen van de productie, zoals plantmateriaal, zouden kunnen worden vergist. Na onderzoek blijkt dat de aanwezige vreemde stoffen zoals touwtjes (voor het ophangen van tomatenplanten bijvoorbeeld) en plastic een bezwaar is. Om deze te verwijderen zullen er extra investeringen moeten plaatsvinden. De voorkeur gaat uit naar scheiding aan de bron, maar vanwege de gewenste doorloopsnelheid (de kas moet in een paar dagen leeg voor nieuwe planten) is het voorkomen van touw te kostbaar ten opzichte van de huidige afzetmogelijkheden (compostering). Een idee is geweest om biologisch afbreekbaar touw te gebruiken, hierover is met de leverancier van het touw, overleg geweest. Dit bleek op technische gronden (sterkte van het touw in combinatie met een vochtige omgeving) niet haalbaar te zijn. Naar andere co-stromen is gekeken, met name uit de voedingsmiddelenindustrie. Echter wegens de reeds aangehaalde juridische belemmeringen (onder andere wetgeving) is besloten om dit geheel niet verder uit te werken. Met het opzetten van de vergister en het voedingsschema voor de vergister, is onder andere rekening gehouden met de stikstofverhoudingen, droge stof en organische droge stof in de mest. 17

4.3 Reductiepotentieel overige broeikasgassen (TEWI berekening) Het reductiepotentieel van de installatie en de potentie voor dergelijke installaties in Nederland is uitgerekend middels de TEWI systematiek van Novem. In de TEWI-D berekening (2004) wordt uitgegaan van een reductie van 13,33 kg CO 2 equivalenten per ton mest. In dit project wordt op basis van deze berekening een reductie behaald van 508 kton CO 2 eq bij een geplande verwerkingscapaciteit van 35.000 ton mest per jaar. Op nationale schaal bestaat dan een reductiepotentieel van 0,5 Mton CO 2 equivalenten, op basis van ruim 38 Mton vergistbare mest. Zie ook bijlage 4 4.4 Technische knelpunten (fase 3, 4, 6) Ter informatie is als bijlage een PFD (Process Flow Diagram) opgenomen van de installatie. (bijlage 3) Mest wordt aangevoerd naar de installatie door een mestdistributeur, waar het opgeslagen wordt in een voorraad/mixtank. Het lossen van de mest wordt in een aparte ruimte gedaan, deze ruimte wordt continue afgezogen. De voorraadtank is voldoende groot voor de opslag van 3 dagen mest. De voorraadtank is voorzien van een mixer voor het verkrijgen van een homogeen mengsel, ook deze put wordt continue afgezogen. De afgezogen lucht wordt als verbrandingslucht gebruikt voor de WKK. Tijdens bedrijf zal de mest discontinu naar de vergisters verpompt worden (bedrijfstijd 8.000 uur per jaar). In de vergister vindt thermofiele vergisting plaats onder invloed van anaërobe bacteriën bij een temperatuur van circa 47 C. Er is voor thermofiele vergisting gekozen om ervoor zorg te dragen dat het digestaat vrij is van ziektekiemen. Op basis van de toe te voeren hoeveelheden mest en co-substraten is de verblijftijd in de vergister toereikend om er zeker van te zijn dat na vergisting, bij de te hanteren vergister temperatuur van 47 C, het digestaat vrij van ziektekiemen is. Sanitatie In Nederland bestaat onduidelijkheid over de sanitatieregels waaraan het digestaat uit de vergister dient te voldoen (met uitzondering van vergisting van slachtafval enz., ook wel Categorie 1, 2 en 3 materiaal genoemd; zie Verordening (EG) Nr. 1774/2002). Deze paragraaf heeft als doel om meer inzicht te geven over de laatste stand van zaken inzake sanitatieregels bij biogasinstallaties. Algemeen bekend is dat anaërobe vergisting een saniterende werking heeft op bacteriën, virussen en onkruidzaden. De mate van sanitatie wordt hier bepaald door: 1. vergistingstemperatuur; 2. vergistingstijd; 3. soort bacterie / virus / onkruidzaad. In het kader van de DEN subsidie is een onderzoek naar sanitatie tijdens anaërobe vergisting uitgevoerd. Onderdeel van het onderzoek is tevens om te kijken in hoeverre het vergistingsproces een positieve bijdrage heeft op de sanitatie, naast de temperatuursinvloed. Waarschijnlijk dat het anaërobe milieu ook een rol speelt, zodat ook deze invloed zal worden onderzocht. 18

Als leidraad in de sanitatieregels zijn de volgende twee documenten gebruikt: Verordening (EG) Nr. 1774/2002; Werkdocument Biological Treatment of Biowaste 2nd draft ad. 1 Vanaf 1 mei 2003 is de Verordening tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Ondermeer wordt geregeld welke producten wel en niet vergist mogen worden en het bevat specifieke eisen voor biogasinstallaties waaraan dierlijke bijproducten (bijv. mest) worden vergist om het digestaat als meststof te mogen gebruiken. ad.2 Het Directorate General Environment heeft in 2001 een werkdocument opgesteld waarin de vereisten worden vastgelegd waaraan voldaan moet worden voor een voldoende mate van sanitatie van het digestaat en waaraan het bedrijven van biogas installatie moet voldoen. Uit deze documenten volgen de volgende sanitatieregels: ad. 1 De biogasinstallatie moet uitgerust zijn met: een pasteurisatie/ontsmettingstoestel dat niet overgeslagen kan worden en dat uitgerust is met: apparatuur om temperatuur in verhouding tot de tijd te bewaken registreertoestellen die permanent die meetresultaten registreren, en een adequaat veiligheidssysteem om te voorkomen dat de bijproducten onvoldoende worden verhit, adequate voorzieningen voor de reiniging en ontsmetting van voertuigen en recipiënten bij het verlaten van de biogasinstallatie. Een pasteurisatie/ontsmettingstoestel is niet verplicht voor biogasinstallaties waarin alleen dierlijke bijproducten verwerkt worden die verwerkingsmethode 1 ondergaan hebben ( d.i. verkleinen tot maximaal 50 mm daarna meer dan 20 minuten onder een minimale druk van 3 bar verhitten tot 133 C). Monsters van de gistingsresiduen of de compost, die tijdens de opslag bij het biogasbedrijf of bij de uitslag van die producten bij de betrokken bedrijven worden genomen, moeten aan de volgende normen voldoen: Salmonella: geen in 25 g: n=5, c=0, m=0, M=0 Enterobacteriaceae: n=5, c=2, m=10, M=300 in 1 g Waarbij: n = aantal te testen monsters; m = drempelwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als bevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in geen enkel monster groter is dan m; M = maximumwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als bevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in één of meer monsters gelijk is aan of hoger ligt dan M; en 19

c = aantal monsters waarvoor de bacterietelling een resultaat tussen m en M te zien mag geven en waarbij het monster nog als aanvaardbaar wordt beschouwd als het resultaat van de bacterietelling voor de overige monsters niet hoger is dan m. Biogasinstallaties die na 1 november 2002 in bedrijf zijn/worden genomen moeten direct vanaf de start volledig voldoen aan de bepalingen van EG-verordening 1774/2002. Een dergelijke erkenning kan worden aangevraagd bij de Voedsel en Waren Autoriteit. Een uitzondering hierop is de vergisting van mest. ad. 2 De anaërobe vergisting zal dusdanig worden uitgevoerd dat een minimale temperatuur van 55 C wordt gehandhaafd over een periode van 24 uren zonder onderbreking en dat de verblijftijd in de vergister minstens 20 dagen is. In het geval van een lagere bedrijfstemperatuur of een kortere verblijftijd, zal: het bioafval worden voorbehandeld op 70 C, gedurende een uur, of het digestaat zal worden nabehandeld op 70 C, gedurende een uur, of het digestaat zal worden gecomposteerd. Digestaat wordt geacht om gesaniteerd te worden als het voldoet aan het volgende: Salmonella spp afwezig in 50 g digestaat Clostridium perfringens afwezig in 1 g digestaat Digestaat zal minder dan drie ontkiemende onkruidzaden per liter bevatten Tot deze standaards (ad.2) zijn goedgekeurd, moeten lidstaten de nationale standaard en procedures toepassen. CO 2 bemesting In de vergister wordt het substraat omgezet in biogas (methaangehalte is circa 65 vol%). Een membraan boven op de vergister zorgt ervoor dat de vergister volumeschommelingen in de biogasproductie en vraag kan opvangen. Via een biogasmotor met warmwaternet wordt de vergister op temperatuur gehouden. Het vergiste substraat wordt vervolgens naar een zogenaamde navergister tank geleid. Hierna wordt het substraat geleid naar een half ondergrondse opslagtank met een capaciteit voor 6 maanden. De mestopslag wordt gasdicht gemaakt zodat geuremissie wordt voorkomen. Om de CO 2 te kunnen benutten zal moeten worden voldaan aan vergaande eisen voor CO 2 bemesting. Om hieraan te kunnen voldoen zullen de rookgassen moeten worden gereinigd. Aangezien rookgasreiniging ten opzichte van het voordeel van CO 2 benutting erg duur is in de praktijk is gekeken naar andere mogelijkheden, die tevens een extra meerwaarde kunnen bieden. Hierbij is contact gelegd met de firma Cirmac, die CO 2 direct uit het biogas kan winnen. (zie bijlage 5) Hierdoor kan het CO 2 uit het biogas direct worden benut. Het overgebleven gas is van een hogere kwaliteit, waardoor ook het rendement van de gasmotor verhoogd wordt. Hierdoor is een financieel voordeel te behalen op de exploitatie. Met deze installatie zijn nog geen praktijkervaringen opgedaan. Dit brengt een risico met zich mee. Daarnaast bleek de prijs van de geproduceerde CO 2 nog wat hoger te liggen dan de huidige marktprijs. De leveringsprijs 20