Servicedocument Basisexamen informatiesystemen Datum: oktober 2013 Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd, opgeslagen in een dataverwerkend systeem of uitgezonden in enige vorm door middel van druk, fotokopie of welke andere vorm dan ook zonder toestemming van Associatie/Exin. Associatie/Exin, 2013 p. 1 van 15
INHOUD 1. Leeswijzer... 3 2. Beschrijving van het examen... 5 Naam examen... 5 Inleiding... 5 Plaats in iea raamwerk... 5 Globale inhoud... 5 Doelgroep... 5 Voorkennis/niveau... 5 Vervolg... 6 Competenties... 6 Toetsvorm... 6 Indicatie studielast... 6 3. Examenspecificaties... 7 Examenonderwerpen... 7 Eindtermen en examenspecificaties... 7 Toelichting op eindtermen en examenspecificaties... 11 4. Bronnen... 13 Boeken... 13 Artikelen... 13 Samenhang bronnen en eindtermen... 13 5. Toetsmatrijs... 14 Examengegevens... 14 Matrijs... 14 Bijlagen: - Gebruikte termen volgens de gereviseerde versie van Bloom Associatie/Exin, 2013 p. 2 van 15
1. Leeswijzer Elk iea examen heeft een servicedocument. Een servicedocument beschrijft welke onderwerpen worden getoetst en op welke wijze het examen is opgebouwd. Het document biedt daarmee voor opleiders een handvat bij de voorbereiding van haar studenten op het examen. Voor studenten is een apart voorbereidingsdocument beschikbaar. Het servicedocument bevat de volgende onderwerpen: een beschrijving van het examen; een overzicht van de onderwerpen en een beschrijving van de exameneisen en specificaties; de onderliggende bronnen; de toetsmatrijs. Beschrijving van het examen In de beschrijving van het examen komen aan de orde: Inleiding; Plaats in het iea raamwerk: de plaats van het examen in het iea raamwerk en de relevantie van het examen in de beroepspraktijk; Globale inhoud: een korte beschrijving van de onderwerpen waaruit het examen bestaat; Doelgroep: voor wie het examen is bedoeld; Voorkennis: welke kennis vooraf als bekend wordt verondersteld; Vervolg: welk examen kan aansluitend op dit examen gedaan worden; Competenties: welke competenties worden getoetst bij dit examen. Dit zal plaatsvinden aan de hand van het Europese Competence Framework (e-cf); Toetsvorm: met welk type vragen de toetsing plaatsvindt; Studielast: een indicatie van het aantal studiebelastingsuren. Examenspecificaties In dit hoofdstuk worden de onderwerpen, eindtermen en de nadere examenspecificaties weergegeven. Het examen is geconcentreerd rondom een aantal hoofdonderwerpen. Deze worden vervolgens vertaald in eindtermen c.q. exameneisen. De eindtermen geven op hoofdlijnen aan wat een kandidaat moet kennen en kunnen. De examenspecificaties zijn een gedetailleerde beschrijving van deze termen. Gebruikmakend van de taxonomie van Bloom zijn er drie soorten specificaties: 1. specificaties waarbij een kandidaat iets moet kennen met als doel zaken te reproduceren, op te sommen, te beschrijven, te herkennen, verbanden te leggen en/of te definiëren. Dit leidt tot kennisvragen. 2. specificaties waarbij een kandidaat inzicht dient te hebben in zaken met als doel te selecteren en samen te vatten, te verklaren, te onderbouwen, uit te leggen (in eigen woorden), verschillen te duiden en/of voorbeelden te geven. Dit leidt tot begripsvragen. 3. specificaties waarbij een kandidaat zaken toe moet kunnen passen met als doel oplossingen voor te stellen, een situatie met kennis van zaken aan te pakken, een test uit te voeren en/of concrete gevallen te toetsen aan abstracte definities. Dit leidt tot toepassingsvragen. Bronnen In het bronnenoverzicht worden de bronnen opgesomd die geacht worden bekend te zijn bij het examen. Hiermee wordt wederom een nadere specificatie van de onderwerpen aangebracht. Per exameneis wordt aangegeven welke literatuur en andere bronnen hieraan gekoppeld zijn. Uiteraard zijn het daarmee niet de enige bronnen die geschikt zijn om zich voor te bereiden op het examen, maar ze bieden een gezamenlijk kader en zullen daarom ook door de examenopstellers gebruikt worden als referentie. Associatie/Exin, 2013 p. 3 van 15
Toetsmatrijs Tot slot geeft de toetsmatrijs de opbouw van het examen weer. In de toetsmatrijs wordt aan de hand van het belang van elke exameneis aangegeven welk deel van de toets hierop betrekking heeft. Daarbij kent elk onderdeel een minimaal en een maximaal aantal vragen. Bijlagen In de bijlage wordt de terminologie zoals gebruikt bij de examenspecificaties toegelicht. Daarnaast is het iea raamwerk opgenomen om het bredere kader van het examen te schetsen. Associatie/Exin, 2013 p. 4 van 15
2. Beschrijving van het examen Naam examen Basisexamen Informatiesystemen Inleiding Bij iedere functie in de IT is een bepaalde hoeveelheid basiskennis nodig. Het begrijpen van de business en de vertaling naar de applicaties en de ICT infrastructuur zijn competenties die van een IT er gevraagd worden. Hierbij moet aangesloten worden bij internationale IT competenties en beroepsprofielen. Binnen het iea raamwerk heeft zich dit vertaald in een drietal basisexamens die zich ieder richten op steeds een ander systeem waarmee een IT er te maken krijgt. Het tweede is het basisexamen informatiesystemen. Plaats in iea raamwerk Dit examen is het tweede basisexamen in het iea raamwerk. In het onderstaande raamwerk is de positie van dit examen weergegeven: Globale inhoud Als eerste wordt in dit examen basiskennis over informatiesystemen getoetst. Vervolgens wordt ingegaan op de randvoorwaarden aan informatiesystemen. Dan wordt ingegaan op de analyse, structureren en modelleren van een informatiesysteem. Daarna komt de fase van het ontwikkelen en implementeren van een informatiesysteem aan bod, waarna tenslotte het beheer en de exploitatie van informatiesystemen wordt behandeld. Doelgroep Deze module is bedoeld als basiskennis voor mensen die meer inzicht willen krijgen in informatiesystemen. Voorkennis/niveau De kennis van het basisexamen bedrijfsprocessen wordt bekend verondersteld. Het betreft een examen op EQF 5 niveau en op e-cf 2 niveau. Associatie/Exin, 2013 p. 5 van 15
Vervolg Na dit examen kan het basisexamen infrastructuur (1.3) worden gedaan. Competenties In dit examen worden verschillende elementen van competenties van het e-cf getoetst. Bij een basisexamen betreffen dit voornamelijk kenniselementen. Hiermee wordt dus nog niet de competentie compleet afgetoetst, maar wordt een bijdrage geleverd aan het in een later stadium kunnen behalen van de betreffende competentie. Het betreft de volgende competenties uit het e-cf: A6 Ontwerp van applicaties A8 Duurzame ontwikkeling B1 Ontwerp en ontwikkeling B2 Systeemintegratie B3 Testen B4 Oplossingen implementeren C1 Gebruikersondersteuning C2 Ondersteunen van wijzigingen D3 Opleiding en training E8 Informatiebeveiligingsmanagement Toetsvorm De toetsing bestaat uit een examen met automatisch te corrigeren vragen. Indicatie studielast De gemiddelde studielast voor dit examen is 280 uur. Associatie/Exin, 2013 p. 6 van 15
3. Examenspecificaties Examenonderwerpen In het examen komen de volgende hoofdonderwerpen aan de orde: 1. Informatiesystemen 2. Randvoorwaarden aan informatiesystemen 3. Analyse, structureren en modelleren 4. Ontwikkelen en implementeren van informatiesystemen 5. Beheer en exploitatie van informatiesystemen Eindtermen en examenspecificaties 2.1 De kandidaat heeft inzicht in de functie en constructie van informatiesystemen K B T 2.1.1 De kandidaat kent en heeft inzicht in het concept informatiesysteem 2.1.1.1 De kandidaat kan het begrip informatiesysteem beschrijven. 2.1.1.2 De kandidaat kan concepten benoemen en beschrijven die met het begrip informatiesysteem samenhangen. 2.1.1.3 De kandidaat kan de systeemsoort die gerelateerd is aan informatiesysteem beschrijven aan de hand van relevante actor en informatie aspect.* 2.1.1.4 De kandidaat kan een voorbeeld geven van een functie en een constructie oriëntatie van een informatiesysteem. 2.1.1.5 De kandidaat kan verschillende soorten informatiesystemen benoemen, beschrijven en herkennen.* 2.1.1.6 De kandidaat kan herkennen of een beschrijving gaat over een informatiesysteem. 2.1.1.7 De kandidaat kan de elementen van het informatiesysteem benoemen, beschrijven en herkennen.* 2.1.1.8 De kandidaat kan de relatie tussen elementen van het informatiesysteem beschrijven. 2.1.1.9 De kandidaat kan een voorbeeld geven van een informatiesysteem. 2.1.1.10 De kandidaat kan de geschiedenis en de ontwikkeling van informatiesystemen beschrijven. 2.1.1.11 De kandidaat kan verschillende informatiesystemen op een tijdlijn plaatsen. 2.1.2 De kandidaat kan de elementen van het informatiesysteem specificeren 2.1.2.1 De kandidaat kan klanten, gebruikers en belanghebbenden beschrijven en herkennen. 2.1.2.2 De kandidaat kan de nieuwste technologieën benoemen en beschrijven. 2.1.2.3 De kandidaat kan de verschillende soorten platforms benoemen, beschrijven en herkennen.* 2.1.2.4 De kandidaat kan de verschillen aangeven tussen soorten platforms. 2.1.2.5 De kandidaat kan de verschillende soorten programmatuur benoemen, beschrijven en herkennen.* 2.1.2.6 De kandidaat kan de verschillen aangeven tussen soorten programmatuur. 2.1.2.7 De kandidaat kan het begrip webbased software beschrijven en Associatie/Exin, 2013 p. 7 van 15
verschillende soorten webbased software benoemen. 2.1.2.8 De kandidaat kan verschillende soorten programmeertalen benoemen en beschrijven.* 2.2 De kandidaat kent en heeft inzicht in de randvoorwaarden aan een informatiesysteem 2.2.1 De kandidaat kan gebruikerseisen die aan een informatiesysteem worden gesteld benoemen, beschrijven, herkennen en relateren aan het informatiesysteem en de ontwikkeling daarvan.* 2.2.2 De kandidaat kan kwaliteitseisen die aan een informatiesysteem worden gesteld benoemen, beschrijven, herkennen en relateren aan het informatiesysteem en de ontwikkeling daarvan.* 2.2.3 De kandidaat kan eisen van duurzaamheid die aan een informatiesysteem worden gesteld benoemen, beschrijven, herkennen en relateren aan het informatiesysteem en de ontwikkeling daarvan. 2.2.4 De kandidaat kan eisen op gebied van beveiliging die aan een informatiesysteem worden gesteld benoemen, beschrijven, herkennen en relateren aan het informatiesysteem en de ontwikkeling daarvan. 2.2.5 De kandidaat kan van de verschillende eisen die gesteld worden door de organisatie aan een informatiesysteem voorbeelden geven. 2.2.6 De kandidaat kan de mogelijkheden om informatiesystemen te beveiligen benoemen en beschrijven.* 2.2.7 De kandidaat kan, gegeven een bepaalde situatie, de mogelijkheden aangeven om informatiesystemen te beveiligen. 2.2.8 De kandidaat kan een aanpak beschrijven voor de interne audit van het informatiesysteem. 2.2.9 De kandidaat kan 'best practices' in en standaarden voor informatiebeveiligingsmanagement benoemen en beschrijven. 2.2.10 De kandidaat kan de opzet van en aandachtspunten bij een beveiligingsaudit beschrijven. 2.3 De kandidaat kent de principes van analyse, structureren en modelleren 2.3.1 De kandidaat kan het belang aangeven van een informatieanalyse. 2.3.2 De kandidaat kan de basisprincipes van een informatieanalyse benoemen en beschrijven.* 2.3.3 De kandidaat kan verschillende datamodelleringstechnieken benoemen en beschrijven.* 2.3.4 De kandidaat kan het begrip gegevensontwerp beschrijven. 2.3.5 De kandidaat kan het begrip objectgeoriënteerd ontwerpen beschrijven. 2.3.6 De kandidaat kan de begrippen functioneel en technisch ontwerp beschrijven. 2.3.7 De kandidaat kan een functionele specificatie ontwerpen vanuit vastgestelde eisen. 2.3.8 De kandidaat kan moderne en klassieke methoden benoemen en de verschillen hiertussen aangeven.* 2.4 De kandidaat heeft inzicht in het ontwikkelen en implementeren van informatiesystemen 2.4.1 De kandidaat kent aspecten van het informatieplan en de relatie met het informatiesysteem 2.4.1.1 De kandidaat kan de begrippen informatieplan en informatieplanning beschrijven. 2.4.1.2 De kandidaat kan het belang aangeven van informatieplan en informatieplanning. Associatie/Exin, 2013 p. 8 van 15
2.4.1.3 De kandidaat kan de elementen van een informatieplan benoemen en beschrijven.* 2.4.1.4 De kandidaat kan de relatie beschrijven tussen informatiestrategie, informatieplan en informatiesysteem. 2.4.2 De kandidaat kent en heeft inzicht in het ontwikkelen van informatiesystemen 2.4.2.1 De kandidaat kan een vooronderzoek/haalbaarheidsstudie beschrijven en het belang ervan aangeven. 2.4.2.2 De kandidaat het verschil aangeven tussen functionele en nietfunctionele eisen. 2.4.2.3 De kandidaat kan beschrijven hoe functionele en niet-functionele eisen verzameld, geformaliseerd en gevalideerd moeten worden. 2.4.2.4 De kandidaat kan de verschillende methoden van systeemontwikkeling benoemen, beschrijven en herkennen.* 2.4.2.5 De kandidaat kan de voor- en nadelen aangeven van de verschillende methoden van systeemontwikkeling. 2.4.2.6 De kandidaat kan de verschillen aangeven tussen de methoden van systeemontwikkeling. 2.4.2.7 De kandidaat kan, gegeven een bepaalde situatie, de geschiktheid van verschillende applicatieontwikkelingsmethoden beoordelen. 2.4.2.8 De kandidaat kan per methode het proces van systeemontwikkeling beschrijven, zodat hij/zij hierbij de verschillende fasen kan benoemen en beschrijven.* 2.4.2.9 De kandidaat kan per fase van het systeemontwikkelproces: het doel, de activiteiten, eindproducten en de rol van de gebruiker aangeven. 2.4.2.10 De kandidaat kan ramingsmodellen en -gegevens om kosten van verschillende fasen van de softwarelevenscyclus te berekenen toepassen. 2.4.2.11 De kandidaat kan prototyping beschrijven en het belang ervan aangeven. 2.4.2.12 De kandidaat kan het gebruik van prototypen ter ondersteuning van het valideren van eisen beoordelen. 2.4.2.13 De kandidaat kan meeteenheden in relatie tot applicatieontwikkeling benoemen en beschrijven. 2.4.2.14 De kandidaat kan ontwerpprincipes voor gebruikersinterfaces benoemen en beschrijven.* 2.4.2.15 De kandidaat kan de rol van de gebruiker bij het proces van systeemontwikkeling beschrijven. 2.4.3 De kandidaat kent de principes van testen en kan een eenvoudige test uitvoeren 2.4.3.1 De kandidaat kan verschillende soorten testen benoemen en beschrijven.* 2.4.3.2 De kandidaat kan het belang aangeven van de verschillende soorten testen. 2.4.3.3 De kandidaat kan het testproces beschrijven. 2.4.3.4 De kandidaat kan de onderdelen van een testplan benoemen. 2.4.3.5 De kandidaat kan eenvoudige testen uitvoeren geheel conform gedetailleerde voorschriften. 2.4.4 De kandidaat kent de principes van de invoering van informatiesystemen en kan individuele componenten verwijderen of installeren 2.4.4.1 De kandidaat kan technologieën en normen tijdens implementatie benoemen en beschrijven. Associatie/Exin, 2013 p. 9 van 15
2.4.4.2 De kandidaat kan technologieën en normen tijdens implementatie toepassen, zodat hij/zij onder leiding en conform gedetailleerde instructies het verwijderen of installeren van individuele componenten uit kan voeren. 2.4.4.3 De kandidaat kan aandachtspunten benoemen en beschrijven bij systeemintegratie. 2.4.4.4 De kandidaat kan interfacing technieken tussen modules, systemen en componenten benoemen en beschrijven. 2.4.4.5 De kandidaat kan beschrijven hoe de systeemprestatie voor, tijdens en na de systeemintegratie gemeten kan worden. 2.4.4.6 De kandidaat kan prestatieanalysetechnieken benoemen en beschrijven. 2.4.4.7 De kandidaat kan technieken i.v.m. probleemmanagement benoemen en beschrijven. 2.4.4.8 De kandidaat kan methoden en technieken betreffende het samenstellen van software (packaging) en distribueren ervan benoemen en beschrijven. 2.4.4.9 De kandidaat kan aandachtspunten benoemen en beschrijven bij de conversie van bestanden en procedures. 2.4.4.10 De kandidaat kan aandachtspunten benoemen en beschrijven bij de overdracht aan de organisatie. 2.4.4.11 De kandidaat kan aandachtspunten benoemen en beschrijven bij de nazorg. 2.5 De kandidaat kent de principes van beheer en exploitatie van informatiesystemen en kan op een gebruikersverzoek reageren 2.5.1 De kandidaat kan generieke organisatievormen van beheer benoemen en beschrijven.* 2.5.2 De kandidaat kan de verschillende onderdelen van beheerprocessen en rollen, taken en verantwoordelijkheden daarbinnen benoemen en beschrijven. 2.5.3 De kandidaat kan de doelstellingen van beheer voor de korte en (middel)lange termijn beschrijven. 2.5.4 De kandidaat kan bij een bepaalde organisatievorm de specifieke beheervorm aangeven. 2.5.5 De kandidaat kan de verschillende soorten onderhoud benoemen en beschrijven.* 2.5.6 De kandidaat kan het begrip wijzigingsbeheer beschrijven. 2.5.7 De kandidaat kan hulpmiddelen en technieken voor wijzigingsbeheer (change management) benoemen en beschrijven. 2.5.8 De kandidaat kan basiskennis en vaardigheden op gebied van gebruikersondersteuning benoemen en beschrijven. 2.5.9 De kandidaat kan basiskennis en vaardigheden op gebied van gebruikersondersteuning toepassen, zodat hij/zij in staat is om op gebruikersverzoeken te reageren. 2.5.10 De kandidaat kan eenvoudige incidenten oplossen en volgt daarbij voorgeschreven procedures. 2.5.11 De kandidaat kan geschikte pedagogische benaderingen en onderwijskundige methoden voor overdracht benoemen en beschrijven. 2.5.12 De kandidaat kan methoden om trainingsbehoeften te analyseren benoemen en beschrijven. 2.5.13 De kandidaat kan invulling geven aan les- en trainingsprogramma s die voldoen aan de ICT-opleidingsbehoeften van de klant. Associatie/Exin, 2013 p. 10 van 15
Toelichting op eindtermen en examenspecificaties In deze toelichting wordt met name aangegeven welke begrippen, concepten, definities etc. bekend worden verondersteld bij de specificaties. 2.1.1.3 De kandidaat weet dat informatiesystemen behoren tot systeemsoort: I-systeem (Informatie & Intelligentie); actor: rationele actor; informatie aspect: informa. 2.1.1.5 De kandidaat kent de verschillende soorten informatiesystemen: transactieverwerkingssystemen/ Transaction Processing Systems (TPS), Managementinformatiesystemen (MIS), beslissingsondersteunende systemen/ Decision Support Systems (DSS), Executive support systems (ESS), Workflowmanagementsystemen, Documentaire Informatie Systemen (DIS), Groupware. 2.1.1.7 De kandidaat kent de elementen van het informatiesysteem: mensen, middelen, procedures en regels gerelateerd aan informatieverzorging. 2.1.2.3 De kandidaat kent verschillende soorten platforms: besturingssystemen (Windows, Mac OS, Linux, Unix), browser platforms (Internet Explorer, Chrome, Mozilla Firefox, Safari), mobiele platforms (ios, Android, Windows, Blackberry). 2.1.2.5 De kandidaat kent verschillende soorten programmatuur: systeem software (1. systeembeheerprogramma s (besturingssysteem/operating systems, databasemanagementsystemen, programma s voor netwerkbeheer en data communicatie); 2. Programmeertalen en ontwikkelomgevingen; 3. Systeemondersteunende programma s (utility programs) en application software (general purpose software (i.e. document production/ graphics software, spreadsheets, databases, multimedia, internet use, management applications/ productivity software), application specific software). Enterprise systemen, supply chain management systemen (SCM), customer relationship management systemen (CRM). 2.1.2.8 De kandidaat kent verschillende soorten programmeertalen: Eerste generatie (machinecode), tweede generatie (assembleertalen), derde generatie (hogere programmeertalen (general purpose en special purpose), vierde generatie (4 GL), vijfde generatie (OO), zesde generatie (CBD). 2.2.1 De kandidaat kent gebruikerseisen: volledigheid, relevantie, actualiteit, juistheid en nauwkeurigheid. 2.2.2 De kandidaat kent kwaliteitseisen: 1. betrouwbaarheid (juist, volledig, tijdig, geoorloofd), 2. continuïteit, 3. efficiëntie (snelheid van werken, gebruiksvriendelijkheid, aansluiting), 4. effectiviteit (dekkingsgraad, continuïteit, relevantie/ondersteuning). 2.2.6 De kandidaat kent mogelijkheden om informatiesystemen te beveiligen: algemene maatregelen (m.b.t. programmatuur, apparatuur, exploitatie, gegevensbeveiliging, procedures bij de implementatie, administratieve organisatie) en beschermingsmaatregelen specifiek op applicaties gericht (invoerprocedures (autorisatie, dataconversie, gegevensbewerking, foutenafhandeling), verwerkingsprocedures, uitvoerprocedures). Toegangscontrole; firewalls, inbraakdetectiesystemen, antivirussoftware, Unified threat management (UTM) systemen; WEP; encryptie, SSL, S-http, digitale certificaten, Public key infrastructure, geautomatiseerde transactieverwerking, fouttolerante computersystemen, load balancing, recovery-oriented computing; Deep Packet Inspection (DPI), Managed Security Service Providers (MSSP s). 2.3.2 De kandidaat kent basisprincipes van een informatieanalyse: precedentieanalyse, procesanalyse, eigenschappenanalyse. 2.3.3 De kandidaat kent verschillende datamodelleringstechnieken: gegevensgerichte benadering en objectgeoriënteerde benadering (UML). 2.3.8 De kandidaat kent moderne methoden: agile, RAD en klassieke methoden: waterval methode. 2.4.1.3 De kandidaat kent elementen van een informatieplan: doel van het plan, redenen, Associatie/Exin, 2013 p. 11 van 15
huidige systemen/ situatie, nieuwe ontwikkelingen, managementstrategie, implementatieplan, budget. 2.4.2.4 De kandidaat kent de verschillende methoden van systeemontwikkeling: 1. lineair, 2. waterval (System Development Methodology (SDM) en Soft Systems Methodology (SSM), 3. evolutionair/ incrementeel (IAD, RAD). Systeemontwikkelingsmethoden met als uitgangspunt de uit te voeren functies (processen) van het informatiesysteem (ISAC (Information System Analysis of Changes), SASO (Systeem Analyse en Systeem Ontwerp), SADT (Structured Analysis and Design Technique) en Yourdon) en systeemontwikkelingsmethoden met als uitgangspunt gegevens (NIAM (Nijssens (of: Natuurlijke taal) Informatie Analyse Methode) en D2S2 (Development of Data Sharing Systems)). 2.4.2.8 De kandidaat kent de fasen in het proces van systeemontwikkeling: definitiestudie, functioneel ontwerp, technisch ontwerp, bouw, acceptatietest, invoering, gebruik en beheer. 2.4.2.14 De kandidaat kent ontwerpprincipes voor gebruikersinterfaces: paneelcompositie, interfacepanelen, interface-elementen (tekstinvoerveld, drop-down, command button, ). 2.4.3.1 De kandidaat kent verschillende soorten testen: unit test, systeemtest, acceptatietest. 2.5.1 De kandidaat kent generieke organisatievormen van beheer: functioneel beheer, applicatiebeheer, technisch beheer. 2.5.5 De kandidaat kent de verschillende soorten onderhoud: correctief, preventief, perfectief, adaptief, additief. Associatie/Exin, 2013 p. 12 van 15
4. Bronnen Voor het verkrijgen van de benodigde informatie, kan gebruik gemaakt worden van verschillende bronnen. In dit deel wordt aangegeven van welke bronnen is uitgegaan bij het vaststellen van de eindtermen en specificaties. Ook de opstellers van het examen maken gebruik van deze bronnen. Het is daarmee echter geen verplichte literatuur, maar een nadere specificering van de exameneisen. Het is de expertise van de opleider op welke wijze de kandidaten deze kennis tot zich nemen. Boeken a. Laudon, K.C. en J.P. Laudon, Bedrijfsinformatiesystemen, 11 e editie, Amsterdam: Pearson Education, 2010, isbn: 9789043095112 b. Derksen, T. en Crins, H., AIV, Informatiekunde voor het HBO, 6 e uitgave, Academic service, 2011, ISBN 9789039526514 c. Bocij, P. et al., Business Information Systems, 4 e editie, Pearson Education, 2008, ISBN 9780273716624 d. Warmer, J. en Kleppe, A., praktisch UML, 5 e editie, Amsterdam Pearson Education, 2011, ISBN 9789043020558 h. Looijen, M. en Hemmen, L. van, Beheer van informatiesystemen, 7 e druk, Academic Service, 2011, ISBN 9789012582377 i. Pols, R. van der, BISL - een framework voor business informatiesystemen, 2 e druk, Van Haren, 2012, ISBN 9789087536879 Artikelen e. Dietz, J.L.G., L-Paso the passage to professionalism; het raamwerk versie 2, 2001 f. Jagroep, E., Op weg naar duurzame software, in: Informatie april 2013, Den Haag: Bim Media. g. Spruijt, R., De gebruiker bepaalt, in: Informatie januari 2013, Den Haag: Bim Media. Samenhang bronnen en eindtermen 2.1 1 a. H1, H2, b. H1,H3, c. H1, H2, e 2 a. H4 b. H6, H7, c. H4 2.2 a. H7, b H3, H6, H7, c. H15, f, g 2.3 a. H12, b. H11, H12, H14, c. H10, H11, d. H2 2.4 1 a. H13, b. H9 2 a. H12, b. H11 c. H7, H8, H10, d. H2 3 b. H11, H16 c. H12 4 b. H11, c. H12 2.5 b. H17 c. H16, h. H5 t/m 10, i. H4 Associatie/Exin, 2013 p. 13 van 15
5. Toetsmatrijs Examengegevens Examenvorm: Automatisch te corrigeren vragen Aantal vragen: 50 Examentijd: 150 min. Matrijs De toetsmatrijs geeft een overzicht van het minimaal en maximaal aantal vragen per eindterm en per vraagsoort in zowel percentage als feitelijk aantal vragen. Eindterm Specificatie Puntenverdeling in % Aantal vragen soort min max min max K B T 2.1.1 1,2,3,4,5,6,7,8,10,11 20% 25% 10 13 2.1.2 1,2,3,4,5,6,7,8 2.1.1 9 2% 5% 1 3 2.2 1,2,3,4,6,8,9,10 5% 15% 3 8 2.2 5 2% 5% 1 3 2.2 7 2% 5% 1 3 2.3 1,2,3,4,5,6,8 10% 20% 5 10 2.3 7 2% 5% 1 3 2.4.1 1,2,3,4 20% 25% 10 13 2.4.2 1,2,3,5,8,9,11,13,14,15 2.4.3 1,2,3,4 2.4.4 1,3,4,5,6,7,8,9,10,11 2.4.2 6 2% 5% 1 3 2.4.2 7,10,12 5% 10% 3 5 2.4.3 5 2.4.4 2 2.5 1,2,3,4,5,6,7,8,11,12 10% 20% 5 10 2.5 9,10,13 2% 5% 1 3 Kennisvragen 60% 83% 30 41 Begripsvragen 6% 15% 3 8 Toepassingsvragen 11% 25% 6 13 Totaal 100% 50 Associatie/Exin, 2013 p. 14 van 15
Bijlage: Gebruikte termen volgens de gereviseerde versie van Bloom 1 Kennis Inzicht Toepassen Term Beschrijven Samenhangende concepten beschrijven Essentie beschrijven Relatie of invloed beschrijven Benoemen Samenhangende concepten benoemen Herkennen Op een tijdlijn plaatsen Belang aangeven Voor- en nadelen aangeven Verklaren Voorbeeld geven Verschillen aangeven Schema lezen Zaken toepassen Passend middel selecteren Invulling geven Iets beoordelen Een plan opstellen Toelichting Een juiste beschrijving of definitie van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een gegeven concept een juiste beschrijving van daaraan gerelateerde concepten aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de essentie van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de onderlinge relatie tussen of invloed van gevraagde concepten aangeven. Een uitputtende en juiste opsomming van bij elkaar horende termen aangeven (bijv. soorten, typen van iets). Aan de hand van een gegeven concept een juiste opsomming van daaraan gerelateerde concepten aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave het gevraagde herkennen. De chronologische volgorde van gevraagde concepten aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave het belang van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de vooren nadelen van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave een verklaring van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave een voorbeeld van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de verschillen tussen gevraagde concepten aangeven. Een juiste interpretatie van een schema aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de juiste handelwijze aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave het juiste passende middel aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave een juiste invulling aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave een juiste beoordeling van het gevraagde aangeven. Gegeven een bepaalde situatie een plan opstellen voor het gevraagde. 1 F. Resink, Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO), Checklist vraagstellingen volgens de gereviseerde taxonomie van Bloom. Associatie/Exin, 2013 p. 15 van 15