De uitwerking van de vragen zet je in de verslagen van je practica! (LEES LAATSTE BLADZIJDE!) Cursief gedrukte blauwe vragen alleen voor bio-mensen!! Vragenlijst Module cellen 1. Noem drie verschillen tussen plantencellen en dierlijke cellen 2. Door welke celstructuur ontleent een plantencel zijn stevigheid? 3. Plantencellen bezitten chloroplasten. Wat is hun functie? 4. Zowel plantencellen als dierlijke cellen bezitten een duidelijk kern met een eigen kernmembraan. Bestaan er celtypen die een dergelijke duidelijk te onderscheiden kern niet hebben? 5. Leg in je eigen woorden uit wat chromosomen zijn. 6. Leg in je eigen woorden uit wat de functies zijn van de kern van de cel. 7. In het practicum heb je het verschijnsel plasmolyse gezien. Leg in enkele zinnen uit wat er in dat proces gebeurd. 8. Bij de celdeling vindt eerst een deling van de kern plaats. Is dat juist of onjuist? Hoe eventueel anders? 9. Bij de mitose ontstaan altijd twee dochtercellen. Deze zijn volledig identiek. Is dat juist of onjuist? Licht je antwoord kort toe. 10. De meiose-ii is vergelijkbaar met de mitose. Verklaar dit. 11. In het DNA van de cellen kunnen tijdens het leven van de cel veranderingen optreden als gevolg van straling of chemische stoffen. Hoe noemen we zo'n verandering? 12. Een zygote ontstaat als een eicel wordt bevrucht wordt door een zaadcel. Leg kort uit waarom dit proces van zygote-vorming niet leidt tot een verdubbeling van erfelijk materiaal. 13. Het menselijk DNA bestaat voor 98% uit coderende regio's. Is dit juist of onjuist? 14. Mendel heeft vier wetten gevormd; De uniformiteitswet: als je twee raszuivere individuen (die maar in één kenmerk verschillen) met elkaar kruist, dan zijn de F1-nakomelingen onderling identiek. De dominantiewet: Alle individuen uit de eerste generatie vertonen hetzelfde kenmerk als het kenmerk van één van beide ouders (P-generatie). De splitsingswet: bij onderlinge kruising van individuen uit de eerste uniforme generatie krijg je nakomelingen met verschillende genotypen. Daarbij komen de kenmerken in een vaste getalsverhouding tot uiting: 3:1 bij dominant-recessieve overerving en 1:2:1 bij partiële (of co-) dominantie. De onafhankelijkheidswet of reciprociteitswet: de verschillende kenmerken worden onafhankelijk van elkaar overgeërfd (indien ze op verschillende chromosomen liggen). (Bron: Wikipedia). Geef van al deze wetten een treffend voorbeeld. 15. Wat denk je? Als Mendel geweten had dat DNA bestond en al zijn 'factoren' in het DNA van de erwt terug te vinden zouden zijn, zouden zijn wetten dan anders zijn geweest?
Vragenlijst Module genclassic 1. Mendel kruiste ooit twee erwtenplanten met elkaar: De ene had gele (g) zaden, de andere groene (G) zaden. Hoe ziet de F1-generatie eruit? Beschrijf dit kort. 2. Een plant die homozygoot is voor zowel het kenmerk gele zaden als gerimpelde zaden, wordt genetisch voorgesteld door: A. ggrr B. GgRr C. Ggrr D. ggrr 3. Wat is het verschil tussen de begrippen fenotype en genotype? 4. Wat is er een oorzaak van dat een plant (of dier) genotypisch een kenmerk kan 'dragen' maar dit uiterlijk niet vertoond? 5. Verklaar de termen diploïd en haploïd. 6. Bij tomaten (en trouwens veel andere planten) komt tetraploïdie voor. Wat zou daarvan het effect kunnen zijn? 7. Leg in je eigen woorden uit wat er (globaal) gebeurd bij de 'crossing-over'. 8. Noem drie verschillen tussen een bacterie en een lichaamscel (bijvoorbeeld een levercel). 9. Zie onderstaand kruisingsschema waarin G en r niet gekoppelde autosomale kenmerken zijn. Neem het schema over en vul het in zodat duidelijk wordt wat de genotypen van de F1 en F2 zijn. P GGrr X ggrr gameten G en r F1 Gameten bij onderlinge kruising F1 F2 1
Vragenlijst Module Molgen1 1. Waar staan de letters DNA voor? 2. Wat is het verschil in structuur tussen DNA en RNA? 3. Wat is het verschil in functie tussen DNA en RNA? 4. Hoe zou een DNA-sliert van bijna 2 meter toch in elke menselijke lichaamscel kunnen passen? (Deze cellen zijn misschien 0,005 mm groot) 5. In het wereldberoemde artikel van Watson en Crick, staat deze zinsnede: Wat bedoelen de onderzoekers hier eigenlijk? 6. De replicatie van het DNA gaat vooraf aan de celdeling. Leg kort uit hoe de replicatie van het DNA in zijn werk gaat. 7. Wat is het verschil tussen transcriptie en translatie? 8. Beschrijf in je eigen woorden hoe het DNA voorschrijft hoe een eiwit eruit gaat zien? 9. Mutaties zijn veranderingen in het genoom. Wat bedoeld men hiermee? Noem drie soorten mutaties. Gebruik eventueel Google om deze vraag te beantwoorden. 10. Stel een enkele DNA-streng ziet eruit als 5'- AGCACACTGTAGTCAGTCAAATGT- 3' De aanduidingen 5 en 3 geven de oriëntatie weer. De andere complementaire streng loopt precies anders om. Neem de streng over en zet het complement er tegen aan zodat een dubbele DNA streng ontstaat. 11. De letters in het RNA zijn A, C, G en U. T komt niet voor. De code voor het stopcodon is UGA. Welk onderdeel in de cel moet 'reageren' op het 'langskomen' van dit stopcodon? 12. Een ribosoom (elke cel heeft er duizenden) is de plaats van de eiwitsynthese. Leg kort uit hoe dat gaat en noem daarbij de volgende termen: mrna, rrna, triplet, codon, peptide. 13. De vertaling van DNA in eiwitten gaat dus van DNA -> mna -> Eiwit (mbv trna). Een virus dat aan ééncellige binnendringt weet DNA in een bacterie te lozen. Dit DNA nestelt zich in het DNAvan de bacterie. Waarom gebeurd dat? 14. In onderstaande tabel is te zien welke aminozuren (bouwstenen van eiwitten) gemaakt worden aan de hand van de RNA-tripletten (drietallen)> Per drietal RNA-basen wordt één aminozuur geselecteerd en aan de groeiende eiwitketen geregen. Besef: RNA-polymerase oriënteert zich op de 5-oooooooooooooooooo -3 streng voor het begin en benut de tegenoverliggende streng 3-xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx-5 als matrijs! 2
a) Als het mrna er zo uitziet: AUG ACU UAC GGG AGC AGC UUA AUA GUG GUG UAA UAA over welke aminozuren gaat dit dan? Een eiwit start ALTIJD met AUG (en codeert ook voor Methionine) Besef: RNA-polymerase oriënteert zich op de 5-oooooooooooooooooo -3 streng voor het begin en benut de tegenoverliggende streng 3-xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx-5 als matrijs! b) Hoe zag het DNA eruit? Kies uit één van de vier en geef aan waarom. A 5- TAC TGA ATG CCC TCG TCG AAT TAT CAC CAC ATT ATT- 3 3- ATG ACT TAC GGG AGC AGC TTA ATA GTG GTG TAA TAA- 5 B 5- ATG ACT TAC GGG AGC AGC TTA ATA GTG GTG TAA TAA- 3 3- TAC TGA ATG CCC TCG TCG AAT TAT CAC CAC ATT ATT- 5 C D 5- TTA TTA CAC CAC TAT TAA GCT GCT CCC GTA AGT CAT-3 3- ATG ACT TAC GGG AGC AGC TTA ATA GTG GTG TAA TAA- 5 5- TTA TTA CAC CAC TAT TAA GCT GCT CCC GTA AGT CAT-3 3- ATT AAT GTG GTG ATA ATT CGA CGA GGG CAT TCA GTA -5 c) Wat is de aminozuursequentie van 5- TTA CAC CAC TAT TAA GCT GCG CCC GTA AGT CAT UUU-3 3- AAT GTG GTG ATA ATT CGA CGC GGG CAT TCA GTA AAA-5 d) Wat is er sowieso mis met de DNA-sequentie bij keuzemogelijkheid C? 15. Soms komen sequenties voor met een bepaald leesraam coderen voor een eiwit, maar als men het leesraam één positie opschuift, toch opnieuw een (ander) eiwit ontstaat. Probeer zo'n sequentie te maken met vier verschillende aminozuren 3
Vragenlijst Module Molgen2 1. In de moleculaire biologie maakt men gebruik van een techniek die bekend staat onder de naam PCR. Leg in enkele zinnen uit wat er daarbij gebeurd. 2. Waarom is het belangrijk om een techniek als PCR te hebben? Welk groot voordeel heeft deze techniek? 3. Wij hebben in het 'kiwi-practicum' DNA geïsoleerd uit de cellen van de kiwi. Wat was de rol van het afwasmiddel hierin? 4. Wat is de rol van primers? 5. In onze PCR-techniek maken we gebruik van een zogenaamd polymerase. Wat is dat? 6. Bij de techniek gel-electroforese worden DNA fragmenten gescheiden. Hoe gaat dat? 7. Als men bij mensen een DNA-verwantschaps test gaat doen, worden dikwijls 14 kenmerkende plekken in het DNA van bijvoorbeeld vader en zoon met elkaar vergeleken. Wat hoopt men dan in de gel te zien (ná electroforese)? 8. Veronderstel dat een plant een allel bevat voor de resistentie tegen een parasiet. Bovendien kent men het hele genoom van de plant en weten we ook waar het allel zich bevindt. Wat is er dan feitelijk bekend in dit geval? Zijn er zaken die daarmee nog niet helder zijn?. Schrijf in een paar zinnen op hoe je daarover denkt. (Dit is geen meningsvormende vraag). 9. De technieken die wij in onze lessen gebruikten kunnen onderdeel zijn van een programma waarbij planten vreemdsoortig DNA toegediend krijgen. Wat doet men dan eigenlijk? 10. Geef kort je mening weer omtrent het gebruik van genetisch gemodificeerde gewassen. 11. Wat is het verschil tussen transgeen en cisgeen? 12. Doordat het hele genoom van de mens bekend is, zijn alle loci en alle allelen ook bekend. (Waar of niet waar). Licht je antwoord toe. 13. Wat is een mogelijk gevaar van het bekend zijn van jouw genoom in een denkbare databank? 4
Vragenlijst Module Solanum De vragen uit de CoCo-les vervangen deze vragen! 1. Leg kort uit wat de levenscyclus is van de oömyceet phytophthora. 2. Op welke wijze beschermt een aardappelplant zich tegen indringers? 3. Wat houdt de resistentie in die de aardappelplanten kunnen hebben tegen deze waterschimmel? 4. Leg het begrip waterschimmel uit. 5. Wij kunnen zien of een plant wel of geen R1-gen heeft. Wat zegt die uitslag eigenlijk? Is dat afdoende? 6. Waarom is men voor de resistentiegenen weer naar Bolivia en Peru afgereisd? 7. Late Blight is de ziekte die de aardappeloogst van de Ieren in de 19e eeuw deed mislukken. Wat waren de gevolgen? 8. Als aardappelboer heb jij de keus: Of je investeert jaarlijks enkele duizenden euro's in bestrijdingsmiddelen, of je gaat cisgene rassen gebruiken. Schrijf een kort betoog welke keuze je maakt en waarom. 9. Welke ontwikkelingen zouden de mensen moeten doen om áf te komen van die enorme hoeveelheden bestrijdingsmiddelen? 10. Welke gewassen staan naast de aardappel ok hoog op de lijst van wereldvoedsel? De Coco-les Solanumbevat een 11-tal opdrachten die de leerling doen verplaatsen in de rol van teler van aardappels en die zich geconfronteerd ziet met Phytophtora. 5
Vragenlijst Module Dna1 1. Wat is de rol van de temperatuurswisselingen bij PCR? 2. Waarom zou het beste het DNA eerst gezuiverd moeten zijn? 3. Noem twee nadelen van verkeerd gekozen temperaturen bij de PCR-techniek 4. Waarom is van het polymerase zo onstellend weinig materiaal nodig? 5. Wat zou er bij het ontwerpen van primers mis kunnen gaan? 6. Bij het gebruik van de agarose gel wordt DNA gescheiden in fragmenten van verschillende lengte. Geef in je eigen woorden weer hoe die fragmenten ontstaan. 6. De PCR-reactie doorloopt de middelste stappen 40x. Aangenomen dat in stap 1 precies 1 DNA molecuul aanwezig was, hoeveel fragmenten hebben we na 40 stappen? 7. Wat is de rol van het (giftige) Ethidiumbromide? Waarom is dit een kankerverwekkende stof? 8. Zie deze gel. Leg uit wat er te zien is. 9. Stel je voor dat je profielwerkstuk (EWS) een biologisch/moleculair onderwerp zou bevatten. Bedenk een genetisch/moleculair onderwerp dat je zou kunnen uitwerken. Mogelijke sleutelwoorden: Resistentiegenen primers restrictie-enzymen PCR DNA polymerase RNA polymerase Gel-electroforese schimmels (bodem) 6
Wat lever je uiteindelijk in? 1. Eén totaal verslag met de uitwerking van korte en lange verslagen van de practica. (Zie overzicht in de leerlinghandleiding. 2. De antwoorden van de vragenlijst Waar je geen antwoord op wist, dien je dus uit te zoeken mbv de biologen in klas of mbv bronnen en Google. 3. Tekeningen zijn ingescand, Foto's toegevoegd. Het verslag is een WORD-document dat je tijdig aanlevert en opstuurt naar: TOTAAL bartvanzweeden@gmail.com bestaat je verslag uit 8 korte en 3 uitgebreide verslagen + de uitgebreide uitwerking van de 11 opdrachten uit de SOLANUM-opdracht. bevat je totaalverslag een kort nawoord waarin je terugblikt op deze periode lever je het geheel DIGITAAL in uiterlijk 3 febr 2014 om 12:00 uur. Elke hele dag te laat levert een punt aftrek op. Niets inleveren levert de score 1.0 op. telt het verslag mee als cijfer in het PTA van biologie/anw 7