Antwerpen: 2003-03-07 (herwerkt 2012) 1 Focusgroepgesprekken voeren Structuur 1. Kennis maken 2. Vragen stellen én luisteren 3. Groepsdynamiek & soorten respondenten 4. Kwalitatieve technieken 5. Analyse en synthese aan het slot. 1. Kennis maken De eerste indruk is bepalend voor de medewerking. Communiceer open over hoe de sessie zal verlopen en wat er naderhand gebeurt. Denk na over de sfeerschepping. Leg uw deelnemers in de watten met koffie en koekjes. Bedank de deelnemers achteraf met een kleine attentie. De reden van het onderzoek: waarover gaat het? Leg uit waarom je de mensen hebt uitgenodigd... maar zonder te zeggen wat je precies te weten wilt komen. De methodiek: wat kan men verwachten? Het gaat om kwalitatief onderzoek: je bent op zoek naar uiterst persoonlijke gevoelens, ideeën,... Er bestaan dus geen "juiste" of "foute" antwoorden. Geef aan dat er na de sessie geen informatie meer volgt, of wat het verdere verloop is. De spelregels. Elke mening, elk detail is belangrijk. Respect voor elke mening houdt zowel een uitnodiging in als een waarschuwing. Het is voor de interviewer voor cruciaal belang om verschillende visies te horen. De rolverdeling. Zij zijn de experts op het vlak van de materie, wegens hun ervaringen. Zij helpen de onwetende vragensteller. Als je met twee interviewers bent, kun je de sfeer ontdooien door elkaar wat te plagen, als een 'good cop' de 'bad cop' aan te vullen,... Altijd toestemming vragen om het gesprek op te nemen. Nodig omdat kwalitatief onderzoek gaat om uitspraken, meningen, emoties... Handig omdat de interviewer daardoor het gesprek beter kan volgen en meer met de groepsdynamiek kan werken.
Antwerpen: 2003-03-07 (herwerkt 2012) 2 Denk vooraf na over de psychologie van de ruimte. Probeer formele situaties te vermijden. o bv. geen "oppositie" plaatsing aan een vergadertafel Informeel, ontspannen: liever zitzakken dan vergadertafels. Een aangename ruimte is lawaaivrij, goed verlucht, voldoende ruim... Breek het ijs met koffie en een koekje of zorg voor verfrissing als het warm is... 2. Vragen stellen én luisteren Luistervaardigheden Stel uitnodigende vragen, bv. "Hoe zou dat komen?" in plaats van "Waarom?" Prikkel door bv. tegenstellingen op te werpen: o "Iemand vertelde me ooit... wat vinden jullie daarvan?" o "Wie denkt dat ook?" o "Wie is het daar niet mee eens?" Confronteer mensen eventueel met hun uitspraak door die te parafraseren. o Toon daarbij empathie: "dus wat je zegt is..." maar gardez-vous de comprendre... Durf niet te begrijpen. Hang bewust de domme uit en vis naar meer. Vraag vrijblijvend om verduidelijking met uitnodigende vragen bv. "begrijp ik het goed als..." of "bedoelt u dan..." of "hoe kan ik dit samenvatten..." Vrije associatie oefeningen. "Waaraan denk je?" handoplegging "Wat roept dat bij jou op?" bv. de zomer "Hoe stel je je dat voor?" "Wat voor iemand lijkt je die persoon?" "In wie herken je jezelf het meest" bv. bij een foto van een groep mensen. Gebruik je derde oor. Houd de groep goed in de gaten terwijl er iemand aan het spreken is. "U wou nog iets zeggen daarnet?" Non-verbale taal is een krachtig maar suggestief instrument. Draai je lichaam en richt je ook fysiek naar de respondent die aan het woord is. Toon empathie door te knikken, je handen open te houden. Gebruik je handen om iemand het woord te geven of om iemand tegen te houden. Vermijd suggestieve of gesloten vragen. Wees op je hoede voor de manier waarop een vraag je publiek een richting kan uitsturen. Beter "Wat vindt u van de veiligheid of onveiligheid in de wijk?" dan "Is het zo dat de wijk onveilig is?"
Antwerpen: 2003-03-07 (herwerkt 2012) 3 De interviewgids als hulpmiddel. Uiteraard stel je vooraf een lijst op van vragen die je beantwoord wilt zien. o Structureer je interviewgids grondig zodat je per thema weet welke vragen je wilt stellen. Maar handel die niet punctueel of letterlijk af als dat de zaken bemoeilijkt. o Werp een oog op je vragenlijst wanneer je respondenten aan het woord zijn, niet als je zelf aan het woord komt. Probeer een antwoord te vinden op al je vragen maar o durf de volgorde ter plekke om te gooien als de situatie dat vereist o durf je vragenlijst te verlaten om dieper op een onderwerp in te gaan. Vrije associatie oefeningen. "Waaraan denk je?" handoplegging "Wat roept dat bij jou op?" bv. de zomer "Hoe stel je je dat voor?" "Wat voor iemand lijkt je die persoon?" "In wie herken je jezelf het meest" bv. bij een foto van een groep mensen. 3. Groepsdynamiek & soorten respondenten De behaagzieke respondent wil jou een goed gevoel geven maar is soms meer dan welwillend en zoekt zelfs naar niet-verbale signalen om te zien "of het dat is wat je wilt horen". Ga niet krampachtig op hen leunen om het gesprek aan de gang te houden. De boze respondent is kwaad maar daarom niet kwaadwillig o tenslotte is de respondent komen opdagen en dus betrokken. Erger je niet aan de vorm en vermijd persoonlijke confrontaties. Betrek eventueel de groep maar vermijd zinloze discussies die de respondent kunnen isoleren of bozer maken: o "heb jij ook die ervaring?" Probeer hem te betrekken bij de opzet van het onderzoek. Probeer zijn input positief te herformuleren en te kaderen: o "dat is voor mij belangrijk om te horen." o "Wat zouden we hiermee kunnen doen"? Probeer de respondent een spiegel voor te houden en help hem te nuanceren: o parafraseer zijn woorden zodat hij de kracht ervan kan bijstellen: "dus volgens jou zijn werkelijk àlle..." Probeer de respondent alternatieven te laten formuleren, oplossingen voor zijn probleem: o "Dus als er ook mensen waren die zouden..." De verwarde respondent zit in de knoop met zichzelf maar is daarom niet minder gevoelig voor details die je wilt vernemen! Wijkt constant af van het onderwerp of probeert alles op zichzelf te betrekken.
Antwerpen: 2003-03-07 (herwerkt 2012) 4 Moet daarom tegen zichzelf worden beschermd door gesprekscoaching, maar ook tegen de minachting van de groep. Een focusgroep is geen moment van groepstherapie, ook al gebruik je er de technieken van! o Hou daarbij ook rekening met je eigen verlangen om sympathiek te worden gevonden door de groep enerzijds en je ongeduld anderzijds. Blijf bij het eigenlijke doel van het gesprek: o leg opnieuw de context en het doel van het gesprek uit, en o leg uit wat het doel was van je vraag en waarom het persoonlijke antwoord jou niet onmiddellijk kan verder helpen. De dominante respondent Gaat voor je het weet met veel gesprekstijd aan de haal. Ga niet panikeren maar wacht je kans af om de respondent te onderbreken: o "Mag ik je even onderbreken om dezelfde vraag ook aan de anderen te stellen?" o Of zoek aanknopingspunten waarop je kunt inhaken en de bal doorspelen naar de anderen: "dat is een interessant punt, ik zou de meningen van de anderen hierover 's willen horen." Zorg ervoor dat iedereen aan bod komt door keer op keer de hele rij respondenten af te gaan. De stille respondent laat zich intimideren door andere respondenten, of is zo passief dat je hem telkens persoonlijk moet aanspreken. Laat dus duidelijk merken dat je eenieders mening wilt horen, ook de zijne. 4. Kwalitatieve technieken Projectieve technieken. Personificiatie: maak een persoon van het merk / concept / beeld o of creëer desnoods een land of planeet waar... Gebruik een reeks beelden en o kies een beeld dat bij een gevoel past of o laat iemand een foto kiezen van een persoon die gevoelens oproept. Laat de persoonlijkheid van die persoon beschrijven: o is die persoon een voorstander of tegenstander? o Probeer hen zich empathisch te doen inleven in de visie van een persoon waar ze het zelf niet eens mee zijn. De vriend uit het buitenland. Gebruik deze techniek om mensen de woorden te helpen vinden om iets te omschrijven. "Stel dat een vriend uit het buitenland op bezoek komt en hij heeft nog nooit van... gehoord, wat zou je hem vertellen?" Collage. Laat mensen beelden knippen uit tijdschriften en die op een A3 plakken o die passen bij het gevoel, de sfeer, het merk,...
Antwerpen: 2003-03-07 (herwerkt 2012) 5 Laat hen nadien uitleg geven over hun creatie! o Want jouw interpretatie van de beelden is niet gelijk aan de betekenis die zij eraan geven. Tekeningen. Laat mensen een tekening maken van het concept, bv. een wijk. Vraag dat ze hun emotionele beleving tekenen. Laat hen nadien uitleg geven over hun creatie! o Want jouw interpretatie van de beelden is niet gelijk aan de betekenis die zij eraan geven. Deze techniek werkt heel goed bij kinderen. Verhalen schrijven. Toon een beeld of advertentie en vraag : o "Wat gebeurde er voor dit beeld?" o "Wat zal er na de opname van het beeld gebeuren?" Deze techniek werkt heel goed bij kinderen. Fiches. Laat de groep brainstormen. Schrijf de concrete feiten op, met ook enige duiding in adjectieven. Laat de groep discussiëren over verschillende classificatiesystemen. o Vraag hoe ze de fiches willen ordenen o Welke verschillende categorieën en clusters kunnen er bestaan? Laat de groep voor elke categorie een naam verzinnen. o Bv. alles wat te maken heeft met (on)veiligheid. o Bv. alles wat te maken heeft met milieu. o Bv. alls wat te maken heeft met gezondheid. Vervolgens moet de groep een visuele mapping maken: o welke zaken overlappen? o Welke categorieën liggen dichter bij elkaar dan ander? Tot slot laat je de groep een volgorde van belangrijkheid opstellen. 5. Analyse en synthese aan het slot Analyse : ga op zoek naar patronen en structuren in de antwoorden. Oefening : hergroeperen als automerken. Synthese : maak aan het einde een samenvattende oefening-tot-slot door de respondenten een beeld te laten maken van "de ideale situatie". Ze hebben langdurig nagedacht over de materie, hebben verschillende visies aan bod horen komen en zijn nu elk afzonderlijk in staat om een ideaalbeeld te maken. Oefening : de ideale wijk. - laat iedere deelnemer zich gedurende 10 minuten voorbereiden - stel concrete vragen : hoe ziet die wijk er uit op het vlak van voorzieningen, wat is er zeker niet, hoe zijn de mensen,...