104942 SAMENVATTING Werknemer is op staande voet ontslagen wegens diefstal van geld. De werkgever heeft deze conclusie gebaseerd op camerabeelden en op verklaringen van andere werknemers. De aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten zijn voldoende aannemelijk geworden en gezien de ernst van deze feiten is sprake van een dringende reden ten gevolge waarvan van de werkgever redelijkerwijze niet meer verlangd kon worden het dienstverband met de werknemer te laten voortduren. Het ontslag is voorts onverwijld verleend. Beroep ongegrond. in het geding tussen: UITSPRAAK de heer A, wonende te C, appellant, hierna te noemen A gemachtigde: mr. J.L. Aarts en het College van Bestuur van B, gevestigd te C, verweerder, hierna te noemen de werkgever gemachtigde: mr. R.J. Wiebosch 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij beroepschrift met bijlagen van 15 april 2011, ingekomen op 18 april 2011, heeft A beroep ingesteld tegen twee beslissingen van de werkgever d.d. 10 maart 2011 en 18 maart 2011, inhoudende schorsing van A bij wijze van ordemaatregel voor de duur van een maand respectievelijk ontslag met onmiddellijke ingang wegens een dringende reden. Bij verzoekschrift van 15 april 2011 heeft A tevens een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Voorzitter van de Commissie ingediend, strekkende tot doorbetaling van zijn salaris door de werkgever tot het moment waarop de Commissie in de hoofdzaak zal hebben beslist. De mondelinge behandeling van het verzoek voorlopige voorziening vond plaats op 12 mei 2011. Op 1 juni 2011 heeft de Voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen (zaaknummer 104743). De werkgever heeft op 9 mei 2011 in het beroep in de hoofdzaak een verweerschrift met bijlagen ingediend. De mondelinge behandeling van het beroep vond plaats op 30 juni 2011 te Utrecht. A verscheen in persoon en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De werkgever werd vertegenwoordigd door mevrouw D, hoofd Facilitaire Zaken, en de heer E, hoofd HRM, bijgestaan door de gemachtigde. Beide partijen hebben een pleitnotitie overgelegd. 2. DE FEITEN A is sinds 31 augustus 2001 als conciërge werkzaam bij B in een vast dienstverband met een volledige betrekkingsomvang. Op de arbeidsverhouding is van toepassing de CAO. Op 10 maart 2011 heeft de werkgever geconstateerd dat een geldbedrag van 120,- was verdwenen uit een portemonnee die in een kelder van het gebouw van B lag. Deze portemonnee diende voor betaling van aankopen voor de houtwerkplaats. De werkgever heeft A op genoemde datum schriftelijk bericht dat er redenen waren om hem te verdenken van het wegnemen van het geld. In verband 1
hiermee en om nader onderzoek te kunnen uitvoeren is A met onmiddellijke ingang voor de duur van een maand geschorst bij wijze van ordemaatregel. Op 17 maart 2011 heeft de werkgever A geconfronteerd met de uitkomsten van het onderzoek en aan het einde van het gesprek heeft de werkgever hem op staande voet ontslagen. Per brief van 18 maart 2011 heeft de werkgever het ontslag schriftelijk aan A bevestigd. Tegen de schorsing van 10 maart 2011 en het ontslag op staande voet van 17 maart 2011, zoals bevestigd bij brief van 18 maart 2011, is het onderhavige beroep gericht. 3. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN A voert aan dat hij geen geld heeft weggenomen uit de portemonnee. A was op 9 maart 2011 op zoek in de kelder naar een wieltje voor een kar. Tijdens het zoeken trof hij een portemonnee aan. Hij heeft erin gekeken, zag dat hij aan de houtwerkplaats toebehoorde en heeft de portemonnee weer teruggelegd zonder er iets uit te hebben genomen. De werkgever heeft weliswaar gesteld, maar niet aangetoond dat er geld is verdwenen. Als er al geld is gestolen, dan is niet aangetoond dat A daarvoor verantwoordelijk is. De werkgever heeft A op 17 maart 2011 camerabeelden laten zien, maar op deze beelden kan niet worden gezien dat A geld uit de portemonnee heeft genomen. Daarenboven heeft de werkgever slechts een selectie van de beelden laten zien zodat niet te controleren is of er ook anderen op of rond 9 maart 2011 in de kelder zijn geweest die de portemonnee in handen kunnen hebben gehad. A heeft voorts de indruk dat de verklaringen van zijn collega s door de werkgever zijn gestuurd, gezien de overeenkomsten tussen deze verklaringen. Het is A niet duidelijk waarom in het kader van een zo breed mogelijk onderzoek niet ook aan andere personeelsleden om een verklaring is gevraagd. Ook heeft de werkgever andere oorzaken voor de vermissing van het geld onvoldoende uitgesloten. Werkplaatsbeheerder mevrouw F heeft in haar verklaring aangegeven dat zij op dinsdagavond 8 maart 2011 een bedrag van 685,- heeft geteld en vervolgens de portemonnee heeft opgeborgen. Deze verklaring strookt echter niet met de werkplaatsagenda, waarin dit bedrag vermeld staat bij 9 maart 2011. Al met al stelt A dat de werkgever op geen enkele wijze heeft aangetoond dat hij schuldig is aan het wegnemen van geld en dat derhalve de feiten die aan het ontslag ten grondslag liggen niet zijn komen vast te staan. De werkgever voert aan dat hij onderzoek heeft gepleegd naar aanleiding van een melding dat er geld uit de portemonnee van de houtwerkplaats verdwenen zou zijn. Het gaat om 4 biljetten van 10,- en 4 biljetten van 20,-, een totaalbedrag van 120,-. Volgens de procedure wordt het geld in de portemonnee tot op de coupure nauwkeurig nageteld voordat hij in de kelder wordt opgeborgen en wordt die handeling herhaald wanneer de portemonnee weer wordt opgehaald. De werkgever stelt dat conciërges, zoals A, in beginsel in de kelder niets te zoeken hebben. De werkgever heeft alle camerabeelden bekeken van de periode 8 tot en met 10 maart 2011, zijnde de periode waarin het geld verdwenen is. Deze beelden zijn afkomstig van een onzichtbare, in een kast gemonteerde camera die reageert op beweging en licht. Voordien beschikte de kelder over een zichtbare camera. Daarnaast heeft de werkgever enkele collega s van A bevraagd. Het gaat om de dames F en G (beiden werkplaatsbeheerder) en de heren H (werkplaatsbeheerder) en J (hoofdconciërge). Bij de behandeling van de voorlopige voorziening is gebleken dat over de feitelijke toedracht misverstand kon ontstaan, hetgeen vooral was terug te voeren op een feitelijke onjuistheid in de verklaring van de heer H. Daarom zijn de eerder afgelegde verklaringen thans waar nodig gecorrigeerd en/of verduidelijkt. Volgens de werkgever kan er geen andere conclusie worden getrokken dan dat A degene is geweest die het geld uit de portemonnee heeft weggenomen. De camerabeelden wijzen uit dat A als enige in de kelder is geweest in de periode tussen het moment van het opbergen van de 2
portemonnee door mevrouw F op dinsdagavond 8 maart 2011 en het moment van het ophalen van de portemonnee door mevrouw G en de heer H op 10 maart 2011. Overigens heeft de werkgever ook A inzage gegeven in het aanwezige beeldmateriaal. Op de camerabeelden is te zien dat A naar de portemonnee reikt, erin kijkt, er iets uithaalt en een beweging maakt die suggereert dat hij datgene wat hij uit de portemonnee heeft gehaald in zijn eigen achterzak steekt. Indien mevrouw F of mevrouw G het geld zouden hebben weggenomen, zouden zij logischerwijs een lager respectievelijk hoger bedrag hebben genoteerd in de werkplaatsagenda (die tevens als kasboek fungeert) om een eventuele verdenking van zich weg te nemen. De heer H heeft de portemonnee bij het ophalen meteen aan mevrouw G gegeven, zodat hij eenvoudigweg niet de mogelijkheid heeft gehad om nog snel geld uit de portemonnee te halen. Dat mevrouw F de telresultaten van 8 maart bij 9 maart heeft neergeschreven, moet als een vergissing worden beschouwd. De werkgever heeft A mondeling geconfronteerd met de uitkomsten van het onderzoek en heeft geconcludeerd dat het verweer van A ongeloofwaardig is en dat hij het vertrouwen in hem in ernstige mate heeft beschaamd. Het ontslag is voorts onverwijld verleend. Het onderzoek naar de gang van zaken heeft zich over enkele dagen uitgestrekt, omdat bijna alle personeelsleden parttime werken. De bevoegdheid personeel te ontslaan komt slechts de voorzitter van het College van Bestuur toe en deze was niet eerder dan dinsdag 15 maart 2011 op de hoogte van het handelen van A. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid heeft de werkgever A de mogelijkheid geboden zijn visie te geven op de conclusies van het onderzoek. Dit is gebeurd in een gesprek op 17 maart 2011. Aan het einde van dit gesprek is A mondeling ontslag op staande voet aangezegd, aldus de werkgever. 4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE De bevoegdheid en de ontvankelijkheid Aangezien de instelling is aangesloten bij deze Commissie en het beroep is gericht tegen twee van de beslissingen, genoemd in artikel 4.7 lid 1 WHW en binnen de daartoe geldende termijn is ingesteld, is de Commissie bevoegd van het beroep kennis te nemen en is het beroep ontvankelijk. De schorsing als ordemaatregel De werkgever heeft de schorsing gebaseerd op het bepaalde in artikel H-39 CAO-BVE. Op grond van deze bepaling kan de werkgever de werknemer voor ten hoogste vier weken als ordemaatregel schorsen wanneer het belang van de instelling dit naar het oordeel van de werkgever dringend vereist. De schorsing is aanvankelijk voor de duur van een maand opgelegd en de beslissing vermeldt als reden dat de werkgever naar aanleiding van de gerezen verdenking nader onderzoek wilde verrichten. Naar het oordeel van de Commissie was er op grond van de camerabeelden voldoende reden om een onderzoek in te stellen in verband met een verdenking van diefstal door A. Het was in het belang van de instelling dat dit onderzoek rustig kon plaatsvinden zonder dat A op de werkvloer aanwezig zou zijn. Gezien de concrete verdenking die de werkgever had, en gezien de ernst van het gepleegde feit, heeft de werkgever in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat het belang van de instelling ermee gediend was dat A in deze omstandigheden tijdelijk zijn werkzaamheden niet zou uitvoeren. Het beroep tegen de schorsing als ordemaatregel is derhalve ongegrond. Het ontslag De Commissie beoordeelt of de door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten voldoende vaststaan en, indien dit het geval is, of deze, gelet op alle omstandigheden van het geval, een dringende reden vormen die een ontslag op staande voet rechtvaardigen. 3
De werkgever heeft blijkens de bestreden ontslagbeslissing d.d. 17 maart 2011 aan het ontslag ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat A een geldbedrag heeft weggenomen uit een portemonnee die in een kelder van het gebouw van B lag. De werkgever heeft deze conclusie gebaseerd op camerabeelden en op verklaringen van collega s van A. Uit de door de werkgever overgelegde en ter zitting vertoonde camerabeelden is naar het oordeel van de Commissie een wegneemhandeling niet op te maken. Te zien is dat A de portemonnee blindelings, reikend boven zijn hoofd, van een plank in een open kast pakt, de portemonnee inkijkt, en weer teruglegt. Bij het inkijken van de portemonnee houdt A deze voor zijn buik, hetgeen net buiten het bereik van de camera valt. Wat betreft de verklaringen van de collega s van A stelt de Commissie vast dat de verklaringen zoals die door de Voorzitter zijn meegewogen bij het oordeel in de voorlopige voorziening, na de uitspraak van de Voorzitter zijn aangevuld. De Commissie heeft, in tegenstelling tot de Voorzitter in voorlopige voorziening, kennis kunnen nemen van de door mevrouw F ingevulde werkplaatsagenda, tevens fungerend als kasboek, waaruit blijkt dat het geld toen wel aanwezig was. Uit de aangevulde verklaringen blijkt thans dat de heer H en mevrouw G de portemonnee op 10 maart 2011 samen hebben opgehaald uit de kelder, waarbij mevrouw G meteen de inhoud van de portemonnee heeft nageteld en de vermissing van 120,- heeft geconstateerd, waarna de heer H meteen de hoofdconciërge, de heer J, heeft ingelicht. Op grond van deze informatie komt het de Commissie onaannemelijk voor dat de genoemde collega s verantwoordelijk zouden zijn voor de verdwijning van het geldbedrag. Aldus kunnen deze werknemers redelijkerwijze uitgesloten worden van verdenking van de diefstal en concludeert de Commissie dat tussen 8 en 10 maart buiten de hiervoor van verdenking uitgesloten collega s alleen A de bewuste portemonnee in handen heeft gehad. Voorts is niet gebleken dat er tussen de periode van het opmaken van het kasboek op 8 maart 2011 en het constateren van de vermissing op 10 maart 2011 andere personen dan A in de kelder zijn geweest. Overige oorzaken voor de vermissing van het geld, zoals een foutieve telling, acht de Commissie onwaarschijnlijk, vooral vanwege het feit dat zowel mevrouw F als mevrouw G het geldbedrag tot op coupures nauwkeurig hebben genoteerd. Ter zitting heeft de Commissie A gevraagd of hij wist dat de zichtbare camera in de kelder was vervangen door een onzichtbare camera. Ook is A gevraagd of hij ermee bekend was dat het geld uit de portemonnee op gezette tijden werd geteld. A heeft beide vragen ontkennend beantwoord. Het voorgaande brengt de Commissie tot het oordeel dat de werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niemand anders dan A het geld heeft weggenomen. De Commissie is van oordeel dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten voldoende aannemelijk zijn geworden en dat gezien de ernst van deze feiten deze op zichzelf een dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet. Ten aanzien van de vraag of van de werkgever, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren overweegt de Commissie dat zij diefstal van geld van de instelling als zodanig ernstig beschouwt, dat slechts in zeer bijzondere omstandigheden van de werkgever gevergd kan worden het dienstverband te laten voortduren. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn in casu gesteld noch gebleken. Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 lid 1 BW ten gevolge waarvan van de werkgever redelijkerwijze niet meer verlangd kon worden het dienstverband met A te laten voortduren. Gezien de aard en de ernst van de verweten gedragingen komt de Commissie tot het oordeel dat de werkgever A ter zake in redelijkheid op staande voet ontslag heeft kunnen verlenen. Ten slotte beoordeelt de Commissie of het ontslag onverwijld is verleend, hoewel de onverwijldheid door A ter zitting werd erkend. Dienaangaande overweegt de Commissie dat in een geval als het onderhavige, waarbij sprake is van ernstige verdenkingen, zorgvuldig onderzoek zal moeten worden gedaan naar de precieze gang van zaken en dat ontslag pas aan de orde kan zijn als het onderzoek 4
voldoende duidelijkheid heeft gegeven. De snelheid waarmee een dergelijk onderzoek kan worden verricht hangt in de regel af van diverse factoren, zoals in dit geval de beschikbaarheid van collega s voor het afleggen van (getuigen)verklaringen. Gebleken is dat in casu nader onderzoek moest worden gepleegd, bestaande uit het bekijken van camerabeelden en het horen van collega s. De conclusies van dit onderzoek konden pas op 15 maart 2011 aan de voorzitter van het College van Bestuur worden voorgelegd. De werkgever heeft onweersproken gesteld dat de bevoegdheid personeel te ontslaan slechts de voorzitter van het College van Bestuur toekomt en dat deze niet eerder dan dinsdag 15 maart 2011 op de hoogte had kunnen zijn van het handelen van A. Niet gebleken is dat de voorzitter daarvan al eerder op de hoogte had kunnen zijn. Na bekendwording met de conclusies van het onderzoek heeft de voorzitter A op 15 maart 2011 uitgenodigd voor een gesprek op 17 maart 2011. Aan het einde van dit gesprek is A op staande voet ontslagen. Onder deze omstandigheden acht de Commissie het ontslag onverwijld verleend. Alles overziend zal de Commissie het beroep ongegrond verklaren. 5. OORDEEL Op grond van bovenstaande overwegingen verklaart de Commissie het beroep ongegrond. Aldus gedaan te Utrecht op 6 september 2011 door mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter, mr. E.M.W.P. Hermans, mr. K.P. Piena, mr. D.A.M. Schilperoord en mr. drs. B.H. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Beek, secretaris. mr. W.H.B. den Hartog Jager voorzitter mr. J.J. van Beek secretaris 5