Kunstschaatsen Ik kan niet slapen. Ik denk aan zwieren op het ijs, verstrengeld een pirouette maken. Ik tel tot tien op mijn uitademing. En dan opnieuw. Vanwege de pijn ben ik gestopt met hockey. Ik ben duizelig als ik snel opsta. Ik zit nu op meditatieles. De leraar vroeg aan het begin wie er wel eens meditatieoefeningen gedaan hadden. Niemand. Oh, zei hij, jullie zijn amateurs in een professioneel universum. Werk aan de winkel. Zoiets zei de bedrijfsarts ook. Hij zei dat ik me moet profileren. Dat als ik ergens voor sta dat ik dan daar ook voor moet gaan. Nu oefen ik om niet altijd leuk en aardig te zijn. Want alleen leuk en aardig schiet niet op. Dus soms zeg ik nee. Of ik druk mijn zin door. Nou ja, dat lukt nog niet echt. Ik probeer naar anderen te kijken die het goed kunnen. Knap hoor. Op het werk zijn veel mensen. Altijd een voorbeeld. Drie. Vier. Ik zit er dagen mee als iemand iets lelijks zegt. Zoals laatst toen ik te voet tegen een jongen aanbotste. Teringkut, riep ie. Ik was helemaal van slag. Ik ken die jongen niet. Ik deed niets verkeerds. Toch krijg ik er buikpijn van. Ik dacht ik laat een tattoo zetten. Iets opvallends. Een zwarte kat met hoge rug en dikke staart. Ik vertelde het mijn ouders toen ik glaasjes witte wijn op had. Moet je niet doen, wijn, zegt de dokter, met jouw medicijnen. Mijn vader ging tekeer dat je aan een tattoo vast zit terwijl ideeën horen te veranderen want zo is het leven. Alleen domme mensen geloven in eeuwig en altijd. Laten daarom namen van hun lief of partij op hun armen zetten. Ik zei dat het bij het leven hoort dat je ergens honderd procent voor gaat, inclusief tattoo. Ook al blijkt het later een vergissing. Ik denk dat hij jaloers is. Hij vindt twijfel een goede zaak. Hij heeft reserves. Maar je hebt wel een kind gekregen, zei ik. Vond ik een goeie.
Misschien doe ik die kat toch maar niet. Ik hoop dat ik me leer focussen op wat belangrijk is. Dat ik me alle narigheid niet aantrek. Weet je, bah. Tai sabaki. Dat moet je doen, zegt mijn vriend. Hij zit op karate. Tai sabaki is als je opzij stapt om een aanval te ontwijken en zo de tegenstander uit balans brengt. Ik moet nog veel leren. Soms denk ik wel eens als ik naar oude mensen kijk van een jaar of vijftig ofzo, zijn die nou wijzer geworden? Die hebben nog steeds hun hoofdbrekens en onhebbelijkheden. Waar is al dat leren dan goed voor? Daar moet je niet over nadenken, zegt mijn vriend. Hij is de laatste tijd laat thuis. Moet doorwerken. Altijd file. Als hij thuis is, douchet hij en wil hij Top Gear kijken. Ik moet me waarmaken, zegt hij. Ik ga maar naast hem zitten. Zit naar hem te staren. Zijn bakkebaarden worden lang. Hij is helemaal vertrokken bij een autotest. Een man zegt: de keus van een auto zegt veel over je persoonlijkheid, maar de wijze waarop je m bestuurt geeft de mogelijkheid je artistiek te uiten. Van al die flitsen krijg ik koppijn. In mijn horoscoop staat dat ik onder invloed van Saturnus het verst kom met een rationele en diplomatieke instelling. Dus ik laat het maar zo. Een. Hij vindt mij zwaar op de hand, mijn vriend. Niet meer zo vrolijk. Hij is een lieve schat, hoor. We wonen nu een half jaar samen. Jongens van zijn leeftijd noemen hun vriendin chickie. Hij niet. Mijn vader zit in het onderwijs en die roept dat die jongens dat roepen omdat ze duidelijk willen maken dat ze haantjes zijn. Hij kijkt dan met een triomfantelijke blik. Ja pap, dat weten we nu wel. Irritant soms hoe die oudere mensen zich herhalen. The young ones glow and the old ones know, zegt mijn vader. Hij geeft engels. Drie. Vier. Vijf. Ik was dit weekend bij pappa en zijn vrouw. De buren hadden een barbecue. De rook kwam over de heg. Pappa ging zogenaamd hoesten. Ssst pap, fluisterde ik. Hij maakte zo een gebaar als voetballers altijd maken als ze iemand gevloerd
hebben maar dan doen alsof ze van niks weten. Ik hoorde door de heg de buurman met een andere man praten. De andere man zei: ik droom vannacht vast van mijn diëtiste. De buurman lachte. Toen zei de andere man: ik heb met mijn dokter afgesproken dat ik tussen de 102 en de 105 kilo blijf, maar om te ontspannen moet ik roken en als ik rook krijg ik trek in een borrel en bij een borrel hoort iets te smullen. Je zal maar verpleegkundige zijn en die kilo s moeten wassen. Soms raakt hij me aan. Mijn vriend. Ik kan er niet goed tegen als zijn ademhaling dicht bij mijn oor is. Alsof het stormt. Het voelt als stikken als hij zijn hand in mijn nek legt. Foute plek, sorry, zeg ik. Er zijn geen goeie plekken, geloof ik, zegt hij. Hij draait zijn rug naar me toe. Lampje uit. Een. Twee. Drie. Hij is nog niet thuis. Ik luister of ik een autodeur hoor. De sleutel in de voordeur. Ik hoef niet op de klok te kijken. Het is allang elf uur geweest. Elke avond zelfde tijd loopt een man onder het slaapkamerraam langs. Hij laat zijn hond uit en luistert radio. Ik hoor het gerinkel van de riem, het gehijg van de hond en het onverstaanbare geklets van een nieuwsprogramma. Ik probeer me op mijn ademhaling te concentreren. Tot tien tellen is moeilijk. Kunstschaatsers, die zijn knap. Die vallen op het ijs bij een driedubbele flipflop en zijn dan in een vloeiende beweging weer rechtop om in de volgende bocht een volmaakte wijdbeense hup te maken. Als ik beter ben ga ik op les.
Gebruiksvoorwaarden Het werk van schrijvers en dichters op Nederland Schrijft mag gratis worden gelezen en/of gedownload voor eigen gebruik. Iedere verspreiding, openbaarmaking, verveelvoudiging of bewerking is niet toegestaan.