1 HOOFDSTUK 17: DE GELDARKT 1. GELDSOORTEN 1.1. De geldhoeveelheid in enge zin (1) 1 = CP + D met CP = Chartaal geld, in handen van het Publiek D = giraal geld, in handen van het publiek Chartaal geld = munten, uitgegeven door de Schatkist + bankbiljetten, uitgegeven door de NBB Giraal geld = zichtdeposito s = onmiddellijk opvraagbare tegoeden op zichtrekeningen bij de banken en de Postchequedienst 1.2. De geldhoeveelheid in ruime zin (3) 3 = 1 + quasi-geld, in handen van het publiek met quasi-geld = geheel van de deposito s op spaar- en termijnrekeningen met een aanvankelijke looptijd van maximaal één jaar, in Belgische of in buitenlandse valuta, aangehouden bij Belgische financiële instellingen. 1.3. Opmerking In de rest van dit hoofdstuk gebruiken we de notatie, met = 1.
2 1.4. Het ontstaan van giraal geld: kredietverlening Stel: handelaar brengt 1.000 euro aan bankbiljetten naar bank A (er zijn geen muntstukken) niemand houdt chartaal geld aan kasreservecoëfficiënt r = 10 % FASE 1: Bank A Bankbriefjes (BB) 1.000 D 1.000 FASE 2: Bank A 10% Bank B BB 100 D 1.000 BB 900 D 900 SV 900 schuldvordering FASE 3: Bank A onveranderd Bank B 10% Bank C BB 90 D 900 BB 810 D 810 SV 810 Totale hoeveelheid (giraal) geld: 1.000 + 900 + 810 + = 1.000 + (0,9) 1.000 + (0,9) 2 1.000 + = 1.000(1 + 0,9 + (0,9) 2 + ) = 1.000/(1 0,9) = 10.000 Bijkomende geldcreatie = 10.000 1.000 = 9.000 = 1.000 1/r = B GB Balans van alle banken samen genomen: Bank A, B, C, D, BB 1.000 D 10.000 SV 9.000
3 2. HET AANBOD VAN GELD 2.1. De geldbasismultiplicator Geldbasis = basisgeld (B) = basis voor de geldcreatie door het banksysteem B = CP + R met R = reserves van de banken = bankbriefjes bij de banken + munten bij de banken + deposito s van de banken bij de ECB. Geldbasismultiplicator (GB) : geeft de verhouding tussen en B weer. GB = B = CP CP + + D R = D B D = CP + 1 D CP + r D met r = R/D = kasreservecoëfficiënt van de banken 2.2. De rol van het publiek bij de geldcreatie: via CP/D Stel (CP/D), B = constant, r = constant Intuïtie: (CP/D) mensen deponeren meer geld bij de banken geldcreatie door de banken Opmerking: Als CP/D = 0 (de mensen houden geen chartaal geld bij) dan GB = 1/r (zoals in het voorbeeld 1.4 op slide 2)
4 2.3. De rol van de banken bij de geldcreatie: via r Stel r, B = constant, (CP/D) = constant Intuïtie: r geldcreatie door de banken Wiskundig: r GB ; gegeven B = constant en (CP/D) = constant r = f ( i, verplichte minimale kasreservecoëfficiënt) zie 2.5.2. d) als i door het aanhouden van intrestloze reserves gaan er meer potentiële inkomsten verloren r (tenzij r door wettelijke bepalingen niet verder mag dalen (zie 2.5. d)) O : in de rest van dit hoofdstuk wordt met dit verband geen rekening meer gehouden.
5 2.4. Voorbeeld bij 2.2. en 2.3. Particulieren willen 1/3 van hun geld aanhouden als CP 2/3 van hun geld aanhouden als D CP/D = ½ r = 10 % We laten de muntstukken buiten beschouwing evenals de deposito s van de banken bij de ECB. Er is 1000 euro (bankbriefjes) in handen van 1 persoon dus, deze persoon houdt 333 euro (= 1/3) in kas; 667 euro (= 2/3) wordt gedeponeerd bij bank A. FASE 1: Bank A Bankbriefjes (BB) 667 D 667 FASE 2: Bank A 10% Bank B BB 67 D 667 BB 400 D 400 SV 600 2/3 10% FASE 3: Bank A onveranderd Bank B Bank C BB 40 D 400 BB 240 D 240 SV 360 2/3
6 berekening van de geldbasismultiplicator: GB = 1 + CP / D R / D + CP / D = 1+ 0,5 0,1 + 0,5 = 2,5 berekening van de bijkomende geldcreatie: bijkomende geldcreatie = B = 2500-1000 = 1.500
7 2.5. De rol van de Europese Centrale Bank (ECB) bij de geldcreatie 2.5.1. De balans van de ECB Balans van de ECB Activa Passiva Goud en buitenlandse deviezen (A.1.) Vorderingen op de overheid (A.2.) Vorderingen op de private sector (A.3.) Bankbiljetten bij het publiek (P.1) Bankbiljetten bij de banken (P.2.) Deposito s van de banken (P.3.) B = P.1. + P.2. + P.3. + munten bij de banken + munten bij het publiek 1) Directe invloed op door het uitgeven van bankbiljetten die, zodra ze in handen van het publiek komen, deel uitmaken van ( = CP + D). 2) Indirecte invloed door het uitgeven van bankbiljetten (P.1. en P.2.) en door het openen van deposito s voor de privé-banken (P.3.), die als basis dienen voor de girale geldexpansie.
8 2.5.2. Hoe brengt de ECB geld in/uit omloop? = GB B a) Voorschotten ECB Geld, 2 weken Overheidspapier of handelspapier financiële instellingen A.2. of A.3. ; P.2. of P.3. en dus R B ; bij gegeven GB (CP/D constant en r constant) Intuïtiever: R kredietverlening banken b) Open-marktverrichtingen ECB (ver)koopt overheidspapier of vreemde valuta op de markt bv. ECB Geld (BEF) Vreemde valuta financiële instellingen A.1. ; P.2. of P.3. en dus R B ; bij gegeven GB (CP/D constant en r constant) Intuïtiever: R kredietverlening banken
9 c) Intrestvoet op voorschotten Als de intrestvoet op de voorschotten de voorschotten (en dus R ) B ; bij gegeven GB (CP/D constant en r constant) (zie a) Intuïtiever: de voorschotten R kredietverlening banken d) Verplichte minimale kasreservecoëfficiënt voor de banken (vmr) Stel: vmr en de nieuwe vmr > r r ; bij gegeven CP/D zal GB en B = constant (zie 2.3.) Intuïtiever: r kredietverlening banken Stel: vmr en de nieuwe vmr < r én veronderstel dat de banken de nieuwe vmr effectief gaan aanhouden r ; bij gegeven CP/D zal GB en B = constant (zie 2.3.) Intuïtiever: r kredietverlening banken
10 3. DE VRAAG NAAR GELD 3.1. otieven voor het aanhouden van geld 1. Transactievraag naar geld wordt bepaald door: volume van de transacties de nominale waarde (ofwel geldwaarde) van de transacties institutionele factoren (o.a. frequentie waarmee loon- en weddetrekkenden worden betaald en efficiëntie van het banksysteem) 2. Vermogensvraag naar geld (= vraag naar geld als onderdeel van het vermogen) wordt bepaald door: algemeen prijspeil (koopkrachtbehoud) algemeen prijspeil met bv. 10 % vermogensvraag met 10% intrestvoet als intrestvoet op obligaties vraag obligaties vermogensvraag verwachte inflatie als inflatie verwacht verwacht dat koopkracht geld vermogensvraag (Globale) geldvraag = transactievraag + vermogensvraag 3.2. Analytische weergave van de geldvraag Uitgangspunt: ruilvergelijking van Fisher: V = PQ geldstroom BNP in lopende prijzen Q P V = geldhoeveelheid in omloop = reële BNP = index van het algemeen prijspeil = omloopsnelheid van het geld
11 Interpreteer Fishervergelijking als geldvraagfunctie: Nominale geldvraag: = 1 V PQ = κ ()PQ i vermogensvraag transactievraag vermogensvraag transactievraag Omloopsnelheid V en dus ook κ afhankelijk van: a) intrestvoet i als i vermogensvraag naar geld publiek houdt meer geld in kas (op zichtrekeningen) geld wordt minder snel uitgegeven V en dus κ b) verwachte inflatie Veronderstel nominale geldvraagfunctie van de volgende vorm: met L 0 : m : k : = P ( L 0 + kq mi) weerspiegelt het effect van een toename (afname) van de verwachte inflatie (als verwachte inflatie L 0 en dus ) intrestgevoeligheid van de geldvraag gevoeligheid geldvraag voor wijzigingen in Q Reële geldvraag: P = L 0 + kq mi geldvraag gemeten in constante prijzen
12 3.3. Grafische weergave van de geldvraag = P ( L 0 + kq mi) i kq L + m m = 0 V Pm v weergegeven als functie van i; Q, P en L 0 zijn constant: i kq + L 0 m P(L 0 + kq) Helling = i = - 1 Pm
13 Verschuivingen van de geldvraag 1) Q en/of L 0 geldvraagcurve verschuift evenwijdig naar rechts i 2) P geldvraagcurve wentelt naar buiten toe i
14 4. EVENWICHT OP DE GELDARKT Hier veronderstellen we: het geldaanbod ( A ) is volledig controleerbaar door de ECB A is onafhankelijk van de interestvoet i A i* E * Evenwicht: A = = P(L 0 + kq mi) Veronderstel vervolgens dat het geldaanbod toeneemt en beschouw korte termijn: P en Q constant. Veronderstel verder L 0, k en m constant A : vermogensvraag naar geld via i i A A i* E i* E * *