Uitwerkingen Hoofdstuk 2 Licht



Vergelijkbare documenten
Uitwerkingen. Hoofdstuk 2 Licht. Verkennen

Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Lenzen. J. Kuiper. Transfer Database

Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 3 Licht en Lenzen

hoofdstuk 5 Lenzen (inleiding).

hoofdstuk 5 Lenzen (inleiding).

Opgave 3 De hoofdas is de lijn door het midden van de lens en loodrecht op de lens.

Samenvatting Hoofdstuk 5. Licht 3VMBO

3HV H2 breking.notebook October 28, 2015 H2 Licht

Samenvatting Natuurkunde H3 optica

3HAVO Totaaloverzicht Licht

Het tekenen van lichtstralen door lenzen (constructies)

3hv h2 kortst.notebook January 08, H2 Licht

Suggesties voor demo s lenzen

Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 2 Licht. Wat moet je leren/ kunnen voor het PW H2 Licht?

7.1 Beeldvorming en beeldconstructie

Spiegel. Herhaling klas 2: Spiegeling. Spiegel wet: i=t Spiegelen met spiegelbeelden. NOVA 3HV - H2 (Licht) November 15, NOVA 3HV - H2 (Licht)

Exact periode 3.2. Recht evenredig Omgekeerd evenredig Lambert Beer Lenzen en toepassingen

Repetitie Lenzen 3 Havo Naam: Klas: Leerstof: 1 t/m 7

Lenzen. Leerplandoel. Introductie. Voorwerps brandpunts - en beeldafstand

jaar: 1994 nummer: 12

Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 5 en 6

1 Lichtbreking. Hoofdstuk 2. Licht. Leerstof. Toepassing. 3 a Zie figuur 2. b Zie figuur 2. c Zie figuur t a bij B b bij A

6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld

1 Bolle en holle lenzen

Newton 4vwo Natuurkunde Hoofdstuk 3 Lichtbeelden

3 Licht en lenzen. 1 Lichtbreking. Nova. Leerstof. Toepassing

Lenzen. Leerplandoel. Introductie. Voorwerps brandpunts - en beeldafstand

Overal Natuurkunde 3V Uitwerkingen Hoofdstuk 6 Licht

2. Bekijk de voorbeelden bij Ziet u wat er staat? Welke conclusie kun je hier uit trekken?

6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht

5.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht

Licht; Elektromagnetische straling een golf Licht; een deeltje (foto-elektrisch effect). Licht; als een lichtstraal Licht beweegt met de

Opgave 1: Constructies (6p) In figuur 1 op de bijlage staat een voorwerp (doorgetrokken pijl) links van de lens.

Proef Natuurkunde Positieve lens

Handleiding Optiekset met bank

3.0 Licht Camera 3.2 Lens 3.3 Drie stralen 3.4 Drie formules 3.5 Oog

v (in cm)

Theorie beeldvorming - gevorderd

Oefen-vt vwo4 B h6/7 licht 2007/2008. Opgaven en uitwerkingen vind je op

Stevin vwo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 5 Spiegels en lenzen ( ) Pagina 1 van 23

Proefbeschrijving optiekset met bank

Lenzenformules: X X X V B F G = BB = G. VV

Lenzenformules: X F = 20,0. = 20,0 cm

Extra oefenopgaven licht (1) uitwerkingen

Deze toets bestaat uit 4 opgaven (33 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes! ZET JE NAAM OP DEZE

Aan de slag met de nieuwe leerplannen fysica 2 de graad ASO GO!

Deze toets bestaat uit 4 opgaven (31 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes! ZET JE NAAM OP DEZE

1 Lichtbreking. Hoofdstuk 2. Licht

Tussen een lichtbron en een scherm staat een voorwerp. Daardoor ontstaat een schaduw van het voorwerp op het scherm. lichtbron

Een lichtbundel kan evenwijdig, divergent (uit elkaar) of convergent (naar elkaar) zijn.

Basic Creative Engineering Skills

Hoofdstuk 4: Licht. Natuurkunde Havo 2011/2012.

2 hoofdstuk O. Noordhoff Uitgevers bv

6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld

T1 Wat is licht? FIG. 3 Zo teken je een lichtstraal. De pijl geeft de richting van het licht aan.

Lesmateriaal bovenbouw

jaar: 1990 nummer: 08

2 Terugkaatsing en breking

Een refractor bestaat hoofdzakelijk uit twee lenzen, beide (bolvormige) positieve lenzen.

Hoofdstuk 3: Licht. Natuurkunde VWO 2011/

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Licht als golf en als deeltje. 24 juli dr. Brenda Casteleyn

1 Lichtbreking. BASISSTOF Hoofdstuk 2 Licht. afbeelding 1 Dit effect ontstaat door lichtbreking. normaal

R.T. Nadruk verboden 57

Hoe werkt een TELESCOOP?

De telescoop een seecker instrument om verre te sien

a) Bepaal door middel van een constructie de plaats van het beeld van de scherf en bepaal daaruit hoe groot Arno de scherf door de loep ziet.

Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4

Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 7 en 8

Practicum: De bolle lens

Optica Optica onderzoeken met de TI-nspire

Oog. Netvlies: Ooglens: Voor de stralengang in het oog van lichtstralen zijn de volgende drie onderdelen belangrijk.

6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld

Krachten Hoofdstuk 1. Bewegingsverandering/snelheidsverandering (bijv. verandering van bewegingsrichting)

1 Lichtbreking. afbeelding schematische tekening van Lichtbreking door een perspex blokje

Tekstboek. VMBO-T Leerjaar 1 en 2

Thema 3 Verrekijkers. astronomische kijker

Handleiding bij geometrische optiekset

Examentraining (KeCo) SET-B HAVO5-Na

TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN

Samenvatting door een scholier 1922 woorden 10 februari keer beoordeeld. Natuurkunde

N A T U U R W E T E N S C H A P P E N V O O R H A N D E L 1 Copyright

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Licht als golf en als deeltje. 4 november Brenda Casteleyn, PhD

Reflectie. Om sommen met reflectie op te lossen zijn er twee mogelijkheden: 1. Met de terugkaatsingswet: hoek van inval = hoek van terugkaatsing

UITWERKINGEN OEFENVRAAGSTUKKEN 5 HAVO. natuurkunde

FACULTEIT TECHNISCHE NATUURWETENSCHAPPEN. Opleiding Technische Natuurkunde TENTAMEN

Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Reflectie en breking. J. Kuiper. Transfer Database

UITWERKINGEN Examentraining (KeCo) SET-B HAVO5-Na

Practicum: Brandpuntsafstand van een bolle lens

Speurtocht Wandelen met Licht. Naam leerling:...

Examen Fysica: Inleiding: Wat is fysica?

Om sommen met reflectie op te lossen zijn er twee mogelijkheden: 1. Met de terugkaatsingswet: hoek van inval = hoek van terugkaatsing

deel B Vergroten en oppervlakte

OPGAVEN VOOR DE EERSTE RONDE VAN DE NEDERLANDSE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2008

Basic Creative Engineering Skills

Telescopen. N.G. Schultheiss

Lenzen. N.G. Schultheiss

Oogheelkunde. Patiënteninformatie. Brilsterkte bij kinderen. Slingeland Ziekenhuis

Labo Fysica. Michael De Nil

4.1.1 Lichtbronnen Benoem de onderstaande lichtbronnen. Opgelet, één van de figuren stelt geen lichtbron voor, welke?

Transcriptie:

Uitwerkingen Hoofdstuk 2 Licht Verkennen I a. Teken het gebouw met de zon in de tekening. De stand van de zon bepaalt waar de schaduw terecht komt. b. Een platte tekening. Jij staat voor de spiegel, de spiegel is een lijntje. Jouw spiegelbeeld staat even ver achter de spiegel als dat jij ervoor staat. II a. Voorbeelden: beamer, projector in de bioscoop. b. Eigen waarnemingen van de leerling. III A 1

2.1 Ontdekken Onderzoek! 1 Er ontstaat een felle lichtvlek en uiteindelijk gaat het papier branden. Activiteit 1 Eigen resultaten van de leerlingen. 2 De grotere. 3 De grotere. 4 Eigen resultaat van de leerlingen. (Hangt af van de druppelgrootte). 5 Eigen resultaat van de leerlingen. 6 1. De stand van de zon. 2. De stand van het blad. Eindproduct Eigen reactie van de leerlingen. Eigen tekeningen van de leerlingen. 2

2.1 Begrijpen Activiteit 2 De dikste lens heeft de kleinste brandpuntsafstand. Activiteit 3 Als de afstand van de lamp tot de lens groter is dan de brandpuntsafstand. Een convergerende bundel. Dan wordt de bundel steeds meer divergent. Activiteit 4 De lichtstralen die de lens uitkomen gaan divergent. De tekening moet lijken op figuur 14. 1 a. niet waar; buigt lichtstralen van elkaar af. b. waar c. waar d. niet waar; kleinere. e. niet waar; een divergente bundel. f. waar g. niet waar; in het beeldpunt. h. niet waar; het kunnen ook holle lenzen zijn. 2 3 a. Evenwijdige lichtbundel b. Het brandpunt van de lens is het punt waar de lichtstralen bij elkaar komen. c. 2, aan elke kant van de lens één. d. Ja 4 evenwijdige lichtbundel 5 a. De lens buigt de lichtstralen naar binnen zodat de lichtstralen elkaar na de lens snijden. b. De lichtbron staat dan in het brandpunt. c. De lichtstralen komen dan samen in het brandpunt. d. zie afbeelding 3

6 a. De lichtstralen worden naar elkaar toe afgebogen. b. De middelste lens is de sterkste lens want deze heeft de sterkste afbuiging. c. Van de eerste lens, want daarop valt een evenwijdige lichtbundel. De lichtstralen komen in het brandpunt samen. 7 a. De lichtstralen worden uit elkaar gebogen. b. De derde; deze heeft de sterkste afbuiging. c. De lichtstralen snijden elkaar niet meer achter de lens. Er is geen beeldpunt. 8 a. De bolle lenzen zijn in het midden dikker dan aan de rand. Dan zijn de lenzen B, C, D en F. b. Holle lenzen zijn aan de rand dikker dan in het midden. Dat zijn de lenzen A, en E. c. B en C. 4

1.1 Beheersen Activiteit 5 De bundel wordt steeds breder. Er komt een evenwijdige bundel uit de lens. 9 a. niet waar; Als de brandpuntsafstand twee maal zo groot wordt, wordt de sterkte juist twee maal zo klein. b. niet waar; meter hoort bij lengte en dioptrie bij lenssterkte c. waar d. waar 10 a. De brandpuntsafstand (in meter) staat onder de deelstreep. b. Bij een twee keer zo kleine f hoort een twee keer zo grote S. Dit komt omdat de f in de formule onder de deelstreep staat. c. S = f = = 0,5 m d. S = =, = 8 dpt 11 S = =, = 357 dpt 12 a. S = f =, = 0,67 m b. S = 3 dpt heeft een twee zo kleine brandpuntsafstand omdat S twee maal zo groot wordt. Je deelt dan door een twee maal zo groot getal. 13 a. Het lampje staat tussen de lens en f. b. Nee; de lichtstralen gaan uit elkaar. c. Omdat de lamp dichterbij de lens komt, wordt de bundel nog breder. d. Om een evenwijdige bundel te krijgen moet het lampje in het brandpunt staan. 5

2.1 Verdiepen 14 a. De lens is positief want de lichtstralen worden naar elkaar toe gebogen. b. Een fresnellens is veel dunner dan een gewone lens. Hij is dan veel lichter. c. Een leesloep voor slechtzienden. 15 a. De lichtbundel die uit de lens komt is niet evenwijdig maar divergent. b. De lichtbundel na de lens is divergent. Er ontstaat geen beeld. 6

2.2 Ontdekken Onderzoek! 1 In figuur 24 is de molen SCHERP en het bloemenveld WAZIG. 2 Op de voorgrond en de achtergrond. Activiteit 6 Eigen resultaten van de leerlingen. 3 De afstand van de lens tot de beeldchip in de camera aanpassen. Activiteit 7 Eigen metingen van de leerlingen. 4 Ja. Activiteit 8 Eigen meetresultaten van de leerlingen. 5 Een camera kan iets dat VER WEG is altijd scherp in beeld krijgen, maar iets heel DICHTBIJ is lukt dat niet. Eindproduct Eigen resultaten van de leerlingen. 7

2.2 Begrijpen Activiteit 9 Het beeld komt verder van de lens te staan. Bij de lens met f = 5 cm. Bij de lens met f = 5 cm. 16 a. niet waar; die lichtstraal gaat achter de lens door het brandpunt. b. niet waar; die lichtstraal gaat achter de lens in dezelfde richting verder. c. waar d. niet waar; de beelden zijn omgekeerd. e. waar 17 a. 18 a. De bovenste lichtstraal gaat achter de lens door het brandpunt. b. De onderste lichtstraal gaat achter de lens in dezelfde richting verder. c. Eén lichtstraal door het midden van de lens en één lichtstraal loodrecht op de lens. Achter de lens snijden deze twee lichtstralen elkaar. Dat punt is het beeldpunt van de groene lamp. d. Het beeld is verkleind en omgekeerd. e. De lichtstralen snijden elkaar dan niet meer op het scherm. Er ontstaan dan lichtvlekken. 19 a. Het netvlies b. Dan gaan de hersenen het beeld weer omdraaien. Op een gegeven moment valt het niet meer op. De narigheid begint opnieuw als je de bril daarna af zet. 20 meer grotere verder achteren groter 8

2.2 Beheersen Activiteit 10 Activiteit 11 wazig verder van de lens vandaan wazig Beide lampen staan op verschillende afstanden van de lens. Hoe kleiner de lensopening, hoe scherper het beeld. Het beeld wordt dan scherper. Er komt minder licht op de film. 21 a. niet waar; je hebt meerdere lichtstralen nodig want je moet een snijpunt bepalen. b. waar c. niet waar; soms ook een minder divergente of evenwijdige lichtbundel. Dit is afhankelijk van de plaats van het voorwerp ten opzichte van de lens. d. waar e. niet waar; het beeld blijft met een kleinere lens even groot maar is wel lichtzwakker. f. waar 22 b. Deze lichtstraal wordt niet afgebogen. c. d. De lens bevindt zich op de plaats waar de twee getekende lichtstralen elkaar snijden. e. Zie afbeelding hierboven. 9

23 a. Deze lichtstraal valt loodrecht op de lens en is dus ook een bijzondere lichtstraal. b. c. zie afbeelding hierboven. 24 a,b en c 25 a. In punt B. b. De lichtstralen 2 en 4. c. Punt A is het brandpunt. Lichtstraal 2 valt loodrecht op de lens en gaat achter de lens door dit punt. 26 a. b. Zie afbeelding hierboven. c. Het grootte van het beeld is even groot als de grootte van het voorwerp. De vergroting is 1 maal. 10

27 a. b. Zie afbeelding hierboven c. Beide beeldpunten bevinden zich op verschillende afstanden achter de lens. 28 a. Jelle tekent de lichtstraal die door het midden gaat niet vanaf het zelfde punt als de loodrechte lijn. b. Tieske tekent de lijn die door het midden gaat achter de lens niet in dezelfde richting door. c. Zie afbeelding bij vraag 26a. 29 a. Deze lichtstraal is geen bijzondere lichtstraal want hij valt niet loodrecht op de lens en gaat ook niet door het midden van de lens. b. c. zie afbeelding hierboven 30 a. Het scherm is meer naar de lens toe verplaatst want de lichtstralen worden met een lens met een kleinere brandpuntsafstand sterker gebroken. b. Het beeld is kleiner geworden. 31 a. Het beeld is nog steeds scherp want het ontstaat op dezelfde plaats. b. Het beeld is nu minder lichtsterk want de kleinere lens laat minder licht door. c. Het beeld blijft op dezelfde plaats en is nog steeds compleet. Het is alleen lichtzwakker. 11

2.2 Verdiepen 32 a. b. Een zwarte pan absorbeert meer zonne-energie dan een witte pan. c. De zon draait in de loop van de dag van oost naast west en dus moet de spiegel meedraaien zodat de lichtstralen van de zon altijd loodrecht op de spiegel blijven vallen. 33 a. De afstand van de telescoop tot de ster is (bijna) oneindig groot en daarom mag je aannemen dat de lichtbundel dan evenwijdig is. b. Het beeld wordt gevormd in het brandpunt van het objectief. c. Het objectief moet zo groot mogelijk zijn om zoveel mogelijk licht van de ster op te vangen. 34 Het oculair moet aan de zijkant zitten het beeld met een spiegeltje opzij wordt gevormd. Als je dat niet doet, zit je met je hoofd in de binnenvallende lichtstralen en zie je niets. 12

2.3 Ontdekken Onderzoek! 1 Een fotofilmpje is een NEGATIEF, je ziet alles in omgekeerde kleuren. Een dia geeft het voorwerp weer zoals het in het echt ook is. Activiteit 12 Eigen bouwsel van de leerlingen. 2 Eigen metingen van de leerlingen. Activiteit 13 Eigen meetresultaten van de leerling. 3 Eigen ontwerp van de leerling. 4 Eigen metingen van de leerling. 5 Het beeld wordt minder scherp. Eindproduct Eigen bouwsel van de leerlingen. 13

2.3 Begrijpen Activiteit 14 Het beeld verschuift naar achteren. Het beeld wordt dan groter. Eigen metingen van de leerlingen. Het beeld wordt dan virtueel, zoals bij een vergrootglas. Aan de kant van het scherm is dan geen beeld mee te zien. 35 a. niet waar; een sterkere lens buigt de stralen sterker naar elkaar toe zodat er juist een kleiner beeld ontstaat. b. niet waar; wordt kleiner. c. waar d. niet waar. De grootte neemt toe met 100%; het beeld wordt twee maal zo groot. e. niet waar. Het beeld is vier maal zo groot. De vergrotingsfactor is dan 4. f. Niet waar. De lichtsterkte wordt juist minder omdat eenzelfde hoeveelheid licht nu een groter beeld moet maken. 36 a. Het beeld van een beamer of van een diaprojector b. Het beeld in een foto- of videocamera 37 a. De hoogte van de tweede foto te delen door de hoogte van het origineel. b. 130 % c. 33 % 38 a. Bij B, C en E. b. Bij A. c. Bij E. d. C en D. 39 a. Het beeld van de gloeilamp want die staat het dichtst bij de lens. c. ja d. Het beeld van de kaars is verkleind; het beeld van de gloeilamp is vergroot. 40 Fototoestel : verkleind Overheadprojector : vergroot Brandglas : verkleind Diaprojector : vergroot Projector digibord : vergroot 41 a. verder weg b. beide. De voorwerpsafstand wordt groter; de beeldafstand wordt kleiner. c. kleiner 14

d. naar de beeldchip toe 42 A, want door de sterkere lens worden de lichtstralen sterker gebroken. 43 a. b. De lens bevindt zich op het snijpunt van de twee lichtstralen. c. zie afbeelding hierboven d. midden tussen het voorwerp en het beeld 44 a. met een factor 1,25. b. met een factor 1,41 c. met een factor 0,71 45 Lynn heeft gelijk. Een telelens is een lens die sterk vergroot. De brandpuntsafstand is bij deze lens groot. Een telelens is dus een zwakke lens. 15

2.3 Beheersen Activiteit 15 De beeldgrootte delen door de voorwerpsgrootte. Ja. Ja. Voorwerpsafstand verkleinen. Activiteit 16 Ja. 46 a. waar b. niet waar; de grootte van het beeld gedeeld door de grootte van het voorwerp c. waar d. waar e. waar 47 Breedte beeld = N x breedte voorwerp 700 cm = N x 3,5 N =, = 200 48 a. Breedte beeld = N x breedte voorwerp Breedte beeld = 30 x 36 mm = 1 080 mm (108 cm) b. Hoogte beeld = N x hoogte voorwerp 60 cm = 30 x hoogte voorwerp hoogte voorwerp = = 2,0 cm c. De beeldafstand is groter want de vergroting is groter dan 1. d. Beeldafstand = N x voorwerpsafstand 15 m = 30 x voorwerpsafstand voorwerpsafstand = = 0,50 m 49 a. breedte beeld = N x breedte voorwerp 3,0 cm = 2,5 x breedte voorwerp, breedte voorwerp = = 1,2 cm, b. beeldafstand = N x voorwerpsafstand 3,0 cm = 2,5 x voorwerpsafstand voorwerpsafstand = = 12 cm, 50 a. breedte beeld = N x breedte voorwerp b. 16 cm = N x 80 cm N = = 0,20 maal c. Het beeld is ook scherp net als bij de eerste lens dus moet de lens de dezelfde sterkte hebben. 16

51 a. Impact Natuurkunde 3 havo b. De tweede lens is groter. c. De opening van de tweede lens is groter dan de opening van de eerste lens. d. De derde lens is minder sterk. Een minder sterke lens breekt de lichtstralen minder waardoor er een kleiner beeld op het scherp ontstaat. e. Het beeld is helderder geworden want het is kleiner. b. zie afbeelding bij a. c. Het beeld is ongeveer 2,5 x zo groot als voorwerp. d. Je kunt de vergrotingsfactor berekenen door b te delen door v in N =. e. De beeldafstand is 2,5 x zo groot als voorwerpsafstand. 52 a. beeldgrootte = N x voorwerpsgrootte 1,2 cm = N x 165 cm N =, = 0,0073 beeldafstand = N x voorwerpsafstand 2,0 cm = 0,0073 x voorwerpsafstand, voorwerpsafstand = = 274 cm = 2,7 m, b. Kleiner. De beeldpunten moeten precies op de beeldchip terecht komen. De beeldafstand is altijd groter dan de brandpuntsafstand, tenzij het voorwerp oneindig ver weg staat. 17

53 a. N = N = 3,3 b. Je kent beeldafstand en de voorwerpsafstand niet. c. d. N = is (bijna) dezelfde vergrotingsfactor. e. 18