7.1 Beeldvorming en beeldconstructie
|
|
|
- Anneleen Smets
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Uitwerkingen opgaven hoofdstuk Beeldvorming en beeldconstructie Opgave 1 Het beeld van een dia bij een diaprojector wordt gevormd door een bolle lens. De voorwerpsafstand is groter dan de brandpuntsafstand. Je krijgt dan een omgekeerd reëel beeld. Het beeld is zowel in horizontale als verticale richting omgekeerd; links wordt rechts en boven komt onder. Voor een letter p op het scherm moet de dia als een letter d in de diaprojector worden gedaan. Opgave 2 a Zie figuur 7.1. Figuur 7.1 We moeten kijken naar de grootte van het beeld BB (de blauwe lijnen door het optisch midden O van de lens); de plaats van een hoofdbrandpunt F van de lens (de groene lijnen vanuit L of vanuit L); de verdere loop van de in figuur 7.1 getekende lichtstraal (bepaal eerst A en daarna de rode lijn CA). b Het beeld zal gevormd worden door de helft van het totale aantal lichtstralen. Het beeld zal dus minder lichtsterk worden. De afbeelding blijft wel scherp en even groot. Opgave 3 Zie figuur 7.2. a Voor het beeld van L maak je gebruik van twee van de drie constructiestralen (blauwe lijnen I, II en/of III). b De lichtstralen die de uit de lens tredende lichtbundel begrenzen, worden bepaald door vanuit L de randstralen (rode lijnen p en q) naar de lens te tekenen en deze verder te tekenen vanuit B (rode lijnen r en s). c Om de lichtstraal die in het oog terecht komt te construeren, teken je eerst vanuit het oog een lijn naar het beeldpunt B tot deze lijn de lens snijdt en vanuit dit snijpunt naar L (de groene lijn). UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 1 van 25
2 Figuur 7.2 Opgave 4 Zie figuur 7.3. Figuur 7.3 a Voor het tekenen van het virtuele beeld maak je gebruik van de constructiestralen voor negatieve lenzen (de groene lijnen). b Trek de lichtstraal door tot aan de lens. Teken een lijn vanuit punt B door het punt waar deze lichtstraal de lens snijdt (de rode lijnen). Opgave 5 a Ga ervan uit dat het scherm op beeldafstand van de lens staat. Als er geen diafragma zou zijn, zou op het scherm een volledige en scherpe afbeelding zichtbaar zijn. Elk punt van LL is op te vatten als voorwerpspunt. Alle stralen uit zo n voorwerpspunt die op de lens vallen, werken mee om een bijbehorend beeldpunt te maken. Als er een diafragma achter de lens staat, zullen van alle voorwerpspunten slechts die stralen aan de beeldvorming meewerken die door het diafragma gaan. Van alle voorwerpspunten gaan er wel stralen na breking door het diafragma, dus van alle voorwerpspunten ontstaat een beeldpunt. Het antwoord is dus ja, het beeld is dus volledig. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 2 van 25
3 b Nee, het beeld zal minder lichtsterk zijn. Per voorwerpspunt zal nu, vergeleken met de situatie zonder diafragma, slechts een deel van de lichtstralen meewerken aan de vorming van een beeldpunt. c Het beeld is nog steeds scherp, omdat het scherm op beeldafstand van de lens staat. Elk voorwerpspunt wordt op deze beeldafstand afgebeeld. Het antwoord is dus nee, het diafragma houdt alleen een deel van de lichtstralen tegen. Het beeld wordt dan gevormd door minder lichtstralen dan wanneer er geen diafragma zou zijn. Het beeld zal dus minder fel zijn, maar wel scherp. d Voor het construeren van het beeld maak je wederom gebruik van de constructiestralen. Hierbij negeer je als het ware het diafragma. (De rode lijnen vanuit L en de groene lijnen vanuit L.) Zie figuur 7.4. Figuur 7.4 Opgave 6 Zie figuur 7.5. Figuur 7.5 De plaats van de (positieve) lens vind je door de lijn B L te tekenen en het snijpunt te bepalen met de hoofdas (blauwe lijnen). De plaats van het linkerhoofdbrandpunt van de lens vind je door vanuit B een lijn te tekenen evenwijdig aan de hoofdas. Teken vanuit het snijpunt van deze lijn met de lens een lijn naar L en trek deze door tot hij de hoofdas snijdt (de groene lijnen). De verdere loop van de in figuur 7.5 getekende lichtstraal vind je door eerst het snijpunt van deze lijn te bepalen met de lens en de lijn dan verder te tekenen vanuit B (de rode lijnen). Opgave 7 a Omdat de zon zo ver weg staat, lijken lichtstralen die vanuit één punt komen evenwijdig op de lens in te vallen. Deze lichtstralen snijden elkaar in het brandvlak. De afstand van het scherm tot de lens zal dus gelijk moeten zijn aan de brandpuntsafstand, en deze afstand is 250 cm. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 3 van 25
4 b Als je niet weet waar de lens zich bevindt, dan kun je alleen lichtstralen tekenen die niet worden gebroken door de lens. Dit zijn de lichtstralen door het optisch midden van de lens. Zie figuur 7.6a. Figuur 7.6a De evenwijdige lichtbundel afkomstig van de bovenkant van de zon, zal een beeldpunt vormen in punt P op het scherm. Teken vanuit dit punt P een lijn (de rode stippellijn I) die evenwijdig loopt aan de bundel afkomstig van de bovenkant van de zon. Het snijpunt van deze rode stippellijn met de hoofdas is het optisch midden O van de lens. Teken de lens loodrecht op de hoofdas op de plaats van dit snijpunt O. In plaats van de lichtbundel afkomstig van de bovenkant van de zon, kun je ook de lichtbundel nemen afkomstig van de onderkant van de zon (de blauwe lijnen). c Zie figuur 7.6b. Figuur 7.6b De afstand van de zon tot de lens v = 1, km = 1, m. 11 v 1, = = 6,0 10 b 2,50 v diameter zonneschijf De verhouding is even groot als de verhouding b diameter lichtvlek diameter zonneschijf v = d b v de diameter van de zonneschijf = d = , = 1, m b d Als de lens groter is, dan vallen er meer lichtstralen op de lens. Er zullen dus ook meer lichtstralen de lens verlaten. Het beeld zal dus feller zijn. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 4 van 25
5 e De afstand van de lens tot het scherm wordt groter. Uit de gelijkvormigheid dbeeld van de driehoeken volgt dat de verhouding gelijk is aan de verhouding b d zon v. Die verhouding verandert niet. Omdat b groter wordt, wordt de diameter van het beeld ook groter. 7.2 Lensformule en lineaire vergroting Opgave 8 Opgave 9 a v = 15 cm en b = +60 cm = + = + = = f v b f = 12 cm b 60 N = = = 4,0 v 15 b v = 15 cm en b = 60 cm = + = + = = f v b f = 20 cm b N = = = = 4,0 v c v = 28 cm en f = +20 cm = + = = = f v b b f v b = 70 cm b 70 N = = = 2,5 v 28 d v = 25 cm en N = 3,2 b er zijn twee mogelijkheden: N = = 3,2 v b 1 = +3,2 v = +80 cm of b 2 = 3,2 v = 80 cm Mogelijkheid 1 (reëel beeld) v = 25 cm en b 1 = +80 cm = + = + f1 = 19 cm f v b Mogelijkheid 2 (virtueel beeld) v = 25 cm en b 2 = 80 cm = + = + f2 = 36 cm f v b a Een holle lens heeft een brandpuntsafstand van 20 cm f = 20 cm. Eerste situatie v 1 = 60 cm = + f v b 1 1 UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 5 van 25
6 = = = = b f v b1 = 15 cm Tweede situatie v 2 = 12 cm = + f v b = = + b f v b2 = 7,5 cm b Nee, een holle lens geeft altijd een verkleind virtueel beeld. Opgave 10 a De dia heeft de afmetingen 40 mm bij 30 mm; het scherm heeft een breedte van 160 cm en een hoogte van 120 cm breedte beeld 160 cm de vergroting N = = = 40 of breedte voorwerp 4,0 cm hoogte beeld 120 cm de vergroting N = = = 40 hoogte voorwerp 3,0 cm Omdat een diaprojector een reëel beeld heeft en de vergroting 40 is, geldt: b = 40 v. 480 De afstand tussen projectielens en scherm = b = 480 cm v = = 12 cm. 40 b De beeldafstand, de voorwerpsafstand en de brandpuntsafstand bepalen of een voorwerp scherp is. Daar wordt niets aan gewijzigd. Ook deze dia zal dus scherp worden afgebeeld. c De dia heeft nu de afmetingen 32 mm bij 24 mm; de vergroting N = 40 de afmetingen van het beeld zijn (40 3,2 cm) bij (40 2,4 cm) = 128 cm bij 96 cm. De oppervlakte van het scherm: A scherm = 1,60 m 1,20 m = 1,92 m 2. De oppervlakte van het beeld: A beeld = 1,28 m 0,96 m = 1,23 m 2 de verhouding tussen beide oppervlakten is: A A beeld scherm 1, 23 = = 0,64 (= 64%). 1,92 d De brandpuntsafstand f blijft ongewijzigd. 1 = = constant. De f v b beeldafstand b wordt groter gemaakt 1 b zal een kleinere waarde aannemen 1 v moet dan groter worden om de vergelijking weer kloppend te krijgen. De voorwerpsafstand v zal dan kleiner moeten worden, dus de lens moet iets naar de dia toegeschoven worden. e De dia heeft de afmetingen 32 mm bij 24 mm; het scherm heeft een breedte van 160 cm en een hoogte van 120 cm. breedte beeld 160 cm de vergroting N = = = 50 of breedte voorwerp 3,2 cm hoogte beeld 120 cm de vergroting N = = = 50 hoogte voorwerp 2,4 cm UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 6 van 25
7 Opgave 11 Opgave 12 a De dia heeft de afmetingen 36 mm bij 24 mm; het scherm heeft een breedte van 200 cm en een hoogte van 120 cm breedte beeld 200 cm vergroting Nbreedte = = = 56 breedte voorwerp 3,6 cm hoogte beeld 200 cm vergroting Nhoogte = = = 50 hoogte voorwerp 2,4 cm maximale vergroting = 50 Omdat een diaprojector een reëel beeld heeft en de vergroting 50 is, geldt: b = 50 v. Eerste manier N 1 ( N + 1) = + = + = + = = + f v b b b b b b f v b N b b N = v = 1 ( N + 1) v N = b = f ( N + 1) f b b = 0,10 (50 + 1) = 5,1 m Tweede manier Invullen in de lensformule: = f v b = + = + = 10 v 50v 50v 50v 50v b = 50v 50v = 510 v = 10, 2 cm; b = 50v = 5,1 m f = 10 cm b Het diafragma houdt een deel van de lichtstralen tegen, dus het beeld is minder lichtsterk. Omdat v en f niet veranderen, verandert b niet, en dus verandert N niet. Er zal niets veranderen aan de plaats, de scherpte en de grootte van het beeld. a Omdat er op een scherm een reëel beeld wordt gevormd en de vergroting 3 is, geldt: b = 3 v. De afstand van het voorwerp tot het scherm s = 80 cm s = b + v = 80 cm s = 3v + v = 4v b = 3v 4v = 80 cm s = b + v = 80 cm v = 20 cm; b = 60 cm = + = + = = f v b f = 15 cm b Omdat er op een scherm een reëel beeld wordt gevormd en de vergroting 5 is, geldt: b = 5 v. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 7 van 25
8 Eerste manier N 1 ( N + 1) = + = + = + = f v b f v b b b b b 1 N 1 ( N + 1) N = = = b = f ( N + 1) v v b f b b 2 = 15 (5 + 1) = 90 cm 90 v 2 = = 18 cm 5 b 2 + v 2 = 108 cm Tweede manier Invullen in de lensformule: = + = + = = + 15 v2 5v2 5v2 5v2 5v2 f v2 b 2 5v = = 90 b2 = 5v2 v2 = 18 cm b2 = 5v2 = 90 cm f = 15 cm b2 + v2 = 108 cm Zie figuur 7.7. Figuur 7.7 Het scherm wordt niet verplaatst. Het voorwerp stond op 80 cm afstand van het scherm (voorwerp 1) en komt nu op een afstand van 108 cm van het scherm te staan (voorwerp 2) het voorwerp moet 28 cm verplaatst worden van het scherm af (naar links). De lens stond op 60 cm afstand van het scherm; de lens komt nu op een afstand van 90 cm van het scherm te staan de lens moet 30 cm verplaatst worden van het scherm af (naar links). UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 8 van 25
9 Opgave 13 a f = 20 cm en v = 30 cm = + = = = b = 60 cm f v b b f v de beeldafstand b komt niet overeen met de afstand van de lens tot het scherm er ontstaat geen scherp beeld op het scherm, maar een cirkelvormige lichtvlek. b Op een afstand van 70 cm. Zie figuur 7.8a. Figuur 7.8a c Zie figuur 7.8b. Figuur 7.8b v = f Zie figuur 7.9. Figuur 7.9 d = 8,0 cm UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 9 van 25
10 d Omdat v < f ontstaat er een virtueel beeld; v = 15 cm en f = +20 cm = + = = = b = 60 cm f v b b f v er komt een divergerende bundel uit de lens (zie figuur 7.10). Figuur 7.10 Als het scherm in de richting van de lens wordt geschoven, dan wordt de lichtvlek kleiner (zie figuur 7.10). Opgave 14 a Om een maximale stroomsterkte te meten, moet de lichtintensiteit maximaal zijn. Dat is als er zo veel mogelijk lichtstralen op de LDR vallen. Dat is het geval als het beeldpunt zich precies op de LDR bevindt. b Zie figuur 7.11a. Figuur 7.11a Figuur 7.11b Zie figuur 7.11a. v + b = 70 cm. Zie figuur 7.11b. Er zijn twee pieken te zien (A en B) er zijn twee voorwerpsafstanden en dus ook twee beeldafstanden waarbij een maximum optreedt. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 10 van 25
11 Bij piek A: x = v1 = 21 cm b1 = 49 cm v1 + b1 = 70 cm = + f = 15 cm f = + f v1 b1 Bij piek B: x = v2 = 49 cm b2 = 21 cm v2 + b2 = 70 cm = + f = 15 cm f = + f v2 b 2 c Bij een vaste afstand tussen voorwerp en scherm zijn twee posities mogelijk waarbij een beeld op het scherm wordt gevormd. Dit kun je zien aan de lensformule. Als bij een bepaalde waarde voor f waarden voor b en v zijn gevonden waarvoor de vergelijking klopt, dan kunnen de waarden van b en v ook omgewisseld worden. Als b en v niet gelijk zijn, dan levert dat dus een tweede positie van de lens op. d Als de lens dichter bij het lampje staat, dan valt er meer licht op de lens. Zie figuur 7.12; α 1 is groter dan α 2. Figuur De werking van het oog Opgave 15 Als er veel licht op valt, wordt de opening klein en als er weinig licht op valt, wordt de opening groot. Opgave 16 a In figuur 7.13a is de brandpuntsafstand groter (f 1 is groter dan f 2 ). De lens is dan minder sterk. Er is dus minder sterk geaccommodeerd. b De beeldafstand ligt al vast. Het beeld komt op het netvlies. De constructiestraal I (door het optisch midden van de lens) is dus alleen nodig om de grootte van het beeld te bepalen. c Zie de figuren 7.13a en 7.13b. AA is kleiner dan BB. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 11 van 25
12 d Zie de figuren 7.13a en 7.13b (de overige constructiestralen II en III). Figuur 7.13a Figuur 7.13b Opgave 17 a BINAS tabel 27A brekingsindex glasachtig lichaam 1,337 hoornvlies 1,376 kamervocht 1,336 ooglens 1,41 sin i = nlucht hoornvlies = 1,376 sin r sin 60,0 sin r = = 0, 6294 r = 39, 0 sin 60, 0 1,376 i = 60,0 = 1,376 sin r b n h o = brekingsindex van hoornvlies naar vocht in oogkamer n l o = brekingsindex van lucht naar ooglens n l h = brekingsindex van lucht naar hoornvlies nl o 1,336 nh o = = = 0,971 nl h 1,376 c Zie figuur Bij de overgang van lucht naar hoornvlies: i = 60,0 en r = 39,0 (zie opgave a). Bij de overgang van hoornvlies naar vocht in oogkamer: sin i = nhoornvlies oogkamer = 0,971 sin r sin 39,0 sin r = = 0, 648 r = 40, 3 sin 39, 0 0,971 i = 39,0 = 0,971 sin r UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 12 van 25
13 Figuur 7.14 d Overgang oogkamer-ooglens: nlucht ooglens 1,41 ( noogkamer ooglens = = = 1, 06 noogkamer ooglens > 1) n 1,336 lucht oogkamer er is bij overgang van oogkamer naar ooglens breking naar de normaal toe. Overgang ooglens-glasachtig lichaam: nlucht glasachtig lichaam 1,337 ( nooglens glasachtig lichaam = = = 0, 948 n 1,41 n < 1) ooglens glasachtig lichaam lucht ooglenskamer er is bij overgang van de ooglens naar het glasachtig lichaam breking van de normaal af. e Dit is onjuist. De brekingsindices zijn allemaal ongeveer gelijk. De meeste breking vindt plaats bij de overgang van de lucht naar het hoornvlies. Opgave 18 Opgave 19 Opgave 20 a Nee, je ziet alles onscherp. Onze ogen zitten namelijk zo in elkaar dat we scherp zien als we ons in lucht bevinden. Onder water vindt er veel minder breking plaats als het licht het hoornvlies in gaat. Dit kan in het oog niet meer gecompenseerd worden. b Veel zwakker. De brekingsindex van water is 1,333. Met de formule uit opgave 17 kan nu de brekingsindex van water naar hoornvlies worden bepaald. Deze is slechts 1,032. nlucht hoornvlies 1,376 ( nwater hoornvlies = = = 1, 032) nlucht water 1,333 Er vindt dus nauwelijks breking plaats. a De ooglens bij een mens is minder bol dan bij de vis. Het netvlies van de mens is meer gekromd dan van de vis. De afstand van de lens tot het netvlies is bij de mens groter dan bij de vis. b De ooglens van een mens is hoofdzakelijk voor de overgang van lucht naar het oog. De breking is dan veel sterker dan bij de overgang van water naar het oog (zie ook vraag 18b). De ooglens van de vis moet dus sterker zijn. Voor een redelijk goed beeld moet het netvlies aangepast worden. Door het sterker zijn van de lens bij de vis is de afstand waarover de vis kan kijken minder groot dan het zicht van een mens. a De beeldafstand b verandert niet. De afstand van de ooglens tot het netvlies blijft namelijk altijd gelijk bij het oog. De voorwerpsafstand v verandert wel, en om beide voorwerpen scherp waar te kunnen nemen moet de UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 13 van 25
14 b brandpuntsafstand f ook veranderen. De ooglens wordt boller, als de voorwerpsafstand kleiner wordt = +, waarbij b constant is. 1 is dan ook constant. De voorwerpsafstand f v b b is eerst 10 m en daarna 2 m; v wordt dus kleiner. 1 v wordt dan juist groter. 1 moet dan ook groter worden, waarvoor f juist kleiner moet worden. Als de f brandpuntsafstand kleiner wordt, dan wordt de ooglens boller. Daarvoor moet sterker geaccommodeerd worden. c Bij een camera is de brandpuntsafstand juist constant. De voorwerpsafstand verandert, en dus zal de beeldafstand ook moeten veranderen voor een scherpe afbeelding. d De beeldafstand wordt groter gemaakt bij een kleinere voorwerpsafstand = +, waarbij f constant is. 1 is dan ook constant. De voorwerpsafstand f v b f is eerst 10 m en daarna 2 m, v wordt dus kleiner. 1 v wordt dan juist groter. 1 b moet dan kleiner worden, waarvoor b juist groter moet worden. 7.4 Nabijheidspunt en vertepunt Opgave 21 Opgave 22 a Het vertepunt is het punt dat het verst verwijderd is van het oog en waar je een voorwerp nog net scherp waarneemt. b Kijk naar een voorwerp in de verte dat je nog scherp waarneemt. Als je een bril of contactlenzen draagt, moet je de bril afzetten of de lenzen uitdoen. Schat de afstand tot aan dat voorwerp. c Het nabijheidspunt is het punt waar je een voorwerp nog net scherp waarneemt als je het voorwerp dichter naar je oog toe beweegt. d Als je een bril of contactlenzen draagt, moet je de bril afzetten of de lenzen uitdoen. Doe één oog dicht. Neem een pen of boek en breng dat steeds dichter naar je oog toe. Stop als je het voorwerp onscherp waarneemt. Schat de afstand tussen je oog en boek of pen. De voorwerpsafstand v is 30 cm, want daar bevindt de krant zich. Het brillenglas maakt van de krant een virtueel beeld in het nabijheidspunt N oog afstand van N oog = b = 75 cm (b = 30 cm, negatief, want het gaat hier om een virtueel beeld). Invullen in de lensformule geeft: v = 30 cm en b = 75 cm = + = + = = = f v b f = 50 cm = 0,50 m 1 1 S = = = 2,0 dpt f 0,50 UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 14 van 25
15 Opgave 23 a S = 2, 5 dpt f = = 0,40 m = 40 cm S = f = 2,5 f S Afstand N bril = v = 25 cm en f = 40 cm = + f v b = = b f v b = 67 cm afstand N = 67 cm oog b Als de persoon met een ongeaccommodeerd oog kijkt, ziet hij de voorwerpen in het vertepunt scherp. De lichtbundel die in zijn oog valt, is dan een evenwijdige bundel. Het vertepunt V bril is dus het punt waarvan de divergente lichtbundel door de lens wordt omgezet in een evenwijdige bundel. Dit is ook te zien in figuur Uit de eigenschappen van lenzen blijkt dat het gezochte punt het brandpunt is. Daar moet dan nog de afstand tussen bril en oog bij worden opgeteld. De brandpuntsafstand is 40 cm. De afstand tussen bril en oog is 2 cm. De totale afstand tot aan het vertepunt is dus 42 cm. Figuur 7.15 c De oudziende kan zonder bril voorwerpen scherp waarnemen tot aan het vertepunt V oog. Dit ligt in het oneindige. Het antwoord luidt dus ja, hij kan het voorwerp scherp waarnemen. d Met bril op ligt het vertepunt van de oudziende op 42 cm afstand. Voorwerpen achter het vertepunt worden niet scherp waargenomen. Het antwoord luidt dus nee. e Als het oog accommodeert, kan een persoon voorwerpen scherp waarnemen die dichterbij zijn dan het vertepunt. De oudziende kan dus voorwerpen scherp waarnemen die dichterbij zijn dan 42 cm met geaccommodeerd oog. Het antwoord luidt dus nee. f De oudziende ziet met zijn bril op alleen voorwerpen scherp op een afstand tussen 42 cm en 25 cm. Dit is op leesafstand. Voor voorwerpen op grotere afstand dan 42 cm moet hij de bril afzetten. De bril is dus alleen bruikbaar bij lezen. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 15 van 25
16 7.5 Verziendheid en bijziendheid Opgave 24 afwijking sterkte van de ooglens goed / te sterk / te zwak vertepunt accommodatievermogen nabijheidspunt hulplens: positief / negatief / niet nodig normaal goed goed oneindig cm niet nodig oudziend goed te zwak oneindig > 30 cm positief verziend te zwak goed > oneindig >30 cm positief bijziend te sterk goed < oneindig 5 20 cm negatief Opgave 25 a Hans is bijziend, want zijn lenzen zijn negatief b S Hans = 2,5 dpt; S = fhans 0, 40 m 40 cm f = S = Hans 2,5 = = Zie figuur c Tineke is verziend, want haar lenzen zijn positief d S Tineke = +2,0 dpt; S = ftineke 0,50 m 50 cm f = S = Tineke 2,0 = = Zie figuur Figuur 7.16 Opgave 26 a Zie figuur Figuur 7.17 b Bij een bril is de brandpuntsafstand van de lens gelijk aan de afstand tot aan het vertepunt. Hierbij is de afstand tussen oog en bril verwaarloosd. f = 60 cm, negatief, want het is een bijziend persoon. 1 1 S = bril 1,7 dpt f = bril 0,60 = c Zie figuur Bij een bijziende wordt door de bril het nabijheidspunt op grotere afstand van het oog gelegd. P is het nabijheidspunt met bril N bril. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 16 van 25
17 Figuur 7.18 d Nabijheidspunt met bril: v Nabijheidspunt zonder bril: b = 20 cm Brandpuntsafstand van de bril: f = 60 cm Lensformule: f = v + b v = f b = = 30 v = 30 cm het nabijheidspunt met bril ligt op 30 cm afstand van het oog. Opgave 27 a Zie figuur Figuur 7.19 Het vertepunt van een oog ligt altijd verder dan het nabijheidspunt. Hier is de afstand van het vertepunt echter kleiner. Het vertepunt is dan achter het oog terechtgekomen. Dit is het geval bij verziendheid. b Zie figuur Figuur 7.20 c f = 30 cm; positief want het is een bijziend persoon. 1 1 S = bril 3,3 dpt f = bril 0,30 = d Nabijheidspunt met bril: v Nabijheidspunt zonder bril: b = 60 cm Brandpuntsafstand van de bril: f = 30 cm Lensformule: = + = = = = f v b v f b v = 20 cm het nabijheidspunt met bril ligt op 20 cm afstand van het oog. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 17 van 25
18 1 1 1 Opgave 28 S bril = +2,0 dpt; S = fbril 0,50 m 50 cm f = S = bril 2,0 = = Nabijheidspunt met bril: v = 25 cm Nabijheidspunt zonder bril: b Brandpuntsafstand van de bril: f = 50 cm Lensformule: = + = = = = f v b b f v b = 50 cm het nabijheidspunt zonder bril N oog ligt bij deze verziende op 50 cm afstand van het oog Opgave 29 S bril = 2,0 dpt; S = fbril 0,50 m 50 cm f = S = bril 2,0 = = Nabijheidspunt met bril: v = 25 cm Nabijheidspunt zonder bril: b Brandpuntsafstand van de bril: f = 50 cm Lensformule: = + = = = = f v b b f v b = = 17 cm 3 het nabijheidspunt zonder bril N oog ligt bij deze bijziende op 17 cm afstand van het oog. Opgave 30 Opgave 31 a Als je zonder bril scherp kunt zien, dan kan je ooglens voldoende accommoderen of hoeft niet te accommoderen. In dit laatste geval kijk je naar het vertepunt. Een honderdjarige die nog voldoende kan accommoderen is mogelijk, maar onwaarschijnlijk. Haar vertepunt ligt dus op leesafstand. De vrouw is sterk bijziend. b Bij bijziendheid liggen het vertepunt en nabijheidspunt te dicht bij het oog. Bij oudziendheid komt het nabijheidspunt verder van het oog te liggen. De dochter heeft haar vertepunt te dichtbij liggen. Ze zal dus altijd een negatieve bril nodig hebben om in de verte te kunnen kijken. Om te kunnen lezen heeft zij eerst geen bril nodig en later een positieve bril. Conclusie: de vader heeft ongelijk. Om scherp in de verte te kijken, gebruikt de vrouw negatieve lenzen. Maar die zorgen er juist voor dat het nabijheidspunt verder van het oog komen te liggen. De oudziendheid wordt dus verslechterd door de negatieve lenzen. Om de oudziendheid te compenseren heeft de vrouw positieve lenzen nodig. Deze brengen niet alleen het nabijheidspunt dichterbij, maar ook het vertepunt. Dat lag al te dichtbij, want de vrouw was bijziend. De positieve lenzen verslechteren juist het in de verte zien. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 18 van 25
19 7.6 Gezichtshoek en loep Opgave 32 Opgave 33 Opgave 34 Opgave 35 Opgave 36 Een kind heeft zijn nabijheidspunt dichter bij het oog liggen. Daardoor wordt het gat in de naald groter op zijn netvlies afgebeeld. a Ed is bijziend. Zijn nabijheidspunt zonder bril ligt dichter bij zijn oog dan met bril. Houdt hij het voorwerp zonder bril in zijn nabijheidspunt, dan is zijn gezichtshoek groter en krijgt hij een groter beeld op zijn netvlies. b Ankie kijkt naar het spiegelbeeld van haar wimpers. Om die zo duidelijk mogelijk te zien, moet het spiegelbeeld zich in het nabijheidspunt van het oog bevinden. Het spiegelbeeld van de wimpers bevindt zich op dezelfde afstand van de spiegel als de afstand van de wimpers tot de spiegel. De afstand spiegelbeeld-oog is gelijk aan de afstand van het oog tot aan het nabijheidspunt. Ankie moet haar spiegel dus op een afstand brengen die de helft is van de afstand van haar oog tot het nabijheidspunt. Robin houdt het voorwerp op de verkeerde afstand van de loep. Om ervoor te zorgen dat er een evenwijdige lichtbundel uit de loep komt, moet hij het voorwerp in het brandvlak van de loep houden. Hij kijkt dan met ongeaccommodeerd oog. 1 1 a S A = 2,0 dpt f = A 0,50 m; S = A 2,0 = 1 1 S B = 9,0 dpt f = B 0,11 m S = B 9,0 = Lens A is niet als loep te gebruiken. De brandpuntsafstand is namelijk 50 cm. De afstand tot aan het nabijheidspunt is bij de meeste mensen kleiner dan 50 cm. De hoekvergroting wordt dan kleiner dan 1,0. b De afstand tot aan het nabijheidspunt = S oog = 0,25 m. De brandpuntsafstand van de loep is f lens = 0,11 m. Soog 0,25 De hoekvergroting is Nang = = = 2,3. flens 0,11 c Het heeft voor Frederike geen zin om lens B als loep te gebruiken. Het brandpunt van de lens ligt namelijk verder weg dan het nabijheidspunt. d De brandpuntsafstand van de lens moet kleiner zijn dan de afstand tot aan haar nabijheidspunt, dus kleiner dan 10 cm. De sterkte van de lens moet dus minimaal zijn: 1 1 S = lens 10dpt f = 0,10 = lens a Het is zinvol, omdat de medewerker dan met ongeaccommodeerd oog kijkt en dat is minder vermoeiend. b Teken de lichtstraal b door het knooppunt O van het oog die evenwijdig loopt met de getekende lichtstraal a tussen de optimate en het oog. Trek die lichtstraal door tot aan het netvlies. Zie figuur 7.21a. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 19 van 25
20 Figuur 7.21a Teken de randstraal c die aan het bovenste ooglid raakt evenwijdig aan de getekende lichtstraal b. Teken deze lichtstraal c tussen de optimate en de ooglens. Teken nu de lichtstraal d vanuit V naar waar de bovenste randstraal de optimate raakt. Zie figuur 7.21b. Figuur 7.21b Teken de randstraal e die aan het onderste ooglid raakt evenwijdig met de getekende lichtstraal c. Teken deze lichtstraal vanaf de optimate tot aan de ooglens. Teken nu de lichtstraal f vanuit V tot waar de onderste randstraal de optimate raakt. Zie figuur 7.21c. Figuur 7.21c Teken in het oog de twee randstralen g en h die vanaf de ooglens naar het beeldpunt B gaan. Zie figuur 7.21d. Figuur 7.21d Arceer de bundel. Zie figuur 7.21e. Figuur 7.21e UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 20 van 25
21 7.7 Enkele optische apparaten Opgave 37 a v = 8, 0 cm = 0,080 m = + f = 0,078 m b = 3,5 m f 0, 080 3, S = = = 13 dpt = + f 0,078 f v b b 3,5 b N = = = 43,75 v 0,080 het beeld is 43,75 zo groot als het voorwerp. De hoogte van de dia = 24 mm de hoogte van het beeld van de dia = 24 43,75 = 1, mm = 1,1 m. De breedte van de dia = 36 mm de breedte van het beeld van de dia = 36 43,75 = 1, mm = 1,6 m de afmetingen van het beeld zijn: 1,1 m bij 1,6 m. c Het beeld is niet groot genoeg je moet het beeld groter maken. Als je het beeld groter maakt, dan wordt de beeldafstand b groter. Als de beeldafstand b groter wordt, dan moet de voorwerpsafstand v kleiner worden. Dit laatste volgt uit de lensformule: = + f v b de lens verandert niet de brandpuntsafstand f verandert niet 1 verandert ook niet f = constant. v b Als de beeldafstand b groter wordt, dan wordt 1 b kleiner 1 v moet dan dus groter worden, dus moet de voorwerpsafstand v kleiner worden de lens moet dichter naar de dia verplaatst worden. Opgave 38 De fotograaf kijkt naar het beeld op de matglazen plaat. Als het beeld daar scherp is, moet het beeld ook scherp op de film komen. Dat betekent dat de beeldafstand bij neergeklapte spiegel gelijk moet zijn aan de beeldafstand bij opgeklapte spiegel. Als de spiegel omlaag is geklapt, wordt de beeldafstand gevormd door de afstand van lens tot spiegel plus de afstand van spiegel tot matglazen plaat. Zie figuur 7.22a. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 21 van 25
22 Figuur 7.22a Als de spiegel is opgeklapt, is de beeldafstand gelijk aan de afstand van lens tot film. Zie figuur 7.22b. De afstand tussen lens en spiegel is in beide situaties gelijk. De afstand van spiegel tot film moet dus gelijk zijn aan de afstand van spiegel tot matglazen plaat. Figuur 7.22b Opgave 39 a v = 3, 70 cm = 0,0370 m = + f = 0,03658 m b = 3,20 m f 0,0370 3, = + S = = = 27,3 dpt f v b f 0, 0366 b 3, 20 b N = = = 86,49 v 0, 0370 het beeld is 86,49 zo groot als het voorwerp het voorwerp is 86,49 zo klein als het beeld De hoogte van het beeld = 1,80 m = 180 cm 180 de hoogte van het display 2,08 cm 86,49 = De breedte van het beeld = 2,40 m = 240 cm 240 de breedte van het display 2,77 cm 86,49 = de afmetingen van het display zijn: 2,08 cm bij 2,77 cm. c Het lcd-display in de beamer is 1024 pixels breed en 768 pixels hoog. Op het scherm ontstaat een beeld van 1,80 m hoog en 2,40 m breed 180 cm de afstand tussen twee pixels op het scherm is: = 0, 2344 cm cm of = 0,2344 cm 1024 UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 22 van 25
23 afstand tussen twee punten op het netvlies De vergroting N = afstand tussen twee pixels op het scherm = = 0, , b b N = v = = = 1,7 m v N 0, Als Hanna binnen een afstand van 1,7 m van het scherm gaat zitten, kan ze de afzonderlijke beeldpunten apart waarnemen de minimale afstand van Hanna tot het scherm is 1,7 m. Opgave 40 a Trek de lichtstraal door het optisch midden rechtdoor tot aan de spiegel. Nu zijn er twee mogelijkheden. Eerste methode Zie figuur 7.23a. Figuur 7.23a Teken op het spiegeloppervlak de normaal n in het punt waar de lichtstraal de spiegel raakt. Meet de hoek van inval (i). Teken de weerkaatste lichtstraal onder een even grote hoek van terugkaatsing (t). Tweede methode Zie figuur 7.23b. Teken het spiegelbeeld van punt B. Om dit te doen, moet je eerst de spiegel verlengen (lijn l). Teken vanuit B een loodlijn op de lijn l. Het snijpunt van deze loodlijn en lijn l is punt P. Maak de afstand BP even lang als de afstand PB (B is het beeldpunt van punt B). Trek de lijn B C en verleng deze lijn. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 23 van 25
24 Figuur 7.23b b Door het draaien van de spiegel over een hoek α wordt de hoek van inval groter gemaakt met een waarde α. De hoek van terugkaatsing wordt dan ook groter met een waarde α. De lichtstraal verdraait dus over een hoek 2α. Eerste methode Zie figuur Figuur 7.24 Omdat de schaal van de tekening 1 : 15 is, is de afstand y in de tekening 42 2,8 cm. 15 = Het punt A wordt dus niet meer afgebeeld in punt D op het scherm, maar in het punt C. Teken het eindpunt C van de straal in de tekening op een hoogte van 2,8 cm. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 24 van 25
25 Meet met je geodriehoek CSD. CSD = 2α = 12 de hoek waarover de spiegel is gedraaid, is 6,0. Tweede methode Zie figuur Meet de afstand x op in de tekening ( x = 12,5 cm). Omdat de schaal van de tekening 1: 15 is, is de afstand x in werkelijkheid 15 12,5 = 187,5 cm 42 tanα = 2α = 12, 6 α = 6,3 187,5 de hoek waarover de spiegel is gedraaid, is 6,3. c Het verband tussen de voorwerpsafstand v en de beeldafstand b is de lensformule: = (waarbij f de brandpuntsafstand van de lens van de v b f overheadprojector is). Zie figuur Doordat het beeld 42 cm hoger op het scherm terechtkomt, is de beeldafstand groter geworden; de brandpuntsafstand is niet veranderd de voorwerpsafstand moet dus kleiner worden de afstand tussen de sheet en de lens moet kleiner worden de kop van de overheadprojector zal omlaag moeten. UITWERKINGEN OPGAVEN VWO HOOFDSTUK 7 25 van 25
5.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht
Uitwerkingen opgaven hoofdstuk 5 5.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht Opgave 10 16 x 4,03 10 a afstand = lichtsnelheid tijd; s = c t t = = = 8 c 2,9979 10 b Eerste manier 1 lichtjaar = 9,461 10
Opgave 3 De hoofdas is de lijn door het midden van de lens en loodrecht op de lens.
Uitwerkingen 1 Opgave 1 Bolle en holle. Opgave 2 Opgave 3 De hoofdas is de lijn door het midden van de lens en loodrecht op de lens. Opgave 4 Divergente, convergente en evenwijdige. Opgave 5 Een bolle
Samenvatting Natuurkunde H3 optica
Samenvatting Natuurkunde H3 optica Samenvatting door een scholier 992 woorden 19 januari 2013 5,6 22 keer beoordeeld Vak Methode Natuurkunde Natuurkunde overal Hoofdstuk 3 Optica 3.1 Zien Dit hoofdstuk
Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 3 Licht en Lenzen
Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 3 Licht en Lenzen Samenvatting door A. 1760 woorden 11 maart 2016 7,4 132 keer beoordeeld Vak Methode Natuurkunde Nova 1: Lichtbreking Een dunne lichtbundel - een lichtstraal
Het tekenen van lichtstralen door lenzen (constructies)
Het tekenen van lichtstralen door lenzen (constructies) Zie: http://webphysics.davidson.edu/applets/optics/intro.html Bolle (positieve) lens Een bolle lens heeft twee brandpunten F. Evenwijdige (loodrechte)
Repetitie Lenzen 3 Havo Naam: Klas: Leerstof: 1 t/m 7
Repetitie Lenzen 3 Havo Naam: Klas: Leerstof: 1 t/m 7 Opgave 1 Iris krijgt een bril voorgeschreven van 4 dioptrie. Zij houdt de bril in de zon en probeert de stralen te bundelen om zodoende een stukje
Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 5 en 6
Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 5 en 6 Samenvatting door een scholier 1748 woorden 7 februari 2005 6 53 keer beoordeeld Vak Methode Natuurkunde Scoop Samenvatting Natuurkunde H5 Spiegels en lenzen +
Oog. Netvlies: Ooglens: Voor de stralengang in het oog van lichtstralen zijn de volgende drie onderdelen belangrijk.
Oog Voor de stralengang in het oog van lichtstralen zijn de volgende drie onderdelen belangrijk. Netvlies: Ooglens: Op het netvlies bevinden zich lichtgevoelige zintuigcellen; staafjes en kegeltjes (voor
Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 2 Licht. Wat moet je leren/ kunnen voor het PW H2 Licht?
Wat moet je leren/ kunnen voor het PW H2 Licht? Alles noteren met significantie en in de standaard vorm ( in hoeverre dit lukt). Eerst opschrijven wat de gegevens en formules zijn en wat gevraagd wordt.
Oefen-vt vwo4 B h6/7 licht 2007/2008. Opgaven en uitwerkingen vind je op www.agtijmensen.nl
Opgaven en uitwerkingen vind je op www.agtijmensen.nl Oefen-vt vwo4 h6/7 licht 007/008. Lichtbreking (hoofdstuk 6). Een glasvezel bestaat uit één soort materiaal met een brekingsindex van,08. Laserstraal
Deze toets bestaat uit 4 opgaven (31 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes! ZET JE NAAM OP DEZE
NAAM: NATUURKUNDE KLAS 5 INHAALPROEFWERK PROEFWERK H14 11/10/2011 Deze toets bestaat uit 4 opgaven (31 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes! ZET JE NAAM OP DEZE
6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld
6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld Lichtbronnen: Directe lichtbronnen produceren zelf licht Indirecte lichtbronnen reflecteren licht. Je ziet een voorwerp als er licht
hoofdstuk 5 Lenzen (inleiding).
hoofdstuk 5 Lenzen (inleiding). 5.1 Drie soorten lichtbundels Als lichtstralen een bundel vormen kan dat op drie manieren. 1. een evenwijdige bundel. 2. een convergerende bundel 3. een divergerende bundel.
hoofdstuk 5 Lenzen (inleiding).
hoofdstuk 5 Lenzen (inleiding). 5.1 Drie soorten lichtbundels Als lichtstralen een bundel vormen kan dat op drie manieren. 1. een evenwijdige bundel. 2. een convergerende bundel 3. een divergerende bundel.
Suggesties voor demo s lenzen
Suggesties voor demo s lenzen Paragraaf 1 Toon een bolle en een holle lens. Demo convergerende werking van een bolle lens Laat een klein lampje (6 V) steeds dichter bij een bolle lens komen. Geef de verschillende
Spiegel. Herhaling klas 2: Spiegeling. Spiegel wet: i=t Spiegelen met spiegelbeelden. NOVA 3HV - H2 (Licht) November 15, NOVA 3HV - H2 (Licht)
Herhaling klas 2: Spiegeling Spiegel wet: i=t Spiegelen met spiegelbeelden Spiegelen van een object (pijl), m.b.v. het spiegelbeeld: Spiegel 1 2 H.2: Licht 1: Camera obscura (2) Eigen experiment: camera
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Lenzen. J. Kuiper. Transfer Database
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal Reader Lenzen J. Kuiper Transfer Database ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair nderwijs, Algemeen Voortgezet nderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie
Uitwerkingen Hoofdstuk 2 Licht
Uitwerkingen Hoofdstuk 2 Licht Verkennen I a. Teken het gebouw met de zon in de tekening. De stand van de zon bepaalt waar de schaduw terecht komt. b. Een platte tekening. Jij staat voor de spiegel, de
6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht
Uitwerkingen opgaven hoofdstuk 6 6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht Opgave 1 Opgave 2 Bij diffuse terugkaatsing wordt opvallend licht in alle mogelijke richtingen teruggekaatst, zelfs als de opvallende
1 Bolle en holle lenzen
Lenzen 1 Bolle en holle lenzen 2 Brandpuntsafstand, lenssterkte 3 Beeldpunten bij een bolle lens 4 Naar beeldpunten kijken (bij bolle lens) 5 Voorwerpsafstand, beeldafstand, lenzenformule 6 Voorwerp, beeld,
Hoofdstuk 3: Licht. Natuurkunde VWO 2011/2012. www.lyceo.nl
Hoofdstuk 3: Licht Natuurkunde VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Hoofdstuk 3: Licht Natuurkunde 1. Mechanica 2. Golven en straling 3. Elektriciteit en magnetisme 4. Warmteleer Rechtlijnige beweging Trilling en
3HAVO Totaaloverzicht Licht
3HAVO Totaaloverzicht Licht Algemene informatie Terugkaatsing van licht kan op twee manieren: Diffuus: het licht wordt in verschillende richtingen teruggekaatst (verstrooid) Spiegelend: het licht wordt
Uitwerkingen. Hoofdstuk 2 Licht. Verkennen
Uitwerkingen Hoofdstuk 2 Licht Verkennen I a. Teken het gebouw met de zon in de tekening. De stand van de zon bepaalt waar de schaduw terecht komt. b. Maak een tekening in bovenaanzicht. Jij staat voor
6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld
6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld Lichtbronnen: Directe lichtbronnen produceren zelf licht Indirecte lichtbronnen reflecteren licht. Je ziet een voorwerp als er licht
Deze toets bestaat uit 4 opgaven (33 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes! ZET JE NAAM OP DEZE
NAAM: NATUURKUNDE KAS 5 ROEFWERK H14 13/05/2009 PROEFWERK Deze toets bestaat uit 4 opgaven (33 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes! ZET JE NAAM OP DEZE Opgave
Hoofdstuk 4: Licht. Natuurkunde Havo 2011/2012.
Hoofdstuk 4: Licht Natuurkunde Havo 2011/2012 www.lyceo.nl Hoofdstuk 4: Licht Natuurkunde 1. Kracht en beweging 2. Licht en geluid 3. Elektrische processen 4. Materie en energie Beweging Trillingen en
0 50 100 150 200 250 300 v (in cm)
Lenzen 1 Van een lens is de beeldafstand b als functie van de voorwerpsafstand v bepaald en weergegeven in onderstaande grafiek. 300 250 200 b (in cm) 150 100 50 0 0 50 100 150 200 250 300 v (in cm) a.
Licht; Elektromagnetische straling een golf Licht; een deeltje (foto-elektrisch effect). Licht; als een lichtstraal Licht beweegt met de
Licht; Elektromagnetische straling een golf Licht; een deeltje (foto-elektrisch effect). Licht; als een lichtstraal Licht beweegt met de lichtsnelheid ~300.000 km/s! Rechte lijn Pijl er in voor de richting
3hv h2 kortst.notebook January 08, H2 Licht
3hv h2 kortst.notebook January 08, 209 H2 Licht Wanneer een lichtstraal van het ene materiaal het andere ingaat kan de richting van de lichtstraal veranderen. Hoe de straal afbuigt heeft te maken met de
6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld
6.1 Voortplanting en weerkaatsing van licht 6.2 Spiegel en spiegelbeeld Lichtbronnen: Directe lichtbronnen produceren zelf licht Indirecte lichtbronnen reflecteren licht. Je ziet een voorwerp als er licht
Opgave 1: Constructies (6p) In figuur 1 op de bijlage staat een voorwerp (doorgetrokken pijl) links van de lens.
NATUURKUNDE KAS 5 ROEWERK H4-06/0/00 PROEWERK Deze toets bestaat uit 4 opgaven (totaal 3 punten). Gebruik van eigen grafische rekenmachine en BINAS is toegestaan. Veel succes! ZET EERST JE NAAM OP DE Opgave
Overal Natuurkunde 3V Uitwerkingen Hoofdstuk 6 Licht
Overal Natuurkunde 3V Uitwerkingen Hoofdstuk 6 Licht 6. Licht en beeld A a Primair licht is afkomstig uit een lichtbron en wordt ook wel direct licht genoemd. Secundair licht is niet direct afkomstig uit
a) Bepaal door middel van een constructie de plaats van het beeld van de scherf en bepaal daaruit hoe groot Arno de scherf door de loep ziet.
NATUURKUNDE KLAS 5 ROEWERK H14-05/10/2011 PROEWERK Deze toets bestaat uit 3 opgaven (totaal 31 punten). Gebruik van eigen grafische rekenmachine en BINAS is toegestaan. Veel succes! ZET EERST JE NAAM OP
Newton 4vwo Natuurkunde Hoofdstuk 3 Lichtbeelden
Newton 4vwo Natuurkunde Hoofdstuk 3 Lichtbeelden Hoofdstukvragen: Het hoofdstuk gaat over de lichtbeelden die je met spiegels, lenzen en prisma s kunt maken. Hoe ontstaat bij een spiegel een beeld? En
Exact periode 3.2. Recht evenredig Omgekeerd evenredig Lambert Beer Lenzen en toepassingen
Exact periode 3.2?! Recht evenredig Omgekeerd evenredig Lambert Beer Lenzen en toepassingen 1 Lo41 per 3 exact recht evenredig, oefenen presentatie recht evenredig Deze link toont uitleg over recht evenredig
Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 7 en 8
Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 7 en 8 Samenvatting door een scholier 1889 woorden 28 juni 2009 6,9 73 keer beoordeeld Vak Methode Natuurkunde Systematische natuurkunde Hoofstuk 7 Paragraaf 1 Beeldvorming
Samenvatting Hoofdstuk 5. Licht 3VMBO
Samenvatting Hoofdstuk 5 Licht 3VMBO Hoofdstuk 5 Licht We hebben zichtbaar licht in de kleuren Rood, Oranje, Geel, Groen, Blauw en Violet (en alles wat er tussen zit) Wit licht bestaat uit een mengsel
3.0 Licht Camera 3.2 Lens 3.3 Drie stralen 3.4 Drie formules 3.5 Oog
3.0 Licht 2 www.natuurkundecompact.nl 3.1 Camera 3.2 Lens 3.3 Drie stralen 3.4 Drie formules 3.5 Oog 1 3.1 Camera www.natuurkundecompact.nl Van ongrijpbaar naar grijpbaar Spiegelbeeld (2hv 5.3) Even groot
Lenzen. Leerplandoel. Introductie. Voorwerps brandpunts - en beeldafstand
Lenzen Leerplandoel FYSICA TWEEDE GRAAD ASO WETENSCHAPPEN LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS VVKSO BRUSSEL D/2012/7841/009 5.1.2 Licht B21 De beelden bij een dunne bolle lens construeren en deze aanduiden als
1 Lichtbreking. Hoofdstuk 2. Licht. Leerstof. Toepassing. 3 a Zie figuur 2. b Zie figuur 2. c Zie figuur t a bij B b bij A
BASISSTOF Hoofdstuk 2 Licht Hoofdstuk 2 Licht 1 Lichtbreking Leerstof 1 a de normaal b de hoek van inval c de hoek van breking 2 a Als licht van lucht naar perspex gaat, wordt het licht altijd naar de
jaar: 1994 nummer: 12
jaar: 1994 nummer: 12 Een vrouw staat vóór een spiegel en kijkt met behulp van een handspiegel naar de bloem achter op haar hoofd.de afstanden van de bloem tot de spiegels zijn op de figuur aangegeven.
Lenzen. Leerplandoel. Introductie. Voorwerps brandpunts - en beeldafstand
Lenzen Leerplandoel FYSICA TWEEDE GRAAD ASO WETENSCHAPPEN LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS VVKSO BRUSSEL D/2012/7841/009 5.1.2 Licht B21 De beelden bij een dunne bolle lens construeren en deze aanduiden als
Theorie beeldvorming - gevorderd
Theorie beeldvorming - gevorderd Al heel lang geleden ontdekten onderzoekers dat als licht op een materiaal valt, de lichtstraal dan van richting verandert. Een voorbeeld hiervan is ook te zien in het
Thema 7Oog, oogafwijkingen en oogcorrecties
07-01-2005 10:27 Pagina 1 Oog, oogafwijkingen en oogcorrecties Inleiding Het oog is een zeer gevoelig en bruikbaar optisch instrument. In figuur 2.56 zie je een aantal doorsnedentekeningen van het menselijk
2. Bekijk de voorbeelden bij Ziet u wat er staat? Welke conclusie kun je hier uit trekken?
Hoofdstuk 3 Lichtbeelden 1 Werkboek natuurkunde 3H Inleiding: Zien Op de site van het boek vind je bij Ogentest verschillende links over zien, brillen en lenzen. Je kunt er ook je ogen testen. 1. Doe een
Om sommen met reflectie op te lossen zijn er twee mogelijkheden: 1. Met de terugkaatsingswet: hoek van inval = hoek van terugkaatsing
Inhoud Reflectie...2 Opgave: bundel op cilinder...3 Opgave: Atomic Force Microscope (AFM)...3 straal treft op grensvlak...5 Opgave: door een dikke lens...8 Opgave: Stralengang door een vloeistoflens...9
Basic Creative Engineering Skills
Spiegels en Lenzen September 2015 Theaterschool OTT-2 1 September 2015 Theaterschool OTT-2 2 Schaduw Bij puntvormige lichtbron ontstaat een scherpe schaduw. Vraag Hoe groot is de schaduw van een voorwerp
Stevin vwo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 5 Spiegels en lenzen (22-03-2013) Pagina 1 van 23
Stevin vwo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 5 Spiegels en lenzen (22-03-2013) Pagina 1 van 23 Opgaven 5.1 Spiegeleelden 1 B en C 2 De ander staat 2 + 5 = 7 m voor de spiegel. Haar spiegeleeld staat 7 m achter
3HV H2 breking.notebook October 28, 2015 H2 Licht
3HV H2 breking.notebook October 28, 2015 H2 Licht 3HV H2 breking.notebook October 28, 2015 L1 L2 Wanneer een lichtstraal van het ene materiaal het andere ingaat kan de richting van de lichtstraal veranderen.
2 Terugkaatsing en breking
2 Terugkaatsing en breking Instapvragen bij 2 Hoeveel weet je al van de onderstaande vragen? Noteer je voorlopig antwoord. - Voorwerpen die geen licht geven kunnen we toch zien. Hoe komt dat? - Hoe komt
UITWERKINGEN Examentraining (KeCo) SET-B HAVO5-Na
UITWERKINGEN KeCo-Examentraining SET-C HAVO5-Na UITWERKINGEN Examentraining (KeCo) SET-B HAVO5-Na EX.O... Lichtstraal A verplaatst zich van lucht naar water, dus naar een optisch dichtere stof toe. Er
2 hoofdstuk O. Noordhoff Uitgevers bv
O 2 hoofdstuk O Optica Lichtstralen zijn rechte lijnen die doen denken aan banen van bewegende deeltjes. Zo lijkt een lichtstraal bij een spiegel op de baan van een biljartbal die bij de band van de biljarttafel
Geometrische optica. Hoofdstuk 1. 1.1 Principe van Huygens. 1.2 Weerkaatsing van lichtgolven.
Inhoudsopgave Geometrische optica Principe van Huygens Weerkaatsing van lichtgolven 3 Breking van lichtgolven 4 4 Totale weerkaatsing en lichtgeleiders 6 5 Breking van lichtstralen door een sferisch diopter
Aan de slag met de nieuwe leerplannen fysica 2 de graad ASO GO!
Aan de slag met de nieuwe leerplannen fysica 2 de graad ASO GO! M. Beddegenoodts, M. De Cock, G. Janssens, J. Vanhaecht woensdag 17 oktober 2012 Specifieke Lerarenopleiding Natuurwetenschappen: Fysica
Optica Optica onderzoeken met de TI-nspire
Optica onderzoeken met de TI-nspire Cathy Baars, Natuurkunde, Optica 1. Inhoud Optica... 1 1. Inhoud... 2 2. Spiegeling... 3 2.1 Algemene introductie en gebruik TI-nspire... 3 2.2 Spiegeling... 4 2.3 Definiëren
Reflectie. Om sommen met reflectie op te lossen zijn er twee mogelijkheden: 1. Met de terugkaatsingswet: hoek van inval = hoek van terugkaatsing
Inhoud Reflectie... 2 Opgave: Lichtbundel op cilinder... 3 Lichtstraal treft op grensvlak... 4 Opgave: Breking en interne reflectie I... 6 Opgave: Breking en interne reflectie II... 7 Opgave: Multi-Touch
Tussen een lichtbron en een scherm staat een voorwerp. Daardoor ontstaat een schaduw van het voorwerp op het scherm. lichtbron
Licht: Inleiding Opdracht 1. Schaduw van een lichtbrn Tussen een lichtbrn en een scherm staat een vrwerp. Daardr ntstaat een schaduw van het vrwerp p het scherm. a) Laat zien waar licht p het scherm valt
3 Licht en lenzen. 1 Lichtbreking. Nova. Leerstof. Toepassing
3 Licht en lenzen Lichtreking Leerstof a De normaal is de gestippelde lijn die loodrecht op het grensvlak staat. De lichtstraal wordt naar de normaal toe geroken. c De lichtstraal wordt van de normaal
R.T. Nadruk verboden 57
Nadruk verboden 57 Natuurkunde. Les 29 29,1. Beeldvorming bij de bolle spiegel Fig. 29,1. Fig. 29,2. Fig. 29,3. Bij de bolle spiegel geldt eveneens de formule + =. We rekenen hierbij alle afstanden voor
1 Lichtbreking. BASISSTOF Hoofdstuk 2 Licht. afbeelding 1 Dit effect ontstaat door lichtbreking. normaal
BASISSTOF Hoofdstuk 2 Licht - 1 Lichtbreking Reigers jagen vaak op vis. Als ze er een zien zwemmen, grijpen ze hem razendsnel. Dat is bijzonder knap, want de vis zwemt niet waar ze hem zien. Hoe zit dat?
Een lichtbundel kan evenwijdig, divergent (uit elkaar) of convergent (naar elkaar) zijn.
Samenvatting door R. 1705 woorden 27 januari 2013 5,7 4 keer beoordeeld Vak Natuurkunde 3.2 Terugkaatsing en breking Lichtbronnen Een voorwerp zie je alleen als er licht van het voorwerp in je ogen komt.
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Optische instrumenten. J. Kuiper. Transfer Database
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal Reader Optische instrumenten J. Kuiper Transer Database ThiemeMeulenho ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Algemeen Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs
1 Lichtbreking. afbeelding schematische tekening van Lichtbreking door een perspex blokje
-28 1 Lichtbreking Reigers jagen vaak op vis. Als ze er een zien zwemmen, grijpen ze hem razendsnel. Dat is bijzonder knap, want de vis zwemt niet waar ze hem zien. Hoe zit dat? Breking Je weet dat licht
Lenzen. N.G. Schultheiss
Lenzen N.G. Schultheiss Inleiding Deze module volgt op de module Spiegels. Deze module wordt vervolgd met de module Telescopen of de module Lenzen maken. Uiteindelijk kun je met de opgedane kennis een
4.1.1 Lichtbronnen Benoem de onderstaande lichtbronnen. Opgelet, één van de figuren stelt geen lichtbron voor, welke?
Hoofdstuk 4: Licht 4.1 Voortplanting van licht 4.1.1 Lichtbronnen Benoem de onderstaande lichtbronnen. Opgelet, één van de figuren stelt geen lichtbron voor, welke? We zien allerlei dingen om ons heen,
Examentraining (KeCo) SET-B HAVO5-Na
KeCo-Examentraining SET-C HAVO5-Na 1 Examentraining (KeCo) SET-B HAVO5-Na EX.O.1. 1. Op een wateroppervlak vallen drie rode lichtstralen op de manier zoals weergegeven in onderstaande figuur. Teken het
jaar: 1990 nummer: 08
jaar: 1990 nummer: 08 De figuur toont een blok op een helling. Door de wrijving glijdt het blok niet naar beneden zolang de hellingshoek kleiner is dan een bepaalde waarde Vervang nu het blok door een
Basic Creative Engineering Skills
Visuele Perceptie Oktober 2015 Theaterschool OTT-1 1 Visuele Perceptie Op tica (Gr.) Zien leer (der wetten) v.h. zien en het licht. waarnemen met het oog. Visueel (Fr.) het zien betreffende. Perceptie
Examen Fysica: Inleiding: Wat is fysica?
Fysica: Chemie: Bewegen Een kracht uitoefenen Verdampen Een elektrische stroom opwekken Optica Terugkaatsing van het licht Smelten en stollen Examen Fysica: Inleiding: Wat is fysica? Roesten Omzetting
Handleiding Optiekset met bank
Handleiding Optiekset met bank 112110 112110 112114 Optieksets voor practicum De bovenstaande Eurofysica optieksets zijn geschikt voor alle nodige optiekproeven in het practicum. De basisset (112110) behandelt
1 Lichtbreking. Hoofdstuk 2. Licht
BASISSTOF Hoofdstuk 2 Licht Hoofdstuk 2 Licht Lichtreking a Zie figuur. Zie figuur c Zie figuur. d Ja, de richting is precies dezelfde. 2.t. figuur 2 a Als je recht tegenover het voorwerp staat, dus loodrecht
1.1 Het oog. 1.1.1 Beschermende delen van het oog. Deel 1 Hoe verkrijgen organismen informatie over hun omgeving?
1.1 Het oog 1.1.1 Beschermende delen van het oog Door welke delen worden je ogen beschermd? Vul de juiste benaming in. Geef telkens de functie van de delen. Delen Functie 1 2 3 4 5 6 1.1 Het oog 1 1.1.2
Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Licht als golf en als deeltje. 24 juli 2015. dr. Brenda Casteleyn
Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts Fysica: Licht als golf en als deeltje 24 juli 2015 dr. Brenda Casteleyn Met dank aan: Atheneum van Veurne (http://www.natuurdigitaal.be/geneeskunde/fysica/wiskunde/wiskunde.htm),
Extra oefenopgaven licht (1) uitwerkingen
Uitwerking van de extra opgaven bij het onderwerp licht. Als je de uitwerking bij een opgave niet begrijpt kun je je docent altijd vragen dit in de les nog eens uit te leggen! Extra oefenopgaven licht
Basic Creative Engineering Skills
Visuele Perceptie November 2016 OTT-1 1 Visuele Perceptie Op tica (Gr.) Zien leer (der wetten) v.h. zien en het licht. waarnemen met het oog. Visueel (Fr.) het zien betreffende. Perceptie 1 waarneming
Labo Fysica. Michael De Nil
Labo Fysica Michael De Nil 4 februari 2004 Inhoudsopgave 1 Foutentheorie 2 1.1 Soorten fouten............................ 2 1.2 Absolute & relatieve fouten..................... 2 2 Geometrische Optica
Refractie. Refractieve afwijkingen. Emmetroop oog. Snel Filip 1. Als emmetroop oog nemen we een totale sterkte van 60D. Emmetroop Myoop Hypermetroop
Refractie Refractieve afwijkingen Emmetroop Myoop Hypermetroop Emmetroop oog Als emmetroop oog nemen we een totale sterkte van 60D Evenwijdig invallende lichtstralen komende van ui het oneindige vormen
Proefbeschrijving optiekset met bank 112110
112114 Optieksets voor practicum De bovenstaande optieksets zijn geschikt voor alle nodige optiekproeven in het practicum. De basisset () behandelt de ruimtelijke optiek en de uitbreidingset (112114) de
Handleiding bij geometrische optiekset 112114
Handleiding bij geometrische optiekset 112114 INHOUDSOPGAVE / OPDRACHTEN Algemene opmerkingen Spiegels 1. Vlakke spiegel 2. Bolle en holle spiegel Lichtbreking en kleurenspectrum 3. Planparallel blok 4.
Waarom zien veel mensen onscherp?
Refractie afwijking Waarom zien veel mensen onscherp? Om scherp te zien moeten lichtstralen uit de buitenwereld precies op het netvlies van het oog samenvallen. Het hoornvlies en de lens in het oog zorgen
Basic Creative Engineering Skills
Optische systemen Oktober 2015 Theaterschool OTT-1 1 Optische systemen In het theater: Theaterlampen Projectoren Camera s (foto, video, film) In deze les worden achtereenvolgens behandeld: Eigenschappen
refractie-afwijking patiënteninformatie
patiënteninformatie refractie-afwijking Uw oogarts of orthoptist heeft een refractie-afwijking vastgesteld bij u of uw kind. Dit kan worden gecorrigeerd met een bril of contactlenzen. Wat is een refractie-afwijking?
Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Licht als golf en als deeltje. 4 november Brenda Casteleyn, PhD
Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts Fysica: Licht als golf en als deeltje 4 november 2017 Brenda Casteleyn, PhD Met dank aan: Atheneum van Veurne, Leen Goyens (http://users.telenet.be/toelating)
Thema 3 Verrekijkers. astronomische kijker
07-0-005 0: Pagina Verrekijkers Inleiding Om verre voorwerpen beter te kunnen zien, kun je gebruikmaken van verrekijkers. Die zijn er in vele soorten. De astronomische kijker wordt gebruikt voor het bekijken
Oogheelkunde. Patiënteninformatie. Brilsterkte bij kinderen. Slingeland Ziekenhuis
Oogheelkunde Brilsterkte bij kinderen i Patiënteninformatie Slingeland Ziekenhuis Algemeen Uw kind heeft zojuist een druppeltest (skiascopie) gehad. Uit de test is gebleken dat uw kind een bril nodig heeft
UITWERKINGEN OEFENVRAAGSTUKKEN 5 HAVO. natuurkunde
ITWERKINGEN OEFENVRAAGSTKKEN voor schoolexamen (SE) en examen 5 HAVO natuurkunde katern 2: Licht, elektriciteit en signaalverwerking editie 202-203 ITWERKINGEN OEFENVRAAGSTKKEN voor schoolexamen (SE) en
Docentenhandleiding Oogfunctiemodel
Docentenhandleiding Oogfunctiemodel 300132 De mogelijkheden van het oogfunctiemodel zijn: - beeldvorming, met een positieve lens - gekleurde voorwerpen zien - accommoderen; werking van de ooglens - oogafwijkingen
3.0 Licht 2 www.natuurkundecompact.nl. 3.2 Breking 3.3 a Vergroting b Lenzenformule c Lenzenformule (simulatie) 3.5 Oog en bril (Crocodile)
3.0 Licht 2 www.natuurkundecompact.nl 3.2 Breking 3.3 a Vergroting Lenzenformule c Lenzenformule (simulatie) 3.5 Oog en ril (Crocodile) 1 3.2 Breking www.natuurkundecompact.nl Doel Je onderzoekt hoe lichtstralen
Scherp zien onder water
Scherp zien onder water Keuzeopdracht biologie/natuurkunde voor de bovenbouw Een verdiepende opdracht over de werking van lenzen Voorkennis: het oog; breking van licht; brekingsindex; beeldvorming bij
TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN
TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN Faculteit Technische Natuurkunde Tentamen Golven & Optica 3AA70 Dinsdag 23 juni 2009 van 14.00 tot 17.00 uur Dit tentamen bestaat uit 4 vraagstukken en 5 pagina s met
Refractie-afwijking. Deze folder biedt in informatie over niet-scherp zien ten gevolge van een refractie-afwijking en de mogelijke correctiemiddelen.
Refractie-afwijking Deze folder biedt in informatie over niet-scherp zien ten gevolge van een refractie-afwijking en de mogelijke correctiemiddelen. Hoe vormt een oog een scherp beeld en wat is refractie?
Zintuigelijke waarneming
Zintuigelijke waarneming Biologie Havo klasse 5 HENRY N. HASSENKHAN SCHOLENGEMEENSCHAP LELYDORP [HHS-SGL] Docent: A. Sewsahai Doelstellingen De student moet de verschillende typen zintuigen kunnen opnoemen
FACULTEIT TECHNISCHE NATUURWETENSCHAPPEN Opleiding Technische Natuurkunde TENTAMEN
FACULTEIT TECHNISCHE NATUURWETENSCHAPPEN Opleiding Technische Natuurkunde Vak : Inleiding Optica (146012) Datum : 5 november 2010 Tijd : 8:45 uur 12.15 uur TENTAMEN Indien U een onderdeel van een vraagstuk
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Reflectie en breking. J. Kuiper. Transfer Database
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal Reader Reflectie en breking J. Kuiper Transfer Database ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Algemeen Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs
Niet scherp zien door een refractieafwijking
Oogheelkunde Niet scherp zien door een refractieafwijking www.catharinaziekenhuis.nl Inhoud Bijziendheid... 3 Verziendheid... 3 Astigmatisme... 4 De leesbril... 4 Contactlenzen... 4 Operatie... 5 Vragen?...
FACULTEIT TECHNISCHE NATUURWETENSCHAPPEN. Opleiding Technische Natuurkunde TENTAMEN
FACULTEIT TECHNISCHE NATUURWETENSCHAPPEN Opleiding Technische Natuurkunde TENTAMEN Vak : Inleiding Optica (19146011) Datum : 9 november 01 Tijd : 8:45 uur 1.15 uur Indien U een onderdeel van een vraagstuk
Tentamen Optica. 20 februari Zet je naam, studentennummer en studierichting bovenaan elk vel dat je gebruikt. Lees de 6 opgaven eerst eens door.
Tentamen Optica 20 februari 2007 Zet je naam, studentennummer en studierichting bovenaan elk vel dat je gebruikt. Lees de 6 opgaven eerst eens door. Opgave 1 We beschouwen de breking van geluid aan een
d. Bereken bij welke hoek α René stil op de helling blijft staan (hij heeft aanvankelijk geen snelheid). NB: René gebruikt zijn remmen niet.
Opgave 1 René zit op zijn fiets en heeft als hij het begin van een helling bereikt een snelheid van 2,0 m/s. De helling is 15 m lang en heeft een hoek van 10º. Onderaan de helling gekomen, heeft de fiets
Eindexamen natuurkunde havo I
Opgave 1 Lord of the Flies Lees eerst de tekst in het kader. Er bestaan twee soorten brillenglazen: - bolle (met een positieve sterkte) en - holle (met een negatieve sterkte). In de figuren hiernaast is
Oogheelkunde. adviezen. refractieafwijking. na een hernia-operatie. (bril, contactlens of operatie) ZorgSaam
Oogheelkunde adviezen refractieafwijking na een hernia-operatie (bril, contactlens of operatie) ZorgSaam 1 2 Wat zijn refractie-afwijkingen? Om scherp te zien is het nodig dat lichtstralen uit de buitenwereld
