LEVENSGEMEEN- SCHAPPEN



Vergelijkbare documenten
LEVENSGEMEEN SCHAPPEN

E C O L O G I E Ecologie Factoren die invloed hebben op het milieu: Niveaus van de ecologie:

1. Biotische factoren (zijn afkomstig van andere organismen) - voedsel - soortgenoten - ziekteverwekkers - vijanden

Invloeden uit milieu. In ecologie bestuderen we alle relaties tussen organismen en hun milieu (leefomgeving)

In de ecologie bestudeert men de relatie tussen de organismen en het milieu waar ze voorkomen.

Ecosysteem voedselrelaties

Voedselweb en voedselketen

Inleiding Indeling van het plantenrijk Indeling van het dierenrijk Andere manieren van ordenen Ecologie...

Vragen 1. Welke soorten afval zijn er? Noem bij elk een voorbeeld...

Voedselweb en -keten vmbo-b12. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

Les Koolstofkringloop en broeikaseffect

Aerobe dissimilatie = de afbraak van glucose (maar ook vetzuren en aminozuren) met behulp van zuurstof, waardoor energie vrijkomt om ATP te maken.

Samenvatting Biologie Ecologie Thema 3

Handleiding. Geschikte tijd uitvoering jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec

Samenvatting Biologie Thema 3 Ecologie

Voorbereiding post 2. Hap, ik heb je! Groep 4-5-6

LESPAKKET ECOLOGIE. Naam. Dierenrijk is onderdeel van

Voedselweb en -keten vmbo-kgt12. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

Wie eet wie en wie eet wat?

Verschillende voedselketens

Deel 3: het belang van koraal(riffen)

Opdracht 7.2 Energie een heel lastig onderwerp

LESPAKKET ECOLOGIE. Naam. Dierenrijk is onderdeel van

verwerking : wat is een bos?

Doel: Na deze opdracht weet je wat een voedselkringloop is en hoe het leven van planten en dieren met elkaar samenhangt.

Antwoorden Biologie Thema 3: Ecologie

Voorbereiding post 2. Hap, ik heb je! Groep 7-8

Thema 2 Planten en dieren

STADSBOERDERIJ VOEREN VAN DIEREN

Aantekeningen Hoofdstuk 2: Planten, dieren, mensen KGT

Samenvattingen. Samenvatting Thema 1: Stofwisseling. Basisstof 1. Organische stoffen:

Eindexamen biologie pilot havo I

Ga je mee op watersafari?

De wei een ecosysteem? Plant en dierinteracties in een ecosysteem

Samenvatting Biologie Hoofstuk 6: Ecologie

Wat weet jij over biologisch en over de bodem?

Ecosysteem havo/vwo 3-4

BIOLOGIE Energie & Stofwisseling HAVO Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Lelydorp [HHS-SGL]

Bewoners. Noordzee. Introductie. Als de Noordzee een paspoort zou hebben dan zou het er zo uitzien:

Mens, natuur & milieu

Aantekeningen Hoofdstuk 2: Planten, dieren, mensen BBL. 2.1 Namen 1 Hoe komen planten en dieren aan hun naam? De naam van een plant of een dier kan: *

Ecologie is de wetenschap die relaties tussen organismen en hun omgeving bestudeert

Wie eet wie en wie eet wat?

4 HAVO thema 7 Ecologie EXAMENTRAINER OEFENVRAGEN

Aftekenlijst. Naam:

Organismen die organisch en anorganische moleculen kunnen maken of nodig hebben zijn heterotroof

In planten vindt fotosynthese plaats:

Lesbrief. biologie NATUUR EN MILIEU OPDRACHT 1 - MAASVLAKTE 2

Leskist THEMA-handleiding Ontelbare kringlopen Groep 7 en 8

1 Stoffen worden omgezet. Stofwisseling is het vormen van nieuwe stoffen en het vrijmaken van energie. Kortom alle processen in organismen.

Voedselweb van strand en zee

Duurzame landbouw door bodemschimmels

De kiemplantjes worden misschien niet langer, doordat er al voldoende reservevoedsel in de zaadlobben aanwezig is.

Competentie: Leergebied: Zuid Nederland. Constructies

Winterslaap. Met filmpjes, werkblad en puzzels. groep 5/6. uitgave januari 2013

Lesbrief. biologie NATUUR EN MILIEU OPDRACHT 1 - MAASVLAKTE 2

bron van leven en ontwikkeling

Leerlingenmateriaal II: Practicum, wat gebeurt er met moleculen en energie in een

Voeding. Voor klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs

DE DAPPERE REIZIGER WERKBLAD DE STEKELBAARS: 1. DE STEKELBAARS IN BEELD 2. DAPPERE REIZIGER. De stekelbaars is een veelvoorkomend visje in Nederland.

Samenvatting Biologie Blok 5

Winterslaap. groep 5/6

1e klas. BiNaSch slootwateronderzoek. Deze reader is van: Scala Rietvelden Vakgroepen natuurkunde, scheikunde en biologie 1e klas. Klas:.

Werkblad - Les 2 - Waterbouw en ecologie

Voedselweb en voedselketen vmbo-kgt34

In de troebele sloot kunnen daarentegen geen boten varen en deze zal dus, volgens ons, veel minder vervuild zijn.

Voedselweb en voedselketen vmbo-b34. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

LESBRIEF ONDERBOUW VOORTGEZET ONDERWIJS - VMBO - BIOLOGIE OPDRACHTEN

Biologie ( havo vwo )

Pilobolus. sporenkanon

Cellen aan de basis.

Afhankelijk van de natuur vmbo-b12. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

Abiotische factoren: alle invloeden uit de levenloze natuur (temperatuur, wind, licht)

Kernvraag: Hoe maken we dingen warmer?

Kernvraag: Hoe ziet een afkoelingsgrafiek eruit?

LESBRIEF ONDERBOUW VOORTGEZET ONDERWIJS - HAVO - BIOLOGIE OPDRACHTEN OPDRACHT 1 - MAASVLAKTE 2

LESBRIEF ONDERBOUW VOORTGEZET ONDERWIJS - VMBO - BIOLOGIE ANTWOORDEN OPDRACHT 1 - MAASVLAKTE 2

5. Hoe komt het dat de brulkikker niet meer in Nederland voorkomt?

Levenskenmerken vmbo-b34

1 H1 De dierenwinkel (1): Biotische en abiotische factoren

Een stof heeft altijd stofeigenschappen. Door hier gebruik van te maken, kun je stoffen makkelijk scheiden.

Introductieles. Vogels in de klas. groep 5/6. Handleiding leerkracht. Inhoud in het kort. Kerndoelen. Lesdoelen

SAFARIPARK BEEKSE BERGEN

Naut, Thema 2; Planten en dieren

Introductieles. Vogels in de klas. groep 7/8. Leerkracht. Inhoud in het kort. Kerndoelen. Lesdoelen

Experimenten KIT. werkboekje. Dokter in de wetenschap: Klas:

door dik en dun WERKBLAD 1. WIE EET WIE? Bekijk de clip Wat is een voedselweb?

BIOLOGIE Thema: Stofwisseling Havo

Inleiding In het najaar worden de dagen steeds korter en de nachten steeds langer. Kun je je voorstellen dat je in de maand november naar bed gaat?

Wie eet wie en wie eet wat?

Plant in de klas Instructieblad leerkracht Groep 6/7/8

Hieronder staan een aantal voorbeelden van ecosystemen.

Het rijk van de schimmels

Het onderzoek van de burgemeester 5/6

SPREEKBEURT MAANVIS VISSEN OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN. l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n

Dieren in de Winter. Inleiding: 2012 Minka Dumont Vaardigheden: Onderzoeksvaardigheden.

Verschillende eters vmbo-b34. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

Practicum: Het ontkiemen van zaadjes

Voeding. klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs

RESEARCH & DESIGN. keuzeonderzoeken. Verwondering: het begin van wetenschap. klas 1 havo/atheneum , periodeboek 1A:

Transcriptie:

LEVENSGEMEEN- SCHAPPEN 1 E e n e i g e n h u i s, e e n p l e k o n d e r d e z o n O:18/1 Je ziet hier een aantal planten en dieren. In welke gebieden horen ze thuis? Trek een lijn van de plant of het dier naar het gebied waar ze voorkomen. Afbeelding 18/1

O:18/2 a Wat versta je onder het milieu? b Leg uit wat een ecosysteem is. c Noem twee voorbeelden van een ecosysteem. 1 2 O:18/3 O:18/4 In welke regel wordt een voorbeeld van een populatie genoemd? A koeien in een weiland B koeien en paardebloemen in een weiland a Wat versta je onder een levensgemeenschap? b Geef een voorbeeld van een levensgemeenschap in een grote vijver. Afbeelding 18/2 L e e s v e r d e r i n j e t e k s t b o e k

O:18/5 a Welke organismen kunnen van anorganische stoffen een organische stof maken? b Welke anorganische stoffen worden daarbij gebruikt? c Welke organische stof wordt er dan gemaakt? O:18/6 a Hoe worden planten ook wel genoemd? Waarom? omdat b Zijn andere organismen van planten afhankelijk? ja/nee c Hoe worden planteneters en vleeseters genoemd? d Bacteriën en schimmels worden genoemd. O:18/7 a Welke taak hebben reducenten? b Zijn reducenten in de kringloop van stoffen onmisbaar? ja/nee O:18/8 Vul in. a Planten maken glucose uit en b Uit de bodem nemen ze bovendien op. Zo maken ze dus uit organische/anorganische stoffen, op. Zo maken ze en. c Dieren nemen met hun voedsel voornamelijk organische/anorganische stoffen op. Ze bouwen er hun eigen organische/anorganische stoffen van. d Dode planten en dieren bevatten veel organische/anorganische stoffen. leven van deze stoffen. Uiteindelijk blijven alleen organische/anorganische stoffen over. e Zo ontstaat een.

O:18/9 Afbeelding 18/3 a Hierboven zie je een voedselweb. Noteer twee voedselketens die uit drie schakels bestaan. 1 2 b Welke organismen staan altijd aan het begin van een voedselketen? O:18/10 a Zet de volgende organismen in een voedselweb: muis, torenvalk, tarwe, vink, kat

b Voeg zelf nog drie soorten aan het web toe. c In welk ecosysteem kun je dit voedselweb vinden? A in een naaldbos B op een akker C in een waddengebied D in een rivierlandschap L e e s v e r d e r i n j e t e k s t b o e k 2 K r i n g l o p e n O:18/11 Vul het schema van de koolstofkringloop aan met de woorden fotosynthese, verbranding, koolstofdioxide, glucose. Afbeelding 18/4 O:18/12 Wat stellen de volgende cijfers in afbeelding 18/5 voor? Afbeelding 18/5 1: 5: 2: 6: 3: 7 4:

O:18/13 a Planten maken eiwitten. Wat zijn de grondstoffen hiervoor? b Dieren maken ook eiwitten. Uit welke grondstoffen? O:18/14 Willem heeft een aquarium. Hij is een beginner. De bak is eenvoudig: een bodem, wat planten en een paar vissen. Hij voert de vissen iedere dag. Afbeelding 18/6 a Op welke manieren komen er organische stoffen in het water? 1 2 3 b In het water ontstaat ammoniak. Bij welk proces ontstaat dat? c Waarom is het belangrijk dat deze stof snel verdwijn? d Welke organismen zorgen voor de omzetting van ammoniak? e Wat is het eindproduct van deze omzetting? f Wat gebeurt er in het aquarium met die stof?

g Hieronder zie je de stikstofkringloop in Willems aquarium. De pijlen ontbre-ken. Zet ze op de goede plaats. Afbeelding 18/7 h Willem wil meer vissen in zijn bak. Hij heeft gelezen dat hij dan een filter en een luchtpomp nodig heeft. Waarvoor dienen deze? Het filter om, de pomp om. L e e s v e r d e r i n j e t e k s t b o e k 3 P i r a m i d e s O:18/15 Streep de foute woorden door: Uit een voedselketen verdwijnt energie. Dat komt doordat: a planten alle vastgelegde zonne-energie/een deel van de vastgelegde zonne-energie gebruiken om weefsel op te bouwen. b planteneters de hele plant/maar een deel van de plant eten. c vleeseters het hele dier/maar een deel van het dier eten. d consumenten een deel van het voedsel/al hun voedsel kunnen verteren. e consumenten een deel van de energie/alle energie gebruiken voor het opbouwen van weefsel.

O:18/16 a Wat versta je onder biomassa? b Van welk deel in een voedselpiramide is de biomassa het grootst? c Waaruit bestaat de top van een voedselpiramide? Een producent/consument/reducent. O:18/17 De afbeelding laat de hoeveelheid energierijke stoffen in een voedselketen zien. Afbeelding 18/8 a In welke stoffen leggen de groene planten zonne-energie vast? b Waardoor wordt de hoeveelheid energierijke stoffen in elke schakel minder? Noem twee oorzaken. 1 2 L e e s v e r d e r i n j e t e k s t b o e k 4 B i o l o g i s c h e v e n w i c h t O:18/18 We kijken nog even naar het voedselweb uit O:18/10. a Waarvan is het aantal muizen in het ecosysteem afhankelijk?

b Waarvan is het aantal torenvalken afhankelijk? c In deze tekening zie je het aantal murzen en torenvalken uitgezet in de tijd. Is het aantal muizen elk jaar hetzelfde? ja/need Afbeelding 18/9 d Wat gebeurt er met het aantal muizen toeneemt? aantal torenvalken als het e Welk gevolg heeft dat voor het aantal muizen? f Waardoor zijn er in jaar 5 weinig torenvalken? g Welk bijschrift of welke titel zou je bij deze tekening zetten? We bekijken een eenvoudige voedselketen: O:18/19 Afbeelding 18/10 a Elke zomer zijn er muggenlarven in het water te vinden. Elke zomer zijn dat er ongeveer evenveel. Maar dit jaar zijn er opeens veel meer. Welke twee verklaringen kun je daarvoor geven? 1 2

b De omstandigheden voor de muggenlarven zijn blijkbaar 'optimaal'. Wat wordt daarmee bedoeld? c Je wilt het aantal muggenlarven op een natuurlijke manier terugbrengen. Wat kun je doen? O:18/20 Lees het stukje over de grijze eekhoorn. Vragen 1 In het stukje worden enkele factoren genoemd die het succes van de grijze eekhoorn verklaren. Welke zijn dat? 1 2 3 2 Zijn dit biotische of abiotische factoren? biotische/abiotische factoren 3 Een 'levensvatbare populatie' is een populatie die groot genoeg is om 4 Als je de rode eekhoorn betere kansen zou willen geven, wat zou je dan kunnen doen?

5 In Engeland heeft men voor dit doel speciale voedselhouders gemaakt. Om het voedsel te bereiken moet het dier een valluik passeren. Bij een gewicht van meer dan 300 gram klapt het valluik open. Eekhoorns kunnen gelukkig goed vallen. 6 a Welke eekhoorns kunnen wel bij het voedsel? b Wat vind je van de bescherming van de rode eekhoorn? O:18/21 a Welke abiotische factoren hebben op dit moment invloed op jou? b Welke biotische factoren hebben op dit moment invloed op jou? c Mensen kunnen deze factoren be'invloeden. Hoe worden op dit moment de abiotische factoren in je omgeving beinvloed? L e e s v e r d e r i n j e t e s k t b o e k

5 H o e g r o o t z i j n d e l e v e n s k a n s e n? O:18/22 Voor een bepaalde plant geldt: Bij 5 C is er geen merkbare groei. Bij 10 C is de groei 1,5 cm per week. Bij 15 C is de groei 3 cm per week. Bij 20 C is de groei 4 cm per week. Bij 25 C is de groei 2 cm per week. Bij 30 C is de groei 1 cm per week. Bij 35 C is er geen merkbare groei. a Teken de optimumgrafiek. Afbeelding 1 8 / 1 2 b Om welk levensproces gaat het hier? c Welke abiotische factor wordt bekeken? d De maximumwaarde is, de minimumwaarde is, de optimumwaarde is--------------------- e Welke abiotische factoren spelen nog meer een rol bij de groei?

O:18/23 In 1994 heerste op verschillende plaatsen een plaag van stippelmotten. Ook in de Stadhouderslaan in Leiden. In juni werden in enkele dagen alle vogelkersen in deze laan kaalgevreten. Kort voor de verpopping vreten de rupsen van deze vlinders heel veel. Veel rupsen gaan dan dood van de honger, maar een klein deel overleeft. Mensen denken dat de enorme vraat Afbeelding 18/13 nadelig is voor de bomen, maar dat valt erg mee. De rupsen verpoppen in juni. De bomen lopen opnieuw uit en hebben nog voldoende tijd om voedsel op te slaan voor de volgende winter, a Er waren dat jaar veel rupsen. Hoe zou dat komen? Geef ten minste twee verklaringen. 1 2 b Waardoor wordt het aantal rupsen meestal in juni minder? c Was dat in dit geval ook zo? ja/nee d Omdat alle eigendommen van de bewoners (auto's) met spinsel werden bedekt, heeft men geprobeerd de rupsen met een brandspuit te verwijderen. Dat lukte niet. Een bacteriologisch middel had meer succes. Maar niet alle rupsen gingen dood. Zal er het jaar daarna weer een plaag geweest zijn? Waarom wel of waarom niet? O:18/24 Je ziet hier een etiket op de verpakking van een plant, een kalanchoe. a Op welke plaats kun je de plant het beste zetten? zon/schaduw/half-schaduw b Welke temperatuur is voor de plant optimaal? C. c Hoeveel water moet de plant hebben? veel/weinig/middelmatig d Hoeveel mest (mineralen) is voor de plant gunstig? veel/middelmatig/iveinig e Mag de plant op de tocht staan? ja/nee f Is besproeien goed voor de plant? ja/net g Waar zal deze plant geplaatst moeten worden, in de huiskamer of in de ruin? huiskamer/tuin Afbeelding 18/14

O:18/25 Soms zou je de natuur een handje willen helpen. In Nederland kunnen veel soorten zich niet meer goed verspreiden. Autowegen, kanalen of steden maken dat onmogelijk. Je kunt planten en dieren dan brengen naar een gebied waar ze van nature voorkomen. Je kunt in dat gebied ook maatregelen nemen om de kansen voor een soort te vergroten. Je moet dan wel precies weten welke eisen zo'n soort stelt. We noemen dit natuurontwikkeling. Hoe ga je dan te werk? 1 Kies een bepaalde soort die in het gebied thuishoort. 2 Vind uit welke eisen de soort stelt (nestgelegenheid, voedsel, schuilplaats, bodem). 3 Kijk wat er in het leefgebied ontbreekt voor deze soort. 4 Zoek daar een natuurlijke of kunstmatige oplossing voor. Welke oplossing kun jij bedenken voor a Vogels die in holle bomen nestelen (mezen). b Vogels die hun eieren leggen in holtes in een steile zandoever (oeverzwaluwen). c Weidevogels (grutto, kievit) die eieren in maailand leggen. d Vleermuizen die in grotten overwinteren. e Kikkers die hun eieren in stilstaand water leggen. f Ringslangen die hun eieren in mesthopen leggen. g Paddestoelen die op dood hout groeien. h Planten die op voedselarme grond groeien. i Muurplanten die op muren met zacht cement groeien. L e e s v e r d e r i n t h e t e k s t b o e k

E x t r a o p d r a c h t e n E:18/26 Eigen onderzoek In deze opdracht ga je zelf onderzoek doen naar de invloed van abiotische factoren op de kieming van zaden. Geschikte zaden zijn: tuinkers, radijs, brassica. Om te zaaien kun je petrischalen gebruiken met daarin een laagje watten. Wat moet je doen? - Bedenk eerst de vraagstelling. - Welk antwoord verwacht je (hypothese)? Schrijf ook kort op waarom je dat verwacht. - Maak nu een proefopzet. Bedenk welk materiaal je nodig hebt en hoe je de proef precies gaat uitvoeren. Denk ook aan een blanco-proef. - Schrijf de vraagstelling, de hypothese en de proefopzet op een papier en lever dit in bij je docent. - Als je proefopzet is goedgekeurd, ga je de proef uitvoeren. - Doe waarnemingen en noteer de resultaten. Misschien kun je de resultaten ook verwerken tot een tabel of een grafiek. Vraag eventueel aan je docent het werkblad 'Verwerking van gegevens met de computer'. - Trek conclusies uit je waarnemingen. Maak een verslag van de proef. Zorg dat alle cursief gedrukte woorden uit de opdracht in je verslag terugkomen. E:18/27 We bekijken een eenvoudige voedselketen in een ecosysteem: gras - sprinkhaan - kikker - zalm - mens a Als een mens van zalm alleen zou leven, zou hij er elke dag een moeten eten. Dat is 365 per jaar. Elke zalm zou per dag een kikker moeten eten. Elke kikker heeft elke dag een sprinkhaan nodig. Elke sprinkhaan heeft 30 gram gras nodig. Hoeveel kg gras is er per jaar nodig om op deze manier een mens te voeden met zalm? x x x = kg. b c Van die enorme hoeveelheid gras kan dus maar één mens leven. Als we de voedselketen verkorten, wordt het anders. Als mensen in plaats van zalmen kikkers zouden eten, kunnen er aan de top van de piramide meer/minder mensen staan. Stel dat de mensen gras zouden eten en aan een kilo gras per persoon per dag voldoende zouden hebben. Hoeveel mensen zouden er dan in dit ecosysteem kunnen leven? d De conclusie is dat hoe korter/langer de voedselketen, hoe meet-/minder energie er verloren gaat en hoe meer/minder organismen er aan de top van de piramide kunnen staan.

E:18/28 Bekijk afbeelding 18/15 Afbeelding 18/15

a Op welke twee soorten organismen wordt meer gevist dan vroeger? en b Welke rol speelt de zeekomkommer in het ecosysteem? 1 2 c Noem twee groepen dieren die door het verdwijnen van de zeekomkommer in aantal achteruitgaan. 1 2 d De bevolking van de eilanden is gegroeid. Hoe komt dat? e Wat willen deze mensen? f Wat vind je van hun eisen? E:18/29 Koolstofkringloop 1: vastleggen van koolstof In dit experiment ga je onderzoeken welke factoren van invloed zijn op de toename van de biomassa. Wat heb je nodig? 1 snelgroeiende waterplanten (bijvoorbeeld draadalg) 2 twee bekerglazen 3 huishoudfolie 4 lamp 5 Spa-rood 6 kookplaatje 7 weegschaal Wat moet je doen? - Kook de helft van de Spa-rood gedurende enkele minuten. Laat het afkoelen tot kamertemperatuur. - Nummer de bekerglazen. Vul het ene bekerglas voor de helft met gekookt Sparood, het andere met ongekookt. - Weeg de waterplanten en doe in elk bekerglas evenveel. Noteer het gewicht van de planten in elk bekerglas. - Sluit de bekerglazen af met folie en zet ze in het licht. - Vergelijk na een week door weging de biomassa in de bekerglazen. Noteer de resultaten.

Vragen 1 Wat is bij dit onderzoek de vraagstelling? 2 Welk antwoord verwacht je? 3 a Wat is biomassa? b Is in beide bekerglazen de biomassa toegenomen? 4 Hoe is het verschil te verklaren? 5 Welke stof uit het water is door de planten 'vastgelegd'? E:18/30 Koolstofkringloop 2: vrijmaken van koolstof In dit experiment ga je de omzetting van organische stoffen door reducenten onderzoeken. Wat heb je nodig? 1 verse aarde uit de tuin 2 drie weckflessen 3 drie bekerglazen die in de weckflessen passen 4 kalkwater 5 kookplaatje 6 verdund suikerwater Wat ga je doen? - Verdeel de tuinaarde in drie gelijke porties. - Nummer de weckflessen. - Verhit de eerste portie gedurende vijf minuten, al roerend. Doe deze aarde in de eerste weckfles. - Doe evenveel tuinaarde in de tweede weckfles en maak de aarde vochtig met suikerwater. - Doe de laatste portie in de derde weckfles en maak deze aarde vochtig met water. - Zet in elke weckfles op de aarde een bekerglas met kalkwater. - Sluit de weckflessen en zet ze op een warme plaats. - Vergelijk de flessen in de volgende twee lessen en noteer de verschillen. Vragen 1 Het kalkwater wordt troebel. Wat kun je daaruit afleiden?

2 In welke fles verwacht je de minste troebeling? In fles, omdat 3 In welke fles verwacht je de meeste troebeling? In fles, omdat 4 Klopt de waarneming met de verwachting? 5 Is er verschil in condensvorming tussen de drie flessen? Zo ja, geef een verklaring.