Deel Internationaal belastingrecht



Vergelijkbare documenten
Deel Internationaal belastingrecht

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Lijst van verdragen op alfabetische volgorde: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Uitwisseling van bankinlichtingen Kalender van onderhandelingen (art. 26 OESO)

Voorkoming van dubbele belasting. Voorkoming onder de toepassing van de belastingverdragen

Vragen en antwoorden over fiscale partnerregeling en heffingskortingen

Uitwisseling van bankinlichtingen Kalender van onderhandelingen (art. 26 OESO)

Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011

Besluit van PM DATUM [CONCEPT] tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen

Uitwisseling van bankinlichtingen Kalender van onderhandelingen (art. 26 OESO)

Uitwisseling van bankinlichtingen Kalender van onderhandelingen (art. 26 OESO)

138 De Pensioenwereld in 2014

Besluit voorkoming dubbele belasting 2001

A. WINST UIT ONDERNEMING: HOOFDSTUK 3 VPB BESCHRIJFT HET OBJECT VOOR DE

VERTALING. Artikel 2 van de Overeenkomst wordt opgeheven en vervangen door het volgende :

Uitzending van personeel

I. OVEREENKOMSTEN. van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Blok 11. IS 2: dubbele belasting en de Spaanse holding (ETVE). Deelnemingen, deelnemingsvrijstelling of voorkoming van dubbele belasting.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Wijziging Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

.., Algemene Rekenkamer. belastingontwijking in relatie tot de fiscale regels en het verdragennetwerk

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Inhoudsopgave Introductie De bronnen van het IBR en de samenhang daartussen

NOTA VAN TOELICHTING. 1 Voor lichamen die in de BES eilanden zijn gevestigd worden twee nieuwe fiscale heffingen ingevoerd ter

Aftrek om dubbele belasting te voorkomen

Datum 15 december 2017 Betreft Brief naar aanleiding van plenaire behandeling pakket Belastingplan 2018

Checklist - Grensoverschrijdende arbeid

Besluit van PM datum tot wijziging van de Belastingregeling voor het land Nederland

Besluit van tot vaststelling van het besluit ter voorkoming van dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit ter voorkoming dubbele belasting BES)

De 30-dagenregeling: Revisited

Auteur. Federale Overheidsdienst Financiën. Onderwerp

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht

Instelling. Onderwerp. Datum

Auteur. Federale Overheidsdienst Financiën. Onderwerp

Het verrekenen van buitenlandse dividendbelasting

Fiscale aspecten van uw tweede woning in Nederland, op Bonaire & op Curaçao. Second Home oktober Utrecht. Maurice De Clercq

Berekening inkomsten naar Duitse fiscale maatstaven

Regelingen en voorzieningen CODE

Het voorstel van rijkswet wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel b, aanhef, wordt de komma aan het slot vervangen door een dubbele punt.

Statistiek internationale kinderontvoering 2008

Statistiek internationale kinderontvoering 2008

Nederland belastingparadijs voor uw 2 e en 1 e woning

Internationaal Belastingrecht

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten:

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

nr. 726 van ORTWIN DEPOORTERE datum: 27 juni 2017 aan JO VANDEURZEN Kinderbijslag - Kinderen in het buitenland

Voorkoming van dubbele belasting. Voorkoming onder de toepassing van de belastingverdragen

TWEEDE PROTOCOL TOT WIJZIGING VAN DE OVEREENKOMST TUSSEN DE REGERING VAN BELGIE DE REGERING VAN NIEUW-ZEELAND TOT HET VERMIJDEN VAN DUBBELE BELASTING

Directoraat-generaal Belastingdienst, Cluster Fiscaliteit. Besluit van 26 april 2013, nr. DGB 2013/201M

Aanvullende toelichting Belasting berekenen bij emigratie of immigratie in 2016

DUBBELBELASTINGVERDRAGEN EN DE KUNSTENAAR PROGRAMMA BOEK. webinar maandag 18 september Dr. Dick Molenaar

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Aftrek om dubbele belasting te voorkomen

Brondatum:

1. Inleiding. 2. Uitgangspunt

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID OPENBARE INSTELLING VAN SOCIALE ZEKERHEID ADMINISTRATIEVE INSTRUCTIES RSZ. R S Z Kwartaal:

nr. 272 van ORTWIN DEPOORTERE datum: 23 januari 2018 aan JO VANDEURZEN Kinderbijslag - Kinderen in het buitenland

Circulaire 2018/C/94 betreffende het vrijstellingsmechanisme in de internationale belastingverdragen

TRACTATENBLAD VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN. JAARGANG 2006 Nr. 256

1/2. Staten-Generaal. Vergaderjaar BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN. Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der

Handels- en investeringscijfers Kenia-Nederland juli 2019

JAAROVERZICHT 2010 gedetailleerd per Categorie, Regio en Land Bron: CBS

Regeling met België inzake ontslaguitkeringen

JJJ. de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs INTERNATIONALE ASPECTEN VAN DE FORFAITAIRE RENDEMENTSHEFFING

NL Publicatieblad van de Europese Unie L 157/ 106. RICHTLIJN 2004/76/EG VAN DE RAAD van

Inhoud. Inleiding belastingrecht 19. Deel 1 Inkomstenbelasting 26. Lijst van afkortingen 15. Studiewijzer 17

Bijlage. 3 - meename door moeder meename door beiden meename door derde(n)

Fiscale aspecten van uw tweede woning in Turkije

AANBEVELING VAN DE COMMISSIE. van over agressieve fiscale planning

Hoofdlijnen van het Nederlands belastingrecht

Berekening zorgtoeslag 2013

TOELICHTEND INFORMATIEMEMORANDUM. met betrekking tot de vergadering van participanten van Sustainable Values Fund

Datum van inontvangstneming : 28/05/2015

Inhoud. Lijst van afkortingen 13. Studiewijzer 15. Inleiding belastingrecht 17. Deel 1 Inkomstenbelasting 24

Fiscale aspecten van uw tweede woning in Nederland en op Bonaire. Second Home maart Utrecht. Robert van Beek

Aanvullende toelichting Belasting berekenen bij emigratie of immigratie in 2015

Fiscale aspecten onroerende zaken in box 3

Handels- en investeringscijfers Tunesië-Nederland 1

Handels- en investeringscijfers Zweden-Nederland 1

Handels- en investeringscijfers Luxemburg-Nederland 1

Dit besluit vervangt het Besluit van 31 december 2015, nr. DGBel 2015/5911M, Stcrt. 2015, nr n1

Handels- en investeringscijfers Rusland-Nederland 1

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Handels- en investeringscijfers Hongarije-Nederland 1

Handels- en investeringscijfers België-Nederland 1

Fiscale aspecten van uw tweede woning in Nederland en op Bonaire. Second Home september Utrecht. Robert van Beek

Eerste Kamer der Staten-Generaal

INKOMSTENBELASTING. Inkomstenbelasting Art. 1.1 Onder de naam inkomstenbelasting wordt een belasting geheven van natuurlijke personen.

Handels- en investeringscijfers Kroatië-Nederland 1

Samenvatting. Kamerstukken II 1987/88, , nr. 2. Kamerstukken II 1996/97, , nr. 1. Kamerstukken II 1997/98, , nr. 4.

Fiscale aspecten van aandelenvennootschappen met een dubbele vestigingsplaats

Kort Nieuws. Met name uit Nederland. Grensoverschrijdende inbreng in een BV: Eeuwigdurend geconserveerd bedrag mag Hoge Raad, 13 december 2013

Nieuw belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van toepassing vanaf 1 januari 2016

Handels- en investeringscijfers Libië-Nederland 1

Handels- en investeringscijfers Colombia-Nederland 1

Transcriptie:

Deel Internationaal belastingrecht 1 Korte schets internationaal belastingrecht 2 Nederlandse eenzijdige regelingen 3 Methode van berekening van aftrek 4 Verdragen 5 Verdeling van heffingsrechten 6 Bijzondere bepalingen 7 Overgangsrecht Veel belastingplichtigen krijgen te maken met het internationale belastingrecht. Het internationale belastingrecht is belangrijk voor bijna alle personen die in het ene land wonen en inkomsten ontvangen uit een ander land. Gedacht kan worden aan een ondernemer met klanten in het buitenland die hem betalen voor zijn diensten of aan een ondernemer die uit het buitenland royalty s ontvangt voor het gebruik van een patent, maar ook aan iemand die na zijn pensioen verhuist naar Zuid-Frankrijk en daar leeft van een Nederlands pensioen en een Nederlandse AOW-uitkering. Zulke personen kunnen te maken krijgen met belastingheffing door verschillende landen. Indien door beide landen over dezelfde inkomstenbelasting wordt geheven van dezelfde persoon, is sprake van (juridische) dubbele belasting. Deze dubbele belasting ontstaat als de twee landen verschillende uitgangspunten hanteren bij de belastingheffing. Bij dubbele belasting spelen drie beginselen een belangrijke rol. De belangrijkste twee zijn het woonplaatsbeginsel en het situs- of bronbeginsel. Daarnaast bestaat nog het nationaliteitsbeginsel, dat minder belangrijk is in Nederland maar in de Verenigde Staten van grote betekenis is. Dubbele belasting kan worden voorkomen door het maken van (bilaterale) afspraken met andere landen. Deze afspraken zien op een verdeling tussen de landen van de rechten om over bepaalde inkomsten belasting te heffen. Deze afspraken worden doorgaans vastgelegd in verdragen. Wanneer er geen verdrag is gesloten met een land of slechts een verdrag is gesloten op bepaalde terreinen zoals scheep- en luchtvaartwinsten, kan dubbele belasting worden voorkomen doordat Nederland eenzijdig een vermindering van dubbele belasting verleent. Ten slotte kan in een verdragsloze situatie de buitenlandse belasting als kostenpost in aanmerking worden genomen. Voor het internationale belastingrecht zijn ook de paragrafen die de buitenlandse belastingplicht in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting behandelen van betekenis. Daarnaast bevat de Wet IB in art. 2.5 een bepaling die buitenlandse belastingplichtigen in de inkomstenbelasting de mogelijkheid biedt te kiezen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen. Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 1

1 Korte schets internationaal belastingrecht 1.1 Beginselen 1.2 Dubbele belasting 1.3 Woonplaats of dubbele woonplaats In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de kenmerken van het internationale belastingrecht. We beantwoorden de vragen wat de in het internationale belastingrecht geldende beginselen zijn, hoe dubbele belasting ontstaat en op welke wijze dubbele belasting wordt voorkomen, en wanneer sprake is van een dubbele woonplaats. 1.1 Beginselen In het internationale belastingrecht worden drie beginselen gehanteerd op grond waarvan belasting wordt geheven over het inkomen: het woonplaatsbeginsel (subpar. 1.1.1); het nationaliteitsbeginsel (subpar. 1.1.2); en het situs- of bronbeginsel (subpar. 1.1.3). 1.1.1 Woonplaatsbeginsel Het woonplaatsbeginsel sluit aan bij de fiscale woonplaats van een persoon en gaat uit van de subjectieve band die een persoon met een staat heeft. Natuurlijke personen die in Nederland wonen en rechtspersonen die in Nederland zijn gevestigd, moeten over hun gehele inkomen, waar ter wereld ook verkregen, in Nederland belasting betalen. Deze onbeperkte binnenlandse belastingplichten staan voor natuurlijke personen beschreven in art. 2.1 lid 1 onderdeel a Wet IB en voor rechtspersonen in art. 2 Wet Vpb. Uit de hoofdstukken 3, 4 en 5 Wet IB blijkt verder dat voor binnenlandse belastingplichtigen niet de beperking is gesteld dat de belastbare inkomens uit werk en woning, uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen Nederlands inkomen moeten zijn. De Wet Vpb bevat in art. 7 e.v. bepalingen met dezelfde strekking. Inwoners van Nederland zijn dus belastingplichtig voor hun wereldinkomen. 1.1.2 Nationaliteitsbeginsel Net als het woonplaatsbeginsel gaat ook het nationaliteitsbeginsel uit van een subjectieve band die een persoon met een staat heeft. De praktische toepassing van dit beginsel levert echter veel problemen op. Een Nederlander die in Frankrijk woont en zijn hele inkomen in dat land verwerft, is voor de Nederlandse belastingdienst moeilijk te bereiken. Toch is dit beginsel in de Nederlandse wet op enkele plaatsen terug te vinden. In art. 2.2 Wet IB worden bepaalde personen met de Nederlandse nationaliteit als inwoner van Nederland aangemerkt en daardoor in Nederland voor hun wereldinkomen belast. De Nederlanders die op grond van art. 2.2 Wet IB als binnenlands belastingplichtigen worden belast, zijn diplomaten en andere uitgezonden ambtenaren die ten gevolge van internationale overeenkomsten in het land waarnaar zij zijn uitgezonden, niet in de belastingheffing mogen worden betrokken. In art. 2 Wet LB is een soortgelijke bepaling opgenomen. Een ander voorbeeld is art. 3 Successiewet, waarin staat dat een Nederlander die in Nederland heeft gewoond en die binnen tien jaar na zijn vertrek uit Nederland overlijdt, geacht wordt op het moment van overlijden nog in Nederland te hebben gewoond. 1.1.3 Situsbeginsel Het bronstaat- of situsbeginsel gaat uit van een objectieve band. Inkomen dat een bepaalde relatie heeft met het grondgebied van een staat, wordt in die staat belast. Nederland past dit uitgangspunt toe bij de belastingheffing van buitenlandse 2 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

belastingplichtigen. In art. 7.1 Wet IB staat dat buitenlandse belastingplichtigen alleen voor hun Nederlandse inkomen worden belast, dat bestaat uit het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland. Wat onder het Nederlandse inkomen valt, is geregeld in de afdelingen 2 t/m 4 van hoofdstuk 7 Wet IB. Voor de inkomensbestanddelen die deel uitmaken van het Nederlands inkomen, geldt dat zij een bepaalde binding met het Nederlandse grondgebied hebben. Een voorbeeld betreft de inkomsten uit onroerende zaken die in Nederland zijn gelegen (art. 7.7 lid 2 onderdeel a Wet IB). In de vennootschapsbelasting (art. 17 lid 3 Wet Vpb) wordt voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verwezen naar de inkomstenbelasting. 1.2 Dubbele belasting De hiervoor genoemde drie beginselen worden ook door veel andere landen gehanteerd. Daardoor treedt bij activiteiten over de grens snel dubbele belastingheffing op. Dit is onder andere het geval wanneer binnenlandse belastingplichtigen die op grond van het woonplaatsbeginsel in Nederland worden belast voor hun wereldinkomen, buitenlands inkomen krijgen waarvoor zij in het buitenland op grond van het bronstaat- of situsbeginsel belastingplichtig zijn. Voorbeeld Een inwoner van Nederland die in België werkt, zou zonder nadere voorzieningen voor zijn salaris zowel in Nederland worden belast (woonplaatsbeginsel) als in België (bronstaat- of situsbeginsel). Dubbele belasting kan ook plaatsvinden bij de indirecte en zakelijke belastingen, maar dit komt niet vaak voor omdat bij deze belastingen het belastbaar feit het uitgangspunt is voor de heffing. Overdrachtsbelasting wordt bijvoorbeeld geheven over de verkrijging van onroerende zaken in Nederland. Het lijkt onwaarschijnlijk dat het buitenland op dat moment eenzelfde soort heffing toepast. Wanneer het belastbaar feit echter door diverse landen verschillend wordt gedefinieerd, kunnen moeilijkheden ontstaan. Dat is de reden dat binnen de EUlanden de omzetbelasting is geharmoniseerd. Dubbele belasting wordt voorkomen doordat alle lidstaten van de EU nu één systeem hanteren dat is neergelegd in richtlijnen die bindend zijn voor de staten. Veel landen hebben verdragen gesloten om dubbele belastingheffing te voorkomen of althans de gevolgen daarvan te verzachten. Doordat landen verschillende uitgangspunten hanteren, is het overigens mogelijk dat een bepaald inkomensbestanddeel noch door de woonstaat noch door de bronstaat wordt belast. Omdat in situaties zonder belastingverdrag bij activiteiten over de grens vaak dubbele belasting optreedt, hebben veel landen voor hun inwoners in de nationale wet bepalingen opgenomen om rekening te houden met buitenlandse belasting. 1.3 Woonplaats of dubbele woonplaats Waar iemand woont, wordt in de eerste plaats door de nationale wet van een land bepaald. Nederland gaat er in art. 4 AWR van uit dat de woonplaats naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Voor natuurlijke personen gaat het om het centrum van iemands persoonlijke leven (waar verblijft het gezin, waar staat een woning ter beschikking, enzovoort) en voor rechtspersonen de plaats van de werkelijke leiding. Hoewel dit internationaal gebruikelijke criteria zijn, kan het andere land afwijkende uitgangspunten hebben. In veel landen is het gebruikelijk om iemand als inwoner te beschouwen indien hij in een kalenderjaar meer dan 183 dagen in dat Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 3

land heeft verbleven. Doordat landen verschillende criteria hanteren kan dit leiden tot een dubbele woonplaats, met als gevolg vermoedelijk dubbele belasting. In deze paragraaf zal aandacht worden besteed aan woonplaatsficties (subpar. 1.3.1) en aan de zogeheten verdragswoonplaats, dat wil zeggen de woonplaats waar iemand voor de toepassing van een belastingverdrag geacht wordt te wonen (subpar. 1.3.2). 1.3.1 Woonplaatsficties Ieder land kent eigen woonplaatsficties. Op grond van deze ficties wordt aangenomen dat een belastingplichtige in een land is gevestigd. Zo bepaalt art. 2 lid 4 Wet Vpb dat ieder lichaam dat is opgericht naar Nederlands recht, geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd. Voorbeeld Een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap (BV) heeft in België haar fabrieken en kantoren staan. Ook het management van deze BV vindt plaats in België. Nederland beschouwt deze vennootschap als inwoner van Nederland op grond van art. 2 lid 4 Wet Vpb. Wanneer België deze vennootschap als inwoner van België beschouwt, omdat de werkelijke leiding van de vennootschap in België zetelt, is er sprake van een dubbele woonplaats. Een andere woonplaatsfictie staat in art. 2.2 lid 1 Wet IB. Iemand die Nederland metterwoon heeft verlaten en die binnen één jaar naar Nederland terugkeert, wordt ook tijdens zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond. Deze woonplaatsfictie vindt geen toepassing indien de persoon in kwestie aannemelijk maakt dat hij tijdens zijn afwezigheid in een ander land op vergelijkbare wijze aan belastingheffing was onderworpen. 1.3.2 Verdragswoonplaats Naast de bepalingen over de woonplaats van belastingplichtigen in de nationale wetgeving zijn in het algemeen in de belastingverdragen bepalingen opgenomen over de woonplaats van natuurlijke personen en rechtspersonen voor de toepassing van het belastingverdrag. Omdat de belastingverdragen zogeheten toewijzingsregels bevatten die aanknopen bij de regels van de woonstaat of van de bron- of situsstaat, is het voor de toepassing van een belastingverdrag van belang dat de woonplaats van een persoon eenduidig kan worden vastgesteld. De hoofdregel is dat een (rechts)persoon inwoner is van de staat waar hij ingevolge de nationale wetgeving aan belastingheffing is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Het inwonersartikel in de belastingverdragen bevat ook enkele bepalingen waarin is aangegeven welk land voor de toepassing van het belastingverdrag als woonstaat geldt indien de (rechts)persoon in kwestie op grond van de nationale wetgevingen van beide landen in beide landen als inwoner wordt beschouwd. Op grond van deze zogeheten tiebreakerbepalingen wordt een persoon op grond van nadere criteria voor de toepassing van het belastingverdrag als inwoner van slechts een van de landen beschouwd. Voor natuurlijke personen geldt als eerste criterium het hebben van duurzame woonruimte in een van beide landen. Indien dit criterium niet tot een oplossing leidt, geldt als verdragswoonplaats het land waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van levensbelangen). Vervolgens gelden het land waar de persoon gewoonlijk verblijft en daarna de nationaliteit van de persoon als criteria. Als dan nog steeds geen eenduidig uitsluitsel over de woonplaats bestaat, gaan de partijen bij het belastingverdrag met elkaar in overleg beslissen in welk land de natuurlijke persoon woont. Voor lichamen geldt onder de meeste door Nederland gesloten belastingverdragen dat de plaats waar de werkelijke leiding van de vennootschap is gevestigd, doorslaggevend is voor de verdragswoonplaats van de vennootschap. In een aantal 4 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

belastingverdragen moet overleg tussen de beide landen uitsluitsel geven over de vraag waar het lichaam voor de toepassing van het belastingverdrag geacht moet worden te zijn gevestigd. Voorbeeld De naar Nederlands recht opgerichte vennootschap uit het vorige voorbeeld heeft kantoren en fabrieken in België en is op grond van de nationale wetgeving van de beide landen in beide landen gevestigd; de vennootschap heeft dus een dubbele woonplaats. Art. 4 lid 3 van het Verdrag met België bepaalt echter dat in zo n geval de vennootschap voor de toepassing van het belastingverdrag geacht wordt haar woonplaats te hebben in de staat waarin de werkelijke leiding is gelegen. Voor de toepassing van het belastingverdrag met België is de vennootschap dus inwoner van België. Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 5

2 Nederlandse eenzijdige regelingen 2.1 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 2.2 Kostenaftrek De meeste landen kennen in hun nationale belastingwetgeving regels die erop zijn gericht om dubbele belasting te voorkomen. In Nederland geldt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 en daarnaast bestaat de mogelijkheid van kostenaftrek. 2.1 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 Art. 38 AWR biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur dubbele belasting te voorkomen in gevallen waarin dit niet op een andere manier is geregeld. Een voorbeeld is het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Alleen binnenlandse belastingplichtigen kunnen een beroep doen op dit besluit. Zij kunnen een beroep doen op het besluit indien zij inkomsten krijgen uit landen waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft gesloten en in situaties waarin er wel een verdrag is met het land waaruit de inkomsten zijn genoten, maar dat verdrag niet geldt voor de desbetreffende belasting. Hierna gaan we nader in op het onderworpenheidsvereiste dat voorwaarde is voor de toepassing van het besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (subpar. 2.1.1) en op de reikwijdte van dit besluit (subpar. 2.1.2). 2.1.1 Onderworpenheid Voor de toepassing van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 geldt een voorwaarde: het buitenlands inkomen moet zijn onderworpen aan een belasting die door een andere mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie wordt geheven (art. 38 lid 1 AWR). Of sprake is van onderworpenheid aan belasting staat los van de vraag hoeveel belasting het andere land heft. Het is zelfs mogelijk dat voldaan is aan de onderworpenheidseis indien in het andere land feitelijk geen belasting is betaald. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de inkomsten in het andere land lager zijn dan de daar geldende belastingvrije som. In art. 2 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 staat uitdrukkelijk dat de onderworpenheidseis geldt voor de staat waar de inkomsten zijn verworven. Door deze toevoeging is de zogeheten Cyprus-constructie niet meer mogelijk. We lichten de Cyprus-constructie toe aan de hand van een voorbeeld. Voorbeeld Een werknemer van een Nederlands bedrijf wordt uitgezonden naar Brunei, waar hij geen inkomstenbelasting over zijn salaris hoeft te betalen. Dit zou betekenen dat hij in Nederland geen recht heeft op toepassing van het Besluit voorkoming van dubbele belasting 2001. Om toch een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te krijgen, werd in het verleden de uitzending via een vennootschap op Cyprus geregeld. Dat land kent namelijk wel een inkomstenbelasting, maar een zeer lage. Door de toevoeging in het besluit dat de inkomsten onderworpen moeten zijn aan een inkomstenbelasting van die andere mogendheid, in casu Brunei, is een dergelijke constructie nu niet meer mogelijk (art. 2 lid 2 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001). 6 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

De Cyprus-constructie voor uitzendingen naar landen zonder inkomstenbelasting, is overbodig geworden door de fictieve onderworpenheid in art. 38 lid 2 AWR. Deze fictieve onderworpenheid geldt voor werknemers die door een werkgever in Nederland voor minimaal drie maanden worden uitgezonden naar landen waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft en die niet aan de onderworpenheidseis voldoen. In deze situaties worden de uitgezonden werknemers geacht aan belasting in de andere mogendheid te zijn onderworpen. Hierdoor is het mogelijk om in Nederland het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 toe te passen. Op deze wijze probeert de wet de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven te beschermen. Als de werknemers namelijk volledig in de Nederlandse belastingheffing werden betrokken, zouden de looneisen omhoog gaan. Vermoedelijk kunnen ook in Nederland wonende werknemers van een buiten Nederland gevestigde werkgever die minimaal drie maanden worden uitgezonden naar een land zonder inkomstenbelasting, een beroep doen op de fictieve onderworpenheid van art. 38 lid 2 AWR op grond van het arrest van de Hoge Raad V-N 1999/53.4. 2.1.2 Reikwijdte van Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 is van toepassing op de inkomsten-, vennootschaps-, loon- en kansspelbelasting en op het successie- en schenkingsrecht. Omdat Nederland maar acht successieverdragen heeft, is dit een welkome aanvulling. Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 somt bovendien de inkomensbestanddelen op waarvoor een aftrek kan worden gevraagd. Deze inkomensbestanddelen lijken erg op die in hoofdstuk 7 Wet IB, waarin de beperkte belastingplicht van buitenlandse belastingplichtigen is geregeld. Het besluit staat overigens ook aftrek toe van buitenlandse belasting over uit ontwikkelingslanden afkomstige dividenden, interest en royalty s. Er is dus tot op zekere hoogte sprake van een spiegelbeeldsituatie omdat het hier gaat om inwoners van Nederland die elders buitenlands belastingplichtig zijn. 2.2 Kostenaftrek Naast het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 staan verspreid in de nationale wetten nog een paar regelingen om dubbele belasting te voorkomen. Zo kan op grond van art. 3.14 lid 7, art. 4.15 lid 4 onderdeel b Wet IB en art. 10 onderdeel d Wet Vpb de in het buitenland geheven belasting als kosten in aftrek komen als er geen regeling is om dubbele belasting te voorkomen. In art. 21 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 is overigens ook een bepaling voor kostenaftrek in box III van de Wet IB opgenomen. Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 7

3 Methode van berekening van aftrek 3.1 Vrijstellingsmethode 3.2 Verrekeningsmethode 3.3 Toepassing 3.4 Verliessituaties In het internationale belastingrecht zijn twee hoofdmethoden te onderscheiden die worden toegepast om rekening te houden met de door een ander land geheven belasting, namelijk de vrijstellingsmethode en de verrekenings- of creditmethode. In het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 zijn beide varianten opgenomen, en ook regels hoe zij moeten worden toegepast. Voor de toepassing van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 onder de Wet IB 2001 geldt dat die toepassing afhankelijk is van de vraag tot welke box in de Wet IB de inkomsten behoren. Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 schrijft per box voor op welke wijze de voorkoming van dubbele belasting is geregeld. Ook de belastingverdragen gebruiken de hiervoor genoemde methoden ter voorkoming van dubbele belasting. De nieuwere belastingverdragen verwijzen voor de werking van die methoden (impliciet) naar het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. In het besluit is ook aangegeven hoe omgegaan moet worden met verliessituaties. 3.1 Vrijstellingsmethode Bij de vrijstellingsmethode wordt een deel van het inkomen of een deel van de belasting vrijgesteld. De vrijstellingsmethode kent twee varianten: 1 de objectvrijstelling (subpar. 3.1.1); 2 de belastingvrijstelling (subpar. 3.1.2). 3.1.1 Objectvrijstelling Bij de vrijstellingsmethode zijn diverse varianten denkbaar. De objectvrijstelling is het eenvoudigste. De objectvrijstelling sluit aan bij het inkomensobject en laat daarom het buitenlandse inkomen geheel buiten beschouwing. Voorbeeld X heeft een wereldinkomen (uitsluitend box I-inkomen) van 40.000 waarvan 25.000 uit het buitenland afkomstig is. Stel dat het Nederlandse tarief als volgt is opgebouwd: inkomen tot 25.000: 40%; inkomen boven 25.000: 50%. Het buitenlandse inkomen is in het buitenland bijvoorbeeld belast tegen een tarief van 10%. In het buitenland is derhalve 2.500 geheven. Indien Nederland een objectvrijstelling toepast, wordt het buitenlandse inkomen van 25.000 in Nederland niet in de heffing betrokken. Nederland belast dan een bedrag van 15.000 tegen een tarief van 40%. De in Nederland verschuldigde belasting bedraagt dan 6.000. Totaal is X dan 8.500 aan belasting verschuldigd. 3.1.2 Belastingvrijstelling Een andere variant van de vrijstellingsmethode is de belastingvrijstelling. Deze methode doet meer recht aan het progressieve karakter van bepaalde delen van ons belastingstelsel. Het buitenlands inkomen wordt wel in de heffingsgrondslag (belastbaar inkomen, belastbaar bedrag) meegenomen (het zogeheten progressievoorbehoud), maar de belasting wordt verminderd met een bedrag dat 8 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

overeenkomt met de belasting over het buitenlandse inkomen. Deze vorm van de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud wordt ook wel de evenredigheidsmethode genoemd. Deze methode hanteert de volgende breuk (de zogeheten voorkomingsbreuk): vermindering = a c b waarin: a = buitenlands inkomen b = totaal inkomen c = belasting over totaal inkomen. Voorbeeld We gaan uit van de cijfers uit het vorige voorbeeld. De belasting berekend over het totale inkomen (c) bedraagt: Eerste schijf ( 25.000 x 40%): 10.000 Tweede schijf ( 15.000 x 50%): - 7.500 + 17.500 25.000 De vermindering bedraagt 17.500 = 10.938. 40.000 De in Nederland verschuldigde belasting bedraagt dus 17.500 10.938 = 6.562. X is dus 6.562 (in Nederland) en 2.500 (in het buitenland) verschuldigd, totaal 9.062. De vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud wordt door Nederland onder meer in box I in de inkomstenbelasting op deze wijze toegepast. Deze methode wordt ook wel aangeduid als de evenredige belastingvrijstelling, omdat het buitenlandse inkomensbestanddeel geacht wordt een evenredig gedeelte van iedere schijf van het belastbare inkomen (in box I) te vormen. Deze vrijstellingsmethode houdt geen rekening met de hoogte van de belasting die door het buitenland is geheven. Hierdoor ervaren inwoners van Nederland voor hun buitenlandse activiteiten dezelfde belastingdruk als inwoners van dat buitenland. In dit voorbeeld wordt het buitenlandse inkomen slechts tegen het daar geldende tarief van 10% belast. Dit maakt onder andere concurrentie met plaatselijke ondernemers mogelijk (kapitaal-import-neutraliteit). Ten opzichte van ondernemers in Nederland ontstaat er wel ongelijkheid, omdat bij een lager tarief de totale belastingdruk voor die onderneming lager is. In dit voorbeeld wordt slechts 9.062 betaald, terwijl de belastingdruk 17.500 zou bedragen wanneer sprake was van uitsluitend binnenlandse activiteiten. 3.2 Verrekeningsmethode Bij de verrekeningsmethode (ook wel creditmethode) wordt wél uitgegaan van de daadwerkelijk in het buitenland betaalde belasting. In zijn meest eenvoudige vorm komt deze methode neer op een aftreksom, waarbij de in het buitenland betaalde belasting wordt afgetrokken van de belasting die verschuldigd is in het land waarin de belastingplichtige woont. Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 9

Voorbeeld X BV heeft een wereldwinst van 500.000, waarvan 20.000 aan rente afkomstig uit het buitenland (geen belastingverdrag; wel ontwikkelingsland). Hierop is 40% belasting ingehouden. Bij een Nederlands Vpb-tarief van 35% zou de berekening als volgt verlopen: 35% van 500.000 175.000 In het buitenland betaald - 8.000 --- Te betalen in Nederland 167.000 Nederland houdt bij de verrekening echter rekening met de zogeheten tweede (en soms met de derde) limiet. De tweede limiet wordt gevormd door de breuk die bij de vrijstellingsmethode is weergegeven. Deze tweede limiet zorgt ervoor dat de belasting niet tot een hoger bedrag wordt verrekend dan wanneer het nationale tarief op dat buitenlandse inkomen zou zijn toegepast. Op grond van de tweede limiet wordt geen hogere aftrek verleend dan: 20.000 175.000 = 7.000. 500.00 Hoewel in het buitenland dus 8.000 is betaald, zorgt de tweede limiet voor een maximale verrekening van 7.000. De uiteindelijk in Nederland te betalen belasting bedraagt daardoor niet 167.000, maar 175.000 7.000 = 168.000. De derde limiet waarbij de verrekening van buitenlandse bronbelasting wordt beperkt tot ten hoogste 15% van de brutobetaling, geldt in de vennootschapsbelasting en bij het belastbaar inkomen uit werk en woning in de inkomstenbelasting uitsluitend voor dividenden. Hierbij is aangesloten bij de hoogte van de Nederlandse dividendbelasting. Bij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen geldt de derde limiet ook voor interest en royalty s. 3.3 Toepassing In deze paragraaf komt aan de orde welke voorkomingsmethode in welke gevallen wordt toegepast. Na aandacht te hebben besteed aan algemene toepassing (subpar. 3.3.1) staan we stil bij de wijze van toepassing onder de Wet IB (subpar. 3.3.2). 3.3.1 Algemene toepassing Nederland verleent in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 en in de belastingverdragen voor de meeste actieve inkomsten (winst uit onderneming en belastbaar loon) een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting volgens de vrijstellingsmethode. Voor winst behaald met een buitenlandse onderneming waarvan de activiteiten grotendeels bestaan uit het beleggen of uit niet-actieve financieringswerkzaamheden, wordt doorgaans de verrekeningsmethode toegepast. Internationaal gezien zijn dividenden, interest en royalty s in het algemeen belast in het land waar de ontvanger van die inkomsten gevestigd is. Het land waar de betaler van deze inkomsten gevestigd is, houdt vaak wel een bronheffing in die te vergelijken is met de Nederlandse dividendbelasting. Voor deze bronheffingen past Nederland de verrekeningsmethode toe (behalve met betrekking tot dividenden die onder de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet Vpb) vallen). Dit komt doordat Nederland voor deze inkomsten streeft naar kapitaal-export-neutraliteit; interest op leningen aan nietinwoners moet op dezelfde wijze worden belast als interest op leningen aan inwoners. 3.3.2 Toepassing onder de Wet IB In het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 geldt voor de inkomstenbelasting de volgende systematiek. 10 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

Voor het belastbaar inkomen uit werk en woning geldt in de meeste gevallen de vrijstellingsmethode; voor buitenlandse belasting van sporters en artiesten en voor bronbelasting op dividend, interest en royalty s die tot het belastbaar inkomen uit werk en woning behoren, geldt de verrekeningsmethode. In de voorkomingsbreuk (zie subpar. 3.1.2) wordt de noemer (b) gevormd door het zogeheten noemerinkomen. Het noemerinkomen is gelijk aan het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen van andere jaren. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) komt naar voren dat in de noemer van de voorkomingsbreuk in beginsel het belastbaar inkomen moet worden opgenomen. Wanneer de werkstaat echter ook rekening houdt met de persoonlijke aftrekposten, mag volgens het HvJ EG het noemerinkomen worden verminderd met de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en persoonlijke aftrekken. In het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 is voor wat betreft de vrijstellingsmethode de lijn van het HvJ EG neergelegd. Voor het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang geldt de verrekeningsmethode. Voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen geldt in beginsel de verrekeningsmethode, waarbij niet meer aan buitenlandse bronbelasting wordt verrekend dan aan inkomstenbelasting in box III verschuldigd is (de tweede limiet is dus van toepassing). Eventuele niet-verrekende buitenlandse bronbelasting kan onbeperkt naar de toekomst worden doorgeschoven. Voor inkomsten uit in het buitenland gelegen onroerende zaken geldt echter de vrijstellingsmethode. De noemer in de voorkomingsbreuk wordt gevormd door de gemiddelde rendementsgrondslag, terwijl de teller gelijk is aan de gemiddelde rendementsgrondslag van de in het buitenland gelegen onroerende zaken. De vrijstellingsmethode vindt onder het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 bij inkomstenbelasting toepassing voordat de heffingskorting wordt toegepast. De heffingskorting komt dus volledig in mindering op de uit Nederland afkomstige inkomsten. 3.4 Verliessituaties Er ontstaan moeilijkheden wanneer het buitenlandse inkomen groter is dan het totale inkomen. Dit kan voorkomen wanneer iemand negatief Nederlands inkomen heeft (bijvoorbeeld negatieve inkomsten uit de eigen woning in Nederland). In dat geval is de teller van de voorkomingsbreuk groter dan de noemer en zou de vermindering de belasting berekend over het wereldinkomen, overtreffen. Om dit te voorkomen, zijn in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 specifieke rekenregels opgenomen. Het deel van de aftrek dat iemand niet kan benutten in een bepaald jaar, schuift door naar een volgend jaar (de stallingsregeling). Voorbeeld In jaar 1 bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning 20.000 en het buitenlandse inkomen 30.000. Dat wil zeggen dat er Nederlandse verliezen zijn van 10.000. De tarieven zijn gelijk aan die van het vorige voorbeeld. De belasting over het totale inkomen (c) bedraagt 20.000 40% = 8.000. Deze 8.000 zou verminderd moeten worden met 30.000 8.000. 20.000 Deze vermindering zou groter zijn dan 8.000. De vermindering blijft daarom beperkt tot die 8.000. Voor een deel van het buitenlandse inkomen ( 10.000) is dus geen vermindering verleend. Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 11

In jaar 2 bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning 25.000 en het buitenlandse inkomen bedraagt 10.000. Het deel van het buitenlandse inkomen waarvoor in jaar 1 geen vermindering is verleend, mag naar jaar 2 worden overgebracht. De vermindering over jaar 2 wordt dus als volgt berekend: 10.000 + 10.000 ( 25.000 40%) = 8.000. 25.000 De verschuldigde inkomstenbelasting in jaar 2 bedraagt dan: 10.000 8.000 = 2.000. De hiervoor beschreven doorschuiving geldt niet voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box III). Dit doorschuiven komt ook aan de orde wanneer het buitenlandse inkomen negatief is. Ontvangt iemand het jaar daarop positief buitenlands inkomen, dan moet hij dit voor het berekenen van de aftrek eerst verminderen met het verlies van het voorgaande jaar. Wanneer dit niet het geval zou zijn, dan zou hij als het ware een dubbele vermindering hebben, want het verlies uit het eerste jaar heeft zijn wereldinkomen, en dus de totale belastingdruk verminderd. Verder ontstaan er problemen wanneer iemand inkomen uit verschillende landen verkrijgt, waarbij het ene positief en het andere negatief is. Stel dat het belastbaar inkomen uit werk en woning 50.000 is, waarvan 10.000 uit land A en negatief 15.000 uit land B is. Het maakt voor de berekening van de aftrek nogal uit of de beide buitenlandse inkomsten moeten worden gesaldeerd (de gezamenlijke methode of overallmethode) of niet (de afzonderlijke methode of per-countrymethode). Op grond van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 mag bij de vrijstellingsmethode de afzonderlijke methode worden toegepast. Inkomsten uit verschillende landen hoeven dus niet meer gesaldeerd te worden. Omdat de meeste belastingverdragen voor de voorkomingstechniek verwijzen naar het Besluit, geldt het voorgaande ook voor inkomsten uit verdragslanden. Voor de verrekeningsmethode blijft onder het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 de gezamenlijke methode gelden. Interest uit verschillende landen moet worden samengevoegd. Voor de verrekening van buitenlandse bronbelasting bij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, is dit in verband met het ontbreken van de tweede limiet niet van belang. 12 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

4 Verdragen 4.1 Belastingverdragen tussen Nederland en andere landen 4.2 Kenmerken van het belastingverdrag 4.3 Modelverdragen Nederland heeft een groot aantal verdragen op fiscaal gebied. Dit is een groot pluspunt voor zowel het aantrekken van buitenlandse investeringen als voor het Nederlandse bedrijfsleven dat internationaal actief is. Bij het ontbreken van een belastingverdrag is een ondernemer voor de fiscale gevolgen van buitenlandse activiteiten afhankelijk van de nationale wet aldaar. Vaak zijn voorzieningen daarin ontoereikend om internationale dubbele belasting te voorkomen. Daarnaast geldt dat nationale wetten anders dan verdragen eenzijdig kunnen worden gewijzigd, wat leidt tot een grotere mate van onzekerheid voor investeerders dan in situaties waarin een belastingverdrag van toepassing is. 4.1 Belastingverdragen tussen Nederland en andere landen Nederland heeft belastingverdragen met alle OESO-lidstaten met uitzondering van Chili (maar dus wel met bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Canada en Japan) en met alle EU-lidstaten met uitzondering van Cyprus. Met de Nederlandse Antillen en Aruba zijn met verdragsbepalingen vergelijkbare afspraken vastgelegd in een rijkswet: de Belastingregeling voor het Koninkrijk. De meeste door Nederland met andere landen gesloten belastingverdragen zijn algemene belastingverdragen met betrekking tot belastingen naar de winst (en soms ook met betrekking tot belastingen naar het vermogen). Naast deze algemene belastingverdragen die gelden voor alle soorten inkomsten (en soms ook vermogensbestanddelen) sluit Nederland soms ook zogeheten deelverdragen die uitsluitend betrekking hebben op scheep- en/of luchtvaartwinst. In de afgelopen paar jaren heeft Nederland evenals veel andere landen veel informatie-uitwisselingsverdragen gesloten. Deze verdragen die vooral maar niet alleen met zogeheten belastingparadijzen zijn gesloten, richten zich op de uitwisseling tussen belastingdiensten van inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. In tabel 4.1 is een overzicht opgenomen van de stand per 1 januari 2010 van de door Nederland gesloten belastingverdragen naar het inkomen (en soms ook naar het vermogen). In dit overzicht zijn zowel de algemene verdragen als de deelverdragen opgenomen. Behalve belastingverdragen naar inkomen en vermogen heeft Nederland ook een beperkt aantal belastingverdragen met betrekking tot successierecht gesloten. Gedurende de laatste jaren is een groot aantal verdragen gesloten die uitsluitend betrekking hebben op de uitwisseling van inlichtingen (de zogeheten Tax Information Exchange Agreements of TIEA's). Deze verdragen over uitwisseling van inlichtingen zijn niet in het onderstaande overzicht opgenomen. Tabel 4.1 Door Nederland gesloten bilaterale belastingverdragen met betrekking tot belastingen naar het inkomen (en eventueel belastingen naar het vermogen) Land Datum ondertekening Soort belastingverdrag Albanië 22-07-2004 Algemeen Argentinië 27-12-1996 Algemeen Armenië 30-10-2001 Algemeen Australië Azerbeidzjan 17-03-1976 22-09-2008 Algemeen Algemeen Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 13

Bahrein 16-04-2008 Algemeen Bangladesh 13-07-1993 Algemeen Barbados 28-11-2006 Algemeen Belarus 26-03-1996 Algemeen België 05-06-2001 Algemeen Bermuda 08-06-2009 Algemeen* Brazilië 08-03-1990 Algemeen Bulgarije 06-07-1990 Algemeen Canada 27-05-1986 Algemeen China 13-05-1987 Algemeen Denemarken 01-07-1996 Algemeen Duitsland** 16-06-1959 Algemeen Egypte 21-04-1999 Algemeen Estland 14-03-1997 Algemeen Filippijnen 09-03-1989 Algemeen Finland 28-12-1995 Algemeen Frankrijk 16-03-1973 Algemeen Georgië 21-03-2002 Algemeen Ghana 10-03-2008 Algemeen Griekenland 16-07-1981 Algemeen Groot-Brittannië zie Verenigd Koninkrijk Hongkong 02-11-2000 Scheepvaartwinst Hongkong 22-03-2010 Algemeen Hongarije 05-06-1986 Algemeen Ierland 11-02-1969 Algemeen India 30-07-1988 Algemeen Indonesië 29-01-2002 Algemeen Israël 02-07-1973 Algemeen Italië 08-05-1990 Algemeen Japan 25-08-2010 Algemeen Joegoslavië 22-02-1982 Algemeen Jordanië 30-10-2006 Algemeen Kazakstan 24-04-1996 Algemeen Koeweit 29-05-2001 Algemeen Korea 25-10-1978 Algemeen Kroatië 23-05-2000 Algemeen Letland 14-03-1994 Algemeen Litouwen 16-06-1999 Algemeen Luxemburg 08-05-1968 Algemeen Macedonië 11-09-1998 Algemeen Malawi 07 en 18-06-1969 Algemeen Maleisië 07-03-1988 Algemeen Malta 18-05-1970 Algemeen Marokko 12-08-1977 Algemeen Mexico 27-09-1993 Algemeen Moldavië 03-07-2000 Algemeen Mongolië 08-03-2002 Algemeen Nieuw-Zeeland 15-10-1980 Algemeen Nigeria 11-12-1991 Algemeen Noorwegen 12-01-1990 Algemeen Oeganda 31-08-2004 Algemeen Oekraïne 24-10-1995 Algemeen Oezbekistan 18-10-2001 Algemeen Oman 06-02-1991 Luchtvaartwinst Oman 05-10-2009 Algemeen Oostenrijk 01-09-1970 Algemeen Pakistan 24-03-1982 Algemeen Panama 28-04-1997 Scheep- en luchtvaartwinst 14 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

Panama 06-10-2010 Algemeen Polen 13-02-2002 Algemeen Portugal 20-09-1999 Algemeen Qatar 24-04-2008 Algemeen Roemenië 05-03-1998 Algemeen Russische Federatie 16-12-1996 Algemeen Saoedi-Arabië Saoedi-Arabië 16-01-1991 13-10-2008 Luchtvaartwinst Algemeen Singapore 19-02-1971 Algemeen Slovenië 30-06-2004 Algemeen Slowakije 04-03-1974 Algemeen Sovjet Unie 21-11-1986 Algemeen Spanje 16-06-1971 Algemeen Sri Lanka 17-11-1982 Algemeen Suriname 25-11-1975 Algemeen Taiwan 27-02-2001 Algemeen Thailand 11-09-1975 Algemeen Tsjechië 04-03-1974 Algemeen Tunesië 16-05-1995 Algemeen Turkije 27-03-1986 Algemeen Venezuela 18-12-1990 Scheep- en luchtvaartwinst Venezuela 29-05-1991 Algemeen Verenigd Koninkrijk 26-09-2008 Algemeen Verenigde Arabische Emiraten 19-01-1992 Luchtvaartwinst Verenigde Arabische 08-05-2007 Algemeen Emiraten Verenigde Staten 18-12-1992 Algemeen Vietnam 24-01-1995 Algemeen IJsland 25-09-1997 Algemeen Zambia 19-12-1997 Algemeen Zimbabwe 18-05-1989 Algemeen Zuid-Afrika 15-03-1971 Algemeen Zweden 18-06-1991 Algemeen Zwitserland 26-02-2010 Algemeen[#tab] * Geldt alleen voor natuurlijke personen ** Op 12 april 2012 is een nieuw belastingverdrag met Duitsland ondertekend. Dit nieuwe verdrag is nog niet in werking getreden. 4.2 Kenmerken van belastingverdrag Een belastingverdrag heeft betrekking op belastingen naar het inkomen en, in sommige gevallen, op belastingen naar het vermogen. Dit laatste heeft sinds de afschaffing van de vermogensbelasting in Nederland, voor de belastingheffing in Nederland geen betekenis meer; voor de heffing van vermogensbelasting in het andere land kan het belastingverdrag van betekenis blijven. Een belastingverdrag verdeelt de rechten voor een aantal inkomensbestanddelen tussen de verdragspartners. Het belastingverdrag zelf schept echter geen heffingsrechten. Wanneer het belastingverdrag een heffingsrecht toewijst aan een land en de nationale wet van dat land niet voorziet in een mogelijkheid tot belastingheffing over dat inkomensbestanddeel, kan niet worden geheven op basis van het belastingverdrag. De werking van het woonplaats-, situs- en nationaliteitsbeginsel in de nationale wetten wordt beperkt door de belastingverdragen. Wanneer een inwoner van Nederland inkomsten geniet uit een ander land waarover het andere land op grond van een verdrag het heffingsrecht heeft, worden deze Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 15

inkomsten in beginsel wel in het wereldinkomen van betrokkene volgens de Nederlandse wet begrepen, maar vervolgens wordt op een van de beschreven manieren voorkoming van dubbele belasting verleend. Voorbeeld Berendsen woont in Nederland en ontvangt inkomsten uit zijn vakantiewoning in Frankrijk. Volgens art. 6 van het Verdrag met Frankrijk is de belastingheffing over deze inkomsten toegewezen aan Frankrijk (het woonplaatsbeginsel wordt door het situsbeginsel beperkt). De inkomsten maken wel deel uit van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van Berendsen en daarmee van zijn wereldinkomen, maar er wordt een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend. Een belangrijk verschil tussen belastingverdragen en het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 is dat onder belastingverdragen onderworpenheid niet is vereist. Het is niet relevant of de inkomsten uit het hiervoor gegeven voorbeeld in Frankrijk aan belastingheffing zijn onderworpen. Nederland heeft nu eenmaal met Frankrijk via het verdrag de afspraak gemaakt dat Frankrijk over deze inkomsten belasting mag heffen. Of Frankrijk dat in feite ook doet, is de zaak van Frankrijk. Zoals hiervoor al is gezegd, schept een verdrag geen heffingsrechten die er in de nationale wet niet zijn. Een verdrag wijst het heffingsrecht toe aan de ene staat of aan de andere staat. Zo is in art. 13 lid 1 van het verdrag met Frankrijk het heffingsrecht over vermogenswinsten behaald met de vervreemding van onroerende zaken toegewezen aan de bronstaat. Stel een inwoner van Frankrijk verkoopt een in Nederland gelegen onroerende zaak met vermogenswinst. De onroerende zaak behoort niet tot het vermogen van een onderneming. Nederland kan over de behaalde vermogenswinst geen belasting heffen, omdat de Nederlandse wet deze mogelijkheid niet kent. Voor niet-inwoners van Nederland geldt dat Nederland een heffingsrecht op grond van een verdrag alleen kan effectueren wanneer het Nederlands inkomen is in de zin van hoofdstuk 7 Wet IB of indien sprake is van dividend in de zin van de Wet op de dividendbelasting. Voorbeeld Een onderneming in België heeft een filiaal in Nederland dat winst behaalt. Het Nederlands- Belgische belastingverdrag merkt het filiaal aan als vaste inrichting van de onderneming in Nederland. Voorts wijst het verdrag de winst van de vaste inrichting ter heffing toe aan Nederland. Omdat art. 7.2 Wet IB (eventueel via art. 17 Vpb) deze winst onder het Nederlands inkomen begrijpt, kan Nederland het heffingsrecht ook effectueren. In een verdrag wordt in het algemeen een aantal begrippen gedefinieerd, bijvoorbeeld wat moet worden verstaan onder vaste inrichting, dividend, interest, royalty s of bevoegde autoriteit. 4.3 Modelverdragen Als hulpmiddel voor het onderhandelen van belastingverdragen zijn modelverdragen ontwikkeld. Het belangrijkste modelverdrag is het door de OESO ontwikkelde model, dat bekend staat als het OESO-modelverdrag (subpar. 4.3.1). Naast het OESO-model zijn er nog enkele andere modelverdragen, waaronder het VN-modelverdrag (subpar. 4.3.2). 4.3.1 OESO-modelverdrag Hoewel ieder land zijn eigen verdragspolitiek heeft, volgen de meeste belastingverdragen in grote lijnen hetzelfde patroon. De OESO heeft een modelverdrag ontwikkeld dat de OESO-lidstaten als basis gebruiken bij 16 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

verdragsonderhandelingen. Afwijkingen van dit model worden ingegeven door specifieke bepalingen in de nationale wetten. Zo volgt Nederland op hoofdlijnen het OESO-model, maar zijn er afwijkingen op het gebied van deelnemingsdividend en interest. Op deze terreinen streeft Nederland naar een exclusief heffingsrecht voor de woonstaat, terwijl het OESO-model ook voorziet in een beperkt heffingsrecht voor de situsstaat. Daarnaast streeft Nederland naar de opname in belastingverdragen van een bepaling voor belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Of deze Nederlandse wensen uiteindelijk in een bilateraal verdrag worden opgenomen, hangt af van de uitkomst van de onderhandelingen. Het OESO-modelverdrag wordt regelmatig aangepast. De laatste update dateert van juli 2010. 4.3.2 Andere modelverdragen Naast het OESO-model dat is ontwikkeld voor belastingverdragen tussen ontwikkelde staten, is er het VN-model dat meer is toegesneden op de situatie van ontwikkelingslanden en daarom meer heffingsrechten toewijst aan de bronstaat. Vanuit de EU worden multilaterale bepalingen steeds belangrijker. Een aantal richtlijnen is reeds van kracht en enkele multilaterale verdragen zijn getekend. Ook is de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in toenemende mate van belang voor het internationale belastingrecht. Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 17

5 Verdeling van heffingsrechten 5.1 Inkomsten uit onroerende zaken 5.2 Winst uit onderneming 5.3 Transacties tussen gelieerde partijen 5.4 Inkomsten waarvoor bronbelastingen gelden 5.5 Inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking 5.6 Pensioenen 5.7 Internationaal vervoer 5.8 Overige inkomstencategorieën We geven voor enkele inkomstencategorieën aan hoe de behandeling is onder de belastingverdragen en het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. We gaan daarbij uit van het OESO-modelverdrag en indien hiervan afwijkend, van het Nederlandse verdragsbeleid. Aan de orde komen inkomsten uit onroerende zaken, winst uit onderneming, transacties tussen gelieerde partijen, inkomsten waarvoor bronbelastingen gelden, inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking, pensioenen, internationaal vervoer en overige inkomstencategorieën. 5.1 Inkomsten uit onroerende zaken Het heffingsrecht over inkomsten uit onroerende zaken, zoals huuropbrengsten, is op grond van het OESO-model toegewezen aan de staat waarin de onroerende zaken gelegen zijn. Ook op grond van het besluit zal aan inwoners van Nederland voorkoming van dubbele belasting worden verleend voor inkomsten uit in andere landen gelegen onroerende zaken (art. 9, 23 en 32 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001). 5.2 Winst uit onderneming In deze paragraaf gaan we in op grensoverschrijdende ondernemersactiviteiten. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin in het buitenland ondernemersactiviteiten worden verricht met behulp van een in dat andere land opgerichte rechtspersoon (zie subpar. 5.2.1) en de situatie waarin in het buitenland zonder een lokale rechtspersoon ondernemersactiviteiten worden verricht (zie subpar. 5.2.2). 5.2.1 Winst uit onderneming door oprichting lokaal rechtspersoon in buitenland Een binnenlandse ondernemer die activiteiten in een ander land wil ontplooien, kan dat doen door in dat andere land een lokale rechtspersoon op te richten. In zo n geval is er een duidelijk aanknopingspunt voor de buitenlandse fiscus, aangezien de lokale rechtspersoon zelf voor het inkomen aan belasting is onderworpen. Verliezen en winsten van dat buitenlandse lichaam beïnvloeden de Nederlandse winst van de binnenlandse ondernemer niet. Belastingheffing in Nederland over de buitenlandse winst komt pas aan de orde wanneer die winst in de vorm van dividend wordt overgemaakt naar Nederland. Indien het dividend ook bij de ontvanger van het dividend in de heffing wordt betrokken, kan zogeheten economische dubbele belasting optreden; bij twee verschillende personen (natuurlijke personen of lichamen) wordt over hetzelfde object belasting geheven. De winsten van de lokale vennootschap zijn eerst bij die vennootschap zelf in de heffing betrokken. De als dividend aan de aandeelhouder 18 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012

uitgekeerde winst, wordt bij de aandeelhouder nogmaals in de belastingheffing betrokken. Belastingverdragen bieden lang niet altijd een oplossing voor dergelijke vormen van dubbele belasting. Afhankelijk van het belastingsysteem van de betrokken landen kan op grond van de nationale wetgeving op verschillende manieren worden voorzien in de vermijding van economisch dubbele belasting, bijvoorbeeld door middel van een verrekeningstelsel. In een verrekeningstelsel kan de aandeelhouder de op het dividend drukkende belasting die is geheven op het niveau van de vennootschap, geheel of gedeeltelijk verrekenen met de door hem over het dividend verschuldigde inkomsten- of vennootschapsbelasting. Nederland kent geen verrekeningstelsel. In Nederland kan de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voorzien in een voorkoming van economische dubbele belasting. Doordat de ontvangen dividenden op grond van de deelnemingsvrijstelling bij de ontvanger niet worden belast, is er geen ruimte voor een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor in het buitenland betaalde of ingehouden belasting. Daarom streeft Nederland voor deelnemingsdividend naar een uitsluitend heffingsrecht voor de woonstaat van de ontvanger van de dividenden. 5.2.2 Winst uit onderneming zonder oprichting lokaal rechtspersoon in buitenland Een binnenlandse ondernemer kan er ook voor kiezen in het buitenland activiteiten te gaan ontplooien zonder daar een lokale rechtspersoon op te richten. Bij het ontbreken van een zelfstandige entiteit rijst de vraag wanneer de activiteiten die in het andere land worden ontplooid, voldoende aanknopingspunten bieden om de winst in dat andere land in de heffing te betrekken. Hiervan zal in zijn algemeenheid sprake zijn wanneer in het andere land een zogenoemde vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger aanwezig is, waaraan of aan wie de winsten kunnen worden toegerekend (zie subpar. 5.2.3). Hetzelfde geldt voor buitenlandse ondernemers die in Nederland activiteiten ontplooien. Op grond van art. 7.2 lid 2 onderdeel a Wet IB kunnen buitenlandse belastingplichtigen in Nederland voor winst uit onderneming in de belastingheffing worden betrokken, indien de onderneming in Nederland wordt gedreven met behulp van een in Nederland aanwezige vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. 5.2.3 Vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in ander land In deze subparagraaf gaan we in op de betekenis van de uitdrukkingen vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger. Vaste inrichting De Nederlandse belastingwetten bevatten geen definitie van het begrip vaste inrichting. In het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 staat wel een definitie van het begrip vaste inrichting. Het moet gaan om een duurzame inrichting van een onderneming met behulp waarvan de werkzaamheden van die onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd (art. 2 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001). De zetel van de leiding van de onderneming wordt steeds als een vaste inrichting aangemerkt, net als de uitvoering van werken wanneer die langer dan twaalf maanden duurt (denk bijvoorbeeld aan een bouwwerk). In het OESO-modelverdrag is het begrip vaste inrichting gedefinieerd als een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Ook worden enkele voorbeelden gegeven van wat in ieder geval als een vaste inrichting moet worden beschouwd, zoals een kantoor, een fabriek, een werkplaats en een plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen. Voor de uitvoering van bouwwerken is een speciale bepaling opgenomen: de uitvoering van een bouwwerk of van constructie- en montagewerkzaamheden vormt alleen dan een vaste inrichting indien de duur daarvan langer is dan twaalf maanden. Ook wordt in het OESO-modelverdrag aangegeven wat niet als vaste inrichting wordt aangemerkt, zoals een magazijn dat alleen wordt Deel Internationaal belastingrecht Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012 19

gebruikt om voorraden aan te houden of een vaste bedrijfsinrichting waarin uitsluitend hulpwerkzaamheden of voorbereidende werkzaamheden plaatsvinden. In de jurisprudentie is het begrip vaste inrichting verder uitgekristalliseerd. Er moet iets zijn wat vast is, een fysieke constructie, bijvoorbeeld een gebouw. Vast heeft dus niet de betekenis dat het stevig in de grond moet zitten. Het betreft hier in hoofdzaak oudere jurisprudentie. Voorbeelden Een verplaatsbare circustent werd als een vaste inrichting beschouwd. De ruimte moet duurzaam ter beschikking staan en ingericht zijn voor de ondernemingsactiviteiten. Ook moeten de ondernemingsactiviteiten een zekere mate van duurzaamheid vertonen. (Hoge Raad BNB 1954/336) Een hotelkamer die van tijd tot tijd werd gehuurd door een leverancier van kunstogen gold niet als een vaste inrichting. (Hoge Raad BNB 1955/227) Geen sprake van een vaste inrichting, omdat zes maanden voor een werkschip te kort werd geacht. (Hoge Raad BNB 1975/66) Onder het VN-modelverdrag is er een ruimere invulling van het begrip vaste inrichting. Bij de uitvoering van een bouwwerk is al sprake van een vaste inrichting indien de duur daarvan langer is dan zes maanden (OESO-model: twaalf maanden), terwijl assemblage- en toezichthoudende werkzaamheden gedurende meer dan zes maanden eveneens tot een vaste inrichting leiden. Voorts wordt het verrichten van diensten gedurende meer dan zes maanden binnen een periode van twaalf maanden geacht een vaste inrichting te zijn. Vaste vertegenwoordiger Naast het begrip vaste inrichting, komt ook het begrip vaste vertegenwoordiger voor bij ondernemers die in een ander land ondernemersactiviteiten verrichten. Uit het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 en uit het OESO-modelverdrag komt naar voren dat het moet gaan om een persoon die gemachtigd is namens de onderneming contracten af te sluiten, van deze bevoegdheid regelmatig gebruikmaakt en een zekere mate van afhankelijkheid heeft ten opzichte van zijn opdrachtgever. De machtiging kan beperkt zijn in de tijd, voor bepaalde producten of voor een bepaalde regio. Een volkomen onafhankelijke vertegenwoordiger die handelt in de normale uitoefening van zijn beroep, is geen vaste vertegenwoordiger. Een vaste vertegenwoordiger kan zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon zijn. Voorbeelden Een verzekeringsmaatschappij in de Verenigde Staten had een overeenkomst gesloten met een assurantiemakelaar in Nederland. Deze makelaar werd gemachtigd om namens de maatschappij in de Verenigde Staten op Schiphol standaardreisverzekeringen af te sluiten. De verkoop moest geschieden met voorgeschreven oogopslag, stemgeluid en gezichtsuitdrukking. De makelaar werd als een vaste vertegenwoordiger aangemerkt. (Hoge Raad BNB 1971/43) Een Nederlandse makelaar beheerde een flatgebouw voor een Duitse maatschappij. Hij inde de huren, liet reparaties uitvoeren, zocht huurders enzovoort en ontving daarvoor een percentage van de huuropbrengst. Geconcludeerd werd dat hij niet handelde als een onafhankelijk tussenpersoon, maar als een vaste vertegenwoordiger van de Duitse maatschappij. (Hoge Raad BNB 1971/110) Het VN-model beschouwt ook als vaste vertegenwoordiger een persoon die geen machtiging om contracten af te sluiten bezit, maar die wel een voorraad goederen of koopwaar aanhoudt in het andere land waaruit hij regelmatig namens de onderneming goederen of koopwaar aflevert. 20 Belastingrecht voor het ho Noordhoff Uitgevers bv Groningen, editie 2012