Monitor effecten BTW-verlaging arbeidsintensieve diensten Eindrapport Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Financiën Martine Olde Wolbers Arnold Ziegelaar B2315 Leiden, 24 september 2002
Voorwoord In opdracht van het Ministerie van Financiën is een onderzoek uitgevoerd naar de effecten op de werkgelegenheid van de BTW-verlaging op arbeidsintensieve diensten. De BTW-verlaging is als proef ingesteld voor de jaren 2000 2002. Ondernemers die diensten verrichten waarvoor het lage BTW-tarief geldt, worden in drie metingen (2000, 2001 en 2002) ondervraagd over onderwerpen als het aantal werknemers, omzet, winst en prijsstellingen. De resultaten van de eerste en tweede peiling zijn beschreven in de rapporten Monitor effecten BTW-verlaging arbeidsintensieve diensten, resultaten eerste peiling en resultaten tweede peiling. Dit rapport bevat de resultaten van de derde en laatste peiling en vormt tegelijk de overkoepelende rapportage over alledrie de peilingen. Het onderzoek is uitgevoerd door Martine Olde Wolbers onder leiding van ondergetekende en vanuit het Ministerie van Financiën begeleid door dhr. Drs. D. Gorter, dhr. Drs. J. Zijlstra, mevr. Mr. D. Vente en dhr. Drs. Ir. K. den Boogert mba. Het onderzoeksteam dankt de begeleidingscommissie voor de prettige samenwerking. Arnold Ziegelaar Projectleider 3
4
Inhoudsopgave Samenvatting en conclusie 7 Summary and conclusion 15 1 Achtergrond en doelstelling van het onderzoek 23 1.1 Wetswijziging Wet op de omzetbelasting 23 1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen 23 1.3 Derde peiling 24 1.4 Leeswijzer 25 2 Ontwikkeling in de prijzen/tarieven van arbeidsintensieve diensten 27 2.1 Toepassing BTW-maatregel 27 2.2 Doorberekening van de BTW-verlaging in de prijzen/ tarieven 29 2.3 Vergelijking tarieven 1999 2002 30 3 Ontwikkeling in omzet, vraag en winst 35 4 Effecten BTW-verlaging op de werkgelegenheid 41 4.1 Vergelijking werkgelegenheid 1999-2002 41 4.1.1 Totale werkgelegenheid 41 4.1.2 Werkgelegenheid arbeidsintensieve diensten 46 4.2 Trendanalyse 48 4.2.1 Gedane aannames bij de trendanalyse 48 4.2.2 Trendanalyse vergelijkbare branches 49 4.2.3 Trendanalyse branches arbeidsintensieve diensten 51 4.3 Inschatting effecten BTW-verlaging ondernemers 54 5 Conclusies effecten BTW-verlaging 63 Bijlage 1 Onderzoeksopzet en uitvoering 67 Bijlage 2 Trendanalyse vergelijkbare branches 73 5
6
Samenvatting en conclusie Nederland neemt deel aan een experiment van de Europese Unie dat het mogelijk maakt op een aantal arbeidsintensieve diensten een verlaagd BTW-tarief van 6% in plaats van de gebruikelijke 19% toe te passen. Het experiment loopt van 1 januari 2000 tot 31 december 2002 en heeft betrekking op de volgende vijf branches: het herstellen van fietsen; het herstellen van schoeisel en lederwaren; het herstellen en vermaken van kleding en huishoudlinnen; de diensten die door kappers als zodanig worden verricht; het schilderen en stukadoren van woningen ouder dan 15 jaar. Door verlaging van het BTW-tarief op deze diensten kunnen verlagingen in de prijzen ontstaan, waardoor de vraag toeneemt. Het experiment heeft tot doel via dit prijsmechanisme de werkgelegenheid in de branches te stimuleren. In dit onderzoek is nagegaan of de BTW-verlaging daadwerkelijk een (aantoonbaar) effect op de werkgelegenheid heeft. Daartoe is drie keer (september 2000, mei 2001 en mei 2002) een schriftelijke vragenlijst voorgelegd aan een panel van ondernemers in de vijf branches. De vragenlijst ging in op de toepassing van de BTW-maatregel, de prijzen voor de dienstverlening, het aantal werknemers, het aantal fulltime eenheden, de omzet en de winst over de periode 1999 2002. Met behulp van historische gegevens van de Vereniging Kamers van Koophandel over de periode 1990 1999 is een trendanalyse uitgevoerd van het aantal werknemers in de branches. Hierbij is een trendlijn berekend die voor 2000 en latere jaren weergeeft wat het aantal werknemers geweest zou zijn indien het BTW-tarief niet verlaagd was. Tegen deze trendlijn zijn de gegevens uit de enquête met betrekking tot het aantal werknemers afgezet en is beoordeeld of er al dan niet een trendbreuk waar te nemen is. Naast deze methode om het effect van de BTW-verlaging op de werkgelegenheid vast te stellen is de ondernemers gevraagd of de hoeveelheid werk is toegenomen na de BTW-verlaging en zo ja of zij denken dat dit een gevolg van de BTW-verlaging is. Hieronder worden de resultaten van het onderzoek besproken. Toepassing BTW-maatregel De mate waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om het lage BTW-tarief toe te passen is op twee manieren vastgesteld. Ten eerste is gebruik gemaakt van gegevens van de Belastingdienst en ten tweede is de ondernemers naar de toepassing van de maatregel gevraagd. Gebleken is dat een deel van de (volgens de Belastingdienst) niet gebruikers naar eigen zeggen wel degelijk gebruik maken van de BTW-verlaging. In onderstaande tabel is het totaal aantal bedrijven waarvoor de BTW-maatregel geldt en de percentages niet gebruik op basis van de twee gegevensbronnen weergegeven. 7
Tabel S1 Gebruik BTW-maatregel door ondernemers volgens gegevens van de Belastingdienst en volgens de ondernemers zelf Totaal aantal bedrijven waarvoor BTW-maatregel geldt Perc. niet gebruikers volgens Belastingdienst Perc. niet gebruikers volgens ondernemers Fietsherstellers 2209 17% 10% Kappers 9983 6% 1% Kledingherstellers 2178 49% 33% Schilders- en stukadoors 10015 25% 9% Schoenherstellers 812 3% 0% Totaal 25197 18% 8% In de kappers- en de schoenherstelbranche is het percentage ondernemers dat geen gebruik van de BTW-maatregel maakt klein, zowel als men afgaat op de gegevens van de Belastingdienst (6% respectievelijk 3%) als op basis van wat de ondernemers zelf aangeven (respectievelijk 1% en 0%). Met name in de kledingherstelbranche is het niet gebruik hoog, volgens de gegevens van de Belastingdienst maakt 49% van de branche geen gebruik van de maatregel. De fietsherstel- en schilders- en stukadoorsbranche zitten er tussen in. Aangezien het voornamelijk de kappers en schoenherstellers zijn geweest die om de BTW-verlaging verzocht hebben is het niet verwonderlijk dat het gebruik in deze branches ook het hoogste is. Alhoewel ook de schilders om de BTW-verlaging gevraagd hebben is het gebruik in deze branche iets minder groot. Ontwikkeling in de prijzen Voor degenen die de BTW-maatregel wel toepassen zou volledige doorberekening van de BTWverlaging een daling in prijs inclusief BTW van 9,8% tot gevolg hebben. Rekening houdend met een correctie van de kostenstijgingen van gemiddeld 4% in de tarieven exclusief BTW, werd een daling van de tarieven inclusief BTW van 6,2% verwacht in 2000 ten opzichte van 1999. In de jaren daarna werd een jaarlijkse stijging van circa 4% verwacht ter correctie van gestegen kosten. In onderstaande tabel zijn de gemiddelde tariefstijgingen inclusief BTW weergegeven tussen 1999 2000, 2000 2001, 2001-2002 en 1999 2002. Tabel S2 Gemiddelde tariefstijging van de groep gebruikers inclusief BTW per branche in % over de jaren 1999 2000, 2000 2001, 2001 2002 en 1999-2002 1999-2000 2000-2001 2001-2002 1999 2002 Fietsherstellers 0,6% 3,5% 8,5% 13,0% Kappers -0,9% 3,4% 3,7% 6,3% Kledingherstellers -3,1% -9,7% 15,6% 1,2% Schilders -7,1% 4,0% 5,4% 1,8% Stukadoors -6,0% 6,4% 0,7% 0,7% Schoenherstellers -2,6% 3,6% 11,4% 12,4% 8
Het verschil in tarief loopt tussen 1999 en 2000 uiteen van een geringe stijging van 0,6% in de fietsherstelbranche tot een daling van 7,1% in de schildersbranche. Hieruit blijkt dat de prijsdaling in 2000 ten opzichte van 1999 in alle branches met uitzondering van de schilders- en stukadoorsbranche minder sterk is dan op basis van de hoogte van de BTW-verlaging verwacht werd (namelijk 6,2%). Dit betekent dat de BTW-verlaging (gemiddeld over alle bedrijven) niet geheel is doorberekend aan de klant. Met uitzondering van de kledingherstelbranche en de stukadoorsbranche ligt de gemiddelde procentuele prijsstijging in 2001 ten opzichte van 2000 rond de 3,5%. Dit is op het niveau van de te verwachten kostenstijgingen (3% - 4%). Over de periode 2001 2002 laten de prijsstijgingen een grilliger patroon zien, hetgeen wellicht te maken heeft met de invoering van de euro. De cijfers over de gehele onderzoeksperiode laten zien dat de prijzen in de fietsherstelbranche het meest gestegen zijn. In de kledingherstel-, schilders- en stukadoorsbranche zijn de prijzen nauwelijks gestegen over de periode 1999 2002. Ontwikkeling in omzet en vraag De verwachting was dat de vraag naar arbeidsintensieve diensten toe zou nemen als gevolg van prijsdalingen. De vraag is berekend op basis van de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten en de gemiddelde prijzen in de verschillende jaren. Gebleken is dat de vraag in het jaar dat de BTW-verlaging is ingevoerd (2000) gestegen is in alle branches met uitzondering van de kledingherstelbranche (zie figuur 3.2). In deze branche heeft in 2001 een flinke stijging van de vraag plaatsgevonden. Vanwege het lage aantal respondenten in deze branche wordt echter aan de betrouwbaarheid van de vraagberekening getwijfeld. Aangezien de stijging in de vraag over de periode 1999 2001 procentueel gezien achter blijft bij de stijging in de omzet (met uitzondering van de kledingherstelbranche), wordt geconcludeerd dat de stijging in de omzet niet alleen wordt verklaard door een grotere vraag, maar ook door hogere prijzen. Dit is in overeenstemming met de al eerder getrokken conclusie dat de BTW-verlaging niet volledig doorberekend is aan de klant. Ontwikkeling in de werkgelegenheid Om vergelijking met trendgegevens van de Kamer van Koophandel mogelijk te maken is in de vragenlijsten gevraagd naar het aantal werknemers die 15 uur of meer per week werken. Ook is gevraagd naar het aantal uren dat per week gewerkt wordt door het personeel, waarbij onderscheid is gemaakt tussen contracturen, overuren en uren gemaakt door mensen die niet op de loonlijst staan (bijvoorbeeld meewerkende gezinsleden). Onderstaande figuren geven de ontwikkeling weer in het aantal werknemers (die meer dan 15 uur per week werken) en het aantal fte s (inclusief overuren en andere niet-contracturen). Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen de gebruikers en de niet gebruikers van de maatregel. 9
Figuur S1 Aantal werknemers die 15 uur of meer per week werken in 1999, 2000, 2001 en 2002 voor de gebruikers en niet gebruikers van de BTW-maatregel 60000 50000 Gebruikers 1999 40000 Niet gebr 1999 Gebruikers 2000 30000 Niet gebr 2000 Gebruikers 2001 20000 10000 Niet gebr 2001 Gebruikers 2002 Niet gebr 2002 0 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders- en stuk schoenherstellers Figuur S2 Totaal aantal fulltime eenheden in 1999, 2000, 2001 en 2002 voor de gebruikers en niet gebruikers van de BTW-maatregel 60000 50000 Gebruikers 1999 40000 Niet gebr 1999 Gebruikers 2000 30000 Niet gebr 2000 Gebruikers 2001 20000 10000 Niet gebr 2001 Gebruikers 2002 Niet gebr 2002 0 fietsherstellers kappers kledingherstellersschilders- en stukschoenherstellers 10
Fietsherstelbranche In de fietsherstelbranche is in 2000 een stijging in het aantal werknemers opgetreden ten opzichte van 1999 (van 6600 naar ruim 6800 werknemers) die in de jaren daarna min of meer op hetzelfde niveau gehandhaafd blijft. In tegenstelling tot het aantal werknemers neemt het aantal fte s in de branche gestaag toe van 6850 in 1999 tot 7250 in 2002. Opvallend is dat het aantal fte s hoger is dan het aantal werknemers die 15 uur per week of meer werken. Dit betekent dat er in de branche ofwel veel wordt overgewerkt, ofwel veel wordt meegewerkt door niet medewerkers zoals gezinsleden, ofwel veel gewerkt wordt door mensen die minder dan 15 uur per week werken (of een combinatie van deze drie). Kappersbranche In de kappersbranche is in het eerste jaar na de BTW-verlaging een forse stijging in het aantal werknemers opgetreden van ongeveer 35000 in 1999 tot 40000 in 2000. In de jaren erna wordt deze deels weer teniet gedaan. Het totaal aantal blijft met 37000 werknemers in 2002 echter hoger dan in 1999. Ook het aantal fte s neemt flink toe in 2000 ten opzichte van 1999. In tegenstelling tot het aantal werknemers blijft deze toename in het aantal fte s min of meer gehandhaafd in 2001 en in 2002 stijgt het aantal fte s zelfs nog verder tot 31000. Kledingherstelbranche De kledingherstelbranche laat een geleidelijke stijging van het aantal werknemers zien over de periode 1999 2001 (van 7800 naar 9500). In 2002 daalt het aantal werknemers echter weer enigszins. Het aantal fte s volgt hetzelfde patroon. Schilders- en stukadoorsbranche De schilders- en stukadoorsbranche laat een stijging in 2000 (van 52000 naar bijna 55000) en stabilisatie in de jaren erna zien. In 2002 is een lichte daling opgetreden in het aantal werknemers. Het aantal fte s daarentegen vertoont in de gehele periode een stijgende lijn. Dit betekent dat het bestaande personeel meer is gaan werken, waardoor het aantal fte s wel en het aantal werknemers niet toeneemt. Schoenherstelbranche Het aantal werknemers in de schoenherstelbranche tenslotte laat een licht dalende lijn zien over de periode 1999 2001. In 2002 is het aantal werknemers weer iets gestegen. Het aantal fte s schommelt tussen de 1580 en 1650 fte s en is daarmee min of meer stabiel. Trendanalyse Met uitzondering van de schoenherstelbranche is het aantal werknemers in alle branches gestegen. De vraag is nu in hoeverre deze toenames veroorzaakt worden door de BTW-verlaging. Ter beantwoording van deze vraag zijn trendanalyses uitgevoerd. Daarbij is gekeken of er in de jaren na de BTW-verlaging een trendbreuk is opgetreden in het aantal werknemers. Hierbij werd uitgegaan van de veronderstelling dat als dit inderdaad zo was, dit het gevolg was van de BTWverlaging. Deze veronderstelling is getoetst door middel van trendanalyses bij vergelijkbare branches, waaruit is gebleken dat in deze branches geen trendbreuk is opgetreden. Voor de figuren wordt verwezen naar 4.2.3 (branches waarvoor BTW-verlaging geldt) en bijlage 2 (vergelijkbare branches). 11
In de fietsherstel-, schilders- en stukadoors- en kappersbranche lag het aantal werknemers in 2000 hoger dan de trendwaarde. Hierdoor leek het er even op dat een trendbreuk op zou treden. In de fietsherstel en de schilders- en stukadoorsbranche valt het aantal werknemers in 2002 echter weer samen met de trendlijn. Van een trendbreuk is dan ook geen sprake. In de kapperbranche is het aantal werknemers in 2002 nog wel iets groter dan verwacht op basis van de trendanalyse. Het verschil is echter te klein om van een trendbreuk te spreken. Ook in de schoenherstelbranche treedt geen trendbreuk op. Het aantal werknemers ligt in 2000 en 2001 zelfs onder de trendlijn. In 2002 vallen beide waarden vrijwel samen. In de kledingherstelbranche tenslotte is geen trendanalyse uitgevoerd, aangezien voor deze branche geen historische gegevens voorhanden waren. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er op basis van de trendanalyse geen reden is om aan te nemen dat in de branches waarvoor de lage BTW-tarief geldt een extra werkgelegenheidseffect optreedt als gevolg van de BTW-maatregel. Daarbij wordt de kanttekening geplaatst dat de trendanalyse in de schilders- en stukadoorsbranche niet geheel zuiver is aangezien de historische gegevens van deze branche niet helemaal aansluiten bij de doelgroep van de maatregel (in de gegevens van de Kamer van Koophandel zijn bijvoorbeeld ook de glaszetters betrokken). Inschatting ondernemers De ondernemers is gevraagd zelf een inschatting te geven van het effect van de BTW-verlaging op de werkgelegenheid door in te schatten hoeveelheid extra tijd in 2000 (eerste peiling), 2001 (tweede peiling) en 2002 (derde peiling) besteed is aan arbeidsintensieve diensten ten opzichte van 1999 en hoeveelheid werk is blijven liggen als gevolg van personeelstekorten. Aan de ondernemers die een toename van de hoeveelheid werk constateren is gevraagd of men denkt dat dit door de BTW-verlaging komt. Ook is gevraagd of het moeilijk is personeel te krijgen. Uit deze vragen is gebleken dat in ieder geval een deel van de ondernemers van mening is dat de BTW-verlaging meer werk oplevert. Variërend van een derde in de kledingherstelbranche tot 80% in de schoenherstelbranche geeft aan sinds de BTW-verlaging meer tijd te besteden aan arbeidsintensieve diensten. Een hoog percentage van deze ondernemers geeft aan dat dit volledig of gedeeltelijk het gevolg is van de BTW-verlaging. Als men de percentages van deze twee vragen combineert blijkt dat een aanzienlijk deel van de ondernemers (variërend van 21% in de kledingherstelbranche tot 77% in de schoenherstelbranche in 2002) aangeeft dat men als gevolg van de BTW-maatregel meer tijd is gaan besteden aan arbeidsintensieve diensten. Het feit dat 20 tot 60% van de ondernemers in de vijf intensieve branches meer tijd zou besteden aan de arbeidsintensieve diensten als er meer personeel zou zijn, geeft aan dat groei mogelijk is in de branches. Een mogelijk remmende factor op het effect van de BTW-verlaging op de werkgelegenheid is krapte op de arbeidsmarkt. De helft van de ondernemers (kappersbranche) of meer (overige branches) geeft aan dat het heel moeilijk is om personeel te krijgen. De inschatting van de ondernemers dat door de BTW-verlaging de hoeveelheid tijd besteed aan arbeidsintensieve diensten is toegenomen, ziet men niet terug in een (meer dan trendmatige) toename van het aantal werknemers. Reden hiervoor kan zijn dat de ondernemers niet voldoende rekening hebben kunnen houden met andere verklarende factoren zoals economische conjunctuur. Bovendien hoeft een toename in de hoeveelheid werk zich niet te vertalen in een toename van het aantal werknemers. Het is immers goed denkbaar dat het extra werk wordt opgevangen door bestaande werknemers. Al met al is er onvoldoende aanleiding om uit de inschatting van de ondernemers over het effect van de BTW-verlaging op de hoeveelheid werk te concluderen dat de verlaging een positief effect heeft op het aantal werknemers. 12
Conclusie De slotconclusie van de drie peilingen luidt dat de BTW-verlaging geen aantoonbaar effect heeft gehad op het aantal werknemers in, in ieder geval drie van de vijf branches waarvoor de BTWmaatregel geldt. In de fietsherstel-, kappers- en schoenherstelbranche is immers geen trendbreuk in het aantal werknemers waargenomen na de invoering van de BTW-maatregel. In de schildersen stukadoorsbranche is ook geen trendbreuk waargenomen. Echter aangezien de gegevens waarop de trendanalyse gebaseerd is niet geheel aansluiten bij de doelgroep van de BTWmaatregel kan geen definitief uitsluitsel over het effect van de BTW-maatregel op de werkgelegenheid in deze branche worden gegeven. Ditzelfde geldt voor de kledingherstelbranche waarvoor helemaal geen trendanalyse is uitgevoerd in verband met het ontbreken van historische gegevens. 13
14
Summary and conclusion The Netherlands take part in an experiment of the European Union to lower VAT rates on several labour-intensive services from the usual 19% to 6%. The project runs from January 1 st, 2000 till December 31 st, 2002. The experiment includes the following services: reparation of bicycles; reparation of foot- and leatherwear; reparation and remodelling of clothing and domestic linen; hairdressing services; painting and plastering of houses older than 15 years. The goal of the experiment is to promote employment in the five branches. This can be done by reducing VAT rates, for a lower VAT rate can cause a decrease in prices, which in turn causes an increase in the demand. The survey carried out by Research voor Beleid is set up to determine a demonstrable effect on employment after lowering the VAT rates. A panel of employers has been asked to fill in a questionnaire (in September 2000, May 2001 and May 2002) about the use of the low VAT rate, the prices, number of employees, number of fulltime units, returns and profits over a period of four years (1999 2002). The employers were specifically asked whether the amount of work increased after the VAT reduction and whether they thought this could be described to the VAT measure or not. With the use of historical data of the years 1990 1999 from the United Chambers of Commerce, a trend analysis of the number of employees was carried out. This analysis determines the expected number of employees for the year 2000 and onwards, based on the assumption that the VAT rates are not lowered. The data retrieved from the questionnaires have been compared to the trend values so as to determine whether a break in the trend had occurred or not. If so, this break could be ascribed to the tax measure. Use of the lower VAT rate The extent to which the mentioned services use the low VAT rate has been determined in two ways. In the first place, data from the tax department demonstrates the use of VAT rates. Secondly the employers have been asked whether they apply the low rates. The results of the survey show that part of the employers, marked as non-users by the tax department data, says that in fact they do use the VAT measure. The table below shows the total number of companies subject to the VAT measure and the percentages of non-users (according to the tax department and the employers themselves). 15
Table S1 Application of the VAT measure by employers according to tax department data and the employers themselves Total of companies subject to VAT measure Perc. Non-users according to tax department Perc. Non-users according to employers Bicycle repair 2209 17% 10% Hairdressing 9983 6% 1% Clothing repair 2178 49% 33% Painting and plastering 10015 25% 9% Footwear repair 812 3% 0% Total 25197 18% 8% In the hairdressers- and shoe repair branches the percentage of non-users is low, both according to the tax department data (respectively 6 and 3%) and to the employers (respectively 1 and 0%). Especially in the clothes repair branch there is a high percentage of employers who do not use the new VAT measure. According to tax department data the percentage is 49%. The cycle repair and painting and plastering branches lie in between. Since it were mainly the Dutch hairdressersand shoe repair branches that asked for the measure to lower the VAT rates, it is not surprising that the use of the measure is highest in these branches. The painters and plasterers branches also asked for the implementation of the measure, the use in this branch is somewhat lower. Development of prices A complete pass-on of the lower VAT rate to the customer would result in a reduction of prices (VAT included) of 9.8%. Accounting for a yearly cost increase of 4% (VAT excluded) a reduction of the prices (VAT included) of 6.2% was expected in 2000 compared to 1999. After 2000 a yearly rise of 4% was expected to compensate for cost increases. In the table below average increases in prices (VAT included) are shown for 1999 2000, 2000 2001, 2001-2002 and 1999 2002. Table S2 Average increases in prices (VAT included) per branch in % over the years 1999 2000, 2000 2001, 2001 2002 en 1999-2002 1999-2000 2000-2001 2001-2002 1999 2002 Bicycle repair 0,6% 3,5% 8,5% 13,0% hairdressing -0,9% 3,4% 3,7% 6,3% Clothing repair -3,1% -9,7% 15,6% 1,2% Painting -7,1% 4,0% 5,4% 1,8% Plastering -6,0% 6,4% 0,7% 0,7% Footwear repair -2,6% 3,6% 11,4% 12,4% 16
The difference in prices between 1999 and 2000 varies from a slight increase of 0.6% in the cycle repair branch to a decrease of 7.1% in the painting branch. It turns out that the decrease in prices between 1999 and 2000 in all branches except the painting and plastering branches, is less than expected (namely 6.2%) on the basis of the decrease of VAT from 19% tot 6%. This means that the VAT reduction was not completely passed-on to the customer (averaged out of all employers). Except from the clothes repair and plastering branches, the average price increase (in terms of percentages) in 2001 in comparison with 2000 is roughly 3.5%. This is as expected because of cost increases. Over the period 2001 2002 the price increases are less stable, which could be explained by the introduction of the euro. In the last column, it can be seen that over the whole period (1999-2002) prices have increased mostly in the bicycle repair branch. In the clothes repair, painting and plastering branches prices hardly went up during that period of time. Development of trade and demand Owing to the decrease of VAT rates, an increase of the demand for labour-intensive services was expected. The demand was calculated on trade and average prices in the different years. The demand increased in the year after the lowering of VAT rates in all branches except for the clothes repair branch. In this branch an increase in the demand occurred a year later, in 2001. The reliability of these results can be considered low because of small response rates in this particular branch. The increase in demand over the period 1999 2001 is relatively smaller than the increase of trade. Therefore it can be concluded that the increase in trade is not only explained by a bigger demand but also by higher prices. This is in accordance with the aforementioned conclusion that the VAT lowering has not been completely passed on to the customers. Development in employment The panel of employers was asked to fill in the number of employees who work 15 hours or over weekly. This to make comparison with the data from the United Chambers of Commerce possible. Also the number of hours a week worked by all the employees together is asked. In the figures below the development in the number of employees (15 hours or more) and the number of fulltime units is shown. Hereby a difference is made between users and non-users of the VAT measure. 17
Figure S1 Number of employees working 15 hours or more in 1999, 2000, 2001 and 2002 for the users and not users of the VAT measure 60000 50000 Users 1999 40000 Not users 1999 Users 2000 30000 Not users 2000 Users 2001 20000 10000 Not users 2001 Users 2002 Not users 2002 0 cycle repair hairdressing clothes repair painting and plast. shoe repair Figure S2 Number of fulltime units in 1999, 2000, 2001 and 2002 for the users and not users of the VAT measure 60000 50000 40000 30000 Users 1999 Not users 1999 Users 2000 Not users 2000 Users 2001 20000 Not users 2001 Users 2002 10000 Not users 2002 0 cycle repair hairdressing clothes repair painting and plastṣhoe repair 18
Cycle repair branch In the cycle repair branch an increase in the number of employees occurred in the year 2000 in comparison with 1999 (from 6600 to well over 6800 employers). In the years 2001 and 2002 this number continues to be on the same level. The number of fulltime units is gradually increasing over the period 1999 2002 from 6850 in 1999 tot 7250 in 2002. Remarkably the number of fulltime units is higher than the number of employees. This points to overtime by the employees working 15 hours or over, or to work done by people working less than 15 hours a week (or a combination of both). Hairdressing branch In the hairdressing branch there has been a considerable increase in the number of employees in the first year after the implementation of the VAT reduction (from 35000 in 1999 to 40000 in 2000). In the years after, this increase is partly undone. With 37000 employees in 2002, the number is above the level of 1999. Contrary to the number of employees the number of fulltime units in 2002 is higher than the number in 2000. Clothes repair branch In the clothes repair branch a gradual increase in the number of employees occurs over the period 1999 2001 (from 7800 to 9500). In 2002 however the number decreases slightly. The same pattern is seen in the number of fulltime units. Pasting and plastering branch In this branch an increase in the number of employees is observed in 2000 (from 52000 to almost 55000). This level is maintained in the years after. In 2002 a slight decrease in the number of employees is observed. The number of fulltime units however continue to increase during the whole period. This means that personnel works more and more, which causes the number of fulltime units to go up while the number of employees stays the same. Foot wear repair branch The number of employees in the footwear repair branch shows a declining trend in the period 1999 2001. In 2002 the number slightly increases again. The number of fulltime units fluctuates between 1580 and 1650 and is therefore more or less stable. Trend analysis Except from the footwear repair branch, the number of employees increases in all branches. The question the survey needs to answer, is to what extent these increases are due to the lowering of the VAT rate. To answer this question trend analyses have been carried out to determine a possible break in the number of employees in the years after the introduction of the VAT reduction. By comparing employee data in our five branches to those in other branches, it has been determined that if a break is found, this can be due to the VAT measure. This because in other branches no break occurred in the years after the VAT measure. (See also 4.2.3 (branches the VAT measure applies for) and annex 2 (comparable branches)). 19
In the cycle repair, pasting and plastering and hairdressing branches, the number of employees in 2000 exceeded the trend value. It therefore looked like a break would occur. However in 2002 the number of employees in these branches, excluding the hairdressing branch, coincided with the trend value. This means that a break did not occur. In the hairdressing branch the number of employees is in 2002 still above the expected number. The difference however is too small to speak of a true break. The shoe repair branch does not show a rupture. In 2000 and 2001 the number of employees is even lower than expected. In 2002 both values coincide more or less. In the clothing repair branch there were no historical data available so trend analyses were not possible. It is concluded that on the basis of the trend analysis there is no reason to assume an effect of the VAT measure on the employment. The trend analysis of the painting and plastering branch however is of limited value because the historical data of this branch do not completely cover the right target group of the VAT measure. Employers The employers is asked to assess the effect of the VAT measure on the employment by estimating the amount of extra time needed for the labour-intensive services in 2000, 2001 and 2002 in comparison to 1999. The employers that noticed an increase in the amount of work is asked whether they considered this to be an effect of the VAT measure. It is also asked whether they think it is difficult to find new personnel. It is shown that at least a part of the employers is of the opinion that the VAT measure has an positive effect on the amount of work. From one third in the clothing repair branch to 80% in the shoe repair branch, the employers say that after the introduction of the VAT measure more time is being spent on the labour-intensive services. A high percentage of these employers say that this is completely or partly the result of the VAT reduction. The combination of the answers on both questions shows that a considerate part of the employers (varying from 21% in the clothing repair branch to 77% in the shoe repair branch) is of the opinion that because of the VAT reduction the amount of time spent on labour-intensive services has increased. Twenty to sixty percent of the employers in the five branches says that they would spent more time on labour-intensive services if they would have more personnel. The tight labour market could hinder the growth of employment, because 50% (in the hairdressing branch) or more (in the other branches) of the employers find it very difficult to find new personnel. Although the employers think the VAT measures has a positive effect on the employment, an (more than normal) increase in the number of employees is not found. Reason for this discrepancy could be that the employers are not able to isolate the effect of the VAT rate on the amount of work from other determining factors, such as market conditions. Besides that an increase in the amount of work does not automatically mean an increase in the number of employees. It is quite conceivable that the existing personnel carries out the extra work. All in all, based on the answers of the employers, it can not be concluded that the VAT measure has an effect on the employment. 20
Conclusion The final conclusion of the survey is that the VAT measure has no demonstrable effect on the number of employees, in at least three of the five branches. After all, there was no trend break found in the number of employees in the bicycle repair, hairdressing and foot wear repair branches after the introduction of the lower VAT rate. Neither in the painting and plastering branch a trend break was found. Though, because the historical data did not completely cover the right branch, a definite conclusion on the effect of the VAT measure on the employment in this branch can not be drawn. The same goes for the clothing repair branch. In this branch there were no historical data at all, which means that no trend analysis has been carried out. 21
22
1 Achtergrond en doelstelling van het onderzoek 1.1 Wetswijziging Wet op de omzetbelasting De in Nederland geldende BTW-tarieven zijn vastgelegd in de Wet op de omzetbelasting 1968. De Raad van de Europese Unie heeft een richtlijn vastgesteld die het mogelijk maakt op een aantal arbeidsintensieve diensten een verlaagd BTW-tarief toe te passen van 6 in plaats van het in 2002 geldende tarief van 19% 1. Nederland heeft een machtiging gevraagd om aan dit experiment deel te nemen. Bij beschikking van 28 februari 2000 is deze machtiging aan Nederland verleend voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002. Dienovereenkomstig is de Wet op de omzetbelasting gewijzigd. Het experiment geldt voor drie categorieën uit een lijst van diensten, vastgelegd in de Zesde BTW-richtlijn. Deze drie categorieën omvatten vijf soorten arbeidsintensieve diensten: het herstellen van fietsen; het herstellen van schoeisel en lederwaren; het herstellen en vermaken van kleding en huishoudlinnen; de diensten die door kappers als zodanig worden verricht; het schilderen en stukadoren van woningen ouder dan 15 jaar. Door verlaging van het BTW-tarief op deze diensten kunnen verlagingen in de prijzen ontstaan, waardoor de vraag toeneemt. Het experiment heeft tot doel via dit prijsmechanisme de werkgelegenheid in de branches te stimuleren. 1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen Zoals gezegd geldt de BTW-verlaging voor drie jaar. De effecten van de verlaging worden door het ministerie van Financiën geëvalueerd, waarbij gekeken wordt of het doel van de wet - toename van de werkgelegenheid in de betreffende sectoren wordt bereikt. De doelstelling van het evaluatieonderzoek is: Vast te stellen in hoeverre de toepassing van het BTW-tarief van 6% op vijf arbeidsintensieve diensten leidt tot een toename van de werkgelegenheid in de bedrijven die deze arbeidsintensieve diensten verrichten. Daarbij kan werkgelegenheid op twee manieren worden opgevat. Enerzijds als het werkelijke aantal werknemers (of fulltime eenheden), anderzijds als de optelsom van het werkelijke aantal werknemers en het aantal vacatures bij de bedrijven in de vijf branches. 1 Per 1 januari 2001 is het algemene BTW -tarief verhoogd van 17,5 tot 19%. In het rapport wordt omwille van de duidelijkheid over 19% gesproken. 23
Deze doelstelling is uitgewerkt in een aantal concrete onderzoeksvragen. Doorberekening in de prijzen 1. In hoeverre wordt door ondernemers die arbeidsintensieve diensten verrichten waarvoor het lage BTW-tarief geldt, gebruik gemaakt van de BTW-maatregel? 2. In hoeverre leidt de BTW-verlaging tot een verlaging van de prijzen van de betreffende diensten (zowel inclusief als exclusief BTW)? 3. Bij welk deel van de ondernemers wordt de verlaging volledig doorberekend in de prijzen, bij welk deel gedeeltelijk en bij welk deel helemaal niet? 4. Als de BTW-verlaging niet of slechts gedeeltelijk wordt doorberekend in de prijzen, wat gebeurt er met de extra inkomsten? Te denken valt aan investeringen, verbetering arbeidsvoorwaarden zittend personeel, uitbreiding van het personeel of verhoging winstmarge. 5. Wat zijn de redenen om de verlaging al dan niet door te berekenen? 6. Zijn er verschillen tussen de verschillende sectoren? Toename vraag/omzet 1. In hoeverre is er in de onderzoeksperiode (1999-2002) sprake van een toename van de vraag naar de betreffende diensten? 2. In hoeverre is de eventuele toename in vraag naar en omzet in de betreffende diensten toe te schrijven aan de verlaging van het tarief? Dat wil zeggen welk deel van de toename voltrekt zich autonoom en welk deel komt voort uit de maatregel? 3. Zijn er wat dit betreft verschillen tussen de verschillende sectoren? Bij welke sectoren heeft de maatregel het meeste c.q. het minste effect? Bevordering werkgelegenheid 1. Wat zijn de veranderingen in werkgelegenheid over de periode 1999-2002 in de betreffende sectoren? Hoe is deze werkgelegenheid opgebouwd uit werkzame personen en vacatures? 2. Leidt toename van werkgelegenheid ook tot toename van aantal werkzame personen? Met andere woorden: slagen ondernemers erin om hun vacatures te vervullen? 3. In hoeverre zijn deze veranderingen in werkgelegenheid een gevolg van de BTW-maatregel? 4. Zijn er verschillen tussen de sectoren ten aanzien van het effect van de maatregel? 1.3 Derde peiling Net als in de voorgaande twee peilingen is een schriftelijke vragenlijst verspreid onder een panel van ondernemers, waarin gevraagd is naar het gebruik van de BTW-maatregel, prijzen, werkgelegenheid, omzet en winst. Op basis van de enquêtegegevens en met behulp van bestanden van de Belastingdienst zijn populatieschattingen gemaakt van de werkgelegenheid in de branches als geheel. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen bedrijven die wel en bedrijven die geen gebruik maken van de BTW-maatregel. Voor meer informatie over de onderzoeksmethode en de responsverantwoording wordt verwezen naar bijlage 1. Verder wordt opgemerkt dat de in deze rapportage vermelde bedragen in tegenstelling tot de twee eerdere rapportages alle in euro s zijn weergegeven. 24
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 gaat in op de effecten van de BTW-maatregel op de prijsstelling. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling in omzet, vraag en winst in 1999, 2000 en 2001 in de vijf branches besproken. Hoofdstuk 4 beschrijft de effecten van de BTW-maatregel op de werkgelegenheid. In hoofdstuk 5 tenslotte worden conclusies getrokken omtrent het effect van de BTW-verlaging op basis van de resultaten van de drie peilingen. Zoals gezegd wordt voor uitleg omtrent de onderzoeksmethode en de responsverantwoording verwezen naar bijlage 1. 25
26
2 Ontwikkeling in de prijzen/tarieven van arbeidsintensieve diensten In dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op de mate van toepassing van de BTW-maatregel en de redenen om deze wel of niet toe te passen ( 2.1). Vervolgens wordt ingegaan op de doorberekening van de BTW-verlaging in de prijzen/tarieven en de redenen om de verlaging wel/ niet door te berekenen ( 2.2). In 2.3 worden vervolgens de ontwikkeling in de gemiddelde prijzen inclusief en exclusief BTW besproken. 2.1 Toepassing BTW-maatregel Bedrijven die volgens de bestanden van de Belastingdienst geen gebruik maken van de BTWmaatregel is in de tweede peiling met behulp van een telefonische enquête gevraagd of dit inderdaad zo is. Een deel van de ondervraagde niet gebruikers heeft aangegeven de maatregel wel degelijk toe te passen. In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel bedrijven wel en hoeveel geen gebruik maken van de maatregel op basis van de bestanden van de Belastingdienst en op basis van wat de ondernemers zelf zeggen. Tijdens de tweede peiling werd als mogelijke verklaring voor de discrepantie in de gegevens van de Belastingdienst en de antwoorden van de ondernemers over het gebruik van de BTW-maatregel aangedragen dat de gegevens van de Belastingdienst betrekking hadden op het jaar 2000 en de antwoorden van de ondernemers op 2001. De redenering was dat de ondernemers in 2000 nog niet, maar in 2001 inmiddels wel gebruik maakten van de maatregel. Aangezien de gegevens van de Belastingdienst geactualiseerd zijn en dus ook betrekking hebben op 2001 vervalt deze verklaring. Tabel 2.1 Gebruik BTW-maatregel door ondernemers volgens gegevens Belastingdienst en ondernemers Totaal aantal waarvoor BTW - maatregel geldt Gebruikers Niet gebruikers Perc. niet gebr. volgens be- BTWmaatregel (A) standen BD (B) (B: A+B) Niet gebruikers volgens ondernemers (C) Perc. niet gebr. (C: A+B) Fietsherstellers 2209 1841 368 17% 216 10% Kappers 9983 9359 624 6% 127 1% Kledingherstellers 2178 1105 1073 49% 728 33% Schilders- en stuk. 10015 7525 2490 25% 873 9% Schoenherstellers 812 786 26 3% 0 0% Totaal 25197 20616 4581 18% 1944 8% Kolom 1 optelling kolom 2 + 3; kolom 2 uit populatiebestand Belastingdienst; kolom 3 en kolom 5 schattingen op basis van telefonische enquête. In de kappers- en de schoenherstelbranche is het percentage ondernemers dat geen gebruik van de BTW-maatregel maakt klein, zowel als men afgaat op de gegevens van de Belastingdienst (6% respectievelijk 3%) als op basis van wat de ondernemers zelf aangeven (respectievelijk 1% en 0%). Met name in de kledingherstelbranche is het niet gebruik hoog, volgens de gegevens van de Belastingdienst maakt 49% van de branche geen gebruik van de maatregel. De fietsherstel- en schilders- en stukadoorsbranche zitten er tussen in. Aangezien het voornamelijk de kappers en schoenherstellers zijn geweest die om de BTW-verlaging verzocht hebben is het niet 27
verwonderlijk dat het gebruik in deze branches ook het hoogste is. Ook de schilders hebben om de BTW-verlaging gevraagd. In deze branche is het gebruik echter iets minder groot. De redenen die de ondernemers hebben gegeven waarom ze geen gebruik maken van de BTWverlaging staan weergegeven in figuur 2.1. In deze figuur zijn alleen de redenen weergegeven die respondenten van de derde peiling hebben aangedragen. Op deze manier (zonder de oude antwoorden van eerdere peilingen mee te nemen) ontstaat een recent beeld van de redenen voor het niet gebruik van de maatregel. Figuur 2.1 Redenen niet gebruik BTW-maatregel Geen/weinig diensten waarvoor 6% geldt uitgevoerd 39% De administratieve lasten zijn te hoog 38% Het levert te weinig op 27% Ik ben niet bekend met de maatregel 11% Ik weet niet voor welke diensten het lage BTW-tarief geldt 4% Reparatie is gratis service 1% Andere reden 7% 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45% De meest genoemde redenen voor het niet gebruik zijn dat er geen of weinig diensten waarvoor het 6% tarief geldt worden uitgevoerd en dat de administratieve lasten te hoog zijn (overigens overlappen deze twee redenen elkaar grotendeels). Ruim een derde van de niet gebruikers geeft dit als reden op. Een andere reden die de niet gebruikers opgeven en die hoogstwaarschijnlijk samenhangt met bovenstaande twee redenen is dat het toepassen van het lage BTW-tarief de ondernemer te weinig oplevert (27%). Ruim 10% is niet bekend met de maatregel. Dit jaar is deze reden aanzienlijk minder vaak genoemd dan tijdens de tweede peiling (21%). Ook de reden dat men niet weet voor welke diensten het lage BTW-tarief geldt is minder vaak aangedragen dan vorig jaar (respectievelijk 4% en 7%). Dit geeft aan dat er nog steeds ondernemers zijn die de maatregel niet kennen maar dat dit percentage geleidelijk afneemt. 28
2.2 Doorberekening van de BTW-verlaging in de prijzen/ tarieven In de eerste twee peilingen is de vraag gesteld of de ondernemer de BTW-verlaging op het moment dat deze van kracht werd heeft doorberekend in de prijzen/uurtarieven, oftewel of hij de klant heeft laten profiteren van de BTW-verlaging. In de derde peiling is deze vraag niet opnieuw gesteld, omdat (de overgrote meerderheid van) de respondenten deze vraag reeds beantwoord heeft. Dit betekent dat er geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen over de doorberekening van de BTW-maatregel. Hieronder worden nogmaals kort de resultaten van de eerste twee peilingen weergegeven. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar het rapport over de tweede peiling, 2.2. In tabel 2.2 zijn de percentages gegeven van respondenten die de maatregel volledige, gedeeltelijke en niet doorberekend hebben (het gaat hierbij alleen om de gebruikers van de maatregel). Tabel 2.2 Doorberekening BTW-verlaging in prijzen/tarieven (resultaten eerste en tweede peiling) Volledig doorberekend Gedeeltelijk doorberekend Niet doorberekend Fietsherstellers 54% 26% 20% Kappers 55% 33% 12% Kledingherstellers 45% 23% 32% Schilders- en stukadoors 79% 4% 16% Schoenherstellers 64% 31% 5% De tabel laat zien dat de meerderheid van de ondernemers aangeeft de BTW-verlaging geheel of gedeeltelijk te hebben doorberekend in de prijzen. Met name in de schilders- en stukadoorsbranche is de volledige doorberekening hoog aangezien daar veelal wordt gewerkt met prijzen exclusief BTW. De meest genoemde reden om de BTW-verlaging wel door te berekenen in de prijs is dat men zelf ook minder BTW hoeft af te dragen (82% van de ondernemers die gebruik maken van de maatregel dragen deze reden aan). Een groot deel geeft (ook) aan op deze manier meer klanten te willen trekken (49%). De drie meest genoemde redenen om de BTW-verlaging niet door te berekenen zijn de onzekerheid of de BTW-verlaging definitief is (35%), de mogelijkheid om zo het rendement te verbeteren (25%) en om investeringen te kunnen doen (22%). Bijna een vijfde (18%) geeft aan het extra geld te gebruiken voor de aanname van nieuw personeel. 29
2.3 Vergelijking tarieven 1999 2002 Net als voorgaande jaren is gevraagd naar de prijzen en uurtarieven voor arbeidsintensieve diensten zoals die aan de klant berekend worden. Gedurende de drie peilingen zijn gegevens over 1999, 2000, 2001 en 2002 verzameld. Voor de vijf branches gaat het om de volgende diensten. Fietsherstellers: uurtarief reparatie fiets Kappers: prijs wassen, knippen, stylen dames Kledingreparatie: prijs inkorten broek Schilders: uurtarief schilderwerk Stukadoors: uurtarief stukadoorswerk Schoenreparatie: uurtarief reparatie schoeisel In figuur 2.2 is het verloop van de prijzen exclusief BTW weergegeven over de periode 1999 2002. Het betreft de gemiddelde prijzen van de groep ondernemers die (volgens de gegevens van de Belastingdienst) gebruik maakt van de BTW-maatregel. De bedragen voor 1999, 2000 en 2001 zijn omgerekend naar euro s 1. Figuur 2.2 Gemiddelde tarieven exclusief BTW in euro s over de periode 1999 2002 (gebruikers) 35,0 30,0 25,0 20,0 15,0 30,6 28,2 27,3 24,4 22,0 21,2 20,5 18,6 32,7 31,0 32,2 32,0 29,8 29,0 30,0 28,8 32,3 29,0 28,0 25,9 1999 2000 2001 2002 10,0 7,4 7,9 8,2 7,1 5,0 0,0 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders stukadoors schoenherstellers 1 De gemiddelde tarieven voor de kappersbranche hebben betrekking op een knipbeurt voor dames. In de vorige peilingen zijn de tarieven voor een knipbeurt voor heren weergegeven. 30
De figuur laat zien dat met uitzondering van de kledingherstelbranche een regelmatige tariefstijging heeft plaatsgevonden in de periode 1999 2002. Een verklaring voor het onregelmatige patroon in de kledingherstelbranche is het kleine aantal respondenten in met name de eerste peiling waarin gevraagd is naar de prijzen voor 1999 en 2000 (47 respondenten). Figuur 2.3 geeft de gemiddelde tarieven inclusief BTW weer, waardoor zichtbaar wordt hoe de prijzen die de klant betaalt zich ontwikkeld hebben. Figuur 2.3 Gemiddelde tarieven inclusief BTW in euro s over de periode 1999 2002 (gebruikers) 40,0 35,0 30,0 32,5 28,7 29,9 28,9 34,7 34,1 34,1 32,9 33,9 33,9 31,6 31,8 34,2 30,5 30,7 29,7 25,0 20,0 15,0 23,3 22,4 21,921,7 1999 2000 2001 2002 10,0 8,6 8,7 8,4 7,6 5,0 0,0 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders stukadoors schoenherstellers Zoals in de eerste en tweede peiling reeds is gebleken zijn als gevolg van de BTW-verlaging in alle branches (met uitzondering van de fietsherstelbranche) de gemiddelde prijzen in 2000 gedaald ten opzichte van 1999. In 2001 en 2002 zijn de gemiddelde prijzen weer gestegen, met uitzondering van de kledingherstelbranche in 2001. De ontwikkeling in de gemiddelde prijzen zoals gehanteerd door de niet gebruikers laat een ander patroon zien. Aangezien deze ondernemers niet minder BTW af zijn gaan dragen zijn de prijzen voor de klant ook niet gedaald in 2000 ten opzichte van 1999. Figuur 2.4 laat dit zien. 31
Figuur 2.4 Gemiddelde tarieven inclusief BTW in euro s over de periode 1999 2002 (niet gebruikers volgens gegevens Belastingdienst) 45,0 40,0 37,4 39,0 35,0 30,0 25,0 20,0 33,0 28,7 27,6 26,9 22,5 31,3 29,8 25,9 31,7 30,8 27,1 34,0 30,6 28,9 30,0 1999 2000 2001 2002 15,0 15,2 13,9 13,4 12,4 10,0 5,0 6,4 5,86,0 0,0 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders stukadoors schoenherstellers Uit de figuur blijkt dat de prijzen in 2002 aanzienlijk zijn gestegen ten opzichte van 2001. Een voor de hand liggende verklaring hiervoor is de invoering van de euro. Opvallend is echter dat deze meer dan normale stijging bij de gebruikers van de BTW-maatregel niet gesignaleerd is. Een mogelijke verklaring is dat ondernemers die geen gebruik maken van de BTW-maatregel de invoering van de euro hebben aangegrepen om hun rendement te verbeteren, terwijl de gebruikers van de maatregel hiervoor de invoering van de BTW-verlaging al hebben aangegrepen. Het resultaat is in ieder geval dat de gemiddelde prijzen van de groep niet gebruikers in 2002 in de meeste branches hoger is dan die van de gebruikers. Voor de jaren 1999 2001 geldt juist het omgekeerde. 32
Procentuele prijsstijgingen In de tweede peiling is reeds geconstateerd dat de daling van de prijzen in 2000 ten opzichte van 1999 die als gevolg van de BTW-verlaging is opgetreden, minder groot is dan verwacht. In de fietsherstelbranche is zelfs een kleine stijging van de gemiddelde prijs inclusief BTW opgetreden. Hieronder wordt nog eens kort ingegaan op de verwachte en opgetreden prijsdalingen en stijgingen, zoals al bekend na de tweede peiling. In de tabel zijn de prijsstijgingen tussen 2001 en 2002 toegevoegd. Bij een gelijkblijvend tarief exclusief BTW in 1999 en 2000 zou als gevolg van de BTW-verlaging een daling van 9,8% in het tarief inclusief BTW optreden. Rekening houdend met een correctie van de kostenstijgingen van gemiddeld 4% in de tarieven exclusief BTW, werd een daling van de tarieven inclusief BTW van 6,2% verwacht in 2000 ten opzichte van 1999. In tabel 2.3 zijn de gemiddelde tariefstijgingen inclusief BTW weergegeven tussen 1999 2000, 2000 2001, 2001-2002 en 1999 2002. Tabel 2.3 Gemiddelde tariefstijging van de groep gebruikers inclusief BTW per branche in % over de jaren 1999 2000, 2000 2001, 2001 2002 en 1999-2002 1999-2000 2000-2001 2001-2002 1999 2002 Fietsherstellers 0,6% 3,5% 8,5% 13,0% Kappers -0,9% 3,4% 3,7% 6,3% Kledingherstellers -3,1% -9,7% 15,6% 1,2% Schilders -7,1% 4,0% 5,4% 1,8% Stukadoors -6,0% 6,4% 0,7% 0,7% Schoenherstellers -2,6% 3,6% 11,4% 12,4% Het verschil in tarief loopt tussen 1999 en 2000 uiteen van een geringe stijging van 0,6% in de fietsherstelbranche tot een daling van 7,1% in de schildersbranche. Hieruit blijkt dat de prijsdaling in 2000 ten opzichte van 1999 in alle branches met uitzondering van de schilders- en stukadoorsbranche minder sterk is dan op basis van de hoogte van de BTW-verlaging verwacht werd (namelijk 6,2%). Dit betekent dat de BTW-verlaging (gemiddeld over alle bedrijven) niet geheel is doorberekend aan de klant. Met uitzondering van de kledingherstelbranche en de stukadoorsbranche ligt de gemiddelde procentuele prijsstijging in 2001 ten opzichte van 2000 rond de 3,5%. Dit is op het niveau van de te verwachten kostenstijgingen (3% - 4%). Over de periode 2001 2002 laten de prijsstijgingen een grilliger patroon zien, hetgeen wellicht te maken heeft met de invoering van de euro. De cijfers over de gehele onderzoeksperiode laten zien dat de prijzen in de fietsherstelbranche het meest gestegen zijn. In de kledingherstel-, schilders- en stukadoorsbranche zijn de prijzen nauwelijks gestegen over de periode 1999 2002. 33
Samenvatting De resultaten ten aanzien van het gebruik en de doorberekening van de BTW-maatregel zijn naar aanleiding van de derde peiling niet noemenswaardig veranderd in vergelijking met de tweede peiling. De belangrijkste conclusies worden hier nog eens kort samengevat. Volgens de bestanden van de Belastingdienst wordt met name in de kledingherstelbranche door een groot deel van de bedrijven (49%) geen gebruik gemaakt van de BTW-maatregel. Ook in de schilders- en stukadoorsbranche en de fietsherstelbranche zijn deze percentages vrij hoog, respectievelijk 25% en 17%. In de kappers- en schoenherstelbranche zijn deze percentages vrij laag, namelijk 6% en 3%. Een aanzienlijk deel van de ondernemers die volgens de gegevens van de Belastingdienst geen gebruik maken van de BTW-maatregel geven zelf aan wel degelijk gebruik van de maatregel te maken. Afgaand op de antwoorden van de ondernemers bedragen de percentages niet gebruik respectievelijk 33%, 9%, 10%, 1% en 0%. Belangrijkste redenen voor het niet gebruik zijn: het feit dat er geen of weinig werk wordt uitgevoerd waarvoor het lage BTW-tarief geldt (39%), te grote administratieve lasten (38%), het feit dat het te weinig oplevert (27%) en onbekendheid met de regel (11%). Het grootste deel van de ondernemers die volgens de bestanden van de Belastingdienst gebruik maken van het lage BTW-tarief geeft aan de BTW-verlaging volledig of gedeeltelijk te hebben doorberekend. Dit ziet men - met uitzondering van de fietsherstelbranche ook terug in de uurtarieven en prijzen die berekend zijn aan de klant, zij het in minder sterke mate dan verwacht op basis van de BTW-verlaging. In 2001 zijn de prijzen weer gestegen, met uitzondering van de kledingherstelbranche. Deze stijging ligt ongeveer in de orde van grootte van de kostenstijgingen. In 2002 zijn de prijzen in de fiets-, kleding- en schoenherstelbranche aanzienlijk sterker gestegen dan de te verwachten kostenstijgingen (respectievelijk 8,5%, 15,6% en 11,4%), wellicht als gevolg van de euro. Ook in de schildersbranche is de prijsstijging vrij hoog (5,4%). In de stukadoorsbranche zijn de prijzen nauwelijks gestegen in 2002 ten opzichte van 2001. Belangrijkste reden om de BTW-verlaging door te berekenen is het feit dat de BTW-verlaging de klant toekomt (82%). Verder geeft de helft van de ondernemers aan zo meer klanten te trekken. Redenen om de BTW-verlaging niet door te berekenen zijn de onzekerheid of de BTW-verlaging wel definitief wordt doorgevoerd (35%), om het eigen rendement te verbeteren (25%), voor investeringen (22%), omdat de uurtarieven erg laag waren (19%) en voor aanname van nieuw personeel (18%). Belangrijkste verschil tussen de vijf branches ten aanzien van de prijzen/ uurtarieven is dat in de schilders- en stukadoorsbranche de BTW-verlaging volledig is doorberekend aan de klant (hetgeen blijkt uit de gemiddelde procentuele tariefdaling tussen 1999 en 2000 van 6,6%), terwijl dit in de overige branches niet het geval is. In de fietsherstelbranche heeft in 2000 zelfs een lichte stijging van de uurtarieven exclusief BTW plaatsgevonden. 34
3 Ontwikkeling in omzet, vraag en winst Gedurende de drie peilingen zijn gegevens verzameld over de omzet en winst in 1999, 2000 en 2001 van de respondenten. Daarnaast zijn voor de hele populatie omzetgegevens van de Belastingdienst beschikbaar voor deze jaren. Met behulp van de omzetgegevens en de gemiddelde prijzen is ook de vraag naar arbeidsintensieve diensten berekend. Ontwikkeling omzet Tabel 3.1 geeft de totale omzet en de omzet besteed aan arbeidsintensieve diensten in de vijf branches voor 1999, 2000 en 2001. Hiervoor is enerzijds gebruik gemaakt van de omzetgegevens voor alle bedrijven die gebruik maken van het lage BTW-tarief zoals die bij de Belastingdienst bekend zijn ( omzet gebruikers ). Daarnaast is een schatting gemaakt voor de totale omzet van de groep bedrijven die wel tot de doelgroep van de BTW-maatregel behoren, maar hier toch geen gebruik van maken ( omzet niet gebruikers ). Beide omzetgegevens zijn bij elkaar opgeteld. In de tabel is ook aangegeven welk deel van de omzet van de gebruikers afkomstig is uit arbeidsintensieve diensten. Hierbij is zowel de inschatting van het percentage door ondernemers weergegeven als een berekening van het percentage op basis van de gegevens van de Belastingdienst ten aanzien van de omzet laag BTW-tarief. Helaas kan op basis van de data van de Belastingdienst geen inschatting gemaakt worden voor de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten voor 1999, omdat toen voor deze diensten het normale BTW-tarief nog moest worden afgedragen. Voor de groep niet gebruikers is niet bekend welk deel van de omzet afkomstig is uit arbeidsintensieve diensten. Tabel 3.1 Totale omzet exclusief BTW in euro s opgesplitst naar gebruikers en niet gebruikers + het percentage van de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten (aid) van de groep gebruikers naar inschatting van de ondernemers (Insch. Ondern.) en op basis van de gegevens van de Belastingdienst (Geg. Bd.) voor 1999, 2000 en 2001 ( * 1 miljoen euro) Kappers Schilders- en stukadoors Fietsherstellers Kledingherstellers Schoenherstellers 1999 Omzet gebruikers 707 874 1356 2484 67 % omzet Insch. ondern. 12% 82% 10% 27% 57% mbt aid Geg Bd - - - - - Omzet niet gebr 89 15 426 335 0 Omzet totaal 796 889 1782 2819 67 2000 Omzet gebruikers 805 1046 1382 2962 78 % omzet Insch. ondern. 13% 83% 10% 29% 60% mbt aid Geg Bd 5% 77% 3% 16% 53% Omzet niet gebr 99 15 468 374 0 Omzet totaal 904 1061 1851 3335 79 2001 Omzet gebruikers 833 1095 1586 2993 83 % omzet Insch. ondern. 13% 82% 11% 30% 53% mbt aid Geg Bd 5% 78% 3% 16% 53% Omzet niet gebr 82 17 488 301 1 Omzet totaal 915 1112 2074 3294 84 35
In alle branches behalve de schilders- en stukadoorsbranche laat de totale omzet een stijgende lijn zien over de periode 1999 2001. In de schilders- en stukadoorsbranche treedt na een stijging in 2000 en lichte daling in 2001 op. Het aandeel in de totale omzet van de niet gebruikers blijft in alle branches min of meer constant over de drie jaren. Ook het percentage van de omzet van de gebruikers dat betrekking heeft op arbeidsintensieve diensten blijft vrijwel constant. Dit geldt zowel voor de percentages berekend op basis van de inschatting van de ondernemers als die berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst. Tussen beide percentages zit in sommige branches wel een groot verschil. Figuur 3.1 laat dit zien. In deze figuur is de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten weergegeven voor 1999, 2000 en 2001. Het betreft zowel de schattingen op basis van de enquête als de omzet laag BTW tarief zoals bekend bij de Belastingdienst. Figuur 3.1 Omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten voor 1999, 2000 en 2001 (enquête) en de omzet laag BTW-tarief voor 2000 en 2001 (gegevens Belastingdienst) 1000 900 800 700 600 500 400 omzet aid 1999 omzet aid 2000 omzet aid 2001 omzet laag BTW Bd 2000 omzet laag BTW Bd 2001 300 200 100 0 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders- en stukadoors schoenherstellers Opvallend is dat de schattingen op basis van de enquête van het deel van de omzet dat betrekking heeft op arbeidsintensieve diensten (veel) hoger zijn dan wat bekend is bij de Belastingdienst (vergelijk per branche balkje 2 met 4 en 3 met 5). Gebleken is dat de schatting van het percentage van de omzet dat betrekking heeft op arbeidsintensieve diensten zoals gemaakt door de ondernemers veelal veel groter is dan de verhouding omzet laag BTW-tarief / omzet totaal zoals bekend bij de Belastingdienst. Ondernemers uit met name de fietsherstel-, kledingherstelen schilders- en stukadoorsbranche hebben blijkbaar een (zeer) ruime schatting van dit percentage gegeven. Dit werd ook al in de tweede peiling geconstateerd. 36
Beide gegevensbronnen laten wel dezelfde ontwikkeling zien, namelijk een geleidelijke toename van de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten. Hieronder wordt bekeken of dit ook voor de vraag naar arbeidsintensieve diensten geldt. Ontwikkeling vraag De stijging in de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten wil niet automatisch zeggen dat ook de vraag naar deze diensten is toegenomen. De stijging kan immers ook veroorzaakt worden door een hogere prijs. Om dit prijseffect te corrigeren is de omzet (van gebruikers van de BTW-maatregel) met betrekking tot arbeidsintensieve diensten gedeeld door het gemiddelde uurtarief (fietsherstellers, schilders, stukadoors en schoenherstellers), de gemiddelde prijs voor een knipbeurt (kappers) en de prijs voor het inkorten van een broek (kledingherstellers) 1. Deze berekening levert een maat op voor de vraag naar arbeidsintensieve diensten en zowel uitgevoerd met de berekende omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten op basis van de enquête (1999, 2000 en 2001) als de omzet laag BTW-tarief zoals bekend bij de Belastingdienst (2000 en 2001). Figuur 3.2 geeft het resultaat van deze berekeningen weer. Figuur 3.2 Vraag naar arbeidsintensieve diensten gebaseerd op totale omzet arbeidsintensieve diensten en gemiddelde prijs voor 1999, 2000 en 2001 (* 1.000.000 uur of diensten) 60,0 50,0 49,8 49,6 45,3 44,7 44,8 1999 enquete 40,0 2000 enquete 2001 enquete 30,0 25,6 28,9 28,8 2000 Belastingdienst 22,8 2001 Belastingdienst 20,0 17,2 17,6 15,1 15,1 10,0 0,0 3,9 3,4 3,8 1,5 1,4 5,2 5,0 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders- en stukadoors 1,7 1,5 1,5 1,4 1,4 schoenherstellers 1 In de kledingherstelbranche had de vraag beter berekend kunnen worden op basis van het gemiddelde uurtarief in plaats van de prijs voor het inkorten van een broek. Naar het gemiddelde uurtarief is in de enquête echter niet gevraagd, waardoor dit onmogelijk is. Omdat de huidige berekening zowel voor 1999 als voor 2000 gebaseerd is op de prijs voor het inkorten van een broek zijn de uitkomsten wel vergelijkbaar. 37
Samenhangend met een lagere omzet (zie figuur 3.1) is ook de vraag berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst lager dan die berekend op basis van de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten zoals blijkt uit de enquête. De twee manieren van berekenen van de vraag laten ook een andere ontwikkeling zien. Zo stijgt de vraag bijvoorbeeld in de fietsherstelbranche in 2001 ten opzichte van 2000 als gekeken wordt naar de berekening op basis van de gegevens van de Belastingdienst, terwijl deze juist daalt als men afgaat op de omzetgegevens uit de enquête. Dit houdt in dat in het ene geval de omzet sterker is toegenomen dan de prijs en in het andere geval niet. Afgezien van de kledingherstelbranche zijn de verschillen in de ontwikkeling tussen 2001 en 2000 echter niet erg groot. De afwijking in de kledingherstelbranche kan verklaard worden door het kleine aantal respondenten, waardoor de gegevens over de vraag niet erg betrouwbaar zijn. In 2000 is de vraag wel duidelijk toegenomen ten opzichte van 1999. Deze toename varieert van 10% in de kappersbranche tot 26% in de schilders- en stukadoorsbranche. Alleen in de kledingherstelbranche is in 2000 een kleine daling van de vraag opgetreden. In de tweede peiling is reeds opgemerkt dat het niet mogelijk is een trendanalyse uit te voeren naar de ontwikkeling in de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten en de vraag naar deze diensten omdat historische gegevens ontbreken. Hierdoor is het niet mogelijk vast te stellen in hoeverre de stijgingen in de omzet het gevolg zijn van de BTW-verlaging. In de tweede peiling werd opgemerkt dat de stijging over de periode 1999 2000 in ieder geval gelijke tred hield met de stijging in het aantal werknemers. De vraag was toen of de waargenomen daling in het aantal werknemers in 2001 ook weerspiegeld zou worden in een daling van de omzet in 2001. Hierboven is gebleken dat dit niet het geval is. De omzet lijkt zich in 2001 in de onderzochte branches min of meer autonoom van het aantal werknemers te gedragen. Ontwikkeling winst Figuur 3.3 geeft voor de volledigheid de ontwikkeling in de winst weer. Figuur 3.3 Totale winst in de vijf branches in 1999, 2000 en 2001 (* 1 miljoen euro) 350 327 300 250 247 245 267 200 193 204 1999 2000 150 2001 100 67 87 81 50 23 29 23 41 22 21 0 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders- en stukadoors schoenherstellers 38
In de fietsherstel- en kappersbranche stabiliseert de winst zich in 2001 na in 2000 flink gestegen te zijn. In de kledingherstelbranche is de winst in 2001 weer even groot als in 1999, na in 2000 een kleine piek gekend te hebben. In de schilders- en stukadoorsbranche nemen de winsten toe en in de schoenherstelbranche stabiliseert de winst zich in 2001 na in 2000 flink gekelderd te zijn. Tabel 3.2 laat de procentuele stijgingen zien in de omzet totaal, de winst, de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten en de vraag over de periode 1999 2001 (de weergegeven stijging in de vraag is gebaseerd op de enquêtegegevens en niet op de gegevens van de Belastingdienst omdat die voor 1999 niet beschikbaar zijn). Alle percentages hebben betrekking op de gebruikers van de BTW-maatregel. Tabel 3.2 Procentuele stijging in de omzet (totaal), winst, omzet met betrekking tot arbeidsinte n- sieve diensten (aid) en vraag naar aid over de periode 1999-2001 Stijging omzet Stijging winst Stijging omzet aid Stijging vraag aid Fietsherstellers 18% 22% 27% 10% Kappers 25% 27% 25% 10% Kledingherstellers 17% -4% 41% 45% Schilders- en stukadoors 20% 60% 38% 27% Schoenherstellers 24% -50% 17% 4% In alle branches zijn zowel de totale omzet, de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten en de vraag naar arbeidsintensieve diensten gestegen in de periode 1999-2001. In de fietsherstel-, kledingherstel- en schilders- en stukadoorsbranche is het deel van de omzet dat betrekking heeft op arbeidsintensieve diensten sterker gestegen dan de totale omzet. Met uitzondering van de kledingherstelbranche blijft de stijging in de vraag naar arbeidsintensieve diensten achter bij de stijging in de omzet met betrekking tot deze diensten. Een deel van de stijging in de omzet wordt dus niet veroorzaakt door een grotere vraag, maar door hogere prijzen voor de diensten. Alhoewel in de kleding- en schoenherstelbranche de omzet is gestegen, is de winst gedaald in de periode 1999 2001. In de schoenherstelbranche gaat het zelfs om een halvering van de winst. Samenvatting Ten aanzien van de omzet, winst en vraag naar arbeidsintensieve diensten kunnen de volgende conclusies worden getrokken. In alle branches zijn zowel de totale omzet, de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten en de vraag naar arbeidsintensieve diensten gestegen in de periode 1999-2001. Met uitzondering van de kledingherstelbranche blijft de stijging in de vraag naar arbeidsintensieve diensten achter bij de stijging in de omzet met betrekking tot deze diensten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat een deel van de stijging in de omzet dus niet wordt veroorzaakt door een grotere vraag, maar door hogere prijzen. Ondanks een stijging van de omzet is de winst in de kleding- en schoenherstelbranche gedaald in de periode 1999 2001. In de schoenherstelbranche gaat het zelfs om een halvering van de winst. Zoals in de tweede peiling al is aangegeven is het niet mogelijk op basis van de beschikbare historische gegevens een trendanalyse uit te voeren naar de ontwikkeling in de vraag naar arbeidsintensieve diensten. Derhalve is het ook niet mogelijk vast te stellen in hoeverre de stijging van de vraag een gevolg is van de BTW-verlaging. Dat de stijging van de vraag een gevolg is van de BTW-verlaging valt echter op grond van dit onderzoek ook niet uit te sluiten. 39
40
4 Effecten BTW-verlaging op de werkgelegenheid In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling in de werkgelegenheid over de periode 1999-2002 beschreven. Om vast te stellen in hoeverre deze toename een gevolg is van de verlaging van het BTW-tarief is in 4.2 een trendanalyse uitgevoerd. Ook 4.3 beschrijft het effect van de BTW-verlaging op de werkgelegenheid, nu op basis van de inschatting van de ondernemers zelf. 4.1 Vergelijking werkgelegenheid 1999-2002 In 4.1.1 wordt eerst inzicht gegeven in de totale werkgelegenheid (naast arbeidsintensieve diensten ook verkoop, administratie, etc.) in de vijf branches, waarna in 4.1.2 dieper wordt ingegaan op de werkgelegenheid met betrekking tot arbeidsintensieve diensten. 4.1.1 Totale werkgelegenheid In de vragenlijst is op twee manieren gevraagd naar het arbeidsvolume. Ten eerste is gevraagd naar het aantal werknemers dat meer dan 15 uur per week werkt op een bepaalde peildatum (1 september voor 1999 en 2000 en 1 mei voor 2001 en 2002). Dit om de trendanalyse uit te kunnen voeren (zie 4.2). Tevens is gevraagd naar het gemiddelde aantal gewerkte uren per week voor alle werknemers op dezelfde peildatum, op basis waarvan het aantal fulltime eenheden berekend is. Voor de schilders- en stukadoorsbranche is niet gevraagd naar het aantal gewerkte uren per week, maar is gebruik gemaakt van het aantal verloonde dagen per jaar, omdat dit de gangbare eenheid is in deze branche. Naast het bestaande arbeidsvolume is ook gevraagd naar het aantal vacatures bij de bedrijven. Voor de berekening van het totale aantal werknemers, fulltime eenheden en vacatures in de branche op basis van de steekproefgegevens, is een quotiëntschatting uitgevoerd waarbij gebruik is gemaakt van omzetgegevens van de Belastingdienst voor alle bedrijven in de verschillende branches. Hieronder zijn de schattingen op basis van de omzetgegevens weergegeven. Zie voor meer uitleg bijlage 1, paragraaf 5. Aantal werknemers In tabel 4.1 is het aantal werknemers in 1999, 2000, 2001 en 2002 die meer dan 15 uur per week werken weergegeven. Hierbij zijn de aantallen voor enerzijds de bedrijven die wel gebruik maken van de BTW-verlaging en anderzijds de bedrijven die dat (volgens de gegevens van de Belastingdienst) niet doen opgeteld. In de figuur eronder zijn de getallen nog eens grafisch weergegeven, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen de werknemers van gebruikers en van niet gebruikers. Het aantal werknemers en fte s voor de startende en stoppende bedrijven is op nul gezet in de jaren dat het bedrijf nog niet of niet meer bestond. 41
Tabel 4.1 Totaal aantal werknemers die 15 uur of meer per week werken in 1999, 2000, 2001 en 2002 (totaal van gebruikers en niet gebruikers van de BTW-maatregel) 1999 2000 2001 2002 Fietsherstellers 6623 6889 6758 6841 Kappers 34742 40185 37187 36733 Kledingherstellers 7865 8396 9577 9473 Schilders- en stukadoors 52058 54744 54783 54410 Schoenherstellers 1541 1492 1436 1467 In figuur 4.1 zijn deze getallen nog eens grafisch weergegeven waarbij onderscheid is gemaakt tussen de gebruikers en de niet gebruikers van de BTW-maatregel. Figuur 4.1 Totaal aantal werknemers die 15 uur of meer per week werken in 1999, 2000, 2001 en 2002 voor de gebruikers en niet gebruikers van de BTW-maatregel 60000 50000 Gebruikers 1999 40000 Niet gebr 1999 Gebruikers 2000 30000 Niet gebr 2000 Gebruikers 2001 20000 Niet gebr 2001 Gebruikers 2002 10000 Niet gebr 2002 0 In de fietsherstelbranche 1 is in 2000 een stijging in het aantal werknemers opgetreden ten opzichte van 1999 die in de jaren daarna min of meer op hetzelfde niveau gehandhaafd blijft. In de kappersbranche is in 2000 een forse stijging in het aantal werknemers opgetreden. In de jaren erna wordt deze deels weer teniet gedaan. Het totaal aantal werknemers blijft in 2002 echter hoger dan in 1999. De kledingherstelbranche 2 laat een geleidelijke stijging zien over 1999 2000 en 1 De aantallen werknemers wijken af van de aantallen zoals berekend tijdens de tweede peiling. Dit komt enerzijds door het toevoegen van nieuwe gegevens voor de jaren 2000 en 2001 en anderzijds door het maken van een evenwichtigere indeling van de omzetcategorieën. 2 Het berekende aantal werknemers in de kledingherstelbranche valt aanzienlijk lager uit dan het berekende aantal in de tweede peiling. Dit wordt geweten aan de lage respons in deze branche. 42
2000 2001. In 2002 daalt het aantal werknemers echter weer enigszins. Ook de schilders- en stukadoorsbranche laat een stijging in 2000 en stabilisatie in de jaren erna zien. In 2002 is een lichte daling opgetreden in het aantal werknemers. De schoenherstelbranche tenslotte laat een licht dalende lijn zien over de periode 1999 2001. In 2002 is het aantal werknemers weer iets gestegen. De figuur maakt verder duidelijk dat er geen grote verschuivingen zijn opgetreden in het aantal werknemers van de niet gebruikers van de maatregel naar de wel gebruikers. Fulltime eenheden Tabel 4.2 en figuur 4.2 geven het aantal fulltime eenheden in 1999, 2000, 2001 en 2002 weer voor de gebruikers en de niet gebruikers van de maatregel. Hierbij wordt opgemerkt dat voor de gebruikers het totaal aantal fte s is weergegeven, dus contracturen + uren als gevolg van overwerk en meewerkende gezinsleden. Voor de niet gebruikers is alleen het aantal fte s volgens contracturen weergegeven, omdat overuren en uren gewerkt door gezinsleden niet bekend zijn. Tabel 4.2 Totaal aantal fulltime eenheden per branche in 1999, 2000, 2001 en 2002 (totaal van gebruikers en niet gebruikers van de BTW-maatregel) 1999 2000 2001 2002 Fietsherstellers 6859 7037 7139 7248 Kappers 27270 30520 30299 31214 Kledingherstellers 5880 6223 7087 6791 Schilders- en stukadoors 41384 43304 47879 49898 Schoenherstellers 1587 1633 1595 1645 In figuur 4.2 is een onderscheid gemaakt tussen het aantal fte s van gebruikers en niet gebruikers. Figuur 4.2 Totaal aantal fulltime eenheden in 1999, 2000, 2001 en 2002 voor de gebruikers en niet gebruikers van de BTW-maatregel 60000 50000 Gebruikers 1999 40000 Niet gebr 1999 Gebruikers 2000 30000 Niet gebr 2000 Gebruikers 2001 20000 Niet gebr 2001 Gebruikers 2002 10000 Niet gebr 2002 0 43
In tegenstelling tot het aantal werknemers neemt het aantal fte s in de fietsherstelbranche gestaag toe. Opvallend is dat het aantal fte s hoger is dan het aantal werknemers die 15 uur per week of meer werken. Dit betekent dat er in de branche ofwel veel wordt overgewerkt, ofwel veel wordt meegewerkt door niet medewerkers zoals gezinsleden, ofwel veel gewerkt wordt door mensen die minder dan 15 uur per week werken (of een combinatie van deze drie). In de kappersbranche is het aantal fte s wel lager dan het aantal werknemers. Net als het aantal werknemers neemt het aantal fte s flink toe in 2000 ten opzichte van 1999. In tegenstelling tot het aantal werknemers blijft deze toename in het aantal fte s min of meer gehandhaafd in 2001 en in 2002 stijgt het aantal fte s zelfs nog verder. In de kledingherstelbranche volgt het aantal fte s hetzelfde patroon als het aantal werknemers. Over de periode 1999 2001 neemt het aantal gestaag toe en in 2002 neemt het aantal weer iets af. De schilders- en stukadoorsbranche laat over de gehele periode 1999 2002 een stijging zien in het aantal fte s. Dit in tegenstelling tot het aantal werknemers dat na een stijging in 2000 stabiliseert. Dit betekent dat het bestaande personeel meer is gaan werken, waardoor het aantal fte s wel en het aantal werknemers niet toeneemt. Het aantal fte s in de schoenherstelbranche tenslotte schommelt tussen de 1580 en 1650 fte s en is daarmee min of meer stabiel. Vacatures Voor het bepalen van het effect van de BTW-maatregel op de werkgelegenheid moet niet alleen gekeken worden naar de ontwikkeling in het bestaande arbeidsvolume, maar ook naar de ontwikkeling in het aantal vacatures. Het kan immers zo zijn dat door de BTW-verlaging meer werkgelegenheid is gecreëerd, maar dat door krapte op de arbeidsmarkt toch geen groei van het aantal werknemers gerealiseerd wordt. Figuur 4.3 geeft de ontwikkeling in het aantal vacatures weer. Figuur 4.3 Aantal vacatures in fulltime eenheden over de periode 1999 2002 4500 4000 3884 3500 3000 3079 2926 2500 1999 2000 2000 1719 1979 1716 1853 2001 2002 1500 1000 500 0 1022 579 476 447 470 206 208 125 162 69 98 69 97 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders- en stukadoors schoenherstellers 44
De kappers-, kledingherstel- en schilders- en stukadoorsbranche laten alledrie een stijging in het aantal vacatures zien in de periode 1999 2001, gevolgd door een daling in 2002. In de fietsherstelbranche blijft het aantal vacatures min of meer constant met een piek in 2000. In de schoenherstelbranche schommelt het aantal vacatures tussen de 70 en de 100 fte s. In figuur 4.4 is het aantal vacatures opgeteld bij het aantal fte s en geeft derhalve een totaalbeeld van vervulde en onvervulde werkgelegenheid. Figuur 4.4 Aantal vervulde fte s (gebruikers en niet gebruikers) en aantal vacatures in fte s (alleen gebruikers) over de periode 1999 2002 60000 50000 Fte's 1999 Vacatures 1999 40000 Fte's 2000 Vacatures 2000 Fte's 2001 30000 Vacatures 2001 Fte's 2002 20000 Vacatures 2002 10000 0 De grafiek laat zien dat het aantal vacatures niet dusdanig groot is dat een verandering van het verloop van de werkgelegenheid optreedt. In onderstaande tabel is het percentage onvervulde werkgelegenheid (aantal vacatures gedeeld door som van fte s en vacatures) weergegeven voor 1999-2002. In de tabel is ook het stijgingspercentage in de werkgelegenheid tussen 1999 en 2002 weergegeven (som fte s en vacatures). Tabel 4.3 Onvervulde werkgelegenheid 1999, 2000, 2001 en 2002 en procentueel verschil in werkgelegenheid tussen 1999 en 2002 Onvervulde werkgelegenheid 1999 2000 2001 2002 Toename werkgelegenheid 1999 2001 (%) Fietsherstellers 6% 8% 6% 6% 6% Kappers 4% 5% 6% 5% 16% Kledingherstellers 2% 3% 3% 2% 16% Schilders- en stukadoors 4% 7% 8% 6% 22% Schoenherstellers 4% 6% 4% 6% 5% 45
Het percentage vacatures ten opzichte van de totale werkgelegenheid varieert van 2 tot 8%. In de kledingherstelbranche is het kleinste deel van de werkgelegenheid onvervuld (2 tot 3%). In de kappers- en schilders- en stukadoorsbranche lopen de percentages onvervulde werkgelegenheid op van 1999 tot 2001 (van respectievelijk 4 tot 6% en van 4 tot 8%) om vervolgens in 2002 weer te dalen. In de fietsherstelbranche bedraagt de onvervulde werkgelegenheid ongeveer 6% en de schoenherstelbranche schommelt tussen de 4 en 6%. De laatste kolom van de tabel laat zien dat de werkgelegenheid in de schilders- en stukadoorsbranche (22%), de kappersbranche (16%) en de kledingherstelbranche (16%) flink is toegenomen 1. Nu in deze paragraaf de ontwikkeling in de totale werkgelegenheid besproken is, wordt in 4.1.2 ingegaan op de werkgelegenheid met betrekking tot arbeidsintensieve diensten. 4.1.2 Werkgelegenheid arbeidsintensieve diensten De ondernemers is gevraagd welk deel van hun tijd zij besteden aan de arbeidsintensieve diensten waarvoor het lage BTW-tarief geldt. Met behulp van deze gegevens is een schatting gemaakt van de werkgelegenheid met betrekking tot de arbeidsintensieve diensten. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van het aantal fte s besteed aan arbeidsintensieve diensten over de periode 1999 2002. De berekening is gebaseerd op het aantal fte s inclusief overuren en andere extra uren, zoals van meewerkende gezinsleden. De tabel geeft alleen de gegevens voor de gebruikers van de maatregel weer, omdat voor de niet gebruikers geen gegevens omtrent tijd besteed aan arbeidsintensieve diensten beschikbaar zijn. Tabel 4.4 Aantal fulltime eenheden besteed aan arbeidsintensieve diensten in 1999, 2000, 2001 en 2002 voor de gebruikers van de BTW-maatregel Fte s aid 1999 Fte s aid 2000 Fte s aid 2001 Fte s aid 2002 Fietsherstellers 2066 2302 2416 2297 Kappers 20675 23266 20589 21367 Kledingherstellers 853 1050 1090 1137 Schilders- en stukadoors 7845 9637 10252 12121 Schoenherstellers 934 1040 935 993 Figuur 4.5 geeft de resultaten uit tabel 4.4 nog eens grafisch weer. 1 In de tweede peiling is de procentuele toename in werkgelegenheid over de periode 1999 2001 berekend. Deze percentages waren beduidend minder hoog. Voor de kappers- en schilders- en stukadoorsbranche is de verklaring hiervoor dat de werkgelegenheid simpelweg nog verder is toegenomen in 2002 ten opzichte van 1999. Voor de andere branches wordt het hogere percentage deels verklaard door het feit dat in deze peiling niet alleen de contract-uren (zoals in de tweede peiling), maar ook de overuren en uren gemaakt door gezinsleden zijn meegenomen in de berekening. Deze zijn gestegen, waardoor het percentage hoger uitvalt. 46
Figuur 4.5 Aantal fulltime eenheden besteed aan arbeidsintensieve diensten voor de gebruikers van de BTW-maatregel 25000 20000 15000 10000 1999 2000 2001 2002 5000 0 fietsherstellers kappers kledingherstellers schilders- en stukadoors schoenherstellers Vergelijking van figuur 4.5 met figuur 4.2 laat zien dat in de fietsherstelbranche, schilders- en stukadoorsbranche en de schoenherstelbranche de ontwikkeling van het aantal fte s besteed aan a r- beidsintensieve diensten hetzelfde patroon vertoont als het totaal aantal fte s (van de gebruikers van de maatregel). In de kappersbranche vindt in 2001 een flinke daling van het aantal fte s besteed aan arbeidsintensieve diensten plaats. In de tweede peiling is reeds vastgesteld dat dit veroorzaakt wordt door een beperkte groep bedrijven (ongeveer 800 van de 10.000) die in 2001 fors minder tijd is gaan besteden aan arbeidsintensieve diensten (zie ook resultaten tweede peiling, 4.1.2, p. 23). In 2002 vindt weer een licht herstel plaats in deze branche. In de kledingherstelbranche stijgt het aantal fte s besteed aan arbeidsintensieve diensten, terwijl het totaal aantal fte s daalt. In deze branche is men dus meer tijd gaan besteden aan de arbeidsintensieve diensten. Ontwikkeling in omzet, vraag en fulltime eenheden Nu de ontwikkeling in het aantal fulltime eenheden besteed aan arbeidsintensieve diensten bekend is, kan deze vergeleken worden met de ontwikkeling in de omzet en vraag naar arbeidsintensieve diensten. In onderstaande tabel zijn de procentuele toenames weergegeven voor 2001 ten opzichte van 1999 (zie ook tabel 3.2). Tabel 4.6 Procentuele stijging in de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten (aid), vraag naar aid en aantal fulltime eenheden besteed aan aid in 2001 ten opzichte van 1999 Stijging omzet aid Stijging vraag aid Stijging fte s aid Fietsherstellers 27,5% 10,4% 16,9% Kappers 24,8% 9,6% -0,4% Kledingherstellers 40,8% 45,4% 27,8% Schilders- en stukadoors 38,3% 26,9% 30,7% Schoenherstellers 16,5% 4,2% 0,1% 47
In alle branches is zowel de omzet als de vraag en het aantal fte s met betrekking tot arbeidsintensieve diensten gestegen (met uitzondering van de kappersbranche waar het aantal fte s met betrekking tot arbeidsintensieve diensten is gedaald met 0,4%). Zoals al eerder geconcludeerd overtreft de stijging in de omzet de stijging in de vraag, met uitzondering van de kledingherstelbranche. In de fietsherstel- en de schilders- en stukadoorsbranche is de stijging in het aantal fte s besteed aan arbeidsintensieve diensten hoger dan de stijging in de vraag. In de kappers- en schoenherstelbranche heeft dezelfde hoeveelheid personeel voldaan aan een grotere vraag. In de kledingherstelbranche heeft 28% meer personeel in 2001 ten opzichte van 1999 voldaan aan 45% meer vraag. In deze laatste drie branches is de productiviteit dus omhoog gegaan. 4.2 Trendanalyse Om vast te kunnen stellen in hoeverre de toename van de werkgelegenheid een gevolg is van de verlaging van het BTW-tarief is een trendanalyse uitgevoerd met behulp van werkgelegenheidsgegevens voor de verschillende branches van de Kamer van Koophandel van 1990 tot en met 1999. Met behulp van het Holts exponentiële effeningsmodel 1 is op basis van de waarnemingen uit 1990-1999 een trendlijn berekend, waarmee voorspellingen gedaan kunnen worden voor de daarop volgende jaren. De berekende trend geeft de situatie weer zoals die naar verwachting zou zijn als het BTW-tarief niet verlaagd zou zijn. Het verschil tussen de voorspelling van de trendanalyse en de feitelijke ontwikkeling wordt toegeschreven aan de BTW-verlaging. Bij de trendanalyse is een aantal aannames gedaan die hieronder worden besproken. 4.2.1 Gedane aannames bij de trendanalyse Trendbreuk Met behulp van de trendanalyse wordt vastgesteld of in de vijf branches een trendbreuk is opgetreden in het aantal werknemers na de verlaging van het BTW-tarief. Indien een trendbreuk wordt geconstateerd wordt ervan uitgegaan dat dit het gevolg is van de BTW-verlaging. Daarbij wordt dus aangenomen dat er geen andere causale factoren zijn die de trendbreuk veroorzaken. Om deze aanname te toetsen zijn ter vergelijking trendanalyses uitgevoerd op vergelijkbare branches zoals de autoreparatie-, glazenwassers-, loodgieters-, timmer- en schoonheidsverzorgingsbranche. In 4.2.2 worden de uitkomsten van deze toets besproken. Brancheniveau trendgegevens In 4.2.3 worden vervolgens de trendanalysen voor de vijf arbeidsintensieve branches weergegeven. Daarbij is de volgende (tweede) aanname gedaan. Voor een aantal branches zijn geen historische gegevens beschikbaar op het voor dit onderzoek bestudeerde brancheniveau. In de fietsherstelbranche zijn bijvoorbeeld alleen gegevens beschikbaar over de branche detailhandel fietsen (inclusief de fietsherstellers) in plaats van de fietsherstelbranche alleen. In de schilders- en stukadoorsbranche zijn ook glaszetters en de zakelijke markt opgenomen. De consequentie hiervan is dat het aantal werknemers in het steekproefkader niet overeenkomt met 1 De methode van Holts exponentiële effening is een methode waarbij waarnemingen uit het nabije verleden zwaarder meetellen in de voorspellingen dan waarnemingen uit het verre verleden. Zie verder H.J.E.M. Brand, Prognosetechnieken, Stenfort Kroese, Leiden, 1993. 48
het aantal werknemers zoals dat door de Kamer van Koophandel berekend is. Om toch vast te kunnen stellen of een trendbreuk is opgetreden, is de prognoselijn verschoven naar de waarde van het aantal werknemers in het steekproefkader. Hiermee wordt de aanname gedaan dat de ontwikkelingen in het aantal werknemers op de verschillende brancheniveaus gelijk zijn geweest. De toetsing van deze aanname valt buiten het kader van dit onderzoek. Hieronder worden de gevolgen van de aanname voor de verschillende branches besproken. Voor de fietsherstelbranche lijkt de aanname om de volgende redenen redelijk. In het onderzoek zijn bedrijven betrokken die uitvoeren. Verwacht mag worden dat het grootste deel van deze bedrijven ook actief is in de verkoop van fietsen. In de trendanalyse zijn die bedrijven opgenomen die fietsen verkopen. Een deel van deze bedrijven zal geen reparaties uitvoeren. Verondersteld wordt echter dat de ontwikkeling in het aantal werknemers in deze bedrijven ongeveer gelijk is aan de ontwikkeling in enerzijds de bedrijven die zowel verkoop als reparaties uitvoeren en a n- derzijds de bedrijven die alleen reparaties uitvoeren (let op: het gaat hier om de ontwikkelingen in aantallen werknemers vóór het in werking treden van de BTW-maatregel). In de schilders- en stukadoorsbranche zijn in het onderzoek de bedrijven betrokken die schilderen/of stukwerk uitvoeren in particuliere woningen ouder dan 15 jaar. In de trend zijn naast deze bedrijven ook de glaszetters en de bedrijven die werk verrichten voor zakelijke opdrachtgevers en in huizen jonger dan 15 jaar opgenomen. Naar verwachting betreft dit een groot deel van de schilders- en stukadoorsbranche. In hoeverre de ontwikkelingen in de verschillende soorten bedrijven overeenkomen is maar de vraag. Men zou zich voor kunnen stellen dat de bedrijven in de zakelijke sector in de jaren 90 een grotere groei hebben doorgemaakt dan de bedrijven in de particuliere sector, waardoor in de trend wordt uitgegaan van een te hoge autonome groei. Het omgekeerde zou echter ook het geval kunnen zijn. De trendanalyse voor de schilders- en stukadoorsbranche moet in dit licht worden gezien en heeft daardoor een beperkte waarde. Voor de kappers- en schoenherstelbranche zijn wel historische gegevens op het juiste brancheniveau voorhanden. Toch komen ook hier de aantallen werknemers zoals vastgesteld tijdens de meting en zoals verzameld door de Kamer van Koophandel niet volledig overeen en is de prognoselijn verschoven naar het niveau van de meting. Voor de kledingherstelbranche zijn geen trendgegevens beschikbaar. Hiervoor is dan ook geen trendanalyse uitgevoerd. Zoals gezegd wordt in de volgende paragraaf de aanname getoetst dat een eventuele trendbreuk in het aantal werknemers toe te schrijven is aan de BTW-maatregel. 4.2.2 Trendanalyse vergelijkbare branches Indien in andere branches dan die waar de BTW-maatregel is ingevoerd in 2000 een trendbreuk is opgetreden in de werkgelegenheid ten opzichte van 1999 wijst dit op externe factoren (anders dan de BTW-verlaging) die van invloed zijn op de ontwikkeling in het aantal werknemers. Hierdoor zou de aanname dat een eventuele trendbreuk toe te schrijven is aan de BTW-verlaging onjuist blijken. Ter toetsing zijn trendanalyses uitgevoerd voor de timmer-, autoreparatie-, schoonheidsverzorging en manicure-, glazenwassers- en loodgietersbranche. De trendlijn is berekend op basis van gegevens van de Kamer van Koophandel van 1990 1999 (voor de autoreparatie- en timmerbranche op gegevens van 1995 1999). Tegen de trendlijn is de waarde voor 2000 afgezet 49
op basis waarvan conclusies omtrent een eventuele trendbreuk getrokken zijn. In bijlage 2 zijn de figuren opgenomen. Hieronder worden de uitkomsten besproken 1. De timmer-, schoonheidsverzorging en manicure-, glazenwassers- en loodgietersbranche laten een regelmatige stijging zien in het aantal werknemers in de periode 1995 1999. Ook in 2000 is het aantal werknemers in deze vier branches gestegen. Deze stijging is ongeveer even groot als in de voorgaande jaren. Derhalve wordt geconcludeerd dat in deze vier branches in 2000 geen trendbreuk optreedt in het aantal werknemers ten opzichte van voorgaande jaren. De autoreparatiebranche laat een geleidelijke daling in het aantal werknemers zien over de periode 1996 1999. Als gevolg daarvan is ook een dalende trendlijn berekend. In 2000 is het aantal werknemers echter weer toegenomen. Er zou sprake kunnen zijn van een trendbreuk. Echter omdat de fout in het vastgestelde aantal werknemers niet bekend is, kan dit niet met zekerheid gezegd worden. Ter illustratie van het bovenstaande zijn in onderstaande tabel de jaarlijkse procentuele stijgingen in het aantal werknemers opgenomen. Het gaat daarbij om de werknemersaantallen van de Vereniging van de Kamers van Koophandel. Tabel 4.7 Procentuele stijging in het aantal werknemers ten opzichte van het jaar daarvoor voor de jaren 1995-2000 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Schoonheidsverzorging en manicures -7,4% 8,6% 9,5% 5,1% 4,0% 5,7% Autoreparatie - 0,4% -0,9% -0,9% -2,7% 0,5% Loodgieters 0,5% 2,1% 1,1% 2,0% 1,5% 3,2% Timmerlieden - 5,6% 3,9% 6,4% 5,6% 7,9% Glazenwasserijen 6,9% -0,3% 7,0% 5,9% 5,9% 6,2% Vergelijking van de procentuele stijgingen in het aantal werknemers laat zien dat deze stijging in 2000 (met uitzondering van de reparatiebranche waar ineens een stijging in plaats van een daling optreedt) niet ineens veel groter is dan in de voorgaande jaren. Dit geeft aan dat er in 2000 in deze branches geen trendbreuk is opgetreden in het aantal werknemers. Conclusie Aangezien in tenminste vier van de vijf met de arbeidsintensieve diensten vergelijkbare branches geen trendbreuk is geconstateerd, wordt geconcludeerd dat er geen reden is aan te nemen dat er externe factoren (anders dan de BTW-verlaging) zijn die een trendbreuk zouden veroorzaken in het aantal werknemers in 2000 2002 ten opzichte van 1999. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat een eventuele trendbreuk in het aantal werknemers in één van de vijf arbeidsintensieve diensten waar de BTW-verlaging heeft plaatsgevonden niet het gevolg is van deze BTWverlaging. 1 De gegevens over 2001 zijn ook reeds bekend bij de Kamer van Koophandel. Voor 2001 heeft de Kamer van Koophandel echter een andere steekproef getrokken dan in voorgaande jaren. Men heeft namelijk besloten eenmansbedrijven voortaan uit te sluiten van het onderzoek. Hierdoor is voor 2001 een veel lager aantal werknemers berekend dan voor de periode 1990-2000. De gegevens voor 2001 zijn derhalve niet gebruikt voor dit onderzoek. 50
4.2.3 Trendanalyse branches arbeidsintensieve diensten De trendanalyses zijn uitgevoerd op het aantal werknemers die meer dan 15 uur per week werkt. Idealiter zouden de analyses op het aantal fulltime eenheden besteed aan arbeidsintensieve diensten uitgevoerd zijn. Hiervoor zijn echter geen historische gegevens beschikbaar. Een andere beperking is dat er geen historische gegevens over het aantal vacatures beschikbaar zijn. Het aantal vacatures is dan ook niet bij de trendanalyse betrokken. Het aantal vacatures is in verho u- ding tot het aantal werknemers dusdanig klein dat het betrekken van het aantal vacatures in de trendanalyse de resultaten ervan naar alle waarschijnlijkheid niet zou beïnvloeden. In onderstaande figuren is de trendlijn van het aantal werknemers weergegeven in de arbeidsintensieve branches. Deze is berekend op basis van de data over 1990 1999. Verder is het in het onderzoek vastgestelde aantal werknemers voor 1999, 2000, 2001 en 2002 weergegeven (waarbij het aantal werknemers in de groep bedrijven die wel en geen gebruik maken van de BTW-maatregel is opgeteld). Zoals beschreven in 4.2.1 is de prognoselijn verschoven naar het totaal aantal werknemers (gebruikers en niet gebruikers) in 1999. In de figuren is ook de marge op het verschil tussen trend en meting weergegeven. Indien dit verschil groter is dan de marge erop is het verschil significant en is er sprake van een trendbreuk 1. Figuur 4.6 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur per week of meer werkt in de fietsherstelbranche 8000 7000 6000 5000 4000 3000 trend meting 6% meting niet gebruikers meting totaal 2000 1000 0 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 Alhoewel het aantal werknemers in 2000 harder steeg dan verwacht op basis van de trendanalyse, valt het aantal werknemers in 2001 en 2002 samen met de trendlijn. Er is duidelijk geen sprake van een trendbreuk. 1 Er is uitgegaan van een 95% -betrouwbaarheidsmarge. Dit houdt in dat met 95% zekerheid gezegd kan worden dat het verschil tussen de trendwaarde en de gemeten waarde in de populatie ligt tussen het verschil ± de marge. 51
Figuur 4.7 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur per week of meer werkt in de kappersbranche 50000 45000 40000 35000 30000 25000 20000 trend meting 6% meting niet gebruikers meting totaal 15000 10000 5000 0 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 Net als in de fietsherstelbranche leek er ook in de kappersbranche even een trendbreuk op te treden in 2000. In 2001 is de stijging in het aantal werknemers echter weer deels te niet gedaan en in 2002 beweegt het aantal werknemers zich nog dichter naar de trendlijn toe. Het verschil tussen het gemeten aantal werknemers en de trendlijn is kleiner dan de marge op dit verschil, hetgeen betekent dat het verschil niet significant is en er dus ook niet gesproken kan worden van een trendbreuk. Figuur 4.8 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur per week of meer werkt in de schilders- en stukadoorsbranche 70000 60000 50000 40000 30000 trend meting 6% meting niet gebruikers meting totaal 20000 10000 0 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 52
Ook voor de schilders- en stukadoorsbranche kan op basis van de beschikbare gegevens geen trendbreuk worden vastgesteld. Na een kleine piek in 2000 beweegt het aantal werknemers zich in 2001 weer naar de trendlijn toe om in 2002 geheel samen te vallen. Figuur 4.9 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur per week of meer werkt in de schoenherstelbranche 2000 1800 1600 1400 1200 1000 800 trend meting 6% meting niet gebruikers meting totaal 600 400 200 0 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 In de schoenherstelbranche ligt het aantal werknemers zelfs onder het niveau van de trendlijn. In 2001 is het verschil tussen het aantal werknemers en de trend het grootst. In 2002 neemt het aantal werknemers weer toe en vallen beide lijnen vrijwel samen. Van een trendbreuk is geen sprake. Hieronder worden ter illustratie nogmaals de procentuele stijgingen in het aantal werknemers getoond. In de tabel zijn nu niet alleen de stijgingen in de vijf vergelijkbare branches weergegeven, maar ook die in de vier (van de vijf) branches waarvoor de BTW-maatregel geldt. Het gaat wederom om de gegevens van de vereniging van de Kamers van Koophandel. Tabel 4.8 Procentuele stijging in het aantal werknemers ten opzichte van het jaar daarvoor voor de jaren 1995-2000 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Fietsherstellers -0,4% 1,1% 0,3% 0,0% 1,7% 0,0% Kappers -0,1% 0,5% 2,0% 0,8% 1,4% 2,3% Schilders- en stukadoors 0,9% 1,0% 2,8% 3,0% 2,0% 2,5% Schoenherstellers -2,0% -2,3% -2,8% -3,4% 2,1% -8,2% Schoonheidsverzorging en manicure -7,4% 8,6% 9,5% 5,1% 4,0% 5,7% Autoreparatie - 0,4% -0,9% -0,9% -2,7% 0,5% Loodgieters 0,5% 2,1% 1,1% 2,0% 1,5% 3,2% Timmerlieden - 5,6% 3,9% 6,4% 5,6% 7,9% Glazenwasserijen 6,9% -0,3% 7,0% 5,9% 5,9% 6,2% 53
Ten eerste laat de tabel zien dat de procentuele stijging in het aantal werknemers in de vier branches waarvoor de BTW-maatregel geldt na de invoering van de BTW-maatregel niet (veel) groter is dan in de jaren ervoor. Dit geeft aan dat er geen trendbreuk is opgetreden. Bovendien is de stijging ook niet groter dan in de branches waarvoor de BTW-verlaging niet geldt. Ook dit duidt erop dat het verloop in het aantal werknemers in de arbeidsintensieve branches normaal verloopt. Samenvatting trendanalyse In vier van de vijf met de arbeidsintensieve diensten vergelijkbare branches (timmer-, schoonheidsverzorging en manicure-, glazenwassers- en loodgietersbranche) heeft in 2000 geen trendbreuk in het aantal werknemers plaatsgevonden. In de autoreparatiebranche lijkt wel een trendbreuk te zijn opgetreden. Het is echter zeer goed denkbaar dat de geconstateerde toename binnen de marge valt en daardoor niet significant is. Aangezien we constateren dat in de met de arbeidsintensieve diensten vergelijkbare branches geen trendbreuk optreedt, is het plausibel aan te nemen dat als in de branches waarvoor het lage BTW-tarief geldt een positieve trendbreuk optreedt, dit het gevolg is van de BTW-verlaging. In geen van de vier branches die arbeidsintensieve diensten verlenen en waarvoor een trendanalyse is uitgevoerd, is sprake van een trendbreuk. In de fietsherstelbranche was sprake van een kleine piek in het aantal werknemers in 2000, maar in 2001 reeds viel het aantal werknemers weer samen met de trendlijn. Ook in de kappersbranche trad in 2000 een piek op. In 2001 en 2002 daalde het aantal werknemers echter weer. Alhoewel dit aantal nog steeds enigszins boven het niveau van de trendlijn ligt, kan niet gesproken worden van een trendbreuk. Voor de schilders- en stukadoorsbranche geldt net als voor de fietsherstel- en kappersbranche dat de stijging van het aantal werknemers in 2000 sterker was dan verwacht. In 2002 is het aantal werknemers echter weer gelijk met het verwachte aantal op basis van de trendanalyse. Zoals eerder opgemerkt is de trendanalyse voor de schilders- en stukadoorsbranche niet geheel zuiver. In de schoenherstelbranche tenslotte lag het aantal werknemers in de jaren 2000 en 2001 zelfs onder het niveau van de trendlijn. In 2002 vallen ze weer samen. Het spreekt voor zich dat ook in deze branche geen sprake is van een trendbreuk. Bovenstaande conclusies worden ook nog eens bevestigd door het verloop van de stijgingspercentages in het aantal werknemers door de jaren heen. Deze stijgingspercentages zijn in 2000 ten opzichte van 1999 namelijk niet hoger dan in voorgaande jaren. Ook zijn ze niet hoger dan de stijgingspercentages in de vijf bestudeerde branches waarvoor het lage BTW-tarief niet geldt. Uit bovenstaande blijkt dat er geen reden is aan te nemen dat in tenminste drie van de vijf branches waarvoor het lage BTW-tarief geldt, een extra werkgelegenheidseffect optreedt als gevolg van de BTW-maatregel. De branches waarvoor de BTW-verlaging geldt gedragen zich op dezelfde wijze als die waarvoor de verlaging niet geldt. 4.3 Inschatting effecten BTW-verlaging ondernemers De ondernemers is gevraagd een inschatting te maken van de hoeveelheid extra tijd die in 2000 (eerste peiling), 2001 (tweede peiling) en 2002 (derde peiling) besteed is aan arbeidsintensieve diensten ten opzichte van 1999 en de hoeveelheid werk die is blijven liggen als gevolg van personeelstekorten. Aan de ondernemers die een toename van de hoeveelheid werk constateren is gevraagd of men denkt dat dit door de BTW-verlaging komt. Ook is gevraagd of het moeilijk is personeel te krijgen. 54
In de figuren 4.10 tot en met 4.13 worden de resultaten van de drie peilingen met betrekking tot bovenstaande vragen met elkaar vergeleken. Dit is gedaan aan de hand van een gestapelde grafiek. Figuur 4.10 laat de verhouding zien van het aantal bedrijven waarin volgens inschatting van de ondernemer een groter aantal uren is besteed aan arbeidsintensieve diensten in 2000, 2001 of 2002 ten opzichte van 1999. In de tabel eronder is het aantal respondenten dat de vraag beantwoord heeft opgenomen. Figuur 4.10 Heeft u in 2000 (eerste kolom), 2001 (tweede kolom) of 2002 (derde kolom) meer tijd besteed aan arbeidsintensieve diensten dan in 1999? 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% Weet niet Nee Ja 30% 20% 10% 0% fietsherst. kappers kledingherst. schilders- en stuk. schoenherst. Tabel behorend bij figuur 4.10: aantal respondenten 1 ste peiling 2 de peiling 3 de peiling Fietsherstellers 366 297 266 Kappers 477 414 341 Kledingherstellers 45 74 53 Schilders- en stukadoors 433 356 309 Schoenherstellers 195 145 143 Het percentage dat aangeeft na de BTW-verlaging meer tijd te zijn gaan besteden aan arbeidsintensieve diensten ligt in de fiets- en kledingherstelbranche ongeveer tussen de 30 en 40%, met uitzondering van het jaar 2000 in deze laatste branche. In de kappersbranche ligt het tussen de 40 en 50%. In de schilders- en stukadoorsbranche is het percentage gemiddeld genomen het hoogst en ligt tussen de 60 en 70%. In de schoenherstelbranche stijgt het percentage van 45% in 2000 tot 80% in 2002. 55
De bedrijven is gevraagd of de stijging in de tijd besteed aan arbeidsintensieve diensten het gevolg is van de BTW-verlaging. Figuur 4.11 geeft de antwoorden voor de drie peilingen weer. Figuur 4.11 Is de stijging van het aantal uur dat besteed is aan arbeidsintensieve diensten het gevolg van de BTW-verlaging? (1 ste kolom = 1 ste peiling, 2 de kolom = 2 de peiling, 3 de kolom = 3 de peiling) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% Weet niet Nee Ja, gedeeltelijk Ja, volledig 30% 20% 10% 0% fietsherst. kappers kledingherst. schilders- en stuk. schoenherst. Tabel behorend bij figuur 4.11: Aantal respondenten 1 ste peiling 2 de peiling 3 de peiling Fietsherstellers 106 106 116 Kappers 184 207 172 Kledingherstellers 13 25 20 Schilders- en stukadoors 197 241 213 Schoenherstellers 85 85 117 In de kappers-, schilders- en stukadoors- en schoenherstelbranche stijgt het percentage dat aangeeft dat de stijging in de hoeveelheid werk volledig het gevolg is van de BTW-verlaging geleidelijk gedurende de drie peilingen. Tijdens de derde peiling ligt dit percentage rond de 40% in deze drie branches. Het percentage dat aangeeft dat de stijging volledig of gedeeltelijk het gevolg is van de BTW-verlaging ligt in 2002 rond de 95% in deze drie branches. In de kledingherstelbranche is dit percentage ook flink gestegen, maar pas in 2002. In dat jaar neemt het deel dat vindt dat de stijging gedeeltelijk een gevolg van de BTW-verlaging is echter af, waardoor het totaal van beide antwoorden lager is dan in de eerste twee peilingen en uitkomt op ongeveer 65%. In de fietsherstelbranche denkt maar een klein deel van de ondernemers dat de toegenomen hoeveelheid werk in de arbeidsintensieve diensten volledig het gevolg is van de BTW-verlaging, namelijk ongeveer 10%. Samen met het deel dat vindt dat de toename gedeeltelijk een gevolg is van de BTW-verlaging komt het percentage op 69%. In vergelijking met de andere branches is in deze 56
branche het percentage dat niet weet of de stijging in de hoeveelheid werk een gevolg is van de BTW-verlaging het grootst. De hierboven genoemde percentages van 95, 65 en 69% zijn allemaal berekend op basis van het aantal ondernemers dat heeft aangegeven dat er extra tijd is besteed aan arbeidsintensieve diensten na de BTW-verlaging. Wordt de berekening uitgevoerd op basis van het totaal aantal ondernemers (dus ook dat deel dat niet vindt dat de tijd besteed aan arbeidsintensieve diensten is toegenomen) dan komen de percentages ondernemers die vinden dat (mede) als gevolg van de BTW-verlaging de hoeveelheid werk is toegenomen aanzienlijk lager uit. Voor de kappers-, schilders- en stukadoors- en schoenherstelbranche bedragen de percentages dan niet 95%, maar respectievelijk 43%, 61% en 77%. In de kledingherstelbranche vindt in totaal 21% dat er als gevolg van de BTW-verlaging meer tijd wordt besteed aan arbeidsintensieve diensten en in de fietsherstelbranche 29%. De ondernemers is ook gevraagd of er werk blijft liggen als gevolg van een beperkt aantal personeelsleden. Figuur 4.12 geeft het resultaat. Figuur 4.12 Als u meer personeel zou hebben zou u dan meer tijd besteden aan arbeidsintensieve diensten? (1 ste kolom = 1 ste peiling, 2 de kolom = 2 de peiling, 3 de kolom = 3 de peiling) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% Weet niet Nee Ja 30% 20% 10% 0% fietsherst. kappers kledingherst. schilders- en stuk. schoenherst. Tabel behorend bij figuur 4.12: Aantal respondenten 1 ste peiling 2 de peiling 3 de peiling Fietsherstellers 348 283 274 Kappers 436 384 353 Kledingherstellers 42 72 61 Schilders- en stukadoors 395 348 318 Schoenherstellers 159 138 142 57
In de schilders- en stukadoorsbranche zegt in alledrie de peilingen meer dan 60% van de ondernemers dat er meer werk waarvoor het lage BTW-tarief geldt verricht zou worden indien er meer personeel zou zijn. In de kappersbranche vindt meer dan 50% dit in alledrie de peilingen. In de fiets- en schoenherstelbranche stijgt in de derde peiling het deel van de ondernemers dat dit vindt flink. Het percentage komt in beide branches boven de 50% uit. In de kledingherstelbranche lijkt het personeelstekort een minder groot probleem. In 2002 vindt nog geen kwart dat er meer arbeidsintensief werk verricht zou worden als er meer personeel zou zijn. Figuur 4.13 geeft inzicht in de moeilijkheidsgraad om nieuw personeel te vinden. Figuur 4.13 Is het moeilijk personeel te krijgen? (1 ste kolom = 1 ste peiling, 2 de kolom = 2 de peiling, 3 de kolom = 3 de peiling) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% Weet niet (Helemaal) niet moeilijk Niet moeilijk/niet makkelijk (Heel) moeilijk 10% 0% fietsherst. kappers kledingherst. schilders- en stuk. schoenherst. Tabel behorend bij figuur 4.13: Aantal respondenten 1 ste peiling 2 de peiling 3 de peiling Fietsherstellers 367 432 291 Kappers 464 544 367 Kledingherstellers 42 83 62 Schilders- en stukadoors 432 514 340 Schoenherstellers 179 220 152 In alle branches zegt ongeveer 50% of meer van de ondernemers dat het moeilijk tot zeer moeilijk is om personeel te krijgen. Met uitzondering van de schoenherstelbranche treedt in 2002 een (lichte) daling op van dit percentage. Zoals in de tweede peiling al werd geconstateerd heeft krapte op de arbeidsmarkt mogelijk een remmende invloed op het effect van de BTW-maatregel. Veel ondernemers geven immers aan dat de vraag groter is dan ze aankunnen, maar dat het moeilijk is personeel te krijgen waardoor 58
groei van het aantal werknemers niet mogelijk is. Net als vorig jaar is, om de redenering te toetsen, gekeken of die ondernemers die zeggen dat ze meer werk zouden leveren indien er meer personeel zou zijn en die aangeven dat vacatures moeilijk te vervullen zijn ook daadwerkelijk te maken hebben met een groter aantal vacatures dan de overige bedrijven. In tabel 4.9 is het percentage onvervulde werkgelegenheid weergegeven voor 2002. Het betreft het relatieve aantal vacatures ten opzichte van de totale werkgelegenheid, oftewel het aantal vacatures en het aantal fulltime eenheden samen. De tabel is opgesplitst naar de groep ondernemers die respectievelijk heeft aangegeven wel en niet meer tijd te besteden aan arbeidsintensieve diensten indien meer personeel beschikbaar zou zijn. Tabel 4.9 Niet vervulde werkgelegenheid in 2002 per groep ondernemers die wel en niet aangeven meer tijd aan arbeidsintensieve diensten te besteden indien meer personeel beschikbaar zou zijn. Het weergegeven percentage = aantal vacatures / (aantal vacatures + aantal fte s) Meer tijd aid indien meer personeel Niet meer tijd aid indien meer personeel Fietsherstellers 11% 3% Kappers 8% 2% Kledingherstellers 11% 3% Schilders- en stukadoors 10% 3% Schoenherstellers 10% 3% Uit de tabel blijkt dat de onvervulde werkgelegenheid in 2002 inderdaad groter is bij de groep ondernemers die aangeeft meer tijd aan arbeidsintensieve diensten te besteden indien er meer personeel beschikbaar zou zijn dan bij de groep die aangeeft er niet meer tijd aan te besteden ook al zou er meer personeel beschikbaar zijn. Het verschil in onvervulde werkgelegenheid bedraagt 8 tot 6%. In tabel 4.10 is hetzelfde percentage uitgerekend als in tabel 4.7, maar dan uitgesplitst naar de moeilijkheidsgraad om personeel te krijgen. Indien de berekening gebaseerd is op minder dan 10 respondenten is het percentage weggelaten. Tabel 4.10 Niet vervulde werkgelegenheid in 2000 naar moeilijkheidsgraad om personeel te vinden. Het weergegeven percentage = aantal vacatures / (aantal vacatures + aantal fte s) Nee (helemaal) niet moeilijk Niet moeilijk/ niet makkelijk Vrij moeilijk Heel moeilijk Fietsherstellers - 6% 6% 11% Kappers 4% 5% 6% 9% Kledingherstellers - - 6% 10% Schilders- en stukadoors 1% 11% 6% 11% Schoenherstellers - - 9% 9% Globaal gezien loopt het percentage onvervulde werkgelegenheid inderdaad op van de groep ondernemers die het (helemaal) niet moeilijk vindt om personeel te vinden naar de groep die het heel moeilijk vindt. De verschillen zijn echter niet erg groot. 59
Samenvatting inschatting ondernemers Een deel van de ondernemers geeft aan sinds de BTW-verlaging meer tijd te besteden aan arbeidsintensieve diensten. Dit deel varieert in 2002 van ongeveer een derde in de kledingherstelbranche tot 80% in de schoenherstelbranche. Een hoog percentage van de ondernemers die zegt sinds de BTW-verlaging meer tijd te besteden aan arbeidsintensieve diensten geeft aan dat dit volledig of gedeeltelijk het gevolg is van deze BTW-verlaging. In 2002 bedroeg dit percentage meer dan 90% in zowel de kappers-, schilders en stukadoors- als schoenherstelbranche. In de andere twee branches lag het percentage rond de 65%. Het feit dat 20 tot 60% van de ondernemers in de vijf intensieve branches meer tijd zou besteden aan de arbeidsintensieve diensten als er meer personeel zou zijn, geeft aan dat groei mogelijk is in de branches. Een mogelijk remmende factor op het effect van de BTW-verlaging op de werkgelegenheid is krapte op de arbeidsmarkt. De helft van de ondernemers (kappersbranche) of meer (overige branches) geeft aan dat het heel moeilijk is om personeel te krijgen. Geconstateerd is dat deze bedrijven inderdaad (relatief gezien) meer vacatures hebben dan bedrijven die aangeven dat het niet moeilijk is personeel te krijgen. Dit effect is echter niet erg sterk. Inschatting ondernemers versus trendanalyses Van de werkgevers in de kappers-, schilders- en stukadoors- en schoenherstelbranche geven respectievelijk 43%, 61% en 77% aan dat als er een toename is van de tijd besteed aan arbeidsintensieve diensten dat geheel of gedeeltelijk het gevolg is van de BTW-verlaging. Voor de kledingherstelbranche en de fietsherstelbranche zijn deze percentages respectievelijk 21% en 29%. Deze uitkomst lijkt in tegenspraak met de conclusie van 4.2 dat de BTW-verlaging geen effect heeft op de werkgelegenheid. Om deze tegenspraak te kunnen begrijpen worden hieronder enkele overwegingen weergegeven. De ondernemers wordt een inschatting gevraagd naar het causale effect van de BTW-maatregel op de door hen bestede tijd aan arbeidsintensieve diensten, dat wil zeggen op de vraag naar deze diensten. Deze vraag neemt tussen 1999 en 2000 flink toe in de meeste branches (behalve kledingherstellers). Tussen 2000 en 2001 blijft de vraag ongeveer gelijk, behalve bij de kledingherstellers waar een flinke toename is geconstateerd (zie hoofdstuk 3). Volgens een groot deel van de ondernemers is de stijging in de vraag zoals gezegd geheel of gedeeltelijk het gevolg van de BTW-maatregel. Er zijn een aantal factoren te noemen waardoor deze toename in de vraag niet rechtstreeks vertaalbaar is een toename van de werkgelegenheid als gevolg van de BTWmaatregel in de betreffende branches. 1. De toename in de vraag naar een dienst kan veroorzaakt worden door een aantal factoren. Men kan hierbij denken aan economische conjunctuur, ontwikkelingen in de branche, loonontwikkelingen, trends in mode etc. De vraag aan de ondernemers om het effect in te schatten, gaat ervan uit dat de ondernemer het effect van de BTW-maatregel isoleert van alle andere factoren. De vraag is of de ondernemer voldoende rekening heeft gehouden met al deze factoren. 2. Zelfs al zou de ondernemer voldoende met deze factoren rekening hebben gehouden, dan hoeft een toename in de vraag als gevolg van de BTW-maatregel niet direct te leiden tot een toename van de werkgelegenheid. Mogelijk wordt de toegenomen vraag (grotendeels) opgevangen door het zittende personeel en hoeven er geen nieuwe vacatures te ontstaan. 3. Als er nieuwe vacatures ontstaan, hoeven die niet automatisch te leiden tot meer werknemers, omdat een groot deel van de ondernemers aangeven dat het moeilijk is om meer personeel te vinden. 60
De inschatting van de ondernemers dat de toename van de vraag geheel of gedeeltelijk een gevolg is van de BTW-maatregel hoeft dus om deze redenen niet te leiden tot de conclusie dat de maatregel leidt tot een toename van de werkgelegenheid. De trendanalyses maken duidelijk dat er geen reden is om aan te nemen dat de ontwikkeling van werkgelegenheid in de branches in positieve zin beïnvloed wordt door de BTW-maatregel. Ook de vergelijking van de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de branches waarvoor de BTW-maatregel geldt met branches die vergelijkbare diensten verrichten maar waarvoor de maatregel niet geldt, laat zien dat er geen BTW-effect in het oog springt. De stijgingspercentages van de werkgelegenheid in de lage-btwbranches zijn niet hoger, soms zelfs lager, dan in vergelijkbare normale-btw-branches. Al met al is er onvoldoende aanleiding om uit de inschatting van de ondernemers over het effect van de BTW-verlaging op de vraag te concluderen dat de verlaging een positief effect heeft op het aantal werknemers. 61
62
5 Conclusies effecten BTW-verlaging Toepassing BTW-maatregel Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat met name in de kledingherstelbranche een groot deel van de ondernemers (bijna de helft) geen gebruik maakt van de BTW-maatregel. Ook in de schilders- en stukadoorsbranche maakt een kwart van de ondernemers die diensten uitvoeren waarvoor het lage BTW-tarief geldt, geen gebruik van de maatregel. In de kappers- en schoenherstelbranche is het gebruik hoog respectievelijk 94 en 97%. De fietsherstelbranche zit tussen de andere branches in: 17% maakt geen gebruik van de mogelijkheid het lage BTW-tarief door te berekenen voor herstelwerkzaamheden. Overigens heeft een deel van de ondernemers die volgens de gegevens van de Belastingdienst geen gebruik maakt van de maatregel, in de telefonische enquête die tijdens de tweede peiling is gehouden aangegeven wel degelijk gebruik te maken van het lage BTW-tarief. Afgaand op de antwoorden van de ondernemers bedragen de percentages niet gebruik respectievelijk: 33%, 9%, 1%, 0% en 10%. De belangrijkste redenen voor het niet gebruik zijn te hoge administratieve lasten en het feit dat er te weinig of geen diensten worden uitgevoerd waarvoor het lage BTW-tarief geldt. Beide redenen worden door meer dan een derde van de niet gebruikers genoemd. Verder zegt 11% niet bekend te zijn met de maatregel. In de tweede peiling was dit percentage nog 21%, hetgeen aangeeft dat de bekendheid met de maatregel nog steeds toeneemt. Ontwikkeling in prijzen/tarieven Zoals in de tweede peiling reeds vastgesteld is, is in het jaar na de BTW-verlaging (2000) een daling van de prijzen inclusief BTW opgetreden, met uitzondering van de fietsherstelbranche waar een stijging van 0,6% optrad. Op basis van de BTW-verlaging van 17,5 naar 6% en rekening houdend met kostenstijgingen van gemiddeld 4%, werd een daling van de prijzen inclusief BTW van 6,2% verwacht. Deze daling werd alleen in de schildersbranche bereikt. Met uitzondering van de kledingherstelbranche zijn de prijzen in 2001 weer gestegen. Deze prijsstijgingen liggen op het verwachte niveau van de kostenstijgingen en bedragen 3,5-4%. In 2002 zijn de prijsstijgingen in de branches (met uitzondering van de stukadoors- en kappersbranche) groter dan de verwachte stijging als gevolg van kostenstijgingen en variëren van 8,5% in de fietsherstelbranche tot 15,6% in de kledingherstelbranche. Mogelijke verklaring voor de forse prijsstijgingen is de invoering van de euro. Ontwikkeling in omzet/vraag De algemene omzetontwikkeling in de vijf branches is een stijging in zowel 2000 als in 2001. Alleen in de schilders- en stukadoorsbranche is de omzet in 2001 licht gedaald ten opzichte van 2000. Ook de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten laat een stijgende lijn zien over de periode 1999-2001. Uitzondering hierop is de schoenherstelbranche waar de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten in 2001 is gedaald ten opzichte van 2000. De vraag volgt de ontwikkeling in de omzet met betrekking tot arbeidsintensieve diensten. Alleen in de fietsherstel- en kappersbranche is de vraag naar arbeidsintensieve diensten in 2001 afgenomen. Aangezien de prijzen gestegen zijn in deze branches, is de omzet wel gestegen. Het deel van de omzet in de totale branche dat gegenereerd wordt door de bedrijven die geen gebruik maken van de BTW-maatregel varieert (in 2001) van 1% in de schoenherstelbranche tot 24% in de kledingherstelbranche. Er treedt geen grote verschuiving op in de omzet van bedrijven die geen gebruik maken naar bedrijven die wel gebruik maken van de BTW-maatregel. 63
Ontwikkeling in werkgelegenheid In de eerste twee peilingen werd al geconstateerd dat de werkgelegenheid in 2000 ten opzichte van 1999 is gestegen in de vijf branches. Na deze algemene stijging in het eerste jaar na de BTWverlaging verloopt de ontwikkeling van het aantal werknemers voor iedere branche anders. Hieronder wordt de ontwikkeling in de werkgelegenheid per branche beschreven. Waar gesproken wordt over het aantal werknemers wordt het aantal werknemers die meer dan 15 uur per week werken bedoeld. Fietsherstelbranche: In de fietsherstelbranche is het aantal werknemers in 2002 ongeveer gelijk aan dat in 2000. Ten opzichte van 1999 is het aantal werknemers in 2002 met ongeveer 200 toegenomen. Deze stijging is vergelijkbaar met de stijgingen in de voorgaande jaren en er is dan ook geen sprake van een trendbreuk. Het aantal fulltime eenheden is hoger dan het aantal werknemers hetgeen betekent dat er door (een deel van) de werknemers meer dan 40 uur per week wordt gewerkt. Het aantal fulltime eenheden neemt gestaag toe in de periode 1999 2002. In 2002 zijn er ongeveer 400 fte s meer dan in 1999. De toename in het aantal fte s besteed aan arbeidsintensieve diensten bedraagt ongeveer 200 fte s tussen 1999 en 2002. Het aantal vacatures blijft in de vier jaren min of meer constant en ligt rond de 475 fte s. De totale werkgelegenheid (bestaande fte s en vacatures) bestaat derhalve voor 6% uit vacatures. Kappersbranche: In de kappersbranche is het aantal werknemers na de flinke stijging in 2000 in de twee jaren daarna weer afgenomen. Al met al zijn er in 2002 ongeveer 2000 werknemers meer werkzaam in de branche dan in 1999. Deze stijging is enigszins groter dan verwacht op basis van de trendanalyse. Het verschil is echter te klein om van een trendbreuk te spreken. De stijging in het aantal fte s is net als in de fietsherstelbranche ongeveer twee keer zo groot als de stijging in het aantal werknemers tussen 1999 en 2002 en bedraagt ongeveer 4000 fte s. Dit betekent dat het bestaande personeel meer is gaan werken. Het aantal fte s besteed aan arbeidsintensieve diensten is slechts met 700 fte s gestegen. Het aantal vacatures bereikt in 2001 een piek en bedraagt dan bijna 2000 fte s. In 2002 is het aantal gedaald naar 1700 fte s. De onvervulde werkgelegenheid komt daarmee op 5%. Kledingherstelbranche: In de kledingherstelbranche neemt het aantal werknemers niet alleen in 2000, maar ook in 2001 toe. In 2002 is het aantal weer iets gedaald. Het verschil over de periode 1999 2002 bedraagt 1600 werknemers. Aangezien de BTW-maatregel in de overige vier branches niet gezorgd heeft voor een trendbreuk in het aantal werknemers wordt aangenomen dat dit ook in de kledingherstelbranche niet het geval is. De toename in het aantal fte s bedraagt slechts 900 fte s. Dit betekent dat men meer parttime is gaan werken. Het aantal fte s besteed aan arbeidsintensieve diensten is met bijna 300 fte s toegenomen. Het aantal vacatures is vrij laag en schommelt tussen de 125 en 200 fte s. De onvervulde werkgelegenheid komt daarmee op 2% (in 2002). Schilders- en stukadoorsbranche: In deze branche zijn meer dan 50.000 werknemers werkzaam, waarmee het de grootste van de vijf is. In de periode 1999 2002 is het aantal werknemers toegenomen van ongeveer 52.000 tot bijna 54.500 werknemers. Deze toename van 2500 werknemers is vrijwel gelijk aan de toename verwacht op basis van de stijgingen in de afgelopen 10 jaar. Op basis van de beschikbare gegevens kan dus niet worden gesproken van een trendbreuk. Aangezien de beschikbare gegevens echter niet geheel op de doelgroep zijn toegespitst heeft de trendanalyse een beperkte waarde. De toename in het aantal fte s is veel groter, namelijk 8500. Slechts een vijfde van het totaal aantal fte s wordt besteed aan de diensten waarvoor het lage BTW-tarief geldt. De toename in het aantal fte s besteed aan deze arbeidsintensieve diensten bedraagt 4270. Het aantal vacatures ligt in 2002 op 3000 fte s. Dit is 6% van de totale (vervulde + onvervulde) werkgelegenheid. 64
Schoenherstelbranche: Het aantal werknemers in de schoenherstelbranche laat een (langzaam) dalende trend zien. Dit was ook verwacht op basis van de trendanalyse. Er is dan ook geen sprake van een positieve dan wel negatieve trendbreuk. Het aantal werknemers in 2002 ligt 74 lager dan in 1999. Het aantal fte s, zowel het totaal aantal als het aantal besteed aan arbeidsintensieve diensten is wel toegenomen in deze periode, beiden met ongeveer 60 fte s. Het aantal vacatures schommelt tussen de 70 en de 100 fte s, waarmee de onvervulde werkgelegenheid varieert van 4 tot 6%. Inschatting ondernemers Volgens een groot deel van de ondernemers is de hoeveelheid tijd besteed aan arbeidsintensieve diensten toegenomen sinds de BTW-verlaging. Dit deel varieert van ongeveer een derde in de kledingherstelbranche tot 80% in de schoenherstelbranche. Van deze ondernemers geeft de meerderheid aan dat dit geheel of gedeeltelijk het gevolg is van de BTW-verlaging. Verder zegt een aanzienlijk deel van de ondernemers dat er meer tijd aan arbeidsintensieve diensten besteed zou worden indien er meer personeel beschikbaar zou zijn. Het vinden van nieuw personeel wordt door velen echter als probleem beschouwd. De inschatting van de ondernemers dat door de BTW-verlaging de hoeveelheid tijd besteed aan arbeidsintensieve diensten is toegenomen, ziet men niet terug in een (meer dan normale) toename van het aantal werknemers. Reden hiervoor kan zijn dat de ondernemers niet voldoende rekening hebben gehouden met andere verklarende factoren zoals economische conjunctuur. Bovendien hoeft een toename in de hoeveelheid werk zich niet te vertalen in een toename van het aantal werknemers. Het is immers goed denkbaar dat het extra werk wordt opgevangen door bestaande werknemers. Al met al is er onvoldoende aanleiding om uit de inschatting van de ondernemers over het effect van de BTW-verlaging op de hoeveelheid werk te concluderen dat de verlaging een positief effect heeft op het aantal werknemers. Slotconclusie De slotconclusie van de drie peilingen luidt dat de BTW-verlaging geen blijvend aantoonbaar effect heeft gehad op het aantal werknemers in, in ieder geval drie van de vijf branches waarvoor de BTW-maatregel geldt. In de fietsherstel-, kappers- en schoenherstelbranche is immers geen trendbreuk in het aantal werknemers waargenomen na de invoering van de BTW-maatregel. In de schilders- en stukadoorsbranche is ook geen trendbreuk waargenomen. Echter aangezien de gegevens waarop de trendanalyse gebaseerd is niet geheel aansluiten bij de doelgroep van de BTW-maatregel, kan geen definitief uitsluitsel over het effect van de BTW-maatregel op de werkgelegenheid in deze branche worden gegeven. Ditzelfde geldt voor de kledingherstelbranche waarvoor helemaal geen trendanalyse is uitgevoerd in verband met het ontbreken van historische gegevens. 65
66
Bijlage 1 Onderzoeksopzet en uitvoering Om gegevens te verzamelen over de werkgelegenheid in de vijf branches zijn deze met behulp van schriftelijke en telefonische vragenlijsten bevraagd. Alvorens in te gaan op de samenstelling en omvang van de populatie, de steekproeftrekking en de respons wordt een beschrijving gegeven van de methode waarmee het effect van de BTW-maatregel op de werkgelegenheid is vastgesteld. 1. Methoden vaststelling effect BTW-maatregel Om het effect van de BTW-verlaging op de werkgelegenheid in de branches vast te stellen is gebruik gemaakt van twee methoden: Trendanalyse Contrafactische vraagstelling Met behulp van de trendanalyse is de autonome trend in de werkgelegenheid in de verschillende branches vastgesteld. Hiervoor is gebruik gemaakt van gegevens van de Kamer van Koophandel van 1990 tot en met 1999. Met behulp van het Holts exponentiële effeningsmodel is op basis van de waarnemingen uit 1990-1999 een trendlijn berekend, waardoor voorspellingen gedaan kunnen worden voor de daarop volgende jaren. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat in de berekende autonome trend géén trendbreuk optreedt per 1 januari 2000 als gevolg van de BTWmaatregel. De berekende trend geeft dus de situatie weer zoals die zou zijn als het BTW-tarief niet verlaagd zou zijn. Met behulp van de verzamelde gegevens in de branches wordt vastgesteld of in de praktijk wél een trendbreuk is opgetreden na de verlaging van het BTW-tarief. Het verschil tussen de voorspelling van de trendanalyse en de feitelijke ontwikkeling kan toegeschreven worden aan de BTW-verlaging. De tweede methode contrafactische vraagstelling verschaft inzicht in het effect van de BTWmaatregel door het panel op hypothetische situaties te laten reageren. Dat wil zeggen dat in de vragenlijst niet alleen vragen zijn opgenomen ten aanzien van de feitelijke situatie van de onderneming, maar dat ook gevraagd is naar de situatie zoals die geweest zou zijn zonder invoering van de maatregel. Zo is bijvoorbeeld gevraagd of er in 2000 evenveel tijd besteed zou zijn aan arbeidsintensieve diensten als de BTW-maatregel niet zou zijn genomen. Per respondent is vastgesteld welk effect de maatregel volgens de respondent heeft op de werkgelegenheid. Hieruit zijn vervolgens populatieschattingen gemaakt. 2. Beschrijving populatie Gebruikers en niet gebruikers van de BTW-maatregel De totale groep ondernemers die arbeidsintensieve diensten leveren per branche kan onderverdeeld worden in de gebruikers en de niet gebruikers van de BTW-maatregel. Van beide groepen zijn gegevens verzameld. Onderstaand schema toont een grafische weergave van de populatie. 67
Figuur B1.1 Onderverdeling branches in wel/niet doelgroepbedrijven en wel/niet gebruikers van de BTW-maatregel Enquête onder steekproef gebruikers Doelgroep BTW -maatregel gebruikers (A) Niet gebruikers (B) Enquête onder steekproef niet gebruikers Bedrijven niet behorend tot doelgroep (C) Totale branche Over de gebruikers van de maatregel zijn veel meer gegevens verzameld dan over de niet gebruikers. In eerste instantie werd ervan uitgegaan dat de groep niet gebruikers zeer klein dan wel niet aanwezig zou zijn. Daarom zijn over deze groep in eerste instantie (eerste peiling) geen gegevens verzameld. In de tweede peiling is door middel van een telefonische enquête de omvang bepaald van de groep niet-gebruikers die wel tot de doelgroep van de maatregel behoort. Tevens zijn gegevens verzameld over de prijzen en het aantal werknemers. In de derde peiling hebben de niet-gebruikers een zelfde vragenlijst als de gebruikers gekregen. Populatie 2000 en populatie 2001 Tijdens de eerste en tweede peiling zijn uitspraken gedaan over de werknemersaantallen etc in 1999, 2000 en 2001 over de populatie zoals die er in 2000 uitzag. Tijdens de eerste peiling is deze populatie 2000 als volgt gedefinieerd: de bedrijven die zowel in 1999 als het eerste kwartaal van 2000 bestonden. Tijdens de eerste peiling is een onder- dan wel overschatting gemaakt van de werknemersaantallen doordat de starters en stoppers in 2000 niet in het populatiebestand 2000 zijn opgenomen respectievelijk verwijderd. In de tweede peiling is hiervoor gecorrigeerd: de bedrijven die in 2000 gestart zijn, zijn aan de populatie 2000 toegevoegd. Omdat deze bedrijven in 1999 nog niet bestonden, zijn de variabelen zoals aantal werknemers en omzet voor het jaar 1999 op nul gezet. Van de bedrijven die (ergens in) 2000 gestopt zijn, zijn deze variabelen voor 2001 op nul gezet (en het aantal werknemers ook al voor 2000 indien het bedrijf vóór de peildatum gestopt is). Omdat de omvang van de starterspopulatie in 2001 ten tijde van de peiling nog niet bekend was, zijn er dus ook in de tweede peiling uitspraken gedaan over de populatie van 2000. Er zijn wel uitspraken gedaan over wat er in 2001 met de populatie 2000 is gebeurd, onder andere uit hoeveel werknemers de populatie van 2000 in 2001 bestond. Het gevolg van het ontbreken van de in 2001 gestarte en gestopte bedrijven is dat een onder- dan wel overschatting is gemaakt van het aantal werknemers in 2001. 68
Voor de derde peiling doen we uitspraken over de populatie zoals die er in 2000 uit zag voor de jaren 1999 en 2000 en de populatie zoals die er in 2001 uitzag voor de jaren 2001 en 2002. Aan het bestand worden de in 2001 gestarte bedrijven toegevoegd waardoor gecorrigeerd wordt voor de onder- of overschatting die in de tweede peiling is gemaakt. Als gevolg hiervan veranderen de uitkomsten van de tweede peiling wat betreft de data voor 2001. Net als bij de tweede peiling het geval was met de starters en stoppers van 2001, hebben we nu nog geen gegevens over de starters en stoppers in 2002. Hierdoor kunnen we geen uitspraken doen over de populatie van 2002. We kunnen wel uitspraken doen over wat er in 2002 met de populatie van 2001 is gebeurd, onder andere uit hoeveel werknemers de populatie van 2001 in 2002 bestaat. Het gevolg van het ontbreken van de in 2002 gestarte en gestopte bedrijven in het populatiebestand is dat een onderdan wel overschatting wordt gemaakt van het totale aantal werknemers in 2002. De samenste l- ling van de verschillende populaties is hieronder nog eens schematisch weergegeven. Figuur B1.2 Schematische weergave populatiebestand drie peilingen (de grijze vakken horen niet tot de populatie van de betreffende peiling) Peiling 1 Uitspraken over populatie 2000 voor 1999 en 2000 Peiling 2 Peiling 3 Uitspraken over populatie 2000 voor Uitspraken over populatie 2000 voor 1999, 2000 en 2001 1999 en 2000 en over populatie 2001 voor 2001 en 2002 Stoppers 1999/2000 Stoppers 1999/2000 Stoppers 2001 Populatie bedrijven die zowel in 1999 als in het eerste kwartaal van 2000 bestonden Populatie bedrijven die zowel in 1999 als in 2000 bestonden Populatie bedrijven die zowel in 1999 als in 2000 bestonden Starters 2000 Starters 2000 Starters 2001 Starters 2001 Starters 2002 Tabel B1.1 geeft de omvang van de populatie in 2000 voor de verschillende branches weer. Hierin is een onderscheid gemaakt tussen gebruikers en niet gebruikers van de maatregel Tabel B1.1 Overzicht omvang totale branche, gebruikers en niet gebruikers van de BTWmaatregel per branche (populatie 2000) Totale (A+B+C) Gebruikers (A) Niet gebruikers branche BTW-maatregel BTW-maatregel (B+C) Niet gebruikers, wel doelgroep (B) Aandeel niet gebruikers in doelgroep (B : A+B) Fietsherstellers 2602 1852 750 368 17% Kappers 10539 9684 855 624 6% Kledingherstellers 12990 1070 11920 1073 50% Schilders- en stukadoors 17647 7270 10377 2490 26% Schoenherstellers 936 822 114 26 3% Totaal 44714 20698 24016 4581 16% 69
Of een bedrijf een gebruiker dan wel niet gebruiker van de BTW-maatregel is, is vastgesteld aan de hand van de omzetgegevens van de Belastingdienst. Indien in 2000 over een deel van de omzet het lage BTW-tarief is afgedragen, maakt het bedrijf gebruik van de BTWmaatregel. Als dit niet het geval is, maakt het bedrijf geen gebruik van de maatregel. Probleem is dat op basis van de bestanden van de Belastingdienst geen onderscheid gemaakt kan worden tussen de niet gebruikers die wel en de niet gebruikers die niet tot de doelgroep van de BTW-maatregel behoren (B+C). Zoals gezegd is op basis van een telefonische enquête onder niet gebruikers een schatting gemaakt van de groep die wel tot de doelgroep behoort (B). Tabel B1.2 geeft een overzicht van de omvang van de populatie in 2001. Aangezien in de derde peiling geen telefonische enquête is gehouden om de omvang van de groep niet gebruikers die wel tot de doelgroep behoren vast te stellen, is voor de populatieschattingen van bijvoorbeeld het aantal werknemers voor 2001 en 2002 van deze groep gebruik gemaakt van de populatie van 2000. Tabel B1.2 Overzicht omvang totale branche, gebruikers en niet gebruikers van de BTWmaatregel per branche (populatie 2001) Totale (A+B+C) Gebruikers (A) Niet gebruikers branche BTW-maatregel BTW-maatregel (B+C) Niet gebruikers, wel doelgroep (B) Aandeel niet gebruikers in doelgroep (B : A+B) Fietsherstellers 2657 1841 816 368 17% Kappers 10438 9359 1079 624 6% Kledingherstellers 12985 1105 11880 1073 49% Schilders- en stukadoors 17947 7525 10422 2490 25% Schoenherstellers 909 786 123 26 3% Totaal 44936 20616 24320 4581 18% 3. Schriftelijk onderzoek In onderstaand hoofdstuk wordt ingegaan op de vragenlijst, steekproef en respons van het schriftelijke deel van het onderzoek. Voor meer informatie over het telefonische deel zoals uitgevoerd in de tweede peiling wordt verwezen naar het rapport Monitor effecten BTWverlaging arbeidsintensieve diensten, resultaten tweede peiling, bijlage 1, hoofdstuk 4. 3.1 Vragenlijst Tijdens de eerste peiling van de BTW-monitor is voor elke branche een vragenlijst opgesteld, die besproken is met de opdrachtgever, de brancheorganisaties en enkele ondernemers. Voor de tweede peiling zijn aan de oorspronkelijke vragenlijst enkele vragen toegevoegd over 2001 en voor de derde peiling over 2002. In de derde peiling hebben bedrijven die reeds aan de tweede peiling hebben meegedaan, een verkorte versie van de vragenlijst gekregen die alleen de vragen over 2002 bevat. Bedrijven die wel aan de eerste maar niet aan de tweede peiling hebben meegedaan, hebben in de derde peiling een vragenlijst gekregen waarin ook naar de gegevens over 2001 is gevraagd. 70
De volgende onderwerpen zijn in de vragenlijst aan de orde gekomen: bedrijfsactiviteiten en aantal jaar dat bedrijf bestaat; de doorberekening van de BTW-verlaging in de prijzen; de gerekende uurtarieven/prijzen (1999/2000/2001/2002); de inschatting van de effecten van de BTW-verlaging op de werkgelegenheid; aantal werknemers, fulltime eenheden, overuren, vacatures (1999/2000/2001/2002); omzet en winstgegevens (1999/2000/2001). 3.2 Steekproeftrekking en respons De schriftelijke vragenlijst is net als bij de eerste en tweede peiling aan de panelleden van de BTW-monitor verstuurd (zie voor meer uitleg omtrent de opbouw van het panel het rapport met de resultaten van de eerste peiling, bijlage 1.2). Bedrijven die noch aan de eerste noch aan de tweede peiling hebben meegedaan, zijn uit het panel verwijderd en dus in de derde peiling niet nogmaals benaderd. Naast de bedrijven uit het panel is de vragenlijst gestuurd aan een steekproef uit het startersbestand van 2001. De vragen over 1999 en 2000 zijn voor deze groep achterwege gelaten. Tabel B1.3 geeft de panelomvang en de respons voor de drie peilingen weer. In de tweede peiling is het panel voor de kledingherstelbranche niet alleen aangevuld met starters, maar ook met ruim 400 reeds in 1999 bestaande bedrijven om de gewenste respons van 100 vragenlijsten te behalen. Voor uitleg omtrent het gewenste aantal vragenlijsten en de samenstelling van het panel wordt verwezen naar de beschrijving van de resultaten van de eerste peiling. Tabel B1.3 Panelomvang en respons 1 ste, 2 de peiling en 3 de peiling Gewenst 1 ste peiling 2 de peiling 3 de peiling aantal Panelomvantagomvantagomvantage Respons Percen- Panel- Respons Percen- Panel- Respons Percen- enquêtes Fietsherstellers 350 661 379 57% 736 316 43% 666 309 46% Kappers 400 778 500 64% 853 440 52% 786 394 50% Kledingherstellers 100 92 47 51% 577 100 17% 245 71 29% Schilders en stuk. 400 754 452 60% 829 392 47% 750 360 48% Schoenherstellers 200 305 202 66% 336 167 50% 263 164 62% Totaal 1450 2590 1580 61% 3331 1415 42% 2710 1298 48% Uit de tabel blijkt dat het aantal teruggestuurde vragenlijsten langzaam terug is gelopen van de eerste tot de derde peiling (met uitzondering van de kledingherstelbranche). Vergelijking met het gewenste aantal vragenlijsten laat zien dat de respons op de derde peiling in alle branches achter blijft. Gevolg hiervan is dat de marges op de resultaten iets groter zullen zijn dan van te voren als wenselijk vastgesteld. 71
4. Bewerking databestand Alvorens analyses op het databestand te kunnen draaien zijn een aantal bewerkingen uitgevoerd die hieronder kort worden besproken. Check databestand op onjuistheden: met behulp van frequentietabellen en vergelijkingen van de resultaten uit de drie peilingen zijn zichtbare onjuistheden (bijvoorbeeld factor 10 of 100 fouten) in het databestand gecorrigeerd. Koppeling data eerste, tweede en derde peiling: met behulp van de respondentnummers zijn de resultaten van de drie peilingen aan elkaar gekoppeld. Starters en stoppers: Voor de ondernemers die in 2000 gestart zijn, is het aantal werknemers en fte s, de omzet, de winst etc voor 1999 op nul gezet. Voor de starters uit 2001 is dit ook voor het jaar 2000 gedaan. Voor de bedrijven die in 2000 of 2001 gestopt zijn is hetzelfde gedaan voor de jaren 2000 en 2001. Om vast te stellen welke bedrijven gestopt zijn en wanneer, is gebruik gemaakt van de bij de Belastingdienst bekende datum waarop een laatste aangifte van de ondernemer is ontvangen. Schatten van ontbrekende data: Getracht is een zo volledig mogelijk databestand op te bouwen waarin geen ontbrekende data voorkomen. Missende waarden zijn met behulp van gemiddelde stijgingspercentages per branche en omzetcategorie geschat. Hierbij zijn de groepen starters 2000, starters 2001, stoppers 2000, stoppers 2001 en niet-gebruikers als aparte categorie beschouwd. Verbeteren schatting van het aantal werknemers met behulp van omzetgegevens Belastingdienst: de populatieschatting van het aantal werknemers en fulltime eenheden zoals is vastgesteld met behulp van de enquête is uitgevoerd met behulp van reële omzetgegevens van de populatie zoals bekend bij de Belastingdienst. Hiervoor is een zogenaamde quotiëntscha t- ting uitgevoerd waarbij per branche en omzetcategorie het gemiddelde aantal werknemers gedeeld door de gemiddelde omzet vermenigvuldigd is met de totale omzet in de omzetcategorie. In formulevorm ziet dit er zo uit: W schatting = w gem / omzet gem * O tot Weegfactor: per branche is een weegfactor berekend, zodat de resultaten van de respons zijn opgehoogd naar de totale populatie. Omdat voor de schilders- en stukadoorsbranche en de kappersbranche een gestratificeerde steekproef is getrokken naar omzetcategorie is ook per omzetcategorie een weegfactor berekend. De weegfactor ziet er als volgt uit: Weegfactor = populatie / netto respons 72
Bijlage 2 Trendanalyse vergelijkbare branches In deze bijlage wordt een trendanalyse uitgevoerd op het aantal werknemers in de timmer-, autoreparatie-, schoonheidsverzorging- en manicure-, glazenwassers- en loodgietersbranche. Gegevens over 2001 zijn niet opgenomen in de figuren omdat de Kamer van Koophandel over is gegaan op een andere onderzoeksmethode waarbij de eenmansbedrijven niet meer worden meegenomen in de metingen. Aangezien de marge op de waarde van 2000 niet bekend is, is in onderstaande figuren alleen de marge op de trendlijn weergegeven. De werkelijke marge ligt echter hoger 1. Figuur B2.1 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur of meer per week werkt in de timmerbranche 20000 19000 18000 17000 16000 15000 14000 Verwachte trend Aantal werknemers 13000 12000 11000 10000 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 In de timmerbranche treedt een stijging op in het aantal werknemers in 2000 ten opzichte van de berekende trendlijn. Deze stijging valt echter binnen de marge, waardoor men niet kan spreken van een trendbreuk. Figuur B2.2 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur per week of meer werkt in de autoreparatiebranche 38000 36000 34000 32000 30000 28000 26000 Verwachte trend Aantal werknemers 24000 22000 20000 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 1 De marge op het verschil tussen de waarde voor 2000 en de trendlijn bedraagt: marge = 1,96 * (var (trend) + var (waarde 2000) ) en is dus groter dan de marge op de trendwaarde alleen. 73
In de autoreparatiebranche lijkt wel sprake te zijn van een trendbreuk in het aantal werknemers in 2000 ten opzichte van 1999. Het verschil tussen de berekende trendwaarde en het werkelijke aantal werknemers bedraagt ongeveer 400. De weergegeven marge bedraagt ongeveer 1000. Zoals reeds is opgemerkt is de weergegeven marge alleen gebaseerd op de standaardfout in de trendwaarde. Indien aangenomen wordt dat in het aantal werknemers een zelfde standaardfout zit, dan zou de marge ruim 1400 bedragen en het verschil in trend en aantal werknemers kleiner zijn dan de marge. Men zou dan niet kunnen spreken van een trendbreuk. Figuur B2.3 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur of meer werkt per week in de schoonheidsverzorging- en manicurebranche 8000 7000 6000 5000 4000 3000 2000 Aantal werknemers Verwachte trend 1000 0 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 Zoals de figuur laat zien is er in de schoonheidsverzorging en manicurebranche geen trendbreuk opgetreden in het aantal werknemers. Figuur B2.4 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur of meer werkt per week in de glazenwassersbranche 4000 3500 3000 2500 2000 Aantal werknemers Verwachte trend 1500 1000 500 0 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 Ook in de glazenwassersbranche is geen trendbreuk opgetreden. 74
Figuur B2.5 Trendanalyse van het aantal werknemers dat 15 uur of meer werkt per week in de loodgietersbranche 24000 23000 22000 21000 20000 19000 18000 Aantal werknemers Verwachte trend 17000 16000 15000 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 Alhoewel een stijging waar te nemen is in het aantal werknemers in de loodgietersbranche kan men niet spreken van een trendbreuk, aangezien de marge op het verschil groter is dan de waargenomen stijging. 75
76
Research voor Beleid Schipholweg 13-15 Postbus 985 2300 AZ Leiden telefoon: (071) 5253737 telefax: (071) 5253702 e-mail: rvb@rvbh.nl www.researchvoorbeleid.nl 77