Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen

Vergelijkbare documenten
Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen

Inventarisatie mono- en multidisciplinaire samenwerkingsverbanden in de eerste lijn: een eerste verkenning. R.J. Kenens H. Hofhuis L.

CIJFERS UIT DE REGISTRATIE VAN FYSIOTHERAPEUTEN Peiling 2003

Stoppen als huisarts: trends in aantallen en percentages

BROCHURE REGISTRATIE HUISARTSEN PEILING 1 JANUARI 2002

Zorggebruik. 5.1 Inleiding. 5.2 Contact eerste lijn

Cijfers uit de registratie van huisartsen peiling 2003

Aantal huisartsen en aantal FTE van huisartsen vanaf 2007 tot en met 2016

Utrecht, december 2002 VFA172/LH/MvG CIJFERS OVER FYSIOTHERAPEUTEN IN DE EERSTE LIJN

Overzicht uitgeschreven huisartsen NIVEL Lud van der Velden Daniël van Hassel Ronald Batenburg

CIJFERS UIT DE REGISTRATIE VAN FYSIOTHERAPEUTEN (in de eerste lijn)

Dit rapport is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen worden gebruikt met bronvermelding. FZO-onderzoek 2014

Cijfers uit de registratie van huisartsen peiling 2010

CIJFERS UIT DE REGISTRATIE VAN OEFENTHERAPEUTEN Peiling 1 januari Hingstman, L. Kenens, R.J.

(65%) Totaal Mannen Vrouwen. Totaal jaar jaar

Veranderingen op de Arbeidsmarkt van oefentherapeuten

CIJFERS UIT DE REGISTRATIE VAN OEFENTHERAPEUTEN

Allochtonen op de arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs Regio Zuid-Holland-Noord

HERSTRUCTURERING VAN HET MEDISCH OP- LEIDINGSTRAJECT: MOGELIJKE CAPACITEITS- EFFECTEN

Ga (terug) naar de website:

Verschillen in cijfers over huisartscontacten. en de statistiek tiek Geregistreerde contacten met de huisarts

Cijfers uit de registratie van ergotherapeuten peiling 2002

Joost Meijer, Amsterdam, 2015

FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2016

De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs Regio Noord-Holland

Wonen met Zorg in de anticipeerregio s

Raming benodigde instroom per medische en tandheelkundige vervolgopleiding /2025

Factsheet Groothandel in Bloembollen Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt

CIJFERS UIT DE REGISTRATIE VAN OEFENTHERAPEUTEN

tweede nationale studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk Een kwestie van verschil:

Factsheet Open teelten Landbouw Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt in 2013

Ga (terug) naar de website:

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Zuid- en Oost-Gelderland

Factsheet Groothandel in Bloembollen Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt in 2013

Ga (terug) naar de website:

Opvallend in deze figuur is het grote aantal bedrijven met een vergunning voor exact 340 stuks melkvee (200 melkkoeien en 140 stuks jongvee).

Samenvatting en beschouwing

Juni 2012 Meer werkzoekenden (NWW) dan een jaar geleden Aantal WW-uitkeringen in een jaar tijd met gestegen

Schaalvergroting in de eerstelijns gezondheidszorg breed zichtbaar 1 Johan Hansen, Raymond Kenens, Dinny de Bakker, Ronald Batenburg

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Limburg

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Haaglanden / Rijn Gouwe

Factsheet Loonwerk Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt in 2013

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Rotterdam / Rijnmond

Cijfers uit de registratie van huisartsen peiling 2011

Over mogelijke tekorten aan huisartsen, nu en in de nabije toekomst

Misdrijven en opsporing

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2015

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Noord-Gelderland

Inventarisatie vraag en aanbod van waarnemers in de huisartspraktijk

Monitor. alcohol en middelen

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Noord-Holland

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Limburg

Factsheet Bos en Natuur Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt 2013

Meerdere keren zonder werk

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Flevoland

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Noordoost- en Zuidoost-Brabant

Factsheet Groenvoederdrogerijen 2016

Criminaliteit en slachtofferschap

De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs Regio Gelderland-Zuid

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Noord-Holland

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Noord-Gelderland

April 2012 Minder niet-werkende werkzoekenden (NWW) Aantal WW-uitkeringen opnieuw licht gedaald

Aantal werkzoekenden en WW-uitkeringen verder gestegen in februari

Ontwikkeling leerlingaantallen

Achterblijvers in de bijstand

De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs Regio Limburg

Cijfers uit de registratie van verloskundigen peiling 2009

Auteur: Gemeente Dronten Datum: 4 april 2017 Voor vragen: Feiten en cijfers 2016 Bevolking

Persbericht. Gevoelens van onveiligheid iets verminderd. Centraal Bureau voor de Statistiek

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Noordoost- en Zuidoost-Brabant

Juli 2012 Bijna WW-uitkeringen Meer werkzoekenden (NWW) dan een jaar geleden

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Groningen

Cijfers uit de registratie van verloskundigen peiling 2003

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Groningen

Werkloosheid Redenen om niet actief te

De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs Regio Zuid-Holland-Zuid

Uitstroom van ouderen uit de werkzame beroepsbevolking

September Vrijwel evenveel WW-uitkeringen als in augustus

De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs Regio Noord-Brabant-Oost

CIJFERS UIT DE REGISTRATIE VAN OEFENTHERAPEUTEN MENSENDIECK

Langdurige werkloosheid in Nederland

Auteur: Gemeente Dronten Datum: Februari 2018 Voor vragen: Feiten en cijfers 2017 Bevolking

Oktober 2012 WW-uitkeringen vooral toegenomen in seizoensgevoelige sectoren Meer dan een half miljoen niet-werkende werkzoekenden (NWW)

Afbouwen of abrupt stoppen als huisarts?

Leenonderzoek Verbouwingen De cijfers 2016 vs 2015

Mei 2012 Minder niet-werkende werkzoekenden (NWW) Aantal WW-uitkeringen iets afgenomen

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Drenthe / Overijssel

November 2012 WW-uitkeringen bijna verdubbeld sinds begin crisis eind 2008 Niet-werkende werkzoekenden (NWW) met ruim 30.

GEZONDHEID. 4.1 Inleiding

De arbeidsmarkt voor leraren po Regio Utrecht

fluchskrift Vergrijzing in Fryslân neemt toe Aantal senioren sterk gestegen Aantal 65-plussers in Fryslân, /2012

De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs Regio Gelderland-Noord

Kenmerken van wanbetalers zorgverzekeringswet

De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs Regio Utrecht

Cijfers uit de registratie van verloskundigen peiling 2008

Nieuwsflits Arbeidsmarkt. December 2012

Demografische gegevens ouderen

CIJFERS UIT DE REGISTRATIE VAN OEFENTHERAPEUTEN CESAR

Transcriptie:

Dit rapport is een uitgave van het NIVEL in 2003. De gegevens mogen met bronvermelding (R.J. Kenens, L.F.J. van der Velden, L. Hingstman, Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003) worden gebruikt. Het rapport is te bestellen via receptie@nivel.nl. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen R.J. Kenens L.F.J. van der Velden L. Hingstman

ISBN 90-6905-623-2 http://www.nivel.nl nivel@nivel.nl Telefoon 030 2 729 700 Fax 030 2 729 729 2003 NIVEL, Postbus 1568, 3500 BN UTRECHT Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaan de schriftelijke toestemming van het NIVEL te Utrecht. Het gebruik van cijfers en/of tekst als toelichting of ondersteuning in artikelen, boeken en scripties is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld.

Erratum In het rapport "Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen" zijn door een invoerfout 4 gemeenten die eigenlijk bij DHV Westland/- Schieland/Delfland behoren, per ongeluk bij de DHV Rotterdam en omgeving gerekend. Het gaat om de gemeenten Maasland, Maassluis, Schiedam en Vlaardingen. De belangrijkste gegevens uit het rapport zijn opnieuw berekend. Invloed op absolute cijfers De correcties komen daarbij in principe neer op een verschuiving van 190.000 inwoners en de daarbij behorende contacten en 87 huisartsen met de door hen gewerkte FTE's. Voor de DHV Rotterdam en omgeving komt de correctie neer op een ongeveer 17% kleinere omvang: 950.000 in plaats van 1.140.000 inwoners en 462 in plaats van 549 huisartsen in 2001. Voor de DHV Westland/Schieland/Delfland is het aantal inwoners en huisartsen na correctie ongeveer 80% groter als in het rapport vermeld staat: 429.000 in plaats van 239.000 inwoners en 194 in plaats van 107 huisartsen in 2001. Voor alle andere gegevens die een absolute grootte hebben (zoals het totaal aantal contacten en het totaal aantal FTE van huisartsen) zijn er vergelijkbare, relatief grote verschuivingen. Invloed op relatieve cijfers Alle relatieve gegevens (zoals het aantal inwoners per FTE huisarts of het aantal contacten per FTE huisarts), zijn daarentegen minder sterk veranderd. Voor Rotterdam en omgeving is het aantal inwoners per FTE huisarts in het jaar 2001 nu 2.442 in plaats van 2.460 en het aantal contacten per FTE huisarts in 2001 is nu 11.111 in plaats van 11.126. Voor Westland/Schieland/- Delfland blijkt nu een verhouding van 2.649 inwoners per FTE huisarts in plaats van 2.722. Het aantal contacten per FTE wordt nu op 11.222 geschat in plaats van 11.247. Het aantal inwoners per FTE huisarts en het aantal contacten per FTE huisarts, zijn dus weliswaar iets anders, maar nog altijd wel in dezelfde orde van grootte. Voor de relatieve aansluiting tussen vraag en aanbod, blijkt de correctie dus niet veel invloed te hebben. Invloed op benodigde instroom Omdat het huidige aantal huisartsen is veranderd, is ook het toekomstig benodigde aantal huisartsen veranderd en dus de uitbreidingsvraag. Bovendien is de te verwachten uitstroom veranderd en dus ook de vervangingsvraag. In de eindtabel is de benodigde instroom nu 303 in plaats van 352 voor Rotterdam en omgeving en 124 in plaats van 74 voor Westland/Schieland/- Delfland. Vervolgstappen De meer gedetailleerde gevolgen van de nieuwe indeling zijn niet in een simpel erratum te vatten. In principe moeten namelijk alle tabellen en figuren aangepast worden aan de nieuwe indeling. Tevens moet op een aantal plaatsen de tekst aangepast worden. In de komende maanden zal dit worden uitgevoerd, waarbij overigens meteen alle gegevens en uitkomsten van alle DHV s worden geactualiseerd.

Inhoud 1 Inleiding 5 2 Methode en gegevensverzameling 7 2.1 Begrippen 7 2.2 Vraag naar huisartsenzorg 8 2.3 Aanbod van huisartsenzorg 10 2.4 Aansluiting vraag en aanbod 10 3 Vraag en aanbod per DHV in 1990 en 2001 13 3.1 Vraag naar huisartsenzorg 13 3.1.1 Relevante achtergrondkenmerken 13 3.1.2 Feitelijk gebruik van huisartsenzorg 17 3.1.3 Geschat gebruik van huisartsenzorg 20 3.2 Aanbod van huisartsenzorg 22 3.3 Aansluiting vraag en aanbod 29 3.4 Conclusie 31 4 Vraag en aanbod per DHV tot 2010 33 4.1 Vraag naar huisartsenzorg 33 4.1.1 Relevante achtergrondkenmerken 33 4.1.2 Geschat gebruik van huisartsenzorg 36 4.2 Aanbod van huisartsenzorg 38 4.2.1 Benodigde groei 38 4.2.2 Verwachte uitstroom 42 4.2.3 Benodigde instroom 43 4.3 Conclusie 46 5 Slotbeschouwing 49 Literatuur 51 Bijlage 1: Feitelijk gebruik 53 Bijlage 2: Achtergrondkenmerken bevolking per DHV 1990-2001 55 Bijlage 3: Achtergrondkenmerken huisartsen per DHV 1990-2001 57 Bijlage 4: Achtergrondkenmerken bevolking per DHV 2001-2010 61 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 3

4 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

1 Inleiding In de loop van 1999 is de stichting Capaciteitsorgaan voor de medische en tandheelkundige vervolgopleidingen opgericht. Het Capaciteitsorgaan beoogt de veldpartijen en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) te informeren over de gewenste instroom in de medische en tandheelkundige vervolgopleidingen en stelt daartoe jaarlijks een Capaciteitsplan op. De Capaciteitsplannen die tot nu toe zijn uitgebracht zijn vooral gericht geweest op uitkomsten op landelijke schaal. (Capaciteitsorgaan 2000, 2001, 2002) Er wordt aangegeven hoeveel personen opgeleid moeten worden om de totale vraag en het totale aanbod in Nederland goed op elkaar aan te laten sluiten. Daarmee kan echter nog niet voorkomen worden dat er in bepaalde gebieden toch nog sprake zal zijn van tekorten of overschotten. Zo heeft bijvoorbeeld de stad Rotterdam al vele jaren te maken met grote tekorten aan huisartsen. Om de mogelijkheden te onderzoeken in hoeverre de regionale component in de ramingen opgenomen kan worden, heeft het Capaciteitsorgaan aan het NIVEL gevraagd om dit voor de beroepsgroep huisartsen nader te werken. Aangezien binnen de huisartsenzorg de zogeheten DHV (Districts Huisartsen Vereniging) als belangrijke regionale eenheid wordt beschouwd, is deze indeling ook voor het in kaart brengen van regionale verschillen in vraag en aanbod gebruikt. Voor wat deze regionale verschillen betreft, staat de volgende vraagstelling centraal. In hoeverre zijn er tussen de DHV s verschillen in de aansluiting tussen vraag en aanbod van huisartsen, wat zijn daarin de ontwikkelingen geweest in de periode 1990-2010 en hoe zal dit zich ontwikkelen in de periode 2001-2010 Alvorens deze vraagstelling uit te werken wordt in hoofdstuk 2 uitgebreid aandacht besteed aan de methode en de wijze waarop de gegevens zijn verzameld. In hoofdstuk 3 wordt de vraag- en aanbodontwikkeling in de periode 1990-2001 in kaart gebracht. Tot slot zal in hoofdstuk 4 ingegaan worden op de te verwachten vraag- en aanbodontwikkeling in de periode 2001-2010. Daarbij wordt een antwoord gegeven op de vraag hoeveel huisartsen zich in de periode 2001-2010 in de verschillende DHV s moeten vestigen om vraag een aanbod goed op elkaar te laten aansluiten. Met betrekking tot de uitkomsten van deze studie moet vooraf de kanttekening worden gemaakt dat, door het ontbreken van een aantal gegevens op DHV niveau, voor sommige analyses landelijke gegevens gebruikt moesten worden. Dit betekent dat we niet altijd in staat waren om de exacte situatie per DHV in beeld te brengen. Verder wijken de resultaten op sommige punten af van resultaten die staan beschreven in de jaarlijkse ramingstudies die het NIVEL en Prismant voor het Capaciteitsorgaan uitvoeren. De belangrijkste reden is dat in de landelijke ramingstudies meer factoren worden meegenomen. In paragraaf 2.5 worden bovengenoemde kanttekeningen toegelicht Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 5

6 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

2 Methode en gegevensverzameling Alvorens in te gaan op de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, zal eerst een toelichting gegeven worden bij een aantal essentiële begrippen. 2.1 Begrippen Districts Huisartsen Verenigingen Sinds 1946 behartigt de Landelijke Huisartsen Vereniging, kortweg LHV, de belangen van de beroepsgroep in het algemeen en die van de individuele huisarts in het bijzonder. Centrale doelstelling van de LHV is het creëren van condities die goede uitoefening van het huisartsenvak mogelijk maakt. Dat wil zeggen kwalitatief goede zorg voor alle inwoners van Nederland op elk tijdstip van de dag, zeven dagen per week (LHV, 2003). De LHV is onderverdeeld in 23 Districts Huisartsen Verenigingen. Deze 23 huisartsendistricten staan centraal in dit onderzoek. Voor elk van de huisartsendistricten wordt een beeld gegeven van vraag- en aanbodontwikkelingen in de periode 1990-2001 evenals van de te verwachte ontwikkelingen tot 2010. In de onderstaande figuur is een overzicht opgenomen van alle 23 huisartsendistricten. Figuur 2.1: Districts Huisartsen Verenigingen 1. DHV Amsterdam 2. DHV Kennermerland/Haarlemmermeer 3. DHV Holland Noord 4. DHV Den Haag e.o. 5. DHV Rijnland & Midden Holland 6. DHV Rotterdam e.o. 7. DHV Zuid-Holland Zuid 8. DHV Zeeland 9. DHV West Brabant 10. DHV Noord-Brabant Noordoost 11. DHV Limburg 12. DHV Utrecht 13. DHV Gooi/Eemland/Noordwest Veluwe 14. DHV Groot Gelre 15. DHV Stedendriehoek 16. DHV Zwolle/Flevoland 17. DHV Twente 18. DHV drenthe 19. DHV Friesland 20. DHV Groningen 21. DHV Westland/Schieland/Delfland 22. DHV Midden Brabant 23. DHV Zuidoost Brabant 8 21 6 4 3 2 1 5 7 9 12 22 13 10 23 19 16 14 15 18 20 17 11 NIVEL, 2003 Bron: LHV. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 7

Vraag naar huisartsenzorg: geschat gebruik Wanneer in het rapport bijvoorbeeld over het aantal huisartscontacten 1 gesproken wordt, dan wordt daarmee niet het daadwerkelijke of feitelijke maar het geschatte aantal huisartscontacten bedoeld. De reden waarom in het rapport geen cijfers over het feitelijke gebruik zijn opgenomen is dat deze alleen op landelijk niveau beschikbaar zijn. Op gemeentelijk niveau (en dus DHV-niveau) ontbreken ze. Om toch een beeld te kunnen geven van het gebruik van huisartsenzorg, is het begrip geschat gebruik geïntroduceerd. Onder geschat gebruik wordt verstaan hoe vaak van de diensten van de huisarts gebruik zal worden gemaakt, gegeven de landelijke gegevens omtrent het daadwerkelijke of feitelijke gebruik en de bevolkingsopbouw per DHV naar leeftijd, geslacht, etniciteit en verzekeringsvorm. Aanbod van huisartsenzorg Onder het begrip aanbod wordt het totaal aantal werkzame huisartsen dat huisartsenzorg verleent verstaan. Tot deze groep behoren enerzijds de zelfstandig gevestigden (huisartsen met een eigenpraktijk) en anderzijds de HIDHA s (huisartsen in dienst van een andere huisarts). Om een reëel beeld te kunnen geven omtrent de omvang van het aanbod is ook rekening gehouden met het feit dat een deel van de huisartsen in deeltijd werkt. Dit betekent dat niet alleen gekeken is naar het aantal werkzame huisartsen maar ook naar het totaal aantal fulltime equivalenten (FTE) aan huisartsenzorg. 2.2 Vraag naar huisartsenzorg Om de vraag naar huisartsenzorg in 1990, 2001 en 2010 in kaart te kunnen brengen, is gebruik gemaakt van de gemiddelde contactfrequenties 2 per persoon per jaar, zoals genoemd in het rapport Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de grote steden van Nederland (Van der Velden e.a., 2003). De contactfrequenties zijn uitgesplitst naar een viertal achtergrondkenmerken, te weten: leeftijd, geslacht, etniciteit en verzekeringsvorm. Elk van deze achtergrondkenmerken zijn van invloed op de contactfrequentie. Zo is het algemeen bekend dat de contactfrequentie vooral samenhangt met leeftijd en geslacht van de patiënt. Ouderen en met name vrouwen gaan vaker naar de huisarts dan jongeren. Daarnaast blijkt dat ziekenfondsverzekerden vaker de huisarts bezoeken dan particulier verzekerden (De Bakker, e.a., 2001). Wordt er onderscheid gemaakt naar etniciteit dan zien we dat allochtonen vaker naar de huisarts gaan dan autochtonen (Weide en Foets, 1998). Van der Velden e.a. hebben de contactfrequenties bepaald aan de hand van de module Gezondheid en Arbeid uit het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) van het CBS. Dit onderzoek wordt jaarlijks uitgevoerd waarbij door middel van een mondelinge enquête onder een steekproef van de bevolking een veelheid aan gegevens wordt verzameld. In de module Gezondheid en Arbeid zijn onder andere gegevens opgenomen over de leeftijd, het geslacht en de verzekeringsvorm van de respondenten. Daarnaast bevat de modu- 1 2 Het gaat daarbij om zowel het aantal contacten met de huisarts in de huisartspraktijk als het aantal contacten met de huisarts bij de mensen thuis (visites). Contacten met een doktersassistente zijn niet meegenomen. Voor alle onderzochte jaren geldt dezelfde gemiddelde contactfrequentie met de huisarts. Met andere woorden: de gemiddelde contactfrequentie wordt voor de periode 1990-2010 constant verondersteld (CBS, diverse jaren; Jaarrapport LINH, diverse jaren). 8 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

le ook gegevens over het aantal huisartscontacten dat in de twee weken voorafgaand aan de enquêtedatum heeft plaatsgevonden. In totaal zijn in de door Van der Velden e.a. gebruikte modules uit 1998, 1999 en 2000 gegevens van ruim 27.000 respondenten opgenomen. Desondanks was het aantal allochtonen (in POLS: personen zonder de Nederlandse nationaliteit) gering zodat het niet mogelijk was de contactfrequenties tevens uit te splitsen naar etniciteit. De auteurs hebben voor het berekenen van de contactfrequenties van allochtonen een andere methode gehanteerd: op basis van een onderzoek van Weide en Foets (1998) zijn de contactfrequenties van niet-westerse allochtonen gelijkgesteld aan die van autochtonen plus een ophoogfactor van 25% (binnen elk van de onderscheiden achtergrondkenmerken). Uit het onderzoek van Weide en Foets blijkt namelijk dat de contactfrequentie voor niet-westerse allochtonen 25% hoger ligt dan voor autochtonen. Tot slot is onderzocht of er sprake is van een stedelijkheidseffect, ofwel een zelfstandige invloed van de stedelijkheid van gemeenten op het gebruik van huisartsenzorg. De gemiddelde contactfrequenties per persoon per jaar uit het rapport zijn gecombineerd met de aantallen inwoners naar leeftijd, geslacht, etniciteit en verzekeringsvorm per gemeente voor zowel 1990, 2001 en 2010 3. Op die manier is per gemeente het geschat gebruik berekend. Dit is het aantal contacten dat de bevolking zou genereren als het zorggebruik in iedere categorie van de bevolking hetzelfde zou zijn als het zorggebruik van de gemiddelde Nederlander in die categorie. De uitkomsten per gemeente zijn vervolgens geaggregeerd naar de 23 huisartsendistricten. Overzicht van gehanteerde gegevensbronnen Voor het bepalen van het geschat gebruik zijn de onderstaande gegevensbronnen gebruikt. CBS: - Bevolkingsopbouw (leeftijd en geslacht) per gemeente in 1990 en 2001. - Bevolkingsopbouw (leeftijd en geslacht) per postcode in 2001. - Aantal westerse en niet-westerse allochtonen naar leeftijd en geslacht per gemeente in 2001. - Aantal westerse en niet-westerse allochtonen naar geslacht per gemeente in 1996. - Aantal westerse en niet-westerse allochtonen per postcode in 2001. CVZ: - Aantal ziekenfondsverzekerden naar gemeente in 2001. Primos: - Primos bevolkingsprognose model per gemeente voor 2010 (door RIVM beschikbaar gesteld). 3 Vanwege het ontbreken van gegevens omtrent de percentages ziekenfondsverzekerden (naar leeftijd, geslacht en etniciteit) in 1990 en 2010 is aangenomen dat deze gelijk zijn aan die in 2001. Daarnaast is voor het bepalen van de percentages westerse en niet-westerse allochtonen in 1990 gebruik gemaakt van CBS-gegevens uit 1996. Eerdere jaren zijn vanwege definitieverschillen omtrent het begrip allochtoon niet voor het onderzoek bruikbaar. Op basis van het gegeven dat het aantal allochtonen in de periode 1990-1995 grofweg met 80% is toegenomen (Jaarboek Minderheden, 2001), is het aantal allochtonen voor het jaar 1990 berekend door de aantallen uit 1996 met 0,56 (100/180) te vermenigvuldigen. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 9

Van der Velden e.a. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de grote steden van Nederland. Utrecht: NIVEL, 2003: - Gemiddelde contactfrequenties per persoon per jaar naar leeftijd, geslacht, etniciteit en verzekeringsvorm. 2.3 Aanbod van huisartsenzorg Om het aanbod van huisartsenzorg in 1990 en 2001 in kaart te kunnen brengen, is gebruik gemaakt van gegevens uit de NIVEL-registratie van werkzame huisartsen. In deze registratie die een vrijwel volledige dekking heeft, worden vanaf 1955 gegevens verzameld over alle werkzame huisartsen in Nederland. Uit deze registratie zijn zowel voor het jaar 1990 als het jaar 2001 per gemeente het aantal werkzame huisartsen en het aantal FTE huisartsen afgeleid. Vervolgens zijn deze gegevens geaggregeerd naar 23 huisartsendistricten. Voor wat betreft te verwachten ontwikkelingen in het aanbod tot 2010 is in de eerste plaats rekening gehouden met de te verwachten uitstroom. De NIVEL-registratie van huisartsen geeft zowel inzicht in het aantal werkzame huisartsen per gemeente als inzicht in een aantal essentiële gegevens die nodig zijn om de uitstroom te berekenen (leeftijd, geslacht, aantal FTE). Op basis van uitstroompatronen uit voorgaande jaren is per gemeente berekend hoeveel huisartsen in de periode 2001-2010 vanwege hun leeftijd, burnout of andere redenen het beroep mogelijk zullen verlaten. Door deze gegevens te aggregeren naar de 23 huisartsendistricten en te combineren met enerzijds ontwikkelingen in het gemiddeld aantal FTE per huisarts en anderzijds het eventueel gelijktrekken van de werklast van de huisartsen in de verschillende huisartsendistricten kan voor elk van deze huisartsendistricten de benodigde groei (instroom) van het aantal huisartsen berekend worden. De benodigde instroom zal vervolgens vergeleken worden met de te verwachten instroom van het aantal huisartsen. Overzicht van gehanteerde gegevensbronnen Voor het bepalen van het aanbod van huisartsenzorg zijn de onderstaande gegevensbronnen gebruikt. NIVEL: - Registratie van werkzame huisartsen. - Ramings- en vooruitberekeningsmodel. 2.4 Aansluiting vraag en aanbod Om inzicht te krijgen in hoeverre er in de periode 1990-2001 in de 23 huisartsendistricten de aansluiting tussen het geschatte zorggebruik en het huisartsenaanbod groter of kleiner is geworden zijn de vraag- en aanbodgegevens aan elkaar gerelateerd. Dit betekent dat voor zowel 1990 als 2001 per huisartsendistrict het verhoudingsgetal tussen het geschatte gebruik en het beschikbare aanbod aan huisartsen (FTE) is berekend. Dit verhoudings- 10 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

getal is weergegeven als enerzijds het aantal inwoners per FTE huisarts en anderzijds het geschatte aantal contacten per FTE huisarts. 2.5 Beperkingen van deze studie Deze studie kan met name gebruikt worden om na te gaan in welke DHV s relatief veel huisartsen moeten instromen ten opzichte van het huidige aantal dat daar nu werkzaam is. Daarbij wordt rekening gehouden met zowel de vervangingsvraag (door onder andere de pensionering van de nu werkzame huisartsen in een DHV) als de uitbreidingsvraag (door bijvoorbeeld de vergrijzing van de bevolking in zo n DHV). Wat echter niet kan, is het bepalen van de kans dat de benodigde instroom per DHV ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Daarvoor ontbreken er gegevens over de wensen en voorkeuren van pas afgestudeerde huisartsen omtrent de DHV s waarin men wel of niet werkzaam zou willen zijn. Hiervoor is aanvullend onderzoek nodig. Verder wijken de in dit rapport gehanteerde scenario s op een aantal punten af van de scenario s die tot nu toe door het Capaciteitsorgaan zijn gehanteerd. Dit heeft onder andere van doen met het feit dat er voor dit rapport gegevens gebruikt zijn die betrekking hebben op het jaar 2001 als basisjaar en het jaar 2010 als prognosejaar. Bij de scenario s voor het Capaciteitsorgaan wordt daarentegen gewerkt met het jaar 2000 als basisjaar en 2012, 2017 en 2020 als prognosejaren. Ook in het soort factoren dat is meegenomen in de scenario s is er een verschil tussen dit rapport en de capaciteitsramingen van het Capaciteitsorgaan. Zo wordt in het voorkeursscenario van het Capaciteitsorgaan (de zogeheten laag/laag-combinatievariant met 5% arbeidstijdverkorting ) onder andere rekening gehouden met een onvervulde vraag van 5% in het jaar 2000, een extra groei in de zorgvraag van 10% tussen 2000 en 2010 en een arbeidstijdverkorting van 5%. Deze factoren zijn in het onderhavige rapport niet meegenomen. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 11

12 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

3 Vraag en aanbod per DHV in 1990 en 2001 In dit hoofdstuk wordt ingegaan op zowel vraag- als aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg die zich in de periode 1990-2001 hebben voorgedaan. De ontwikkelingen worden besproken op het niveau van de 23 huisartsendistricten die Nederland telt. Nadat vraag en aanbod beide apart aan de orde zijn geweest, wordt ingegaan op veranderingen in de aansluiting tussen vraag en aanbod. 3.1 Vraag naar huisartsenzorg Bij het bespreken van de vraag naar huisartsenzorg dient rekening te worden gehouden met factoren die op deze vraag van invloed op zijn. In de literatuur worden vele factoren aangehaald, doch wij beperken ons hier tot de volgende belangrijke demografische, sociaal-culturele en sociaal-economische factoren: leeftijd, geslacht, etniciteit en verzekeringsvorm 4. Daarnaast is nagegaan of de stedelijkheid van gemeenten wel of geen zelfstandige invloed op de vraag uitoefent. Om te beginnen wordt er voor de zojuist genoemde factoren een overzicht van de ontwikkelingen over de periode 1990-2001 gegeven. Vervolgens worden ze naar vraagontwikkelingen vertaald. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen feitelijk en geschat gebruik (zie paragraaf 2.1). 3.1.1 Relevante achtergrondkenmerken Aantal inwoners Een belangrijke en relatief ongecompliceerde indicator voor de ontwikkeling van de vraag naar huisartsenzorg is de ontwikkeling van het aantal inwoners. In de periode 1990-2001 is het aantal inwoners in Nederland toegenomen van ruim 14.892.000 tot circa 15.988.000, ofwel een toename van 7,4% (zie tabel 3.1). Hoewel het merendeel van de huisartsendistricten een groei hebben doorgemaakt die rond het landelijk gemiddelde ligt, zijn er toch enkele huisartsendistricten waar de relatieve toename aanzienlijk groter of kleiner is geweest. DHV Zwolle/Flevoland bijvoorbeeld kent een groei van 25,5%, terwijl in DHV Groningen en Den Haag e.o. het aantal inwoners slechts met respectievelijk 2,3% en 2,8% is toegenomen. Uit tabel 3.1 valt verder op te maken dat DHV Westland/Schieland/Delfland (239.000), Zeeland (351.000) en Midden Brabant (377.000) wat het aantal inwoners in 2001 betreft de kleinste zijn. De huisartsendistricten Limburg (1.118.000), Rotterdam e.o. (1.140.000) en Groot Gelre (1.344.000) tellen de meeste inwoners. 4 Vanwege een gebrek aan gegevens kon een andere belangrijke factor, het opleidingsniveau, niet worden meegenomen. Een deel van het effect van het opleidingsniveau zal echter via de verzekeringsvorm en etniciteit zijn uitwerking hebben. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 13

Tabel 3.1: Aantal inwoners (x 1.000) per DHV in 1990 en 2001 Aandeel Aandeel Relatieve 1990 t.o.v. totaal 2001 t.o.v. totaal toename DHV Amsterdam 725 4,9% 771 4,8% 6,4% DHV Kennemerland/Haarlemmermeer 589 4,0% 632 4,0% 7,3% DHV Holland Noord 826 5,5% 898 5,6% 8,7% DHV Den Haag e.o. 652 4,4% 670 4,2% 2,8% DHV Rijnland & Midden Holland 715 4,8% 768 4,8% 7,4% DHV Rotterdam e.o. 1.083 7,3% 1.140 7,1% 5,3% DHV Zuid-Holland Zuid 596 4,0% 646 4,0% 8,3% DHV Zeeland 335 2,2% 351 2,2% 5,0% DHV West Brabant 612 4,1% 660 4,1% 7,9% DHV Noord-Brabant Noordoost 529 3,6% 578 3,6% 9,3% DHV Limburg 1.081 7,3% 1.118 7,0% 3,5% DHV Utrecht 700 4,7% 752 4,7% 7,4% DHV Gooi/Eemland/Noordwest Veluwe 671 4,5% 723 4,5% 7,7% DHV Groot Gelre 1.235 8,3% 1.344 8,4% 8,8% DHV Stedendriehoek 594 4,0% 623 3,9% 4,7% DHV Zwolle/Flevoland 571 3,8% 717 4,5% 25,5% DHV Twente 515 3,5% 539 3,4% 4,6% DHV Drenthe 511 3,4% 550 3,4% 7,5% DHV Friesland 599 4,0% 631 3,9% 5,2% DHV Groningen 536 3,6% 548 3,4% 2,3% DHV Westland/Schieland/Delfland 213 1,4% 239 1,5% 12,2% DHV Midden Brabant 344 2,3% 377 2,4% 9,8% DHV Zuidoost Brabant 660 4,4% 714 4,5% 8,2% Nederland (totaal) 14.892 100,0% 15.988 100,0% 7,4% Bron: Bewerking CBS-gegevens. Geslacht Het relatief aantal vrouwen op de totale bevolking is tussen 1990 en 2001 nagenoeg gelijk gebleven; was in 1990 50,6% van alle inwoners vrouw, in 2001 was dit 50,5%. Verder blijkt dat de 23 huisartsendistricten onderling geen grote verschillen vertonen. Het aandeel vrouwen varieert in 2001 van 49% tot 52%. Ten opzichte van 1990 is hierin nauwelijks iets veranderd. Leeftijd Wat de leeftijdsopbouw van de Nederlandse bevolking betreft, kan gesteld worden dat hier in de periode 1990-2001 eveneens weinig in veranderd is (zie bijlage 2). Terwijl het percentage 0-24 jarigen met 3,7% is afgenomen, zien we een relatieve toename van het aantal 25-64 jarigen en 65-plussers (respectievelijk 2,8% en 0,8%). In 2001 behoort ruim de helft (55,9%) van de bevolking tot de groep 25-64 jarigen. Iets minder dan een derde is jonger dan 25 jaar en 13,6% is 65 jaar of ouder. De afzonderlijke huisartsendistricten 14 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

blijken niet bijzonder veel van het landelijk gemiddelde af te wijken. In de meeste gevallen gaat het om plus of min 3%. Vanwege hun grotere mate van zorggebruik (zie paragraaf 3.1.2) is het aandeel 65-plussers in kaart gebracht (zie figuur 3.1). Uit de figuur valt op te maken dat de algehele demografische druk in de periode 1990-2001 is toegenomen; de meeste huisartsendistricten zijn een klasse naar boven opgeschoven. De grootste toename in het aandeel 65-plussers heeft zich in DHV Drenthe en Zuidoost Brabant voorgedaan. Het zijn DHV Zeeland en DHV Drenthe waar het aandeel 65-plussers in 2001 het grootst is. Opvallend feit is verder dat het relatief aantal 65-plussers in DHV Amsterdam en Den Haag e.o. ten opzichte van 1990 is afgenomen. Figuur 3.1: Percentage 65-plussers per DHV in 1990 en 2001 Percentage 65-plussers per DHV >= 15,5 14,0-15,5 12,5-14,0 11,0-12,5 < 11,0 1990 2001 NIVEL, 2003 Bron: Bewerking CBS-gegevens. Etniciteit Het aandeel allochtonen is in Nederland in de periode 1990-2001 met 4,4% toegenomen (zie bijlage 2). In 2001 is in totaal 17,7% van de Nederlandse bevolking allochtoon. Het aandeel niet-westerse allochtonen is iets groter dan het aandeel westerse allochtonen en bedraagt 9%. Uitgesplitst naar huisartsendistrict blijkt dat DHV Amsterdam relatief de meeste nietwesterse allochtonen telt. Dit geldt zowel voor 1990 als voor 2001. In 2001 bedraagt het aandeel niet-westerse allochtonen in DHV Amsterdam 30,4%. Ook de huisartsendistricten Den Haag e.o. (21,9%) en Rotterdam e.o. (21,1%) worden in beide jaren gekenmerkt door een percentage niet-westerse allochtonen dat aanzienlijk hoger is dan het landelijk gemiddelde. In DHV Drenthe (2,7%) en Friesland (3,3%) is dit aandeel in 2001 het laagst. In figuur 3.2 is het aandeel niet-westerse allochtonen in kaart gebracht. Hieruit blijkt direct het hoge aandeel niet-westerse allochtonen in de huisartsendistricten met de drie Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 15

grootste steden (Amsterdam, Rotterdam en Den Haag). Te zien valt verder hoe het aandeel van deze bevolkingsgroep in een groot aantal huisartsendistricten is toegenomen van minder dan 5% in 1990 tot 5%-10% in 2001. Uitzondering hierop vormen DHV Zeeland, DHV Stedendriehoek, DHV Limburg en de drie noordelijk gelegen huisartsendistricten (Friesland, Groningen en Drenthe). Figuur 3.2: Percentage niet-westerse allochtonen per DHV in 1990 en 2001 Percentage niet-westerse allochtonen per DHV >= 20 15-20 10-15 5-10 < 5 1990 2001 NIVEL, 2003 Bron: Bewerking CBS-gegevens. Verzekeringsvorm Gegevens met betrekking tot het aantal ziekenfondsverzekerden per DHV in 1990 ontbreken. Aangenomen wordt dat het aandeel ziekenfondsverzekerden in 1990 gelijk is aan het aandeel ziekenfondsverzekerden in 2001. Nederland telt in 2001 circa 10.282.800 ziekenfondsverzekerden (CVZ, 2002). Dat komt neer op bijna tweederde (64,3%) van de totale bevolking in 2001 (zie tabel 3.2). Maken we onderscheid naar huisartsendistrict, dan blijkt dat DHV Friesland en DHV Twente in 2001 relatief gezien de meeste ziekenfondsverzekerden tellen (respectievelijk 69,9% en 69,1%). In de huisartsendistricten Westland/Schieland/Delfland, Kennemerland/ Haarlemmermeer en Rijnland & Midden Holland is dat percentage met 56 á 57% het laagst. 16 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

Tabel 3.2: Percentages ziekenfonds- en particulier verzekerden per DHV in 2001 Ziekenfonds Particulier DHV Amsterdam 66,9% 33,1% DHV Kennemerland/Haarlemmermeer 56,7% 43,3% DHV Holland Noord 63,8% 36,2% DHV Den Haag e.o. 61,0% 39,0% DHV Rijnland & Midden Holland 56,9% 43,1% DHV Rotterdam e.o. 64,9% 35,1% DHV Zuid-Holland Zuid 62,7% 37,3% DHV Zeeland 64,6% 35,4% DHV West Brabant 66,1% 33,9% DHV Noord-Brabant Noordoost 67,0% 33,0% DHV Limburg 68,1% 31,9% DHV Utrecht 57,2% 42,8% DHV Gooi/Eemland/Noordwest Veluwe 58,2% 41,8% DHV Groot Gelre 65,3% 34,7% DHV Stedendriehoek 66,7% 33,3% DHV Zwolle/Flevoland 66,1% 33,9% DHV Twente 69,1% 30,9% DHV Drenthe 67,0% 33,0% DHV Friesland 69,9% 30,1% DHV Groningen 67,7% 32,3% DHV Westland/Schieland/Delfland 56,4% 43,6% DHV Midden Brabant 68,7% 31,3% DHV Zuidoost Brabant 65,8% 34,2% Nederland (totaal) 64,3% 35,7% Bron: Bewerking CVZ-gegevens. 3.1.2 Feitelijk gebruik van huisartsenzorg 5 Zoals in hoofdstuk 2 is vermeld, is de gemiddelde contactfrequentie per persoon per jaar aan Van der Velden, e.a. (2003) ontleend. De contactfrequenties worden weergegeven naar combinatie van een viertal achtergrondkenmerken die van invloed zijn op het gebruik van huisartsenzorg, te weten: leeftijd, geslacht, etniciteit en verzekeringsvorm (zie bijlage 1). In deze paragraaf zal van elk van deze achtergrondkenmerken apart worden vermeld wat de invloed op het gebruik van huisartsenzorg is. Daarnaast is nagegaan of de stedelijkheid van gemeenten een zelfstandige invloed op het gebruik van huisartsenzorg uitoefent. 5 De gegevens uit deze paragraaf zijn ontleend aan: Van der Velden e.a., 2003. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 17

Leeftijd Wat de leeftijd betreft, blijkt dat men vaker van huisartsenzorg gebruik maakt naarmate men ouder is (zie figuur 3.3). De groep van 75 en ouder maakt het meeste gebruik van de zorg van de huisarts. Dit hangt samen met gezondheidsproblemen die op die leeftijd een rol (gaan) spelen. Verder zien we dat het huisartsenbezoek ook onder jonge kinderen (0-4 jaar) hoog is. Figuur 3.3: Gemiddeld aantal contacten met de huisarts naar leeftijdsklasse gemiddeld aantal contacten 7 6 5 4 3 2 1 0 0-4 5-14 15-24 25-44 45-64 65-74 75 e.o. Bron: Van der Velden e.a., 2003. Geslacht De gemiddelde jaarlijkse contactfrequentie voor vrouwen is groter dan die voor mannen. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het feit dat vrouwen in hun vruchtbare periode (15-44 jaar) vaker de huisarts bezoeken dan mannen. Daarnaast speelt dat een relatief groter deel van de vrouwen ouder is dan 75 jaar. Gemiddeld bezoekt een vrouw 4,89 keer de huisarts, terwijl een man gemiddeld 3,31 keer per jaar gaat. Verzekeringsvorm De gemiddelde jaarlijkse contactfrequentie voor ziekenfondspatiënten is groter dan die voor particulier verzekerden, namelijk 4,55 contacten per jaar tegenover 3,39 contacten per jaar. Etniciteit Gewogen naar de demografische en sociale samenstelling in 2001, blijkt de autochtone bevolking gemiddeld 4,11 keer per jaar de huisarts te bezoeken. Voor de niet-westerse allochtone bevolking wordt een gemiddeld aantal contacten van 4,72 geschat. Dat het verschil in gemiddelden voor deze twee groepen niet simpelweg 25% is, wordt met name 18 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

veroorzaakt door het verschil in leeftijdsopbouw 6. We veronderstellen dat de westerse allochtonen dezelfde contactfrequentie kennen als het autochtone deel van de bevolking. Urbanisatiegraad De feitelijke contactfrequentie met de huisarts van de autochtone bevolking, ligt in de zeer sterk verstedelijkte gemeenten het hoogst, namelijk 4,46 keer per jaar (zie tabel 3.3). In de niet-verstedelijkte gemeenten ligt deze duidelijk het laagst is: men gaat daar per jaar 3,87 keer naar de huisarts. In de overige gemeenten bezoekt men de huisarts gemiddeld 4,03 dan wel 4,15 keer per jaar. Tabel 3.3: Feitelijke en geschatte aantal huisartscontacten per inwoner naar verstedelijkingsgraad in 1998-2000¹ Relatief Relatief Relatieve Feitelijk t.o.v. totaal Geschat t.o.v. totaal Verschil Zeer sterk verstedelijkt 4,46 108,5% 4,19 101,9% 6,4% Sterk verstedelijkt 4,03 98,1% 4,12 100,2% -2,2% Matig verstedelijkt 4,03 98,1% 4,05 98,5% -0,5% Weinig verstedelijkt 4,15 101,0% 4,12 100,2% 0,7% Niet verstedelijkt 3,87 94,2% 4,08 99,3% -5,1% Totaal 4,11 100,0% 4,11 100,0% 0,0% ¹ Betreft de autochtone bevolking. Bron: Van der Velden e.a., 2003. Als het feitelijke aantal en het geschatte aantal huisartscontacten met elkaar worden vergeleken, dan lijkt er sprake te zijn van een stedelijkheidseffect. Zo wordt op basis van de demografische (leeftijd, geslacht), sociaal-culturele (etniciteit) en sociaal-economische (verzekeringsvorm) samenstelling van de autochtone bevolking in de zeer sterk verstedelijkte gemeenten een lager (4,19) aantal huisartscontacten per persoon geschat dan werkelijk het geval is (4,46). Voor personen in de zeer verstedelijkte gemeenten lijkt het gebruik van huisartsenzorg dus 6,4% hoger te liggen dan op basis van de bevolkingssamenstelling mag worden verwacht. In de niet verstedelijkte gemeenten is sprake van het tegenovergestelde; daar lijkt de gemiddelde contactfrequentie 5,1% onder het niveau te liggen dat op basis van de bevolkingssamenstelling in die gemeenten mag worden verwacht. 6 Voor het gemiddelde aantal contacten naar etniciteit konden Van der Velden e.a. (2003) geen gebruik maken van POLS. De reden hiervoor is dat het aantal allochtone respondenten in de steekproef niet toereikend was voor een gedetailleerde uitsplitsing naar achtergrondkenmerken. Op basis van Weide en Foets (1998) zijn zij daarom uitgegaan van een generieke ophoogfactor van 25% binnen elk van de onderscheiden achtergrondkenmerken ten opzichte van het autochtone deel van de bevolking (en westerse allochtonen). Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 19

3.1.3 Geschat gebruik van huisartsenzorg Aan de hand van de in paragraaf 3.1.2 gepresenteerde contactfrequenties en rekening houdend met de demografische en sociaal-culturele en sociaal-economische ontwikkelingen in de periode 1990-2001 is het aantal huisartscontacten over 1990 en 2001 geschat (zie tabel 3.4). Uit de tabel blijkt dat het totale aantal huisartscontacten is toegenomen van 61.655.000 in 1990 tot 67.683.000 in 2001, ofwel een toename van 9,8%. DHV Groot Gelre, Rotterdam e.o. en Limburg nemen in beide jaren het grootste deel (elk 7 à 8%) van het aantal huisartscontacten voor hun rekening. In de huisartsendistricten Westland/Schieland/Delfland, Midden Brabant en Zeeland is dat aandeel (elk 1 à 2%) het kleinst. Tabel 3.4: Geschat aantal huisartscontacten (x 1.000) per DHV in 1990 en 2001 1990 Aandeel t.o.v. totaal 2001 Aandeel t.o.v. totaal Relatieve toename DHV Amsterdam 3.401 5,5% 3.647 5,4% 7,2% DHV Kennemerland/Haarlemmermeer 2.443 4,0% 2.659 3,9% 8,8% DHV Holland Noord 3.259 5,3% 3.661 5,4% 12,4% DHV Den Haag e.o. 2.971 4,8% 3.082 4,6% 3,7% DHV Rijnland & Midden Holland 2.838 4,6% 3.124 4,6% 10,1% DHV Rotterdam e.o. 4.811 7,8% 5.154 7,6% 7,1% DHV Zuid-Holland Zuid 2.366 3,8% 2.631 3,9% 11,2% DHV Zeeland 1.357 2,2% 1.456 2,2% 7,3% DHV West Brabant 2.495 4,0% 2.767 4,1% 10,9% DHV Noord-Brabant Noordoost 2.143 3,5% 2.416 3,6% 12,7% DHV Limburg 4.407 7,1% 4.698 6,9% 6,6% DHV Utrecht 2.915 4,7% 3.185 4,7% 9,3% DHV Gooi/Eemland/Noordwest Veluwe 2.732 4,4% 3.000 4,4% 9,8% DHV Groot Gelre 5.021 8,1% 5.597 8,3% 11,5% DHV Stedendriehoek 2.461 4,0% 2.639 3,9% 7,2% DHV Zwolle/Flevoland 2.286 3,7% 2.934 4,3% 28,3% DHV Twente 2.103 3,4% 2.261 3,3% 7,5% DHV Drenthe 2.090 3,4% 2.312 3,4% 10,6% DHV Friesland 2.398 3,9% 2.585 3,8% 7,8% DHV Groningen 2.234 3,6% 2.333 3,4% 4,4% DHV Westland/Schieland/Delfland 861 1,4% 986 1,5% 14,5% DHV Midden Brabant 1.386 2,2% 1.567 2,3% 13,1% DHV Zuidoost Brabant 2.677 4,3% 2.989 4,4% 11,7% Totaal 61.655 100,0% 67.683 100,0% 9,8% Bron: CBS-gegevens. 20 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

In figuur 3.4 is de relatieve toename van het aantal huisartscontacten nog eens in kaart gebracht. Uit de figuur blijkt dat het aantal huisartscontacten in DHV Westland/Schieland/ Delfland en Midden Brabant het sterkst is toegenomen. Hetzelfde geldt voor DHV Zwolle/Flevoland. Van de drie huisartsendistricten met het grootst aantal huisartscontacten laat alleen DHV Groot Gelre een sterke toename zien. Tot slot zien we dat in DHV Groningen en Den Haag e.o. de toename het kleinst is geweest. Figuur 3.4: Relatieve toename geschatte aantal huisartscontacten per DHV in de periode 1990-2001 Relatieve toename geschatte aantal huisartscontacten per DHV, 1990-2001 10,0-12,5 >= 12,5 7,5-10,0 5,0-7,5 < 5,0 NIVEL, 2003 Bron: Bewerking CBS-gegevens. Op basis van het totaal aantal huisartscontacten en het aantal inwoners is per DHV het gemiddeld aantal huisartscontacten per jaar per inwoner berekend (zie tabel 3.5). Het gemiddeld aantal contacten tussen 1990 en 2001 is toegenomen van 4,2 tot 4,3, ofwel een toename van 2,3%. Wat de afzonderlijke huisartsendistricten betreft, valt af te leiden dat de onderlinge verschillen niet groot zijn. In de huisartsendistricten Amsterdam, Den Haag e.o. en Rotterdam e.o. is de gemiddelde contactfrequentie met 4,5 tot 4,7 contacten het hoogst. Het zijn DHV Holland Noord en DHV Zuidoost Brabant die tussen 1990 en 2001 relatief gezien de grootste toename van de gemiddelde contactfrequentie hebben doorgemaakt (beide 3,3%). In DHV Amsterdam is deze toename het kleinst, namelijk 0,8%. Desalniettemin ligt het gebruik van huisartsenzorg in DHV Amsterdam met 4,7 huisartscontacten per inwoner per jaar nog altijd bijna 10% hoger dan het landelijk gemiddelde. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 21

Tabel 3.5: Geschatte gemiddelde contactfrequentie per DHV in 1990 en 2001 Relatief Relatief Relatieve 1990 t.o.v. totaal 2001 t.o.v. totaal toename DHV Amsterdam 4,7 111,6% 4,7 109,9% 0,8% DHV Kennemerland/Haarlemmermeer 4,1 98,8% 4,2 97,8% 1,4% DHV Holland Noord 3,9 93,9% 4,1 94,8% 3,3% DHV Den Haag e.o. 4,6 108,5% 4,6 106,9% 0,9% DHV Rijnland & Midden Holland 4,0 94,5% 4,1 94,6% 2,5% DHV Rotterdam e.o. 4,4 105,8% 4,5 105,2% 1,8% DHV Zuid-Holland Zuid 4,0 94,5% 4,1 94,7% 2,6% DHV Zeeland 4,1 96,5% 4,1 96,4% 2,3% DHV West Brabant 4,1 97,1% 4,2 97,5% 2,8% DHV Noord-Brabant Noordoost 4,1 96,4% 4,2 97,2% 3,1% DHV Limburg 4,1 97,1% 4,2 97,7% 3,0% DHV Utrecht 4,2 99,1% 4,2 98,6% 1,8% DHV Gooi/Eemland/Noordwest Veluwe 4,1 96,9% 4,2 96,6% 2,0% DHV Groot Gelre 4,1 96,8% 4,2 96,9% 2,4% DHV Stedendriehoek 4,1 98,6% 4,2 98,5% 2,4% DHV Zwolle/Flevoland 4,0 95,3% 4,1 95,2% 2,2% DHV Twente 4,1 97,3% 4,2 97,6% 2,8% DHV Drenthe 4,1 97,4% 4,2 97,8% 2,8% DHV Friesland 4,0 95,3% 4,1 95,3% 2,4% DHV Groningen 4,2 99,3% 4,3 99,0% 2,1% DHV Westland/Schieland/Delfland 4,0 96,4% 4,1 96,1% 2,1% DHV Midden Brabant 4,0 96,0% 4,2 96,6% 3,0% DHV Zuidoost Brabant 4,1 96,5% 4,2 97,3% 3,3% Totaal 4,2 100,0% 4,3 100,0% 2,3% Bron: Bewerking CBS-gegevens. 3.2 Aanbod van huisartsenzorg Aantal werkzame huisartsen Het aantal werkzame huisartsen in 1990 bedroeg 6.801. In de periode tot 2001 is dit aantal toegenomen tot 7.801, ofwel een toename van 14,7% (zie tabel 3.6). Wanneer de groei van het aantal werkzame huisartsen op het niveau van de afzonderlijke huisartsendistricten wordt bekeken, blijkt dat het aantal werkzame huisartsen niet overal in gelijke mate is toegenomen. DHV Zwolle/Flevoland kent verreweg de grootste groei (40,1%) gevolgd door DHV Westland/Schieland/Delfland en DHV Utrecht (respectievelijk 24,4% en 24,1%). In DHV Zeeland en DHV Amsterdam was de groei het kleinst (respectievelijk 3,2% en 4,6%). 22 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

Tabel 3.6: Totaal aantal werkzame huisartsen per DHV in 1990 en 2001 Aandeel Aandeel Relatieve 1990 t.o.v. totaal 2001 t.o.v. totaal toename DHV Amsterdam 414 6,1% 433 5,6% 4,6% DHV Kennemerland/Haarlemmermeer 262 3,9% 303 3,9% 15,6% DHV Holland Noord 381 5,6% 448 5,7% 17,6% DHV Den Haag e.o. 304 4,5% 326 4,2% 7,2% DHV Rijnland & Midden Holland 314 4,6% 378 4,8% 20,4% DHV Rotterdam e.o. 501 7,4% 549 7,0% 9,6% DHV Zuid-Holland Zuid 260 3,8% 296 3,8% 13,8% DHV Zeeland 158 2,3% 163 2,1% 3,2% DHV West Brabant 271 4,0% 301 3,9% 11,1% DHV Noord-Brabant Noordoost 227 3,3% 275 3,5% 21,1% DHV Limburg 488 7,2% 540 6,9% 10,7% DHV Utrecht 336 4,9% 417 5,3% 24,1% DHV Gooi/Eemland/Noordwest Veluwe 307 4,5% 365 4,7% 18,9% DHV Groot Gelre 568 8,4% 664 8,5% 16,9% DHV Stedendriehoek 263 3,9% 294 3,8% 11,8% DHV Zwolle/Flevoland 252 3,7% 353 4,5% 40,1% DHV Twente 218 3,2% 240 3,1% 10,1% DHV Drenthe 233 3,4% 283 3,6% 21,5% DHV Friesland 277 4,1% 316 4,1% 14,1% DHV Groningen 248 3,6% 262 3,4% 5,6% DHV Westland/Schieland/Delfland 86 1,3% 107 1,4% 24,4% DHV Midden Brabant 147 2,2% 160 2,1% 8,8% DHV Zuidoost Brabant 286 4,2% 328 4,2% 14,7% Totaal 6.801 100,0% 7.801 100,0% 14,7% Het is van belang om naast de ontwikkeling van het aantal werkzame huisartsen tevens die van het aantal FTE huisarts in beschouwing te nemen. Immers, niet elke huisarts werkt full-time en dus betekent een toename van het aantal huisartsen niet automatisch een toename van het huisartsenaanbod. In figuur 3.5 is de relatieve toename van het FTE huisarts in kaart gebracht (zie tabel B3.2 in bijlage 3 voor de bijbehorende cijfers). Te zien valt dat de huisartsendistricten Drenthe, Zwolle/Flevoland, Utrecht en Westland/Schieland/Delfland de grootste groei hebben doorgemaakt. In DHV Zeeland en Amsterdam was daarentegen sprake van een kleine afname van het aantal FTE huisarts (ondanks een geringe relatieve toename van het aantal werkzame huisartsen). Voor heel Nederland is het aantal FTE van huisartsen overigens met 9,4% toegenomen, bij een toename van 14,7% in het aantal personen. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 23

Figuur 3.5: Relatieve toename van het aantal FTE huisarts per DHV in de periode 1990-2001 Relatieve toename aantal FTE huisarts per DHV, 1990-2001 >= 20 15-20 10-15 5-10 < 5,0-1,1-0 (afname) NIVEL, 2003 Geslacht Het aantal vrouwelijke huisartsen in Nederland is in de periode 1990-2001 ruimschoots verdubbeld (zie tabel 3.7). Van alle huisartsendistricten kent DHV Noord-Brabant Noordoost verreweg de grootste toename van het aantal vrouwelijke huisartsen. Het aantal vrouwelijke huisartsen is daar meer dan verdriedubbeld (263%). Op enige afstand volgen DHV Zwolle/Flevoland en Drenthe met een groei van respectievelijk 176,5% en 172,0%. In DHV Den Haag e.o. (47,7%) en Groningen (55,9%) was de toename het kleinst. 24 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

Tabel 3.7: Aantal huisartsen naar geslacht per DHV in 1990 en 2001 1990 2001 Relatieve toename aantal man vrouw man vrouw vrouwen DHV Amsterdam 318 96 273 160 66,7% DHV Kennemerland/Haarlemmermeer 229 33 224 79 139,4% DHV Holland Noord 314 67 322 126 88,1% DHV Den Haag e.o. 239 65 230 96 47,7% DHV Rijnland & Midden Holland 252 62 253 125 101,6% DHV Rotterdam e.o. 411 90 394 155 72,2% DHV Zuid-Holland Zuid 222 38 217 79 107,9% DHV Zeeland 141 17 133 30 76,5% DHV West Brabant 244 27 243 58 114,8% DHV Noord-Brabant Noordoost 208 19 206 69 263,2% DHV Limburg 438 50 433 107 114,0% DHV Utrecht 267 69 256 161 133,3% DHV Gooi/Eemland/Noordwest Veluwe 249 58 244 121 108,6% DHV Groot Gelre 491 77 491 173 124,7% DHV Stedendriehoek 229 34 221 73 114,7% DHV Zwolle/Flevoland 218 34 259 94 176,5% DHV Twente 197 21 189 51 142,9% DHV Drenthe 208 25 215 68 172,0% DHV Friesland 242 35 247 69 97,1% DHV Groningen 214 34 209 53 55,9% DHV Westland/Schieland/Delfland 65 21 67 40 90,5% DHV Midden Brabant 133 14 130 30 114,3% DHV Zuidoost Brabant 251 35 244 84 140,0% Totaal 5.780 1.021 5.700 2.101 105,8% Brengen we het percentage vrouwelijke huisartsen nog eens in beeld dan blijkt allereerst de algehele toename van het aandeel vrouwelijke huisartsen (zie figuur 3.6) In 1990 bedroeg het percentage vrouwelijke huisartsen per DHV niet meer dan 25% (in de meeste gevallen zelfs niet meer dan 17,5%). In 2001is dit beeld aanzienlijk verandert. De beroepsgroep huisartsen bestaat dan in 14 van de 23 huisartsendistricten voor meer dan een kwart uit vrouwen. In DHV Utrecht, Westland/Schieland/Delfland en Amsterdam worden de hoogste percentages vrouwelijke huisartsen gemeten, namelijk 37 á 38%. In de huisartsendistricten Zeeland, West Brabant en Midden Brabant zijn deze het laagst (18 á 19%). Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 25

Figuur 3.6: Percentage vrouwelijke huisartsen per DHV in 1990 en 2001 Percentage vrouwelijke huisartsen per DHV >= 32,5 25,0-32,5 17,5-25,0 10,0-17,5 < 10,0 1990 2001 NIVEL, 2003 Leeftijd Wanneer de leeftijdsopbouw van huisartsen in 1990 met die in 2001 wordt vergeleken, valt direct op dat de beroepsgroep aan het verouderen is. Was het aandeel huisartsen van 50 jaar en ouder in 1990 nog 21,2%, in 2001 geldt dit voor bijna 33,9% van de huisartsen (zie bijlage 3). Tegelijkertijd is het aandeel huisartsen jonger dan 40 jaar afgenomen van 40,6% in 1990 tot 21,1% in 2001. Dit beeld komt ook terug in figuur 3.7. Te zien valt dat het aandeel huisartsen van 50 jaar en ouder in 1990 alleen in DHV Stedendriehoek en West Brabant groter was dan 25%, terwijl in 7 van de 23 huisartsendistricten nog geen 20% van alle huisartsen tot deze leeftijdsgroep behoorde. In 2001 daarentegen is het aandeel huisartsen van 50 jaar en ouder in alle huisartsendistricten (met uitzondering van DHV Westland/Schieland/Delfland) minimaal 25%, doch in de meeste gevallen zelfs 30% of hoger. DHV Groningen (42%) en Midden Brabant (40%) spannen wat dat betreft de kroon. In DHV Westland/Schieland/ Delfland treffen we het laagste percentage aan (23%). 26 Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003

Figuur 3.7: Percentage huisartsen van 50 jaar en ouder per DHV in 1990 en 2001 Percentage huisartsen van 50 jaar en ouder per DHV >= 35 30-35 25-30 20-25 < 20 1990 2001 NIVEL, 2003 Het percentage huisartsen van 50 jaar en ouder is van belang aangezien een groot deel van hen binnen 10 jaar mogelijk de beroepsgroep zal verlaten (o.a. pensioen) 7. Deze vrijgekomen plaatsen zullen weer opgevuld moeten worden. Uit figuur 3.6 wordt duidelijk welke huisartsendistricten binnen nu en 10 jaar te maken gaan krijgen met een uitstroom van een groot deel van hun huisartsen. Naast de eerder genoemde huisartsendistricten zien we dat het percentage huisartsen van 50 jaar en ouder in de DHV Holland Noord, DHV Amsterdam, DHV Kennemerland/Haarlemmermeer, DHV West Brabant, DHV Groot Gelre, DHV Stedendriehoek en DHV Friesland eveneens hoger is dan het landelijk gemiddelde, zodat ook daar een grotere uitstroom verwacht mag worden. Wordt dit gegeven vergeleken met de voorkeur van praktijkzoekende huisartsen voor de provincie waar zij zich zouden willen vestigen, dan blijkt dat er onder hen niet veel animo is om zich in de provincie Friesland of Groningen te vestigen (slechts 1,0% en 1,5%). Zo n 13% van de praktijkzoekenden wil zich daarentegen in de provincie Noord-Holland vestigen. Gelderland en Noord-Brabant kunnen op de voorkeur van respectievelijk 10% en 6% van de praktijkzoekende huisartsen rekenen 8. Praktijkvorm Een andere trend naast de vergrijzing die binnen de beroepsgroep huisartsen een rol speelt is de afname van het relatief aantal huisartsen dat in een solopraktijk werkt en de toename van het aandeel in een groepspraktijk werkzame huisartsen. Bedroeg het percentage solowerkende huisartsen in 1990 nog 39,4%, in 2001 is hun aandeel afgenomen tot 34,7% (zie tabel 3.8). Het relatief aandeel huisartsen in een groepspraktijk is in de periode 1990-2001 daarentegen met bijna 7% toegenomen tot 29,7%. 7 8 De gemiddelde leeftijd van alle huisartsen die (ongeacht de reden) in 2001 de beroepsgroep verlieten, bedroeg 52,7 jaar. Gegevens zijn gebaseerd op de voorkeuren van huisartsen die in 2001 naar een praktijk op zoek waren. Vraag- en aanbodontwikkelingen in de huisartsenzorg in de 23 Districts Huisartsen Verenigingen, NIVEL 2003 27