begrijpend lezen werkboek

Vergelijkbare documenten
ALFA A ANTWOORDEN STER IN LEZEN

NAAM: Instructies in de klas Voer de opdrachten uit. 1. Zet een kruisje op de olifant. 2. Kleur het haar van de juf bruin.

z ó leuk is lezen! taart van juf jet Anneke Scholtens en Pauline Oud Zwijsen

Help, mijn papa en mama gaan scheiden!

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

De leessleutel Begrijpend luisteren-lezen thema 1 verhaal 1 groep 3. Thema 1 Verhaal 1 bladzijde 2 t/m 5 van het leesboek

Marloes. een handdoek. 2.1 Met Ron naar school. naam: Kijk en vul in: groep: 1 De rat van Ron is nog wild. tam. Wie - wat waar

De leessleutel Begrijpend luisteren-lezen thema 5 verhaal 1 groep 3. Thema 5 Verhaal 1 bladzijde 2 t/m 5 van het leesboek

Raar, maar waar! deel 1. groep 3 en 4

1. Joris. Voor haar huis remt Roos. Ik ben er. De gordijnen beneden zijn weer dicht.

inhoud 1. er kan nu friet door hijs het zeil! piet snot ben jij nou een boef! je bent een held!...

Appeltje en Eitje Een postpakket uit Spanje

Thema dieren. Deze werkbundel is van:

Stil blijft Lisa bij de deur staan. Ook de man staat stil. Ze kijken elkaar aan.

R O S A D E D I E F. Arco Struik. Rosa de dief Arco Struik 1

B I N G O. Autobingo. zomer. 2. Gele auto. Slapend iemand. Rivier Brommer Rode auto Trein Zee. Zelfde auto als die van jullie

Soms ben ik eens boos, en soms wel eens verdrietig, af en toe eens bang, en heel vaak ook wel blij.

ze terug in de la. Dan haalt ze de pannen van het fornuis en zet ze op de onderzetters. Thomas vouwt zijn handen en doet zijn ogen dicht.

joep is op jet Nicolle van den Hurk Zwijsen

Ik schrijf op wat ik hoor.

Lotte is er erg blij mee. Ik wilde altijd al een huisdier voor mezelf, zegt ze tegen opa. En nu heb ik er opeens een heleboel.

LILLIE LOLLIE IN DE SNOEPJES TOVERTUIN Geschreven en geïllustreerd door PetraLouise Muris.

Schoolreis met zwaailicht

De leessleutel Begrijpend lezen thema 9 verhaal 1 groep 3. Thema 9 Verhaal 1 bladzijde 2 t/m 5 van het leesboek

Groep 4. Beoordelingstoets begrijpend lezen. Toets 1 (na thema 2) 2. Dit is een verhaaltje, maar de zinnen staan door elkaar. Zoek de eerste zin.

Werkblad Naut Thema 2: Planten en dieren

Storm in het bos. Storm in het bos. Isabel Versteeg Storm in het bos

Melkweg. Hoe gaat het? Lezen Alfa A. De dokter

Hallo Waterkrant lezers, Welkom bij het tweede deel van De Waterkrant!

KRUISWOORDRAADSEL 1: WILDE DIEREN

Educatief materiaal bij de voorstelling Buurman en Buurvrouw, groep 1 en 2

Oefentoets 1 - Leesvaardigheid A1

Miauw! Miauw!

inhoud 8. Hoor, wie klopt daar? Slaap kindje, slaap O, denneboom Een knalfeest 13 Filmpjes 14 Werkblad 16 Puzzel 17

De Weier Vissedijk 35c 7602 CP Almelo

LES 3 Ik leer Nederlands. TESTEN TEST 1

Lente. Zomer. Winter. Herfst. Winter

H E T R I J M T TED VAN LIESHOUT V E E L V E R S J E S & L I E D J E S LEOPOLD / AMSTERDAM

Adam geeft de dieren namen

Een. hoort erbij! Over dieren uit een ei. groepen 3-5

Charles den Tex VERDWIJNING

Zoek de 10 woorden die beginnen met de letter: b

Lezer Game. Gemaakt door Drika Pepping-Poot

Dit is het lenteboekje van:

THEMA LENTE Auditieve oefeningen

reeks 1 leesboek 1 Leesteksten bij Leesboekje 7/43-1 1

Werkblad: Gedrag van honden

De Weier Vissedijk 35c 7602 CP Almelo

Veertien leesteksten. Leesvaardigheid A1. Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek. Ad Appel

Hond. in s he van t Wolf. hui. Sylvia Vanden Heede. Met illustraties van Marije Tolman

vieren een verjaardag

Samenlezen: leuk en leerzaam tegelijk!

Raar, maar waar! Natuur Na

KIND TOCH! Een bad op straat

Lezer: 2 Woeste Willem is een echte brombeer. Hij houdt niet van gezelschap. Iedereen die maar in de buurt van zijn huis komt, jaagt hij weg.

Grammatica Woordbenoemen 2. Werkboek Geschikt voor de groepen 5 en 6

De Boomhut Module muziek groep 3-4

HEIDI WALLEGHEM Met illustraties van Geert Vervaeke. Mijn eerste groeiboek: ik lees het zelf! In de zoo

Melkweg. Waar woon je? Lezen Alfa A. Het huis

HANDIG HONDEN ONTMOETEN

Eva geeft geen antwoord. Ze leest samen met Lieke in het kookboek. Nu moet er suiker en boter bij, zegt Lieke. En een snufje

1b nr. 1 Wie of wat?

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, jongens en meisjes,

Introductie: Brom en Bram

Schoolkrant. OBS De Tweesprong. Thema: Poëzie Zinderverzinzin

ei voor de Gravin Tanneke Wigersma met illustraties van Linde Faas


DE WOLF. Huilend roofdier

HANDIG SPELEN MET EEN HOND

inhoud blz. 1. Soorten 3 2. Zo herken je een insect 4 3. Insecten en hun jong 6 4. Vijanden Meer insecten Filmpjes 15 Pluskaarten 16

Rivka voelt tranen in haar ogen. Vader aait over haar wang. Hij zegt: Veel plezier, prinsesje. Vergeet je nooit wie je bent? Dan draait vader zich

Ga daar dan staan. Hou je meer van geel, dan kies je de kant van de muur. Ga daar dan staan.

Een van de agenten komt naar hem toe. Nou, het is me het dagje wel, zegt hij. Nu zijn er toch rellen in de stad.

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Doelen van de lessen. Januari C.D. 4

Melkweg. Een ander huis. Lezen Alfa A. Verhuizen

7.5 Script en plaatjes post-test

Het nachtmerrieneefje Niet bijten, Dolfje! Dolfjes dolle vollemaannacht. Dolfje Weerwolfje. Voor ipad en iphone

Spel 0 Adam woont in het paradijs. God praat elke dag met Adam. Hij mag alle dieren een naam geven. Wij gaan Adam helpen.

LES 1: NAAR SCHOOL 8 1 Naar Amsterdam 8 2 Het elfje 12 3 Telefoon op school 16 4 Pesten 21 Extra 26

HET JUNGLEBOEK Drie verhalen over Mowgli. Rudyard Kipling. in makkelijke taal

Nachtvlinders. Glasvleugelpijlstaart. De sint-jansvlinder is een dagactieve nachtvlinder

Duikelaartje de Dolfijn

Wat? Ambers mond valt open. Krijg ik dertigduizend euro? De notaris knikt. Dat klopt. Gefeliciteerd. Liz weet ook niet wat ze hoort.

- je kan me wat - module 4. docere delectare movere

De man uit Australië heeft dikke pech. Hij vertelt het zelf aan jou.

hier is pier voor eerste lezers

Voordat je de toets maakt

Ria Massy. De taart van Tamid

Melkweg. Wat eet u? Lezen Alfa A. Gezond eten

De boekenbeer Module dans groep 1-2

Beertje Anders. Lief zijn voor elkaar. Afspraak 2

Mijn naam is:! Mijn Pietennaam is:

Het is woensdagmiddag. Hij heeft alle tijd. Wat zal hij

Vragen bij het prentenboek 'De tovenaar die vergat te toveren'

Van eitje tot vlinder

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

,:,- ::s (\') ., - n. -==-. (\) ==} (\) (\) (ih. (\) (h. b,. (\)

CREATIEF. Denksleutels Minka Dumont

Transcriptie:

begrijpend lezen werkboek naam: groep:

rik viert feest. hij is nu zes jaar. de bel gaat. rik rent naar de deur. wie is daar? roept rik. ik ben het, zegt een stem. rik hoort het al. het is opa. dag opa, zegt rik. het is feest, zegt opa. ik heb een pak voor jou. een pak met een strik. opa geeft rik het pak. er zit iets in. het is een bal. een bal voor rik. opa krijgt taart. rik speelt met de bal. het is feest. 1. hoe oud is rik? 2. wat zit er in het pak? 3. wie geeft het pak aan rik? 4. het feest op

rik gaat naar zee. hij neemt een net mee. rik wil een vis. een vis in het net. het net gaat in de zee. o jee, het net zit vast. het zit vast aan een steen. rik trekt en trekt. daar komt het net. maar het net is stuk. er zit een gat in het net. rik huilt, hij is boos. boos op de steen. daar komt mam. mam geeft rik een kus. ze pakt de tas. mam pakt iets uit de tas. wat ziet rik? een groot net. een net voor de vis. het net gaat in de zee. rik is blij. 1. op wat is rik boos? 2. wat pakt mam uit de tas? 3. wat wil rik uit de zee? 4. de zee op

lot wil een jurk. een jurk met een bloem. lot gaat naar mam. mam gaat naar de kast. ze pakt een jurk. de jurk is rood. maar geen bloem. mam pakt nog een jurk. de jurk is groen. en er is een bloem. de bloem is wit. lot doet de jurk aan. nu is lot mooi! 1. wat wil lot? 2. wat is de kleur van de bloem? 3. waar pakt mam de jurk? 4. de jurk op

een man loopt op de straat. hij eet ijs. het ijs is koud. de man likt aan het ijs. hij heeft geen haar, de man is kaal. Er komt iets op zijn hoofd: flats. en iets op zijn ijs: flets. het is poep. poep van een mus. de man is boos. hij roept naar de mus: ga weg mus! de man gooit het ijs weg. hij loopt op de stoep. zonder ijs, maar met poep, poep op zijn hoofd. 1. wat heeft de man op zijn hoofd? 2. van wie is de poep? 3. wat eet de man? 4. de man met poep op zijn hoofd op

lot fietst op straat. lot is blij. de fiets is fijn. lot valt van de fiets. ze ligt op de grond. lot heeft pijn, pijn aan haar pols. lot huilt hard en gaat naar mam. mam kijkt naar de pols. dat gaat niet goed, zegt mam. wij gaan naar de arts. de arts kijkt goed naar de pols. de pols heeft een breuk, zegt de arts. de arm van lot krijgt gips. lot huilt niet meer. het gips is rood! lot heeft nog wel pijn. pijn aan haar arm. lot ligt thuis op de bank. ze krijgt snoep. snoep tegen de pijn. 1. de kleur van het gips is 2. wat heeft de pols van lot? 3. wat krijgt lot? 4. lot met het gips op

dino stip loopt. hij zet een stap en nog een stap. zijn stap dreunt op de grond. de steen trilt. het trilt door de stap van stip. de steen trilt, bij de poot van stip. stip valt door de steen. hij valt op zijn bips. zijn bips doet zeer. stip staat op. stip aait zijn bips. hij loopt nu zacht. zacht op de grond. de steen trilt niet meer. 1. wat trilt door de stap van stip? 2. wat aait stip? 3. waar loopt stip zacht? 4. dino stip op

rik is al vroeg op school. hij heeft zin in de dag. rik krijgt sport, voet-bal, korf-bal, een tik-spel en nog meer. rik zoekt lot. lot zit met hem in de groep. lot is nog niet op school. daar komt de juf. lot is ziek, zegt de juf. rik vindt het niet leuk. maar de juf weet iets. rik mag nu met jip. met jip op de wip. rik vindt de dag heel leuk. 1. wie is ziek? 2. met wie mag rik op de wip? 3. wat voor sport doet rik die dag? 4. jip en rik op de wip op

rik loopt in de tuin. de zon schijnt. het is warm. rik loopt op het gras. het gras is fel groen. rik ziet een bloem. de bloem is paars. hij vindt de bloem mooi. rik plukt de bloem. voor wie is de bloem? de bloem is voor mam. rik geeft de bloem aan mam. mam vindt de bloem ook mooi. ze geeft rik een kus. mam zet de bloem in de vaas. de vaas staat op de kast. met de bloem. rik vindt het mooi. 1. waar loopt rik? 2. voor wie is de bloem? 3. waar staat de bloem? 4. mam en de bloem op

tim en de bij tim loopt op straat. hij ziet een bloem. de bloem is mooi. de bloem is geel. tim plukt de bloem. er zit een bij op de bloem. tim ziet de bij niet. hij ruikt aan de bloem. de bij prikt. hij prikt in de neus van tim. tim huilt. dat doet pijn! tim rent naar huis. snel doet hij er ijs op. ijs op zijn neus. dat helpt. tim heeft geen pijn meer. hij zet de bloem in een vaas. dat staat mooi! 1. waar loopt tim? 2. wat ziet tim? 3. waar prikt de bij? 4. tim en de bij op

de bij de bij is bruin met zwart. een bij heeft haar op zijn lijf. hij prikt en steekt als hij bang is. hij steekt maar een keer. de bij eet van een bloem. hij eet het stuif-meel op. daar maakt hij iets zoets van. de bij maakt ho-ning. een bij legt een ei. daar komt een larf uit. de larf wordt eerst een pop. uit de pop komt een bij. 1. de bij is bruin met? 2. hoe vaak steekt een bij? 3. wat eet de bij? 4. de bij op

de hond de hond lijkt op de wolf hij kan zwart, bruin of wit zijn het is een huis-dier soms gaat de hond mee op jacht of hij is hulp-hond de hond ziet kleur maar niet zo veel als de mens zijn neus werkt heel goed hij ruikt zijn baas al van ver de hond eet graag vlees maar soms ook een plant 1. waar lijkt de hond op? 2. wat kan de hond zijn? 3. wie eet de hond graag? 4. de hond op

de haai de haai is een soort vis. hij is zwart, blauw, grijs of wit. de neus van de haai is heel goed. hij ruikt zijn prooi van ver. de haai eet vis, zeehond en dolfijn. hij eet geen mens. de tand van een haai is heel scherp. hij heeft er heel veel. de haai legt een ei. in het ei zit het jong van de haai. de haai is al heel oud. hij was er al in de tijd van de dino s. 1. wat ruikt de haai van ver? 2. wat legt de haai? 3. wie eet de haai? 4. de haai op

de mier de mier is zwart of bruin. ze is heel sterk. de mier tilt 50 keer zich zelf op. de mier draagt een blad op zijn rug. een blad voor haar nest. in het nest legt de mier een ei. in het ei zit haar jong. de mier werkt hard. ze werkt hard voor wat ze eet. en ze werkt hard voor haar jong. 1. wat draagt de mier? 2. wat legt de mier in het nest? 3. wie tilt de mier? 4. de mier