De CRYPTE on de St.-PETRUSKERK. In de nacht van 19/20 oktober 1944 hoorde Pater Redemptus Mulder die in de kelder onder de keuken van het klooster de nacht door bracht, een klap? Hij durfde niet gaan te kijken en wachten tot het licht werd. Hij kwam buiten en zag dat de kerk weg was. De toren was geheel verwoest, alleen de zijbeuken van de kerk stonden er nog? Het puin lag meters hoog in de Steenstraat, maar de meesten huizen hadden niet veel schaden. Het puin werd door boxmerenaren opgeruimd, daar werd de Rijkevoorseweg mee hard gemaakt. De pastoor,(dr.athanasius van Rijkswijck) vroeg toestemming om een nieuwe kerk te bouwen, maar kreeg toestemming om een nieuwe toren te bouwen, die brief legde hij in de la? En dit net of hij nog geen bericht had gekregen? Hij liet ook de zijbeuken afbreken. In 1948 kreeg Architect H.W. VALK uit Den Bosch opdracht tot het maken van plannen voor de bouw van een nieuwe parochiekerk te
Boxmeer. Dit ter vervanging van de oude kerk die door oorlogshandelingen in 1944 voor een groot gedeelte werd verwoest. Men dacht omdat Dr. Antonius Wilhelmus Peelen, die van 1628 tot 1667 pastoor was van de Boxmeerse parochie, heeft verschillende geschiedkundige geschriften nagelaten die van groot belang zijn voor de historie van Boxmeer. Peelen schrijft dat de oude fundamenten van vroegere kerken onder de vloer van het toenmalige kerkgebouw lagen. Architect van de Valk ging zich ook verdiepen in de historische bijzonderheden aangaande de Boxmeerse kerk. Hij schreef in
1948: Ten einde zekerheid te hebben aangaande al deze historische bijzonderheden hebben wij de rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek voor haat rekening te willen nemen. Er is alle reden aan te nemen, dat ook hier bevestigd wordt wat de beschreven documenten vermelden. I september 1948 werd begonnen met het graven op het terrein waar de oude kerk gestaan had. Dit onder leiding van Dr. P. Glazema. De dagelijkse leiding berustte bij zijn assistent, de heer De Boer. De oude kerk 1920. De eerste proefsleuf bevestigde wat de kroniek van Peelen dienaangaande vermeldde. Al spoedig werden vasten plannen beraamd dat de oudste resten in cryptevorm toegankelijk en dus ook bewaard zouden blijven onder de nieuwe kerk. De Boxmerenaren ontvingen dit bericht met vreugde. Deze plaats van de oude kerk is dierbaar en kostbaar: ja zelfs heilig. Niet in de laatste plaats omdat ook hier in de 15 e eeuw het H.Bloedwonder heeft plaats gehad, maar ook omdat de voorouders tot in verre voorgeslachten er te kerk
gingen, er gedoopt werden, er de kerkelijke sacramenten ontvingen en tenslotte uitgedragen werden ter laatste rustplaats. Weldra konden de mensen zich ter plaatse overtuigen van de glorierijke historie van deze oude kerk op woensdag 6 oktober 1948, toen architect H.W. Valk, namens Drs. Glazema een explicatie gaf over de opgravingen op het terrein van de kerk, verhelderend betoog, waardoor de aanwezigen zich een goed beeld konden vormen over de ontwikkelingen van de Boxmeerse kerk en de verschillende uitbreidingen.
Bij de oudheidkundige opgravingen speelde nog een andere factor waarbij het ging over het wonder van het H.Bloed. Hiermee hebben zich de heer Bernard van Daal, Pater B. Lurvink en Broerder Thiery intens beziggehouden. Hun theorie en ook hun geschriften hierover stemmen allen overeen. Zij gaan in op de mededelingen die de heer Glazema deed in 1948. Enkele fragmenten uit hun studie: Ze schrijfen onder andere: bezien we de beschouwingen van de heer Glazema dan komen we tot de conclusie, dat men vier perioden kan onderscheiden in de ontwikkeling van het vroegere kerkgebouw, zoals het tot 1944 bestaan heeft. Hierbij moet men afzien van de veranderingen aangebracht in het jaar 1885 toen er zijbeuken aangebouwd werden en die welke in de XVIe eeuw het grondplan van de kerk naar de kruisvorm wijzigden. Bleef over het schip en het priesterkoor. Daar komt nog bij de geschiedenis van de toren. Bij het kijken naar die oude fundamenten, ziet men, dat de oudste waren gemaakt van keien en latere van baksteen. Duidelijk word hoe binnen de fundamenten van het schip en priesterkoor, zoals die in 1944 nog bestonden, de oudste keien fundamenten te zien zijn. De vier perioden, waarin Glazema nu de geschiedenis van schip, koor en toren onderscheidt, lijken de volgende te zijn: Eerste periode: zaalkerk, waarin priesterkoor waarschijnlijk door een houten wand van de rest van de kerk was afgescheiden. Geen toren. Tiende eeuw? Materiaal der fundamenten: ijzeroer `broeksteen`tweede periode: aanbouw van een recht gwsloten, versmald priesterkoor. Materiaal der fundamenten: Maaskeien en ijzeroer. Zeer waarschijnlijk bouw van de eerste toren van het zelfde materiaal. Bij deze periode behoort nog de aanbouw van een nog smaler priestekoor, waarvan men de diepte niet kan aangeven, maar wel de breedte. Glazema noemt dit een merkwaardig, zeer boeiend koorcomplex. Derde perioden: uitbreiding van het priesterkoor door de nieuwbouw van
een koor van baksteen. Vierde periode: Nieuwe toren van baksteen uit de vijftiende eeuw. Toen is de oude kerk geheel afgebroken en vervangen door een langgerekt gebouw met veelhoekige koorvorm, Glazema meent, dat deze vierde perioden haar begin heeft in de vijftiende eeuw. Op de lijst van de Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst staat aangegeven vijftiende eeuw. H.W. Valk zegt dat de kerk die de oudere Boxmerenaren gekend hebben, dateerde van omstreeks 1475. Dankbaar aanvaarden wij deze meldedelingen, aldus Lurvink, Thiery en Van Daal. Maar het lijkt hen van belang na te gaan, wat de historicus pastoor Peelen dacht over de ouderdom van de kerk. In zijn `Chronycke`van het jaar 1654 schrijft hij dat in 1380 Heer Huibert van Cuylenborch Ridder, Heer van Boxmeer was. In een nota zegt Peelen `Het schip der kercken tot Boxmer hefft eertijds 12 voeten omtrent smalder geweest als nu is, ende helft korter geweest achter St.Petrus Altaer`Dit blijkt uit de fundamenten, die men in het schip overal onder de vloer kan zien en vervolgens uit de vloer door mij
gezien is, vooral bij het orgel. Zij was nog geheel intakt en lag twee tot drie voet onder de tegenwoordige vloer. Het was een vloer van gebakken tegels. Ten derde blijkt het uit het tegenwoordige schip, dat niet tegelijk met de toren, maar later daar tegenaan gebouwd is, zoals men dat nu nog met eigen ogen kan zien. Omtrent deze tijd schijnt het schip der kerk opgericht en het oude afgebroken. Het bewijs hiervoor is het feit, dat de altaren van de H.Geest, van St.- Barara en van St.-Petrus, die onder het schip staan, voor het eerst omtrent deze tijd gesticht zijn, zoals blijkt uit Stichtingsbrieven.
Nu komt pastoor Peelen tot het vaststellen van de tijd, waarin het wonder van het H.Bloed te Boxmeer gebeurd moet zijn. Het zijn tenslotte gissingen, maar het is de moeite waard er kennis van te nemen. `Nota` Het mirakuleus H.Bloed schijnt tot Boxmer gecommen te sijn omtrent desen tijt. Nu volgen weer de argumenten: ten eersten: Omdat geen enkele brief voor deze tijd er melding van maakt. Ten tweede: omdat de ketterij van Wiclef in Engeland met betrekking tot het Allerheiligste Sacrament des Altaars omstreek deze tijd zich ook in deze streken verpreidde. En zoals God tegen deze ketterij verscheidene wonderen liet gebeugen zo is ook dat hij dit te Boxmeer heeft laten geschieden. Ten derde: Omdat het altaar waarop het wonder heeft plaats gehad niet bekend is, hetgeen er op wijst, dat met de nieuwbouw van de kerk, waar boven over gesproken is. Het oude is afgebroken. Anders zou men zonder enige twijfel het miraculeuze bloed, dat tot nu toe bewaard is in Boxmeer en het altaar op dezelfde plaats kunnen zien. Daarvan leidt men af, dat het bovengenoemde wonder in Boxmeer heeft plaatsgehad voordat het schip de kerk werd afgebroken en een nieuw gebouwd. En wie weet, is het wonder zelf met de toeloop van mensen aanleiding geworden tot het afbreken van de kleine kerk.
De vraag is na dit alles: is de ontwikkeling van de bouw van de kerk, zoals de fundamenten te zien geven, een normale ontwikkeling, of is het een ontwikkeling, die bespoedigd werd door een buitengewone gebeurtenis, zoals het wonder van het H.Bloed en door het samenstromen van volk plotseling een uitbreiding noodzakelijk maakte? Hierboven is gesproken over de verschillende perioden in de bouw van de Boxmeerse parochiekerk. Uit de woorden van Pastoor Peelen, zoals hierboven aangehaald, kan men opmaken, dat hij de vierde periode laat beginnen omstreeks 1380 of in ieder geval voor 1430. In zijn Instructio Super Sanguine Miraculose in Boxmer, wat ook in het archief bij de Camelieten bewaard wordt, spreekt Peelen nog eens over de tijd, waarin het wonder gebeurd moet zijn 1400. Omstreeks het jaar 1400, toen Philips de Stoute, Hertog van Bourgondie, Hertog van Brabant was, had er in de parochiekerk van Boxmeer, die gelegen was in het Diosees van Luik en behoorde tot het Decanaat van Cuijk een groot wonder plaats. Hier volgt het verhaal wat heden nog aan allen bekend is. MH.