BOA Basisbekwaamheid 2018/2019
Inhoud BOA Lesboek Inhoud Geschreven door: Dirk van den Heuvel 3
Colofon Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Samenstellers en uitgever zijn zich volledig bewust van hun taak een zo betrouwbaar mogelijke uitgave te verzorgen. Niettemin kunnen zij geen aansprakelijkheid aanvaarden op onjuistheden die eventueel in deze uitgave voorkomen. De uitgever meent alle rechten van afbeeldingen te bezitten of daar afspraken over te hebben gemaakt. Indien rechthebbenden toch een opmerking hebben, kunnen zij zich tot de uitgever wenden. ISBN 978-94-92242-45-7 Adresgegevens ex:plain Disketteweg 6 Postbus 1230 3800 BE Amersfoort www.explain.nl Juli 2018 4 4
Inhoud Inhoud Algemeen 10 Hoe werkt het? 10 Indeling van de lessen 10 Examen 10 1. Nederlands recht 12 1.1 Het Recht 12 1.2 Normen 13 Godsdienstige normen 13 Zedelijke normen 14 Fatsoensnormen 14 Normen niet toereikend 14 Rechtsnormen 14 1.3 Recht 15 Geschreven recht 15 Privaatrecht 15 Publiekrecht 17 Staatsrecht 17 Strafrecht 17 Materieel strafrecht 17 Formeel strafrecht 18 Inhoud 2. Nederlandse staat 22 2.1 Inleiding 22 2.2 Staat 22 Eenheidsstaat 24 2.3 De Regeringsvorm 24 Monarchie 24 Democratie 25 Rechtsstaat 25 Rechten 27 De Regering 29 Staten-Generaal 29 Kiesrecht 32 2.4 Wetten en algemene maatregelen van bestuur 34 Wetten in formele en materiële zin 34 Totstandkoming van een wet in formele zin 36 Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) 39 5
6 6 2.5 Decentralisatie van bestuur 41 Provincie 41 Gemeente 46 Waterschappen 51 3. Rechterlijke macht 54 3.1 De drie machten van de staat 54 De Rechterlijke macht 57 Absolute competentie 62 Relatieve competentie 76 Openbaar ministerie 78 Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen 89 Procedure in strafzaken 91 Rechter-commissaris (RC) 95 Raadsheer-commissaris 98 Het onderzoek ter terechtzitting 100 4. Politie 114 4.1 De politie 114 Wie behoren tot de politie? 114 Taak en gezag over de politie 119 Politiebevoegdheden 124 Toezicht op de politie 126 De organisatie van de politie 126 Territoriale bevoegdheden van de politie 129 5. Buitengewoon opsporingsambtenaar 132 5.1 De Buitengewoon opsporingsambtenaar 132 Functionele bevoegdheid 132 Aanvullende opsporingsbevoegdheden 138 Besluit BOA (BBOA) 139 Instructie aan BOA 147 Legitimatie BOA 147 Eisen proces-verbaal BOA 150 Aanwijzingen opvolgen 151 Toezicht op BOA s 152 Klachten BOA s 156 Intrekken, vervallen of beëindigen opsporingsbevoegdheid 159 Algemene verordening gegevensbescherming 161 Samenwerking met politie 165 Naar een veiliger samenleving 168 Domeinlijsten 168
Inhoud 6. Burgerlijk recht 182 6.1 Inleiding 182 Identiteitsgegevens 182 Rechtspersonen 187 Vermogensrecht 189 7. Materieel recht 196 7.1 Inleiding 196 Omvang en werking van de Strafwet 199 Strafbaar feit 202 Straffen 208 Strafuitsluitingsgronden 212 Deelneming aan strafbare feiten 223 Uitlokken 226 Daders van rechtspersonen 232 Voltooiing strafbare feit 235 Strafverzwaringsgronden 241 Bijzondere bepaling 241 Slotbepalingen eerste boek 243 Misdrijven die gepleegd kunnen worden door een ambtenaar 244 Misdrijven die gepleegd kunnen worden tegen een ambtenaar 257 8. Formeel recht 272 8.1 Inleiding 272 Algemene bepalingen 274 Verdachte 275 Gradaties van verdenking 278 Heterdaad 279 Opsporingsonderzoek 282 Opsporingsambtenaren 282 Bevoegdheden 287 Opsporen van strafbare feiten 295 8.2 Dwangmiddelen persoonlijke vrijheid 302 Staande houden 302 Inzage vorderen identiteitsbewijs 304 Toonplicht identiteitsbewijs 306 Aangewezen identiteitsbewijzen 307 Identificatiefouillering 308 Niet voldoen aan identificatieplicht 309 Aanhouden 311 Identiteitsvaststelling verdachte 315 Inhoud 7
Voorgeleiding 319 Ophouden voor onderzoek 320 Verhoor verdachte 321 Bijstand van een raadsman 323 Ophouden voor vaststellen identiteit 324 Jeugdige verdachten 326 Inverzekeringstelling en verlenging inverzekeringstelling 326 Inbewaringstelling 329 Gevangenhouding 332 Rechten van de verdachte 334 Onderzoek aan lichaam en kleding 342 Onderzoek aan kleding ter vaststelling identiteit 346 Onderzoek aan kleding ter afwending van gevaar (veiligheidsfouillering) 348 Inbeslagneming 349 Binnentreden 360 9. Proces-verbaal 386 9.1 Inleiding 386 Het instellen van vervolging 387 Het afzien van vervolging (seponeren) 387 Discretionaire bevoegdheid 390 9.2 De Combibon 394 Invulformulier 395 Bronvermelding 402 8 8
Algemeen
Algemeen In dit cursusboek worden de bevoegdheden en de strafbare feiten behandeld. De bevoegdheden die worden behandeld komen uit het Wetboek van Strafvordering en de Algemene Wet Bestuursrecht. De strafbare feiten die worden behandeld zijn misdrijven en overtredingen uit het Wetboek van Strafrecht. De exameneisen van ExTH geven aan dat een kandidaat aan de hand van een voorbeeld kan vaststellen of er sprake is van een strafbaar feit en wanneer welke bevoegdheden mogen worden toegepast. Om dit te kunnen vaststellen dient de kandidaat de bestanddelen van het strafbare feit te herkennen en dient hij goed op de hoogte te zijn van zowel zijn strafvorderlijke als toezichthoudende bevoegdheden. Hoe werkt het? Het boek is ingedeeld in hoofdstukken. Ieder hoofdstuk: begint met leerdoelen, zodat u weet wat u gaat leren en eindigt met een samenvatting Op de pagina s ziet u icoontjes. Die icoontjes betekenen het volgende: Dit is een belangrijke tekst Beantwoord de vraag/vragen. Indeling van de lessen Uw docent bepaalt hoe er met het boek en de digitale leeromgeving gewerkt wordt en hoeveel tijd daaraan besteed wordt. Examen U krijgt van uw docent informatie over het examen. 10
Nederlands recht H1
H1 Nederlands recht Leerdoelen: ĵ ĵ De verschillende normen kunnen benoemen die leiden tot leefregels De definitie van recht kunnen benoemen en uitleggen wat daarmee wordt bedoeld Het verschil kunnen uitleggen tussen privaat en publiek recht daarvan voorbeelden kunnen geven Het verschil kunnen benoemen tussen materieel en formeel strafrecht Alle onderwerpen in deze opleiding zijn onverbrekelijk verbonden met de begrippen recht en wet. Voordat wij de voor uw beroep van belang zijnde onderwerpen gaan bespreken, zullen wij eerst enige aandacht besteden aan deze begrippen. 1.1 Het Recht Het woord recht komt in de dagelijkse spreektaal (Nederlandse taal) in verschillende betekenissen voor. Zo kennen we recht als tegenstelling tot krom, bochtig, scheef of schuin, in zinnen als: een rechte lijn, iets recht hangen of rechtzetten. Maar datzelfde rechtzetten kan ook een iets andere betekenis hebben, bijvoorbeeld als we zeggen: ik moet toch wel enkele zaken uit dat verhaal rechtzetten. Hier betekent het rechtzetten in feite corrigeren (verbeteren), dat wil zeggen proberen iets wat fout is weer goed te maken. Tenslotte komen we zeer dichtbij als we spreken over het recht met voeten treden. Want nu hebben we het al over het recht als een zelfstandig begrip. Dat zelfstandige begrip vinden we overigens ook terug in zinnen als zijn recht als eigenaar of ik kom op voor mijn recht. U kunt wel aanvoelen dat zijn en mijn recht toch nog iets anders moet zijn dan het recht, bijvoorbeeld in de zin het recht moet zijn loop hebben. Want mensen zijn zeer verschillend in hun denken en doen. Wat de één voor recht houdt, hoeft dat nog niet te zijn in de ogen van anderen. De vraag rijst daarom, of we dan wel over het recht kunnen spreken. Waar we toch van hét recht spreken, ligt de veronderstelling voor de hand dat daarmee toch iets anders wordt bedoeld dan het persoonlijk gevoel van de mensen voor recht of onrecht ondanks dat het er nauw mee is verbonden. Wel is het zo dat overal waar we het woord recht als een zelfstandig begrip gebruiken, dat toch altijd iets te maken heeft met een oordeel over goed of kwaad (recht of onrecht), respectievelijk met ons doen en laten, ons gedrag jegens anderen (goed of verkeerd). Het duidt dan op de grondslag voor een leef- of gedragsregel. 12
Nederlands recht Over het recht in juridische zin spreken we, wanneer de overgrote meerderheid in een gemeenschap het eens is over het al dan niet goed of fout zijn van bepaalde zaken of gedragingen. Zo zijn in de loop der tijd min of meer algemeen aanvaarde leef en gedragsregels ontstaan. Tenslotte zijn al die regels van land tot land samengebundeld tot voorschriften, waarnaar de gehele gemeenschap zich heeft te richten. In zo n samenstel van voorschriften is dus het recht vastgelegd en we duiden die voorschriften zelf daarom ook aan als Het Recht. Het woord recht is afkomstig van het Latijnse woord rectus, wat is afgeleid van het werkwoord regeren, dat besturen, regelen betekent. En daarmee zijn we dan precies gekomen bij de betekenis waar het ons hier om gaat, namelijk Het Recht als samenstel van voor iedereen bindende voorschriften. 1.2 Normen De voorschriften vonden hun oorsprong in reeds van oudsher algemeen erkende leef en gedragsregels of normen voor de samenleving. Voor de onderlinge samenleving en maatschappelijke orde zijn deze normen, deze algemeen erkende leef en gedragsregels, onontbeerlijk. We onderscheiden daarbij drie groepen, te weten: godsdienstige normen; zedelijke normen; fatsoensnormen. Godsdienstige normen Godsdienstige normen worden door gelovigen beschouwd als bevelen van een goddelijke macht, waarnaar men heeft te leven. Voor wat onze christelijke beschaving betreft, vinden we deze bijvoorbeeld in de Tien Geboden. H1 13
Zedelijke normen Vele van die godsdienstige normen worden ook door niet gelovigen wel erkend. Niet omdat zij bij niet nakoming de straf Gods vrezen, maar omdat deze hun worden ingegeven door het geweten en omdat niet naleving zelfverwijt en wroeging, een gevoel van schuld, tot gevolg heeft. Voor hen gelden die normen dan als zedelijke normen. We noemen enkele als voorbeeld, zoals: Gij zult niet doden; niet stelen; geen valse getuigenis afleggen. Dit zijn normen die we stellig als algemeen aanvaard kunnen beschouwen. Het zondigen hiertegen wordt dan ook, ongeacht wettelijke voorschriften, algemeen als ernstig beschouwd; het gaat in tegen ieders rechtsgevoel. Fatsoensnormen Naast de godsdienstige en zedelijke normen kennen we nog een aantal ongeschreven leef en gedragsregels, die veel minder duidelijk zijn. Zij zijn veelal afhankelijk van wat in een bepaalde gemeenschap in een bepaalde periode leeft. Dat zijn dan de fatsoensnormen, die hun weerslag vinden in gezegdes als: Zoiets kun je toch niet doen. of Het is niet meer dan fatsoenlijk dat je zoiets doet. Normen niet toereikend Dat besef van wat men behoort te doen, is helaas voor een geordende samenleving niet voldoende gebleken. Hoe nodig en nuttig deze normen ook mogen zijn, er blijkt meer nodig om de samenleving mogelijk te maken. Het zijn en blijven immers slechts regels der moraal (moraal is zedenleer), die men desgewenst naast zich neer kan leggen, zolang er geen dwingende bepalingen bestaan. Rechtsnormen Er zijn dus dwingende leef- en gedragsregels nodig, die moeten worden nagekomen. Deze regels dienen om aan te geven hoe men zich moet gedragen, of wat men te doen en te laten heeft. Aan het niet naleven, overtreden van die regels zullen bepaalde onaangename of schadelijke gevolgen verbonden zijn. Zulke dwingende leef en gedragsregels noemt men rechtsnormen. Het kenmerk van de rechtsnormen is dus de afdwingbaarheid door middel van een sanctie op overtreding van die normen. De sancties kunnen onderscheiden worden in: vrijheidsstraffen (gevangenisstraf, hechtenis); geldboetes; erestraffen (ontzetting uit bepaalde rechten, bijvoorbeeld uit het kiesrecht). Samenvatting Leefregels zijn onderverdeeld in: godsdienstige normen; zedelijke normen; fatsoensnormen. 14