VERNIEUWINGSPLANNEN UNIVERSITAIRE LERAREN OPLEIDINGEN



Vergelijkbare documenten
TOETSINGSKADER INNOVATIEPLANNEN LERARENOPLEIDINGEN HB

ONTWERP-UITVOERINGSBESLUIT INTERIMWET ZIJ-INSTROOM LERAREN PRIMAIR EN VOORTGEZET ONDERWIJS

Regeling begeleiding studenten universitaire lerarenopleidingen

BEGELEIDINGSPLANNEN UNIVERSITAIRE LERARENOPLEIDINGEN

EXAMENBESLUIT HAVO/VWO

Protocol TNO Educatieve Master

VO/BOB 1998/ juli 1998

Tweede Kamer der Staten-Generaal

EXAMENPROGRAMMA S VMBO MAATSCHAPPIJLEER EN KUNSTVAKKEN I

Protocol PDG en educatieve minor

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dr. ir. J.M.M. Ritzen Postbus LZ Zoetermeer. 21 januari 1998.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

U I T S P R A A K

Onderwijsraad. 'SSlftiaftg: Wratollö/SA/T ^^ d.d. 31 maart 1993 vl/ak Onderwerp...,, Studierichting psychologie Rijksuniversiteit Limburg.

Notitie Ontheffingen bevoegdheidsregels

De besturen van de faculteiten Technische Natuurkunde, Scheikundige Technologie en Wiskunde en Informatica:

Advies niet-ambtelijke adviescommissie WOB. Onderwijsraad

FACULTEIT DER NATUURWETENSCHAPPEN, WISKUNDE EN INFORMATICA. ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING Masterschool Life and Earth Sciences studiejaar

Nadere uitwerking beoordeling educatieve minoren behorende bij wo-bacheloropleidingen

WETSVOORSTEL OVERGANGS- REGELING KOSTEN A.B.B. BIJ VERZELFSTANDIGING OPENBAAR ONDERWIJS

U I T S P R A A K

ONDERWIJSRAAD. AcMés nïet-ambtelijke adviescommissie WOB. 3 GMAÂRT m. 's-gravenhage, Nassaulaan JS 's-gravenhage Tel.

SURF ALLE AAN DEK VERSLAG LIVE-EVENT

Bij beslissing van 14 april 2013 heeft het college van bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Gelet op de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS,

Land Focus: Nederland

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Onderwijs- en Examenregeling 2012/2013

Uw brief van Ons kenmerk Contactpersoon Zoetermeer. 13 juni 2002 HBO/AS/2002/ juli 2002

REGELING TOELATING MASTEROPLEIDINGEN

Eerste Kamer der Staten-Generaal

SAMENWERKINGSGROEP OPLEIDINGSSCHOLEN NOORD-HOLLAND - FLEVOLAND SONF

Tweede Kamer der Staten-Generaal

MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Samenwerkingsovereenkomst ten behoeve van de academische opleidingsschool ROSRijnland

U I T S P R A A K

Raad voor Cultuur. Mijnheer de Staatssecretaris,

Bijlage Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bachelor Programma Academische Opleiding Leraar Basisonderwijs

CONVENANT OPLEIDING LERAARPLUS

Regeling vermelding duale opleidingen hoger onderwijs

Tweede Kamer der Staten-Generaal

REGELING TOELATING MASTEROPLEIDINGEN UNIVERSITEIT LEIDEN

Regeling impuls beroepsonderwijs voor landelijke organen 2000

FAQ s tegemoetkoming kosten aspirant-opleidingsscholen Versie 21 augustus 2015

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat Mevrouw drs. C. Van Nieuwenhuizen Postbus EK DEN HAAG. Geachte mevrouw Van Nieuwenhuizen,

Besluit strekkende tot een positieve beoordeling van een aanvraag Toets nieuwe opleiding hbo-bachelor Game Architecture and Design van de NHTV

Vrijstellings- en assessmentregelingen. elders verworven competenties (EVC s)

Onderwijs- en Examenregeling 2010/2011

Reglement van Toelating

3 1 MEI Ministerie van Ondenvijs, Cultuuren Wetenschap

Leraar in onderzoek. Exacte Wetenschappen. Onderzoeksprogramma voor wis- en natuurkundedocenten

1. Welke routes tot leraar zijn er in het hoger onderwijs?

U I T S P R A A K

Vragenlijst voor masterstudenten

ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING Bijlage, Bachelor Opleiding Docent Muziek

Op 12 oktober 2018 heeft u het voorstel voor de Regeling Tachografen aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) aangeboden voor toetsing.

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

Besluit inzake macrodoelmatigheid wo masteropleiding Leraar VHO in de Zaakvakken

Convenant lerarenopleidingen voortgezet onderwijs en beroeps- en volwasseneneducatie verzorgd door hogescholen

Samenvatting aanvraag

Reglement subsidieregeling toekomstige leraren Achterhoek VO (studie 1 e graads leraar)

Bestuurlijke afspraken over ontvlechting van de Educatieve Faculteit Amsterdam

TOELICHTING CONCEPTBESLUIT OPLEIDINGSEISEN ORTHOPEDAGOOG- GENERALIST VERSIE INTERNETCONSULTATIE 30 APRIL 2019

1. Onderwerp van de klacht schending van wetenschappelijke integriteit bij uitbrengen deskundigenbericht aan rechtbank

U I T S P R A A K

Tweede Kamer der Staten-Generaal

ERKENNING NIEUWE OPLEIDING VLAANDEREN SJABLOON AANVRAAGDOSSIER AMBTSHALVE GEREGISTREERDE INSTELLINGEN MACRODOELMATIGHEIDSTOETS TOETS NIEUWE OPLEIDING

REGELING TOELATING MASTEROPLEIDINGEN UNIVERSITEIT LEIDEN

Opzet voor een plan van aanpak. Tweedegraads PLUS. doorscholing van tweedegraads bevoegde docenten

U I T S P R A A K

Ik schrijf deze brief mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Economische Zaken.

Digitale hulpmiddelen bij het toetsen en beoordelen in de universitaire lerarenopleiding

Raad voor Cultuur. Telefax

Aanstellingsbeleid en honorering van studenten, duale studenten, LiO s, studenten educatieve minoren en zij-instromers

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Gelet op artikel 33, lid 1b, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

«nvao. fluit. w nederlands - ulaamse accreditatieorganisatie

Onderwijsraad. Nassaulaan JS 's-gravenhage Telefoon Telefax

Raad voor Cultuur. Mijnheer de Staatssecretaris,

U I T S P R A A K

STATUUT OPLEIDINGSCOMMISSIES. Hogeschool der Kunsten Den Haag

Onderwerp ontwerp-selectielijst archiefbescheiden beleidsterrein "Invoerrechten en accijnzen" over de periode

Gelet op artikel 12e, tweede lid, van de Wet op de architectentitel;

U I T S P R A A K

Vrijstellings- en assessmentregelingen. elders verworven competenties (EVC s)

Onderwijs- en examenregeling

Onderwijs- en examenregeling Hoofdstuk 3 Opleidingsdeel LVO

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Gelet op de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS,

Vragenlijst voor minorstudenten

STUDIEGIDS PREMASTERPROGRAMMA ACCOUNTING & CONTROL

DAG VAN DE BEROEPSKOLOM 9 O K TO B E R

Hbo tweedegraadslerarenopleiding

Beroep tegen onthouding promotie gegrond omdat de werkgever de procedure niet correct heeft gevolgd.

Samenwerkingsovereenkomst ten behoeve van de Academische Opleidingsschool Amsterdam (AcOA)

College Geneeskundige Specialismen

De NVAO heeft voor de beoordeling van de aanvraag op 27 oktober 2005 een panel van deskundigen ingesteld. Het panel kende de volgende samenstelling:

U I T S P R A A K

Handreiking bij het beoordelingskader voor het bijzonder kenmerk Kleinschalig en intensief onderwijs

9/ o'm. D a tu m 1 4 MAART o n t v a n g e n MAART Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Inleiding Universiteiten Hogescholen Beroep bij de Ondernemingskamer

Transcriptie:

VERNIEUWINGSPLANNEN UNIVERSITAIRE LERAREN OPLEIDINGEN

De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, ingesteld bij wet van 15 mei 1997 (de Wet op de Onderwijsraad). De Raad adviseert, gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal kunnen de Raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad. De Raad bestaat uit negentien leden die op persoonlijke titel zijn benoemd. Advies 'Vernieuwingsplannen Universitaire Leraren Opleidingen' uitgebracht aan de Ministervan Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Adviesnr. 990205/413, 1 april 1999 Advies niet-ambtelijke commissie WOB

Onderwijs raad Nassaulaan 6 2514 JS Den Haag De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Drs. L.M.L.H.A. Hermans Postbus 25000 2700 LZ Zoetermeer Telefoon (070) 310 00 00 Fax (070) 356 14 74 E-mail secretariaat@ondenvijsraad. n mm. onderwijsraad, nl Ons kenmerk 990206/135 Contactpersoon/doorkiesnummer C.v.Leest/3100018 Uiv kenmerk WO/B-1999/5921 15 februari 1999 Den Haag, 1 april 1999 Onderwerp beoordeling vernieuwingsplannen universitaire lerarenopleidingen Bij bovenvermelde brief hebt u de Onderwijsraad verzocht een commissie in te stellen ter beoordeling van de vernieuwingsplannen van de universitaire lerarenopleidingen (ulo's), voortvloeiend uit de "Regeling vernieuwingsplannen universitaire lerarenopleidingen 1999-2001". U verzocht de Raad daarbij tevens de beoordeling van de vernieuwingsplannen door de commissie uiterlijk op 9 april 1999 aan u te doen toekomen. De commissie heeft inmiddels haar werkzaamheden afgerond. De Onderwijsraad biedt u hierbij het rapport van de commissie aan en adviseert u te besluiten conform haar beoordelingen. Natnens de Onderwijsraad, dr. J.M.G. Leune, riitter, mtw.g.g.m. van Holsteijn, wnd. algemeen secretaris.

RAPPORT van de COMMISSIE BEOORDELING VERNIEUWINGSPLANNEN UNIVERSITAIRE LERARENOPLEIDINGEN

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING 1 2 BEOORDELINGSKADER 3 3 KANTTEKENINGEN VAN DE COMMISSIE 7 4 CONCLUSIE 9 BIJLAGE

Commissie van de Onderwijsraad. 990205/413. 1-4-1999 1 INLEIDING Op 12 februari j.1. heeft de Onderwijsraad op verzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de Commissie beoordeling vernieuwingsplannen universitaire lerarenopleidingen (verder: de commissie) ingesteld, bestaande uit de Raadsleden mw. drs. N.J. Ginjaar - Maas, voorzitter, en de heer prof. dr. F.A. van Vught, alsmede de heren prof. dr. J.S. ten Brinke en prof. dr. P.W.M, de Meijer. Zij kreeg als taak het beoordelen van bedoelde vernieuwingsplannen, die zouden worden opgesteld als uitvloeisel van de tussen de minister enerzijds met een aantal algemene universiteiten gesloten convenanten inzake de leraren- en de bèta-opleidingen en anderzijds met de technische universiteiten gemaakte afspraak dat ook zij een substantieel deel van de universitaire lerarenopleiding (verder: ulo) binnen de initiële opleiding zouden programmeren. Dit rapport bevat het oordeel van de commissie. Paragraaf 2 bevat een weergave van het beoordelingskader, zoals dat als uitwerking van het "Convenant lerarenopleidingen in het wetenschappelijk onderwijs" en het zogenaamde Bèta-convenant is opgenomen in de "Regeling vernieuwingsplannen universitaire lerarenopleidingen 1999-2001" (Uitleg Gele Katern nr. 2/3, 27 januari 1999). In paragraaf 3 plaatst de commissie enige kanttekeningen bij deze operatie. Ten slotte formuleert zij in paragraaf 4 enige conclusies naar aanleiding van de afzonderlijke beoordelingen die zijn opgenomen in een bijlage. 1

2

Commissie van de Ondenmisraad. 990205/413. 1-4-1999 2 BEOORDELINGSKADER 2.1 Documenten Op 1 mei 1998 sloten de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten, de laatste daartoe gemachtigd door de zes algemene universiteiten, het "Convenant lerarenopleidingen in het wetenschappelijk onderwijs". De convenantpartners besloten daartoe omdat huns inziens in de komende jaren een toename van het aantal universitair geschoolde docenten in het voortgezet onderwijs gewenst was. Zij waren tevens van oordeel dat aanpassing van de structuur van de ulo ertoe kon bijdragen dat meer studenten en afgestudeerden van het wetenschappelijk onderwijs zouden kiezen voor het leraarschap. Zij waren zich er daarbij van bewust dat de inrichting van de lerarenopleidingen slechts één ingang is, naast andere, als het er om gaat de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep te vergroten. Het streven van de convenantpartners was erop gericht in de periode 1999-2005 te komen tot een toename van het aantal universitair geschoolde leraren tot 1200 per jaar, uiterlijk aan het eind van deze periode. De universiteiten namen op zich om naast de bestaande postdoctorale lerarenopleidingen een scala van leerwegen te ontwikkelen die voorbereiden op het leraarsberoep, onder handhaving van zowel de eindtermen voor de academische opleiding als die voor de opleiding tot leraar. Daartoe zouden behoren een duale variant binnen een totale opleidingsduur van vijf jaar en een afstudeervariant waarin een substantieel deel van de voor de voorbereiding op het leraarschap relevante opleidingselementen is opgenomen. Eveneens op 1 mei 1998 sloten de minister en bovenvermelde algemene universiteiten het zogenaamde Bèta-convenant, houdende afspraken over de vernieuwing van de bèta-opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs. De convenantpartners besloten daartoe omdat huns inziens de afgelopen jaren de noodzaak van de vernieuwing van het universitaire bèta-onderwijsaanbod en de noodzaak deze problematiek gezamenlijk aan te pakken steeds duidelijker was geworden. De convenantpartners stelden zich tot doel gezamenlijke maatregelen te treffen die erop gericht zijn de in-, door- en uitstroom bij de universitaire bèta-opleidingen zowel kwantitatief als kwalitatief te verbeteren. De universiteiten namen op zich om de initiële natuurwetenschappelijke curricula te vernieuwen door inhoudelijke verbreding, en wel door verschillende afstudeervarianten vorm te geven. Eén daarvan zou direct gericht moeten zijn op de arbeidsmarkt. In die nieuwe initiële natuurwetenschappelijke opleidingen zou een communicatie/educatie-variant worden opgenomen die onder meer voorbereidt op het beroep van leraar. In deze variant zouden de voor de voorbereiding op het leraarschap relevante opleidingselementen voor het overgrote deel zijn geprogrammeerd binnen de initiële opleiding van 210 studiepunten (ten behoeve waarvan de minister de totstandkoming van een wettelijk kader zou bevorderen). De technische universiteiten sloten zich bij deze afspraak aan. 3

2. Beoordelingskader In zijn brief van 18 december 1998 aan de desbetreffende universiteiten meldde de minister dat voor de vernieuwing van de lerarenopleidingen voor de jaren 1999, 2000 en 2001 een bedrag van in totaal zes miljoen gulden was gereserveerd. Verder informeerde hij de instellingen, vooruitlopend op een subsidie-regeling, over de hoofdlijnen van de procedure voor de indiening en de beoordeling van de vernieuwingsplannen. Op 18 januari 1999 kwam de genoemde subsidieregeling, de "Regeling vernieuwingsplannen universitaire lerarenopleidingen 1999-2001", tot stand. Deze regeling bevat het totaal van de aan universiteiten te verlenen subsidie voor in elk geval de ontwikkeling van nieuwe curricula voor de volgende opleidingstrajecten: a. een combinatie van een opleiding met een studielast van 168 studiepunten en een lerarenopleiding met dien verstande dat de duur van het opleidingstraject in totaal vijf jaar bedraagt en dat in ieder geval één van beide opleidingen duaal is ingericht; b. een afstudeerrichting binnen een opleiding met een studielast van 168 studiepunten, die een substantieel deel van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen omvat; c. een afstudeerrichting binnen een opleiding op het gebied van de natuur of de techniek met een studielast van 210 studiepunten, die het overgrote deel van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen omvat; en d. opleidingen die voorbereiden op het leraarsberoep, niet behorend tot initieel onderwijs als bedoeld in de wet. Daarnaast wordt in de Regeling aangegeven aan welke criteria een vernieuwingsplan moet voldoen. Conform de in de Regeling omschreven opdracht heeft de commissie bezien of in de vernieuwingsplannen voldoen aan de formele eisen, of sprake is van opleidingstrajecten als hiervoor vermeld en of deze plannen voldoen aan de in de Regeling gestelde criteria. Deze criteria houden in dat een vernieuwingsplan: voorziet in het creëren van zodanige opleidingstrajecten dat studenten direct na het behalen van het doctoraalgetuigschrift het leraarsberoep kunnen betreden; beschrijft op welke wijze door de voorgestelde opleidingstrajecten een toename van het aantal universitair opgeleide leraren kan worden verwacht; de samenwerking met scholen voor voortgezet onderwijs bij de uitwerking van het vernieuwingsplan inzichtelijk maakt; resulteert in de inrichting van tenminste één van de opleidingstrajecten zoals hiervoor bedoeld onder a en b; resulteert in de inrichting van een afstudeerrichting zoals hiervoor bedoeld onder c; de wijze van evaluatie van de activiteiten vermeldt. Een vernieuwingsplan kan voorts de inrichting beschrijven van trajecten als hiervoor bedoeld onder d. Ten slotte gelden voor alle opleidingstrajecten toetsingscriteria zoals opgenomen in de bijlage bij de Regeling. In de afzonderlijke beoordelingen in de bijlage bij deze brief worden deze toetsingscriteria expliciet vermeld. 4

Com?nissie van de Onderwijsraad, 990205/413. 1-4-1999 2.2 Nadere duiding criteria door de commissie Vanuit kwaliteitsoverwegingen merkt de commissie ter aanvulling op het bovenstaande het volgende op. In het algemeen zouden de voorstellen moeten aangeven welke mechanismen de aanvragers zien, op grond waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een toename van het aantal universitair opgeleide leraren zal worden gerealiseerd. Zo mag worden verondersteld dat het bieden van een kwalitatief hoogwaardig programma de aantrekkingskracht op eventueel geïnteresseerden kan vergroten. De commissie constateert dat in de plannen weinig onderbouwing wordt geboden voor de aanname dat de plannen tot bedoelde toename zullen leiden. Overigens realiseert de meerderheid van de commissie zich dat het leveren van een dergelijke onderbouwing niet eenvoudig is. Bij de beoordeling vormt dit aspect dan ook niet een doorslaggevend element. Wat betreft het duale traject betreft is zij van mening dat nadere eisen moeten worden gesteld aan de "bepaalde periode" die de student volgens de Regeling tijdens de laatste twee jaar van het traject in het onderwijs werkt op basis van een leerarbeidsovereenkomst. Theoretisch gezien zou daaronder minimaal "één studiepunt" kunnen worden verstaan. De commissie zou evenwel een dergelijke uitleg niet verdedigbaar vinden. Die periode zou naar haar mening substantieel van omvang moeten zijn, waarbij zij denkt aan ten minste 21 studiepunten. Eveneens wat het duale traject betreft beklemtoont zij dat dit zodanig moet zijn ingericht dat het na vijf jaar kan worden afgesloten met een volwaardig getuigschrift van zowel de doctoraalopleiding als de lerarenopleiding. Ten aanzien van het traject dat een afstudeerrichting omvat binnen een vierjarige opleiding geldt op grond van de Regeling dat deze afstudeerrichting zodanig moet zijn ingericht dat het een substantieel deel van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen omvat. De commissie verstaat deze bepaling aldus dat sprake zou moeten zijn van ten minste 21 studiepunten, de huidige predoctorale oriëntatieperiode daaronder begrepen. Zij benadrukt in dit verband dat een dergelijke omvang niet ten koste van de vakinhoudelijke opleiding behoeft te gaan. Het gaat hier immers niet om twee los van elkaar staande onderdelen van de studie. Veel elementen die noodzakelijk zijn voor een goede voorbereiding op het leraarschap zijn immers in dezelfde mate waardevol voor de academische opleiding in het algemeen. Bijkomend voordeel van de programmering in de predoctorale fase van een substantieel deel, met een omvang als bedoeld door de commissie, is volgens haar ook dat aldus sneller leraren beschikbaar komen. Wat dit traject betreft acht de commissie het voorts van belang dat ook wordt beschreven hoe de student na het afstuderen verder wordt opgeleid tot leraar. Voor het traject dat een afstudeerrichting omvat binnen een vijfjarige opleiding is in de Regeling bepaald dat de afstudeerrichting zodanig moet zijn ingericht dat deze het overgrote deel van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen omvat. De commissie meent dat hieronder zou moeten worden verstaan een studielast van ten minste 28 studiepunten, eveneens de huidige predoctorale oriëntatieperiode daaronder begrepen. Hier geldt wat de omvang in relatie tot 5

2. Beoordelingskader de vakinhoudelijke opleiding betreft hetzelfde als de commissie hierboven bij de vierjarige opleidingen heeft opgemerkt. De gedachte om de over te gaan tot een volledige indaling van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen lijkt haar in beginsel interessant, maar experimenten zullen moeten uitwijzen of een dergelijke opzet positief moet worden gewaardeerd. Ook wat dit traject betreft meent de commissie dat in de plannen moet zijn beschreven hoe de student na het afstuderen verder wordt opgeleid tot leraar. Ten slotte merkt zij ten aanzien van de zogenaamde postdoctorale maatwerktrajecten - de optionele variant - op dat de plannen moeten voorzien in een deugdelijke assessmentprocedure met het oog op het bepalen van het niveau van geïnteresseerden. 6

Commissie van de Onderwijsraad, 9902051413. 1-4-1999 3 KANTTEKENINGEN VAN DE COMMISSIE Voorafgaand aan haar beoordeling plaatst de commissie enige kanttekeningen bij de gehele operatie. In de eerste plaats meent zij dat de verantwoordelijkheid voor de oplossing van het tekort-vraagstuk wat eenzijdig bij de universiteiten wordt neergelegd. Weliswaar wordt ook het nodige van de scholen gevraagd, maar het wordt deze in onvoldoende mate mogelijk gemaakt die verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk waar te maken. Voor een succesvolle participatie van de scholen moet vaststaan dat daarvoor op structurele basis voldoende middelen beschikbaar worden gesteld. Verder signaleert de commissie het volgende dilemma. De huidige geringe instroom bij de ulo's brengt met zich mee dat flexibilisering van de opleidingen een lastige opgave is. Anderzijds kan flexibilisering bijdragen aan het realiseren van een grotere instroom. Een belangrijke vraag voor de commissie is ook of de instellingen zich in voldoende mate realiseren dat de vernieuwing met handhaving van de oude situatie leidt tot een aanzienlijke versnippering, hetgeen een organisatievraagstuk betekent. De commissie is voorts van mening dat de lerarenopleiding alleen functioneert als de praktijkbegeleiders van de studenten voldoende gekwalificeerd zijn. Het gaat in dit geval niet alleen om de middelen, maar ook om duidelijkheid over de eisen die aan deze begeleiders worden gesteld. Voorkomen moet worden dat lio's door inadequate respectievelijk onvoldoende begeleiding worden ingezet als gewone leraren. 7

8

Commissie van de Onderwijsraad, 9902051413. 1-4-1999 4 CONCLUSIE De commissie heeft in het kader van haar beoordeling kennis genomen van het advies van de Commissie beoordeling experimenten duale opleidingen WO, de commissie-veltman, waaraan op grond van artikel 6 van de Regeling vernieuwingsplannen eveneens die plannen voor ulo's zijn voorgelegd voorzover die betrekking hebben op een duale inrichting. Hoewel deze commissie van oordeel is dat nog enkele technische onvolkomenheden in de plannen moeten zijn aangepakt voordat toestemming kan worden gegeven voor registratie van de duale lerarenopleiding in het Croho, kan worden geconstateerd dat zij zich in positieve zin uitspreekt over de kwaliteit van de plannen aangezien deze aan de belangrijkste wettelijke criteria, waaraan zij moeten worden getoetst, voldoen. Ook de commissie is grosso modo positief over de aan haar voorgelegde plannen. In het algemeen wekken die de indruk dat met grote inzet en betrokkenheid aan de realisering van nieuwe leerwegen in de ulo wordt gewerkt. Niettemin heeft zij tot haar spijt één daarvan niet van een positief oordeel kunnen voorzien. Naar haar mening voldoet het plan van de Katholieke Universiteit Nijmegen niet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld. In de desbetreffende, in de bijlage opgenomen beoordeling gaat de commissie daar nader op in. Verder merkt de commissie wat betreft de aan haar voorgelegde plannen in algemene zin nog het volgende op. Zij constateert dat realisering van de ingediende plannen een situatie creëert met een grote variëteit aan opleidingstrajecten met instellingseigen invullingen en kenmerken. Dit kan met zich mee brengen dat voor studenten (en in voorkomende gevallen andere geïnteresseerden) een weinig transparant beeld ontstaat. In een periode van experimenteren dat soms niet te vermijden. De commissie benadrukt in verband hiermee het grote belang van een deugdelijke evaluatie, zowel per opleidings(cluster) of instelling als van het alle opleidingen tezamen. Ongeacht de uitkomst daarvan in termen van het meest succesvolle model, komt het de commissie voor dat de noodzakelijke transparantie na de experimentele periode een uniforme benadering per categorie gewenst maakt, waarbij ook voor alle daartoe behorende opleidingen per onderwijseenheid dezelfde omvang wordt aangehouden. Het heeft haar voorkeur dat de instellingen hier, in samenspraak, zelf regulerend optreden. Waar het gaat om de financiële kant van dit project stelt de commissie ten slotte vast dat in het algemeen een hoger bedrag wordt gevraagd dan blijkens de meer genoemde Regeling per instelling beschikbaar is. Niettemin constateert zij dat de benadering van sommige instellingen ook door haar positief geduide aspecten heeft. Zo heeft de commissie er met waardering kennis van genomen dat uit de voorstellen van enige universiteiten de bereidheid blijkt om in het kader van de vernieuwing niet alleen uit te gaan van door de overheid beschikbaar te stellen middelen, maar ook van de inzet van eigen middelen. De commissie leidt hier een positieve betrokkenheid bij dit project uit af. Afrondend adviseert de commissie de minister om de door haar positief beoordeelde plannen navenant te honoreren. Zij ziet met grote belangstelling uit naar de uitvoering van de plannen en 9

4. Conclusie hoopt met de betrokkenen dat deze zullen leiden tot de beoogde toename van het aantal universitair geschoolde docenten in het voortgezet onderwijs. 10

BIJLAGE

INHOUDSOPGAVE 1. KATHOLIEKE UNIVERSITEIT NIJMEGEN 1 2. RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN 5 3. UNIVERSITEIT LEIDEN 9 4. TECHNISCHE UNIVERSITEIT DELFT, UNIVERSITEIT TWENTE EN TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN 13 5. UNIVERSITEIT UTRECHT 15 6. UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM 19 7. VRIJE UNIVERSITEIT AMSTERDAM 23

1. Katliolieke Universiteit Nijmegen 1. KATHOLIEKE UNIVERSITEIT NIJMEGEN Algemeen Het verzoek betreffende een subsidie ten behoeve van activiteiten voor de ontwikkeling van nieuwe curricula die voorbereiden op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs eerste graad, is door het College van Bestuur tijdig ingediend (voor 15 februari 1999). In het verzoek wordt aangegeven dat is overlegd met de betrokken faculteiten en lerarenopleidingen. De wijze van evaluatie wordt niet toegelicht. Het voorstel heeft betrekking op de 4- en 5-jarige afstudeervarianten en op postdoctorale maatwerktrajecten. Om tot een verhoging van de instroom van het aantal studenten in de lerarenopleiding te komen heeft de KUN een aantal activiteiten (projecten) gepland. Deze betreffen: - verbreding predoctorale lerarenopleiding - inrichting nieuwe postdoctorale trajecten - dubbele Ie graads bevoegdheid - aio's en oio's als leraar in opleiding Vanaf 1999-2000 zal gestart worden met de verbreding van de predoctorale lerarenopleiding, de inrichting van de postdoctorale trajecten en de aio's en oio's in opleiding. Vanaf 2000 start men met de vakverbreding bij bèta's om zodoende op een eenvoudiger wijze te komen tot dubbele eerstegraads bevoegdheden. TOETSINGSCRITERIA ALGEMEEN Bij de 4- en 5-jarige afstudeervariant is sprake van opleidingstraject waarbij de student begeleid maar zelfstandig na de doctoraalopleiding het leraarsberoep kan uitoefenen. Het postdoctorale gedeelte beslaat voor alfa's en bèta's respectievelijk 29 en 21 studiepunten. De commissie merkt op dat de C/E-variant nog niet voldoende is uitgewerkt in het voorstel. Ook komt niet duidelijk naar voren of en hoe de begeleiding van de lio in het postdoctorale traject zal plaatsvinden. De commissie is van mening dat het voorstel op dit punt tekort schiet. Voor het realiseren van een toename in het aantal studenten bij de lerarenopleidingen gaat de KUN uit van de volgende redeneringen: - studenten binnen de CJE variant die aanvankelijk voor de specialisering "het educatieve werkveld" hebben gekozen kunnen wellicht door studenten die voor "schoolvak" hebben gekozen enthousiast worden gemaakt. - het is aantrekkelijk om al na vier jaar een betaalde baan te hebben 1

Bijlage Het eerste punt overtuigt de commissie niet. Zij acht het tegenovergestelde evenzeer mogelijk. Het tweede en derde punt zou een toename kunnen bewerkstelligen. De commissie is van mening dat de KUN weliswaar de intentie heeft de instroom van studenten te doen toenemen, maar onvoldoende aannemelijk maakt dat haar maatregelen succes zullen hebben. In dit verband acht de commissie het noodzakelijk dat het hierboven genoemde gevarieerde aanbod duidelijk wordt uitgewerkt. Beoordeling: Twijfelachtig De commissie stelt voorts vast dat binnen de 4- jarige opleiding aan de afstudeerrichtingsvariant vorm wordt gegeven. Tenslotte wordt in het voorstel aangegeven dat de problematiek uitvoerig met scholen voor voortgezet onderwijs is besproken. Er wordt echter geen inzicht gegeven in de feitelijke vormgeving van de samenwerking. De commissie acht dit een ernstige onvolkomenheid in het voorstel. Beoordeling: Twijfelachtig TOETSINGSCRITERIA PER OPLEIDINGSTRAJECT Afstudeerrichting 4-jarige opleiding In het voorstel wordt vorm gegeven aan een afstudeerrichting binnen een 4-jarige opleiding die op termijn als onderdeel van de hoofdlijnen onderwijs- en examenregeling moet worden geregistreerd in het Croho. Binnen de afstudeerrichting vindt zowel theoretische als praktische voorbereiding op het leraarsberoep plaats. Hoe deze praktische ervaring vorm zal krijgen is echter onvoldoende uitgewerkt. De afstudeerrichting bevat een substantieel deel (21 studiepunten) van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen. Het postdoctorale traject heeft een omvang van 29 studiepunten. Uit het voorstel blijkt niet hoe aan dit postdoctorale gedeelte vorm gaat worden gegeven en het is niet duidelijk of de lio zal worden begeleid. De commissie acht dit een ernstige onvolkomenheid. Beoordeling: Onvoldoende Afstudeerrichting 5-jarige opleiding In het voorstel wordt vorm gegeven aan een afstudeerrichting binnen een 5-jarige opleiding die op termijn als onderdeel van de hoofdlijnen onderwijs- en examenregeling moet worden geregistreerd in het Croho. Binnen de afstudeerrichting vindt zowel theoretische als praktische voorbereiding op het leraarsberoep plaats. Ook hier is de vormgeving van de praktische ervaring onvoldoende uitgewerkt. De afstudeerrichting bevat een overgroot deel (29 studiepunten) van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen. Het postdoctorale traject heeft een omvang van 21 studiepunten. Uit het voorstel blijkt niet hoe aan dit postdoctorale gedeelte vorm zal worden gegeven en het is niet duidelijk of de lio zal worden begeleid. De commissie acht dit een ernstige onvolkomenheid. 2

/ Katlwlieke Universiteit Nijmr.etm De commissie is van mening dat de verkenning van de mogelijkheid van een dubbele bevoegdheid waardevol is. Zij ziet in eerste instantie mogelijkheden in verwante vakgebieden. Overigens is de bedoelde verkenning in het voorstel (nog) niet uitgewerkt. Beoordeling: Onvoldoende Postdoctorale maatwerktrajecten De postdoctorale trajecten in het voorstel zijn gericht op het verwerven van een getuigschrift van de lerarenopleiding. In het voorstel is niet aangegeven hoe aan de diverse trajecten vorm zal worden gegeven. Ook het traject dat zich richt op het verkrijgen van de dubbele eerstegraads bevoegdheid is (nog) niet uitgewerkt. Tot de doelgroepen van deze maatwerktrajecten behoren volgens het voorstel aio's, oio's en docenten die reeds over een bevoegdheid beschikken maar er nog een willen hebben (dubbele eerstegraads bevoegdheid). De commissie mist informatie over de daarbij te hanteren procedure ter vaststelling van het instroom- en eindniveau. Beoordeling: Onvoldoende ALGEMEEN OORDEEL De plannen van de KUN zijn onvoldoende uitgewerkt. Daarnaast ontbreekt in het voorstel enigerlei vorm van evaluatie en inzicht in de samenwerkingsverbanden met scholen voor VO. De commissie is van mening dat het voorstel volstrekt onvoldoende is uitgewerkt en komt op grond daarvan niet tot een positief oordeel. Niet goedgekeurd. 3

4

2. Rijksuniversiteit Graninmn 2. RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN Algemeen Het verzoek betreffende een subsidie ten behoeve van activiteiten voor de ontwikkeling van nieuwe curricula die voorbereiden op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs eerste graad, is door het College van Bestuur tijdig ingediend (voor 15 februari 1999). In het verzoek wordt aangegeven dat is overlegd met de betrokken faculteiten en lerarenopleidingen. De wijze van evaluatie wordt beknopt toegelicht. Het voorstel heeft betrekking op de 4- en 5-jarige afstudeervarianten. Postdoctorale maatwerktrajectcn worden reeds door de RUG verzorgd. Om tot een verhoging van de instroom van het aantal studenten in de lerarenopleiding te komen heeft de RUG een aantal activiteiten (projecten) gepland. Deze betreffen: - curriculumontwikkeling van het predoctorale deel - instapeisen - beroepskeuzeproces - begeleidingssystematiek - werken-leren traject Vanaf 1999-2000 zal gestart worden met de curriculumontwikkeling. In 2001 en 2002 zullen respectievelijk de eerste en tweede evaluatie plaatsvinden. Voor de alfa- en gamma-studies zal in 1999 de afstudeervariant worden ingevoerd. Per 2000 zal gestart worden met het postdoctorale deel. De bèta-studies starten in 2000 met de afstudeervariant gevolgd door het postdoctorale deel in 2001. TOETSINGSCRITERIA ALGEMEEN Bij de 4- en 5-jarige afstudeervariant is sprake van opleidingstraject waarbij de student na de doctoraalopleiding begeleid maar zelfstandig het leraarsberoep kan uitoefenen. De commissie is van mening dat hetgeen wordt gezegd over de lijn en inhoud van de voorgestelde drie predoctorale modulen, vertrouwen wekt dat men een traject zal weten te ontwerpen waarin doctorandi de competentie zullen verwerven om als begeleid maar zelfstandig leraar in opleiding aan het postdoctorale traject te beginnen. Met name ten aanzien van het derde moduul geldt dat men bij de RUG op het betrokken terrein veel, op onderzoek gebaseerde, ervaring heeft. Modulen 1 en 2 zijn in dat opzicht minder uitgewerkt maar de commissie verwacht hiervan, gezien de bedragen in de begroting, wel resultaat. Voor het realiseren van een toename van het aantal universitair opgeleide leraren stelt de RUG de volgende maatregelen voor. 5

Bijlage Deze maatregelen betreffen bij de alfa- en gamma-studies onder andere: een verbreding van de inhoud van de eerste twee modulen zodat deze ook aantrekkelijk worden voor anderen dan aanstaande leraren betaling wanneer les wordt gegeven, al is dit pas na het doctoraal hoge praktijkgerichthieid onderzoek naar de belangstelling van studenten kwaliteit. De RUG geeft in haar voorstel aan dat de lerarenopleiding van een kwaliteit moet zijn die kan concurreren met een vakstudie (zonder lerarenopleiding). De commissie merkt echter op dat precieze inhoudelijke criteria die de ontwerpers zullen gaan gebruiken om de programma's concurrerend te maken niet worden genoemd. Wel wordt aandacht besteed aan de begeleidingssystematiek en aan de beoordelingssystematiek maar ook hier is (nog) geen nadere invulling aan gegeven. Voor het ontwerpen van diverse onderdelen worden in het voorstel ruime bedragen opgevoerd. Beoordeling: Voldoende Bij de bèta-studies betreffen de maatregelen: idem als bij alfa en gamma idem als bij alfa en gamma en daarnaast de mogelijkheid van een kleine vacature vóór het doctoraal idem als bij alfa en gamma idem als bij alfa en gamma idem als bij alfa en gamma met dien verstande dat het niet duidelijk maken in het voorstel hoe de opleidingsprogramma's "concurrerend" zullen worden gemaakt met de vakstudies in het bèta programma hier veel zwaarder weegt daar het een predoctorale lerarenopleiding met relatief veel studiepunten (35) betreft, die bovendien moet concurreren met vakstudies die bij studenten een erkend hoge status hebben. Het terrein van de "motiverende inhoud met status" speelt in de problematiek waar het in het convenant om gaat een hoofdrol en had dus moeten worden verwerkt. Beoordeling: De eerste 4 voldoende, het laatste punt twijfelachtig De commissie stelt vast dat binnen de 4- en 5-jarige opleiding wordt aan de afstudeerrichtingsvariant vorm gegeven. Tenslotte blijkt uit het voorstel van de RUG dat sprake is van samenwerking met diverse scholen en schoolpracticumdocenten. Binnen de ontwikkelingsactiviteiten is hun rol ook groot. Beoordeling: Ruim voldoende TOETSINGSCRITERIA PER OPLEIDINGSTRAJECT Afstudeerrichting 4-jarige opleiding In het voorstel wordt vorm gegeven aan een afstudeerrichting binnen een 4-jarige opleiding die op termijn als onderdeel van de hoofdlijnen onderwijs- en examenregeling moet worden geregistreerd 6

2. Rijksuniversiteit in het Croho. Binnen de afstudeerrichting vindt zowel theoretische als praktische voorbereiding op het leraarsberoep plaats (zie toetsingscriteria algemeen). Tevens bevat de afstudeerrichting een substantieel deel van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen. De commissie is echter van mening dat 16 studiepunten voor een substantieel deel aan de magere kant is. De RUG zou moeten streven naar 21 studiepunten. Het postdoctorale traject wordt in het voorstel beschreven. Dit traject heeft een omvang van 34 studiepunten die zo gelijk mogelijk worden verdeeld over activiteiten op school en op het instituut. Beoordeling: Voldoende Afstudeerrichting 5-jarige opleiding In het voorstel wordt vorm gegeven aan een afstudeerrichting binnen een 5-jarige opleiding die op termijn als onderdeel van de hoofdlijnen onderwijs- en examenregeling moet worden geregistreerd in het Croho. Binnen de afstudeerrichting vindt zowel theoretische als praktische voorbereiding op het leraarsberoep plaats. Tevens bevat de afstudeerrichting een overgroot deel (35 studiepunten) van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen. Het postdoctorale traject heeft een omvang van 15 studiepunten en wordt zo gelijk mogelijk verdeeld over activiteiten op school en op het instituut. Beoordeling: Ruim voldoende ALGEMEEN OORDEEL Het voorstel voldoet aan de criteria en maakt een kwalitatief voldoende uitvoering aannemelijk. De commissie komt dan ook tot een positief oordeel. Goedgekeurd 7

8

3. Universiteit Leiden 3. UNIVERSITEIT LEIDEN Algemeen Het verzoek betreffende een subsidie ten behoeve van activiteiten voor de ontwikkeling van nieuwe curricula die voorbereiden op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs eerste graad, is door het College van Bestuur tijdig ingediend (voor 15 februari 1999). In het verzoek wordt aangegeven dat is overlegd met de betrokken faculteiten en lerarenopleidingen. De wijze van evaluatie wordt beknopt toegelicht. Het voorstel betreft duale trajecten, afstudeerrichtingen binnen de 5-jarige opleiding en postdoctorale maatwerktrajecten. Om tot een verhoging van de instroom van het aantal studenten in de lerarenopleiding te komen heeft de UL een aantal activiteiten (projecten) gepland. Deze betreffen: - instroomverhoging - flexibele leerwegen - relatie met de praktijk Vanaf 1999 zal gestart worden met een groot aantal projecten. Daarnaast zal vanaf 2000 de C/Evariant en het duale traject worden aangeboden. Evaluatie en bijstelling vinden plaats in 2001 en 2002. TOETSINGSCRITERIA ALGEMEEN Bij het duale traject kan de student na het doctoraal direct zelfstandig het leraarsberoep betreden. Het praktijkgedeelte beslaat 21 studiepunten. Bij de 5-jarige afstudeervariant is sprake van opleidingstrajecten waarbij de student na de doctoraalopleiding begeleid maar zelfstandig het leraarsberoep kan uitoefenen. Dit postdoctorale traject beslaat, zoals aangegeven in het plan van de UL 21 studiepunten. Voor het realiseren van een toename van het aantal universitair opgeleide leraren stelt de UL de volgende maatregelen voor. Deze maatregelen betreffen onder andere: - zogenaamde "richtingwijzers" - breder opgeleide leraren - werving en scholing via arbeidsbureau's - trajecten op maat voor speciale doelgroepen - begeleiding, studietaken, teleleren - begeleiding bij beginnende zelfstandige beroepsuitoefening - beoordeling van docenten De plannen van de UL zijn voldoende. Op een enkel punt is de onderbouwing aan de magere kant. Beoordeling: Voldoende 9

Bijlage De commissie stelt voorts vast dat binnen de 4-jarige opleiding aan de duale variant wordt vorm gegeven. Tenslotte blijkt uit het voorstel dat wordt samengewerkt met opleidingsscholen. Door deze opleidingsscholen zal een "mobiliteitsbank" worden opgericht waarmee de UL gaat samenwerken. Dit samenwerkingsverband houdt voor de RUL in dat zij de "mobiliteitsbank" zal vullen met studenten die het duale traject volgen om zodoende verzekerd te zijn van voldoende arbeidsplaatsen voor deze studenten. Beoordeling: Ruim voldoende TOETSINGSCRITERIA PER OPLEIDINGSTRAJECT Duale opleidingstraject In het voorstel is sprake van een combinatie van een 4-jarige doctoraalopleiding en een lerarenopleiding van in totaal 5 jaar die duaal is ingericht. De curricula van de doctoraalopleiding en de lerarenopleiding zijn zodanig op elkaar afgestemd dat in de praktijk sprake is van een geïntegreerd traject. In de laatste twee jaar van het traject is de student gedurende een halfjaar (21 studiepunten)op basis van een lio-overeenkomst werkzaam in het onderwijs. De inrichting van het traject bevat voldoende elementen om een behoorlijk resultaat te verwachten. Daarnaast kan het traject na vijf jaar worden afgesloten met een getuigschrift van zowel de doctoraalopleiding als de lerarenopleiding. Beoordeling: Ruim voldoende Afstudeerrichting 5-jarige opleiding In het voorstel wordt vorm gegeven aan een afstudeerrichting binnen een 5-jarige bèta-opleiding conform het convenant, die op termijn als onderdeel van de hoofdlijnen onderwijs- en examenregeling moet worden geregistreerd in het Croho. Binnen de afstudeerrichting vindt zowel theoretische als praktische voorbereiding op het leraarsberoep plaats. Tevens wordt in het voorstel aangegeven dat de afstudeerrichting een overgroot deel van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen zal bevatten. Het is de commissie uit het voorstel niet duidelijk geworden hoeveel studiepunten uiteindelijk zullen indalen. Gelet op hetgeen is aangegeven in paragraaf 2.2 dienen dit ten minste 28 studiepunten te zijn. Voorts wordt aangegeven dat de afgestudeerde onder begeleiding zelfstandig als leraar zal functioneren en wordt beschreven hoe deze begeleiding vorm zal krijgen. Beoordeling: Voldoende Postdoctorale maatwerktrajecten (optioneel) De postdoctorale opleidingstrajecten in het voorstel, die gericht zijn op het verwerven van een getuigschrift van de lerarenopleiding worden voldoende geacht. Tot de doelgroepen van deze maatwerktrajecten behoren volgens het voorstel in ieder geval aio's, oio's, academici met werkervaring elders en tweedegraads bevoegden. De aanpak van de UL met betrekking tot studenten die reeds in het bezit zijn van een doctoraal spreekt de commissie zeer aan daar waar het verwante 10

3. Universiteit Leiden vakgebieden betreft. De commissie heeft echter twijfels daar waar dit gebeurt bij niet-verwante gebieden. Daarnaast mist zij informatie over de te hanteren procedure ter vaststelling van het instroom- en eindniveau. Beoordeling: Twijfelachtig ALGEMEEN OORDEEL Het voorstel is weliswaar gefragmenteerd, maar voldoet aan de criteria en maakt een kwalitatief voldoende uitvoering aannemelijk. De commissie komt dan ook tot een positief oordeel. Goedgekeurd 1 1

\2

4. Technische Universiteit Delft. Universiteit Twente en Technische Universiteit Eindhoven 4. TECHNISCHE UNIVERSITEIT DELFT, UNIVERSITEIT TWENTE EN TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN Algemeen Het verzoek betreffende een subsidie ten behoeve van activiteiten voor de ontwikkeling van nieuwe curricula die voorbereiden op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs eerste graad, is door het College van Bestuur tijdig ingediend (voor 15 februari 1999). In het verzoek wordt aangegeven dat is overlegd met de betrokken faculteiten en lerarenopleidingen. De wijze van evaluatie wordt beknopt toegelicht. Het voorstel heeft betrekking op de 5-jarige "ingenieurs"-afstudeervariant. Om tot een verhoging van de instroom van het aantal studenten in de lerarenopleiding te komen hebben de drie technische universiteiten een aantal activiteiten (projecten) gepland. Deze betreffen: - vergelijking curricula ingenieursopleiding en lerarenopleiding - competentie-ontwikkeling en beoordeling dio's - internationalisering - onderwijs in de technologie van de duurzame ontwikkeling - leren modelleren - algemene natuurwetenschappen (ANW) - informatie- en communicatietechnologie (ICT) in de ulo en in het voortgezet onderwijs - rol van de leraar bij de beeldvorming techniek - regionale educatieve samenwerking - realisering verdere indaling De uitvoeringvan de deelprojecten zal vanaf 1999-2001 plaatsvinden. TOETSINGSCRITERIA ALGEMEEN Bij de 5-jarige afstudeervariant is sprake van opleidingstrajecten waarbij de student direct na de doctoraalopleiding begeleid maar zelfstandig het leraarsberoep kan uitoefenen. Na het behalen van het ingenieursdiploma kan men instappen in een postdoctoraal traject van 21 studiepunten. De commissie heeft uit de stukken niet kunnen opmaken hoe de begeleiding door de TULO en scholen van voortgezet onderwijs zal worden verzorgd. Voor het realiseren van een toename van het aantal universitair opgeleide leraren baseren de drie TU's zich op reeds opgedane ervaring aan de TUD en op onderzoek naar de belangstelling voor een ingedaald leraarsprogramma bij studenten aan de drie TU's. De commissie heeft echter in het voorstel geen overtuigende onderbouwing van de geschetste veronderstelling kunnen vinden. 13

Bijlage Beoordeling: Twijfelachtig Uit het voorstel blijkt dat samenwerking met scholen voor voortgezet onderwijs is ondergebracht in een apart deelproject waarin bestaande samenwerkingsprogramma's en netwerken verder uitgebouwd worden. De commissie verwacht van de activiteiten in dit kader een behoorlijk resultaat. Beoordeling: Ruim voldoende TOETSINGSCRITERIA PER OPLEIDINGSTRAJECT Afstudeerrichting 5-jarige opleiding In het voorstel van de drie TU's wordt vorm gegeven aan een afstudeerrichting binnen een 5-jarige opleiding, die op termijn als onderdeel van de hoofdlijnen onderwijs- en examenregeling moet worden geregistreerd in het Croho. Binnen de afstudeerrichting vindt zowel op theoretische als praktische voorbereiding op het leraarsberoep plaats. De 5-jarige "ingenieursvariant" van de lerarenopleiding is zodanig ingericht dat het het overgrote deel van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen bevat (28 studiepunten). In het voorstel wordt aangegeven dat van deze 28 studiepunten er 7 reeds in het reguliere programma voorkomen, zodat het basisprogramma met deze 7 bekort kan worden. De commissie stelt vast dat de overlap tussen het ingenieursprogramma en de lerarenopleiding onderwerp is van één van de deelprojecten. Zij acht het dan ook prematuur op voorhand de overlap op 7 studiepunten te stellen. Daarnaast is de commissie van mening dat het toetsingscriterium "voor het overgrote deel voor het leraarsberoep relevante elementen bevatten" doelt op ten minste 28 studiepunten. Na het behalen van het ingenieursdiploma start het postdoctorale traject van 21 studiepunten. De UT en de TUE gaan er van uit de ingenieursvariant van de natuurkundeopleiding op termijn in zijn geheel in het doctoraal in te laten dalen. Het ligt volgens de commissie in de rede dat wordt bezien in hoeverre dit tevens bij de andere opleidingen mogelijk is. Beoordeling: Voldoende ALGEMEEN OORDEEL Er van uit gaande dat het predoctorale deel niet bij voorbaat met 7 studiepunten bekort zal worden en daadwerkelijk 28 studiepunten zal omvatten komt de commissie tot een positief oordeel over het voorstel van de TUD, de UT en de TUE. Goedgekeurd. 14

S \ Mvertitrit. ïhrerht 5. UNIVERSITEIT UTRECHT Algemeen Het verzoek betreffende een subsidie ten behoeve van activiteiten voor de ontwikkeling van nieuwe curricula die voorbereiden op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs eerste graad, is door het College van Bestuur tijdig ingediend (voor 15 februari 1999). In het verzoek wordt aangegeven dat is overlegd met de betrokken faculteiten en lerarenopleidingen. De wijze van evaluatie wordt beknopt toegelicht. Het voorstel betreft duale trajecten, afstudeerrichtingen binnen 5-jarige opleiding en postdoctorale maatwerktrajecten. Om tot een verhoging van de instroom van het aantal studenten in de lerarenopleiding te komen heeft de UU een aantal activiteiten (projecten) gepland. Deze betreffen: - ontwikkeling nieuwe routes bijzondere instromers - oriëntatie educatieve praktijk - begeleiding studenten vanuit VO - voorlichting en marketing - tussentijdse toetsing Vanaf 1999 zal gestart worden met afstemming van programma's en aanpassing van onderdelen van de lerarenopleiding en de vakopleiding. Daarnaast zal tevens de ontwikkeling van een of meer gemeenschappelijke modulen plaatsvinden. Vanaf september 2000 zullen de duale trajecten en 5- jarige afstudeerrichtingen worden gestart. In 2001 moeten uiteindelijk alle 18 opleidingsprogramma's vernieuwd zijn. TOETSINGSCRITERIA ALGEMEEN Bij het duale traject is sprake van opleidingstrajecten waarbij de student direct na de doctoraalopleiding het leraarsberoep kan uitoefenen. Het praktijkgedeelte beslaat 30 studiepunten. Bij de 5- jarige afstudeervariant kan men na het doctoraaldiploma begeleid maar zelfstandig het leraarsberoep uitoefenen. Na een lio-schap van 3 maanden (14 studiepunten) kan volledig zelfstandig het leraarsberoep worden uitgeoefend. De UU denkt een toename van het aantal universitair opgeleide leraren te realiseren door vanaf het derde jaar de lerarenopleiding overal in een brede C/E-variant aan te bieden in integratie met de vakopleiding. Daarnaast wil men door het in het begin aanbieden van de module "Oriëntatie op de educatieve praktijk" (8 studiepunten) de aantrekkelijkheid van het leraarschap en de geschiktheid ervoor van de student al vroeg duidelijk te maken. De UU denkt in 5 jaar een toename van de 15

Bijlage instroom in de lerarenopleiding van 50% te realiseren. De commissie is van mening dat de UU voldoende aannemelijk maakt dat een toename daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. Beoordeling: Voldoende De commissie stelt voorts vast dat geen 4-jarige opleiding met daarbinnen een duaal traject of afstudeerrichtingvariant wordt aangeboden. Tenslotte blijkt uit het voorstel van de UU dat wordt samengewerkt met diverse opleidingsscholen (scholennetwerk Universiteit Utrecht). De betrokken scholen hebben zich gecommitteerd aan de vernieuwingsplannen van de UU zodat een breed draagvlak gegarandeerd is. Beoordeling: Ruim voldoende TOETSINGSCRITERIA PER OPLEIDINGSTRAJECT Duale opleidingstraject In het voorstel van de UU is sprake van een combinatie van een 4-jarige doctoraalopleiding en een lerarenopleiding van in totaal 5 jaar die duaal is ingericht. De curricula van de doctoraalopleiding en de lerarenopleiding zijn zodanig op elkaar afgestemd dat in de praktijk sprake is van een geïntegreerd traject. In de laatste twee jaar van het traject is de student gedurende een bepaalde periode (drie maanden =14 studiepunten) op basis van een lio-overeenkomst werkzaam in het onderwijs. Na vijf jaar wordt het traject afgesloten met een getuigschrift van zowel de vakopleiding als de lerarenopleiding. Het praktijkgedeelte van de duale opleiding omvat 30 studiepunten en voldoet hiermee aan de opvatting van de commissie dat de "bepaalde periode" minimaal 21 studiepunten dient te omvatten. Beoordeling: Ruim voldoende Afstudeerrichting 5-jarige opleiding In het voorstel van de UU wordt vorm gegeven aan een afstudeerrichting binnen een 5-jarige opleiding die op termijn als onderdeel van de hoofdlijnen onderwijs- en examenregeling moet worden geregistreerd in het Croho. Binnen de afstudeerrichting vindt zowel theoretische als praktische voorbereiding op het leraarsberoep plaats. De afstudeerrichting bevat het overgrote deel (36 studiepunten) van de voor de voorbereiding op het leraarsberoep relevante elementen. Het postdoctorale traject wordt in het voorstel beschreven en omvat 14 studiepunten. Beoordeling: Ruim voldoende Postdoctorale maatwerktrajecten (optioneel) De postdoctorale opleidingstrajecten in het voorstel van de UU, die gericht zijn op het verwerven van een getuigschrift van de lerarenopleiding worden voldoende geacht. Er wordt gesproken van flexibele leerroutes voor bijzondere instromers en van individuele arrangementen. Tot de doelgroepen van deze maatwerktrajecten behoren volgens het voorstel in ieder geval aio's, oio's en academi- 16

5. Universiteit I Itrer.ht ei met werkervaring elders. De commissie mist informatie over de daarbij te hanteren procedure ter vaststelling van het instroom- en eindniveau. Beoordeling: Ruim voldoende ALGEMEEN OORDEEL Het voorstel kenmerkt zich door een heldere aanpak. Het voldoet aan de criteria en maakt kwalitatief voldoende uitvoering aannemelijk. De commissie komt dan ook tot een positief oordeel. Goedgekeurd 17

IS

{, Universiteit van Amsterdam 6. UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM Algemeen Het verzoek betreffende een subsidie ten behoeve van activiteiten voor de ontwikkeling van nieuwe curricula die voorbereiden op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs eerste graad, is door het College van Bestuur tijdig ingediend (voor 15 februari 1999). In het verzoek wordt aangegeven dat is overlegd met de betrokken faculteiten en lerarenopleidingen. De wijze van evaluatie wordt beknopt toegelicht. Het voorstel heeft betrekking op alle varianten die volgens het convenant mogelijk zijn. Het betreft duale trajecten, afstudeerrichtingen binnen zowel 4- als 5-jarige opleiding, een op de huidige situatie gelijkend traject en postdoctorale maatwerktrajecten. Om tot een verhoging van de instroom van het aantal studenten in de lerarenopleiding te komen heeft de UVA een aantal activiteiten (projecten) gepland. Deze betreffen: - verbreding van de oriëntatie - ontwikkeling minors (onderdelen van 42 studiepunten binnen doctoraalprogramma's die zijn geprogrammeerd volgens het Major-Minor-systeem) - dualisering minor Deel II (evenals deel 121 studiepunten) - toelating en beoordeling - versterking begeleiding VO - afstemming lerarenopleiding - vakstudies en - doorstroomprogramma's en maatwerktrajecten voor overige instroom. Vanaf 1999 zal gestart worden met de lerarenopleidingen Talen, Mens en Maatschappij en Exact. Per cluster zal met één schoolvak worden gestart zodat uiteindelijk in september 2000 alle cursussen vernieuwd zijn. TOETSINGSCRITERIA ALGEMEEN Bij het duale traject kan de student direct na het doctoraal zelfstandig het leraarsberoep betreden. Bij de 4- en 5-jarige afstudeervarianten volgt na het doctoraal een postdoctoraal traject waarin de student begeleid maar zelfstandig het leraarsberoep kan uitoefenen. In de variant waar de ulo nagenoeg geheel postdoctoraal is gesitueerd is hiervan volgens de commissie geen sprake aangezien zij de predoctorale cursus Didactiek &_ Communicatie onvoldoende voorbereiding acht voor een zelfstandig (begeleid) optreden als leraar. Ten aanzien van de kwaliteit van de begeleiding biedt de aanvraag voldoende garanties. Beoordeling: Duaal en 4- en 5-jarig ruim voldoende. Gezien bovenvermelde opmerking acht de commissie de postdoctorale ulo onvoldoende. 19

Bijlage Voor het realiseren van een toename van het aantal universitair opgeleide leraren stelt de UvA de volgende maatregelen voor. Deze maatregelen betreffen onder andere: - diverse instap- en programmamogelijkheden - afstemming vakstudies en lerarenopleiding - betaling daar waar zelfstandig les wordt gegeven - het bepalen van de inhoudelijke lijn aan de hand van de praktijk. - kwaliteit De commissie acht voldoende aannemelijk gemaakt dat deze maatregelen zullen leiden tot het gestelde doel. Uit het voorstel blijkt dat de UvA flexibiliteit boven alles stelt. De commissie wil echter aantekenen dat naast deze flexibiliteit de factor kwaliteit voor het bereiken van het doel: meer studenten naar de lerarenopleiding, zeer belangrijk is. De programma's zullen inhoudelijk en qua status met de reguliere vakstudies moeten kunnen concurreren. In dit verband wijst de commissie op Minor Deel I en Deel II in respectievelijk de serie- en parallelschakeling. Minor Deel I moet door alle deelnemers gelijktijdig gevolgd kunnen worden ongeacht of ze Minor Deel II gelijktijdig of erna doen. Hoe dit moet leiden tot programmaonderdelen die door de deelnemers als kwalitatief goed worden ervaren is niet duidelijk. De aanvraag vermeldt slechts dat het gaat om "het herschikken van bestaande curriculumonderdelen en het bijstellen van onderdelen die nieuwe elementen moeten gaan bevatten". Ook onder het hoofd Beoordeling wordt niets vermeld wat "grip" op de inhoud geeft. De commissie acht dit "inhoudelijke" aspect, in een flexibel systeem zoals de UvA voorstaat, vanuit kwalitatief oogpunt zeer van belang. De UvA blijkens de aanvraag kennelijk ook, maar gaat niet verder dan de uitspraak dat dit aspect landelijke samenwerking tussen de diverse ulo's vergt. De commissie zou het op prijs hebben gesteld van de UvA op dit punt meer inbreng te vernemen, temeer daar ze een extreem flexibel opleidingsmodel wil hanteren. Beoordeling: Voldoende De commissie stelt voorts vast dat binnen de 4-jarige opleiding wordt vormgegeven aan zowel de afstudeerrichting als de duale variant. Tenslotte blijkt uit het voorstel van de UvA dat wordt samengewerkt met diverse opleidingsscholen. Er is een stabiel opleidingssysteem gecreëerd in de regio Groot-Amsterdam waarin scholen voor voortgezet onderwijs nauw betrokken zijn bij het opleiden van nieuwe leraren. Het huidige project is in zekere zin een versterking van het bestaande model. Beoordeling: Ruim voldoende 20