arrangeren voor trombone (c) Tobias Dammers 2003. Nieuwe versie 2005. Deze tekst heb ik samengesteld voor arrangeurs en componisten die mij vragen hoe de trombone in elkaar zit, wat je ermee wel en niet kan doen en wat moeilijk en makkelijk is. Ik heb geprobeerd de meest voorkomende vragen te beantwoorden. Als iets niet duidelijk is, contacteer mij dan: tdammers (apenstaartje) deds (punt) nl algemeen De registers van de trombone zijn ongeveer vergelijkbaar met die van een trompet, maar dan een octaaf lager; de lagere registers (pedaal t/m bas) zijn iets gebruikelijker op trombone dan op trompet. De trombone mengt over het algemeen goed met andere instrumenten. Een trombonesectie kan ook in de lagere registers vrij dicht bij elkaar gezet worden (bijv. 4 trombones in "closed setting" binnen het laag middenregister). Over het algemeen geldt: hoe hoger een trombone moet spelen, hoe harder en sneller, maar ook vermoeiender het wordt (voor de trombonist, niet voor het publiek...). trombone en trompet De ideale afstand tussen trombone en trompet is een octaaf; beide instrumenten zitten dan in een soortgelijk register en mengen goed. Zeker in de hogere registers zorgt dit voor een vol, dik geluid, en bovendien voor meer veiligheid voor de trompettist. Voor tweestemmige passages zijn de eerste keuzes sext en decime. Andere combinaties zijn meestal minder effectief, maar kunnen als special effects hun nut hebben. Voor "mellow" passages is een perfect unisono soms erg mooi, en als het geluid van een trombonesectie geïmiteerd moet worden, dan kan soms de trombone zelfs de lead overnemen. notatie Oorspronkelijk was er een hele familie van trombones: bas, tenor, alt, en diskant (sopraan). Deze werden allemaal in de bijbehorende sleutels genoteerd, en allemaal klinkend. Géén van deze trombones had ventielen; de bastrombone was op F gestemd, de tenor op Bes (zoals de moderne bas- en tenortrombones), de alt op Es, en de diskant op Bes (zoals vandaag). Vandaag wordt de bastrombone net zoals de tenortrombone gestemd op Bes, maar met wijdere pijpen en een grotere beker. De bastrombone heeft minimaal een kwartventiel, meestal ook nog een kwintventiel. Omdat deze twee dus qua schuifposities en lezen hetzelfde zijn, wordt voor allebei de bassleutel gebruikt. Voor tenortrombone vindt men in de klassieke literatuur ook geregeld partijen met tenorsleutel, en voor zeer hoge passages soms vioolsleutel. De alttrombone wordt nog steeds in altsleutel genoteerd, hoge passages soms in vioolsleutel. Omdat de altpartij vaak ook door een tenortrombone gespeeld wordt, kunnen klassieke tenortrombonisten deze ook vaak redelijk tot goed lezen. De diskant (schuiftrompet) wordt vandaag meestal gespeeld door trompettisten, en daarom ook vaak in Bes genoteerd. De ventieltrombone wordt doorgaans in Bes
vioolsleutel (octaverend) genoteerd. In de lichte muziek worden vooral bas- en tenortrombone gebruikt, en bijna altijd in bassleutel genoteerd. Veel hulplijnen hebben de voorkeur voor de aantekening "8va", en de meeste trombonisten hebben verrassend weinig moeite met het lezen van 4 of 5 hulplijnen. de registers (tenor- en bastrombone) dubbel pedaalregister In de praktijk niet te gebruiken en daarom ook niet in de tabel te zien. Spreekt extreem traag aan (enkele seconden), en lukt lang niet elke trombonist en / of op elke trombone. pedaalregister Spreekt erg traag aan, en vraagt om veel lucht. Zeer kleine volume range. Werkt het beste als een tweede trombonist het octaaf speelt. De range van dit register is theoretisch; de meeste trombonisten kunnen maar een paar noten spelen. De bes is veilig, a en as zitten er meestal ook nog op, daarna wordt het persoonlijk. ventielregister Alleen op trombones met kwartventiel (bastrombone of tenortrombone met kwartventiel). Zonder kwartventiel kunnen deze noten "gefaked" worden; dat klinkt wel dun en is moeilijk te intoneren. Op bastrombone compleet inzetbaar, op tenor soms een beetje dof geluid, en beperkte volume range. basregister (fundamentregister) Volle volumerange ook op tenortrombone. Dit register kan behoorlijk knetteren, en is op hogere volumes erg doorzettend. Zonder kwartventiel niet bijzonder geschikt voor snelle loopjes. Beste keuze als een tenortrombone de basfunctie moet hebben. laag middenregister Het mooiste register voor warme sounds, om een blaassectie "dik" te laten klinken, en om met andere instrumenten te mengen zonder op te vallen. Ook het meest comfortabel register om lange tijd door te blijven spelen. Iets moeilijker om scherp te
laten klinken. hoog middenregister Zeer veelzijdig, van warm tot briljant. Ook geschikt voor snelle passages en diverse effecten (shake, triller,...). Voor bastrombone liever niet hoger schrijven dan g. hoog register Minder briljant, en moeilijker op lagere volumes. Hoge c is de "officiële" top note van de trombone; deze kun je van elke (professionele) trombonist vragen, maar houd er rekening mee dat dit register op langere termijn vermoeiend kan zijn. Liever niet gebruiken in "makkelijke" arrangementen, bijv. voor jeugdorkest. topregister Dit register klinkt bijna altijd scherp en hard; zacht spelen is bijna onmogelijk. Welke noten uit dit register beschikbaar zijn, hangt af van de trombonist, het instrument, de context en de dagvorm. Allen per uitzondering te gebruiken in arrangementen, en dan het liefst met een alternatief, en sowieso alleen voor de 1e trombone. Wordt wel graag en vaak gebruikt in solo's. problemen / don't try this at home Het volgende voorbeeld is ideaal om van een trombonist je vijand te maken: Het probleem hierbij is dat (behalve als er een kwartventiel is) de enige mogelijkheid om dit te spelen een afwisseling is van schuifposities 1 en 7 (dus de hoogste en de laagste). Dat is nooit zuiver en mooi te krijgen, dus: niet doen. Voor bastrombone mag het trouwens wel; deze heeft doorgaans minstens een kwartventiel. In de lagere registers is het dus een goed idee om óf een trombonist te raadplegen, óf zelf even de schuifposities te checken. Dat kan met de volgende tabel:
Sommige noten kunnen op meerdere schuifposities gespeeld worden. Dat komt doordat de boventonen naar boven toe dichter bij elkaar komen te liggen. In zulke gevallen kiest een trombonist meestal voor de "kortste" (kleinste) schuifpositie, maar voor het speelgemak zijn "alternate positions" cruciaal. Lange schuifposities klinken minder briljant, en zijn moeilijker te intoneren. Een lang uitgerekte arm kan ook de embouchure en ademhaling negatief beïnvloeden. De combinatie "c-d" is bijv. makkelijker te spelen op 3-4 dan op 3-1, omdat dan twee verschillende boventonen gebruikt worden en een lipbinding mogelijk is. 6-7 zou ook kunnen, maar 3-4 is korter. Hoe hoger een passage ligt, hoe meer "alternate positions" komen er beschikbaar. Bovendien liggen in de hoogte ook meer noten op korte posities, waardoor de afstanden korter worden. Dat is een reden waarom de trombone in de hoogte makkelijker snel kan spelen. De eerste boventoon ligt trouwens 1 octaaf onder de tweede boventoon; de schuifposities zijn daarom identiek. De 7e boventoon is een behoorlijk stuk te hoog. Daarom wordt de as nooit op 1 gespeeld, maar altijd op 3. Er zijn enkele trombonemodellen met een veertje in de schuif, die een "verhoogde eerste positie" mogelijk maakt, maar in de praktijk blijkt dat deze zelden gebruikt wordt. Vanaf de as worden alleen nog maar posities 1 t/m 3 gebruikt; in dit register hoeft dus niet meer over schuifproblemen nagedacht te worden. Met een kwartventiel krijgt de trombonist 5 extra schuifposities. 1 plus ventiel geeft hetzelfde resultaat als 6; er zijn dus totaal 12 posities beschikbaar. De meest gebruikelijke toepassingen voor een kwartventiel zijn echter het vervangen van 6 door 1+V en 7 door 2+V, en het opvullen van de "gap" tussen lage E en contra-bes. In de hogere registers wordt het kwartventiel vrijwel nooit gebruikt. glissandi Er zijn 2 manieren om op een trombone glissandi te spelen. Echte glissandi kunnen alleen binnen eenzelfde boventoon (zie schuiftabel). Deze zijn de typische trombone-glissandi ("slide"), zonder sprongen. Trombonisten gebruiken deze techniek ook voor verschillende effecten zoals "fall" en "bend".
Glissandi met sprongen worden gerealiseerd door de schuif tegen de richting van de glissando in te bewegen en door meerdere boventonen heen te glijden. Hierdoor ontstaat een wat ruigere glissando met sprongen erin. Dit werkt bijzonder goed in hogere registers, omdat dan de boventonen dichter bij elkaar liggen. vibrato Er zijn 3 punten waarop een vibrato geproduceerd kan worden: ademsteun, embouchure en schuif. De arrangeur hoeft dit echter niet aan te geven. Afhankelijk van stijl kan het wel nuttig zijn om aan te geven wanneer vibrato wel of niet gewenst is. De ademsteun wordt zelden gebruikt voor vibrato; deze techniek is moeilijk en niet bijzonder effectief. Kan wel gebruikt worden voor bizarre tremolo's. De embouchurevibrato houdt in dat tong en / of kaak lichtjes open en dichtgaan; hierdoor worden toonhoogte én volume gemoduleerd. Deze techniek is de enige "echte" vibrato voor klassieke muziek, en is bijzonder geschikt voor een subtiele verrijking van het geluid. De schuifvibrato ontstaat door een lichte beweging van de schuif. Hiermee wordt de toonhoogte gemoduleerd, terwijl het volume gelijk blijft. Deze techniek staat een wijdere vibrato en een grotere variatie in snelheid toe, maar is minder geschikt voor lichte, subtiele effecten. Wordt daarom ook vaker gebruikt in sommige jazzstijlen ("sweet" style), en lichte muziek in het algemeen.