arrangeren voor trombone

Vergelijkbare documenten
De toonhoogte wordt hierbij bepaald door de lipspanning van de speler en de lengte van de buis.

Samenvatting Muziek Instrumenten

De opbouw van notenladders

Basale muziektheorie. Basale Muziek Theorie.

DE ZINGENDE TOREN pag. 1

De symfonie. Welke symfonie hoor je? Schrijf de juiste volgorde in de kaders bij de cd-hoezen.

DE INSTRUMENTENTOCHT. Muiekale voorseling van het Noord Nederlands Orket voor kinderen in groep 3 en 4 LESMATERIAAL

De hele noot Deze noot duurt 4 tellen

Les 1 C 1 D 1 E 1/2 F 1 G 1 A 1 B 1/2 C. Zeven letters voor alle noten. De zwarte toetsen. Deze kom je niet vaak tegen!

In Evacuate the dancefloor van Cascada wordt een langer motief gebruikt. Meteen daarna wordt een variatie gespeeld.

EEN SELECTIE UIT: Algemene Muziekleer. Ch.Hendrikx & L.Jakobs

Workshop Pbones Een project van philharmonie zuidnederland voor de groepen 5 t/m 8 van het basisonderwijs

Dempers. a.straight mute

Handleiding 20 toets draaiorgel. 12 Intoneren. Van zang- naar bas baspijpen oplopend: Labiumkant 1mm tot 2mm Kernkant 2mm tot 4mm Opsneden vlg..

Lesweek 7: Het Notenschrift In the Hall of the Mountain King (Grieg) Vervolgcursus

HULPGREPEN en TRILLERS VOOR SAXOFOON

De aanzet. De plaats waar de punt van de tong tegen de achterzijde der boventanden geplaatst moet worden, is afhankelijk van:

Fagot. 6.1 Korte geschiedenis. 6.2 Bouw

Bijlage voor JOHANNUS OPUS 1

Hoofdstuk Introductie video. 2. OCTAVEN Techniek

HULPGREPEN en TRILLERS VOOR SAXOFOON

THEORIE EXAMEN A 2019

Eindexamen Muziek vwo 2003-I

1. Het ritme wat ik voor ga spelen bestaat uit twee bouwstenen en extra halve noot. Schrijf de nummers van de goede bouwstenen op de juiste plek.

Eindexamen muziek havo 2007-I

Adviesverkoopprijslijst incl. BTW

Complete Zangtechniek in vier bladzijden

Clarinéo DE EERSTE STAPPEN

HOOFDSTUK Introductie video. 2.Noten in muziek

Muziek en meer MUZIEK METHODE VOOR BASISONDERWIJS GROEP 6

Week 3 Nog meer noten

Welke vinger te gebruiken? Niet zomaar een reeks over vingerzettingen op de mandoline Deel 4

ADEMHALING GAAT OVER INGAANDE LUCHT, VOORDAT JE ZINGT OF SPREEKT ADEMSTEUN IS DE CONTROLE OVER DE UITGAANDE LUCHT, TIJDENS HET ZINGEN OF SPREKEN

Module 3c. Een goedwerkende didactiek rond dit programma kan wellicht voor cursisten een uitdaging vormen.

Intervallen. Een interval is de afstand tussen twee tonen. Dit kan melodisch of harmonisch zijn.

Introductie in de muziektheorie oftewel Hoe zit muziek nou in elkaar?

Eindexamen muziek havo I

Mondharmonica is gemerkt: G (De laagste bluesharp) G# A A# B C C# D D# E F F# (De hoogste Bluesharp)

BETTER. bandlessen Deltion College opleiding Artiest (muziek) 4 september joost-visser.nl producties

Handleiding 20 toets draaiorgel. 3 Orgelpijpen. Enige theorie over orgelpijpen

ALGEMENE MUZIEKLEER VOOR HET B-EXAMEN

HOOFDSTUK Introductie video

Introductie tot kennis van de muziektheorie en solfège voor koorzangers

Josquin Desprez, begin van het Kyrie uit de Missa de Beata Virgine Josquin Desprez, beginning of the Kyrie from the Missa de Beata Virgine

Scherzando digitaal studeren

HOOFDSTUK 24 : ANDERE MAATSOORTEN

Inhoudsopgave. 1 Floor Wittink

Eindexamen Muziek havo 2002-I

Beide systemen zijn goed, maar deze methode legt de nadruk op leren door te luisteren.

INSTITUUT VOOR DEELTIJD HTO

Luister naar de muziekfragmenten en verbind de juiste bezetting met elk orkest.

Hoofdstuk Introductie video

Marsboekjes Harpjes Harphouders Ligatures & Caps. Adviesverkoopprijslijst incl. BTW

LEERLINGENHANDLEIDING. Inleiding

Staan. Maak de slackline korter, doordat er iemand op gaat zitten. Maak het moeilijker, door met twee benen tegelijk op de slackline te staan.

Eindexamen Muziek vwo 2002-I

ETUDES VOOR DE CF TREKHARMONICA

Over afstanden in een toonladder, majeur en mineur (noodzakelijk voorproefje)

Noten lezen voor gitaar

MOWGLI VAN DE WOLVENHORDE LESMAP

Copyright Co Atpress

Het notenschrift De basis

Lesbrief bij workshop PBones

Inleiding. Beste cursist, ... Waarom deze cursus?

Opmerkingen en tips die van belang kunnen zijn bij het Overzetten van accordeonmuziek voor orkest.

Viool RVDH Rob van der Haar Sneek Blz. 1

Een echte Johannus voor elke huiskamer!

NOTEN LEZEN VOOR DUMMIES

Basic Producer. De Home Studio

NOTENSCHRIFT. Jeanne qui sautte uit de 17e eeuw, melodie en baspartij.

GELUIDSONDERZOEK JULIANAKERK DORDRECHT T.B.V. ORGELVOLUME ONDER DE ACHTERGALERIJ

Thema 6 Uitingen. Les 6.1 Een dirigent van steen ( woordenboeken nodig bij de les) 3.Dirigeren:het leiden door de maat te slaan met een maatstokje

Ga je mee om de wonderlijke wereld van de zintuigen te ontdekken? Linda van de Weerd

Reinier Maliepaard: kerktoonsoorten ofwel modi

samengesteld bovenste cijfer is 4 of meer

Bekijk het introductiefilmpje op de homepagina en lees het onderstaande verhaal hierbij.

Plaats van de frets op een gitaar

Theorie A examen G I T A A R

Rijtips. Bochten techniek. Snelle bocht

Tips bij piano studeren:


Spreekbeurten.info Spreekbeurten en Werkstukken

Het verschil tussen mp en mf is niet erg groot. Het verschil tussen ppp en fff is heel groot!

Begrippenlijst muziektheorie

LefreQue is een revolutionaire klankbrug. Hoe werkt lefreque?

Aan de slag bij het orkest

SNELLER. FLEXIBELER. FUNCTIONELER.

Transcriptie:

arrangeren voor trombone (c) Tobias Dammers 2003. Nieuwe versie 2005. Deze tekst heb ik samengesteld voor arrangeurs en componisten die mij vragen hoe de trombone in elkaar zit, wat je ermee wel en niet kan doen en wat moeilijk en makkelijk is. Ik heb geprobeerd de meest voorkomende vragen te beantwoorden. Als iets niet duidelijk is, contacteer mij dan: tdammers (apenstaartje) deds (punt) nl algemeen De registers van de trombone zijn ongeveer vergelijkbaar met die van een trompet, maar dan een octaaf lager; de lagere registers (pedaal t/m bas) zijn iets gebruikelijker op trombone dan op trompet. De trombone mengt over het algemeen goed met andere instrumenten. Een trombonesectie kan ook in de lagere registers vrij dicht bij elkaar gezet worden (bijv. 4 trombones in "closed setting" binnen het laag middenregister). Over het algemeen geldt: hoe hoger een trombone moet spelen, hoe harder en sneller, maar ook vermoeiender het wordt (voor de trombonist, niet voor het publiek...). trombone en trompet De ideale afstand tussen trombone en trompet is een octaaf; beide instrumenten zitten dan in een soortgelijk register en mengen goed. Zeker in de hogere registers zorgt dit voor een vol, dik geluid, en bovendien voor meer veiligheid voor de trompettist. Voor tweestemmige passages zijn de eerste keuzes sext en decime. Andere combinaties zijn meestal minder effectief, maar kunnen als special effects hun nut hebben. Voor "mellow" passages is een perfect unisono soms erg mooi, en als het geluid van een trombonesectie geïmiteerd moet worden, dan kan soms de trombone zelfs de lead overnemen. notatie Oorspronkelijk was er een hele familie van trombones: bas, tenor, alt, en diskant (sopraan). Deze werden allemaal in de bijbehorende sleutels genoteerd, en allemaal klinkend. Géén van deze trombones had ventielen; de bastrombone was op F gestemd, de tenor op Bes (zoals de moderne bas- en tenortrombones), de alt op Es, en de diskant op Bes (zoals vandaag). Vandaag wordt de bastrombone net zoals de tenortrombone gestemd op Bes, maar met wijdere pijpen en een grotere beker. De bastrombone heeft minimaal een kwartventiel, meestal ook nog een kwintventiel. Omdat deze twee dus qua schuifposities en lezen hetzelfde zijn, wordt voor allebei de bassleutel gebruikt. Voor tenortrombone vindt men in de klassieke literatuur ook geregeld partijen met tenorsleutel, en voor zeer hoge passages soms vioolsleutel. De alttrombone wordt nog steeds in altsleutel genoteerd, hoge passages soms in vioolsleutel. Omdat de altpartij vaak ook door een tenortrombone gespeeld wordt, kunnen klassieke tenortrombonisten deze ook vaak redelijk tot goed lezen. De diskant (schuiftrompet) wordt vandaag meestal gespeeld door trompettisten, en daarom ook vaak in Bes genoteerd. De ventieltrombone wordt doorgaans in Bes

vioolsleutel (octaverend) genoteerd. In de lichte muziek worden vooral bas- en tenortrombone gebruikt, en bijna altijd in bassleutel genoteerd. Veel hulplijnen hebben de voorkeur voor de aantekening "8va", en de meeste trombonisten hebben verrassend weinig moeite met het lezen van 4 of 5 hulplijnen. de registers (tenor- en bastrombone) dubbel pedaalregister In de praktijk niet te gebruiken en daarom ook niet in de tabel te zien. Spreekt extreem traag aan (enkele seconden), en lukt lang niet elke trombonist en / of op elke trombone. pedaalregister Spreekt erg traag aan, en vraagt om veel lucht. Zeer kleine volume range. Werkt het beste als een tweede trombonist het octaaf speelt. De range van dit register is theoretisch; de meeste trombonisten kunnen maar een paar noten spelen. De bes is veilig, a en as zitten er meestal ook nog op, daarna wordt het persoonlijk. ventielregister Alleen op trombones met kwartventiel (bastrombone of tenortrombone met kwartventiel). Zonder kwartventiel kunnen deze noten "gefaked" worden; dat klinkt wel dun en is moeilijk te intoneren. Op bastrombone compleet inzetbaar, op tenor soms een beetje dof geluid, en beperkte volume range. basregister (fundamentregister) Volle volumerange ook op tenortrombone. Dit register kan behoorlijk knetteren, en is op hogere volumes erg doorzettend. Zonder kwartventiel niet bijzonder geschikt voor snelle loopjes. Beste keuze als een tenortrombone de basfunctie moet hebben. laag middenregister Het mooiste register voor warme sounds, om een blaassectie "dik" te laten klinken, en om met andere instrumenten te mengen zonder op te vallen. Ook het meest comfortabel register om lange tijd door te blijven spelen. Iets moeilijker om scherp te

laten klinken. hoog middenregister Zeer veelzijdig, van warm tot briljant. Ook geschikt voor snelle passages en diverse effecten (shake, triller,...). Voor bastrombone liever niet hoger schrijven dan g. hoog register Minder briljant, en moeilijker op lagere volumes. Hoge c is de "officiële" top note van de trombone; deze kun je van elke (professionele) trombonist vragen, maar houd er rekening mee dat dit register op langere termijn vermoeiend kan zijn. Liever niet gebruiken in "makkelijke" arrangementen, bijv. voor jeugdorkest. topregister Dit register klinkt bijna altijd scherp en hard; zacht spelen is bijna onmogelijk. Welke noten uit dit register beschikbaar zijn, hangt af van de trombonist, het instrument, de context en de dagvorm. Allen per uitzondering te gebruiken in arrangementen, en dan het liefst met een alternatief, en sowieso alleen voor de 1e trombone. Wordt wel graag en vaak gebruikt in solo's. problemen / don't try this at home Het volgende voorbeeld is ideaal om van een trombonist je vijand te maken: Het probleem hierbij is dat (behalve als er een kwartventiel is) de enige mogelijkheid om dit te spelen een afwisseling is van schuifposities 1 en 7 (dus de hoogste en de laagste). Dat is nooit zuiver en mooi te krijgen, dus: niet doen. Voor bastrombone mag het trouwens wel; deze heeft doorgaans minstens een kwartventiel. In de lagere registers is het dus een goed idee om óf een trombonist te raadplegen, óf zelf even de schuifposities te checken. Dat kan met de volgende tabel:

Sommige noten kunnen op meerdere schuifposities gespeeld worden. Dat komt doordat de boventonen naar boven toe dichter bij elkaar komen te liggen. In zulke gevallen kiest een trombonist meestal voor de "kortste" (kleinste) schuifpositie, maar voor het speelgemak zijn "alternate positions" cruciaal. Lange schuifposities klinken minder briljant, en zijn moeilijker te intoneren. Een lang uitgerekte arm kan ook de embouchure en ademhaling negatief beïnvloeden. De combinatie "c-d" is bijv. makkelijker te spelen op 3-4 dan op 3-1, omdat dan twee verschillende boventonen gebruikt worden en een lipbinding mogelijk is. 6-7 zou ook kunnen, maar 3-4 is korter. Hoe hoger een passage ligt, hoe meer "alternate positions" komen er beschikbaar. Bovendien liggen in de hoogte ook meer noten op korte posities, waardoor de afstanden korter worden. Dat is een reden waarom de trombone in de hoogte makkelijker snel kan spelen. De eerste boventoon ligt trouwens 1 octaaf onder de tweede boventoon; de schuifposities zijn daarom identiek. De 7e boventoon is een behoorlijk stuk te hoog. Daarom wordt de as nooit op 1 gespeeld, maar altijd op 3. Er zijn enkele trombonemodellen met een veertje in de schuif, die een "verhoogde eerste positie" mogelijk maakt, maar in de praktijk blijkt dat deze zelden gebruikt wordt. Vanaf de as worden alleen nog maar posities 1 t/m 3 gebruikt; in dit register hoeft dus niet meer over schuifproblemen nagedacht te worden. Met een kwartventiel krijgt de trombonist 5 extra schuifposities. 1 plus ventiel geeft hetzelfde resultaat als 6; er zijn dus totaal 12 posities beschikbaar. De meest gebruikelijke toepassingen voor een kwartventiel zijn echter het vervangen van 6 door 1+V en 7 door 2+V, en het opvullen van de "gap" tussen lage E en contra-bes. In de hogere registers wordt het kwartventiel vrijwel nooit gebruikt. glissandi Er zijn 2 manieren om op een trombone glissandi te spelen. Echte glissandi kunnen alleen binnen eenzelfde boventoon (zie schuiftabel). Deze zijn de typische trombone-glissandi ("slide"), zonder sprongen. Trombonisten gebruiken deze techniek ook voor verschillende effecten zoals "fall" en "bend".

Glissandi met sprongen worden gerealiseerd door de schuif tegen de richting van de glissando in te bewegen en door meerdere boventonen heen te glijden. Hierdoor ontstaat een wat ruigere glissando met sprongen erin. Dit werkt bijzonder goed in hogere registers, omdat dan de boventonen dichter bij elkaar liggen. vibrato Er zijn 3 punten waarop een vibrato geproduceerd kan worden: ademsteun, embouchure en schuif. De arrangeur hoeft dit echter niet aan te geven. Afhankelijk van stijl kan het wel nuttig zijn om aan te geven wanneer vibrato wel of niet gewenst is. De ademsteun wordt zelden gebruikt voor vibrato; deze techniek is moeilijk en niet bijzonder effectief. Kan wel gebruikt worden voor bizarre tremolo's. De embouchurevibrato houdt in dat tong en / of kaak lichtjes open en dichtgaan; hierdoor worden toonhoogte én volume gemoduleerd. Deze techniek is de enige "echte" vibrato voor klassieke muziek, en is bijzonder geschikt voor een subtiele verrijking van het geluid. De schuifvibrato ontstaat door een lichte beweging van de schuif. Hiermee wordt de toonhoogte gemoduleerd, terwijl het volume gelijk blijft. Deze techniek staat een wijdere vibrato en een grotere variatie in snelheid toe, maar is minder geschikt voor lichte, subtiele effecten. Wordt daarom ook vaker gebruikt in sommige jazzstijlen ("sweet" style), en lichte muziek in het algemeen.