Bestuurs(proces)recht

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Bestuurs(proces)recht"

Transcriptie

1 Bestuurs(proces)recht ten-generaal) op de hoogte te brengen van voornemens en concepten op het gebied van de Europese regelgeving. 8 NIEUW VERSCHENEN L.F.M. Besselink, L.A.J. Senden, E. Steyger, R.J.G.M. Widdershoven, Grondwet voor Europa. Wettekst en vergelijking met de geldende basisverdragen, Den Haag L.F.M. Besselink (ed.), Constitutional Law of the Netherlands. An Introduction with Texts, Cases and Materials, Nijmegen Rien den Boer (red.), Uit de openbare dienst, Verkeer en waterstaat-juristen bundel, ISBN E. Brainich von Brainich Felth, Het systeem van crisisbeheersing. Bevoegdheden en verplichtingen bij de voorbereiding op en het optreden tijdens crises, Den Haag L.E. de Groot-van Leeuwen, Rechters tussen staat en straat (oratie Nijmegen 2005). Bestuurs(proces)recht Mr. K.J. de Graaf WETGEVING I; BESTUURSRECHTELIJKE GELDSCHULDEN In het vorige Ars Aequi Katern is aandacht besteed aan het wetsvoorstel betreffende de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het bijzonder werd ingegaan op de voorgestelde veranderingen aangaande de herstelsancties en de bestuurlijke boete. Als aanvulling op die bespreking, staat in deze bijdrage een ander belangrijk deel van het wetsvoorstel betreffende de vierde tranche centraal: de bestuursrechtelijke geldschulden van titel 4.4 Awb (Kamerstukken II 2003/04, ; hierna: het wetsvoorstel). Voor die bespreking bestaat ook goede reden. Niet alleen sluit de bespreking aan bij de aandacht voor de bestuurlijke boete, omdat een opgelegde bestuurlijke boete een bestuursrechtelijke geldschuld in de zin van het wetsvoorstel is, maar ook verscheen een nieuw deel in de serie Monografieën Algemene wet bestuursrecht over publiekrechtelijke geldschulden (M.W. Scheltema, Publiekrechtelijke geldschulden (Mon. Awb A-10), Deventer: Kluwer 2005), waarin het wetsvoorstel in ruime mate aan de orde komt. Algemeen Het huidige recht kent geen algemene regeling voor bestuursrechtelijke geldschulden. Dit heeft tot gevolg dat niet altijd geheel duidelijk is welk rechtsregime van toepassing is op het vaststellen, betalen en invorderen van deze schulden. Hoewel het bestuursrecht geen algemene regeling kent, bestaan wel legio bijzondere regelingen. Niet alleen het socialezekerheidsrecht en het ambtenarenrecht, maar vooral ook het belastingrecht kent specifieke bepalingen over bestuursrechtelijke geldschulden. Voor de invordering van geldschulden door de overheid kent het bestuursrecht zelfs 63 verschillende regelingen, waarvan bijlage 1 bij de memorie van toelichting van het wetsvoorstel een overzicht geeft. Ondanks dat de invordering van bestuursrechtelijke geldschulden in die verschillende regelingen steeds plaatsvindt met behulp van een dwangbevel dat als executoriale titel dienst kan doen, bestaan op veel punten, zonder aanwijsbare redenen, aanzienlijke verschillen tussen de bestuursrechtelijke regelingen. Een uniforme, algemene regeling over de invordering van bestuursrechtelijke geldschulden zal de rechtseenheid en de rechtszekerheid ten goede komen. Ook al zijn er talrijke publiekrechtelijke regelingen, toch moet onder het huidige recht nog vaak worden teruggevallen op de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het BW kent immers een regeling over de nakoming van privaatrechtelijke geldschulden in de artikelen 6:27 t/m 6:51 en 6:111 t/m 6:137. Hoewel deze bepalingen als inspiratiebron goede diensten bewijzen, wordt daarin niet altijd voldoende rekening gehouden met het bijzondere karakter van het bestuursrecht. Over de afstemming tussen privaatrecht en bestuursrecht stelt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ten eerste dat de bepalingen van het BW niet zonder meer van toepassing zijn op de bestuursrechtelijke geldschulden. De regering acht het bijvoorbeeld noodzakelijk om op het punt van verrekening en verjaring een van het BW afwijkende regeling te treffen. Ten tweede komt naar voren dat nodeloze verschillen tussen de privaatrechtelijke en bestuursrechtelijke regelingen aangaande geldschulden moeten worden vermeden. In het wetsvoorstel wordt daarom op enkele plaatsen verwezen naar het BW, maar soms zijn ook bepalingen uit het BW geheel overgenomen in de Awb. Door een uniforme regeling in de Awb, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, kan duidelijkheid worden verschaft omtrent het geldende recht en kan de toegankelijkheid daarvan worden verbeterd. Zo gezien bestaat er voldoende aanleiding voor een algemene regeling betreffende bestuursrechtelijke geldschulden in de Awb. Desondanks stond de regering in eerste instantie een beperkter wetsvoorstel voor ogen. Een opmerking van de Raad 5276 KATERN 95

2 van State over de derde tranche van de Awb, betreffende de rechtsbescherming bij de invordering van dwangsommen door de overheid (Kamerstukken II , , A, punt 8.18), leidde tot het verzoek van de regering aan de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht (de Commissie Scheltema) om voor het invorderen van bestuursrechtelijke geldschulden een uniforme regeling te ontwerpen. Het nu voorliggende wetsvoorstel beperkt zich echter niet tot de rechtsbescherming bij de invordering van bestuursrechtelijke geldschulden (afdeling Awb in het wetsvoorstel). Met de Commissie Scheltema meent de regering dat de invordering van bestuursrechtelijke geldschulden niet goed los kan worden gezien van een algemene regeling voor bestuursrechtelijke geldschulden over onder andere het vaststellen van bestuursrechtelijke geldschulden, de betalingstermijnen, verjaring, verrekening, verschuldigdheid van wettelijke rente en de mogelijkheden om een voorschot te krijgen. Daarnaast betreft de regeling niet alleen de bestuursrechtelijke geldschulden van burgers aan bestuursorganen, maar ook de geldschulden van bestuursorganen aan burgers. Met het wetsvoorstel wordt ook een duidelijke koppeling gelegd met het rechtspersonenrecht in het BW. Een nieuw artikel 1:1, vierde lid, Awb, zal in algemene bewoordingen gaan bepalen dat de vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan behoort. De bestuursrechtelijke geldschuld Wat is nu een bestuursrechtelijke geldschuld in de zin van het wetsvoorstel? Artikel van het wetsvoorstel voorziet in een antwoord op deze vraag en bepaalt daarmee de reikwijdte van de nieuwe regeling. Vergelijkbaar met de artikelen 5:22 en 5:32 Awb inzake bestuursdwang en bestuurlijke dwangsom, is gekozen voor een systeem waarin de bijzondere wetgeving bevoegdheden toekent en de Awb een algemene regeling geeft. De algemene regeling op het gebied van geldschulden in de Awb zal, gezien artikel van het wetvoorstel, van toepassing zijn op in beginsel alle geldschulden die voortvloeien uit hetzij een bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling aan of door een bestuursorgaan regelt (lid 1 sub a) hetzij uit een besluit (lid 1 sub b). De eerstgenoemde categorie is niet de meest omvangrijke. Als voorbeelden kunnen gelden de omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan zonder dat de belastingdienst daarover een apart besluit neemt en de premies voor de sociale verzekeringen die de werkgever moet betalen. De tweede, omvangrijkere categorie betreft de geldschulden die voortvloeien uit een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Voorbeelden zijn Bestuurs(proces)recht talrijk. Gedacht kan worden aan geldschulden die worden vastgesteld bij besluit in het sociale zekerheidsrecht, aan subsidiebeschikkingen en belastingaanslagen, maar ook aan bij de bestuursrechter appellabele besluiten aangaande nadeelcompensatie of schadevergoeding, ook al zijn die besluiten gebaseerd op ongeschreven recht. De regeling ziet niet op geldschulden die voortvloeien uit overeenkomsten met het bestuur, uit het heffen van leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag, uit het heffen van griffierecht voor het in behandeling nemen van een beroepschrift en op grond van artikel , derde lid, van het wetsvoorstel ook niet op schulden die voorvloeien uit een uitspraak van de bestuursrechter over bijvoorbeeld de vergoeding van schade, griffierecht en/of proceskosten ingevolge de artikelen 8:73(a), 8:74 en 8:75(a) Awb. Het wetsvoorstel bepaalt in een gewijzigd artikel 8:76 Awb dat de uitspraak van de bestuursrechter op die punten een executoriale titel oplevert in de zin van artikel 430 Rv. Daar doen zich dus geen problemen voor met betrekking tot de invordering. Artikel 8:76 Awb strekt zich echter bewust niet uit tot geldschulden die voortvloeien uit een uitspraak van de bestuursrechter in de zin van artikel 8:72, vierde lid, Awb. Indien de bestuursrechter zelf in de zaak voorziet en dus beslist wat het bestuursorgaan had moeten beslissen levert dat geen executoriale titel op. Indien in een dergelijke uitspraak in de zin van artikel 8:72, vierde lid, Awb een geldschuld van een burger wordt vastgesteld, valt die uitspraak die immers in de plaats treedt van een besluit over die geldschuld onder de regeling van het wetsvoorstel. Zelfs nadat een (bestuurs)rechter de geldschuld definitief heeft vastgesteld, zal nog een invorderingsprocedure moeten worden gestart door het bestuursorgaan indien het een executoriale titel nodig heeft om betaling af te dwingen. Hoewel die invorderingsprocedure gepaard zal gaan met rechtsbescherming voor de burger en daarom geen kwaad kan (zo ook M.W. Scheltema, p. 17), lijkt die enigszins overbodig omdat een Nederlandse rechter definitief de geldschuld heeft vastgesteld. Dat een verwijzing in het voorgestelde artikel 8:76 Awb naar artikel 8:72, vierde lid, Awb ontbreekt, is ook opmerkelijk indien in die uitspraak een geldschuld van het bestuursorgaan wordt vastgesteld. Wanneer een bestuursrechter in een procedure over een zelfstandig schadebesluit zelf in de zaak voorziet, waarmee de geldschuld van een bestuursorgaan definitief wordt vastgesteld, levert die uitspraak evenmin een executoriale titel op in de zin van artikel 430 Rv. De burger kan genoodzaakt zijn een nieuwe, civielrechtelijke procedure te starten teneinde die titel te verkrijgen. Hoewel enerzijds kan worden aangenomen dat bestuursorganen geneigd zullen zijn gehoor te geven STAATS- EN BESTUURSRECHT KATERN

3 Bestuurs(proces)recht aan een uitspraak in de zin van artikel 8:72 Awb waarin een geldschuld is vastgesteld, is anderzijds opmerkelijk dat een uitspraak van een Nederlandse rechter geen executoriale titel oplevert. Naar mijn mening is het lastig om daar de ratio van te ontdekken. De regeling in het wetsvoorstel Wat behelst nu het wetsvoorstel? Het gaat het bestek van deze bijdrage te buiten om alle aspecten van het wetsvoorstel te bespreken. Volstaan wordt met het aanstippen van enkele kernpunten. Hoewel een bestuursrechtelijke geldschuld ook rechtstreeks uit de wet kan voortvloeien, is hoofdregel van het wetsvoorstel dat een betalingsverplichting eerst ontstaat nadat een beschikking tot stand is gekomen. Een aantal elementen dient deze beschikking in elk geval te bevatten. Zo moet op grond van artikel , tweede lid, van het wetsvoorstel duidelijk zijn hoeveel moet worden betaald en binnen welke termijn dat moet gebeuren. In beginsel geldt een termijn van zes weken na bekendmaking van de beschikking, op welke termijn de Algemene Termijnenwet van toepassing is. Van de termijn kan overigens bij bijzondere wet worden afgeweken. Daarnaast bepaalt het motiveringsbeginsel, gezien de artikelen 3:46 en 3:47 Awb, dat de beschikking de reden van de betalingsverplichting moet vermelden. De regering neemt aan dat het besluit standaard zal vermelden op welke wijze de schuld kan worden betaald gezien artikel van het wetsvoorstel gebeurt dat in beginsel giraal. In principe geldt het voorgaande voor zowel geldschulden van als geldschulden aan bestuursorganen. De regeling biedt onder andere de mogelijkheid om bij beschikking voorschotten te verlenen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een betalingsverplichting zal worden vastgesteld (art ), en om uitstel van betaling te krijgen (art ). Kernpunt van het wetsvoorstel is dat bestuursrechtelijke geldschulden, in afwijking van het privaatrecht, niet kunnen worden verrekend met bestaande vorderingen (zie hierover ook de noot onder HR 29 oktober 2004, AB 2005, 31 m.nt. FvO), tenzij in die mogelijkheid bij wettelijk voorschrift is voorzien (art ). Zo wordt voor bijvoorbeeld subsidies, welke geldschulden reeds een algemene regeling kennen in de Awb, voorgesteld dat verrekening (beperkt) mogelijk moet zijn. De regering kiest voor de hoofdregel dat niet kan worden verrekend om te voorkomen dat, bij wijze van voorbeeld, iemand betaling van zijn bestuurlijke boete zou weigeren omdat hij nog recht heeft op huursubsidie. Indien de burger een schuld aan het bestuursorgaan niet binnen de gestelde termijn betaalt, is hij daarna in verzuim. Dat heeft tot gevolg dat een bij beschikking vast te stellen bedrag aan wettelijke rente verschuldigd is. Indien betaling niet plaatsvindt, zal het bestuursorgaan de burger moeten aanmanen om binnen twee weken te betalen (art ). Niet alleen heeft het bestuursorgaan de plicht om aan te manen, maar ook moet de burger op de hoogte gesteld worden van de eventuele op kosten van die burger uit te voeren invorderingsmaatregelen. Blijft betaling nog altijd uit, dan kan het bestuursorgaan een dwangbevel uitvaardigen waarmee niet alleen de hoofdschuld, maar ook de verschuldigde wettelijke rente, de aanmaningskosten en de kosten van het dwangbevel kunnen worden ingevorderd (art ). Het wetsvoorstel creëert echter niet een algemene bevoegdheid voor bestuursorganen om in te vorderen met behulp van een dwangbevel (zie art ). De wetgever zal die bevoegdheid dus steeds in een bijzondere wet moeten hebben toegekend. Het bestuursorgaan kan die bevoegdheid bovendien verliezen (door verjaring) indien vijf jaren zijn verstreken na de voorgeschreven betalingstermijn en de verjaring niet is gestuit (zie afdeling 4.4.3). Een bevoegd uitgevaardigd dwangbevel geldt als executoriale titel in de zin van artikel 430 Rv en moet, in afwijking van de regels daaromtrent in de Awb, worden bekendgemaakt door de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hoewel tegen de verschillende beschikkingen betreffende de bestuursrechtelijke geldschulden rechtsbescherming openstaat (zie daarover ook art ), bepaalt het wetsvoorstel dat geen rechtsbescherming bij de bestuursrechter kan worden gezocht tegen het dwangbevel. Artikel 438 Rv regelt dat geschillen die in verband met de executie rijzen, bij de burgerlijke rechter aanhangig moeten worden gemaakt. Belangrijk is daarnaast dat, in afwijking van het voorontwerp, is gekozen voor een met de Invorderingswet 1990 vergelijkbaar open systeem van invordering. Dat houdt in dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om met behulp van een dwangbevel in te vorderen, er niet aan in de weg staat dat de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort, kan beslissen om gebruik te maken van de invorderingsmogelijkheden bij de burgerlijke rechter, tenzij dat bij bijzondere wet is uitgesloten (art ). WETGEVING II; EXTERN KLACHTRECHT Op 15 maart 2005 is de Wet extern klachtrecht (gedeeltelijk) in werking getreden (Stb. 2005, 71; inwerkingtreding Stb. 2005, 116). Voor een bespreking van de toegevoegde waarde van deze externe klachtvoorziening, kan ik de lezer verwijzen naar een bijdrage in dit tijdschrift (R. Ortlep, De toegevoegde waarde van de Wet extern klachtrecht, AA 2004, p. 169 e.v.). De Wet extern 5278 KATERN 95

4 klachtrecht voegt nieuwe bepalingen toe aan hoofdstuk 9 van de Awb (titel 9.2 Awb). Deze bepalingen betreffen de behandeling van klachten over gedragingen van bestuursorganen door een externe, onafhankelijke en onpartijdige ombudsman of ombudscommissie. Onder ombudsman kan ingevolge de definitie in artikel 9:17 Awb alleen worden verstaan de Nationale ombudsman of een ombudsman/commissie ingesteld krachtens de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet of de Wet gemeenschappelijke regelingen. Met deze definitie wordt ook beoogd die term ter voorkoming van verwarring wettelijk te beschermen. De burger kan zich pas tot de externe klachtinstantie wenden indien een interne klachtprocedure bij het bestuursorgaan waarover wordt geklaagd, is afgerond (art. 9:20 Awb). De interne klachtprocedure was reeds op 1 juli 1999 neergelegd in hoofdstuk 9 Awb. Vanaf 15 maart worden die bepalingen opgenomen in titel 9.1 Awb. De externe klachtprocedure wordt geregeld in titel 9.2 Awb. De Wet extern klachtrecht heeft tevens tot doel te voorzien in een landelijk dekkend stelsel van volwaardige externe klachtvoorzieningen bij decentrale overheden en te komen tot harmonisatie van de eisen waaraan die voorzieningen moeten voldoen (zie Kamerstukken II , , nr. 3, p. 2). Hoewel veel bestuursorganen reeds een externe klachtvoorziening kennen, geldt vanaf 1 januari 2006 dat decentrale overheden daadwerkelijk (verplicht zijn te) beschikken over een externe klachtinstantie met onafhankelijk en onpartijdig personeel. Provincies, gemeenten en waterschappen die nog geen voorziening hadden, hebben tot 1 januari 2006 de tijd om een eigen ombudsvoorziening op te zetten. Indien dat niet gebeurt, is de Nationale ombudsman bevoegd. In de bevoegdheid van de Nationale ombudsman ten aanzien van klachten over de bestuursorganen van het Rijk en de politie en over zelfstandige bestuursorganen, komt geen verandering. Voor de Wet Nationale ombudsman (WNo) zelf, die vooral op institutioneel vlak relevantie behoudt, betreft het een ingrijpende wijziging, omdat veel processuele bevoegdheden en de bepalingen over de procedure grotendeels zijn verplaatst naar de Awb en zijn aangepast aan de terminologie van laatstgenoemde wet. Uit de WNo blijft behouden de terminologie over het indienen van een klacht bij een externe klachtinstantie. Ook in de Awb wordt een dergelijke klacht nu aangeduid als verzoek. Zo ontstaat een met het verschil tussen bezwaarschrift en beroepschrift vergelijkbaar onderscheid. Voordat extern kan worden geklaagd door een verzoekschrift in te dienen bij een ombudsman (zie art. 9:18 Awb), moet de interne klachtprocedure worden doorlopen door een klachtschrift in te dienen (zie art. 9:1 Awb). JURISPRUDENTIE I; TWEE KEER TWEEWEGENLEER Bestuurs(proces)recht Een eerste voorbeeld van recente jurisprudentie met betrekking tot de tweewegenleer, houdt onder andere verband met het hierboven besproken wetsvoorstel betreffende de vierde tranche van de Awb. In afwijking van het voorontwerp voor die vierde tranche en in overeenstemming met het systeem van de Invorderingswet 1990, kiest de regering in dat wetsvoorstel voor een open systeem voor de invordering van bestuursrechtelijke geldschulden. Dit betekent dat het bestuur voor de invordering gebruik kan maken van de bestuursrechtelijke regeling, maar ook van de privaatrechtelijke bevoegdheden die een schuldeiser toekomen. Dat die mogelijkheden raken aan de zogenaamde tweewegenleer, komt aan bod in een recent gepubliceerd arrest van de Hoge Raad (HR 30 januari 2004, NJ 2004, 197 m.nt. J.W. Zwemmer, AB 2005, 30 m.nt. FvO). In die zaak stelde de Ontvanger met succes H. BV op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de belastingschuld van de D. BV, waarvan H. BV enig bestuurder en aandeelhouder was, terwijl ook een bestuursrechtelijke invordering van die schuld mogelijk was (geweest). De tweewegenleer moet een antwoord verschaffen op de vraag of de overheid gebruik mag maken van een privaatrechtelijke weg, terwijl ook een bestuursrechtelijke weg openstaat (zie het Windmill-arrest: HR 26 januari 1990, AB 1990, 408 m.nt. G.P. Kleijn, NJ 1991, 393 m.nt. MS). Dat leerstuk komt op het volgende neer. Indien beide wegen open staan en de bestuursrechtelijke wetgeving niet voorziet in een antwoord op de vraag of de privaatrechtelijke weg mag worden begaan, moet worden beoordeeld of de bestuursrechtelijke wetgeving op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist indien gebruik wordt gemaakt van de privaatrechtelijke bevoegdheden. In de Invorderingswet 1990 en de voorgestelde paragraaf Awb betreffende de invordering van bestuursrechtelijke geldschulden, heeft de wetgever expliciet bepaald dat naast de bestuursrechtelijke weg ook de privaatrechtelijke weg openstaat. Daardoor was er voor de HR in het arrest van 30 januari geen noodzaak zich te buigen over de Windmill-criteria (de inhoud en strekking van de bestuursrechtelijke regeling, de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling de belangen van de burgers zijn beschermd en de vraag of gebruikmaking van de bestuursrechtelijke regeling tot een vergelijkbaar resultaat kan leiden), waarmee kan worden bepaald of sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van een bestuursrechtelijke regeling. Het arrest past daarmee uitstekend binnen de uitgangspunten van de tweewegenleer zoals die zijn neergelegd in het Windmill-arrest. STAATS- EN BESTUURSRECHT KATERN

5 Bestuurs(proces)recht Een tweede, wellicht nog interessanter arrest in verband met de tweewegenleer is HR 24 december 2004, AB 2005, 58 (m.nt. GAvdV), JB 2005, 56 (m.nt. LJMT). De gemeente Amsterdam had in 1970 een stuk grond verkocht onder verschillende voorwaarden, waaronder het (ketting)beding dat de grond alleen als terrein voor een scheeps(reparatie)werf zou worden gebruikt. Tot 1977 werd ook daadwerkelijk een dergelijke onderneming geexploiteerd. In 1996 wordt het bestemmingsplan aangepast in die zin dat het (publiekrechtelijk) mogelijk is de grond voor andere doeleinden te gebruiken. Eiseressen in cassatie (Amstellimo BV en Chidda Vastgoed BV) willen de grond exploiteren in overeenstemming met het nieuwe bestemmingsplan, maar in afwijking van het (ketting)beding. De gemeente houdt vast aan de geldigheid van het kettingbeding en beperkt daarmee privaatrechtelijk de mogelijkheden van het grondgebruik, terwijl het bestemmingsplan publiekrechtelijk meer mogelijkheden biedt. Door te stellen dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) niet in de weg staat aan het opnemen van voorwaarden omtrent grondgebruik in overeenkomsten, ook niet als door of krachtens de voorwaarden in bepaalde gevallen gebruik van de grond wordt of kan worden verboden, terwijl dat volgens het geldende bestemmingsplan in beginsel geoorloofd is, wordt aansluiting gezocht bij het arrest Kunst- en Antiekstudio Lelystad (HR 8 juli 1991, NJ 1991, 681 m.nt. MS, AB 1991, 659 m.nt. FHvdB). Daarmee wordt de in het verleden gestelde vraag beantwoord of dat arrest in het licht van het Windmillarrest, als vreemde eend in de bijt moet worden gezien. Het antwoord luidt: het arrest van 8 juli 1991 is geen vreemde eend in de bijt. Toch is de toepassing van de tweewegenleer in deze zaak interessant en enigszins verrassend. In Kunst- en Antiekstudio Lelystad betrof het geschil een voorwaarde die gerelateerd kon worden aan het bestemmingsplan en daarom in lijn leek met het publiekrechtelijke doel van de WRO: een goede ruimtelijke ordening. Ook indien de overheid een overeenkomst sluit over de uitoefening van een bevoegdheid in de WRO, wordt door de HR, om de rechtsgeldigheid van een specifiek beding te beoordelen, bezien of het beding binnen de strekking van de WRO valt (zie Alkemade/Hornkamp: HR 3 april 1998, NJ 1998, 588 m.nt. ARB, AB 1998, 241 m.nt. ThGD). In deze zaak is bijna het omgekeerde aan de orde. De realisering van het geldende bestemmingsplan uit 1996 wordt eigenlijk gefrustreerd door het privaatrechtelijke handelen van de gemeente. Maakt de gemeente zich dan niet schuldig aan détournement de pouvoir of misbruik van bevoegdheid? Het arrest beantwoordt deze vraag ontkennend. Het vasthouden aan het beding in casu wordt gebillijkt indien dit leidt tot behartiging van een belang van maatschappelijke aard. Dit is zelfs nog het geval indien het algemeen belang dat oorspronkelijk aanleiding was voor het beding, in casu het gebruik van de grond als scheeps(reparatie)werf, is vervallen. Het oordeel van het hof dat het beding na 1996 nog altijd een belang van maatschappelijke aard nastreeft (in de zin van art. 6:259, eerste lid onder a, BW), namelijk het handhaven van de mogelijkheid van de exploitatie van de grond op een door de gemeente te bepalen wijze en het bevorderen van financieel rendement van de uitgegeven grond, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Er is dus geen sprake van onaanvaardbare doorkruising van de WRO. Het arrest biedt de overheid daarmee de mogelijkheid om zich ook in de toekomst te beroepen op voorwaarden in privaatrechtelijke overeenkomsten, mits er op het moment dat daartegen wordt geprotesteerd, enig algemeen belang is gediend met het beroep op die voorwaarde. JURISPRUDENTIE II; DE FUIKENJURIS- PRUDENTIE GERELATIVEERD? Weinig onderwerpen aangaande het bestuursprocesrecht hebben de afgelopen jaren zo tot de verbeelding gesproken als de jurisprudentiële norm dat partijen in het bestuursprocesrecht zo snel mogelijk al hetgeen zij tegen een besluit willen aanvoeren, naar voren moeten brengen. Mede naar aanleiding van kritiek van verschillende kanten en de aanbevelingen in het eindrapport van de laatste Awb-evaluatie (2001), blijkt de Afdeling dit rechtersrecht nu enigszins te gaan relativeren. Widdershoven schetst de nieuwe relativering en de zoektocht van de Afdeling naar de juiste bewoordingen in zijn noot onder ABRvS 12 januari 2005, AB 2005, 75. De Afdeling overweegt in die uitspraak: [ ] het standpunt dat het beroep nietontvankelijk is voor zover het de gronden betreft die niet reeds in bezwaar zijn aangevoerd, vindt geen steun in het recht, in het bijzonder art. 6:13 Awb. Ook overigens vloeit niet uit enig beginsel voort dat gronden die niet expliciet in bezwaar zijn aangevoerd, vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven. Met deze overweging lijkt de Afdeling aan te willen sluiten bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, die een soepeler jurisprudentiële norm hanteert en stelt dat alleen gronden die welbewust in een eerdere fase van de procedure niet zijn aangevoerd, geen rol mogen spelen in de beoordeling. In het kader van de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb, met name waar het betreft de wijziging van artikel 6:13 Awb in die zin dat het in belangrijke mate aansluiting vindt bij het huidige 5280 KATERN 95

6 artikel 20.6 van de Wet milieubeheer (zie daarover ook ABRvS 24 november 2004, JB 2005, 36 m.nt. EvdL), heeft ook de regering zich uitgelaten over de zogenaamde (bedenkingen-, gronden- en/of bewijs)fuik (zie Kamerstukken II , , nr. 11, p. 3). De regering stelt dat het aanvoeren van nieuwe beroepsgronden en bewijsmiddelen in de gerechtelijke fase mogelijk is, mits die gericht zijn tegen een onderdeel (van het besluit) dat ook reeds in bezwaar ter discussie stond. Het lijkt er daarmee op dat in beroep niet voor het eerst tegen een onderdeel van een besluit kan worden geageerd, maar dat het aanvoeren van nieuwe gronden binnen de reeds aangevochten onderdelen, eenvoudiger is geworden. Het lijkt voorbarig om aan te nemen dat daarmee de kous af is. Widdershoven waarschuwt dat nog altijd geen definitieve duidelijkheid is verschaft over de fuikenjurisprudentie. LITERATUUR C.L.G.F.H. Albers & R.J.N. Schlössels, De omvang van het bestuursrechtelijk geding: het Europees recht als paard van Troje?, Gst. (2005) , p R.H. Happé, Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel en het beleidsmatige handelen van de belastingdienst, NTB 2005, 6 (p ). A.T. Marseille, Belastende derden bij de bestuursrechter, NTB 2005, 10 (p ). R. Meijer, Communautaire invloeden op het nationale stelsel van overheidsaansprakelijkheid, NTBR 2004, p R. Ortlep, De fuikendynastie: van afbraak tot verbouwing, NTB 2005, 1 (p. 1-5). J.E.M. Polak & M.K.G. Tjepkema, Kroniek van het algemeen deel van het bestuursrecht. Naar een slagvaardiger bestuursrecht, NJB 2005, p K.H. Sanders, Ruimte voor heroverweging, JBplus 2005, p Europees recht Europa Instituut Leiden JURISPRUDENTIE Procedureel Beschikking van het HvJ EG 17 maart 2005, zaak C-317/04 en C-318/04 Op 17 maart heeft de Europese Toezichthouder Bescherming Persoonsgegevens (Toezichthouder) Europees recht toestemming gekregen om te interveniëren in een door het Europees Parlement ingestelde vernietigingsactie. De actie betreft de door de Commissie en de Raad genomen besluiten over de doorgifte van passagiersgegevens aan de VS. De bevoegdheid van de Toezichthouder is opgenomen in verordening 45/2001 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens (PbEG 2001, L 8/1). De Toezichthouder komt echter niet voor op de lijst van partijen die mogen interveniëren zoals die is neergelegd in het statuut van het HvJ. Tegen het standpunt van de Commissie en de Raad in, oordeelt het HvJ (als grote kamer bijeen!) dat de Toezichthouder de bevoegdheid tot interventie heeft, en dat in casu de Toezichthouder gezien de inhoud van het geschil deze bevoegdheid mag uitoefenen. Vrij verkeer van personen/dienstenverkeer HvJ EG 17 februari 2005, zaak C-215/03, Salah Oulane/Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie De heer Oulane, een Frans onderdaan, wordt tot twee maal toe in Nederland aangehouden. Op het moment van aanhouding verblijft hij in een spoortunnel en heeft hij geld noch bezittingen. Omdat hij ook niet over een identiteitsbewijs beschikt, wordt hij beide keren door de Nederlandse autoriteiten in bewaring gesteld met het oog op uitzetting. De tweede keer wordt de heer Oulane ook daadwerkelijk naar Frankrijk uitgezet. Oulane vecht het Nederlandse optreden aan en beroept zich daarbij op het vrije dienstenverkeer (art. 49 EG). In zijn uitspraak maakt het HvJ allereerst duidelijk dat een lidstaat voor de erkenning van het verblijfsrecht van een dienstenontvanger niet mag verlangen dat een geldige identiteitskaart of paspoort wordt overlegd, wanneer het bewijs van identiteit en nationaliteit ook met andere middelen kan worden geleverd. Verder is het in strijd met artikel 49 EG dat Nederland eigen onderdanen ten tijde van het geschil niet aan een algemene identificatieplicht onderwierp, terwijl voor onderdanen uit andere lidstaten wel een identificatieplicht gold. Artikel 49 EG staat er ook aan in de weg dat een onderdaan van een andere lidstaat in bewaring wordt genomen met het oog op uitzetting indien geen sprake is van een aantasting van de openbare orde. Het enkele feit dat de betreffende persoon geen identiteitsbewijs kan overleggen kan op zich de openbare orde niet aantasten. Op de vraag of een persoon in de omstandigheden van Oulane zich überhaupt op het vrije dienstenverkeer (en daarmee op de voorgaande overwegingen van het Hof) kan beroepen geeft het Hof geen duidelijk antwoord. Het Hof geeft alleen aan dat de betrokkene bewijs moet leveren voor zijn STAATS- EN BESTUURSRECHT KATERN

Bestuursrechtelijke geldschulden

Bestuursrechtelijke geldschulden Mr. M.W. Scheltema Bestuursrechtelijke geldschulden Kluwer a Wolters Kluwer business Deventer - 2010 INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 Introductie /1 1.1 Inleiding /1 1.2 Verhouding tussen publiek- en privaatrecht

Nadere informatie

NOTA BESTUURSRECHTELIJKE GELDSCHULDEN

NOTA BESTUURSRECHTELIJKE GELDSCHULDEN Nota: Bestuursrechtelijke geldschulden Inhoud: Beleid over uitstel van betaling, voorschotverlening, vertragingsrente en Sector/afdeling: Samensteller: Deelprojectgroep bestuursrechtelijke geldschulden

Nadere informatie

Art. - Stuiting van de verjaring van de invorderingsbevoegdheid

Art. - Stuiting van de verjaring van de invorderingsbevoegdheid PB 2015/4 Art. - Stuiting van de verjaring van de invorderingsbevoegdheidd Publicatie PB: Tijdschrift voor Praktisch Bestuursrecht Jaargang 6 Publicatiedatum 20-05-2015 Afleveringnummer 4 Artikelnummer

Nadere informatie

ECGR/U201300637 Lbr. 13/058

ECGR/U201300637 Lbr. 13/058 Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad informatiecentrum tel. (070) 373 8393 betreft Schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten uw kenmerk ons kenmerk ECGR/U201300637 Lbr. 13/058 bijlage(n)

Nadere informatie

Inhoud. Lijst van afkortingen 15. Inleiding 17. Deel A Verhouding tot bestuursorganen Kernbegrippen Awb

Inhoud. Lijst van afkortingen 15. Inleiding 17. Deel A Verhouding tot bestuursorganen Kernbegrippen Awb Inhoud Lijst van afkortingen 15 Inleiding 17 Begrip bestuursrecht 17 Doelstellingen, opzet en indeling Awb 18 Opbouw boek 21 Website 22 Deel A Verhouding tot bestuursorganen 23 1 Kernbegrippen Awb 25 Leerdoelen

Nadere informatie

Voorwoord. De redactie Januari 2014. Sdu Uitgevers

Voorwoord. De redactie Januari 2014. Sdu Uitgevers Voorwoord In deze Sdu Wettenverzameling Awb Bestuurs(proces)recht is de wet- en regelgeving opgenomen die onmisbaar is om juridische vragen en problemen te behandelen in de rechtspraktijk van het algemeen

Nadere informatie

DEEL III. Het bestuursprocesrecht

DEEL III. Het bestuursprocesrecht DEEL III Het bestuursprocesrecht Inleiding op deel III In het voorgaande deel is het regelsysteem van art. 48 (oud) Rv besproken voor zover dit relevant was voor art. 8:69 lid 2 en 3 Awb. In dit deel

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

ECGR/U200900301 Lbr. 09/082

ECGR/U200900301 Lbr. 09/082 Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad informatiecentrum tel. (070) 373 8020 betreft Ledenbrief vierde tranche Awb uw kenmerk ons kenmerk ECGR/U200900301 Lbr. 09/082 bijlage(n) datum 25 juni

Nadere informatie

Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Wetgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:3 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 2. Onder beschikking

Nadere informatie

HAMERSTUK Raadsvoorstel Verordening bestuursrechtelijke geldschulden

HAMERSTUK Raadsvoorstel Verordening bestuursrechtelijke geldschulden Toelichting over de behandeling van: HAMERSTUK Raadsvoorstel Verordening bestuursrechtelijke geldschulden Van: Het college van B&W van 6 november 2012 Doel: Toelichting: Besluiten Voorliggende besluitvorming

Nadere informatie

mr. P.C. Cup mr.ing. C.R. van den Berg Kamer D0353 Directoraat-Generaal Milieu Interne postcode 880 Directie Strategie en Bestuur

mr. P.C. Cup mr.ing. C.R. van den Berg Kamer D0353 Directoraat-Generaal Milieu Interne postcode 880 Directie Strategie en Bestuur Gemeenschappelijke Dienst Directie Juridische Zaken AJBZ mr. P.C. Cup mr.ing. C.R. van den Berg Kamer D0353 Directoraat-Generaal Milieu Interne postcode 880 Directie Strategie en Bestuur Telefoon 070 339

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284 ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284 Instantie Datum uitspraak 28-03-2007 Datum publicatie 05-04-2007 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 04-5151 WAO Bestuursrecht

Nadere informatie

A26a Overheidsprivaatrecht

A26a Overheidsprivaatrecht MONOGRAFIEËN BW A26a Overheidsprivaatrecht Algemeen deel Mr. G. Snijders Raadsheer in de Hoge Raad, Staatsraad in buitengewone dienst Tweede druk Kluwer a Wolters Kluwer business Deventer - 2011 INHOUD

Nadere informatie

Verordening op de elektronische bekendmaking en kennisgeving waterschap Vechtstromen

Verordening op de elektronische bekendmaking en kennisgeving waterschap Vechtstromen Verordening op de elektronische bekendmaking en kennisgeving waterschap Vechtstromen Kenmerk Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen; gezien het voorstel van de Voorbereidingscommissie d.d.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 621 Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet

Nadere informatie

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Besluit van..., houdende wijziging van het Besluit buitengerechtelijke kosten in verband met de nadere normering van de regels inzake buitengerechtelijke kosten bij tenuitvoerlegging van dwangbevelen Wij

Nadere informatie

Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van een elektronisch ingediende aanvraag.

Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van een elektronisch ingediende aanvraag. Algemene wet bestuursrecht Titel 4.1. Beschikkingen Afdeling 4.1.1. De aanvraag Artikel 4:1 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd: STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 37105 23 december 2014 Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, nr. 591110, tot indexering

Nadere informatie

Staats- en bestuursrecht

Staats- en bestuursrecht F.C.M.A. Michiels (red.) Staats- en bestuursrecht Tekst en materiaal Met bijdragen van Gio ten Berge Leonard Besselink Henk Kummeling Lex Michiels Rob Widdershoven KLUWER J ^ Deventer - 2003 Thema 1 -

Nadere informatie

Actualiteiten rechtspraak bestuursprocesrecht. 2 september :00 uur - 17:00 uur Online

Actualiteiten rechtspraak bestuursprocesrecht. 2 september :00 uur - 17:00 uur Online Actualiteiten rechtspraak bestuursprocesrecht 2 september 2015 16:00 uur - 17:00 uur Online Wat gaan we doen: rechtspraak over.. 1. De 3 B s (bestuursorgaan-, belanghebbende- en besluitbegrip) 2. Schadevergoeding

Nadere informatie

Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009

Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009 Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009 OPGAVE 1 (34 punten) Vraag 1.1 (5 punten) Er staan geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open. Het voorbereidingsbesluit van artikel

Nadere informatie

Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder

Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder De Hoge Raad schept duidelijkheid over verhaal van kosten voor opruimwerkzaamheden na een ongeval Hoge Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3594

Nadere informatie

Gevolgen van de vierde tranche Awb voor de gemeentelijke belastingpraktijk

Gevolgen van de vierde tranche Awb voor de gemeentelijke belastingpraktijk DD-NR Regelingen en voorzieningen CODE 3.1.3.241 Gevolgen van de vierde tranche Awb voor de gemeentelijke belastingpraktijk tekst bronnen VNG-handreiking belastingpraktijk en vierde tranche Awb, 3.7.2009;

Nadere informatie

Toezicht en handhaving

Toezicht en handhaving Toezicht en handhaving Praktijkdag VMR 2015 Jaap IJdema [email protected] Modaliteit dwangsom Artikel 5:32b lid 1 Awb: Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een

Nadere informatie

Handleiding vergoeding kosten bezwaar en administratief beroep

Handleiding vergoeding kosten bezwaar en administratief beroep September 2002 Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1 Welk recht is van toepassing Hoofdstuk 2 Vergoedingscriterium en te vergoeden kosten 2.1 Vergoedingscriterium 2.2 Besluit proceskosten bestuursrecht 2.3

Nadere informatie

Inhoud. Afkortingen 15

Inhoud. Afkortingen 15 Inhoud Afkortingen 15 1 Introductie en overzicht 19 1.1 Besturen en bestuursrecht 19 1.1.1 Wat doet het bestuur? 22 1.1.2 De ontwikkeling van het openbaar bestuur in vogelvlucht 26 1.1.3 Bevoegdheden en

Nadere informatie

VERZEKERINGSREGLEMENT Voor de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

VERZEKERINGSREGLEMENT Voor de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten VERZEKERINGSREGLEMENT Voor de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 1 Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: a. de zorgverzekeraar: uw zorgverzekeraar als uitvoeringsorgaan

Nadere informatie

Mandaat en delegatie. mr. M.C. de Voogd

Mandaat en delegatie. mr. M.C. de Voogd Mandaat en delegatie mr. M.C. de Voogd Artikel 1:1 Awb 1. Onder bestuursorgaan wordt verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college,

Nadere informatie

Gemeente Heumen Procedureverordening tegemoetkoming in planschade, gemeente Heumen 2008

Gemeente Heumen Procedureverordening tegemoetkoming in planschade, gemeente Heumen 2008 Gemeente Heumen Procedureverordening tegemoetkoming in planschade, gemeente Heumen 2008 Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie Officiële naam regeling Citeertitel Vastgesteld

Nadere informatie

3 Onrechtmatige overheidsdaad

3 Onrechtmatige overheidsdaad Monografieen Privaatrecht 3 Onrechtmatige overheidsdaad Rechtsbescherming door de burgerlijke rechter Prof. mr. G.E. van Maanen Prof. mr. R. de Lange Vierde druk Deventer - 2005 Inhoud VERKORT AANGEHAALDE

Nadere informatie

Rapport. Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258

Rapport. Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258 Rapport Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258 2 Klacht Op 10 oktober 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. te Heemstede, met een klacht over een gedraging van de Huurcommissie

Nadere informatie

Memorie van toelichting. Algemeen. 1. Inleiding

Memorie van toelichting. Algemeen. 1. Inleiding WIJZIGING VAN BOEK 6 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK EN HET WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING IN VERBAND MET DE NORMERING VAN DE VERGOEDING VOOR KOSTEN TER VERKRIJGING VAN VOLDOENING BUITEN RECHTE Memorie

Nadere informatie

ECLI:NL:GHSHE:2016:2327

ECLI:NL:GHSHE:2016:2327 ECLI:NL:GHSHE:2016:2327 Instantie Datum uitspraak 10-06-2016 Datum publicatie 09-11-2016 Zaaknummer 15/00135 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-hertogenbosch Belastingrecht

Nadere informatie

VMR Actualiteitendag 2015

VMR Actualiteitendag 2015 Datum 19-03-2015 1 VMR Actualiteitendag 2015 Actualiteiten bestuurs(proces)recht Prof. mr. K.J. (Kars) de Graaf [email protected] www.rug.nl/staff/k.j.de.graaf Datum 19-03-2015 2 Inhoud Bestuursorgaan

Nadere informatie

AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns.

AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns. Page 1 of 6 AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns. Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de

Nadere informatie

Actualiteiten Awb. Liesbeth Berkouwer, Kennedy Van der Laan 29 oktober 2013

Actualiteiten Awb. Liesbeth Berkouwer, Kennedy Van der Laan 29 oktober 2013 Actualiteiten Awb Liesbeth Berkouwer, Kennedy Van der Laan [email protected] 29 oktober 2013 Programma Gewijzigde Awb aanpassing bestuursprocesrecht schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten

Nadere informatie

Inhoud. Te behandelen onderwerpen: 1. Onlosmakelijke samenhang

Inhoud. Te behandelen onderwerpen: 1. Onlosmakelijke samenhang Inhoud Te behandelen onderwerpen: 1. Onlosmakelijke samenhang 2. Grondslag aanvraag omgevingsvergunning voor artikel 2.1 lid 1 onder e- activiteiten (milieu) 3. OBM en milieuneutrale verandering 4. Overig

Nadere informatie

BEGELEIDINGSPLAN VOOR DE CURSUS INLEIDING

BEGELEIDINGSPLAN VOOR DE CURSUS INLEIDING BEGELEIDINGSPLAN VOOR DE CURSUS INLEIDING BESTUURSRECHT (R08181) (onderdeel traject Propedeuse Rechten) studiecentrum: Zwolle tijdvak: november 2010 t/m januari 2011 begeleider: mr drs G.E.P. ter Horst

Nadere informatie

Aansprakelijkheid en schadevergoeding Awb

Aansprakelijkheid en schadevergoeding Awb Aansprakelijkheid en schadevergoeding Awb Contactgroep Algemeen Bestuur Prof. mr. G.A. van der Veen AKD Rotterdam Rijksuniversiteit Groningen 9 april 2014 Inhoud lezing 1. Inleiding: de nieuwe regeling

Nadere informatie

Art. 6:13 (1) 216 Art. 6:13 Awb C. 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep. Awb

Art. 6:13 (1) 216 Art. 6:13 Awb C. 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep. Awb Art. 6:13 (1) Awb Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1998 309 Besluit van 14 mei 1998 tot wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 Wij Beatrix, bij

Nadere informatie

Beoordeling. h2>klacht

Beoordeling. h2>klacht Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt er over dat de Belastingdienst executoriaal beslag heeft gelegd op onroerende zaken van haar ondanks het feit dat er - in verband met de door de Belastingdienst gestelde

Nadere informatie

DE GEWONE RECHTER EN DE BESTUURSRECHTSPRAAK. mr. J.A.M. van Angeren. Tweede druk

DE GEWONE RECHTER EN DE BESTUURSRECHTSPRAAK. mr. J.A.M. van Angeren. Tweede druk DE GEWONE RECHTER EN DE BESTUURSRECHTSPRAAK mr. J.A.M. van Angeren Tweede druk Kluwer - Deventer - 2008 DEEL I DE RECHTSMACHT 1 1 De Grondwet 3 1. Waarborg 3 2. Exclusiviteit 4 3. Doorbreking bij de wet

Nadere informatie

Algemene voorwaarden voor dienstverlening Advocatenkantoor Tamer, gevestigd te Den Haag.

Algemene voorwaarden voor dienstverlening Advocatenkantoor Tamer, gevestigd te Den Haag. Algemene voorwaarden Algemene voorwaarden voor dienstverlening Advocatenkantoor Tamer, gevestigd te Den Haag. 1. Definitie In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder: i. Advocaten: is een samenwerkingsverband

Nadere informatie

Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005;

Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005; Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005; gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 1, tweede lid, en 29a, tweede lid, van

Nadere informatie

Prof. mr. drs. M.L. Hendrikse

Prof. mr. drs. M.L. Hendrikse Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS) De levensverzekeringsovereenkomst: een vreemde eend in de bijt van verzekeringsovereenkomsten Prof. mr. drs. M.L. Hendrikse Algemene opmerkingen (1) De wetgever

Nadere informatie

U rekent zich rijk Gemeente Amsterdam Dienst Belastingen Gemeente Amsterdam

U rekent zich rijk Gemeente Amsterdam Dienst Belastingen Gemeente Amsterdam Rapport Gemeentelijke Ombudsman U rekent zich rijk Gemeente Amsterdam Dienst Belastingen Gemeente Amsterdam 18 december 2009 RA0945988 Samenvatting Aan een bedrijf wordt een voorlopige aanslag Verontreinigingsheffing

Nadere informatie

Rapport. Oordeel. Op basis van het onderzoek vindt de Nationale ombudsman de klacht over de directeur Belastingen van de Belastingdienst niet gegrond.

Rapport. Oordeel. Op basis van het onderzoek vindt de Nationale ombudsman de klacht over de directeur Belastingen van de Belastingdienst niet gegrond. Rapport Een onderzoek naar de beslissing van de directeur Belastingen van de Belastingdienst op een beroepschrift tegen de afwijzing van een verzoek om uitstel van betaling. Oordeel Op basis van het onderzoek

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen Uitspraak GERECHTSHOF VHERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Uitspraak op het hoger beroep van * ^ p n i a w a ï i i b.v., gevestigd te > hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak

Nadere informatie

Privaatrechtelijke instrumenten en publieke belangen: mogelijkheden en grenzen

Privaatrechtelijke instrumenten en publieke belangen: mogelijkheden en grenzen Privaatrechtelijke instrumenten en publieke belangen: mogelijkheden en grenzen Mr. P.J. (Pim) Huisman Universitair docent staats- en bestuursrecht VU Amsterdam 1. Algemeen kader Inhoud van deze deelsessie

Nadere informatie

Beslissing ten aanzien van klacht over het LOWI 2015, nr. 1

Beslissing ten aanzien van klacht over het LOWI 2015, nr. 1 Beslissing ten aanzien van klacht over het LOWI 2015, nr. 1 Beslissing van het LOWI van 24 november 2015 ten aanzien van de klacht van A, bij het LOWI ingediend op 22 april 2015 betreffende de verzoekschriftenprocedure

Nadere informatie