Familie Morbée - Haegebaert

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Familie Morbée - Haegebaert"

Transcriptie

1

2

3 Familie Morbée - Haegebaert

4

5 Voor mijn kinderen Marleen, Diederik, Robrecht, Aili en Hedwig Godelieve Morbée Juli 2006

6

7

8

9 HET VERHAAL VAN DE FAMILIE MORBÉE. Vorselaar, 15 Januari Wat ik van de Familie Morbée weet heb ik gehoord van mijn grootmoeder, ons Mutter, zoals zij in onze familie gekend was. Die naam heeft ze aan mij, als klein meisje te danken. Mijn vader wilde dat wij haar grootmoeder noemden. Ik was het eerste kleinkind en voor mijn tong was grootmoeder blijkbaar een méér dan moeilijke oefening en "grootmoeder" werd kort Mutter, zoals in het Duits. Het is Mutter gebleven voor de rest van haar leven. Mutter dus was een geboren vertelster. Vanaf onze zéér prille jeugd vertelde ze ons over van alles en nog wat, dus ook over de familie in haar geheel. Zij blijkt ook een betrouwbare verslaggeefster te zijn, want toen ik klein was heeft ze me hele verhalen verteld over het beklagenswaardige lot van de Brugse kantwerksters. Deze werden financieel uitgebuit, hoe die mensen, weerloos in hun grote miserie, zo nederig en simpel waren en hierdoor geen verhaal hadden op de uitbuiters n.l. de kantkoopsters, meestal ook vrouwen. Wat ze me toen in geuren en kleuren en met verve vertelde zag ik in de jaren zestig over het kleine scherm rollen in de T.V. reeks "De Vorstinnen van Brugge". Het was zo levensecht dat het leek of ik weer een klein meisje was, dat naar Mutter zat te luisteren en alles in beeld voor me zag. Het was een eigenaardige ervaring want ze was dan al verschillende jaren overleden. Verder heb ik heel wat familieleden gekend en voor data heb ik kunnen terugvallen op doodsbrieven waarvan verscheidene meer dan honderd jaar oud zijn. Bij het nalezen van die brieven kwam ik tot de vaststelling dat, over een tijdspanne van eeuw aan het uitzicht en opstelling van die brieven praktisch niets veranderd is. De generaties voor ons waren blijkbaar minder nieuwsgezind dan wij nu! De naam Morbée schijnt als betekenis te hebben: wonend op laag gelegen gebied aan een waterkant (zee, meer of rivier). Het is een oude naam die men in geschriften van 12 à 1300 in het Henegouwse en ook in het Luikse terug gevonden heeft. In de familie doen verhalen de ronde als zouden wij van Franse oorsprong zijn. Echter, de Morbée s zijn sinds 1600 Brugse burgers!!! Hoe dit alles te rijmen valt met de verhalen in de familie weet ik niet. In elk geval moet er waarheid in schuilen. Er bestaan documenten over, die bij een kleindochter van overgrootvader Hubert Jacques, langs zijn jongste dochter Eulalie om, bewaard gebleven zijn. Later daarover meer. Ons Mutter heeft dat altijd verkeerd gevonden. Zij was van oordeel dat die papieren bij een mannelijke afstammeling hadden moeten blijven, dus bij een mannelijke Morbée. Hier volgt dan het verhaal. De familie Morbée zou van lagere Franse adel zijn. Eén van de afstammelingen zou bij één of andere militaire Franse schermutseling in Vlaanderen te Brugge blijven hangen zijn, na een kwetsuur. Wanneer dat geweest is weet niemand. Zoals echter blijkt - 1 -

10 uit de bevolkingsregisters zijn de Morbée's, zoals ik hoger al zei, Brugse burgers sinds begin In elk geval kreeg overgrootvader Hubert Jacques in 1870 van een notaris uit Parijs een brief waarin hem aangemaand werd zijn erfdeel, zijnde een kasteeltje met inboedel en enkele hectaren grond afkomstig van een geneesheer en man van adel, te komen opeisen gezien hij, samen met zijn broers, de enige erfgenaam was en het de nodige tijd geduurd had hem als erfgenaam op te sporen. Het goed lag ten Westen van Parijs in Mantes-la-Jolie. Zij spraken af dat Hubert Jacques als gevolmachtigde naar de notaris in Parijs zou trekken en daar de zaken regelen. De nodige stappen werden genomen. Ondertussen was de Frans - Duitse oorlog in volle hevigheid losgebarsten en men moest over een Passavang"( in t Brugs) beschikken om in oorlogsgebied te mogen reizen. Ik denk dat passavang in deftig Frans zoiets moet zijn als "Passe Avant". Men moest die pas aanvragen bij de Militaire of Burgerlijke overheid. Zo gezegd, zo gedaan. Overgrootvader, toen 45, regelde voor zover mogelijk zijn zaken en vertrok met enige moneten op zak. Die reis zou toch al minstens een dag of tien duren! Het werd een meer dan hachelijke onderneming: hij stootte voortdurend op rondtrekkende troepen die hem de weg versperden of hem uren een omweg lieten maken. Het werd steeds moeilijker om logies en eten te vinden en toen hij in de omstreken van Parijs arriveerde lag Parijs onder beleg. Er kon geen muis in of uit de stad. Zijn geld raakte op en ten einde raad, is hij in arren moede op zijn stappen terug gekeerd en naar huis getrokken. Men heeft daarna nog met brieven geprobeerd om de notaris te bereiken. Men heeft nooit nog een woord gehoord. Is de betrokken notaris bij de belegering gedood of gevlucht of heeft hij door de verwarring, die er door de oorlogstoestand heerste, de boel opgelicht, niemand die het weet. Overgrootvader had er geen prettige herinneringen aan. Hij vond overigens dat hij het zonder dat erfdeel ook kon stellen en zette achter die geschiedenis een punt. Zowat een eeuw later staat een achterkleinzoon van hem voor een standbeeld op een plein in Nantes, een vrij grote stad in Bretagne. Onze Wim lag in een Bretoense haven. Zijn vrouw Greta vergezelde hem. Zij planden een tochtje door de streek en waren toevallig op een pleintje in Nantes terecht gekomen. Op dat plein stond een standbeeld van een mansfiguur. Onze Wim, nieuwsgierig als een echte toerist, gaat het van dichterbij bestuderen en valt van verbazing bijna achterover want wat leest hij op de voet van het standbeeld? Zoiets als :" In grote dankbaarheid voor al wat MORBÉE so und so voor de inwoners van Nantes gedaan heeft!" Hij roept er Greta bij en die herinnert zich nog dat hij zei:"hier staat één van mijn stamgenoten". Hij heeft de tijd niet gekregen er verder iets over te weten te komen. Hij stierf in Het is dus een kleine veertig jaar geleden en het is niet zeker dat het standbeeld er nog staat. Het is wel intrigerend vooral omdat de naam Morbée in onze streken niet vaak voorkomt. In Frankrijk misschien wel?! - 2 -

11 Hier volgen de gegevens uit het bevolkingsregister: eigenlijk een soort stamboom! MORBÉE Pieter?/?/ Brugge 3O/3/1676 MORBÉE Pieter Brugge 25/10/1647 +? MORBÉE Franciscus Al. Brugge 7/8/1673 +? MORBÉE Franciscus Ant. Brugge 29/10/ Brugge? MORBÉE Bartholomeus Brugge 24/8/ Brugge 14/1/1807 MORBÉE Petrus Ignace Brugge 31/7/ Brugge 6/7/1859 MORBÉE Hubertus Franciscus Brugge 11/12/ Brugge 9/ 9 /1868 Wever-voortverkoper MORBÉE Hubert Jacques Brugge 8/7/ Brugge 10/7/1911 Koopman MORBÉE Josefhus Hubertus Brugge 28/5/ Brugge 4/2/1937 Vleeshouwer-handelaar MORBÉE Emiel Maurice Louis Brugge 4/10/ Zeemansgraf 22/9/1942 Kapitein t/lange Omvaart X Gehuwd? X Brugge 4/2/1671 X Brugge 17/11/1697 X Brugge 21/3/1733 X Gehuwd? X Brugge 3/6/1782 X Brugge 27/10/1824 X Brugge 27/6/1856 X Brugge 7/8/1894 X Blankenberge 30/9/1930 BRAKELS Maria? +? AERNOUTS Maria Brugge 26/2/1646 +? SCAPELINCK Petronella Brugge 1/6/ Brugge 10/7/1732 LEBERVORST Maria Brugge 18/11/ Brugge? TRONCQUOI Marie- Florentina Spiere?/?/ Brugge 28/5/1785 GOORMACHTIG Anna Francisca Brugge 23/10/ Brugge 25/6/1831 KEUNINCKXBROEK Maria Cath. Brugge 1/5/ Brugge 18/4/1887 Kantwerkster VAN MIDDELEM Rosalie Catharina Dudzele 3/3/ Brugge 17/11/1907 Kantwerkster KEEREMAN Marie-Louise Brugge 10/1/ Ekeren 19/8/1959 HAEGEBAERT Maria Godelieve Theresia Brugge 25/5/ Antwerpen (kliniek) 8/3/1972 Huisvrouw - 3 -

12 COGGHE Louis François Hoboken 7/5/1924 Havenkapitein X Ekeren 1/10/1953 MORBÉE Godelieve Emilia Maria Brugge 24/8/1931 Sociale Assistente In verband met de stam: toevallig stond er deze week in de krant (Gazet Van Antwerpen 19-20/03/2005) een vrij groot artikel i.v. met Wilfried Morbée alias John Massis, een krachtpatser die met zijn tanden een locomotief en dergelijke voort trok. Hij is in zijn deriger jaren heel vaak in de publiciteit geweest. Hij is van dezelfde stam als wij! Morbée Petrus Ignatius ( 31/7/ /7/1859) en gehuwd met Goormachtig Anna Francisca ( 23/10/ /6.1831) op 3/6/1782 had naast andere kinderen een zoon Hubertus Franciscus 17/ (hij zette onze tak van de familie voort) en een dochter Maria Francisca ( 26/6/ /8/1867). Zij kreeg, ongehuwd, een zoon Franciscus in Bastaard zijnde droeg hij de naam van zijn moeder en zette langs haar de stam voort. Zij was een tante van Sparrekie, de vader van mijn grootvader. Wilfried Morbée is voor zover ik kan zien de vijfde generatie van zijn tak. Hij werd geboren te Brugge op 4/6/1940 en pleegde zelfmoord op 11/7/1988. Hij was niet gehuwd. Dit even terzijde, nu terug naar onze eigen tak van de familie. Hier volgt de gezinssamenstelling van overgrootvader. Hij is de eerste Morbée waar ik iets over weet. Morbée Hubert-jacques Brugge 9/7/ Brugge 10/7/1911 huwde te Brugge 27/6/1856 Rosalie Van MIDDELEM Dudzele 3/3/ Brugge 17/11/1907 Kinderen uit dit huwelijk zijn : Leonie Brugge overleden als baby Eugenie Brugge 24/10/1858 Charles Brugge 3/11/1860 Alfons Brugge geen data. Voor zover ik mij herinner is hij als jongemangestorven en was hij een rood rosharige krullenbol. Romain-Hyacinth Brugge 1864 (?) geen data Rosalie Brugge 1865 (?) geen data Louise Brugge 13/12/1867 Philomène Brugge 21/1/1870 Eulalie Brugge 30/10/1871 Joseph-Hubert Brugge 28/5/1873 (mijn grootvader ). Zij hebben dus binnen de tijdspanne van 16 jaar 10 kinderen op de wereld gezet. Geen sinecure om zulk talrijk nageslacht in die tijd defig groot te brengen. Ze zijn daar in geslaagd door hard te werken en spaarzaam te leven. Overgrootmoeder was de dochter van Bartholomeus Van Middelem ( Bovekerke 24/8/ /8/1837), een boer uit Dudzele en zijn vrouw Vandepoortere Francisca ( Houtave 18/7/

13 - +Brugge 3/6/1845). Haar vader huwde zijn vrouw, geboekstaafd als werkvrouw op 30/6/1824. Hij was toen 69, zijn vrouw 24! Het verhaal deed in de familie de ronde dat zij de meid op het erf was en dat hij zich héél vlug na de dood van zijn vrouw troostte met die jonge deerne, zéér tot ongenoegen van zijn kinderen, zijn oudere erfgenamen. Moeder Francisca moet het op het erf niet gemakkelijk gehad hebben na de dood van haar man. Zij is later met haar erfdeel en haar kinderen naar Brugge getrokken waar ze, vrij jong, stierf. Overgrootmoeder was toen pas een opgroeiend kind. Hoe het verder met haar verliep weet ik niet maar ze liep op Hubert -Jacques. Hoe ze hem ontmoette weet ik ook niet. Ze huwde de 12 jaar oudere man en was aldus onder de pannen. Het gezin Morbée - Van Middelem woonde in de Ooievaarstraat 5, te Brugge en overgrootvader had daar ook zijn doeninge, zoals dat in die dagen heette. De Ooievaarstraat is in 1936 van naam veranderd en heet sinds dan Vuldersstraat. Bij diezelfde gelegenheid veranderde ook een straat in de onmiddellijke omgeving van naam: de " Diefhoek" werd Esseboomstraat. Het heet dat de toenmalige bewoners van de Diefhoek niet gelukkig waren met hun straatnaam. Waarom vertel ik dit? Het zegt iets over het stadsgedeelte waar overgrootvader zijn handel dreef. Het lag in een volks stadsgedeelte waar kleine luiden woonden. Onlangs las ik in het ledenblad van Bruggelingen buiten Brugge iets dat deze mening bevestigt n.l. dat in voornoemd stadsgedeelte nogal wat ambachtslui woonden. Tussen 1748 en 1821 woonde in de Vuldersstraat een aannemer-timmerman die betrokken was bij verschillende stadsprojecten ondermeer een restauratie van de kapel van O.L.Vrouw van Blindekens aan de Potterierei. Deze kapel werd opgericht uit dankbaarheid van de Bruggelingen na de slag op de Pevelenberg tegen de Franse koning op 18/8/1304. De zoon van de Vlaamse graaf, Robrecht van Bethune, sponserde de bouw van deze kapel. Heden ten dage gaat er nog steeds een processie uit ter ere van O.L.Vrouw van Blindekens, ik meen op 15 Augustus. Volgens Pater Oom, een kleinzoon dus, was het een wit geschilderd huisje met een rood pannendak. Men kon met een hand aan "de goate" zoals hij het zo bloemrijk beschreef. Het huis staat er nog maar heeft blijkbaar in de loop der tijden toch wat metamorfoses ondergaan. Er was redelijk wat terrein rond het huis, waar de kleinkinderen zich konden amuseren op de wekelijkse familiebijeenkomsten. De kinderen woonden allemaal op minder dan een half uur stappen van het ouderlijke huis. s Zondags was het de gewoonte na de middag naar de ouders te gaan om nieuwtjes uit te wisselen. De mannen dronken een pint of een jenevertje, de vrouwen een tas koffie. Overgrootvader was "prongeloare", wat men nu een schroothandelaar zou noemen. Hij handelde ook in kleine vellen zoals konijn-en geitenvellen. Hij had de bijnaam den yzeren ", waarschijnlijk in verband met zijn handel. Hij bezat tevens nog een tweede bijnaam nl. Sparrekie". Wat het betekent is me een raadsel maar ons Mutter noemde hem nooit mijn - 5 -

14 schoonvader maar onveranderlijk "Sparrekie". Hij had rond het huis redelijk wat terrein en een tweede uitgang, een poort zei Pater-Oom, op de gelijklopende straat, de Kweekerstraat. Op het terrein stond een remise, een soort overdekte plaats, waar de opgehaalde waar eerst werd neergelegd om te sorteren, en een boeie" nl. een gesloten schuur waar de gesorteerde waar werd opgeslagen. Dat sorteren was een heel werk en werd rigoureus doorgevoerd nl. lompen bij lompen, katoen bij katoen, wol bij wol, ijzer bij ijzer enz. Als er b.v. een handtas tussen zat, werd die uiteen gehaald: leder bij leder, metaal bij metaal. Was de beugel in zilver, wat al eens gebeurde dan kreeg dat een plaatsje in huis, bij de kostbare zaken. Hij had een man of tien die Brugge en omgeving afstruinden naar waar, die hem dienstig was. Hij sprak Bargoens met deze lieden. Hij had het zich eigen gemaakt met de jaren en sprak het als de beste. Bargoens is een soort geheimtaal (een dieventaaltje zei ons Mutter) dat gesproken werd door rondtrekkende leurders, marskramers, zwervers en landlopers om zich te beschermen tegen of af te schermen van de politie en de burgerij. Elke streek had zo zijn eigen Bargoens. Het verschilde lichtelijk van streek tot streek. Zo hadden de textielleurders van de Westhoek hun eigen Bargoens. In de bibliotheek hebben wij een boekje:" Peegie van de Nieuwmarkt" waar het Bargoens aan bod komt. Uit het Bargoens komen o.a. volgende woorden : knul, heibel, maffen, tote. Er zijn er natuurlijk véél meer, dat moeten taalkundigen maar uitknobbelen. Volgens ons Mutter was haar schoonmoeder een "goe mens" en haar schoonvader geen gemakkelijke man, wel een harde werker en een gewiekste zakenman. Voor zover ik er zicht op heb, waren het kleine lieden die wel opvoeding genoten hadden. Zij konden alle twee rekenen en schrijven en overgrootvader kon, volgens ons Mutter, rekenen als de beste. Zij waren er in elk geval van overtuigd dat "opvoeding en kennis " in het leven een belangrijke zaak was. Zij hebben dan ook naar overtuiging gehandeld en al hun kinderen een goede opvoeding gegeven, wat in die tijd ver van zelfsprekend was. Onderwijs kostte een bom duiten en mijn overgrootouders hebben er duidelijk in geïnvesteerd. Wat de oudste zoon gedaan heeft weet ik niet. Hij was bij leven koopman. De dochters hebben allemaal tot ongeveer hun 16 jaar onderwijs genoten, of ze voor hun trouwen ergens buitenshuis gewerkt hebben weet ik niet. Ik herinner me hen nog levendig. Het waren, op uitzondering van Tante Rose die eerder klein en mollig was, rijzige slanke dames, drie echt knap, twee eerder aan de lelijke kant, goed gekleed met een zwart fluwelen bandje om hun hals, opgesmukt met één of andere gouden broche of camée. Zij woonden allemaal in deftige burgerhuizen, bezaten en speelden piano en hadden een dagmeid. Als je er op bezoek kwam werd de deur onveranderlijk open gedaan door de dagmeid, in een zwarte jurk, een stijf gesteven wit schortje voor en een wit mutsje op het hoofd. Die bracht dan later, héél stijfdeftig, op een zilveren schaal de koffie binnen en verliet dan, na bediening van de gasten en de gastvrouw, het vertrek. De tantes waren, zonder uitzondering méér dan vriendelijk en voor zover ik mij herinner helemaal niet neerbuigend. Ik was altijd onder de indruk, na zo'n bezoek. Bij ons - 6 -

15 Mutter thuis ging het er niet zo stijfdeftig aan toe, dat vond ze allemaal kouwe drukte. Zij had ook een dagmeid, maar die droeg geen daghitjes uniform en kwam niet opdraven om te bedienen als ons Mutter bezoek had. Ons Mutter zorgde zelf voor haar gasten en "Pelle" (Pelagie Claeys) de meid, deed voort met wat ze bezig was. Ze was een jaar of 4-5 jonger dan ons Mutter, ze werd eerder als een vriendin behandeld. Drie tantes zijn met collega's uit de handelaarskring rond hun vader getrouwd. Tante Eugenie met een wol- en huidenhandelaar, Tante Rose met een wolkoopman en Tante Louise met een groothandelaar in lompen, zowat de grootste van West-Vlaanderen. Tante Philomène is met een buurjongen uit een geslacht van jeneverstokers gehuwd en Tante Eulalie met een burgerlijk ambtenaar bij het leger. Er was, nu ik erop terug kijk, redelijk wat familieverkeer bij de Morbée's, zelfs mijn vader ging bij zijn tantes vaak op bezoek, als hij thuis was. Hij nam mij meestal mee, vandaar mijn herinneringen. Grootvader Joseph, de jongste thuis, is tot zijn 18 jaar in Tielt op College - Internaat geweest. Toen hij, na het beëindigen van zijn studies, thuis kwam werd van hem verwacht dat hij in de zaak van zijn vader zou stappen. Vader was ondertussen niet meer van de jongste, hij was 66 en kon wat hulp gebruiken. Zijn zoon echter had daar geen oren naar. Hij had een godsgruwelijke hekel aan de handel van zijn vader en hij wilde er in geen geval in stappen. Goed, zei vader Hubert, dan zul je je eigen boontjes moeten doppen en zoon Joseph ging zijn eigen weg. Hij had dan wel tot zijn 18 jaar op school gezeten maar een stiel had hij niet geleerd, bediende wilde hij niet worden, en hij keek uit naar een zelfstandige handel, deed de verkeerde keuze en ging bankroet rond zijn 25 ste. Daarover later meer. Mijn overgrootouders zijn in de Vuldersstraat blijven wonen tot overgrootmoeder gestorven is. Overgrootvader is dan ingetrokken bij zijn oudste dochter Eugenie op de Lange Rei, 89. Hij was toen 81. Zij hebben blijkbaar goed in de centjes gezeten want met de regelmaat van een klok werden er foto's van de familie genomen en met de 50 ste verjaardag van hun huwelijk werd een groot feest gegeven voor alle kinderen en kleinkinderen met een feestmaal dat kon tellen. Ik heb er nog het menu van en ik moet zeggen dat het niet zomaar een gewoon menu is maar een luxueuze. Ze hadden een goede smaak. Ons Mutter vertelde dat de dochters alles praktisch geregeld hebben, maar dat vader en moeder tot de kleinste kleinigheden hun zeg hadden en alles betaald hebben. Als je de foto ziet, die genomen is op hun gouden jubileum, zijn het echt twee oude mensen. Overgrootvader heeft een wandelstok tussen de knieën, waarschijnlijk was hij niet zo best meer te been. Overgrootmoeder is het jaar nadien overleden. Overgrootvader heeft dan de hele boel opgedoekt en is bij zijn dochter ingetrokken. Hij heeft nog 5 jaar geleefd en is, daags na zijn 86 ste verjaardag overleden. Hij had, voor zover ik weet, een jongere broer Ludovicus ofte Louis, geboren te Brugge 28/7/1830 en er overleden 26/7/1910 en was gehuwd met Anne-Marie Storme. Hij had eveneens een jongere zus Rosalie-Thérèse te Brugge 15/7/1839 en er overleden - 7 -

16 13/3/1933. Zij was gehuwd met Jan Van Cleven. Zij hadden 3 dochters gekend als "de Juffouwen Van Cleven. Het waren drie deftige oude jongedochters die alle drie deel uitmaakten van het beste koor van Brugge, daar ze alle drie beschikten over een prachtige stem. Wat ze voor de kost deden daar heb ik geen idée van. Misschien had overgrootvader meerdere zussen en broers, maar daar heb ik geen weet van. De Morbée's waren blijkbaar van een sterke stam. Degenen waar wij weet van hebben uit de periode van overgrootvader zijn zowat allemaal tussen de tachtig en de negentig geworden en ouder! Overgrootmoeder had, voor zover we weten, één zuster nl. Mathilde. Even iets meer over de kinderen die volwassen werden: Eugenie Clementine Morbée Brugge 24/10/ Oostende 29/7/1932 Huwde te Brugge Gustaaf Eduard Van Acker Brugge 23/6/ Brugge 25/1/1922 Hij was wol- en huidenkoopman, bewoonde een groot huis aan de Lange Rei N 89 met een hoge inrijpoort voor rijtuigen en wagens. Aan de achterkant lag een vrij groot terrein waar de burelen en de opslagplaatsen zich bevonden. Eén van de zonen nl. Max heeft de zaak over genomen. EUGENIE had 7 kinderen: - Oscar gehuwd met Melanie Vets ( peter van Robrecht Morbée) kinderen : Mia Lisa Max - Clara gehuwd met Six Rodolphe, krijgsgeneesheer, sneuvelde te Poelcappelle 29/9/1918 dus juist voor het beëindigen van de oorlog. - Max gehuwd met Aline Van Oostende - Julienne gehuwd met De Vuyst Alphonse - Paula gehuwd met Cocquyt Emiel - Germaine gehuwd met De Cock Emiel - Harry : hij was gehuwd en had de reputatie van wat ze in Brugge een "nieuweerd" noemden. Hij was een rokkenjager eerste klas en een verkwister van jewelste. Van hem werd verteld dat hij zijn sigaar aanstak met een briefje van 100 Fr., véél geld in die tijd. Hij is op een rare manier aan zijn einde gekomen, meer weet ik er niet van. Hij had wel kinderen. Door omstandigheden zijn wij met deze tak van de familie tot op heden in contact gebleven langs de oudste zoon Oscar, Brugge 14/7/1883 overleden te Antwerpen, na een tragisch ongeval te Kalmthout op 26/2/1945. Hij was gehuwd met Melanie Vets Oelegem 28/9/1883. Zij is overleden in St. Augustinus te Wilrijk 5/7/1957. Oscar had drie kinderen: - Mia gehuwd met Frans Adriaensen, ze hebben zeven kinderen: één van de zonen, HUGO is anesthesist en heeft, voor de behandeling van Librecht (onze kleinzoon) bij specialist - 8 -

17 Casaer te Leuven gepleit om onmiddellijk te behandelen zonder op de lange wachtlijst te moeten staan! Eén van hun andere zonen, Frank, is zijn tante Liza naar Canada achterna gegaan om er zijn fortuin te zoeken na eerst, in de vlugte, een Nederlands meisje te trouwen. - Liza gehuwd met Jan Kalhöfer: emigreerde naar Canada. Zij hadden vier kinderen. Jan kwam uit een familie die wat aangebrand was na wereldoorlog 2 en had het moeilijk zich staande te houden in de kleine Kalmthoutse dorpsgemeenschap van toen. Hij ondervond héél wat tegenkanting in zijn zaken en ze besloten, na het overlijden van vader Oscar, met het vaderlijk erfdeel naar Canada te trekken en er op de zuiderhelling van het Rotsgebergte een aardbeienfarm uit de grond te stampen, wat hen met hard werken en véél zweet merkwaardig goed gelukt is. Hun oudste zoon Hans was, toen hij zijn militaire dienst moest verrichten in het begin van de jaren zestig, ingedeeld bij het Canadese bezettingsleger in Duitsland. De hoogste legerleiding vroeg daar Nederlandstalige tolken en hij gaf zich op. Hij werd aanvaard en gedetacheerd bij één of andere hoge piet in Brussel. Hij vergezelde hem op allerlei vergaderingen op hoog niveau. Op die vergaderingen werd raar opgekeken toen ze de Canadese tolk hoorden want hij tolkte in je reinste "Kalmethouts". Wist Hans veel dat zijn zogenaamde Nederlands een boers dialect was uit het Noorden van de Provincie Antwerpen. Er werd eens gegniffeld op die vergaderingen, maar ze verstonden hem en dat was voldoende en Hans liet dat gniffelen niet aan zijn hart komen! - Max was de jongste en doctoreerde in Biologie aan de Leuvense Universiteit. Hij was een grote knappe blonde man die bij het uitbreken van de oorlog lid was van het Verdinaso (Verbond van Dietse Nationaal Solidaristen). Hij is ons, voor het uitbreken van de oorlog, in uniform, te Ekeren komen opzoeken, toen er te Antwerpen in het Sportpaleis een grote Vlaamse manifestatie was. In 1941 nam hij afstand van de standpunten van het Verdinaso ( een deel van de leiding van het Verdinaso deed dat later eveneens en nam afstand van de Duitse bezetter.) Het kwaad echter was geschied en Max stond in Kalmthout geboekstaafd als "ZWARTE" een Duitsgezinde dus. Na de bevrijding werd hij aan de volkswoede prijsgegeven en in "den bak" gegooid. Zijn vader heeft hemel en aarde bewogen om hem eruit te krijgen omdat hij een grote operatiewonde (aan de longen) had die dagelijks verzorgd moest worden. Zijn cipiers (van de Witte Brigade van Kamthout) weigerden dat categoriek. "Die vuile Duitsgezinde verdiende géén verzorging, we laten hem nog liever creperen "...wat dan ook gebeurd is. De wonde is zodanig beginnen etteren dat de uiteindelijk erbij geroepen geneesheer er schande van sprak en de cipiers een proces wilde aandoen. Vliegensvlug werd Max naar huis gestuurd om er na korte tijd én mateloos lijden uiteindelijk te sterven in de armen van zijn moeder. Kozijn Oscar en zijn vrouw Melanie hebben dit lijden nooit verteerd omdat het, volgens hen, het gevolg was van een grote onrechtvaardigheid. Ik heb in de familie altijd horen vertellen dat Oscar's huwelijk een "mariage de raison" was. Hij was een niet zo grote, eigenlijk lelijke man en zij was een knappe rijzige vrouw, een rijke erfdochter wier ouders in dezelfde handel zaten als de Van Acker's, maar dan in Antwerpen. De vaders waren zakenpartners en makelden, samen met de zaken, hun kinderen. Het huwelijk werd binnen enkele maanden beklonken. De Brugse familie werd geïnviteerd en voor drie dagen ondergebracht in een chic Antwerps hotel. Ons Mutter vertelde dat het een huwelijk was waarop "le tout Anvers" geïnviteerd was en waar op geen frank gekeken werd. Het werd, niettegenstaande de zogezegde makeling, een goed huwelijk. Oscar verhuisde naar Antwerpen en dank zij zijn eigen relaties, de zakenrelaties van zijn schoonfamilie, zijn eigen werkkracht en zakeninstinct werd hij een vooraanstaand man in de Antwerpse huidenhandel. Hij werd voorzitter - 9 -

18 van de Belgische Huiden - en Vellenhandelaars en bereisde in die functie de ganse wereld. Hij verdiende véél geld en kocht zich, net voor de Wallstreet beurskrach het domein "de Markgraaf" te Kalmthout voor Fr., een domein van méér dan 100 Hectaren, waarin een deel van de nu geklasseerde Kalmthoutse heide, een kasteel dat hij verhuurde aan een pretentieuze Antwerpse groothandelaar in aardappelen. Zijn vrouw Melanie wilde niet wonen in dat mausoleum, zoals zij het betitelde! Verder bezaten ze er een villa waar ze zelf woonden omdat de huisvrouw het daar gezellig en intiem vond, een boswachters woning, twee grote boerderijen en nog enkele aanhorige gebouwen, dit alles voor de hoger vermelde Fr.! Zijn bureel lag te Antwerpen en alle dagen legde hij, tweemaal per dag, de afstand van 2 à 3 Km. naar het station te Kalmthout te voet af. Daar bleef hij fit van zei hij. Een auto was een overbodige luxe. Als t nodig was kon hij een taxi bellen. Hij had wel telefoon op "de Markgraaf". Hij is, niettegenstaande zijn rijkdom, een eenvoudige man gebleven en om geld voor arme sukkelaars klopte men nooit tevergeefs bij hem aan. Zijn vrouw steunde hem daar trouwens in. In het kerkje van "den Heuvel" te Kalmthout kan men een gebrandschilderd raam zien dat hij geschonken heeft. Zijn goed hart heeft hem trouwens zijn leven gekost. Toen in de hongerwinter van 1944, na de bevrijding, de arme mensen in Kalmthout geen brandstof hadden om te koken en zich te verwarmen, had hij beloofd voor brandstof te zorgen. Hij had op zijn domein honderden bomen staan, die gekapt konden worden. Hij zou ze, samen met zijn knecht, gaan merken en de armen mochten dan, onder toezicht, kappen. Het domein had bij de bevrijding, wekenlang op niemandsland gelegen, tussen de vechtende partijen in (de geallieerden wachtten in Kalmthout op verse troepen). In afwachting hadden de Duitsers zich ingegraven en alles vol mijnen gelegd. Het heeft bij de bevrijding weken geduurd om de mijnen op te sporen en onschadelijk te maken. Sommigen zijn aan de aandacht ontsnapt en één daarvan werd kozijn Oscar fataal! Bij het merken van de bomen stapte de knecht op zo 'n mijn. De knecht was op slag dood en kozijn Oscar leefde nog enkele dagen in coma en stierf toen. Voor zijn vrouw was het een diepzwarte tijd want kort daarvoor stierf haar beloftevolle zoon op 25 jarige leeftijd aan wondverettering door een schandelijke behandeling in de gevangenis en kort daarna vertrok haar jongste dochter Liza met haar gezin naar Canada. Zij was een moedige vrouw en bleef alleen op het goed tot in 1957, nog ongeveer 12 jaar. Toen kreeg ze last van gevorderde artrose, verbleef even bij haar oudste dochter te Berchem en stierf in St. Augustinuskliniek te Wilrijk in Mei Hoe komt het dat wij juist met die tak een sterke band hadden? Mijn vader was student aan de Zeevaartschool te Oostende (Antwerpen had toen nog geen Zeevaartschool). Toen hij opgeroepen werd om zijn militaire dienst te doen werd hij ingedeeld bij de Marine. De militaire dienst duurde toen 18 à 24 maanden en zijn eerste stationnement was te Steendorp aan de Schelde. Hij beëindigde daarna zijn dienst op het schoolschip "Entre-Casteau". Vanuit Steendorp schreef hij aan zijn ouders dat Steendorp niet direct gemakkelijk te bereiken was, dat het hem aangemeten uniform langs geen kanten paste, hij zou de kleermaker te Brugge, bij zijn eerste

19 verlof, raadplegen om het wat te "fatsoeneren". Hij kreeg heel weinig en te kort verlof om te kunnen over en weer reizen naar Brugge. Zijn ouders, bezorgd om zijn welzijn en bang dat hij in zeven sloten tegelijk zou lopen spraken kozijn Oscar aan, die toen met zijn gezin nog in Antwerpen stad woonde. Zij vroegen hem om hun jonge zoon een beetje onder zijn vleugels te nemen en Oscar voldeed graag aan het verzoek van zijn jongste oom, die nauwelijks I0 jaar ouder was dan hijzelf. Het huis van de Van Acker's te Antwerpen werd mijn vader zijn tweede thuis en dat is zo gebleven tot hij trouwde in Hij was daar mee lid van het gezin en zag de kinderen groot worden. Mia, de oudste Antwerpen 21/4/1908 en er overleden op 9/11/1996 (haar man overleed een tiental jaren eerder), was in haar puberjaren een beetje verliefd op hem. Dat veranderde ras toen ze de persoonlijke secretaresse van haar vader werd en verliefd werd op één van de Directiesecretarissen bij de Vellen Natie, Frans Adriaensen, waar ze mee trouwde in dezelfde periode dat mijn ouders getrouwd zijn. Frans is, vanaf de jaren zestig, Directeur van de RIZLA-fabrieken te Wilrijk geweest. Ze hebben zeven kinderen in leven: YVONNE is ongeveer mijn leeftijd, is Licentiate Talen en getrouwd met de neef van de schrijver Daan Inghelram. Zij heeft vier kinderen en woont te Kortrijk. Zij was vroeger hostess op Stella-Maris, een christelijk werk voor zeelieden en leerde daar haar man kennen, die scheepsbezoeker was. Op haar volgt LOUIS die de Koloniale Hogeschool afmaakte en een tijd in Congo zat. Hij woonde in Berchem, is overleden op 14/7/2004 en heeft drie kinderen, waarvan de zoon dodelijk verongelukte op de Antwerpse Ring, zo n twintig jaren geleden. Dan volgt LUC, die Technisch Ingenieur haalde, in Mortsel woont en vier kinderen heeft. Op hem volgt FRANK: hij emigreerde naar Canada. Hij was een" vrolijke Frans" en had helemaal géén zin in studeren. Hij maakte zijn ouders horendol met zijn fratsen en grollen en toen hij na de eerste sectie van de Lagere Middelbare aan zijn ouders zei dat hij bakker wilde worden zei zijn vader, opgelucht: O.K. maar dan zult gij ook de stiel leren tot in de kleinste finnesses!" en zoonlief werd o.a. zowaar naar Parijs gestuurd om het meester suikertrekken onder de knie te krijgen. Hij was op zijn twintigste volleerd en trok aldus gewapend enkele jaren later naar Canada, waar hij het helemaal maakte. Hij heeft twee kinderen. Hierop volgt HUGO die in Blanden woont en vier dochters heeft. Hij is hoofd ANESTHESIE in het UZA te Antwerpen en sprak bij Professor Casaer ten beste voor Librecht, onze kleinzoon. De volgende is WALTER, Licentiaat Talen. Hij woont in Meer, is gehuwd met een apotheker en heeft vier kinderen. De jongste, JAN, deed hotelmanagement, woont nu geloof ik in Lier en heeft twee kinderen. Mia was een hartelijke vrouw en iedereen was bij haar welkom. Zij kon, evenals haar moeder formidabel koken en steevast vierden wij, de zes Morbéekes met Lode er later bij, Oud naar Nieuw bij haar tot ver in de jaren vijftig. Zij werd door omstandigheden op het vlak van genodigden, gedwongen in te binden. Het werden er zoveel dat het voor één mens niet meer te behappen was. In die periode is ze ook een langere tijd ziek geweest na een mislopen zwangerschap. Toen kwam aan die vieringen een einde, tot haar grote spijt. Het waren prettige

20 feesten, met véél jong volk, genoeg te eten en te drinken, gezelschapsspelletjes, dans en muziek, zoenen onder de mistletoe. Ik heb er de beste herinneringen aan over gehouden! Mia's jongere zus Liza (geboren te Antwerpen in 1912) had de lelijkheid van haar vader geërfd maar door haar vrolijkheid, ongecompliceerdheid en openheid verdween die lelijkheid op de achtergrond. Zij beredderde, samen met haar moeder, de zaken thuis en vreesde, daar zij buiten de dorpsjeugd, zowat geen jong volk zag, niet van de straat te geraken, tot plots een bloemistenzoon uit Kalmthout smoorverliefd op haar werd en zij op hem. Haar ouders wezen er haar op dat zij onder haar stand trouwde maar ze hield voet bij stuk. Haar ouders die haar geluk voorop stelden, slikten hun tegenwerpingen in en na slechts 6 maanden vrijage trouwden ze in het begin van de oorlog. Ze woonde in het boswachtershuis van de " Markgraaf". Toen wij op de vlucht waren, na de verplichte ontruiming van Ekeren in Augustus 1944, was ze, wegens het gevaar, terug bij haar ouders ingetrokken. Zij had toen een klein jongentje, Hans ( de militaire tolk uit de jaren zestig van de vorige eeuw!) en een babytje van een paar maanden, Griet. De twee volgende, Max en Ria, zijn in Canada geboren. Het was een tof koppel en stapel op elkaar: dat zijn ze ook gebleven! Haar man Jan, geboren te Kalmthout 16/1/1915 is op zijn 84 ste verjaardag gestorven te Chilliwack (Brits Columbia) Canada op 16/1/1999. Zij leeft nog steeds : zij mist haar man erg maar geniet van elke dag die Ons Heer haar geeft. Beide zussen zijn op internaat geweest in O.L.Vrouw Waver en toen ons moeder voor mij op zoek was naar een goed internaat gaf Kozijn Oscar de raad mij daar onder te brengen. Hij zei letterlijk: "Een betere opvoeding op alle vlakken dan daar, zal je nergens vinden!" dus zo werd ik bij de Ursulinen van Waver ondergebracht. Oscar is zich altijd een beetje voor ons gezin blijven verantwoordelijk voelen, zeker tijdens de afwezigheid van mijn vader door de oorlog. Tijdens de oorlog werden er regelmatig voedselpakketten bij ons thuis bezorgd, met "de Markgraaf " als afzender. Hij was bezorgd om ons welzijn en hij was dan ook onze toevlucht toen we uit Ekeren moesten evacueren. Ons moeder probeerde wel dichter bij huis te blijven. Dat lukte enkele weken maar wij werden door de aftrekkende Duitsers meegezogen en belandden uiteindelijk in Kalmthout, waar we welkom waren. We hadden ons geen slechtere plaats kunnen uitkiezen want vlak voor het domein hielden de geallieerden halt en de Duitsers van de weeromstuit, groeven zich in. Wekenlang hebben we midden in de vuurlinie gelegen. De obussen vlogen onophoudelijk over onze hoofden met een hoog fluitend geluid en ontploften ergens met een doffe klap. Als bij wonder werd de villa niet geraakt, wel enkele aanhorigheden. De schade echter was gering. Wij sliepen in de kelder met zijn allen, 7 volwassenen en 6 kinderen. Daar was een hele voorraad opgeslagen aan eten en drinken. Het was voor Oscar en Melanie een hele kopzorg om al dat volk alle dagen eten en drinken te geven! Soms werd het schieten minder en dan werden de kinderen gelucht, d.w.z. even buiten

21 rondrennen in de onmiddellijke omgeving van de villa. Op die momenten brachten de volwassenen eten aan de kippen, de kalkoenen, de ganzen, de vogels in de voliére, de pauwen en de konijnen. Er werden stapels brandhout binnen gebracht en men ging om vlees en melk in de boerderij. Het duurde lang voor we eindelijk naar Ekeren terug konden, het werd begin Oktober... daarover later meer! Het gedwongen verblijf daar zal ik nooit vergeten al heb ik er alleen, buiten de angstaanjagende beschietingen, goede herinneringen aan over gehouden. Ons moeder is hen ook steeds intens dankbaar gebleven voor hun Samaritaanse barmhartigheid. Dit is een héél relaas in verband met overgrootvaders oudste dochter. Terug nu naar de rest van de kinderen Morbée: EUGENIE was dus de oudste. De volgende in de rij was CHARLES Brugge 3/11/ Brugge 21/7/1903 Hij huwde Sidonie De Ruyter Brugge 22/11/ Heist a/zee 12/1/1936 Hij had 5 kinderen: Albert, Marie, Maurice, Richard en Irma. Hij was koopman, in wat weet ik niet. Hij overleed na een pijnlijke en slepende ziekte. Na zijn dood verhuisde zijn weduwe naar Heist a/zee. ROSALIE Brugge 1865 (?) + Brugge tussen 1938 en 1940 Zij huwde Emilius Franciscus Van Acker Brugge 12/8/ Brugge 10/1/1897 Emilius Franciscus was de oudere broer van de man van Rosalie s oudste zus Eugenie. Hij was wolhandelaar en runde de zaak samen met zijn jongere broer. Hij was bijna 20 jaar ouder dan zijn vrouw. Ze hadden 3 kinderen: Maurice, Lucien en Alphonse. Zij bewoonden een vrij groot huis langs de Lange Rei op N 68. Zij was al weduwe op haar twee-endertigste! Een kleinzoon van Tante Rose had een apotheek op de grote markt te Dixmuide (de apotheek is er nog steeds onder de naam Van Acker). Hij werd door Pater Oom op zijn bedeltochten steevast bezocht. Hij kreeg er steeds een rond geldsommetje LOUISE Brugge 13/12/ Brugge 27/6/1941 Zij huwde Louis Literme Brugge 20/6/ Brugge 9/4/1928 Hij had een groothandel in lompen. Zij hadden 3 kinderen: Bertha, Harry en Rachel. Zij woonden aan de Leemputstraat N 6. Hij was de schoonbroer van Henri Pergoot, die Hoofd Commissaris was te Antwerpen en waar we als kinderen, elk jaar stijfdeftig op

22 bezoek moesten. Ik zie het donkere herenhuis met zijn druilerige tuin in de Grote Hondstraat, nog voor me. Wat haatte ik die visites! PHILOMENE Brugge 21/1/ Brugge 18/6/1953 Zij huwde de buurjongen, een telg uit een geslacht van jeneverstokers: Gaston-Jean Schaeverbeke Brugge 10/1/ St. Kruis 13/9/1932 Zij baatten op het hoekje van de Langestraat (N 92?) en de Vuldersstraat een drankslijterij uit, waar men enkel korte-drank en wijn kon kopen. Zij hadden 6 kinderen: Julien, Richard (emigreerde naar Amerika), Charles, Georges, Gaston, (mijn vader s lievelingsneef, hij was van dezelfde leeftijd) en Adrienne. Hier is nog een plezante anekdote te vertellen in verband met de oudste zoon Julien Brugge 16/1/1896 en er overleden 30/9/1984. Ik laat zijn kleinzoon Karel Vandendorpe aan het woord: Hoewel Julien reeds op jonge leeftijd blijk gaf van artistieke aanleg moedigden zijn ouders hem niet aan een artistieke loopbaan te kiezen (men verdiende het zout op zijn patatten niet).een kunstenaarsbestaan was bijzonder hard! Hij liep school in het St. Leo College en het leven daar werd hem zuur gemaakt omdat zijn vader handel dreef in alcoholische drank. Hij werd dat geterg beu, stopte met de studie en werd leerlingtimmerman. Hij volgde ondertussen 4 jaar Bouwkunde aan de Brugse Academie, onderbroken door wereldoorlog 1. Hij trok met twee van zijn broers en twee vrienden naar Engeland en werd in 1915 naar het front gestuurd te Dixmuide en raakte er vrij snel zwaar gewond. Hij werd voor herstel naar een kamp voor groot-invaliden overgebracht in Port- Villez (Eure -Frankrijk). Daar leerde hij de techniek van tekenen en boetseren en werken met paletmes en olieverf. Zijn leraar was een door de Belgische Regering aangestelde Brugse kunstenaar, Octave Rotsaert (familie van Jan Rotsaert, een vriend van nonkel Fons Willems en ook afkomstig uit een kunstenaars nest? Dit is een vraagje dat ik mezelf stel). In het kamp verbleven nog enkele andere kunstenaars met wie hij later steeds vriendschapsbanden heeft onderhouden. In 1918 behaalde hij zijn diploma van Toegepaste Kunsten wat hem de mogelijkheid bood op te treden als architect en tekenleraar. In September I917 zat hij in Parijs te schilderen aan de Seine toen een oudere heer met belangstelling zijn werk bekeek. Het bleek de beroemde Franse Impressionist CLAUDE MONET te zijn, die toen in het nabij gelegen Giverny woonde. Hij nodigde Julien uit om bij hem thuis te komen helpen met houthakken en tuinieren. De beroemde schilder woonde samen met zijn schoondochter en had last van ernstige problemen met zijn gezichtsvermogen. Hij was toen 77 jaar oud. Het is niet zo, dat Julien daar met allerhande beroemdheden aan tafel zat maar hij maakte wel het familiale leven van de Monet's mee. Monet leerde hem wel zéér veel over kleurschakeringen, lichtinval en het Impressionisme in zijn zuiverste vorm. Hij kwam naar Brugge terug, trouwde en kreeg drie dochters. Hij

23 gooide al zijn twijfels in verband met zijn talent overboord en wijdde zich intens aan de schilderkunst. Hij bouwde een huis met een groot atelier te Ste.Kruis aan de Moerkerkse Steenweg. Om den brode werkte hij als Controleur van Werken in de dienst van de Militaire Gebouwen en gaf daarnaast nog les aan de Tekenschool in Blankenberge. Hij heeft een rijk gevuld leven geleefd en héél wat prachtige schilderijen gemaakt, die meestal in privé-collecties blijven. Hij was een bescheiden man en stond niet graag in de belangstelling. EULALIE Brugge 30/10/ Brugge 4/7/1954 Zij huwde Florent Loontiens Oostende 18/10/ Ste. Kruis 27/12/1940 Hij was als ambtenaar verbonden aan de Militaire gebouwen en was volgens de familie vrijmetselaar al is hij kerkelijk begraven. Hij woonde te Ste Kruis aan de Dampoortweg en had 3 kinderen: - René gehuwd met Jeanne Brilleman - Esther gehuwd met Jean Delin. Zij baatten een druk beklante drogisterij uit, practisch op het hoekje van de Rozenhoedkaai en de Eeckhoutstraat. Het was een mooi middeleeuws pand met een pui en een trap vanop de straat. Voor zover ik weet is er nu een kantwinkel in gevestigd. Bij deze Esther berustten de papieren in verband met de Franse erfenis, dus ook de "Passavang". Zij hadden 5 kinderen. - Victoire gehuwd met Pillen, een bankhouder en wisselagent. Zij woonden in de Vlamingstraat boven de zaak, in een prachtig oud gebouw. Ze hadden 3 zoons waarvan de oudste Walter, Jezuiet is en verblijft in het Missiehuis van Ranchi (India). Zijn broers, Christiaan en Wilfried werden regulier priester, maar gooiden al vlug hun kap over de haag! Wilfried was even oud als onze Wim. Zij kenden elkaar van op St. Leo College. Over de Jezuiet is iets merkwaardigs te vertellen. Het illustreert alleen hoe de wereld een dorp geworden is. Een tijdje geleden zitten we bij ons Marleen samen aan tafel met Vader Van Damme. Hij vertelt over iets dat hem kort geleden overkwam. Hij wordt executeur-testamentair van de erfenis van een oude dame te Antwerpen die hem opdraagt haar erfenis te besteden aan goede werken én naar zijn eigen gezond oordeel. Bovendien mag er geen geld aan de strijkstok blijven hangen, hij moet zicht hebben op het feit of de erfenis wel goed en volledig voor het goede doel zal gebruikt worden. Hij zit met die opdracht fameus in zijn maag want ze is niet gemakkelijk. Op een Zondag volgt hij de Mis in het Missiehuis van de Paters Jezuieten te Heverlee en ziet daar een oude Pater zitten die er zéér krammakkelijk bij loopt, met krukken, maar zich toch uit de slag trekt. De man is voor hem een nobele onbekende en hij vraagt, gewoon nieuwsgierig, wie de man is. Hij kent zowat de hele

24 Jezuietengemeenschap die in Heverlee verblijft, maar deze Pater kent hij niet! Ze vertellen hem, na de Misviering, de historie van die bewuste Pater. Hij is uit India overgekomen om zich te laten opereren en verzorgen. Daarna zal hij terug gaan naar India, waar hij in een project werkt voor de armen en er niet kan gemist worden, niettegenstaande zijn hoge leeftijd. De Paters doen hem haarfijn uit de doeken hoe de zaak werkt en het is zo interessant en belangwekkend als project dat Vader Van Damme besluit de erfenis aan dat project te besteden. In dit project wordt het inkomende geld van giften op een zodanige wijze beheerd dat het binnen het project blijft en er terug in geïnvesteerd wordt. Hij neemt contact op met de bewuste Pater en alles komt in kannen en kruiken. Terwijl Vader Van Damme zijn verhaal afsluit vertel ik terloops dat mijn vader een neef Jezuiet heeft in India en dat zijn naam Walter Pillen is. Bij Vader Van Damme gaat een lichtje branden en hij vraagt mij de naam te herhalen. Is zijn Pater toch zeker de neef van mijn vader! Hoe klein is de wereld! JOSEPH HUBERT Brugge 28/5/ /2/1937 Hij is dus mijn grootvader (voor de vrienden Sef of Seppen) en huwde 7/8/ 1894 (zij waren samen geen 40 jaar oud) Marie-Louise KEEREMAN Brugge 19/1/ Ekeren 19/8/1958 Zij hadden 3 kinderen: Madeleine Brugge 4/12/ Brugge 21/6/1900 Hubert Brugge 4/9/ Brugge 12/2/1990 Geprofest als Ongeschoeide Karmeliet in 1929 Emiel Brugge 4/10/ op zee 22/9/1942 bij IJsland getorpedeerd door een Duitse U -boot. Gehuwd te Blankenberge op 31/9/1930 met Maria Haegebaert. Ons Mutter, zij is een hoofdstuk apart. Ik heb haar goed gekend. Zij maakte een consistent deel uit van mijn onmiddellijke omgeving vanaf mijn geboorte tot aan mijn trouwen. Ook daarna was ze er steeds. Zij bleef gewoon een stuk van mijn thuis! Zij was niet wat men gewoon is "een lieve vrouw " te noemen. Ze had in haar jonge leven heel wat zware ontgoochelingen opgelopen en een geliefd kind op een paar dagen tijd, door een fatale hersenvliesonsteking aan de dood moeten afstaan. Het leven had haar geboetseerd en haar gemaakt tot wat ze was. Ze was verstandig maar vooral wijs. Zij had een onvoorstelbare mensenkennis en als ze iemand van bij het begin veroordeelde dan kon je er donder op zeggen dat die persoon je na afzienbare tijd hevig zou teleurstellen of stevig in " 't zak" zetten. Ze had een scherpe tong, kon bijwijlen zéér cassant zijn, wat het voordeel had dat iedereen terdege wist hoe ze over iemand of over een situatie dacht, kon heftig discussiëren, stak haar mening niet onder stoelen of banken, kon op een zakelijke manier en on the point een probleem uiteen zetten en kon fameus kolleirig uit haar slof schieten: onze Wim kon daarvan meespreken. Die kon na wat getreiter of uitdagend gedrag, wel eens een ferme oorveeg incasseren! Ze voerde eerlijkheid hoog in haar vaandel en

25 stelde die zeldzame waarde, ook bij anderen, hevig op prijs. Ze had een zéér sterk ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid en droeg het hart op de juiste plaats. Ze was diep gelovig maar beslist géén kwezel. Ze was, volgens mijn grootvader aan moederszijde ( zij waren zowat buren, ze woonden geen straat ver van elkaar) niet direct een klassieke schoonheid maar ze had iets waardoor een man twee keer naar haar keek. Ze had een fikse elegante tred en was altijd om door een ringetje te halen. Ze was steeds met véél smaak én "elegance" gekleed, een échte dame, volgens hem. Zijn beeld komt natuurlijk niet overeen met het beeld dat wij van haar hebben. Zij was toen al een oude dame, nog steeds zéér verzorgd gekleed, klein en wat uitgedeind, onveranderlijk in het zwart (in mijn kindertijd was het zowat een doodzonde als je, eens boven de vijftig, durfde kleurig te verschijnen!) Haar enige toegeving aan al dat zwart was haar schortje, dat had steeds een fleurig bloemetjespatroon, maar ook een zwarte ondergrond! Zij bezigde een beeldende taal en haar dagdagelijkse gesprekken stonden bol van de spreuken en zegswijzen. Zo zei ze b.v. tegen ons, kinderen, als we met een pruillip rondliepen omdat we iets niet mochten of kregen: jen leppe hangt gelyk t wywaotervat van den Dunne. Eén of andere kerk of kapel te Brugge, gewijd aan O.L.V. ter Duinen bezat een wijwatervat in de vorm van een pruillip, of goa klapt tegen de kiekens, z en lange teen tegen iemand die bleef doorzeuren, of nog tegen iemand die steeds zijn gelijk wilde halen je kriegt t lyk en de vaone (de vlag). Ze sprak over Bamessewere (1 Novemberweer) bij koude striemende regen gepaard met storm en wind. Ze had het over een mulle van lenkies (lintjes) als iemand niet ophield met doorratelen of, als iemand er slordig bijliep z es gekleed gelyk van den des (de dis is een caritatieve voorloper van het O.C.M.W.), een russelutte was een wildebras, een gepeperde rekening betittelde zij als een Blankenbergse rekening en zo kan ik nog een tijdje doorgaan. Het was echt iets eigen aan haar persoon, ons moeder had dat helemaal niet. Die bezigde een gewoon Brugs zonder al die beeldende gezegden. Zij was voor ons een fantastische grootmoeder. Zij verwende ons schandelijk, als dat in haar vermogen lag, we waren bij haar altijd zeker van een luisterend oor maar ze kon ons ook fameus de mantel uitvegen als we in haar ogen iets verkeerd deden. Dan was ze beslist niet mals. Ze kon zich soms, heel onverwachts, tolerant opstellen als we met een probleempje zaten. Ze heeft, naar mijn oordeel, minstens zoveel tot onze opvoeding bijgedragen als ons moeder. Die stond er, vanaf het begin van de oorlog, alleen voor en had tot doel ons een goede opvoeding te geven en ons te wapenen tegen wat het leven ons zou brengen. Zij hield daar streng de hand aan. Ze was een strenge maar goede moeder en ons Mutter steunde haar daarin ten volle. Ons Mutter vereerde haar, bij wijze van spreken, steunde haar in al wat ze van ons eiste, terecht trouwens. Die twee waren twee handen op één buik. Ik heb zelden een zo goede band tussen schoonmoeder en schoondochter gezien. Ze hadden bijna nooit verschil van mening en hadden qua huishouding, door de jaren heen, een patroon uitgedokterd waar beiden zich goed

26 bij voelden. Ons moeder deed de was, de strijk en de schoonmaak, hielp bij het huiswerk, van ons, klein grut, waar nodig en deed de boodschappen (ons Mutter kwam zelden buiten, tenzij om naar de mis te gaan of naar Brugge als ze er zelf iets te regelen had).ons Mutter maakte de maaltijden zover klaar dat ons moeder er slechts de finishing tuch moest aan geven, hield haar eigen kamer schoon, deed soms de verstel, lette op ons, kinderen en breidde alle wollen dingen nodig in een gezin. Hoeveel jaeger onderlijfjes heeft ze niet gebreid: dat droegen we vanaf 1 November tot na de IJsheiligen (d.w.z.tot ongeveer 13 Mei!). Ons moeder en ons Mutter waren onverbiddelijk op dat vlak! Hoeveel kinderkousen zijn niet door haar handen gegaan, om te stoppen, te breien of te verbreiën, de mijne waren altijd in een soort kantpatroon waar al mijn vriendinnetjes jaloers op waren. s Winters droeg ik lange kousen, lange broeken voor meisjes bestonden toen niet en de schrale winterwind kon je billen aardig in t' rood zetten! Die lange kousen breidde ze dus ook, met véél geduld want in lengte scheen daar wel geen einde aan te komen. Van haar heb ik leren breien. Ons moeder had daar de tijd niet voor, ze had het altijd druk met van alles en nog wat in huis en in de tuin. Mutter kon uit haar hoofd, zonder aanwijzingen, de mooiste patronen breien. Wij hebben daar een uitlegboekje bij nodig, zij niet. Ze vertelde mij eens, dat ze toen ze jong was en ze voor een breipatroon inspiratie wilde opdoen, naar een van de oude kerken van Brugge trok, de stenen patronen van de oude glasramen bestudeerde en dan met een patroon in haar hoofd naar huis trok en het uitwerkte. Ze kon de prachtigste truien breien, zo fijn, dat ze net gekocht leken. Na de middag zette ze zich op haar bakerstoeltje (daar zat ze ook meestal te breien), dat mee uit Brugge kwam, (een bakerstoel is een speciaal verlaagde iets bredere stoel, waar men op zat bij het verzorgen van een baby in vroeger dagen, dat deed men toen op schoot: lijkt mij zéér ongemakkelijk én onhandig!) en bad daar haar dagelijks rozenhoedje. De paternoster, die ze daarvoor gebruikte, week af van het normale patroon, het had zeven maal een reeks van zeven bolletjes met tussenin telkens een soort zilveren medaille. Het had iets te maken met O.L.Vrouw van Zeven Weeën. Ze was een onverzadigbare lezer en las letterlijk alles, van de krant tot bibliotheekboeken. We waren lid van het Davidsfonds, tot haar klein inkomen ons moeder tot grote zuinigheid verplichtte en wij "lid af" werden. Lezen deed ze meestal s'avonds of in de late namiddag toen ze vond dat voor die dag haar taak erop zat. Ze is, na de mobilisatie in 1938, in het najaar bij ons komen wonen op aandringen van mijn vader die lont rook in verband met een komende oorlog. Mijn ouders hebben bij haar en grootvader ingewoond, met enige onderbreking, vanaf hun trouwen tot kort na de geboorte van onze Jan in 1936, ze zijn toen verhuisd naar Ekeren. Dat was voor mijn vader gemakkelijker als hij in haven lag, dan telkens naar Brugge te moeten reizen. Mijn vader zag op zee de steeds grotere machtsontplooing van machtige staten zoals Engeland en Duitsland en voelde de dreiging van een oorlog tot in al zijn vezels. Bezorgd om de twee vrouwen, die hij op zo'n verschillende wijze liefhad, drong hij er bij zijn moeder op aan bij

27 ons in te trekken. Ons Mutter wilde daar eerst niet van weten. Zoals ze zei: "Hij woonde nu eindelijk alleen en ze zag niet in waarom ze bij zou inwonen. Uiteindelijk, na lang aandringen, verkocht ze een deel van haar overbodige huisraad, deed een deel weg, verhuurde haar huis en trok bij ons in. Ik zei al dat ze voor ons een fantastische grootmoeder was en ons schandelijk verwende. De twee jaar dat ze in Brugge alleen woonde van 1936 tot 1938 verscheen ze een paar keer per jaar met een taxi voor onze huisdeur met onveranderlijk twee valiezen, een grote en een kleine. In de kleine zaten haar persoonlijke spullen en in de grote, spullen voor ons. We konden nauwelijks de tijd afwachten die ze nam om even op adem te komen, een tas koffie te drinken, met ons moeder wat familienieuwtjes uit te wisselen...en dan kwam het grote moment! De valies ging open. Het leek wel de grot van Ali-Baba! Wat daar allemaal voor ons uitkwam: de heerlijkste dingen waar een kinderhart maar kon naar verlangen: boeken, ballonnen, snoep, speelgoed, ballen. Dingen waar een kind zijn ziel zou voor verkopen: treintjes, poppen, tollen, springkoorden, kleurpotloden, kleurboeken, wasstiften. Ze zijn allemaal uit de diverse valiezen te voorschijn gekomen. Wij hebben haar van kinds af in ons kinderhart gesloten en zij is er nooit meer uit gegaan. Met de jaren verminderden haar activiteiten, maar ze bleef alert de wedervaardigheden van haar kleinkinderen volgen. Ze leefde mee met hun illusies en hun desillusies. Mijn broers hadden, toen ze nog jonge kerels waren, een formidabele occasie auto op het oog, jammer genoeg, zelfs als ze botje bij botje legden hadden ze net niet voldoende geld om hem te kopen. Ons Mutter, die toen zeker, zuinig met haar centjes moest omspringen, legde de rest en nog wat voor de onkosten, bij. Ze zei wel lachend: "Op voorwaarde dat ik ook eens mag meerijden.!" Ze was apetrots op de twee achterkleinkinderen die ze heeft weten geboren worden. Bij bezoekjes was ze er vol aandacht voor. Lezen heeft ze gedaan tot ze te ziek werd en daardoor bedlegerig. Ze leed zwaar aan aderverkalking en dementeerde op het laatste. Ons moeder heeft haar tot aan haar overlijden verzorgd als een prinses tot ze er zelf soms bij neerviel. Ons moeder vond dat het niet meer dan haar plicht was en consequent zoals ze steeds geweest is, hield ze zich daaraan. Voor ik verder vertel over haar leven zal ik het eerst hebben over haar familie. Zij was de jongste van zeven. Haar oudste broer Télèsphore (wat een naam!) moet een jaar of 10 ouder geweest zijn. Ik heb enkel de gegevens van zijn vrouw: Emma Marie Johanna Lahouter ( Brugge 26/2/1866 en er overleden op 24/2/1917). Daaruit en uit hetgeen Mutter vertelde concludeer ik min of meer zijn geboortejaar. Hij was al het huis uit toen zij nog een jonge puber was. In de jaren na zijn geboorte en die van Mutter, zijn voor haar moeder vreselijke jaren voorbij gegaan, met de éne zwagerschap na de andere waarvan de ene al catastrofaler afliep dan de andere: miskramen, vroeggeboortes zonder

28 levensvatbaarheid, dood geborenen tot eindelijk ons Mutter geboren werd, als zevende. Zij werd door haar ouders gekoesterd als een schat en ik vermoed ook schabouwelijk verwend als ik later hoorde en zag wat ze allemaal kreeg. Haar vader Ludovicus (Louis) KEEREMAN geboren te Oedelem 15/1/1832, gestorven te Brugge 27/1/1902 was gehuwd met Melanie SABOT geboren te Sijsele 2/10/1836, gestorven te Brugge 4/11/1911, was één van de jongere zonen van een boerengezin uit Oedelem die met zijn moederlijk erfdeel naar de stad Brugge afzakte om zich daar een bestaan op te bouwen. In die tijd erfde de oudste zoon de boerderij, dus hij kon daar niet blijven, tenzij als knecht, blijkbaar voelde hij daar niet voor! Hij is begonnen met een soort hotel te runnen voor "Verloren Mannen". In die tijd liep de dienstplicht over 4 jaar en de dienstplichtigen moesten loten om het nodige aantal recruten aan te vullen. Zij die "eruit" lootten waren bij de gelukkigen, zij die "erin" lootten de sigaar. Er bestond echter wel de mogelijkheid, voor wie erin geloot was, zich vrij te kopen door een nogal redelijk bedrag te betalen aan iemand die eruit geloot was en toch wilde zijn dienstplicht vervullen. Meestal waren het straatarme jongens die zich hiertoe lieten verleiden omdat het een mogelijkheid was over enige centen, in hun ogen een fortuin, te beschikken. Grootvader Joseph Morbée was erin geloot, zijn vader heeft hem vrijgekocht! Ik ken nog een liedje over de dienstplicht uit die tijd, ons Mutter zong het regelmatig. Het gaat als volgt: Negen en negentig trappen moest ik upgoan k'zoen d'er wel onder bezwieken Schep mo couroage, schep mo couroage Schep kloeke moed en het zaldere welgoan En al zijn wij kwijt, onze zoete liberteit Vier joar, ten es gen eeuwigheid De 99 trappen wijzen op het fort van Dinant, waar heel wat Vlaamse recruten terecht kwamen. Nu, de "Verloren Mannen" waren de jonge mannen die van overal uit de provincie opgeroepen werden en in afwachting van de " Loting" onderdak zochten. De loting had plaats te Brugge, de Provincie hoofdplaats. Vader Keereman gaf dus onderdak. Hij huurde een groot huis op de Simon Stevinplaats (als je met de rug naar de Steenstraat staat is het aan de rechtse kant van het plein, twee huizen van het hoekhuis af.) Het was geen hotel, zoals we het ons nu voorstellen. Het had er NIETS van!!! Iedere logé beschikte over een proper bed op een kamer waar zoveel mogelijk bedden ingepropt werden als er staan konden. Er was één gezamenlijke wasplaats en het toilet was buiten op de binnenplaats, het was niet meer dan een soort hok met een "plank met een gat erin" afgesloten door een groengeverfd deurtje met een hartje uitgezaagd op ooghoogte. Wie wilde kon s avonds een warme maaltijd krijgen, die bestond uit een dikke maaltijdsoep b.v. erwtensoep met een stuk brood of een variëteit ervan. Hij heeft er goed zijn kost mee verdiend want, zoals blijkt uit notarisakten waarover wij beschikken, heeft hij in de tweede helft

29 van de jaren 1870 heel wat eigendommen aangekocht waarvan, later, een deel tot ons Mutter haar erfenis behoorden. In de jaren 1890 heeft hij nogmaals een deel huizen gekocht, maar dan baatte hij al de herberg "den Engel" uit aan de Kraanplaats. Heden ten dage kan men nog altijd het opschrift "den Engel terug vinden op de gevel, het is een tijdje een gesloten huis geweest en is nu terug een café. De Tonnetstoelen, die boven staan, hoorden tot de inboedel van de herberg. Bij de geboorte van ons Mutter woonden ze nog aan de Simon Stevinplaats. Zij moeten verhuisd zijn ergens in de jaren tachtig. Hij had zich toen al ingekocht in de biervoerderij, een soort Natie, een gesloten beroep, voor 600 Goudfranken, wat toen een héél kapitaal moet geweest zijn want ons Mutter heeft haar huis in de Kalvariebergstraat te Brugge in het begin van de jaren 1900 gezet voor 900 Goudfranken! Hij verkreeg hiermee de alleenverkoop van zowat het beste bier van Brugge én de licentie om jenever te schenken. Hij had een meer dan goedbeklante herberg die de naam had "een deftig Etablissement" te zijn! Dronkaards werden er niet getolereerd en met harde hand buiten gezet, volgens ons Mutter. De klanten bestonden s morgens vooral uit voorbijgangers, bezoekers aan de " Groensel -eier en botermarkt" vlak om de hoek. De boeren, die de leveranciers waren op dat marktje, stalden bij hem paard en kar en dronken er ook al eens een pint. s Avonds waren het vooral vaste klanten en ook clubleden die daar hun vergaderplaats hadden zoals: schutters, advocaten, dokters, leraars. Bij de bijgevoegde foto s horen een paar foto s uit het boek Uit de Wereld der Brugse mensen : één van een biervoerder in groot ornaat en één van biervoerders of betaalde helpers bij het uitoefenen van hun werk. Zij dragen aangepaste kleding en maken deel uit van het Officie van de Biervoerders. De foto van de man in groot ornaat dateert uit Hij is de Deken van het biervoerdersofficie en is afkomstig van Oedelem, het geboortedorp van grootvader Keereman. Is er een verband?!! In het boek wordt tevens gezegd dat het korps, eigenaardig genoeg, uitsluitend bestaat uit stevig gebouwde plattelandskerels, die zich in Brugge vestigden. Zo hebben jullie enig idee van wat overgrootvader Keereman uitvoerde om aan de kost te komen. Overgrootvader Keereman kon lezen en schrijven, of overgrootmoeder het kon, weet ik niet. Ons Mutter kreeg in elk geval een goede opvoeding en ging tot haar 16 naar school. Om de hoek, zei ze, dus veronderstel ik dat het op "Maagdendale" was, want dat is inderdaad juist om de hoek. Zij vertelde dat men over een redelijk inkomen moest beschikken om het schoolgeld voor een dergelijke school op te hoesten en dat van haar generatie ongeveer 5 op 10 kinderen konden lezen noch schrijven. Zij vond dat zij op dat vlak tot de bevoordeelden behoorde en van geluk mocht spreken. Na haar schooltijd bezocht ze regelmatig "den Theater", ook al vlakbij. Ze kende hele aria s uit het hoofd en de zwarte kanten sjaal, die ik van haar kreeg, dateert uit die tijd. Zij droeg hem om theater- voorstellingen te bezoeken. Verder werd van haar verwacht dat

30 ze haar vader in de herberg hielp. Ze had er een hartsgrondige hekel aan een probeerde alles om eraan te ontsnappen. Haar vader was echter onverbiddelijk. Ze moest, evenals iedere gewone burger, "werken voor de kost" zei hij. Ze heeft me eens terloops verteld hoeveel tonnen bier er per week getapt werden en hoeveel liter jenever op één avond geschonken werd. De juiste getallen ken ik niet meer maar het waren toch imposante cijfers. De kruik waaruit zij jenever schonk is het kruikje dat op de logeerkamer stond voor de brand: het heeft een vuilbeige kleur en is versierd met een rand acanthus blaren in een vuilbruine kleur, de opgezette ringen zijn verdwenen. Dat kruikje moet ondertussen minstens 125 jaar oud zijn. Overgrootvader Keereman had 3 broers: Léonard, Joseph, Pierre en 2 zussen: Françoise en Marie. Zus Françoise was gehuwd met een zekere Charles- Louis Maertens en ze is overleden op 14/6/1910 te Seclin in de gezegende leeftijd van 95 jaar! Seclin ligt ongeveer 20 Km. ten zuiden van Rijsel. De aankondiging is in het Frans gesteld en geadresseerd door een ongeoefende hand. Overgrootmoeder Keereman heet MELANIE SABOT en is de dochter van Petrus SABOT (geboren te Sijsele 1796 en er gestorven 22/2/1872) en van Barbara SABOT (geboren te Sijsele 1794 en er gestorven 6/3/1869). Zij huwden er op 2/7/1816, een jong koppel in elk geval. Ze dragen ook beiden dezelfde familienaam! Hij was landbouwer-herbergier-winkelier, zij was spinster-herbergierster. Bij hun overlijden kreeg overgrootmoeder als erfenis haar deel van de verkoop van twee onbelaste eigendommen gelegen te Sijsele. Uit die akte, in het Frans, blijkt dat ze thuis met zeven waren: - Jean arbeider te Sijsele - Marie - weduwe De Tollenaere wonende te Brugge Potterierei n 82 vlakbij haar jongere zus Melanie (de moeder van ons Mutter) die op n 29 woonde sinds ze rentenierde. - Virginie overleden. Haar dochter Emma Verbiest huwde met August Sourie, handelaar. De zoon Louis was een voorkind en wilde priester worden. Het feit "voorkind" te zijn kleefde als een smet aan hem, het bisdom weigerde zijn kandidatuur. Hij schreef in zijn vrije tijd boeken en gedichten.zijn naam, Louis Sourie is zeker in Brugse Bibliotheken terug te vinden. Zijn ouders woonden eveneens Potterierei Melanie - weduwe Keereman wonende te Brugge Potterierei Charles reeds overleden in 1904, gehuwd met Moerman Marie-Louise - Barbara- gehuwd met Joseph Dheys, kleermaker te Sijsele - Pierre - herbergier te Sijsele, er overleden 1880 en gehuwd met Van Rie Rosalie, overleden 25/6/1899: geen kinderen

31 De ouders van Melanie Sabot haalden naast het boeren, hun inkomsten uit verschillende bezigheden en leefden bij hun overlijden blijkbaar op hun renten. Waarom de verkoop van hun eigendommen pas in 1904 plaats greep, zoals blijkt uit de notarisakte, weet ik niet. Het lijkt waarschijnlijk dat de jongste zoon de doening overgenomen heeft en alles in onverdeeldheid is gebleven tot na zijn en zijn vrouws dood. Zij stierven kinderloos. Eén van de erfgenamen van het echtpaar Sabot-Sabot woonde in Bleekerstreet te New York. Je moet weten dat er in Brugge eveneens een Bleekerstraat bestaat! Uit wat ik allemaal lees concludeer ik dat overgrootvader (Keereman Louis) ook op "zijn renten leefde toen hij stierf vermits hij bij zijn overlijden langs de Potterierei woonde op het N 29. Ons Mutter heeft een tijd bij haar ouders ingewoond na de débacle van het faillissement en is dan in N 27 gaan wonen tot ze verhuisd is naar de Kalvariebergstraat in Ons Mutter sprak vaak over Mitte Moeie, Babe Moeie en Manten Oom, dus Tante Barbara, Tante Marie en onkel Amandus. Het moeten ooms en tantes van de Keereman-Sabot kant zijn want bij de Morbée-kant sprak men van onkel en tante. Het was meer dan waarschijnlijk de gewone taal onder de boeren in die tijd. In de familie Sabot gaat het verhaal dat een niet zo verre voorvader een Frans soldaat was die aan een boerendochter, een enig kind die uiteraard de boerderij zou erven, is blijven plakken. Zij was voor hem uiteraard een bezitswaardige bruid! Eén van hun afstammelingen is burgemeester van Ste Kruis geweest. Onkel Fons Willems heeft me zijn geschilderd portret aangetoond op het stadhuis van Ste Kruis. Hij hangt daar in de reeks geconterfeite burgervaders van die gemeente. Ik heb nooit een foto gezien van Mutter haar ouders. Ik weet alleen dat haar moeder zwart haar had en dat er bijna geen grijze haren tussen zaten bij haar dood: ze was toen toch al 75 jaar oud! Verder had ze heel mooie slanke en fijn gevormde handen, niettegenstaande ze een leven lang hard gewerkt had. Ons mutter vertelde wel eens over haar grootouders, waar ze blijkbaar toch regelmatig kwam. Het waren van beide kanten boeren en zo vertelde ze over één van de hofsteden dat de boer en de boerin, haar grootouders dus, samen met de meiden en de knechten, s avonds na het werk, rond de open haard zaten in de grote keuken. Zij was daar als jong kind op bezoek en zat te luisteren naar alle spook- en andere verhalen, die ieder om de beurt vertelde. Al naargelang de verhalen zat ze stilletjes te griezelen. Op een keer stak er een zwaar onweer op en iedereen zat rond de haard te luisteren naar de zware donderslagen en zag de weerschijn van de felle bliksemschichten. Plots verscheen een vuurbol uit de haard, zweefde de keuken rond en verdween even snel terug door de open schoorsteen, een stank van zwavel en vuur achterlatend. Iedereen was verbouwereerd en kon zijn ogen niet geloven. Gelukkig was niemand gewond! Zij heeft aan die belevenis een levenslange dodelijke schrik overgehouden. Ik herinner me nog levendig een onweer in Brugge waar ze met haar armen beschermend om ons heen in het

32 midden van de eetkamer stond, ver van het venster, terwijl ze hoorbaar om bescherming bad! Ons Mutter heeft grootvader leren kennen op een boerenbal. Zij was ter gelegenheid van de kermis op bezoek bij haar grootouders, te Oedelem of te Sijsele, dat weet ik niet meer. Hij was een knappe charmante jongeman, goed van de tongriem gesneden en het was voor beiden "le coup de foudre" zoals ze het zelf formuleerde. Hij wilde "par force" een zelfstandig bestaan en zij wilde van "het schenken" vanaf, niet zozeer van haar thuis weg, maar van de herberg weg. Er werd niet lang getreuzeld met trouwen en ze installeerden zich in een beenhouwerszaak gelegen in de Peterseliestraat. De ouders van beide kanten hielpen hierbij. Ik weet b.v. dat de ronde marmeren tafel een geschenk was van vader Morbée die hem op de kop tikte bij een openbare verkoop van de inboedel van een rijke oude dame, na haar overlijden. Er waren stoelen bij, maar die waren toen al in een slechte staat en zijn vervangen door andere in de jaren dertig van de vorige eeuw. Ze hadden een mooie slaapkamer, die verdwenen is bij de verhuis naar de Zilverenhoek in 1954 omdat ze te volumineus was en niet binnen kon in de eerder kleine slaapkamers van de jongens. De secretaire hebben ze later zelf gekocht en de rest van de inboedel werd hen cadeau gedaan door de familie, zoals keukenstoelen enz. Ons Mutter noemde het "haar speelmanoage". Waarom grootvader voor een beenhouwerij koos weet ik niet. Ik heb er ook nooit naar gevraagd maar het lijkt me een rare keuze. Ze begonnen dus vol goede moed aan hun huwelijk én aan hun zaak. De zaak liep in het begin meer dan goed maar het liep al gauw mis. Ons Mutter was vrij vlug in verwachting: Madeleine werd geboren en vroeg, zoals elk klein kind, veel tijd én aandacht. Ons Mutter stond mee in de zaak maar haar man verdween al langer hoe meer uit de zaak. Het verveelde hem en hij deed het niet graag. Het werd zo erg dat ze er bijna alleen voor stond. Zij kon moeilijk zelf naar "den abattoir" gaan om in te kopen, want ze kende niet genoeg van vlees, bovendien was dat een mannenbastion: ze zou nogal opzien gebaard hebben! Grootvader "vernégliseerde" ook zaken zoals het aanmaken van worst, leverpaté en andere zaken. Er kwamen hoogoplopende ruzies. Ons Mutter zei hier later over: "Wij zijn véél te jong getrouwd, ik trouwde om een strooitje te ontlopen en ik kwam een hele bussel tegen!" Toen stierf haar dochtertje onverwacht aan hersenvliesontsteking, fataal in die tijd. Het was een mooi kind en zij heeft die dood nooit kunnen verwerken. Toen ik al volwassen was sprak ze er nog over met tranen in de ogen! Het werd haar allemaal te veel en ze verliet haar man, vast van plan het verder alleen te doen. Door een gril van de natuur liet haar lichaam na haar op een zwangerschap te wijzen. Misschien was de gespannen relatie en alle daarmee gepaard gaande miserie de oorzaak, wie zal het zeggen! Zij trok bij haar ouders in, die toen al op de Potterierei woonden. Haar ouders drongen er bij haar op aan terug naar haar man te gaan, grootvader verscheen vol berouw en met beloften van beterschap. Ze wilde niet. Spoedig moest ze toch op haar besluit terug komen, want na zeer korte tijd kwam ze tot de ontdekking dat ze over de helft van een zwangerschap was! Pater Oom

33 was onderweg. Ze is dan onder de druk bezweken: een kind alleen groot brengen vond ze voor zichzelf niet erg, maar ze wist hoe moeilijk het kind het in de toenmalige maatschappij zou krijgen. Het zou voor zijn leven de stempel krijgen kind van een gescheiden moeder. Toen betekende dat een soort uitsluiting. Ze wilde dat haar kind niet aandoen. Vlak voor de geboorte van Pater Oom woonden ze terug samen, naast haar ouders aan de Potterierei in N 27. Ondertussen was grootvader failliet! Hoe dat faillissement verlopen is weet ik niet, ook niet wat grootvader dan voor de kost deed. Wat ik wel kon opmaken uit hetgeen ze zei was dat ze een enorme steun gehad heeft aan haar ouders in die moeilijke periode. Ze sprak er niet graag over, het was voor haar een periode van verdriet, ontgoocheling en een gevoel van falen over héél de lijn. Haar vader is dan overleden. In dezelfde periode raakte ze in verwachting van mijn vader. Ik meen dat grootvader kort daarvoor, door bemiddeling van zijn schoonvader in de biervoerderij kwam. Hoe ze het financieel hebben kunnen klaarspelen grond te kopen en een toch ruim huis met de nodige bijgebouwen neer te poten weet ik niet. Ze betaalden er in het totaal 900 Goudfranken voor. Het is wel zo dat Mutter haar moeder er warmpjes inzat. Ze is mee verhuisd naar het nieuwe huis en méér dan waarschijnlijk heeft ze de bouw mee gefinancierd! De Kalvariebergstraat was een straat met aan de ene kant de ene zelfstandige naast de andere: een aannemer, een kolenboer, een klompenmaker, een bakker, een melkboer, een café, enz. Aan de overkant werd de helft van de straat ingenomen door de muur van de tuin van de Kapucijnen (dit klooster is in de jaren afgebroken) en dan verderop allemaal zéér kleine arbeiderswoninkjes met per blok van vier één gezamelijke W.C. in de achtertuin n.l. een hokje met een plank en een gat erin, afgeschermd door een groengeverfd deurtje met een gezaagd hartje erin als doorkijk. Ik heb het zelf nog geweten en kan het me zo voor de geest halen! Het huis van mijn grootouders was 10 à 11 meter breed met een grote overbouwde poort en achteraan een grote "boeie" (werkplaats) met een afgescheiden paardenstal erachter. Er werd op zéér kleine schaal bier gebrouwen, niet genoeg om er een bestaan uit te halen dus werden er terzelfdertijd limonades gemaakt en er werd water onder druk gebracht in flessen die gebruikt werden in hotels en in wat men nu tavernes zou noemen. Als kleine kinderen speelden wij met grote witte knikkers in een soort natuursteen. Dat waren overblijfsels van één of andere zuiveringsinstallatie uit grootvaders zaak. Ze hadden twee knechten (de vader van Minister Van Acker is bij hen nog knecht geweest al was hij eigenlijk mandenmaker!).ons Mutter liep de zaken thuis na, gaf de knechten werk, hield de boekhouding bij, betaalde de rekeningen en de lonen. Grootvader hield zich met de public relations" bezig en bezocht de klanten samen met de aflevering van de waar. Hij kende gans Brugge en een Brugge erbij! De zaken floreerden! Toen ze aan t bouwen waren liepen bij een stortvloed de huisjes aan de overkant van de straat, die merkelijk lager lagen (ik ben er als kind meerdere malen binnen geweest, daar Pelle er nog woonde, je stapte één tree naar beneden als je binnenstapte) kniehoog onder water. Ons

34 Mutter wist dat recht tegenover hun bouwplaats een vissersweduwe woonde met vijf opgroeiende kinderen en ze ging vragen of ze enige hulp konden bieden. Nu ze binnen in het huisje stond, het was eigenlijk meer een krot, realiseerde ze zich in wat een schrijnende armoede het gezin leefde. Ze was tot in het diepste van haar wezen geschokt, ze had er geen idee van dat mensen zo moesten leven en haar rechtvaardigheidsgevoel kwam in opstand. In het huisje stonden nauwelijks meubelen. De moeder, "Moekie" voor haar gezin en later ook voor ons, sliep in een bedstee op een strozak, naast de "spinde"(een soort ingebouwde voorraadkast). Er stond een wankele tafel, een afgebroken poot met een bezemsteel vastgebonden aan het geheel, een paar wankele stoelen, nauwelijks eetgerei. In het piepkleine keukentje stond één kookpot en één braadpan. De kinderen sliepen boven op de scheerzolder, te bereiken met een "kiekenleer", op stro, zonder lakens en met een paar schamele dekens. Als ze het koud hadden kropen ze dicht bij elkaar voor de warmte en in de winter legden ze daarbovenop hun bovenkleren. Later hoorde ze dat de kinderen maar één stel kleren hadden en s Zondags niet naar de mis konden daar hun kleren nog niet droog waren, die werden s Zaterdags gewassen en waren s Zondags meestal nog niet droog! Ze hoorde ook dat er dikwijls niets te eten was. Dan zong moekie tegen het etensuur een liedje: "over de pot-la-bàs, troela-troela troelala, over de pot-la-bàs, troelala" en dan wisten de kinderen hoe laat het was, géén eten! Zo een vreselijke miserie kon ze niet over haar kant laten gaan én ze schoot in actie. Het waren doorbrave mensen. Moekie was "spellewerkster", werkte hard en ze was het waard geholpen te worden. Ze zocht naar middelen om het gezin te helpen zonder hun zelfrespect te bruskeren. Het eerste wat ze deed was zorgen voor een stevige tafel. Daarna sprak ze de huisbaas aan over het lekkende dak en nog wat onvolkomenheden aan het krot. Nadat ze het vertrouwen van Moekie gewonnen had legde ze haar uit dat ze de verkeerde tactiek gebruikte om haar kantwerk aan de man te brengen. Ze werkte van zogauw het licht genoeg was tot de schemering, knipte dan haar kantje af en verkocht het aan de "madam". De opkopers waren meestal vrouwen, die de kant aan elkaar lieten zetten door anderen, nog anderen bevestigden ze aan hoofdkussens, overtrekken of aan zakdoeken en ondergoed. Daarna kwam alles terug naar de madam en die verkocht alles voor goed geld, terend op de miserie van zoveel weerloze kleine sukkelaars. Ons Mutter legde Moekie uit dat, als ze haar kantje een hele week bijhield, ze er tien keer meer geld zou voor ontvangen. Op het protest van Moekie dat ze dan geen geld had om eten te kopen, leende ons Mutter haar genoeg om de week door te komen...én het lukte! Ze geraakten stilaan uit de miserie, temeer daar ons Mutter toen, met al wat ze aan haar hoofd had én twee kleintjes te verzorgen, méér dan genoeg te dragen had, best wat hulp kon gebruiken en aan moekie vroeg of de oudste, Pelle, bij haar mocht komen werken. Daar volgde een hartsgrondig "Ja" op. Grootvader, die Jan en alleman kende, zorgde voor een "deftige post" voor het meisje dat op Pelle volgde en zo geraakte het gezin er bovenop. Bij Pelle en Moekie kon ons

35 Mutter geen kwaad meer doen, dat was een "heilige" zei Pelle later, toen ik haar eens als tiener bezocht. Ik bezocht haar trouwens telkens ik in Brugge kwam, tot ze stierf op 12/I0/1957. Toen ik trouwde kreeg ik van haar twee zelf gespellewerkte kantjes om een hoofdkussen mee af te zomen! Ik ben als kind dikwijls met haar op tocht geweest. Ze was een eenvoudige ziel, nooit getrouwd, een bovenste best mens. Ik zie haar nog voor me, een magere vrouw in 't zwart, met een binderhoed op haar hoofd (een soort open rechtop staande halo die de haarwrong omsloot, belegd met blinkende kraaltjes en gitten pareltjes, vast gehouden met onder de kin geknoopte linten) en haar onvermijdelijke omslagdoek, de vervanger van een mantel. Het ging ons Mutter en haar gezin goed en toen kwam wereldoorlog 1 roet in het eten gooien. Grootvader werd aangemaand het weinige bier dat hij brouwde af te leveren op de Duitse Kommandatur. Hij brouwde slechts een kleine hoeveelheid bier per jaar en die verplichte levering zinde hem helemaal niet. Voor een goed begrip, Grootvader verkocht en voerde, naast zijn eigen kleine hoeveelheid bier, ook nog een ander bier uit van Brugse origine. Ik ben de naam van de betrokken brouwerij vergeten maar volgens ons Mutter was het een bier van hoge kwaliteit en hadden ze er veel afnemers voor. Hij moest trouwens eveneens water onder druk aan de bezetter leveren en dat zinde hem ook al niet. In overleg met ons Mutter stopte hij de zaak om aan die verplichtingen te ontsnappen. Zij konden (toen) rijkelijk bestaan van de opbrengst van hun bezit en de doening die ze hadden was onbelast. De twee zonen liepen college op Sint Leo en hun studies verliepen naar wens. Toen de oorlog eindigde wilde grootvader de hele zaak terug in gang steken maar ons Mutter zag dat niet zitten, vooral omdat ze gezien en ondervonden had, ook nadat ze de nieuwe zaak gestart hadden in de Kalvariebergstraat, dat haar man, niettegenstaande al zijn goede wil, van weinig verantwoordelijkheidsgevoel blijk gaf. De grootste verantwoordelijkheden lagen op haar schouders en zij had daar genoeg van. Hij was een vrolijke man die nood had aan gezelschap en sociale contacten. Hij kwam al eens, en méér dan ééns, boven zijn theewater (soms straal bezopen) thuis wat de goede relatie met ons Mutter niet in de hand werkte. Zij kon het wel verstaan maar had er niet het minste begrip voor. Ondertussen wisten ze ook dat géén van de twee zonen in de zaak zou komen, dus zei ons Mutter "Njet". Dat maakt dat grootvader eigenlijk rentenierde vanaf zijn veertigste! De hele boel werd ontmanteld, paard en kar verkocht en het stuk weiland achter de stal, waar het paard graasde, werd gretig gekocht door de buurman, een aannemer wiens bedrijf uit zijn voegen barstte. Grootvader installeerde in de, nu lege boeie, een heel atelier. Hij kon alles wat mechanisch was repareren. Hij maakte daar de staande klok (die nu bij onze Jan staat) van het eerste tot het laatste stukje, inclusief het raderwerk en de kast (dat met enige hulp) en ordoneerde dat die klok telkens moest overgeërfd worden door de oudste getrouwde Morbée. Hij amuseerde zich en ging helpen als men het hem vroeg én als het over mechaniek ging. Zo ging hij op verzoek van grootvader Haegebaert naar Blankenberge en terug om hem met een kapotte verwarmingsketel uit de brand te helpen. Dat deed hij te voet. Verder besteedde hij zijn tijd aan zijn hobby's. Hij

36 was lid van verscheidene verenigingen, ook van de culturele kring rond Maurice Sabbe, die in Brugge een voortrekkersrol speelde bij het verdedigen van de rechten van de Vlamingen. Maurits Sabbe woonde in de Walweinstraat, vlak aan de Kalvariebergstraat waar grootvader huisde. Grootvader kwam er vaak aan huis, stond achter zijn ideeën omtrent de rechten van de Vlamingen en steunde hem van ganser harte. De meeste tijd spendeerde hij aan de boogschutterij. Hij was lid van een boogschuttersclub op het "Fort Lapin" niet ver van zijn woonst. Hij was een krak, want hij was meestal koning of keizer, door het afschieten van de hoogste gaai en kwam dan thuis met prachtige prijzen o.a. zilveren bestek. Iedereen heeft bij de verhuis naar Vorselaar een bord gekregen met het wapen op van "Fort Lapin". Sommigen van jullie hebben er weinig respect voor! Ik zeg niet dat ze "prachtig" zijn: ze hebben wel een geschiedenis! Ons Mutter zei altijd over haar man dat hij een eeuw te vroeg geboren was. Ze zei: Moest hij nu leven, hij was conferencier of organisator en animator van feesten en openluchtconcerten. In zijn jonge tijd keek men neer op zulke mensen. Artiesten...phhhh...! " Hij had een feilloos muzikaal gehoor, speelde op de piano elk deuntje dat hij hoorde (of hij noten kon lezen weet ik niet) en kon formidabel zingen. Hij had een ongeoefende maar zeer mooie stem. Hij bezat een enorm gevoel voor humor, kon om zichzelf lachen en bezat de gave van het vertellen. Hij was héél populair. Als iemand, hoever ook verwant, een feest gaf, hij werd onveranderlijk gevraagd, want...als Seppen Morbée erbij was, was men al op voorhand zeker van een geslaagd feest. Ons Mutter hield hem dan in t oog als een waakhond. Hij mocht één aperitief drinken, één glas witte en één glas rode wijn. Dronk hij meer, dan viel hij stil en was het naar de vaantjes. Hij voelde zich bij zulke gelegenheden goed in zijn vel. Het kostte hem geen moeite de boel te animeren. Hij zong veel: ik ken nog één liedje volledig van buiten. Het ging over een hem bekende hoedenmakersbaas en het speelde zich af ergens in de buurt van de Breidelstraat, aan de Burgplaats. De "Garre van Conné's " bestaat nog. Het is geen bakkerij meer maar een zeer bekend taverne-restaurant. De tekst gaat als volgt: Komt vrienden, luistert hier En k'zal t U gaan verkonden Wat datter es geschied In zeer weinige stonden Vaän één hoemakersboas En je makte veel geroas Oals dati zoender zwinken Zeven pinkis bier kon drinken In den tijd van één kwartier In die herberg"t Blow Plankier "( Blauw voetpad) En met veel plaisier En t spel wierd angenomen En je droenk vuf pinkis bier t Eerste kart zoender schromen

37 Mor je gink ton weer angank En ten waston vo vuf frang Je kon ni continueren t Laste moest hi refuseren Want je wierd zo stom en zat Dat ie rolded up ze gat. En oal de zoete koeken Die bi den bakker lagen Dur de stank ut zen broek Woaren zwart utgeslagen En de Werviksen toebak Ut den hoemaker zen zak Gerollen en gekorven t Was aol dur de stroengt bedorven d' Oliekoeken van Connées Deelden ook van de stank mee! (volgende wordt geciteerd) Wa nu volgt es ni vo deftige menschens oren bestemd Dorom bezingen we t hier ni. Mar ton (einde citering,terug zang!) Vier mannen kloek van leën Hebben hem dan zo medeen Al naar zijn huis gedragen Kwamen up de deur te slagen En zen vrouwtje in goe fatsoen Kwaamt de deur open te doen. De vrouwe zag medeen, Dat haren lieven trooster Oalsdat da kwakkelbeen Gebroan was up de rooster z' Hebben hem in t' waschhuus geleëd En zen broekskie utgeschreept De mestraper vol verlangen Heet doarom tien ceins ontvangen Vor ofschreepsel en stroengd van stroat Je veulde zen wagen metterdoad Komt vrienden, luistert hier En k'zal tje gaan verklaren Wat dater is geschied vor zeer weinige dagen Moar den hoemakersboas Hij zou mij met veel geroas Ol vor t'gerecht doen komen Schoon dat ek vor hem ni schrome Mort 'doe zen wrouwkie zo'n verdriet Doarom en noeme k'em hier niet. Er is er nog een ander dat aanknoopt bij een oud zeer dat van alle tijden is : huwelijksontrouw! Sapperdeboeren, wat heb ik goe leven K Heb iets aan d'hand dat me bliksems goed gaat Men vrouwtje vrijt met menheer van hiernevenst Hij is schatrijk en zo oud als de straat (2 maal herhalen)

38 Ken werken ni mè om men brood te verdienen. k Slapen en k rusten en k trekken men pree En vo de reste, k lappen oalles amen hielen Ha,ha,ha en ek lachen dermee Ha,ha,ha en ek lachen dermee Hier volgt nog wat over hetzelfde: het blijkt het leidmotief te zijn van De Vorstinnen van Brugge, in deze serie prachtig muzikaal georchestreerd. Het is tenslotte slechts een volks melodietje maar in die orchestratie klinkt het wonderlijk mooi! En k zien men Rosa toch zo geiren Omdat zy aoltid proper was Stoppen en naoien dej ze geiren En aolles was altyd eerste klas Nu ben ek men Rosa kwijt En k en daarvan zoveel spijt Z Es ter sedert gesteren vertroöken Zej me loaten zetten mette broöken En ken en noch bed noch stoel Zij is weg me gheel den boel k Zyn den ongelukkigste Bruggelink Waor mach di hekse nu gekropen zyn. Hierna volgen nog enkele kinderliedjes. Naar bed, naar bed zei Dumeloot k gaon nog wat eten zei Likkepoot Waor ga jet halen zei Langerape En moeders kastje zei Korteknape k gaon zeggen, k gaon t zeggen zej Kleen Petittertje Plak, nao de mart k Kopen een koekie( koetje) Een beikie lechte Vo zieke nechte k Schudde men beddekie k Schudde me strooikie En k vinden dor een gheel kleen petitte vlooikie! In mijn grootmoeders tijd was Sinterklaas nog lange niet zo populair als nu. Sinte Maarten werd toen meer gevierd. Uit mijn grootmoeders jeugd dateren (waarschijnlijk als liedje al véél ouder) de volgende liedjes: Up Sente Maortens avond, den bakker sloeg ze wuf Aol meden hete knuppel zo deirlyk up heur lyf Stok vier, mak vier, Menhere van Sente Maorten es hier k Zetten hem oender de tafel, k geven hem daor een wafel k Zetten hem oender de zoldertrap en k geven hem daor een schep in ze gat!

39 Moeder, k en Sente Niklaoy gezien Oender de bomen, oender de bomen Moeder k en Sente Niklaoy gezien Oender de bomen, ni verre van hier. En wat haatie en z n zak Sukkerbollen, sukkerbollen En wadatie en z n zak Sukkerbollen,een ghele pak En z n knecht die was zo zwart Glik een oven, glik een oven En z n knecht di was zo zwart Glik den oven waorin dati bakt k Horen ek stappen in de gang Kom mo bennen, kom mo bennen k Horen ek stappen aol in de gang Kom mo bennen, Hoog Heilege Man Grootvader kende heel wat triviale liedjes, hij kende echter ook een heel repertoir serieuse liederen. Waarom ik juist deze heb onthouden? Waarschijnlijk omdat ons Mutter ze ook wel eens zong. Zij zong vaak én graag, grootvader zei altijd dat ze geen toon kon houden en ze beaamde dat. Maar dat weerhield er haar niet van uit volle borst te kwelen. Als ik er zo op terug kijk: ze hielden op een bepaalde manier van elkaar, want toen grootvader stierf aan levercirose in het voorjaar van I937 had ze veel verdriet. Het waren twee mensen die niet bij elkaar pasten, ons Mutter, verantwoordelijk en oerdegelijk, daarnaast grootvader, een vrolijke onbezorgde natuur, een " je m'en foutist". Dat moest vuurwerk geven! Ik heb haar ooit eens gevraagd of hij met andere vrouwen rommelde want hij was een zéér aantrekkelijke man. Ze beweerde van niet! Hij was mijn peter en tevens een plezante compagnon voor zijn petekind. Bij goed weer ging hij onveranderlijk met mij wandelen. Hij bracht en haalde me van school, bij de Zusters van Liefde in de St. Clarastraat. Zowat recht tegenover de school was een café "Het Makelaarsheester" een zeer oud pand, dat uitgebaat werd door een ver familielid. Hij dronk daar een pintje en ik werd getrakteerd met een limonaadje, een traktatie, want thuis kreeg ik dat niet. Het "Makelaarsheester" dateert uit de 14 eeuw. Een heester is een woonst met een binnentuintje waarrond kleine, soms éénkamerhuisjes stonden, die verhuurd werden aan arme lieden. Hij was wel eens ondeugend en betrok mij dan in zijn geheimpje: zo wist ik zeer goed wat ik over onze tochten door de stad aan ons Mutter mocht vertellen. Hij maakte er een spelletje van, zoals hij altijd deed, ook met ernstige zaken. Als hij ergens een "groot glas dronk mocht ik dat rustig vertellen aan ons Mutter, dronk hij "een klein glaasje" (waarschijnlijk een oude klare) dan moesten mijn lippen verzegeld blijven. Zo had hij op onze gezamenlijke tochten meerdere

40 keren gekke invallen, die het voor mij, als kind, spannend maakten. Ik was graag in zijn gezelschap en hij was trots op "zijn petekind". Ik was nogal vlug van aannemen, hij verzette hemel en aarde, geen moeite was hem teveel om mij te leren lezen. Toen ik naar Antwerpen verhuisde kon ik mij, als vijfjarige, vrij goed uit de slag trekken met gedrukte teksten. Op onze Wim had hij het minder begrepen al was dat toch een lief ventje in mijn herinneringen. Het duurde echter vrij lang voor hij volledig droog was, hij had in de kleuterklas vaak "een ongelukje", grootvader was er, om die reden, niet happig op om hem mee te nemen op onze tochtjes. s Zaterdags werd de keuken gepoetst en hij had daar ook zijn taak in. Pelle werkte niet meer bij ons Mutter sinds mijn ouders getrouwd waren en inwoonden. Zij werkte, op Mutters voorspraak op een goede post als inwonende meid. Het huishoudelijk werk, dat zij vroeger deed, werd verdeeld tussen ons Mutter, mijn moeder en grootvader. Zijn taak was o.a. het koperpoetsen. Dus s Zaterdags poetste hij de twee pomparmen en zwartte en poetste hij het kookfornuis, een soort cuisiniére, versierd met koperen knoppen en stangen. Het was een héél werk en ik mocht altijd helpen opblinken. Ik weet nog dat ik thuis in Ekeren, kort na de verhuis, een beetje verloren liep zonder mijn grootouders om me heen. We zijn terug in de periode juist na de wereldoorlog 1. Pater Oom had als "primus perpetuus" het college verlaten en werkte op een bank. Mijn vader zat te Oostende op de Zeevaartschool. Het waren twee totaal verschillende persoonlijkheden. Ze waren beiden gezegend met een goed verstand maar de ene zette zich 100% in en de andere liep er de kantjes af. Pater Oom kwam, zonder uitzondering, na school punctueel op het juiste uur thuis, mijn vader vergat, al spelend, zijn tijd en kwam meestal veel te laat thuis. Op college liep hij ook niet over van ijver. Het liep de spuigaten uit en toen hij in de derde humanioraklas aan het staartje van de niet-gebuisden hing was de maat vol! Ons Mutter greep in. Zij stelde hem voor een ultimatum. Hij zou het volgende schooljaar bij de drie eersten van de klas zijn of hij kon zijn boeltje pakken op het College en gaan werken. Dat viel niet in dovemansoren en hij was bij de drie eersten! Wat had je gedacht!!!! Van dan af nam hij zijn verantwoordelijkheid op en had steeds goede studieresultaten. Op het ogenblik dat ons vader naar Oostende vertrok voor een stuurmansopleiding vertelde Pater Oom dat hij in t klooster wilde treden en dan nog wel bij de Trappisten! Hij wilde missionaris worden. Ze waren er thuis helemaal beduusd van. Hij was één van de knapste jongemannen van Brugge, één waar veel meisjesharten vlugger voor klopten en zoals ons Mutter het uitdrukte:"hij had veel trek aan zijn pen!". Goed, als dat zijn keuze was moest het dan maar, maar NIET bij de Trappisten. Het werd de Ongeschoeide Karmelieten". Hij vertrok voor zijn noviciaat naar Gent en het ouderpaar zat alleen thuis! Mijn vader beëindigde zijn militaire dienst en begon te varen. Vanaf zijn Lagere School was hij bevriend met een buurjongen, Maurice Haegebaert, uit de St.Clarastraat. Zij kwamen veel bij

41 elkaar over de vloer, meer bij Maurice. Er was daar een zéér grote speelruimte (vader Haegebaert was hovenier en een bekende laurierkweker en bezat een stuk grond zo groot als de Markt van St. Niklaas aan zijn woonhuis). Ze moesten eerst, voor ze mochten spelen, de baby (mijn moeder) met de kinderwagen het terrein rond rijden, dan sliep ze zeker. Wat deden de deugnieten? Zolang ze in het zicht van het huis waren wandelden ze traagjes het traject af, zogauw ze echter uit het zicht verdwenen waren werd het een halsbrekende looptocht, een soort cross met de kinderwagen en met op het einde, in plaats van een slapend kind, een krijsende baby wat mijn grootmoeder de bemerking ontlokte: "Wat doen jullie toch met dat kind? Als ik met haar dat tochtje maak, slaapt ze onmiddellijk!". Het einde van het liedje was dat ze van hun taak ontheven werden en lekker konden gaan spelen. Hun vriendschap hield stand. Maurice werkte bij een architect en volgde op de Brugse Academie 4 jaar Bouwkunde, bracht vandaar Fons Willems mee ( de latere stiefvader van Tante Rita). Mijn vader vaarde en als hij thuis was zette dit triumviraat, zij het op een deftige wijze, de bloemetjes buiten. Zij waren lid van de Jongeren Middenstandsbond en haalden regelmatig fratsen uit. Zo hebben ze eens zodanig gemanoeuvreerd dat de opvouwbare muziekkiosk van de Grote Markt nogal wat schade opliep. De stadswerklui, het ding was gemonteerd op een wagen met een disselboom, waren bezig het gevaarte naar het "Boterhuis" (een stadsmagazijn in die tijd gelegen aan de St.Jacobstraat) te brengen. Het "Boterhuis" lag vlak voor een zéér scherpe bocht in de St.Jacobstraat én de straat liep wat naar beneden af. Het kliekje jongemannen met mijn vader en onkel Maurice in hun midden, hadden al gauw in de mot welke mogelijkheden tot "streken" de plaats bood. Zij boden dus hun hulp aan. De stadswerklui gingen hier graag op in want met hun tweeën was het een hels karwei...en de grappenmakers maar duwen. De stadsmannen konden vlak voor de bocht al luidkeels roepen te stoppen, er werd niet geluisterd. Er werd integendeel nog harder geduwd, tot de wagen niet meer te houden was en inplaats van de bocht te nemen met veel geraas rechtdoor reed, met de disselboom een ruit verbrijzelde en tot staan kwam tegen een huisgevel in de bocht. De stadswerklui stonden er schaapachtig op de kijken, de uilen verwensend die dit ongeval veroorzaakt hadden (in t Brugs betekent "een uil" de grootste stommerik ooit). De "uilen" waren ondertussen in geen velden of weiden meer te bekennen. Mijn vader zei hierover later dat het "het schoonste van zijn historie niet was". Naast het vertier, hielden ze zich ook met serieuze dingen bezig. Zo gingen ze regelmatig naar de Mis of het Lof in de abdij van Zevekerke of die van Steenbrugge die qua afstand wat dichterbij lag. Ze deden veel te voet. Vooral de abdij van Zevekerke lag vrij afgelegen. Ze moesten dan eerst met het openbaar vervoer, daarna was het nog het een fameus eindje stappen! Ze bezochten regelmatig de "Culturele Kring" om één of ander voordracht te beluisteren en hielden bij mijn moeder thuis, zangstonden waarbij mijn grootvader begeleidde op het accordeon als hij in de mood was. Ze werden ouder en meteen wat ernstiger. Ons moeder was ondertussen, van sprietig scharminkel, uitgegroeid tot een knap, vinnig meisje. Dat ontging mijn vader niet en ineens was ze van "zus van mijn vriend" zijn

42 meisje. Ze hebben zo'n jaar of vijf gevreeën en toen ze eens op een zomerse avond na 7 uur thuis kwamen van een strandwandeling (mijn moeder moest, gelijk in welk seizoen vóór 7 uur thuis zijn) en het hele huis daarover op stelten stond, vond mijn vader het welletjes en er werd getrouwd. Pater Oom is kort voor hun trouwen, naar India vertrokken. Toen hij hoorde van de huwelijksplannen van zijn broer verstoutte hij zich te vragen of ons moeder groot genoeg geschapen was voor mijn vader, want zij was toch zo tenger en hij een grote man! Mijn vader viel haast van zijn stoel van verontwaardiging en beet Pater Oom toe dat hij zich met zijn eigen geestelijke zaken moest bemoeien, daar had hij werk genoeg mee! Pater Oom is met drie medebroeders naar Trivandrum, Travancore in India vertrokken. Van de drie waren er, op zes maanden tijd, twee terug: ze konden niet tegen het hete, vochtige klimaat. Pater Oom is er twintig jaar onafgebroken gebleven en is als een wrak terug thuis gekomen. Hij is er jarenlang novicemeester geweest en sprak en schreef vloeiend de vier Indiase hoofdtalen, naast het Engels uiteraard. Toen hij terug in Brugge kwam, na die lange jaren in India kon hij geen beschaafd Nederlands meer spreken, enkel zijn Brugs dialect. Omdat hij méér dan scrupuleus was én daardoor ongeschikt voor parochiewerk en culturele contacten, werd hij de bedelpater van de orde. Ze hebben er nooit een betere gehad! Hij was heinde en verre gekend "gelijk een valse klute" (zei hij zelf) dus als een valse cent. Hij wist in elk geval drommels goed hoe hij iemands portemonnaie moest open breken! Mijn ouders zijn, na hun huwelijk, bij mijn vaders ouders gaan inwonen: het had geen zin zich te installeren. Mijn vader had zijn kapiteinsbrevet en hij had gesolliciteerd naar een plaats bij de maatschappij OTRACO als bevelvoerder van een rivierboot op de Kongostroom. De beurskrach in Amerika strooide roet in het eten. Toen zijn aanstelling eindelijk kwam mocht mijn moeder niet mee! Wat een teleurstelling! Zonder haar vertrok hij niet. Hij besloot dan maar niet in te gaan op het aanbod en het hier, in de Belgische zeevaart, zien te redden. En zo begon mijn moeder haar leven als zeemansvrouw! Hij vertrok als eerste stuurman. Ons moeder werd vrij vlug zwanger en beviel, in zijn afwezigheid, van haar eerste kind, ik dus! Mijn grootvader vergezelde haar naar de kraamkliniek op de Komvest (op vijf minuten lopen van huis!) en werd aanzien als haar man. Hij was danig in zijn nopjes met dit compliment. Hij werd peter en mijn andere grootmoeder meter. Hij was zo euforisch bij de geboorte van zijn eerste kleinkind dat "chic" niet goed genoeg was. Hij kocht een superduur doopkleed als eerste geschenk (dat hebben we nog ) en huurde een koets met een span van twee witte paarden om me te laten "ten doop voeren " in St.Gillis, de parochiekerk. Het leven kabbelde verder, onze Wim (zijn eigenlijke naam is Willem en zo werd hij genoemd tot hij praktisch volwassen was) maakte zijn opwachting maar voor het zover was gebeurde er iets dat de relaties met mijn moeder haren thuis danig verstoorde en de familie in twee kampen spleet! De twee jongere zusters van ons moeder wilden een zelfstandig leven opbouwen buiten

43 de bloemisterij en hadden hun oog laten vallen op een te koop staande wasserij. Hun vader was niet in de mogelijkheid te helpen of wilde financieel niet in de bres springen en zo kwamen zij bij mijn vader terecht, waarvan ze wisten dat zijn ouders er warmpjes inzaten. Het ging om een groot bedrag in die tijd, als je het omrekent over zowat 1 miljoen oude franken van vandaag! Hij had er eerst niet veel oren naar maar na overleg met zijn ouders ging hij er op in. Het geleende kapitaal zou na verloop van een bepaalde tijd terug betaald moeten worden met een redelijke interest. Hij zou ook inzage in de boekhouding hebben. Als puntje bij paaltje kwam en alles op papier moest gezet worden, de Morbée's drongen daarop aan, zei grootvader Haegebaert:" Maar wij kennen elkaar toch lang genoeg om op elkaars woord te kunnen vertrouwen " en palaverde een officiële akte weg. Mijn vader geloofde hem en zag van een geschreven overeenkomst af, wat achteraf een grote stommiteit bleek. Zijn schoonzusters, jong en onervaren in het vak luisterden niet naar goede raad, stapelden de ene stommiteit op de andere en raakten alras in moeilijkheden. Mijn vader, die dat in de gaten kreeg na een zeereis, eigenlijk te laat, bemoeide zich ermee. Om dichter de zaken te kunnen volgen verhuisden ze naar Blankenberge en ons moeder werkte van dan af mee in de zaak. Niettegenstaande alle goede raad en hard werken was het tij niet meer te keren en flopte de zaak. Of ze echt failliet ging weet ik niet. Toen moest er afgerekend worden en kwam de kat op de koord: de hele familie Haegebaert, behalve moeder Irma, beweerde bij hoog en bij laag dat de Morbée's hen geen beginkapitaal geleend hadden en dat ze maar met bewijzen boven water moesten komen. Mijn vader kon zijn oren niet geloven, pakte zijn boeltje én zijn vrouw en vertrok stande-pede naar Brugge om zijn ouders van deze onwaarschijnlijke diefstal op de hoogte te brengen. Hij had de papieren van de aanschaf van de machines nog in zijn bezit samen met nog enkele bewijzen en ging ermee naar een advocaat. Voor hij definitief een proces zou in gang steken dacht hij echter aan zijn schoonmoeder, die een "koekegoed mens" was en altijd als een tweede moeder voor hem geweest was. Hij kon het niet over zijn hart krijgen haar in dit vuile zaakje te betrekken en besloot niets te doen. Dat ze er geluk mee hebben dacht hij bij zichzelf en trok een streep onder de hele affaire. Hij heeft nooit nog een voet bij zijn schoonouders binnen gezet, evenmin mijn moeder. Bij het sterven van onze Wim zijn er terug relaties geweest, maar het is bij ons moeder toch steeds ergens op de achtergrond aanwezig geweest. Het heeft dus ook een tweespalt in de Haegebaert familie teweeg gebracht. Ons moeder haar half-broer en half-zuster stelden zich neutraal op, wilden bij de hele zaak niet betrokken geraken en onderhielden relaties met beide kanten. Broer Maurice zei:" Ik was er niet bij en ik kan niet geloven dat mijn vader en mijn zusters tot zoiets laags in staat zijn!". Hij hield mijn vader dus voor een vuige leugenaar. Mijn vader hield hiermee de vriendschap voor bekeken. Zij woonden voorlopig terug in, bij vaders ouders in de Kalvariebergstraat en onze Wim werd geboren. De nasleep van de crisis in Wallstreet deed zich nog steeds voelen en het was zaak zuinig om te springen met de zuur verdiende centjes. Inwonen was dus aangewezen tot betere tijden zich aankondigden. Er werden tot 1936 geen

44 kinderen meer geboren. Ons moeder werd zwaar ziek tengevolge van een dubbele longontsteking en het was voor haar verzorging én genezing een geschenk uit de hemel dat ze inwoonden. Toen werd onze Wim ernstig ziek: rode koorts en zéér besmettelijk! Onze Wim moest in qaurantaine en ons moeder mocht hem niet verzorgen, zij was in verwachting van onze Jan. Ik werd ook ver uit zijn buurt gehouden. Ons huis leek wel een hospitaal, de dokter verscheen regelmatig op het appél, door het hele huis zweefde de geur van trekkende eucalyptusblaren en iedereen liep rond met een ernstig gezicht. Grootvader verzorgde de zieke: hij sliep erbij, waste en verschoonde hem, speelde met hem, las hem verhaaltjes voor: kortom, hield hem bezig. Alle dagen kwam er een massa wasgoed uit de ziekenkamer, waar mijn grootmoeder zich over ontfermde. Grootvader deed, als hij de ziekenkamer verliet altijd zijn witte jasschort uit en deed iets anders aan dat buiten de ziekenkamer hing. Het benauwde mij, als kind. Eindelijk werd onze Wim beter maar de qaurantaine moest de volledige tijd volgehouden worden. Wat een vreugde in huis toen de qaurantaine opgeheven werd. Het had zo lang geduurd! Toen betere tijden zich aankondigden, ondertussen was onze Jan geboren op 21/4/1936, werd er uitgekeken in het Antwerpse naar een comfortabele woonst. Bij de huizenjacht werd mijn vader bijgestaan door de schoonbroer van moeder s halfbroer Gaston, nl. René De Schepper, die op het einde van de Beukelaarlaan te Ekeren woonde. Er waren twee mogelijkheden: een alleenstaand villaatje in de O.L.Vrouwstraat, dicht bij een drukke internationale spoorweg, een half uur stappen van het dorpscentrum of een huis in de Beukelaarlaan N 4, een vrij recent gebouwd huis en om zo te zeggen, vlak onder de kerktoren. Het werd dit laatste. Het was een gezellig eerder klein, zonnig huis met een lange tuin en een mogelijkheid om langs een klein achterpaadje in de tuin te komen. Daar hebben we weinig gebruik van gemaakt want het zou blijk gegeven hebben van zelfkastijding. De aanliggende bewoners hielden het paadje niet netjes: de netels stonden er knie- tot heup hoog en de uitstekende takken waren een reëel gevaar voor kinderogen. Wij verhuisden in het zomerverlof en we voelden ons als kinderen wat verloren na Brugge. Het huis was véél kleiner en onze grootouders waren er niet. Bovendien klonken de klanken, die we rondom ons hoorden bizar, naast het Brugs dat we gewoon waren. We gingen naar school en pasten ons blijkbaar vlug aan want toen vader van zijn eerste reis terug kwam (hij was tussen twee reizen in meestal 3 à 4 weken thuis en fietste zowat alle dagen naar boord om het lossen en laden te controleren) en op de fiets van de haven kwam, begroetten wij hem als volgt:" Pa, meugen we is oep auwe vilauw raaie, we zulle ni teige den boêm raaie!" (voor ons huis stond een prachtige eik die tijdens de oorlogsjaren gekapt werd).de mens stond versteld, wist niet wat hij hoorde en maande ons moeder aan er voor te zorgen dat we van dat vreselijke dialect af geraakten. Hijzelf gaf er ons ook een sermoen over. Wij hadden speelkameraadjes bij de vleet. In Ekeren werd de Beukelaerlaan de Kweekelaarlaan genoemd! Op een bepaald moment woonden er in de niet zo lange straat 118 kinderen onder de 18 jaar! Er werd op straat gespeeld dat het een lieve lust was. Onze Wim was

45 een serieus, eerder bedeesd, kind en sprak zelden van zich af. Op een keer hadden een paar gasten van een jaar of hem te pakken, indringers uit een andere straat. Ze hadden zijn handen op zijn rug gebonden en trokken die dan vervolgens zowat uit de kom. Het deed vreselijk pijn. Ik had het eerst niet in de mot. Ineens kreeg ik het in gaten en ik weet nu nog hoe ik de golf van ziedende woede in mij voelde opstijgen. Als een pijl uit een boog vloog ik er op af een gaf de dichtst bijstaande (hij heette Georges Vidal) met al de kracht waar ik over beschikte zo'n hevige oplawaai in zijn gezicht dat hij een week lang rond gelopen heeft met mijn vingermerken op zijn kaak. Verontwaardigd tot in mijn kinderziel bevrijdde ik mijn kleine broer en ging met hem naar huis. De twee deugnieten hebben zich in onze straat niet meer laten zien, temeer daar zij telkens door de buurkinderen uitgejouwd werden na het gebeurde. Wij kwamen altijd samen van school. Op een keer was onze Wim nergens te bekennen en ik trok dan maar alleen naar huis. Ons moeder was in alle staten, vertrouwde ons toe aan de dochter van de buur en trok op onderzoek uit. Op school was hij ook nergens te bekennen. Toen riep ze luidkeels zijn naam. Plots hoorde ze van héél ver een fijn stemmeke:" Ik ben hier en er is geen papier!"... bleek dat hij al een hele poos op het toilet zat en niet naar buiten durfde zonder zijn poep af te vegen! Van langsom meer mochten we van ons moeder al eens boodschappen doen. Onze Wim was op dat vlak een ramp. Toen hij op een keer van de apotheker kwam met 100 gr. " poudre de riz" inplaats van van de kruidenier met 500 gr. semoule de riz" hield ons moeder het voor bekeken en gaf hem op dat vlak geen opdrachten meer. Onze Jan heeft, na een zekere tijd, mijn taak van "commissionair over genomen. Onze Robrecht is daar eveneens aan ontsnapt. Dat was je reinste stratendweil" en nooit ergens te bekennen als je hem nodig had. Ons moeder had een efficiënt systeem gevonden om ons op tijd thuis te krijgen als we thuis moesten zijn. Zij blies op het bootmansfluitje van mijn vader drie keer lang en drie keer kort. Het had een zéér hoog, schril geluid en was zeer ver te horen. Iedereen kende dat signaal, hoorden wij het niet, er waren er steeds anderen die het hoorden en ons onverwijld berichtten :" Morbée, je moet naar huis, ze hebben gefloten!" wat wij dan onmiddellijk deden. Er zat anders een fameuze "vlieg aan de lamp"! Ons kinderleventje werd van tijd tot tijd opgefleurd door de bezoeken van vrienden en familie. Sommigen kwamen en vertrokken dezelfde dag, anderen bleven een paar dagen tot een week zoals Tante Agnes, ons moeder haar favoriete nicht. Ons Mutter bleef onveranderd veertien dagen. Wat een vreugde wanneer ze kwam! In haar tegenwoordigheid mochten we véél meer dan van onze strengere moeder. Ik herinner me een keer dat ons moeder naar Brugge was en ons Mutter bij ons bleef als babysit. We mochten de hele eetkamer overhoop zetten en een huis bouwen met de stoelen op de tafel en het strijklaken en deken als gordijnen. Algauw waren dat geen gordijnen meer maar functioneerden ze als "slibber" materiaal op de gladde vloer. Er werd

46 met vuur mee rond gesleurd, één van ons in het midden erop tot we er een gat in gekregen hadden. Toen ons moeder thuis kwam biechtte ons Mutter haar euveldaad op en deed restitutie door een nieuw strijkdeken te kopen. Het was altijd een prettige tijd als ze kwam, al had ze ook haar grenzen waar het ons betrof. We mochten van alles uithalen, maar vechten, dat mochten we niet. Degene die de euvele moed had daaraan te beginnen wist gauw hoe laat het was en bedacht zich een volgende keer tweemaal voor hij terug aan een vechtpartij begon! Ook ons moeder maakte aan vechtpartijen trouwens altijd vlug een einde. Zij gebruikte daar zéér efficiënte middelen voor! Als we in het vuur van ons gevecht, het ging meestal om de meest futiele dingen zoals b.v. het zich onrechtmatig toeëigenen van een gom of kleurpotlood, niet onmiddellijk luisterden en ophielden, nam ze de mattenklopper of de waskoord en mepte even op onze blote billen. Dat snerpte pijnlijk in ons vlees en de vechtlust verdween meteen. Het gevecht eindigde uiteraard ook. Nadien moest rekenschap afgelegd worden en het "gepakte" terug gegeven worden. Onze Robrecht stond in 1937 op stapel en onze Pa zou voor de eerste keer aanwezig zijn bij de geboorte van een van zijn kinderen. Ons moeder, die de drie eersten "gekocht" had in de Kraamafdeling van de kliniek op de Komvest te Brugge moest nu, noodgedwongen kiezen voor een thuisbevalling, gezien de dichts bijzijnde Materniteit op 7 Km. afstand lag nl. in Antwerpen. De dorpsbakel werd aangesproken evenals de huisdokter. Onze Robrecht werd geboren op 16/6/1937. Wij, kinderen, lagen alle dagen om 7 uur ten laatste in bed. Toen Robrecht zich aankondigde sliepen wij al lang de slaap der rechtvaardigen. Vader sprong op de fiets om de dokter te verwittigen en "Dove Mie" de bakel te halen. Ze woonde op de Bund en was niet thuis. Ze was, volgens haar huisgenoten, naar een bevalling op een afgelegen Polderboerderij. Vader dus op stel en sprong daar naar toe, voor hem een hele opgave! Hij kende heg noch steg buiten het dorpscentrum en vervloekte in stilte de smalle landweggetjes, waar hij regelmatig verloren reed. Uiteindelijk vond hij haar en ze kwam geredelijk mee. s Anderendaags s morgens konden wij het broertje bewonderen dat de ooievaar s nachts had gebracht: wij waren door alle nachtelijke herrie doorgeslapen! Nou broertje"! Het was een felle cadée van 5,5 kgr. een fameus gewicht voor zo'n smalle fijne vrouw als ons moeder, met véél rechtopstaand gitzwart haar en felle ogen. Ik herinner me nog, als de dag van gisteren, Dove Mie, zij was een lelijke, magere, zwarte kraai met vettig sluik grijzend haar, gore handen met zwarte nagels...én ze mocht ze graag. Toen vader haar de tweede dag betrapte, toen ze beschonken, baby en kraamvrouw verzorgde, vloog ze met haar klikken en klakken buiten. Ik hoor nog haar krijsende stem toen ze, al op straat, scheldend af trok. Wat mijn ouders toen als inkomen hadden weet ik niet. Ons huis was eerder karig bemeubeld, met alleen het nodige. Er werd zuinig geleefd al was er nu en dan wel geld voor een "uitspatting"

47 zoals een reis naar Brugge met alle kinderen (wat toen een hele onderneming was: taxi naar Antwerpen Station, trein op, terug een taxi in Brugge), een circusbezoek in Antwerpen, een bezoek aan de Zoo, de kermis in Brugge na de rondgang van de H.Bloedprocessie. Ze hadden begin 1940 wel een mooi kapitaaltje vergaard om zonder noemenswaardige lening een mooi, alleenstaand huis te kopen (het is in de jaren 50 afgebroken om een nieuwe straat te trekken) in de Veltwijcklaan. De koop was vastgesteld ergens in de tweede helft van Mei. Door het uitbreken van de oorlog is de hele koop afgelast en ons moeder heeft met pijn in haar hart, dat hele kapitaaltje héél stilletjesaan opgegeten in een oorlog die maar niet eindigde! Ons moeder was een eerder kleine, slanke en knappe verschijning met lang donkerbruin haar en grote groene wat schuinstaande ogen. Vader was ongeveer een hoofd groter. Hij had héél donker wat bekkend haar met, toen al, wat grijs erin, een donkere huidskleur (door zijn beroep steeds diep gebruind) en héél lichte grijsblauwe ogen. Hij vertelde dat hij dat grijs haar had opgelopen bij een ijzingwekkende ervaring aan boord van het DEPPE- schip waarop hij toen voer. Dat was uitgerust met enkele passagiershutten. Zij kwamen van Zuid-Amerika en brachten, als passagier, een totaal gekke rijke vrouw mee die niet op een normaal passagiersschip toegelaten werd. Zij had een verzorgster en werd zelf opgesloten in haar hut. De verzorgster was in feite een alcoholiste, die enkel als taak had de gekkin naar Europa over te brengen. Vermits ze dronk was ze niet altijd op haar "qui-vive". Op een stille donkere nacht had haar patiënte de hutsleutel listig ontfutseld aan haar dronken begeleidster en was op onderzoek uitgetrokken op het schip. Het was een donkere nacht en, vertelde vader, muisstil afgezien van het klotsen van de baren en de geluiden van een varend schip. Niet verdacht op enig gevaar, liep hij de wacht op de brug. Plotseling werd zijn keel afgeknepen door een paar handen die met alle kracht knepen. Hij heeft uit alle macht moeten vechten om de gekkin neer te kunnen slaan en met de hulp van de toegesnelde matroos van wacht, te knevelen. Toen alles voorbij was hing er een angstzweetdruppeltje aan elk haartje en toen hij s anderendaags opstond had hij zijn eerste grijze haren. Dat grijs is dan onder de oorlog fel verergerd, want hij schreef in één van zijn laatste brieven aan mijn moeder dat hij praktisch spierwit geworden was. Hij was altijd als om door een ringetje te halen: lichtgrijs maatpak, haarscherpe broeksplooi, schitterend wit gesteven overhemd, onberispelijke das, blinkende schoenen en grijze gleufhoed. Wij moesten ook in dat spoor lopen. Als we weg gingen in zijn gezelschap waren we ook impecable": onze Jan in een schattig donkerblauw vliegenierspakje met een witte wollen sjaal, onze Wim in lichtgrijs kostuumpje met fluwelen kraag, korte broek, Engels petje op het hoofd, witte sokjes en laqué schoentjes. Ik, in een klassiek gesneden lichtgrijze jas mét fluwelen kraag, witte kousjes en eveneens zwarte laqué schoentjes én een gebroken wit kinderhoedje met ronde bol op het hoofd. Dat hoedje bleek op een dag te klein en er moest een nieuw aangeschaft worden. Ons moeder trok met mij naar de Jezusstraat in Antwerpen, naar een gekende hoedenzaak en kocht me een nieuw. Er was weinig keus en ze moest zich tevreden stellen met

48 iets dat ze niet mooi vond. Kort daarna was vader aan wal en het gezin trok voor enkele dagen naar Brugge. Op de trein zat vader mij een hele tijd aan te kijken. Plots stond hij op, deed het raam open, nam de bewuste hoed van mijn hoofd en smeet het, onder de verbijsterde blikken van mijn moeder uit het raam van de rijdende trein. " Voilà, zei hij, dat afgrijselijke ding zijn we kwijt en we kopen er in Brugge een ander dat je mooi staat!". Inderdaad, in Brugge ging de taxi linea recta naar de zaak waar ze meestal kochten, op de Burgplaats naast het hoekhuis. Er werd een nieuw modieus hoedje gekocht plus nog wat kinderkousjes en wat ondergoed en van daar ging het naar de Kalvariebergstraat waar ons Mutter ons al ongeduldig opwachtte. Zo was hij! In de vroege zomer was hij onveranderlijk "zwaar verkouden ". Dan zat hij, héél ongelukkig te zijn, in zijn leunstoel naast de kachel met een flanellen kinderluier onder zijn neus, die liep als een goot en roodomrande tranende ogen. Die "koude" was wonderlijk genezen als hij, na een uur varen, de Schelde op was. Hij was blijkbaar allergisch aan stuifmeel, want hij was steeds ziek als het buiten prachtig zomerweer was. Toen had de geneeskunde daar blijkbaar nog geen zicht op, kon het verschijnsel als dusdanig niet herkennnen en maakte er dan maar "een zware kou" van. Het gevolg hiervan was dat ons moeder de kachel hoog opstookte om die "kou" zo adequaat mogelijk te bestrijden. Wij zochten ons heil buiten in de tuin, want in huis smolten we zowat weg! Hij was een fijne vader, die veel met ons bezig was, ons van alles leerde én ons ook opvoedde. Aan tafel zorgde ons moeder steeds voor de twee kleintjes en vader voor ons, de twee groten. Hij smeerde altijd onze boterhammen. Op een keer vroeg ik een boterham. Onverstoorbaar legde hij een kruimel op mijn bord en at zelf verder. Ik snapte er geen sikkepit van en vroeg nog eens om een boterham, hij keek veelbetekenend naar de kruimel en zei:" Wie het kleine niet begeert is het grote niet weerd! ". Ik heb de les nooit vergeten! Wij werden ook geacht ons bord leeg te eten, want... eten kostte geld, voor geld moest hard gewerkt worden, de gebraden kwakkels vlogen je zomaar niet in de mond. Wat we s middags, bij de warme maaltijd niet wilden opeten kregen we s avonds, koud, terug voor onze neus. Er werd niet veel drama rond verkocht, werd het niet opgegeten kregen we geen broodmaaltijd: punt uit! Als je éénmaal die onsmakelijke koude brij door je strot had gewrongen en bij ondervinding wist hoe slecht dat wel smaakte haalde je het niet in je hoofd dat nog eens te riskeren. Eigenlijk leerde je zo alles eten! Wij moesten ook steeds met twee woorden spreken. Zonder een asjeblieft en dank u wel verkregen we niets! Als we iets te vragen hadden trokken onze ouders altijd aan één zeel! Als we aan vader iets vroegen, klonk het onveranderlijk:"heb je het Mama gevraagd?" en we werden doorgestuurd naar moeder of vice-versa. Weer dezelfde vraag, antwoordden we ontkennend werden we onverwijld naar de andere ouder gestuurd. De laatste hakte dan de knoop door en de andere partij stond dan ook mee achter de beslissing, t zij kleine of grote. Onze ouders stelden dus alles in het werk om ons goed op te voeden. Wij werden ook gelovig

49 en kerkgaande opgevoed. Het tafelgebed was zo gewoon dat we er niet bij stil stonden en de Zondagsmis was geen van moetes maar een vanzelfsprekendheid. In de maanden Mei en Oktober gingen we naar het Lof of de Rozenkrans en in de Vasten probeerden wij ons wat te ontzeggen, wat niet altijd gemakkelijk was. Aan snoep hadden wij echt geen overvloed en dan een spekke of een Petit-beurke weigeren deed zeer. Ons hele leven was doordrenkt van de waarden waar een christen mens moest naar streven. De Zondag had ook zijn eigen ritueel. Wij gingen naar de Negen-urenmis. Na de Mis ging één van de oudsten naar bakker Kuylen om heerlijk geurende verse pistolets en ons moeder maakte thuis een grote pot choclademelk van verse Polderkoeienmelk en plakken zwarte Kwatta chocolade. Hmmmm..overheerlijk! Wij tafelden lang, minstens tot elf uur. Dit had tot gevolg dat we s middags weinig honger hadden en ons moeder haar eten geen eer aandeden. Na een tijd besliste ze op Zondag niet meer te koken en op Zaterdag een dubbele hoeveelheid te koken met onveranderd, een grote pot soep. Wat van de Zaterdag overschoot werd op Zondagavond voorgeschoteld en niemand taalde naar meer. Toen ik later met hetzelfde fenomeen geconfronteerd werd toen onze kinderen groter werden heb ik ons moeder haar voorbeeld prompt gevolgd! Vader had in zijn dertiger jaren ook wat last van overgewicht: zo hoorde ik hem eens, op een sappige manier vertellen over zijn strijd met het teveel aan gewicht. Hij was van zee thuis gekomen en had last om zijn bottinnen dicht te rijgen. Dat was meestal het teken dat hij wat moest vermageren! Hij ging op de "bascule" staan die 99 Kg. aanwees. Oei, oei, zoveel?! Daar moest iets aan gedaan worden. De volgende reis vastte hij dat hij scheel zag, at maar één maal per dag en dan nog weinig. Enfin, gedurende drie maanden liep hij rammelend van de honger over dek. Ge kunt u zijn ontgoocheling voorstellen toen het resultaat van zoveel ellende resulteerde in de magere oogst van " minus 350 gr.!". Hij was, volgens hen die hem goed kenden, een aangenaam mens, hartelijk en attentievol voor anderen, met een warm hart. Hij kon héél lang iets verdragen maar eens een zekere grens bereikt explodeerde hij. Diegene die oorzaak was van die explosie kon het nooit meer goed maken. Aan boord had hij veel gezag en het respect van de "crew"! Thuis wisten we dat we te gehoorzamen hadden. Hij kon van ons véél verdragen maar als hij iets verbood hadden we van de eerste keer te luisteren, anders lag er een klap of een straf bij. Ons moeder had dat niet, die kon toen we klein waren wel tien keer iets verbieden. Het leek voor dovemansoren bestemd. Vader moest daar altijd om lachen en zei haar dan :" t Is je eigen schuld, hou je aan je woord, ze zullen het rap doorhebben!". Hij kon, net als zijn vader, goed zingen en boeiend, vol humor, iets vertellen. Hij hield van fluiten. Aan boord mag dat niet. Een onuitroeibaar bijgeloof bij zeelui zegt dat "fluiten" storm oproept! Hij had een voorliefde voor het liedje dat aldus eindigde: "en de meiskys van Brugge zyn goudstekskies weird" daarbij gaf hij ons moeder een zoen of een knuffel!

50 Mijn ouders hielden zielsveel van elkaar. De grond waarop de andere liep was te koud! Zij hadden nooit ruzie. Was er verschil van mening, dan luisterde de ene naar de andere en er werd een vergelijk gevonden zonder dat er één woord hoger was gevallen dan het andere. Wij voelden ons, als kinderen gekoesterd in hun liefde voor elkaar. Hij hield van gezelligheid en s Zondags mochten we bij hen in bed, echter boven de dekens! Daar werd dan gekheid uitgehaald, gekieteld en gelachen. Dan bakte hij ook heerlijke boterkoeken in de oven van de "cuisiniére". In onze kinderogen leken het een oneindig aantal en ze smaakten overheerlijk! Als koppel lijken ze wel "een geëmancipeerd paar avant la lettre"! In mijn kindertijd was de vader in huis de rotst verwende vent ter wereld, waar de vrouw, zijn dienstmaagd, de benen voor van onder het lijf liep. Huishoudelijk werk was beneden zijn waardigheid. Niet zo bij ons thuis. Vader overtuigde ons moeder ervan alles samen te doen. Dan was het werk ééns zo vlug klaar. Daarna konden ze beiden van elkaar én de kinderen genieten in de aldus bekomen vrije tijd. Zo schuurde hij de straat, de gang, de keuken en de koer: ons moeder dweilde, hij haalde het water aan, hij stak ons in bad, moeder droogde ons en kamde ons haar, hij stak ons in bed met een kruisje en een aaike en vertelde een verhaaltje, dat hij soms ter plaatse verzon. Hij kookte de was af, ons moeder schrobde, hij spoelde en sleepte met water en wrong de was uit. Ons moeder hing hem op. Samen vouwden ze de lakens, soms streek vader ze samen met ander plat goed. Ons moeder streek de moeilijke zaken zoals hemden, schorten, kleedjes en gesteven goed. Hij legde de tapijten op de draad en klopte ze tot er geen stof meer uit kwam, ons moeder stofte af en dweilde terwijl hij ons op afstand hield. Ze verdeelden alle werk en genoten nadien inderdaad van de vrije tijd. Soms genoten ze samen van een glaasje "Lacrima Christi" een groenkleurige zoete likeur (bij de Cogghe's was het favoriete drankje "Goldwasser"!). Als het weer goed was gingen we wandelen, de twee klein mannen in de kinderkoets: de Mercedes onder de kinderwagens, in zacht bruin en beige leer met glimmende stalen attributen als zitje, trapje, onder de baby was ruimte voor allerlei benodigdheden. Je kon met gemak drie kinderen kwijt in deze voiture en met wat goede wil zelfs vier! Het was fijn met hen samen iets te beleven. Zo gingen we eens naar een chique modeshow in het, nu afgebroken Keyzerhotel op de Keyzerlei. Onze Wim en ik mochten mee en waren danig geïmponeerd door de man in rood livrei met een overdaad aan goudgalons, mét witte handschoenen, die voor ons de taxideur open deed! We hadden nog nooit zulk weids en luxueus interieur gezien en keken derhalve onze ogen uit. Er zaten minstens honderd vrouwen en onze Pa baarde wel enig opzien. Donkerbruin verbrand, afgekuist, zoals het een heer past, was hij de enige man in het hele gezelschap. Wij waren trouwens ook de enige kinderen. Het scheen hem niet te deren. We hadden goede plaatsen en konden alles goed zien. Schoon volk liep daar over de "catwalk" met mooie dingen aan het lijf! Ons moeder hield er een prachtige blouse met bijpassende rok aan over evenals een schitterend, exclusief hoedje met twee ravenzwarte vogels fijn gearrangeerd op een soort ring om het hoofd. Het was werkelijk een pracht, ik weet nog dat vader erop stond dat ze het kocht

51 Ze pruttelde wat tegen omdat ze vond dat ze eigenlijk al genoeg dure dingen gekregen had. Zoals elke zeeman met, voor zijn gezin, het hart op de rechte plaats, bracht hij ook elke reis exotische dingen voor ons moeder mee: kant uit Malta, geborduurde zijden sjaals uit de Azoren, huidenvellen uit Canada, een Vuurlandse vos, bewerkte hoornen lamphouders, paradijsvogels in hun eigen verenpracht als een schilderij op zwarte achtergrond, een met ivoor ingelegd kaarttafeltje uit de Libanon. Ons moeder koesterde die geschenken als een kostbare schat! Voor ons was hij ook nooit karig en met Sinterklaas werd er diep in de beurs getast. Hij was nogal handig met allerhande gesofistikeerde zeemansknopen en knoopte ons prachtige ingewikkelde ceinturen. Hij was tevens van in begin de jaren 30, vrijwilliger bij de Bibliotheek voor Varenden, waar hij op vraag van aalmoezenier Bogaerts, de nieuw binnen gekomen boeken las en er een kwotering aan gaf van 1 tot 10. Als we vader naar Antwerpen vergezelden voor we naar Ekeren verhuisden logeerden we steevast bij de schilder Alfred Ost. Deze kon toen van zijn penseel niet leven en baatte een logementshuis uit te Antwerpen. Ik zie vader nog altijd voor me, als de dag van gisteren, hoe hij in de strenge winter van voor ons een reuze sneeuwman maakte en met mij op zijn schouders door de heuphoge (dat heb ik hier te lande nooit meer gezien) sneeuw waadde om mij naar een reeds gebaand paadje te brengen om in school te geraken. Hij maakte voor onze Wim iets dat het midden hield tussen een looppark en een bed. Het was een houten geraamte, bekleed met grof, licht-blauw geschilderd zeildoek en met gemak uit elkaar te halen. Het was bovendien hoog genoeg om kleintjes te beletten er uit te vallen en zo uitgekiend van hoogte, dat ons moeder haar rug ontzien werd. De kleine had er ruimte genoeg in om te draaien en te keren, te leren zitten en opstaan en veilig te leren lopen, dat alles in de onmiddellijke nabijheid van ons moeder. Het ding "sierde" de huiskamer tot onze Robrecht te ondernemend werd en verdween dan naar de zolder! Voor onze Robrecht bracht hij van boord een soort hobbelpaard mee, met op het lijf een veilig zitje waar hij, eerst vastgebonden in een gareel, later zonder, naar hartelust kon hobbelen. Hij reed er de hele woonkamer mee rond en kwam dan soms ergens vast te zitten. Onder luid protest werd de dichts bijzijnde dan aangemaand hem te bevrijden, zodat hij verder kon "paard rijden"! Onze Jan was onverbeterlijk nieuwsgierig. Hij had een voorliefde voor kasten! Als hij die open kreeg zette hij zich enthousiast aan het leeg maken ervan. Toen hij een keer aan de aandacht van ons moeder ontsnapte en de voorraad in de keukenkast met veel ijver over de vloer uitgoot: suiker door bonen, erwten bij bloem enz. en daar nog eens fameus in rommelde, vond ons moeder het welletjes, sloot alle kastdeuren af en legde de sleutels waar hij niet bij kon. De

52 onderste deurtjes van de "cuisiniére" waarin strijkijzers en bakvormen opgeborgen werden als de kachel niet brandde, werden op ingenieuze manier met dik koord vastgebonden, zodat de inhoud veilig was voor zijn ondernemingslust. Hij was ook de enige thuis, die al wat hij aanraakte, kapot kreeg en ook kans zag zichzelf te verwonden. Hij viel zich verschillende malen een gat in zijn hoofd: één keer moest het genaaid worden! Hij viel, op de hoek van een stoel, een gat dwars door zijn neusvleugel, robbelde van al de trappen en brak zijn arm.enz.! Niet voor niets noemden ze hem thuis "Jan tant-affair" wat zoveel betekende als "Jan synoniem aan ambétante affaires"! Het was anders een schattig ventje, een beetje mollig, met donker, wat krullerig haar en mooie grote ogen! Onze Robrecht was van een ander kaliber. Dat was de ontsnappingsexpert. Geen open deur of hij wist ze te vinden en ribbedebie was hij! Hij kon nog niet lopen toen moeder hem eens boven, onder een bed vond. Hij had de open gangdeur ontdekt en was op expedite gegaan. Ons moeder, met visioenen in haar hoofd over wat hem had kunnen overkomen, zoals zijn nek breken bij het "van de trap vallen" bond ons op het hart alle deuren steeds goed te sluiten. Wee de onverlaat die het vergat. Die kon een kwartier " in de hoek" mediteren over zijn wandaad! Dit ging over ons klein mannen maar ons moeder had met ons de groten ook nogal wat te stellen. Ik herinner me twee voorvallen als de dag van gisteren. Het eerste voorval deed zich voor toen ik een jaar of elf was. Het was vacantieperiode en ik werd geacht te helpen bij de wekelijkse kuis. Bij ons lag in de voorkamer een Doorniks wollen tapijt en in de woonkamer een cocosmat. Elke week die de Heer verleende en het weer het toeliet werden die opgerold: de wollen ging op de draad en de cocos op het gras om een hardhandige klopbeurt te ondergaan. Terwijl ons moeder daar mee bezig was kreeg ik de opdracht de eetkamer uit te vegen zodat zij daarna kon dweilen. Iedereen die een cocosmat in huis heeft weet dat dit vegen geen overbodige luxe is want door de mazen van een cocos valt héél wat vuil, zand én kruimels! Die moest ik dus opvegen en ik was bezig mijn opdracht uit te voeren toen onze Wim op het toneel verscheen en me begon te pesten. Wat was dat pesten? Ach, niet veel meer dan het lostrekken van mijn schortlinten of het omhoog trekken van mijn haarvlechten: dat gaf een venijnige pijn waarbij de tranen je in de ogen schoten of het deponeren van een spin ergens op je bloot vlees! Op één of andere manier werd ik door het getreiter pisnijdig en ik probeerde hem een mep te verkopen wat niet zo gemakkelijk ging. Hij ontsnapte me telkens weer door rond de tafel te rennen en mijn armen waren te kort om die afstand te overbruggen. Ineens kreeg ik het lumineuze idee mijn armen met mijn borstel te verlengen en ik haalde uit. Inplaats van hem een mep te verkopen sloeg ik de luster, boven de tafel, aan diggelen. Het was een omgekeerde schelp in melkglas die met een vernuftig katrollensysteem in porselein, naar believen naar boven of naar beneden kon verschoven worden al naargelang er algemeen licht moest zijn of goed licht op het tafelblad. Dit alles lag nu in

53 duizend grussels op de grond en ik stond er totaal verbouwereerd naar te kijken. Onze Wim was als een bliksemschicht van het toneel verdwenen en ons moeder verscheen...ik heb het geweten!!!!! Wat voor straf ik kreeg weet ik niet meer maar ze was gespreid in de tijd en het heeft weken geduurd voor ik terug strafloos was. Het tweede voorval deed zich wat later voor. Tot de standaarduitrusting van onze boekentas hoorde een houten lat van 30 cm. Voor langere lijnen beschikten onze Wim en ik samen over een prachtig verniste lat van 50 cm.! Die had zijn vaste plaats achter de radio. Bij ons stond de radio op een houten schabbetje, op ooghoogte van de volwassenen, vlak naast de deur van de woonkamer die uitkwam op de gang. Een radio was toendertijd een zeldzaamheid en wij waren één van de weinigen die er één bezaten, niet omdat we zo rijk waren maar simpel omdat mijn vader in de gelegenheid was het ding uit de States mee te brengen, waar het alllang een gewoon verschijnsel was en stukken goedkoper dan in Europa. Onze Wim had de lat gebruikt en slordig terug weg gestoken. Ik was de ongelukkige die als eerste die bepaalde deur open deed. Zoals gezegd, de lat was slorig weg gelegd en stak zeker 10 à 15 cm. uit voor de deur met het logische gevolg dat, bij het openen van de deur, de lat vooruit schoof, de radio van het schabbetje duwde waar hij eerst mijn voorhoofd raakte, daarna mijn schouder en dan, in zijn val afgeremd, op de grond terecht kwam. Ik stond er verstijfd van schrik bij! Ons moeder, die in de keuken bezig was, kwam op het lawaai af. Ze overschouwde het toneel, ik had ondertussen een fameuze buil op mijn voorhoofd en de ravage aan de radio viel mee. Uiterlijk was er niets aan te zien maar er was wel een lamp kapot! Ik zie die lampen nog voor me: langwerpige, doorschijnende, lichtgeel gekleurde lampen. Ons moeder heeft wel wat moeite gehad om die kapotte lamp te vervangen. De straf was ook niet min: onze Wim kreeg straf om zijn slordigheid en ik om mijn onaandachtzaamheid. De straf was ook gespreid in de tijd en we hebben er beiden een tijd lol aan beleefd! Iedere oudergeneratie heeft bij tijd en wijle met de ongehoorzaamheid, de onhandigheid én de stommiteiten van zijn nageslacht te maken. Zo ook wij met onze kinderen, zij het met andere voorvallen. Nu, iedere generatie ouders om de beurt de pineut lijkt mij een eerlijke bedoening! Onze Wim werd zes, ging naar het eerste leerjaar en werd naar het Sint Michielscollege te Brasschaet gestuurd. Hoe hij daar geraakte weet ik niet meer, hij liep er wel school tot het uitbreken van de oorlog. Hij was de enige thuis die volledig links was. Thuis werd daar geen trammelant rond gemaakt: hij was links! So what! Men zette hem op de hoek van de tafel, waar de links functionerende arm niemand "ambéteerde" en dat was dat. Op school echter werd hij plots verplicht alles rechts te doen en...het liep in het honderd. Hij die nooit gedoddeld had, begon fameus te hakkelen. Het verontrustte onze ouders zozeer dat een jonge specialist, Dokter Bekaert, werd geraadpleegd. Hij was vermaard om zijn kennis over spraak-moeilijkheden. De therapie was een kostelijke zaak, maar verhielp niets aan het probleem. Hij is, bij stress, blijven hakkelen tot zijn sterven! Toen had men nog bijlange niet door hoe men op zo'n manier een kind kon verknoeien. Het is trouwens nog niet zo lang geleden dat men het probleem is gaan

54 onderkennen. Hetzelfde doet zich nu trouwens voor met dyslexie! Zo vergleden onze onschuldige kinderjaren. Ondertussen was ons Mutter bij ons komen wonen en, opgeschrikt en op zijn " qui-vive" door al het machtsvertoon op zee, begon Papa te hamsteren. Zo verschenen op de "allée" van onze zolderverdieping balen tarwe, suiker, ongebrande en gebrande koffie, rijst. In de kelder werd boter, verpakt in hermetisch afgesloten dozen, honing en levertraan opgeslagen. Dankzij zijn vooruitziendheid hebben we tot ver in de oorlog min of meer onze plan kunnen trekken. In de rijst verschenen na enige tijd kalenders, maar die werden, vooralleer de rijst te gebruiken, eruit gevist. Tot ver in de oorlog hebben we koffie gedronken, op het einde weliswaar uitzonderlijk op Zon-en Feestdagen. Voor de rest was het "Kneipp" een afschuwelijk drankje, maar bij gebrek aan beter moesten we er wel mee tevreden zijn. Onze Pa zou trouwens, net als vader Cogghe, die in de winter van te Bigbury Bay onder aanvalsdreiging van een onderzeeër en in een zware storm, met de Louis Sheid op de kust liep, een voorsmaakje krijgen van wat de oorlog als gruwelijke ervaring zou worden voor de zeelui. Eveneens in die winter van liep de " Flandre" waar vader toen eerste stuurman was, op een mijn in de monding van de Theems. Het schip verging op zéér korte tijd, maar door het nabij zijn van de kust werd vlug hulp geboden en afgezien van een nat pak, kwam iedereen er met de schrik vanaf. Van dan af had hij een voorgevoel dat hij de oorlog niet zou overleven. De man heeft gelijk gekregen! Hij was in haven toen de oorlog uitbrak. Wij stonden gereed om naar school te vertrekken toen op het radionieuws van 8 u. s morgens omgeroepen werd, dat Duitsland de oorlog aan België had verklaard en ons land binnengevallen was. Vader hield ons onmiddellijk thuis en begon met ons moeder te beraadslagen wat te doen. Hij heeft niet lang moeten wachten om te weten wat te doen want in de loop van de dag kwam de politie melden dat de regering had verordoneerd" dat alle schepen, zogoed vissers- als koopvaardijvaartuigen, dezelfde nacht nog de havens moesten verlaten op straffe van "desertie". Hij heeft ons, s avonds bij het slapengaan, zoals gewoonlijk een kus, een kruisje en een aai gegeven en is dan s nachts vertrokken na ons in bed nog een laatste zoen gegeven te hebben. Wij hebben dat niet geweten, wij waren in diepe slaap. Wij hebben hem nooit meer weergezien! Ik weet niet hoe mijn broers dit ervaren hebben. Aan onze Wim heb ik het nooit gevraagd en dat kan nu ook niet meer daar hij bij ons Heer is sinds Ik althans heb die vaderfiguur in mijn jongemeisjesjaren héél erg gemist. Ik had hem het langst gekend en mistte hem bij tijd en wijle héél erg! Om één of andere reden is ons moeder dan met ons naar Antwerpen gevlucht waar we onderdak vonden in een huis dat toebehoorde aan Stella- Maris op de Italiëlei N 72, waar het huidige Apostolaat gevestigd is. Nadien is er, tijdens de oorlog de Zeevaartschool in onder gebracht. Ons vader, Cogghe dus, heeft daar school gelopen. Wij hebben er maar een paar

55 dagen verbleven en zijn dan terug naar huis vertrokken. En zo begon voor ons de oorlog, die eindeloos, vier jaar zou duren, met alle moeilijkheden die dat meebracht. Er kwam algauw een tekort aan van alles. Er kwam ravitaillering en alles kwam op de bon wat nog niet wilde zeggen dat het voorradig was. Onze Robrecht kreeg "de oude man, een ziekte die met uitdroging gepaard gaat en alleen te genezen door het eten van veel vitaminenrijk fruit en groenten. Ik weet nog dat ons moeder elke week naar de stad ging om voor hem, per dag, een sinaasappel te gaan kopen, enkel te krijgen op doktersvoorschrift. Ze waren zeldzaam én duur. Ze betaalde 50 fr. per stuk: reken maar uit, zeven stuks per week! Terzelfdertijd bracht ze dan ook goed, vers vlees mee, dat in Ekeren toen, bijna niet te krijgen was. Van dan af stond bij ons, elke dag dat de Heer ons gaf, gestoofde appelen op het menu, naast andere groenten, want "Robrecht moest véél fruit eten!. Het is tot ons trouwen thuis op het menu blijven staan én het werd nog opgegeten ook. We werden het niet moe na al die jaren! Ons moeder kreeg jarenlang "REINETTEN", een lekkere bewaarappel, van de eigenares van de "Konijnenhof" een ongetrouwde oude jongedochter die compassie had met "die jonge vrouw met haar vier kleine kinnekes"! Onze Wim, die school liep op het College St. Michiel te Brasschaat, werd van school gehaald en ging van dan af naar de "Broeders" in Ekeren. Dat leek ons moeder een stuk veiliger en véél dichter bij huis. Hij overleefde de verkassing vrij goed en deed zijn best. Uit zuinigheid werden ons jongens hun hoofd een paar keer per jaar zowat kaal geschoren. t Mijne moest maar lang groeien, dat kostte ook niets! Onze tuin werd in een groentenhof herschapen en droeg op deze wijze bij tot een grotere hoeveelheid eten dat alleen maar de moeite van "het werk" kostte. Wij groeiden als kool en om ons fatsoenlijk te kunnen kleden werden de oeroude kleren uit koffers op zolder gehaald, met veel geduld losgetornd en door "tante Lieke" een buurvrouw, omgetoverd tot mooie kleding. Zo had ik prachtige onderrokken met Zwitserse broderie tot aan de taille, niemand had zoiets... natuurlijk niet, ze waren gesneden uit de hoepelbrede onderrokken van mijn overgrootmoeder Keereman! Van schoenen werden de tenen uitgesneden, als ze te klein werden en voor niemand nog konden dienen. Zo gingen ze wat langer mee. Ons Mutter prees zich gelukkig dat ze, zoals ze zei "de savie" gehad had, al die oude kleren mee te verhuizen. Ons moeder stikte voor mij zeildoeken schoenen die dan door de schoenmaker op houten zolen werden genageld. Schoenen werden verzoold met versleten fietsbanden. Wie een fiets bezat en geen fietsbanden meer kon op de kop tikken reed op de naakte "sjaenten" omwonden door koord, zo kwam men ook vooruit, zij het iets minder vlug en met véél meer "gesjok". In de winter liepen wij, net als de boerenkinderen met houten "holleblokken". Ik kreeg "klefferkes" een duurder soort vrouwenblokje, omdat ik, met mijn hoge wreef, de holleblokken niet kon verdragen. We hebben er wat versleten in al die jaren. Jan Kloon (een bijnaam: in de Polder heette een houten klomp "kloon" ), de klompenmaker van het dorp

56 kon de vraag niet volgen, er was immers niets anders te krijgen! Ja, op de zwarte markt aan dolgedraaide prijzen of bij een bevriende Duitse soldaat. Een echte patriot deed daar niet aan mee. De Duitsers werden, door het merendeel van de bevolking uitgespuwd als de bezetter en niemand wilde er iets mee te maken hebben. Elke week, op Donderdag, organiseerde Aalmoezenier Bogaerts van Stella Maris een bijeenkomst voor de achtergebleven zeemansvrouwen in de lokalen van het werk voor zeelieden op de Ernest Van Dijckkaai. Daar werd dan nieuws over de "mannen op zee" uitgewisseld, men steunde elkaar in de miserie. Er werd "Bedeling" gehouden. Hoe Bogaerts eraan kwam weet ik niet, maar elke week had hij etenswaar te verdelen aan schappelijke prijzen, gaande van graan over suiker, meel, Sirop de Liége, kaas en andere niet te verkrijgen zaken. Alles werd zorgvuldig "eerlijk" verdeeld naargelang de grootte van het gezin, de leeftijd van de kinderen. Wij hebben tijdens de oorlog tientallen kilo's van zijn Sirop de Liége verorberd bij onze boterham. De zwarte markt tierde welig, steeds weliger naarmate de oorlog langer duurde. Ik weet nog dat ons moeder eens 80 fr. betaalde voor een rode kool (in de huidige tijd mag men dat wel vermenigvuldigen met 10!!!) en bij onze Plechtige Communie 500 fr. voor één kilo goei boter! Gezien de prijzen de pan uitrezen, kreeg moeder het al langer hoe moeilijker de eindjes aan elkaar te knopen. Zij trok maandelijks 900 fr. van de Reederij, zogezegd een voorschot op het loon dat vader in Engeland verdiende, waarvan 450 fr. maandelijkse huur af moest. Ik weet dat zéér goed, daar ik ze regelmatig ging betalen bij onze huisbaas, die vlakbij op de "Verboden Weg" woonde. De overige centen stelden op een bepaald moment niet veel meer voor. Ons Mutter hielp waar ze kon, maar moest ook zuinig zijn, want door de Regering waren bij wet, de huurprijzen bevroren. Bij ons werkte dat als een tweesnijdend zwaard. Van één kant bevroor het onze huishuur, van de andere kant ook het inkomen van ons Mutter. Ons Mutter, die haar huurders nooit het vel over de oren haalde en de laatste tien jaar praktisch géén noemenswaardige opslag gevraagd had, zag haar goedhartigheid slecht beloond. Bovendien vroegen die huizen wel eens wat onderhoud, waar ze ook voor opdraaide. Ze had in t algemeen goede huurders. Die betaalden elke maand hun huur, regelden kleine reparaties zelf en verkochten verder geen last, afgezien van één, een oorlogsinvalide. Met de regelmaat van een klok verschenen brieven van hem gericht aan "De Weledele Hooggeboren Vrouwe, Weduwe Morbée" en getekend met zijn naam gevolgd door de vermelding Grootoorlogs geamputeerde op het slagveld van eer aan de IJzer te (laat ik maar zeggen) Ramskapelle". Ons Mutter verwachtte nooit veel goeds als de man schreef. Ze placht dan te zeggen: Wat hangt mij nu weer boven het hoofd!" Op een keer, het was al na de oorlog, schreef hij over:" zijn dak, dat verdwenen was evenals de deur van het toilet, dat hij moeilijk, door iedereen te zien, kon zitten sch...!" Ons Mutter, in groot ornaat, er persoonlijk naartoe in het gezelschap van ons moeder! Wat vonden ze? Er waren inderdaad wat pannen kapot, dat was gemakkelijk te herstellen. Voor de rest bleek dat de man zijn toiletdeur, plus de deurtjes van zijn keukenkastjes gesloopt had en, daar hij geen aanmaakhout had, ze in stukjes gehakt had en verbrand! Ons Mutter verhoogde op

57 slag de huur en zei hem: "Gezien je zelf verantwoordelijk bent voor je Openbaar Toilet" zorg je er ook maar zelf voor, dat het terug "Privé " wordt! Om hem verder de pas af te snijden liet ze het hele geval door een deurwaarder constateren. We hebben nadien niet veel meer van hem gehoord! Het waren geen gemakkelijke tijden, temeer daar de onzekerheid over onze Pa zijn welvaren zwaar woog. Van tijd tot tijd kregen we zwaar gecencureerde brieven, voorzien van een waaier van Duitse stempels allerhande. Tussendoor kwamen er berichten, langs het Rode Kruis van Portugal. De agent van de Rederij Deppe in SETUBAL liet ons dan weten dat het vader goed ging, daar hij hem gezien had of contact met hem had gehad. Dat gaf ons moeder dan weer moed om verder te gaan op de moeilijke weg "van verantwoordelijk te zijn voor vier kleine kinderen en een oudere vrouw"! Iedereen geraakte in de ban van de schaarste en men werd zeer creatief, vooral in verband met voedsel. De gekste recepten werden uitgedacht en gepromoot b.v. men bakte taarten op basis van bloem en gemalen worteltjes. Om meer melk te hebben lengde men die aan met water (sommige melkboeren doopten reeds hun melk op voorhand, wat ten strengste verboden was), men bakte cake van bruine bonen en offreerde een dessert van witte bonen met bruine suiker. Aardappelen smaakten heerlijk met "ajuinsaus" gebakken in wat " zoete lies" de favoriete vetstof (er was niets anders te krijgen!) een ordinair soort rundsvet. Soms kon ons moeder beslag leggen op een zij zéér vet spek, dat werd dan thuis uitgesmolten, de " kaantjes" (stukjes gekookt vlees uit de betrokken zij spek) er uit gevist en als lekkernij met smaak verorberd! Het vet werd gestold en gebruikt als broodsmeersel of braadvet. Wij maalden zelf ons graan, een langdurige bezigheid, waar iedereen om de beurt zijn steentje moest toe bijdragen. Ons moeder zeefde dan het meel en hield een deel bloem apart om tegen de Zondag een wit brood te bakken. De rest werd voor het door- de- weekse brood gebruikt, dat ze zelf bakte als de kachel brandde, wat in de winter het geval was. In de zomer werd het brooddeeg in de vorm gegoten en met een stevige doek erover naar de bakker gebracht, die het dan voor haar bakte tegen een kleine vergoeding. Zijn oven brandde toch! Dat brood was zeker gezond, naar onze normen nu. Het bestond meer uit zemelen dan uit wat anders! Zelfs op gist moest men zuinig zijn want het was redelijk schaars! Bij het snijden van het brood werden de afgevallen kruimels minutieus bijeen geveegd en om de beurt kregen we een handvol kruimels, met wat boter erop als toemaatje. Het was voor ons een tractatie, zo n patéeke! Men was op alles super zuinig, niets werd weggegooid. Op onze koer verscheen, na verloop van tijd een hok, dat twee konijnen huisvestte. De beesten werden dik met afval en gras en werden, eens vetgemest, het kopke afgekapt om als grote lekkernij op tafel te verschijnen ter gelegenheid van één of ander feest of feestdag. Ze geslacht krijgen was altijd het grootste probleem. Ons moeder kon het niet, of kon het niet over haar hart krijgen. Blijkbaar waren er

58 nooit liefhebbers om dat werk te klaren. Jos Verbist van den Botterham een Ekers deftig café én tezelfdertijd onze melkboer, heeft het een tijdje willen doen maar stopte daar plotsklaps mee en dan begon pas goed het probleem een slachter te vinden. Het was een steeds terug kerende miserie! De groenten werden super zuinig gesneden in de keuken: zo weinig mogelijk werd weg geworpen. De aardappelen werden flinterdun geschild. Ook dat werd tot kunst verheven, wegens de schaarste. Er ontstond een levendige ruilhandel in ravitailleringsbonnen: die waren maandelijks af te halen op de gemeente en werden per persoon uitgereikt met bevoordeelden zoals zieken, kleine kinderen en ouderlingen die voor bepaalde producten, zoals b.v. melk dubbele zegels kregen. De ravitaillering heeft tot lang na de oorlog geduurd, zeker tot het jaar Wij hadden veel zegels voor melk, ons moeder ruilde die dan voor zegels die haar recht gaven op b.v. meer vlees of meer suiker, naargelang wat ze nodig had. Zij ruilde praktisch steeds de zegels van vis. Wij lustten de aangeboden vis n.l. alle soorten haring, niet. Onder de oorlog heeft die haring echter véél mensen het leven gered. Er was toen voor onze kusten een wonderbare visvangst" van haring die zich, na de oorlog, nooit meer voorgedaan heeft. Is God ons toen ter hulp gekomen? Gelovige mensen waren daar vast van overtuigd! Toen zaten in elk geval de kerken stampvol! Begin Januari 1941 stierf grootmoeder Haegebaert. Daar de kust tot spergebied verklaard was én de aankondiging te laat arriveerde met de laconieke tekst:"moeder overleden, begrafenis dan en dan" getekend door de twee zussen, zag ons moeder geen kans om de begrafenis bij te wonen. Het heeft haar in haar diepste binnenste altijd pijn gedaan, niet zozeer door het feit dat ze niet op de begrafenis aanwezig kon zijn, maar meest door het feit dat ze haar moeder niet meer levend gezien heeft. De oorlogsjaren sleepten zich verder. Behalve het gemis van vader en de alom-aanwezigheid van Duitse soldaten in onze onmiddellijke omgeving beroerden die jaren ons kinderleven niet erg. Wij liepen school, deden ons best, haalden goede cijfers, kregen, dank zij de dagelijkse inspanningen van ons moeder, genoeg te eten en leefden onbezorgd. Toen kwam onze Plechtige Communie in zicht. Intussen zat ons moeder hoe langer hoe meer in haar hoofd met het lot van vader. Zij kreeg nog zeer zelden een brief. Als er één door kwam was het al een van een oudere datum, uit Setubal kwam geen nieuws meer en langs het Rode Kruis ook niet. De Plechtige Communie bracht ook de nodige zorgen mee. Ze wilde dat, niettegenstaande alles, het voor ons toch een fijne dag zou worden en begon te hamsteren om toch een beetje feestelijk maal te kunnen op tafel toveren... want het was in feite toveren! Onze kleding was ook al een grote zorg! Zij had nog steeds haar trouwkleed in blinkende zijden satijn en een mooi zomerkostuum van vader. Dat werd allemaal losgetornd en herschapen in: voor mij een simpel lang wit kleed, de stof binnenste buiten daar blinkende satijn niet paste bij een meisje van 12. De bruidssluier

59 diende ook, het kroontje was nieuw. Helaas konden haar trouwschoenen niet dienen: ze hadden véél te hoge hakken en waren zilverkleurig. Niet getreurd, de buurvrouw had er nog een paar staan en leende ze voor die dag. Ze waren mij een maat te groot en hadden een half hakje, dat was in elk geval beter dan een paar holleblokken! Voor de tweede dag werd de enige jas die ik nog bezat én die te klein was, omgetoverd tot een fatsoenlijk kleed: de mouwen werden gemaakt uit de jasvoering en het kleed op lengte gebracht door in de taille, eveneens met de jasvoering een stuk van 20 cm. lengte tussen te plaatsen. Voilà, ik was gekleed en kon ermee door. Ter vervanging van de gebruikte jas werd een nieuwe gemaakt uit een geverfde wollen deken die me, na korte tijd alweer te klein werd. Toen die tijd daar was werd er ook een mouw aangepast en werd uit de prachtige zwart lakense kapmantel van mijn overgrootmoeder Keereman een nieuwe jas gemaakt. Dergelijke rijke mooie stoffen maken ze nu niet meer, te duur denk ik. Ons moeder had van vader eens Chinchillabont gekregen, een eerder duur en zeldzaam soort bont. Dat werd ook opgediept om mijn kap en mouwranden af te zetten en zo liep ik erbij als kwam ik gekleed uit een dure zaak! Onze Wim kreeg een net pak uit vader zijn kostuum en een zijden hemd uit de voering van de sleep van moeders trouwkleed. Zijn schoenen waren afdankers van mij, molliéres die mij te klein geworden waren. Zijn eer werd aldus ook gered en ons moeder kon met fatsoenlijk geklede Communiekanten voor de dag komen. Van de dag zelf herinner ik mij niet veel: het was mooi weer en de nog levende peters en meters waren er inclusief Tante Agnes en haar man. Intussen waren ze op de Gemeente op de hoogte van het slechte nieuws dat ons te wachten stond. Men had er over geredetwist wie de doodsmare zou komen brengen. Niemand was er op uit de onheilsbode te zijn: niet de Burgemeester, niet de Reederij, niet de Politie- Commisaris. Het werd uiteindelijk de Deken, die niet eens wist dat we bestonden, laat staan dat hij ons kende. Nadien heeft hij ons nooit nog een bezoek waardig gekeurd noch geïnformeerd of moeder het wel redde! Een zéér kristelijke houding van de man. Moeder heeft het hem nooit vergeven! Er werd beslist te wachten tot de Communie voorbij was om de onheilsmare te brengen en toen was het zover. Op een mooie zomerdag kwam ik s namiddags om 4 u. van school. Op mijn belletje kwam onze Jan de deur open doen en zei letterlijk:" Onze Pa is in het water gevallen!" Het drong niet direct tot mij door maar toen ik ons moeder zag zitten in de eetkamer was het mij méér dan duidelijk. Ik vergeet nooit het gevoel van angst, onveiligheid en verdriet dat me beving toen ik ons moeder zag. Ze zat op een stoel, schuinweg tegen de tafel, haar handen in haar schoot in elkaar gewrongen. Ze zat doodstil, stijf rechtop, met droge ogen, zo wit als een laken: alle leven scheen uit haar geweken. Zij was zich absoluut niet bewust van haar omgeving en scheen opgesloten in haar immens verdriet. Ons Mutter zat, schreiend, wat verder op een stoel, haar armen beschermend om mijn broers heen. Zij heeft zich de eerste dagen om ons bekommerd. Moeder heeft, in dezelfde houding, zonder eten of drinken, daar, op diezelfde stoel, drie dagen onbeweeglijk gezeten zonder één traan te laten. Het was beangstigend! Uiteindelijk

60 heeft onze Robrecht haar uit haar lethargie gehaald door te blijven aan haar mouw trekken en te zeggen dat hij honger had. Zij is toen beginnen schreiën, de snikken kwamen van zo diep en klonken zo rauw en wanhopig, dat het voor ons niet om aan te horen was. Het verscheurde onze ziel! Ze heeft dagen geweend, tot ze geen traan meer over had. Ze heeft dan haar gewone dagelijkse bezigheden hervat met een ijzige kalmte. Ik heb haar nadien nog héél zelden één traan zien laten. Voor mij leek het later, alsof ze toen zichzelf de belofte gedaan heeft sterk te zijn voor twee, ons met strenge hand groot te brengen, ons een zo goed mogelijke opvoeding te geven, ons te wapenen tegen de toekomst en niet te versagen en zichzelf nooit meer toe te laten zwak te zijn, teveel gevoelens en verdriet te tonen... én ik weet dat ze véél verdriet gehad heeft om mijn vader. Soms was ze wel eens zwak en kon het niet weg steken. Van toen af voelde ik mij ineens jaren ouder en werd ik zonder veel ceremonieel ingewijd in de moeilijkheden van ons gezin. Ik weet nog dat, toen ik naar pensionaat vertrok in September 1945 ik mij verbaasde en enigszins ergerde om de onnozele, stomme praat die mijn klasgenoten verkochten: ik voelde mij lichtjaren ouder!!! Een onbezorgde puberteit heb ik, naar mijn gevoel, zelfs over geslagen. Hoe onze Wim dit alles ervaren heeft kan ik hem niet meer vragen (ons klein mannen waren te klein). Wat ik wel weet is dat (hij was al een ernstig kind, zij het opgewekt van aard) hij de zaken waar hij voor stond, zoals b.v. studies méér dan serieus opvatte en steeds tegenover héél ons gezin een groot gevoel van verantwoordelijkheid heeft gevoeld. Hij is daarin een voorbeeld geweest voor zijn jongere broers, voor mij trouwens ook. Ik bewonderde hem daarvoor. Het leven hernam terug zijn gewone gang. Het voedseltekort nam, naar het einde van de oorlog toe, nog ergere vormen aan. Brood van bij de bakker was bijna niet meer te eten, door allerlei rommel dat door het meel gemengd werd zoals gemalen eikels en dat was nog niet het ergste! Wij wisten dat het einde van de oorlog dichterbij kwam. Het doffe geronk van zware bommenwerpers was niet uit de lucht, meestal op weg naar de Duitse industriesteden. Toch werden meerdere van onze steden gebombardeerd. Antwerpen ontsnapte daaraan, daar de geallieerden over een onbeschadigde grote haven wilden kunnen beschikken bij de bevrijding. Hier en daar viel wel een verdwaalde bom of werd een vliegtuig neergeschoten. In al de miserie werd zelfs dat een "fait divers"! Het bombardement van Mortsel was daar de grote uitzondering op. Daar vielen honderden doden en vele gezinnen werden op één of andere manier gehalveerd of totaal uitgeroeid. Wij zaten in de klas, kop in kas onder onze bank, luisterden verschrikt naar het verre gedonder en voelden de trillingen in de vloer onder onze voeten. Dat bombardement bleek een gruwel, een pandemonium, een niet te verwoorden catastrofe te zijn, die door oudere inwoners van Mortsel nog met angst herinnerd wordt! We bleven op de hoogte van het geallieerde nieuws door naar de fel gestoorde Engelse Radio te luisteren wat ten strengste verboden was. Het nieuws op Radio Brussel, zowel als het krantennieuws, was gemanipuleerd én gecensureerd en daardoor niet te vertrouwen. Onze radio

61 (niet veel mensen waren toen in het bezit van een radio, zoals ik hoger al zei en wat nu erg vreemd moet klinken) was verstopt in de dubbele beglazing van de veranda (een soort verlenging van de woonkamer, waardoor véél licht en zon binnenkwam, maar ook veel wind, koude en stof). s Avonds werd onveranderlijk geluisterd naar de Engelse zender, dat moest heimelijk gebeuren. Werd er gebeld of geklopt, dan treuzelden we met open doen en werd de radio deskundig gecamoufleerd. Bij onderzoek was ons Mutter steeds de bliksemafleider. Zij verdween dan vliegensvlug naar boven, kroop in bed, deed haar pruik af en haar nachtmutsje op en speelde dan de besmettelijke of stervensdode zieke! Dit spelletje heeft ze een paar keer moeten opvoeren en de Duitsers liepen er steeds in, ook al omdat ons moeder dan zei dat ze weduwe was en instond voor haar vier kinderen en de zieke bejaarde. Dat zal wel wat op hun gemoed gewerkt hebben. De meeste Duitse soldaten waren ook maar gewone mensen met een goed hart. Ons Mutter droeg inderdaad een pruik. Enkel ingewijden wisten dat. Zij heeft, héél plots rond haar dertigste, op een goed half jaar tijd haar haar verloren. Zij heeft elke arts geconsulteerd die er eventueel iets over wist. Niemand kon haar helpen of een oorzaak vinden. Zij vond dat, als jonge pronte vrouw verschrikkelijk. Het is bij haar ook steeds een pijnlijk punt gebleven. Haar pruiken waren duur, van mensenhaar en met de hand gemaakt. Bij het slapen gaan ging die uiteraard af en droeg ze een koket, met kant versierd nachtmutsje, tegen de kou. Wij sliepen toendertijd nog in onverwarmde slaapkamers. Trouwens, in ons gezin ging toen de kachel in de woonkamer uit vanaf Pasen en werd maar terug aangestoken tegen Allerheiligen. Enkel in de keuken brandde, buiten dat strikt afgebakende winterseizoen, een kachel en dan alleen maar om te koken... in de oorlog werd daar zelfs nog strenger de hand aan gehouden. Wij gingen vaak vroeger naar bed omwille van de kou. Onder de dekens en op een wollen matras hadden we het tenminste lekker warm! Zo werd het zomer De geallieerden hadden de kusten van Normandië bestormd en vorderden vrij vlug in onze richting. Antwerpen werd door de Duitsers als bolwerk beschouwd en Ekeren, net zoals Merksem verhinderden een adeqaute verdediging ervan, dus kregen we het bevel Ekeren te ontruimen. Voor zover ik het me herinner moet het ergens in Juli geweest zijn naar het einde van de maand toe. Het kan ook de eerste helft van Augustus geweest zijn. Wij kregen het bevel bij valavond en moesten Ekeren verlaten hebben om 8 u. s morgens. Die nacht werd er bij ons thuis koortsachtig gewerkt. De kinderkoets werd van de zolder gehaald en volgestouwd met waardevolle dingen, eten, linnengoed en met wat ons moeder verder dacht nodig te hebben. Wij moesten verschillende lagen ondergoed over elkaar aandoen en onze beste bovenkleding, we kregen elk, letterlijk naar draagkracht, een zak te dragen met onmisbare kleinigheden, wat drinken, een picnic en een favoriet speeltje, het mocht echter niet groot zijn. De kasten, die konden afgesloten worden, werden gesloten, de sleutels werden ergens verborgen en alle resterend linnengoed werd in grote houten waskuipen vol water gestoken: altijd in de veronderstelling dat we na een paar dagen, hoogstens één week, terug zouden zijn! Wat hebben

62 wij ons daarop verkeken. Het werden meer dan twee maanden! En zo gingen wij op de vlucht! We trokken Noordwaarts, richting Kalmthout, om toch een doel te hebben en weg van Antwerpen. Voor we het station van Ekeren bereikten viel mijn poppenwagen in pan. Die was als vervoermiddel ook ingeschakeld maar was daar duidelijk niet voor geschikt. Dan maar wat daar in stak overgeheveld naar een andere lastdrager. De poppenwagen bleef, triestig zicht, opzij van de weg liggen en wij trokken verder. Voor ons Mutter, 69 jaar oud en niet gewoon meer te lopen (zij kwam nauwelijks buiten!) was het stappen een kruis, maar ze liet geen kik. Op een bepaald moment waren we toch in Kapellenbos gearriveerd, allemaal uitgeput, toen we daar opgevangen werden door een hulpgroep, georganiseerd door de parochie én de gemeente om vluchtelingen te helpen. Die mensen bezorgden ons een onderdak in een mooie villa, het buitenhuis van stadsmensen, in de Douglaslaan. Wij moesten het huis delen met een andere familie uit Ekeren, Frans sprekende chiqée, een weduwe met twee volwassen kinderen, die onmiddellijk de beste plaatsen bezetten n.l. de zonnige woonkamer en de aangrenzende eveneens zonnige slaapkamer. Wij moesten dan maar tevreden zijn met de overschot. Ons moeder veegde haar kas daaraan: het was toch maar voor enkele dagen. Het werden méér dan drie weken dat we elkaar moesten verdragen!!!! De Duitsers trokken af en de vrees voor een beschieting nam toe. Ons moeder was ondertussen, te voet, bij kozijn Oscar Van Acker op de Markgraaf in Kalmthout polshoogte gaan nemen, een redelijk eindje stappen als je het mij vraagt. Kozijn Oscar drong erop aan dat we naar hen toe zouden komen, dat was echter weer méér dan 10 km. verder en ze zei hem, dat hij ons alleen kon verwachten als het niet anders kon. We hadden er niet veel in te vertellen, want wéér moesten we opkrassen bij bevel! Dus werd het "de Markgraaf"! Ik heb al eerder verteld wat ons daar overkwam. Wat ik daar wel aan wil toevoegen is het volgende: op een dag, toen het met het beschieten vrij rustig was kwam de boer van de grote hoeve ons vertellen dat er een dood paard lag, nog ingespannen aan een boerenkar, door de Duitsers bij hun aftrekken geconfisqueerd bij een boer. Of de baas niet geïnteresseerd was in het vlees van het dode beest, dat pas gedood was door een schrapnel. Het was een geschenk uit de hemel, nu er zoveel monden te vullen waren. De volwassenen gingen aan het werk. Het beest werd vakkundig door de boer in stukken gesneden, er werd in grote haast gewerkt. Zelfs wij, klein grut, werden aan het werk gezet. Onze taak bestond erin de stukken vlees zo vlug mogelijk naar huis te dragen. Kozijn Oscar zag erop toe dat alles eerlijk verdeeld werd, ook op wat er zich verder nog op de kar bevond en dat was niet weinig: luxe was het! Bloem, suiker, boter, gedroogde groenten, een ware weelde! De kar werd door de boer in de schuur gestald. Hij behoorde toe aan een boer uit Ekeren en kozijn Oscar had al onmiddellijk de mogelijkheden hiervan gezien! We waren nog geen minuut klaar en terug veilig (!!!!!) binnen of het beschieten begon weer in alle hevigheid! Oscar hield ons voor dat we de Heer moesten bedanken voor zoveel geluk... gelijk had hij! Op een dag, ver in September, hield het schieten op. Het was zelfs onheilspellend stil tot

63 plots, zonder enige verwittiging de voordeur met geweld open vloog en er vier Canadezen voor onze neus stonden, de mitraillette schietensklaar! Eerst verbijstering, daarna grote vreugde en opluchting! Het rare was, dat het eerste dat we van die Canadezen hoorden, Nederlands was. Eén van hen was een Vaming! Hij vroeg kozijn Oscar uit over de aftrekkende Duitsers. Wij konden hem niet veel wijzer maken, wij hadden weken afgezonderd in een kelder gezeten, zonder, buiten de boerenfamilie die het dichtste bij zat, een mens gezien te hebben, laat staan aftrekkende Duitsers. Zij brachten er ons ook van op de hoogte niet naar de Heuvel te gaan, heel de dreef er naartoe was volgens hen bezaaid met mijnen en levensgevaarlijk. Ons moeder, die naar huis verlangde en bezorgd om wat we achter gelaten hadden en het in het water staande linnengoed, heeft haar drang naar huis nog een tijdje moeten beteugelen. Het duurde een paar weken voor de dreef van mijnen gezuiverd was en Oscar polshoogte van de toestand kon gaan nemen. Op één of andere manier had hij contact kunnen nemen met de Ekerse eigenaar van de boerenkar. Die was wat blij zijn kar terug te hebben en vond het helemaal niet erg ons gezin als passagiers mee terug te nemen. De man moest zich echter wat organiseren, kwam met een paard te voet van Ekeren, sliep bij de boer tussen het hooi in de schuur op de grote hofstee van de Markgraaf. s Anderendaags vertrokken we, de volgeladen kinderkoets op de kar (het was een kleinere soort kar, waar ze in mijn kindertijd bieten mee vervoerden): voor ons Mutter was een zitje gearrangeerd en wij zaten achterop met bungelende benen, soms lopend, soms op de kar, al naargelang we moe werden. Het was een eerder komisch zicht ons Mutter daar, hoog op die kar te zien tronen, in haar mooiste stadskleren, hoed met veren op het hoofd, handschoenen aan en compleet met "sacoche". Voor ons was de terugkeer een "parti-plaisier". Toen we eindelijk, moegedokkerd én murw aan ons huis arriveerden stond, binnen de minuut, de hele "straat" op straat! Wij waren de laatsten om terug te keren, we waren méér dan twee maanden weg geweest en iedereen had ons al opgegeven. Wij waren vast allemaal morsdood!!! Mooi niet dus! De dochters van de Burgemeester hadden, als bewaarengelen, gewaakt over ons huis. Alles was netjes opgeruimd en gepoetst: het natte linnen in de kuipen, gedroogd en gestreken, tot zelfs in de kasten gelegd. Sommige kasten waren opengebroken, maar er was niets van echte waarde verdwenen. De secretaire in de salon was nogal beschadigd: waarschijnlijk hebben aftrekkende Duitsers geprobeerd hem open te breken met een bajonet, de sporen zijn nog steeds te zien. Het is hen niet gelukt! Ons moeder is de Juffrouwen Aertsens steeds dankbaar gebleven om wat ze voor ons gedaan hebben. Dat "gesauveerde" linnen is ons nog lang dienstig gebleken want de schaarste heeft nog jaren geduurd en alles is toen, naar vooroorlogse maatstaven, peperduur geworden. We moesten ons naoorlogse leven terug organiseren. Veel tijd kregen we daar niet voor want de Duitsers begonnen rond half Oktober, Antwerpen en omgeving te bestoken met V1 en V2 bommen. Het werd dus een leven in de kelder! De meeste van die bommen werden boven de Kalmthoutse Hei afgeschoten, ongeveer 80%, maar de overige 20%, zaaiden nog genoeg dood

64 en vernieling. Later werden op het aantal bommen cijfers geplakt: ongeveer werden er op Antwerpen afgeschoten, bereikten hun doel! Wie over een deugdelijke kelder beschikte installeerde zich daar voor de veiligheid, zo ook wij. Wij sliepen er, de ressortbak van het bed op de naakte vloer, daarop de matras, alle kinderen dicht bijeen in de veiligste kelder, ons moeder en ons Mutter sliepen in de voorkelder, die overdag eveneens als woonplaats diende. De kelder werd verwarmd, het was immers Herfst en al redelijk fris, maar hoe ben ik vergeten. Er werd boven gekookt en gegeten. Onze oren waren echter getraind op het specifieke geronk van de V1 (de V2 was véél gevaarlijker, dat geronk viel stil, lang voor hij neerviel!). Zogauw we dat hoorden, vlogen we de kelder in tot het gevaar geweken was. Onze Wim en onze Robrecht rolden zich in slaap, een eentonig deuntje neuriënd dat klonk als eue..eue...eue... Ik heb in die kelder ondervonden hoe plezierig het is naast zo iemand te moeten in slaap vallen. Uren heb ik in t begin wakker gelegen. Het was net of een grote blaasbalg ijskoude lucht tegen mijn rug blies. Onze Wim was van goede wil en probeerde echt niet te rollen, maar van zogauw hij min of meer slaperig werd begon hij er, onbewust, terug aan. Ik heb het overleefd! Onze Pa had in Engeland een kamer op zijn thuisadres in Swansea, bij een gevluchte Belgische loods, een zekere Deneumoustier. Hij had ook een paar Engelse gezinnen waar hij welkom was. Toen nu onze parochieherder, vanop de kansel een oproep deed om jonge Engelse soldaten op te vangen binnen de warmte van een gezin, hoorde ik ons moeder en ons Mutter daarover in gesprek. In Ekeren was géén vertier behalve een paar café's en even zoveel hoerenkoten. Antwerpen was voor de in Ekeren gelegerde soldaten verboden gebied. Wat moesten die jongens met hun vrije tijd?! Ons moeder, die een aardig mondje Engels sprak, ongewoon in die dagen (ze had het geleerd van een, door wereldoorlog 1, in Brugge gestrande Engelse, de gezelschapsdame van "Iffouwe Visart de Bocarmé", die bij de Haegebaert's een kamer huurde om haar vrije dagen door te brengen.) was wel genegen om iets terug te doen voor de warmte die haar man in Swansea gekregen had, maar vond, dat ze dat als jonge weduwe, voor het goed fatsoen, niet kon doen. Ik had alleen gehoord dat ze wel genegen was op de oproep in te gaan, de rest is waarschijnlijk in mijn oren blijven steken. Eigengereid en zonder vragen, gaf ik onze naam als gastgezin op bij mijn klasnon. Luitenant-Kolonel Douglas Gibb (toen 27 jaar oud), bevelhebber over het Poldergebied, initiatiefnemer van de vraag naar "gastgezinnen" kreeg de lijst met gezinnen onder ogen. Wat zag hij daartussen staan? Juist, ja, een jonge weduwe met vier kleinere kinderen! Dat was misschien wel een mannen- verslindster? Hij zou, voor hij één van zijn soldaten bloot stelde aan haar machinaties, voor iemand de kans kreeg in haar klauwen te vallen, zelf eens ogenschouw gaan nemen...en dat deed hij op de avond van 6/12/1944 en was meteen verkocht! Hij is zelf gebleven en we hebben er een goede, waarachtige vriend aan overgehouden! Wij zaten met zijn allen rond de tafel, ons moeder was vollen bak pannenkoeken aan het bakken om die Sinterklaasavond wat kleur te geven: de brave man had immers niets gebracht aan het kleine grut! Plots klonk de bel, ik zat het dichtst bij de

65 deur, liep de gang door en keek door het spionnetje wie er voor de deur stond. Het was donker, de maan scheen en ik ontdekte in het tegenlicht een kakikleurig uniform. Het was ons ten strengste verboden voor vreemden, zeker na valavond, open te doen en ik liep roepend:" een Engelsman, een Engelsman!" terug naar de keuken. Moeder, totaal verrast, liet haar koekenpannen in de steek, kwam kijken en liet de verbaasde man binnen. Ik laat hem verder zelf aan het woord, zoals hij het jaren later, vertelde: "De heerlijke geur van pannenkoeken streelde al mijn neus, voor ik aanbelde. Kort daarop verschenen een paar prachtige meisjesogen (echt waar, zo vertelde hij het) in het spionnetje, verdwenen weer, en ik hoorde op de achtergrond een koor van kinderstemmen, opgewonden iets vertellen. Het was in de voor mij vreemde taal van het land. Toen deed een knappe jonge vrouw, de kaken wat verhit door het bakken, voor me open. Ik stelde me voor, in krammakkelijk Frans. Ze stelde me, in het Engels, dadelijk gerust. Wat een opluchting, hier spraken ze al minstens mijn moedertaal. Ze vroeg me vriendelijk binnen te komen en leidde mij de keuken in, waar een héél stel ogen me monsterden. Ik werd aan tafel genodigd. Er stond een stapel pannenkoeken op tafel, zo hoog, dat ik me nauwelijks kon voorstellen dat die allemaal op zouden raken... en Mary ( zo noemde hij haar later, toen hij voor ons al lang Uncle Douglas was geworden) bakte onverstoord nog wat verder. Well, de pancakes waren in een mum van tijd verdwenen. Ze smaakten mij trouwens ook heerlijk! Er hing zo'n gezellige ongedwongen sfeer bij jullie thuis. Ik heb dat zelf nooit gekend, bij mij thuis ging het er very strict en méér dan stiff aan toe. Toen dacht ik bij mezelf: hier is nou een prachtgezin. Waarom het een ander gunnen. Bovendien kan ik misschien, met mijn mogelijkheden als officier, nog iets voor hen doen. Hij was een goed mens met een groot hart, diep gelovig en als militair een zeer menselijke man. En inderdaad, hij heeft ons geholpen waar hij maar kon. Soms bracht hij etensoverschotten van de officiersmess mee, soms de zo noodzakelijke peniciline, toen bij ons gewoon nog niet op de markt of andere medicatie. Kwam hij van Engeland, zijn zusters gaven altijd iets nuttigs of kleding van goede kwaliteit mee. Met ons jongens hield hij zich bezig als een vader, speelde met hen, haalde met hen kattenkwaad uit en genoot daar nadien dubbel en dik van. Hij is een vriend gebleven door dik en dun, ook na zijn trouwen. Na zijn dood, in 1985, heeft Bridget, zijn vrouw, de band niet doorgesneden, is altijd blijven schrijven. Er zijn nog regelmatig contacten, ook tussen zijn en onze kinderen. Een oorlog kan, naast al het negatieve toch ook nog iets positief opleveren! De bestoking van Antwerpen met V bommen heeft geduurd tot 30 Maart 1945! Intussen zat de Belgische bevolking met grote schrik dat de Duitsers onze streken terug zouden veroveren! Het Von Runstedt offensief was op 16 December begonnen in de Ardennen en scheen aanvankelijk een succes te zullen worden. In bange afwachting volgde men de militaire gevechten op de voet en met een zucht van opluchting kon men na een paar dagen vast stellen dat den Duits verloor. De mensen in de Ardennen echter hebben het geweten! Er waren méér dan dodelijke burgerslachtoffers, zéér veel schade en zowat een half millioen gedode

66 soldaten, allemaal om de hoogmoed én de machtswellust van één man te bevredigen! Kort na de bevrijding is er op korte tijd heel veel gebeurd dat mijn leven sterk zou beïnvloeden. Omdat ik de oudste was deed ik de meeste boodschappen, onze Jan deed er ook wel wat, minder in elk geval, hij was toen nog maar 8! Door de V bommen waren de scholen gesloten en daar ik de " commissionair" was, veel op straat. In de winkels moest ik dikwijls lang wachten. Volwassenen vinden het maar normaal kinderen voorbij te steken. Ik rotte ervan en heb me toen voorgenomen dat zelf nooit te doen, als ik volwassen was! Daardoor hoorde en zag ik veel. De repressie was toen volop aan de gang en van wat ik toen hoorde en zag kreeg ik een vieze smaak in de mond. Het heeft op mij de indruk nagelaten van in hoofdzaak: machtsmisbruik, bruut geweld, ongeremde wreedheid en grove onrechtmatigheid vooral bedreven door wat als overheid moest doorgaan. Met wat mijn moeder kort na de oorlog overkwam, heeft het fel geknaagd aan mijn ingeprent respect voor de overheid, de politici in het bijzonder. Nu heden ten dage, zit dat respect op het absolute nulpunt. Ze liegen of het gedrukt staat en bedriegen de brave burger waar hij bij staat op zowat alle vlakken. "Als ik er maar aan blijf, kostte wat het kost!" schijnt hun devies te zijn. Het brengt me een gezegde van ons Mutter terug te binnen: Steek ze allemaal in een zak, schud ermee en ge weet niet wie ge eerst boven moet halen, ze zijn allemaal aan elkaar gewaagd en deugen geen van allen!" Zo was ik, ergens eind Februari begin Maart op boodschappentocht! Niettegenstaande de V-bommen ging het leven verder, we moesten eten, dus boodschappen doen was dagdagelijks werk. Ik moest om kruidenierswaren en vlakbij, zowat naast de deur, naar de apotheker. Bij de kruidenier "De Biekorf" stond veel volk, dan maar een stapje verder, naar de apotheker en...daar stond ook veel volk. Het werd dus...wachten. Ik vervoegde het einde van het rijtje voor mij. Ik stond daar al een tijdje toen ik een gevoel van onheil kreeg. Ik heb dat in mijn verder leven nog één keer meegemaakt: tijdens de nachtmis van 1998 had ik net datzelfde gevoel, net of er iemand over mijn graf liep. Kort daarop hoorde ik dat ik kanker had. Ik werd er daar, zoveel jaar eerder, erg ongemakkelijk van. Dat beterde allerminst toen er een stem binnen in mij (ik weet dat het onnozel klinkt, bovendien ben ik een vrij nuchter iemand) begon te zeggen: "Ga hier weg, ga hier weg!" steeds dringender. Ik ging weg. Ik was nog geen tel de Biekorf binnen of ik zag in een oogwenk, geen 5 cm. van mijn schouder af, het volledige raamkozijn aan me voorbijflitsen en tegen de vlakte gaan. Door de luchtdruk werd ik met een fameuze smak tegen de grond gegooid, alle lucht uit mijn longen geperst en het regende glasscherven over me heen. Toen ik een paar tellen later, totaal versuft, een beetje tot mijn positieven kwam, zag ik de enorme ravage om me heen. Nog steeds versuft, bloedend uit ontelbare kleine wondjes, veroorzaakt door de glassplinters, klom ik over alle troep heen naar buiten, naar huis. Moeder, die de slag gehoord had, stuurde onze Jan uit, om te gaan kijken waar ik bleef. Ik

67 moet voor hem wel een spookverschijning geleken hebben.totaal bedekt met een dikke laag grijswit stof, overal bloed, zag ik er niet uit. Ons moeder schrok zich wezenloos toen ze me zag. Ik werd onmiddellijk uitgepelst en onderzocht op verdere verwondingen. Ik had een fameuze vil achter mijn oor, dat lang een litteken gebleven is. Ik bloedde als een rund en eenderde van één van mijn haartvlechten was volledig doorgesneden. Dat heeft mij waarschijnlijk behoed voor het doorsnijden van een halsslagader. Ik werd gewassen en ontsmet, kreeg een borrel opgedrongen en werd sito-presto in bed gestopt om, al slapend te bekomen van alle commotie. Bleek dat een V2 gevallen was in het midden van de Dorpstraat. Naast een immense krater, lag alles in de buurt in puin: 10 mensen lieten hierbij het leven ondermeer iedereen die zich in de apotheek bevonden had, de boer aan de overkant, die in zijn koestal bezig was en een man met een triporteur, die net de apotheek voorbij reed. Van hem hebben ze niets, maar dan ook niets terug gevonden. Ik had een gelukkige engel gediend met de apotheek te ontvluchten. Was het echt mijn engelbewaarder die me waarschuwde?! Helaas, mijn mooie lakense jas was voorgoed naar de vaantjes. Hij zat, door het vallende glas, vol villen en gaatjes, de ene al groter dan de andere. Ons moeder heeft, met véél geduld al die gaatjes versteld voor zover mogelijk, maar het bleef zichtbaar...tot mijn grote spijt! Moeder, nu toch ernstig bezorgd om onze veiligheid en ook om het verlies van een schooljaar, vertrouwde per brief, haar zorgen toe aan Tante Agnes. Per omgaande kwam het antwoord. Zij zouden in Brugge voor ons zorgen. De jongens zouden naar St Leo gaan, Willem zou bij Tante Suzanne (door een toeval woonde die toen nog in bij haar moeder in Carmerstraat) logeren, Jan en Robrecht bij Tante Maria in de Schaarstraat en ik bij Tante Agnes in de Biezenstraat. Ik zou school lopen " bi de Marullen" (de Maricolen) in de Oude Zak. Ironie van het lot! Op 30 maart, de dag dat wij naar Brugge vertrokken viel in Antwerpen de laatste V bom en werden de scholen binnen de kortste keren heropend. Tante Agnes was een goed, lief en hartelijk mens en zorgde uitstekend voor me. Ze vond dat ik "hondemager" was en ze wilde me, goed in het vlees, terug thuis afleveren. Wij waren nog in Brugge toen de concentratiekampen op Duits gebied door de bevrijders gevonden werden. Wat daar gebeurd was, was weerzinwekkend, maar in Brugge werd ik weer eens geconfronteerd met de eveneens weerzinwekkende behandeling van merendeels onschuldige slachtoffers. Ik had er last mee om deze baldadigheden te plaatsen en te verwerken. Het frustreerde mijn rechtvaardigheidsgevoel méér dan een beetje, zoals ik al vertelde in het Cogghe verhaal. Na de grote vakantie gingen we definitief terug naar huis. De klein mannen zouden naar de Gemeenteschool gaan, voor mij zou een school gezocht worden. Alleen onze Wim bleef in Brugge, maar nu als interne op St. Leo, waar zijn vader en zijn oom zolang hun broek versleten hebben. Hij bleef er tot hij de Lagere Humaniora beëindigd had en vandaar rechtstreeks naar de Londenstraat kon, waar hij Middelbaar Technisch zou doen. Hij was doodgelukkig toen zijn jaren internaat achter de rug waren. Hij heeft zich, als interne, steeds eenzaam gevoeld. Het was een

68 school met veel externen en een 350 tal internen, meestendeels boerenzoons, afkomstig van over héél West-Vlaanderen, met hier en daar de zoon van een of andere textielbaron. Hij voelde zich tussen die wat ruwere West-Vlamingen niet thuis en miste de nestwarmte van ons gezin. Uit zijn College-tijd dateert het boekje dat Felix Dalle, een leraar-priester op St.Leo, schreef en waarin hij model stond voor het hoofdpersonage. Het was voor Dalle een eerste vingeroefening op de literaire weg naar het boeken schrijven. Het droeg de titel De kleine zeekapitein of iets dergelijks en Dalle heeft het persoonlijk thuis komen bezorgen met op het schutblad een opdracht aan onze Wim. Ik heb geweten dat hij het bracht maar het nooit gelezen. In Brugge was hij volop in zijn groei. Ik zie hem nog van de trein komen in Antwerpen. Ik was erop uitgestuurd om zijn bagage te helpen dragen. Hij kwam, per trimester ook maar één keer naar huis, en dat was in de vakanties. Met het half trimester ging ons moeder hem zelf bezoeken en maakte dan van de gelegenheid gebruik om sommige klusjes voor ons Mutter op te knappen. Zij logeerde dan bij Tante Agnes. Hij had dus steeds héél wat bagage mee. Toen hij van de trein stapte geloofde ik mijn ogen niet. Hij was op 3 maanden tijd, minstens 10 cm. gegroeid. Zijn kostuum was zo smal geworden dat zijn schouders er bijna uitbarstten. Zijn golfbroek golfde niet meer, maar hing strak langs zijn benen naar beneden en was zelfs dan véél te kort. De taille van zijn jasje zat bijna onder zijn oksels en hij had zere voeten omdat zijn schoenen te klein waren. Hij leek wel een vogelverschrikker! Ons moeder zuchtte eens diep toen we thuis arriveerden! Weeral kosten! Hij had pas nieuwe schoenen gekregen, alles was nog op de bon en er was niets te krijgen. Het zou een heksentoer worden om hem terug fatsoenlijk aangekleed te krijgen. De hele Paasvakantie is ze met hem druk in de weer geweest om hem alles aan te schaffen, wat nodig was. Ze moest er haar slinkend reservekapitaaltje voor aanspreken... en dat was erg. Ze wist immers niet wat er haar nog allemaal boven het hoofd hing. Daar ik, door het vele op straat spelen, jongens en meisjes door elkaar, een halve wildebras was die even goed kon "keepen" als een jongen, even ver een bal kon werpen en in bomen klom als een jongen, wel eens thuis kwam met hier of daar een scheur in mijn kleren (ik heb, naast dat buiten ravotten, altijd enorm veel gelezen en speelde nooit met poppen, al had ik er best een hele mooie gekregen, anderen speelden daar mee) vond mijn moeder dat ik nodig een laagje vernis moest krijgen. Ze wilde me niet naar een school in Antwerpen sturen, want wat ze gezien had aan gevrij en gelik onder de schooljeugd op het perron van de tram vond ze beneden alles en aan die "onnozeleteiten" en gevaren wilde ze me in geen geval bloot stellen. Het zou dus een pensionaat worden! Ze legde haar oor overal te luisteren. Kozijn Oscar raadde haar de Ursulinen van O.L.V.Waver aan en ik werd dus Ursuline-waarts gestuurd. De hele zomervakantie ging op aan kleren merken. Wat een werk! Dan pas besef je hoeveel kleren je wel hebt als je ze allemaal één voor één moet merken: alle zakdoeken, alle kousen, enz. enz. Uniformkleren werden gemaakt: donkerbruine jas en kleed op de groei, met de nodige reserve in lengte en breedte,

69 donkerbruine muts met embleem van de school, zomerkleding: lichtbeige katoenen blouse met minstens 20 plooitjes in (een heerlijkheid om te strijken), bruin en beige geblokte smalle rok, turnkleding in donkerblauwe serge, twee zwarte schorten, een witte en een gekleurde schort voor de keuken, lange beige mercerisé kousen, witte sportkousen. Er kwam geen einde aan de uitzet. Enfin, eindelijk was ik klaar en kon vertrekken. Die periode op pensionaat kwam voor mij een beetje raar over met betrekking tot thuis. Ik kwam, bij het half-trimester slechts twee dagen naar huis, met Kerstmis een lange week, idem dito met Pasen en met het groot verlof zes weken. Ik was nog niet thuis of ik was al weer weg. Het leven thuis scheen een beetje aan mij voorbij te gaan. Ik was thuis en niet thuis. Mijn broers werden groot en ik maakte het maar van ver mee, raar was dat. Ik was eigenlijk van plan over deze kostschoolperiode luchtig heen te gaan, niet omdat ze niet belangrijk was in mijn leven maar meer omdat ik dacht dat het jullie niet zou interesseren. Ons Hedwig vond dat ik er wat meer moest over vertellen, omdat dat soort pensionaatsleven voorgoed tot het verleden behoort. Als ik op die tijd terug kijk heb ik de algemene indruk dat ik een zéér goede opvoeding genoten heb en een meer dan degelijk onderwijs kreeg. Wie in Waver bij de redelijk verstandigen was haalde Leuven op zijn sloffen! Ik heb er vreselijke kou geleden en de warme maaltijden waren niet te vreten. Wij hadden een Nederlandstalige én een Franstalige afdeling. Wij volgden de lesrooster in aparte lokalen maar voor de rest zaten wij samen en onder elkaar in de klas. Er was afwisselend een Franse en een Vlaamse week: alles naast de lessen verliep dan in de verplichte taal van de week d.w.z. alle mededelingen, vragen, antwoorden, gesprekken in de vrije tijd. De zondaar, die betrapt werd op een inbreuk op deze regel, had het geweten! Haar wachtte prompt een straf in de gebruuskeerde taal zoals b.v. een opstel, het van buiten leren van een gedicht. Niet direct plezierig om je vrije momenten aan te besteden. Achteraf bekeken was het wel een adequate manier om de taal te leren: er is n.l. géén betere! Wij hadden een vrij rigide dagindeling waar streng de hand werd aan gehouden: 6u s morgens debout, 6.30 u. naar de kerk, 7.30 u. aan tafel 8 u. ontspanning 8.30 u. in de klas u. aan tafel 13 u. Ontspanning u. in de klas 16 u. kopje koffie en ontspanning 17 u. Les 18 u. Avondmaal u. Ontspanning 19 u. Studiezaal

70 21 u. slaapzaal u. lichten uit!!!! De Zondagen verschilden nauwelijks van een gewone weekdag, alleen stonden wij een half uur later op en de lesuren werden vervangen door een wandeling bij goed weer of, naar vrije keuze ontspanning of studie. In de Mei-en Oktoberdagen werd er van de vrije tijd s avonds nog een half uur afgepitst om een Lof bij te wonen. Op Zondagen zaten wij alles bijeen zo n kleine 3 u. in de kerk!!! Ik heb er platte knieën aan over gehouden én een hekel aan lange kerkdiensten! Het enige wat die lange tijd in de kerk dragelijk maakte was de zang. Wij zongen véél en soms prachtige cantates. Er waren héél wat studiezalen en dortoirs (slaapzalen). Ik sliep, als je voor het gebouw staat, achter de Wintertuin op de voorlaatste verdieping met zicht, op wat nu, de grote parking is naast de school, naar de parochiekerk toe. In mijn tijd was dat een groot veld beplant met prei en asperges. Waver was een self supporting geheel met een grote boerderij vol beesten en héél wat volk om het land te bewerken. De nonnen hadden zeker oog voor hygiëne en frisse lucht. Onze slaapzaal had veel zeer hoge ramen aan beide kanten, keek dus uit aan één kant op wat nu de parking is en aan de andere kant op de speelplaats met de zuilengang. Als er niemand op de slaapzaal aanwezig was stonden aan beide kanten alle schuiframen minstens I m. hoog open, enkel als het regende werden ze, tot op een spleet na, gesloten. s Nachts gingen enkel de ramen aan de speelplaatskant dicht. In de zomer was al die frisse lucht een droom: wij sliepen daar met een 100 à 150 leerlingen! Er sliep uiteraard ook een non, ter surveillance! In de winter echter was dat héél wat minder prettig, als het vroor (in mijn gedacht deed het dat vroeger meer dan nu) was het berenkoud op de zaal en lag er s morgens een ijslaagje op het water in je lampetkom! Aangenaam was anders. Om het toch warm te hebben in mijn bed fournierde ons moeder mij een groot schaapsvel, te leggen tussen laken en deken, en een bijhorende voetenzak uit lamsvel. Aan de dagelijkse hygiëne werd ook veel aandacht besteed. Regelmatig werden aan een grondige controle onderworpen: de nagels, de oren, de kleding, de hals, de haren. Wat een werk.maar het had succes. Van tijd ontdekte men hoofdluis: het slachtoffer werd dan standepede naar huis gestuurd en mocht pas terug keren als het euvel verholpen was. Het is me ook éénmaal overkomen. Ons moeder had daar een afdoend middel voor met onmiddellijk resultaat. Zij kamde de hoofdhuid met een luizenkam tot zowat bloedens toe en overgoot het geheel met onverdunde kamfer-alcohol. Ik kan je verzekeren dat het een pure marteling was maar meer dan afdoende: luizen én neten waren gegarandeerd zo dood als een pier! Op de slaapzaal hadden wij elk een chambrette van 3 m. op 2,5 m. tot onze beschikking,

71 een vernuftig systeem van eikenhouten boxen waarvan het meubulair zijnde een bed, een kleerkast en een lavabo verankerd waren in de houten wanden. Het geheel raakte de eikenhouten parketvloer praktisch niet, omwille van de gemakkelijke onderhoud. Ze waren het product van uitgelezen vakmanschap én kunstenaarsschap. De deur van elke chambrette had een glas-in-loodraam versierd met een mooi veelkleurig bloemmotief. Het was een pracht alleen, onze ogen zagen het niet. Onze studiezaal lag onder onze slaapzaal, ook een immense zaal uitgedokterd om een paar honderd meisjes derrières een plaatsje te gunnen. Vooraan een hoge kathether waar de surveillance zat. Bij ons was dat meestal een non van Hongaarse afkomst, Mére Cunégonde, al bij al een zeer lieve vrouw. Hoe ze het deed weet ik niet maar zij had een onfeilbaar instinct te weten wie niet met zijn studie bezig was. De onverlaat werd dan onmiddellijk bij haar geroepen en moest voor de rest van de studietijd vlak onder haar ogen plaats nemen en verder haar werk afmaken. Ik zat vrij achteraan in de studiezaal, praktisch tegen de dubbele deur. Een half verdiep onder ons kwam de muziekgalerij uit. Ik kan je verzekeren dat als 40 pianisten vingeroefeningen of stukken aan het instuderen zijn met daartussen nog het gejank van enkele violen, dat een fameuze kakafonie geeft. Wie achteraan in de studiezaal zat hoorde dat, zij het vrij gedempt, vooral als er deuren open gingen of open stonden. In het begin stoorde mij dat nogal maar op de duur hoorde je dat niet meer, net zoals een zeeman na een tijdje de scheepsmachines niet meer hoort noch de golfslag. Eetzalen waren er ook bij de vleet. Om de 3 weken mochten wij bezoek ontvangen zeker als we niet naar huis gingen in zes weken tijd. Dat gebeurde dan in de Wintertuin, de Jardin d Hiver in mijn tijd. Wie op voorhand verwittigde kon zelfs blijven eten en dat gebeurde dan in een speciale bezoekersrefter vlak bij de Wintertuin. Daar lag ook, tussen de Wintertuin en die refter, een kleine concertzaal met een vleugelpiano. Daar had dan, zo nu en dan, voor een kleine kring genodigden een muziek evenement plaats. Ons moeder kwam niet dikwijls op bezoek. Vooreerst was ze tijden onderweg om er te geraken en verder was het ook vrij kostelijk. Het openbaar vervoer was toen, net als nu, duur. De Wintertuin is een geklasseerd gebouw en heinde en verre bekend. Ze komen zelfs met bussen vol, uit Japan! Het is dan ook een pracht. Zelfs iemand die Art Nouveau niet kan waarderen zal toch moeten bekennen dat het in zijn genre mooi is zoals trouwens het hele gebouw luxe, schoonheid en kunst uit straalt. Wij leefden midden die schoonheid en waren er ons niet van bewust: het was er gewoon..punt! Grosso-modo kon je zeggen dat het hoofdgebouw in 3 verdeeld was. Sta je voor het gebouw met het gezicht ernaar toe, dan was de linkse kant voor de lagere scholen en de Humaniora, de rechtse voor de kerk, de Normaalschool en het Regentaat, het middenstuk herbergde nutsvoorzieningen allerhande zoals ontmoetingsruimten, de keuken (de potten die ze daar

72 gebruikten waren enorm groot en de deksels werden gelicht met een katrol, de potten werden op dezelfde wijze gemanipuleerd. De keukenzusters, die dit alles bedienden stonden op een trapje!) In dit gedeelte lag ook het Slot waar wij geacht werden niet te verschijnen. Op deze plaats lag ook de Escalier d Honneur, een prachtige stijlvolle marmeren trap, waar niemand op mocht: enkel bij grote gelegenheden b.v. Eerste of Plechtige Communie mochten de betrokken Communiekanten in stijl deze trap afdalen, eigenlijk meer afschrijden! Ik heb er in al die jaren nooit een voet kunnen opzetten! Achteraan in de tuin, dicht bij de boerderij, stond de villa, die herbergde het Landbouwregentaat. Aan de overkant van het Instituut, in een vrij recent gezet gebouw huisden de leerlingen die er één jaar verbleven pour finir ses études. Ze kwamen uit alle s Heren landen. Het waren meestal dochters van diplomaten, hofdignitarissen en ander chic volk die er kwamen hun licht opsteken over hoe ze een grote huishouding moesten voeren en budgetteren, hoe met personeel om te gaan. Hen werd ook diets gemaakt hoe het protocol werkte, hoe ze de etiquette moesten toepassen, wie op de ereplaats moest zitten en andere van deze stommigheden. Wij kwamen nooit met hen in contact! Het leek wel of de gewone pensionaires een besmettelijke ziekte hadden: zij hadden zelfs een aparte plaats in de zijbeuk van de kerk en zij kwamen langs een aparte ingang binnen. Uiteraard waren er onder hen andersgelovigen: van hen werd enkel verwacht dat zij lijfelijk aanwezig waren bij de erediensten.en dat waren ze dan ook. Iedereen werd geacht zich in zijn eigen afdeling op te houden. Wie betrapt werd op een andere afdeling geraakte in nauwe schoentjes! Het eerste jaar dat ik er was zaten er ook nog een paar honderd soldaten, Amerikanen en Engelsen. Het was een Militair hersteloord voor oorlogsgekwetsten. Zij wandelden wel eens in de tuin. Onze speelplaats gaf uit op de tuin. Wij mochten zelfs niet tot bij het hek komen, wij moesten achter de zuilengalerie blijven! De zusters hadden zeker schrik dat er iets zou kunnen groeien tussen een soldaat en één van de oudere studenten: in Poësis en Rethorica was men tenslotte 17 à 18 jaar! De nonnen deden ook veel moeite om onze opvoeding te omkaderen met Kunst en Cultuur. Regelmatig ondernamen wij expedities met zo n 100 tegelijk, én onder begeleiding (wat een organisatie!) naar concerten, musea allerhande, theaters en vermaarde gebouwen. Zo herinner ik me dat we eens naar Leuven trokken om de opvoering van één of ander Grieks koningsdrama bij te wonen. Zo gingen we naar een concert in St. Rombouts te Mechelen en kregen meteen ook een gegidste rondleiding. Vanzelfsprekend werden we, na zo n evenement onmiddellijk aan het werk gezet, zoals het maken van een verslag en werden we belast met wat men verder nog uit deze uitstap kon puren als leerstof

73 Zelf verzorgden we ook onze eigen festiviteiten. Ieder jaar was er minstens één feest waar wij zelf voor instonden. Het was telkens iets anders: een toneel, sketsjes, muziek, zang. Dat gebeurde steevast in de St. Ceciliazaal. De geattitreerde Feest-coördinator was zonder mankeren steeds Mére Renata. Zij was een voormalige operazangeres (zo zei men), ze had een prachtige stem én een ongelooflijk organisatietalent! Zo liet zij ons (de leerlingen zaten bij zo n voorstelling steeds op de gradins aan beide kanten) als wij ons per klas moesten verplaatsen, dat doen in figuren als militairen in een parade. Wij konden zelf zien, terwijl wij de figuren uitvoerden, hoe de leerlingen aan onze overkant haar bevelen uitvoerden, wij deden uiteraard hetzelfde. Het was mooi om te bekijken en het had een aparte charme! Dergelijke manoeuvres heb ik, véél later, alleen nog maar op T.V. gezien en steeds uitgevoerd door een Engelse of Schotse marcherende Muziekkapel. Wij konden dus wel wat! Zo hebben wij eens de volledige Rubens Cantate van Peter Benoit ten gehore gebracht. Eerst werd een groot koor samengesteld uit de betere stemmen, de muziekleraressen wisten heus wel wat voor zangvlees ze in de kuip hadden. De solo-stemmen, dat gaf al helemaal geen moeite, die haalden ze er zo uit. Er moest echter nog een koortje van vijf samengesteld worden. Dat was wat moeilijker! De beste van de betere stemmen werden naar Mére Renata gestuurd, die er met haar muzikaal gehoor onmiddellijk de vijf beste uithaalde. Ik was bij die vijf en helemaal niet gelukkig met de uitverkiezing! Immers, voor maanden werd beslag gelegd op je vrije tijd, ontelbare repetities gingen vooraf aan deze uitvoering. Ik kende geen noot zo groot als een huis. Geen nood, de nonnen hadden voor alles een adequate oplossing. Voor onze religieuze gezangen hadden we een cantateboek waarin de noten vervangen waren door cijfers en puntjes, gezien wij hier zowat feilloos konden op zingen werden onze partituren omgezet in dit soort muzikaal cijferschrift. Onze moeite werd beloond: de uitvoering was zo goed dat een tweede uitvoering gepland werd met speciale genodigden, Kardinaal Van Roey op kop en in groot ornaat op de eerste rij. Verder de Burgemeesters van Mechelen en Waver, een deel diplomaten, magistraten en politici en nog wat hoge Heren uit het onderwijs, met of zonder toga. Het was een overwegend mannelijk gezelschap dat ons wel op een oorverdovend applaus onthaalde. Ik moet van deze gelegenheid nog ergens een foto hebben! Aan Savoir Vivre werd ook héél wat aandacht besteed: dat gebeurde eveneens in de Cecilia zaal. Mére Rumolda, men zei een generaalsdochter, zat dan midden in de zaal aan een tafel, met een aandachtig gehoor op de gradins rondom! Daar moesten wij de grote en kleine Révérence onberispelijk leren uitvoeren, fruit op de juiste manier leren schillen, gebraad snijden, opdienen, een juiste en mooie tafelschikking met alles erop en eraan brengen, wie de ereplaats moest krijgen en hoe de rest van de genodigden te plaatsen. Dat gebeurde steevast op Zaterdagnamiddagen. Zij was een kleine vrouw, maar een commandant van jewelste. Als je iets niet goed bracht was haar reactie steeds, nogal dénigrerend Tête de Linotte wat zoveel

74 betekent als warhoofd. In gewone taal zouden wij dat vertalen als stomme lut. Ons moeder had mij ingeschreven op de Familale Afdeling. Ik haalde het op mijn sloffen met 97%. Dat scheen daar op die afdeling meer dan uitzonderlijk te zijn. Met zulke cijfers vonden de nonnen het al te gortig dat ik op de Familiale zou blijven. Ze overlegden met ons moeder en raadden haar aan mij de humaniora te laten volgen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik werd in de 4 humaniora gedropt (het 3 jaar dus). Ik had nog nooit van Chemie, Talen, Meetkunde of Algebra gehoord en hoorde het in Keulen donderen. Toen heeft een nonnetje, Mére Marguerite, mij onder haar vleugels genomen en mij, totaal kosteloos, per dag twee uur bijlessen gegeven in alle vakken waarin ik achter stond. Na het eerste trimester was ik zowat bijgebeend en aan het groot verlof was ik de tweede van de klas met goede punten. Niet slecht van dat " Familialeke"! Van toen af kon ik goed mee en had goede rapporten behalve voor gedrag. Ik kon mijn mond niet houden waar het moest en natuurlijk kreeg ik aanmerkingen voor gedrag. Ik heb daar zelden een 8 voor gekregen: meestal een 6 of een 7. Soms werd ik wel eens bekeurd voor iets dat ik niet gedaan had. Protesteren hielp dan niet, gezien het meestal wel terecht was. In het begin reclameerde ons moeder. Toen ze, na enige tijd zag dat buiten de cijfers van gedrag, de punten altijd schommelden tussen 8 en 10 gaf ze er al geen aandacht meer aan. Ik lag wel eens met een strenge non in piket, maar moest altijd het onderspit delven. Ze lieten me eigenlijk vrij gerust, dat moet ik bekennen. Als ik al die nestbevuilers hoor, van Mie Vogels tot Johan Anthierens, lijkt het wel of ze in hun school-of pensionaatsjaren in Buchenwald gezeten hebben. Bij ons was iedereen gelijk voor de wet, naar rang of stand werd niet gekeken. In mijn klas zat een Poolse prinses (waarschijnlijk zo arm als een kerkrat, want vluchteling!) Maria Tarnowska, een gravendochter en een baronsdochter, de dochter van een top-advokaat, dochters van bekende specialisten en hoge Pieten. Evengoed zaten daar kinderen tussen van héél gewone mensen, zoals wij thuis. Ik heb daar nooit iets van onderscheid gemerkt. Op de spleelplaats werd ons niet toegestaan ons met twee af te zonderen, te staan smoezen in een hoekje, noch je steeds met dezelfde op te houden. Op dat ogenblik vonden we dat maar een kleingeestige bedoening, achteraf met het volwassener worden, viel onze frank. Homofilie en aanhangsters van Lesbos zijn van alle tijden en is, in zo n school niet te tolereren. Er werd gecontroleerd wat je las. Hadden ze geen gelijk? Ik meen van wel, en dan nog het grootste gelijk! Ik kon vrij goed stellen, tekenen, voordragen en zingen. Van toneel spelen had ik geen kaas gegeten! In mijn laatste jaar op pensionaat werd mij gevraagd, in naam van al de leerlingen van de Humaniora zowel de Klassieke, Wetenschappelijke als Economische, op de proclamatie een dankwoord uit te spreken. Het was de gewoonte! Ik had dat alle jaren al geïrriteerd ondergaan. Daar werd dan slijmerig in gekweeld hoe goed de nonnen wel waren, er werd gelogen en gemouwveegd dat het een lieve lust was. Waarom de Directrice van de Humaniora afdeling (Mére Renata, ja, de zangeres) dat nu aan mij kwam vragen was me een

75 raadsel. Ik kon vrij goed stellen en declameren. Was dat de reden? Ik was beslist haar favoriete leerling niet, in haar ogen veel te eigengereid en niet erg volgzaam! Ik was met die opdracht helemaal niet opgezet en zei: "Nee! Ik ga daar toch geen leugens gaan vertellen!" Oei, oei- oei, dat was tegen het verkeerde been: "Ik wilde het niet doen? Nou, ik zou eens wat zien! Prompt werd ik in een niet gebruikt klaslokaal opgesloten. Ik mocht met niemand contact hebben, kreeg mijn eten ook daar opgediend en mocht het lokaal niet verlaten, tenzij om naar bed te gaan of naar het toilet. Met mijn goed getrainde pensionaatsblaas was dat laatste geen enkel probleem. Ik heb het twee dagen volgehouden... zij ook! Toen werd het me duidelijk dat ik toch mijn hoofd zou moeten buigen, bovendien duren 10 daguren met niets om handen dan het staren naar een geschilderde muur héél, héél lang en ik besloot er het beste van te maken en een klinkende speech, zonder geslijm, in elkaar te steken. Ik maakte dus mijn dankwoord, stak mijn speech af en maakte me zo vlug mogelijk uit de voeten, van het podium weg. Ze waren zéér tevreden, ik kreeg zowaar een compliment over de inhoud van de toespraak! Tot hun eer moet ik zeggen dat ze me, het recalcitrant zijn, niet kwalijk genomen hebben. Ze hebben er nadien niets meer over gezegd, wat ik achteraf gezien bijzonder netjes vond. Wat me toen bezielde om zo tegendraads te zijn? Wie zal het zeggen! Misschien een verlate puberteits oprisping. Ik had alle reden om dankbaar te zijn. Ik HAD inderdaad een goede opvoeding van hen gekregen. Ze hadden ons, naast kennis, de zo noodzakelijke basiswaarden voor een evenwichtig volwassen leven ingeprent, er was ons dicipline aangekweekt, met de nodige botsingen weliswaar, ze hebben, met eindeloos geduld onze opgroeiïngsperikelen verdragen, ons bemoedigd als het eens slecht ging. Maar ik heb er verdomde kou geleden, ik kreeg er wintertenen van en het eten was er bijwijlen niet te vreten, zoals ik hoger reeds zei. We leefden in een architecturaal stijlvolle omgeving (dat drong toen niet eens tot ons door), we leerden met gratie een grote en kleine révérance maken (wat later van geen nut bleek), we leerden een stijlvolle tafel zetten, allerhande soorten fruit eten volgens de regels der etiquette, steeds oog hebben voor hygiëne en een verzorgd uiterlijk.er waren wel eens minder aangename momenten maar die wogen ruimschoots op tegen de goede momenten. We zaten, per week gezien, uren in de kapel die minstens de grootte had van een middelmatige parochiekerk: ze moest dan ook héél wat volk kunnen herbergen (in mijn tijd waren we met 1200 internen en 20 externen!). Ik heb zeer véél aan hen te danken, ook aan mijn moeder, die me de kans gaf in deze school te studeren. Toen we van Brugge weerkeerden, na de V bommen periode, besloot ons moeder, vooral om zuinigheidsredenen (kolen waren op de bon en de "schlam" die ertussen gestookt werd was ook eerder zeldzaam) van de salon, de woonkamer te maken en vice-versa. De plaats was zoiets van 4 op 4 m. groot met een erkervenster op straat, bijna de helft zo klein als de woonkamer en dus gemakkelijker te verwarmen. Bovendien zouden ze meestal toch maar met z n vieren thuis zijn en dan volstond de kamer ruimschoots. Willem en ik zaten toch op pensionaat! Het woonkamer

76 ameublement kon er maar net in. We hadden wel niet veel ruimte om te manoeuvreren, maar het ging net. De klein mannen maakten hun huiswerk aan de tafel en onze Wim (niemand eiste het trouwens op) eigende zich later het plaatske in het erkervenster toe. Er stond een kleine tafel en daar zat hij dan aan te studeren met zijn rug naar de kamer. Hoe hij zich daar kon concentreren is voor mij steeds een raadsel gebleven. Hij zat te studeren, met het geroezemoes van ons gezin op de achtergrond: de radiomuziek, het gepraat, het les opzeggen van de klein mannen, het gelach en geruzie. Ik kon dat in elk geval niet en trok onveranderlijk naar de eenzaamheid ergens in huis of in mijn bed, waar het comfortabel én warm was. Onze Wim is, sinds de jaren waarin we opgroeiden, steeds mijn beste kameraad geweest. Hij was een goede jongen, serieus en toch opgewekt. Hij kon vol humor iets vertellen en van tijd héél snedig uit de hoek komen. Hij was erg handig en knapte thuis, al vrij vroeg, de klusjes op. Later kreeg hij natuurlijk de hulp van zijn broers of, ze namen het van hem over. Hij kon formidabel tekenen. Spijtig genoeg is er naar mijn weten, niet veel van overgebleven. Wat ik me nog herinner van zijn tijd op de Londenstraat is zijn Technisch Tekenen. Hij zat dan, op het puntje van zijn stoel, héél geconcentreerd te tekenen, op kalkpapier en met Chinese inkt. Soms gebeurde het dat hij met een zucht van verlichting zijn laatste lijn trok en zo, door het wegnemen van zijn lat een vlek langs die lijn veroorzaakte ofwel dat een inktmop zijn lange uren geconcentreerd werk ontsierde! Dan werden er wat omgekeerde schietgebeden ten hemel gestuurd en kon hij helemaal opnieuw beginnen. Vlekken werden in de Londenstraat niet getolereerd. Later hadden de twee volgenden van hetzelfde laken een broek en ik denk dat dit tafereel voor hen heel herkenbaar is. Wat ik me ook nog levendig herinner over de Londenstraat, maar dat gebeurde enkele jaren later, was de manier waarop Lhomme, de Directeur van de Londenstraat, onze Robrecht onheus behandelde. Robrecht had zijn Middelbaar Technisch beëindigd als eerste van zijn jaar en had daardoor een geldprijs van enkele duizenden franken (héél wat geld in die dagen) gewonnen. Van de leerlingen van de Londenstraat werd geëist dat ze in de school aanwezig waren de dagen tussen het laatste examen en de Plechtige Diploma uitreiking in de grote zaal van de Zoo. Op afwezigheid stonden fikse straffen. Edoch, Robrecht die naar het Instituut De Naeyer wilde te Mechelen, moest juist in die periode te Mechelen ingangsexamen gaan afleggen. Hij vroeg toelating tot afwezigheid, kreeg ze onredelijkerwijze niet en was dan maar, zonder toelating afwezig om zijn ingangsproef te Mechelen toch maar niet te missen. De kat kwam echter op de koord bij de Proclamatie. Ons moeder en ik waren in de zaal. Zijn jaar werd afgeroepen, geen Morbée werd vernoemd. Degene die de tweede was werd zogenaamd de eerste. Iedereen kreeg zijn diploma behalve Robrecht en zij verlieten allemaal het podium mét hun diploma...robrecht zonder. Die wist niet wat hem overkwam, dat kon niet anders dan een vergissing zijn. Hij ging horen wat er gaande was. Lhomme wilde hem niet te woord staan en een leraar vertelde hem dan, dat hij Lhomme tegen de kar gereden had, zijn orders in de wind geslagen en dat dit de straf was. Hij kreeg zijn diploma maar niet in handen. Erg genoeg, want hij moest dat in

77 Mechelen voorleggen om, naast het slagen in de ingangsproef, tot de studies Technisch Ingenieur te worden toegelaten. Wanhopig deed hij dan zijn verhaal aan de Prefect van de Londenstraat, die dan het bewuste diploma uit Lhomme zijn bureel, letterlijk is gaan stelen. De geldprijs heeft Lhomme blijkbaar op zijn bil geslagen want wij hebben daar nooit een cent van gezien. Ons moeder, diep verontwaardigd, kon niet reageren daar onze Jan er zijn laatste jaar nog moest afmaken. Hoe de man, priester en Aalmoezenier van de Arbeid, zoiets met zijn geweten kon overeen brengen is me een raadsel. Het was in feite pure diefstal en dan nog van een wees, daardoor onrechstreeks zijn moeder rakend. Trouwens, het geld zou Robrecht goed van pas gekomen zijn om te investeren in zijn komende studie. Geld schijnt ook priesters tot scheef schaatsen" te verleiden, nevermind wie het slachtoffer is. In de loop van 1945 kregen wij thuis ook een onverwachte gast. Onkel Fons, Tante Agnes' man werkte tijdens de oorlog, voor de "Organisation TODT" de bouwonderneming van het Deutsche Reich, die o.a. de Atlantic wal bouwde evenals de kustverdedigingslijn, met bunkers en al, aan de Franse en de Belgische kust. Hij werd, tijdens de Repressie aangehouden en in de doos gedraaid. Gelukkig voor hem duurde het wat voor hij voor de rechter moest verschijnen. Vergeleken bij veel anderen kwam hij er redelijk goedkoop van af met een geldboete, het afnemen van zijn Burgerlijke Rechten en het verbod gedurende een zekere tijd Brugse bodem te betreden. Tante Agnes contacteerde ons moeder met de vraag of hij zolang bij ons mocht wonen. Ons moeder, met in haar hoofd, de gastvrijheid aan ons betoond in de V bommen periode, was natuurlijk tot wederdienst bereid en zo kwam Onkel Fons bij ons terecht. Veel weet ik niet meer over zijn verblijf bij ons. Hij kon boeiend over Brugge vertellen: hij was een gediplomeerd stadsgids en gidste soms in zijn vrije tijd. Het heeft ook geduurd tot in 1945 eer we wisten wat er met onze Pa en zijn schip gebeurd is. Ik heb nu pas ontdekt dat er indertijd, bij de onheilsaankondiging een foute datum is opgegeven, waarschijnlijk door de oorlogsomstandigheden verkeerd doorgegeven of onduidelijk doorgeseind. In ons moeder haar trouwboekje, dat verdwenen is na haar dood, stond in het rood een kruisje en de datum 22/9/1942. In alle officiële gegevens van nu staat 24/9/1942. Ach, wat maakt die fout uit, dood is dood. Ik heb in elk geval jaren op een verkeerde datum een Mis laten lezen. Ik zal bij het verhaal van de Morbée's een bijvoegsel doen met het relaas van de torpedering. Het is vrij lang en ik heb het maar te copiëren. Zijn naam staat op drie Monumenten vermeld: op de herinneringsplaque van de Hogere Zeevaartschool, op het Monument voor de Gesneuvelde Zeelieden te Kallo en op het monument der Gesneuvelden te Ekeren, vlak aan de Kerk en voor het gebouw waar in mijn kindertijd het Kantonaal Vredegerecht gevestigd was. Moeder heeft, zolang ze in Ekeren woonde en haar tuin bloemen gaf, steeds gezorgd dat er een mooi gearrangeerde ruiker aan de voet van het beeld lag. Vader heeft het ongeluk gehad de ergste periode van torpederingen juist niet te hebben kunnen overbruggen. In de tweede helft van 1942 heeft de Britse Intelligent Service het Duitse enigma (geheime code) kunnen ontsluieren en werd

78 de jager plots, en zéér intens, gejaagde. In korte tijd werd de "Battle of the Atlantic" gewonnen en werd de bevoorrading overzee vanaf de States redelijk veilig. Veel Duitse onderzeeërs en Kruisers moesten er dan aan geloven. In elk geval, de Belgische zeelui, die onder de oorlog gevaren hebben of de dood gevonden hebben in een zeemansgraf zijn door hun eigen Regering schandelijk behandeld. Na de oorlog heeft men hen als een baksteen laten vallen en hen, samen met hun weduwen en wezen, aan hun lot overgelaten. Plots waren het geen helden meer die hun leven voor hun vaderland veil gehad hadden maar gewone "Arbeidsongevallen". Alle gedane beloften werden ingeslikt. Militairen en Weerstanders werden verwend, voor de zeelui schoot geen cent over. Tijdens de oorlog in Londen, waren ze, volgens de Belgische Regering aldaar, broodnodig om de oorlog te winnen. Ze werden de hemel ingeprezen. Men verzekerde hen plechtig, dat ze met de militairen zouden gelijk geschakeld worden qua vergoeding en pensioen, dat hun vrouwen en kinderen financieel zouden beschermd worden als ze de dood zouden vinden bij een oorlogsgebeuren en patati-en patata. Overigens hielden onze politici in Londen een fameuze stok achter de deur bij vaarweigering. Wie weigerde te varen werd voor het gerecht gesleept, kreeg een fameuze boete te slikken of werd tot gevangenisstraf veroordeeld: de straffen waren niet van de poes! Ik heb ons moeder nog horen verzuchten:"had hij maar geweigerd, was hij maar ergens in Zuid-Amerika ondergedoken, had hij maar de lafaard uitgehangen. Het ware véél beter geweest, we zouden hem nog hebben! was trouwens een jaar waar ze een paar fameuze klappen te incasseren kreeg: - Deneumoustier, waar vader zijn kamer had te Swansea, was terug thuis in Antwerpen. Toen moeder bij hem informeerde naar vaders bezittingen beweerde de man ijskoud dat vader altijd alles mee naar zee nam en nooit iets achter liet, wat volgens vaders brieven naar huis, niet waar kon zijn. De man loog dus pertinent, maar wat kon moeder doen, ze had geen enkel bewijs van wat er dan wel was geweest. - Eindelijk kreeg ze te horen wat haar pensioen zou zijn. Het was een schamel bedrag: te weinig om te leven en te veel om te sterven. Toen ik 18 was, in 1949 dus, had ze welgeteld Fr. waar alles mee betaald moest worden. Even ter illustratie: een brood kostte toen 3,5 Fr. volgens een oude dame in onze buurt, maar ze is er niet zeker van, het kan ook méér zijn. Wij aten er twee per dag! De huur was nog steeds 450 Fr. per maand. Ze moest met dit karige bedrag rijden en omzien. Het is voor haar steeds wankelen op het financieel slappe koord geweest. Ze draaide elke frank tweemaal om voor ze hem uitgaf. Voor zichzelf kocht ze nooit wat. Ze ging niet naar de kapper, kocht geen schmink, droeg haar kleren tot ze dood versleten waren. Alles was voor ons, wij mochten niets te kort komen. Ik geloof niet dat we ooit beseft hebben hoe erg het voor haar moet geweest zijn. Ook mijn schoonzusters hebben daar nooit enige notie van gehad. Het is gemakkelijk oordelen als men zelf in een comfortabele financiële positie zit. Het heeft geduurd tot ergens in de jaren 60 voor de inspanningen van het Belgisch

79 Zeemanscollege resultaat hebben gehad: vrij laat, want velen die het aanging waren al lang dood tegen die tijd. Ze kreeg toen iets van rond de Fr. waar ze redelijk mee rond kon komen. In die tijd trouwden ons jongens, die tot dan toe steeds mild in het huishouden hadden bijgedragen, dus kwam het aangepaste pensioenbedrag juist van op tijd. - Vader had wat kapitaal in Engeland op een bank staan. Spijtig genoeg kon moeder er niet aan. Alle kapitaal van buitenlanders was bevroren en moest, bij wet, in Engeland blijven, waar het, spijtig genoeg, devalueerde tijdens die periode van "bevriezing". Zelfs de procenten mochten het land niet uit. Een bereidwillige buur zou zich, samen met notaris Sebrechts uit Schoten, eens met dat zaakje bezig houden en dat kapitaal los krijgen. Hoe ze dat deden? Na een tijd kon dat kapitaal wel opgenomen worden, zij lieten moeder in het ongewisse daarover en plaatsten het geld, zonder enig medeweten van harentwege, aan een vrij hoge interest én voor eigen rekening. Moeder, op de duur toch achterdochtig geworden sprak Frans Adriaensen, schoonzoon van Oscar Van Acker, erover aan. Die zou er zich mee bezig houden en kwam al vlug achter het bedrog, daar hij zijn Engelse connecties inschakelde om de zaak te achterhalen. Het is slechts, nadat hij dreigde aan de zaak ruchtbaarheid te geven en de Orde van Notarissen in te schakelen, dat notaris Sebrecht de malversatie bekende en het bedrag, met interest terug stortte. Een onomkoopbare notaris, met een goede faam, een bekende van Frans heeft zich dan verder met de zaak bezig gehouden. - In 1945 trok ze geen kinderbijslag, waar ze recht op had. Ze vertelde het eens aan Meester Bresseleers, want op de Kas voor Varenden gebaarden ze van kromme haas! Daar werd ze niet wijzer. Meester Bresseleers is daar dan op af gegaan en heeft het in de loop van 1946 in orde gekregen, echter zonder de jaren achterstal waar ze recht op had. - Minister Bernaerts verklaarde op de radio, met véél poeha, wat een financiële last de Oorlogsweduwen en -Wezen wel waren voor het land. Moeder wist bij ondervinding hoe onrechtmatig die aantijging wel was en ze klom in haar pen. De man is zich persoonlijk komen verontschuldigen, pleitend dat hij niet wist hoe de toestand was voor de betrokken groep zeelieden. Gedaan heeft hij aan deze onrechtmatigheid niets, bij mijn weten althans niet. - Op de Hulp-en Voorzorgskas voor Varenden werd haar doodleuk gezegd: Madame, hertrouw! Op die manier zijn al uw problemen meteen opgelost!". Het werd schertsend gezegd, maar het raakte haar diep. - De kers op de taart werd het bericht van de Rederij Deppe dat ze eind 1945 begin 1946 ontving. Ze zou het bedrag van 900 fr. dat ze maandelijks sinds Mei 1940 ontving, als deel van de wedde van haar man, binnen zekere tijd volledig moeten terug betalen. Dat betekende zowat fr., een fortuin in die dagen. Ze was niet alleen: iedereen die voorschotten ontvangen had moest betalen! Tegen deze maatregel is zoveel verzet gerezen bij de teruggekeerde zeelui, die de oorlog overleefd hadden, dat aan hen de som kwijt gescholden werd. De weduwen echter

80 moesten betalen! Gezien de ophef hierover in de zeemanswereld moesten de weduwen, na heel wat getouwtrek, slechts terug betalen vanaf de sterfdatum van hun man. Voor ons betekende dat nog steeds véél geld! Hoe ze dat bedrag opgehoest heeft, heb ik nooit geweten. Heeft ons Mutter het betaald? Intussen werd over mijn voortstuderen wat af geredekaveld. Dat ik het zou doen, daar bestond geen enkele twijfel over. Ik had ooit heel graag viool geleerd, maar een viool kostte geld en lessen eveneens. Geld was bij ons thuis een zéér schaars product. Ik realiseerde me dat maar al te goed, dus ik borg die droom op. Ik zou er nog een andere moeten opbergen. Ik had dolgraag Geschiedenis in Leuven gedaan. Gent of Leuven maakte qua kosten niets uit. Dat was voor moeder een onhaalbare kaart! Er kwamen na mij nog drie jongens, die ook kansen moesten krijgen. Mij werd dus kond gedaan dat ik alles mocht doen wat in Antwerpen te volgen was. Onderwijs zag ik niet zitten. Niet dat ik geen les zou kunnen geven, ik heb het trouwens gedaan op Familiehulp, maar ik heb het nooit graag gedaan. Ik wist van mezelf dat ik geen geduld genoeg had om iets tot vervelens toe te herhalen én dat heb je ook nodig om een goede leraar te zijn. Ik zou dus voor mijn leerlingen ver van de ideale kennis doorgever zijn. Wat dan wel! Verpleging zag ik ook niet zitten, dus werd het de Sociale School, een vrij recente hogere opleiding te Antwerpen. Na informatie kwamen we te weten dat men om toegelaten te worden op 1 September 18 moest zijn én slagen in een toegangsexamen. Ik werd dat jaar eind Augustus 18 jaar (daardoor werd ik de jongste van mijn jaar) en deed mee aan het examen. Ik slaagde en werd toegelaten. Ik moest nog één jaar doen om mijn Humaniora diploma te behalen en zou nu dus dat diploma niet halen! De nonnen in Waver vonden dat geen goed idee maar ze hadden wel begrip voor het financiële aspect van de hele zaak, dus startte ik op 1 Oktober met de Sociale school en koos de specialiteit Nijverheid. Ik stapte elke morgen op de tram om 7u., ging te voet, de Leien af tot op het Zuid en omgekeerd (dat spaarde het tramgeld uit) en keerde s avonds terug te 7u. Het waren lange dagen en mijn avonden derhalve goed gevuld. Wij hadden eminente lesgevers, krakken in hun vakgebied Ik deed het er goed. Wij eindigden op de Middenjury met z'n tweeën als eersten: een Paula van mijn jaar en ik. Met die trofee was de Directie op school héél gelukkig (het was de eerste keer sinds de school startte dat ze die trofee binnen haalden) en wij uiteraard ook! Ondertussen was Lode Cogghe nadrukkelijk, eigenlijk van mijn 16 jaar af, in mijn leven aanwezig. Vader Cogghe had op de laatste reis van de ROUMANIE het gezag aan vader overgedragen. Hij was de laatste die hem levend gezien had en hij vond dat het zijn plicht was ons moeder persoonlijk te komen condoleren na zijn terugkomst in Belgïe. De families bleven met elkaar in contact met na een zekere tijd het gekende gevolg. Voor mijn broers was dat een onuitputtelijke bron van plagen. Zij speelden het klaar om steeds als eersten aan de deur te zijn als hij op bezoek kwam. Een ongestoord welkom, met een kus, was er dan natuurlijk niet bij...enz. Ach, toen zij op vrijersvoeten liepen wisten wij soms ook niet waar kijken als er drie

81 koppels bij ons thuis wat zaten te vrijen! Zij hebben ons toen misschien ook als "pottenkijkers" ervaren. Pottenkijken was in elk geval het verste van onze gedachten! Ergens in de beginperiode van de jaren 50 werd de huurwet, waarmee de huren tijdens de oorlog geblokkeerd werden, opgeheven. Voor ons Mutter betekende dat wat meer inkomen maar voor moeder was het minder goed nieuws! Onze huishuur verdubbelde zomaar eventjes tot 900 fr.! Ondertussen was de wet De Taeye gestemd om de economie wat impulsen te geven én te verhelpen aan de woningnood die, zij het niet nadrukkelijk, aanwezig was. Onze buur, Juffrouw Adams had op de Zilverenhoek grond gekocht en een villaatje gebouwd en ze gaf er hoog over op, ons moeder aansporend hetzelfde te doen. Zij zou aldus voor de huurprijs van 900 fr. die ze nu moest betalen, plus wat erbij op afzienbare tijd een eigendom verwerven, mede omdat wij op de Wet De Taeye beroep konden doen en zo een mooi bedrag als bouwpremie kregen. Het klonk héél aanlokkelijk en 900 fr. huur per maand was toch wel te veel van het goede gezien het geringe inkomen. Er werd overlegd en gerekend. Wie de aanstoot gegeven heeft weet ik niet meer. In elk geval besloot ons Mutter haar huis in de Kalvariebergstraat te Brugge te verkopen en het geld dat de verkoop zou opbrengen, zou in grond én in het huis geïnvesteerd worden. We kregen de premie, een lening werd aangegaan lopende over 15 jaar en de bouwers konden starten. Er werd een bouwgrond van tussen de 500 en 600 vierkante meter aangeschaft à 65 fr. de vierkante meter vlak in de buurt van onze vroegere buur (Juffrouw Adams betaalde er een dik jaar voordien maar 45 Fr. voor!) Rozenhoflaan n. 5 op de Zilverenhoek te Ekeren, dichtbij Kapellen. Vervolgens werd naar een architect en een aannemer uitgekeken. Charles Cogghe die op de Academie zat, maar nog ver van afgestudeerd, zou de plannen maken voor een vriendenprijsje. Hij kende een gediplomeerde architect, een vriend, die gratis zou tekenen. Daar is nadien nog een misverstand over geweest. De vriend tekende niet gratis, zoals afgesproken was en rekende Charles fr. aan voor zijn handtekening. Ons moeder was daar niet van op de hoogte en Charles dacht dat hij het haar gezegd had. Toen dit later op één of andere manier uit kwam betaalde ons moeder hem onmiddellijk terug wat ze hem schuldig was. Nu de aannemer nog. Wie zouden ze daarvoor aanspreken? In Brugge waren ze natuurlijk op de hoogte van de plannen en vroegen ons moeder of ze Onkel Fons als aannemer niet zou zien zitten. Hij had van kindsbeen af in de aannemerij gezeten (zijn vader stelde ooit 80 man tewerk), hij had er de Academie voor gevolgd en kende zijn vak. Het zou voor hem een uitgelezen gelegenheid zijn om terug met een zaak te starten. Moeder had er wel oren naar, want haar grootste schrik met een vreemde aannemer was, dat hij haar "in de voiture zou zetten" vermits ze niets kende van het hele bouwproces. Zo gezegd, zo gedaan! Er werd een contract opgesteld en een zeer gedetailleerd lastenboek uitgewerkt. Moeder zou een faire prijs betalen. Onkel Fons zou voor zijn arbeid fatsoenlijk vergoed worden zodat hij er een goed

82 sommetje zou aan over houden. Dat werd een miskleun, niet omdat Onkel Fons zijn job niet kende maar omdat hij de zelfdicipline niet kon opbrengen alles zeer stipt van nabij te volgen en zelf tijdig op de werf te zijn. Hijzelf immers was in het lastenboek als actieve kracht op de werf meegerekend, hij was wel de baas maar werkte effectief mee als bijkomende kracht en zijn werkuren waren mee in de bouwuren verrekend, dus als hij niet verscheen of veel te laat, dan was dat voor hem een verliespost. Gelukkig had moeder, wijs geworden door de geldperikelen met haren thuis, van lenen zonder bewijs, van bij het opstarten van de werken alle betalingen en uitgaven die onder het contract hoorden, nauwgezet en minutieus bijgehouden, tegen getekend door Onkel Fons. In de zomer van 1953 werden de werken opgestart. Mijn broers en ons moeder werkten als paarden om het terrein bouwklaar te maken en voor de winter stond de ruwbouw onder dak, klaar om "uit te vriezen". Opleveringsdatum was 1/4/1954. Tijdens de ruwbouw liep het al enigszins mis. Na de ruwbouw liep het totaal fout. Onkel Fons verscheen de Maandagen niet meer op de werf, het werd soms Woensdag en soms Donderdag. De mannen wisten niet wat gedaan, soms ontbrak het nodige materiaal om te werken: tegels, kalk, cement of andere broodnodige zaken als spijkers of vijzen. Ze vulden dan hun uren met kleine klusjes maar het werk vorderde niet. Toch waren het zeer bekwame en harde werkers. Ons moeder belde eens naar Tante Agnes om te horen waar hij bleef en hoorde dan, dat hij op het gewone uur op Maandag te Brugge vertrokken was, het was intussen Woensdag. Het daagde ons moeder. Hij reed duidelijk een scheve schaats onderweg naar Antwerpen. Zij kon dat moeilijk aan zijn vrouw gaan vertellen en sprak er hem dan zelf maar over aan. Hij had, duidelijk wat verveeld, allerlei uitleg over zijn afwezigheid maar niet de juiste! Ze hield hem de opleveringsdatum voor ogen. Dan ging het weer wat vlotter maar de scheve schaats van onderweg bleek na korte tijd sterker dan al de rest en het huis was op 1 April dus ver van klaar.toen bracht moeder hem aan het verstand dat zij niet in staat was twee "huishuren op te brengen en dat ze, hoe dan ook op 1 Mei, af of niet, het huis zou betrekken...wat ze dan ook deed al liepen er overal in huis nog werklui rond! Het was niet plezant maar het had het voordeel dat ze overal achter ieders vodden zat en dat binnen een paar weken iedereen buiten was. Het enige dat niet afgeleverd was, was de zoldertrap en daar heeft ze bij de totale afrekening, een klein bedrag voor achtergehouden. Voor de rest was alles eerlijk én op tijd betaald. Ik heb later, na haar sterven al die papieren, ordelijk geklasseerd, in de secretaire terug gevonden. Ik heb ze, uit nieuwsgierigheid eens doorgenomen, omdat ik de hele zaak mee beleefd heb en inderdaad: alles was correct, tot op de laatste frank én telkens tegen getekend door Onkel Fons. Ik heb even in dubio gestaan wat ik ermee zou doen. Het terug ophalen zou neerkomen op "oude koeien uit de gracht halen". Degene die weer eens het meest zou gekwetst worden zou Tante Agnes zijn. Zij in elk geval verdiende dat niet! Zij was een goede vrouw die steeds schipperde om geen ruzie te hebben. Zij had, op haar manier gepoogd om de zaak van de bouw onder controle te houden, wat haar niet gelukt is. Nogal wiedes, met een man

83 die dagen op tralaliere was! Na enig overwegen heb ik ze dan maar verbrand, zo was de zaak begraven voor iedereen. Fons in elk geval, is er bekaaid vanaf gekomen door zijn luchthartige houding van "ik kom er wel uit!". Inplaats van een aanzet te zijn om terug een zaak op te zetten heeft hij er waarschijnlijk zijn broek aan gescheurd, al werd zeker het tegendeel ingecalculeerd. Een tijd later is hem dan de supervisie aangeboden bij al de bouwwerken van het Bisdom Brugge. Hij werd daar van dichtbij gecontroleerd en hij heeft zijn werk daar naar behoren vervuld, want hij was een gedegen vakman. Als mens was het ver van een kwade. Hij was overigens intelligent en zéér belezen. Ik heb aan hem eigenlijk niets anders dan aangename herinneringen. Intussen was ik afgestudeerd. Blijkbaar lagen "Sociale Assistenten" niet direct in de markt. Het heeft maanden geduurd voor ik werk vond in mijn vak, ik werd er wanhopig onder. Uiteindelijk werd ik aangenomen door ELECTRO NAVALE & INDUSTRIELLE te Antwerpen en belast met het oprichten van een (laat ons maar zeggen voorloper) "Sociale Dienst" en het klaarmaken van de arbeiderslonen. Ik begon op 1 Maart Ik heb 5 lange maanden vergeefs zitten wachten op een aanbieding. Ze konden thuis een bijkomend loon goed gebruiken. In 1952 werd geen werkloosheidsvergoeding uitbetaald aan werkloze afgestudeerden! Het toppunt was dat de week dat ik mijn contract ondertekende er nog drie in de bus vielen...dat na al die lange maanden. In Juni 1953 overleed Mama Cogghe plotseling. Tengevolge daarvan werd ons trouwen een jaar vervroegd. Onze Wim vaarde toen al en gaf mij, als méér dan genereus trouwcadeau, een huwelijksfeest: eenvoudig maar met alles erop en eraan, fijn eten, goede wijn! Ik ben hem er tot heden ten dage nog erkentelijk voor. Noch ons moeder, noch ik bezaten de poen om dat te kunnen betalen! Ik heb er goede herinneringen aan. Onze Robrecht maakte, evenals onze Jan, zijn Middelbaar Technisch op de Londenstraat af. Onze Jan ging varen, onze Robrecht koos voor Mechelen. Onze Wim en onze Jan droegen bij in de kosten van het huishouden en namen voor zichzelf de beslissing thuis te blijven tot Robrecht afgestudeerd was, wat ze dan ook gedaan hebben! Naarmate de jaren vorderden haalden ze allemaal hun graad cum laude en gingen op vrijerspad. Wim koos een meisje uit de stad, Greta Pylyzer, een fijn slank ding, een juweliersdochter. Jan werd verliefd op Frieda Janssens, een slanke hoogblonde met West-Vlaamse roots. Greta had die trouwens ook, bovendien was één van haar grootvaders loods geweest in Vlissingen, Pa Rubben heeft hem er nog gekend! Robrecht viel voor een echte Brugse, Rita Willems. Hij bleef zelfs in de familie want ze was de adoptieve dochter van Tante Agnes en Onkel Fons. Hij had haar zien opgroeien van klein meisje dat om een "aklaakie" vroeg (ze was gek op chocolade!) tot studente verpleegster. Ons Mutter overleed, na een vrij lang ziekbed, op 19/8/1959. Intussen had ons moeder kans gezien haar beide voeten te verbranden, door in haar haast

84 een kan kokende koffie om te stoten. Ze lag voor minstens 4 weken plat. Greta en ik hebben dan samen zo goed mogelijk het huishouden gedaan en de zieken verzorgd. Ik was onderweg van Robrecht junior. Het was een zware tijd. Greta en ik waren van s morgens 6 u. "debout" en renden tot s avonds laat om de zaken bij te houden, want mijn gezin was er ook nog eens bij, de was (véél, kan ik jullie verzekeren), de strijk, de boodschappen, de kook, de kinderen, de zieken verzorgen, de onderhoud, alles aanbrengen. Het was een moeilijke tijd, maar we overleefden het. Die gedwongen rust deed ons moeder ook goed, want die was uitgeput toen het ongeluk haar overkwam. Na een week of vier-vijf kon ze haar plan trekken en gingen Greta en ik elk naar onze eigen thuis terug. Onze Wim was ondertussen ook ziek geworden, een totaal mismeesterde keelontsteking (behandeld in de States!!!) velde hem en tastte zijn nieren aan. Na maanden behandeling kwam er geen beterschap, tot ik het verhaal eens vertelde aan onze huisarts Rottiers. Die stuurde hem stande-pede naar een vriend van hem, een gekende nierspecialist. Hadden we die maar vroeger gehad, misschien waren zijn nieren dan nooit zo beschadigd geweest. Wie zal het zeggen?! In elk geval, van dan af trad beterschap in en kon hij, na een lange tijd, zijn beroep terug opnemen. Hij was aan boord een graag gezien en gerespecteerde collega. Ik laat André Cogghe, die 3 reizen met hem deed, over hem aan het woord: Hij was een vakman eerste klas. Hij kende zijn materie van naaldje tot draadje en het was zijn eer te na iets niet te kunnen herstellen. Hij werkte en zocht tot hij het vond. Hij was en bleef steeds een heer onder alle omstandigheden. Hij maakte nooit ruzie en wist op zijn voorzichtige manier zijn tegenstander van zijn gelijk te overtuigen. Dat is een kunst op zee! Vloeken, gemene taal en vuige praat hoorden niet tot zijn vocabulaire. Hij kwam elke morgen in de mess, fris gewassen en geschoren, de nagels geschrobd zodat er geen vuiltje meer onderzat én in een vlekkeloze witte overall. Zelfs als hij "pistons trok", een zwaar en vuil karwei, kwam hij daar vrij netjes uit te voorschijn. Hij was het tegendeel van wat men toen onder "de machinist verstond. Zoals ik al zei: hij was in één woord: een Heer! Hij was een goeie gast. Had ik maar meer dergelijke varensgezellen ontmoet, het had een wereld van verschil gemaakt aan boord!". In de jaren 60, vrij kort na elkaar trouwden mijn broers met hun uitverkorene: in 1961, 1964 en 1966 én in groot gala, voor onze doen althans. De kleinkinderen kwamen: ons moeder genoot van haar kleinkinderen. Ze heeft ze allemaal weten geboren worden en vond élk kleinkind HET einde. Ze was nog heel gezond en fit voor haar leeftijd en hielp waar ze gevraagd werd. Iedereen kwam op bezoek als het hem mogelijk was. Kerstmis en haar feestdag, 15 Augustus, werden altijd thuis gevierd. Iedereen bracht het zijne mee, samen werd opgeruimd: de vrouwen wasten af, onze Jan stofzuigde de héle beneden en de rest van de mannen zette alles terug op de geëigende plaats. Wanneer we s avonds weg gingen was het of er niemand geweest was. Allengs groeide ook de gewoonte dat, wie vrij onverwachts kwam aanzetten met zijn kroost en wilde eten, zelf al het nodige voor een maaltijd meebracht. Ons moeder woonde na 1966 alleen en had weinig voorraad in huis. Zij zorgde wel voor de koffie en de melk: dat was altijd in

85 voldoende mate aanwezig: genoeg om minstens 12 man te voorzien! Zij woonde redelijk ver van de winkels en moest alles te voet doen en wat ze kocht ook de hele weg dragen...vandaar! Ergens, half de jaren zestig, werd de laatste afbetaling van de bouwlening betaald, met een zucht van verlichting! We hebben er allemaal een glas Champagne op gedronken! Het leven kabbelde voort. Ons moeder verzorgde haar huis en tuin, schilderde, plantte en gunde ons een deel van haar vrije tijd als het al zo uit kwam. Iedereen slaagde er na vrij korte tijd in een huis in eigendom te verwerven en dat maakte haar gelukkig. Toen werd onze Wim ziek. Zijn afweersysteem, dat door de beschadigde nieren eerder zwak was, begaf het, toen hij na een reis bij zijn thuiskomst, door een agressief virus belaagd werd. Hij werd naar de kliniek "Centenaire" overgebracht en heeft tegen de dood gevochten met alle kracht. Het mocht niet baten, hij stierf op 21/3/1969. Wij wisten niet wat ons overkwam. Hij was een stuk van ons leven en plots was hij er niet meer! Voor Greta was het een niet te verwoorden verlies. Hij was haar man, waar ze zielsveel van hield en de vader van haar kinderen, waarvan de oudste nauwelijks zes en het jongste nog geen twee was. Het was een nauwelijks voor te stellen verdriet. Ons moeder heeft daar uiteraard zéér onder geleden. Voor haar was het haar oudste zoon, die haar, in zijn volwassen jaren zéér nabij geweest was en haar altijd door moeilijke momenten heen geholpen heeft. Dit doet niets af aan de aandacht die mijn andere broers voor haar hadden, onze Jan b.v. kwam minstens elke Zondag binnen springen en in de winterperiode haalde hij steeds haar kolenvoorrraad op uit de kelder, om maar iets te noemen. Ze miste onze Wim verschrikkelijk al liep ze met haar verdriet niet te koop. Het waren, door allerlei omstandigheden en verwikkelingen, moeilijke en droevige tijden na onze Wim zijn heengaan. Ook dat ging voorbij en toen werd "onze mére" zoals mijn broers haar plagend noemden, zelf ziek. Dat was als een donderslag bij heldere hemel. Zij, die nooit ziek was, lag in de kliniek te Blankenberge. Zij was bij haar zus aan de kust. De vete was, na de dood van onze Wim, enigszins bijgelegd. Zij had een obstructie. Ze werd naar Antwerpen overgebracht en men constateerde eierstokkanker met uitzaaiingen. Toen ze het me vertelden kreeg in net een mokerslag op mijn hoofd. Ik wist dat het, op termijn, een ter dood veroordeling betekende, maar... men hoopt tegen beter weten in. Ze werd geopereerd en herstelde redelijk goed. Na haar ontslag uit de kliniek kwam ze naar ons om te herstellen, dat was voor iedereen de gemakkelijkste oplossing. Na een tijdje voelde ze zich goed genoeg, om samen met Lode, haar tuin in orde te brengen voor de winter. Ze wilde zo graag naar huis. Wij konden haar overhalen bij ons te blijven, om de winter te overbruggen en met het voorjaar terug te gaan naar de Zilverenhoek. Ze heeft het niet gehaald, de kanker had verder kunnen woekeren. Wij hebben haar, met de dood in het hart, naar de kliniek moeten brengen, waar ze na een oppervlakkige ingreep, stierf. Wij waakten om de beurt bij haar. Rita waakte bij haar toen ze stierf. Ik hield erg veel van haar en ik miste haar de eerste tijd verschrikkelijk. Ik denk zelfs nu, na al die jaren, nog vaak aan haar en wat ze voor

86 ons heeft betekend! Zij is nooit hertrouwd, al heeft ze verscheidene goede aanzoeken gehad. Ze zei me eens: "Ik ben met Miel doodgelukkig geweest. Ik vind niet dat ik het iemand die het goed meent, kan aandoen zijn hele leven tweede keus te zijn. Voor mij zou hij dat zijn. Ik zou steeds vergelijken en de vergelijking zou altijd in het nadeel van de tweede uitvallen!. Zij was een moedige vrouw die haar weg alleen gegaan is, voor ons alles veil had, die ons een goede opvoeding gegeven heeft en gelukkig was toen ze vaststelde dat haar moeite niet voor niets geweest was, dat het ons goed ging. Als ik op haar leven terug kijk is ze beslist niet door het lot in de watten gelegd. Haar kinder-en jongemeisjesjaren werden gedeeltelijk verknoeid door Wereldoorlog 1. De gevolgen daarvan hadden voor haren thuis nare financiële gevolgen. Toen ze 16 was moest ze maanden het hele huishouden trekken. Haar moeder was van borstkanker geopereerd en herstelde maar zeer langzaam. Voor de rest was ze in de familie een beetje het manusje van alles, dat er op uit gestuurd werd om te helpen als er een zieke was of een abnormale drukte. Ze heeft altijd heel hard moeten werken, niet dat ze daarover kloeg. Ze vertrouwde me eens toe dat ze in haar hele leven maar 10 jaar echt gelukkig geweest is: de 10 jaar dat ze met vader getrouwd was. Bij hem voelde ze zich beschermd én gewaardeerd! Bij al haar miserie zei ze altijd: O.L.Heer is nooit ver weg, je krijgt kracht naar kruis en als de nood het hoogst is, is redding nabij!. Heeft dat haar geholpen om de moed er steeds in te houden, ook als het héél moeilijk was? Wie zal het zeggen! Zoals je hebt kunnen lezen ging haar leven nadien ook niet over rozen. Ze heeft in alle geval geprobeerd om er met haar beperkte middelen, het beste van te maken. Morbée Emiel Maurice Louis Brugge 4/10/ op zee 24/9/1942 X Blankenberge 30/9/1930 Haegebaert Maria Godelieve Theresia Brugge 25/5/ Antwerpen (kliniek) 8/3/1972 Uit dit huwelijk ontsproten vier kinderen: Godelieve Emilia Maria Josepha Irma Brugge 24/8/1931 Willem Emiel Marie Oscar Louise Brugge 7/10/1932 Jan Emiel Marie Georges Flavie Brugge 21/4/1936 Robrecht Emiel Marie Oscar Agnes Ekeren 16/6/1937 Het was bij ons de gewoonte de namen van de ouders te geven, daarna de namen van peter en meter. Bij onze Wim en mezelf waren de diverse peetouders de grootouders van weerszijden. Bij Jan was de peter een goede vriend van vader, die hij als cadet aan boord, onder zijn hoede had genomen en die hem daarom zijn vriendschap schonk. Hij heeft onze Jan zo'n beetje gevolgd en gesteund tot hij, door een ongelukkige val stierf. Tante Flavie was meter en was een

87 schoonzuster van moeder (zij was de vrouw van moeders half broer). Bij Robrecht was dat kozijn Oscar, uit dankbaarheid wegens vroegere vriendschap. Tante Agnes was meter en moeders beste vriendin én nicht. Godelieve huwde te Ekeren op 1/10/1953 Louis François COGGHE Hoboken 7/5/ kinderen: Marleen Merksem 15/2/1956 Diederik 23/1/1958 Robrecht " 25/11/1959 Aili-Birgitta " 2/1/1963 Hedwig 8/8/1964 * Willem huwde te Antwerpen op 29/5/1961 Greta PYLYZER Oostende 29/8/ kinderen: Veerle Merksem 7/6/1962 Erik " 5/9/1964 Hilde " 23/7/ Deurne 2/9/1997 * Jan huwde te Deurne op 4/4/1964 Frieda JANSSENS Antwerpen 18/9/ kinderen: Inge Brasschaat 26/1/1965 Ian " 23/2/1967 * Robrecht huwde te Brugge op 9/8/1966 Rita WILLEMS De Panne 23/10/ kinderen: Luc Beveren 9/5/1967 Marc " 17/5/1968 Koen " 18/10/1969 Pa en Ma Cogghe Vorselaar 3/6/2002 Bijgewerkt te Vorselaar op 23/04/

88

89 Documenten Document M1: Stamboom vanaf +/

90 Documenten Document M1 a : idem

91 Documenten Document M1 b: idem

92 Documenten Document M2: Stamboom Morbée-Haegebaert teruggaande tot +/

93 Documenten Situering van de adressen waar de Morbées en de Haegebaerts woonden te Brugge (zie M3, M4a en M4b). 1. Kalvariebergstraat - Morbée Joseph 2. Clarastraat - Haegebaert Oscar 3. Lange Rei - Van Acker-Morbée Eug. 4. Lange Rei - Van Acker-Morbée Rose 5. Potterie Rei - Keereman-Sabot 6. Potterie Rei - Morbée-Keereman Document M3: Situering van de adressen waar de Morbées en de Haegebaerts woonden te Brugge

94 Documenten Document M4 a: idem

95 Documenten Document M4 b: idem

96 Documenten Document M4 c: Een artikel uit Brugge die Scone over de omgeving waar ik geboren ben en waar mijn vader.woonde sinds zijn kleutertijd

97 Documenten Document M5: Voorbeeld van een gecensureerde brief van de bezetter. Elke brief die mijn moeder van mijn vader kreeg was op deze manier getatoueerd. De brief binnenin was eveneens voorzien van de nodige doorhalingen. Die heb ik ongelezen verbrand zoals alle andere omdat ik dat mijn moeder beloofd had op haar sterfbed

98 Documenten Document M6: Persartikel over het vergaan van de Roumanie, het schip waarvan mijn vader kapitein was toen het verging in september

99 Documenten

100 Documenten

101 Documenten Document M7 (1-17): Verhaal van het vergaan van de Roumanie Document M

102 Documenten Document M

103 Documenten Document M

104 Documenten Document M

105 Documenten Document M

106 Documenten Document M

107 Documenten Document M

108 Documenten Document M

109 Documenten Document M

110 Documenten Document M

111 Documenten Document M

112 Documenten Document M

113 Documenten Document M

114 Documenten Document M

115 Documenten Document M

116 Documenten

117 Documenten Document M

118 Documenten Document M8 (1-3): Het Roumanie -verhaal op een andere wijze verwoord uit het boek Belgische Koopvaardij in de 2de Wereldoorlog door R. Machielsen. Het is een ingrijpend verslag van de miserie van een zeeman in het oorlogsgeweld en de hardvochtige en steriele houding van de Belgische Regering. Niet fraai om lezen! Document M

119 Documenten Document M

120 Documenten Document M

121 Documenten Document M9 (1-2): Enkele foto s om een beeld te geven over wat een oorlog op zee betekende, in de moerlemeier van bombardementen en torpederingen, voor de opvarenden. Spectaculaire beelden dat wel!! Document M

122 Documenten Document M

123 Documenten Document M10: Een bedelbrief van het Apostolatus Maris. Het werk dat de zeemansfamilies met raad en daad steunde tijdens de oorlog en menig gezin aan het broodnodige eten hielp. Mijn vader was daar vrijwilliger vóór Ons vader en ik zijn er vrijwilligers geweest na de jaren zestig en ons Marleen en Dirk eveneens maar dan in de jaren

124 Documenten Document M11 (1-6): De historie van het Schoon Koolkot. Hierbij de briefwisseling van de beruchte huurder, G. L. Van Sasenbroek, waar ik het over heb in het boek. Het is niet het slechtste voorbeeld van wat hij schreef. Hij vermeldde zichzelf als oorlogsgeamputeerde van de oorlog van op het veld van eer aan de Ijzer. Hij schreef meestal met hanepoten en mauve inkt. Document M11 1: Enveloppe van de brief van G. L. Van Sasenbroeck met de vraag voor de bouw van een nieuw koolkot

125 Documenten Document M11 2: De brief van G. L. Van Sasenbroeck met de vraag voor de bouw van een nieuw koolkot

126 Documenten Document M11 3: Enveloppe van de tweede brief van G. L. Van Sasenbroeck m.b.t. de bouw van een nieuw koolkot

127 Documenten Document M11 4: De tweede brief van G. L. Van Sasenbroeck m.b.t. de bouw van een nieuw koolkot

128 Documenten Document M11 5: Enveloppe van het antwoord van de bouwfirma Verbeke aan Mutter m.b.t. de bouw van een nieuw koolkot. De bouwfirma Verbeke is gelieerd aan Suzanne Vanden Berghe, nicht langs moeders kant van Maria Haegebaert (x gehuwd met Emiel Morbée)

129 Documenten

130 Documenten Document M11 6: Het antwoord van de bouwfirma Verbeke aan Mutter m.b.t. de bouw van een nieuw koolkot. Met annex een persoonlijk schrijven van Suzanne Vanden Berghe, nicht langs moeders kant van Maria Haegebaert (x gehuwd met Emiel Morbée) en getrouwd met Gregoire Verbeke

131 Documenten INHOUDSOPGAVE Document M1: Stamboom vanaf +/ Document M2: Stamboom Morbée-Haegebaert teruggaande tot +/ Document M3: Situering van de adressen waar de Morbées en de Haegebaerts woonden te Brugge Document M4 a: idem Document M4 b: idem Document M4 c: Een artikel uit Brugge die Scone... 8 Document M5: Voorbeeld van een gecensureerde brief van de bezetter... 9 Document M6: Persartikel over het vergaan van de Roumanie Document M7 (1-17): Verhaal van het vergaan van de Roumanie Document M8 (1-3): Het Roumanie -verhaal op een andere wijze verwoord Document M9 (1-2): Enkele foto s om een beeld te geven over wat een oorlog op zee betekende Document M10: Een bedelbrief van het Apostolatus Maris Document M11 (1-6): De historie van het Schoon Koolkot

132

133 Foto s Foto M1: Foto ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van overgrootvader Morbée. Eerste rij van links naar rechts: Eugenie Morbée en echtgenoot Gustaaf Van Acker, Rosalie Morbée (weduwe van Emiel Van Acker), overgrootvader Hubert Jacques Morbée en zijn echtgenote Rosalie Van Middelem, Charles Morbée en zijn echtgenote Sidonie De Ruyter. Tweede rij van links naar rechts: Gaston Schaeverbeke en zijn echtgenote Philomène Morbée, Louis Literme en zijn echtgenote Louise Morbée, Florent Loontiens en zijn echtgenote Eulalie Morbée, Joseph Morbée en zijn echtgenote Marie-Louise Keereman = Mutter (de grootouders van Godelieve Morbée)

134 Foto s Foto M2: Menukaart ter gelegenheid van het 50-jarig huwelijksjubileum van Hubert Jacques Morbée en Rosalie Van Middelem op

135 Foto s Foto M3: De zusters van grootvader Joseph Morbée. Van links naar rechts: Rosalie, Louise, Philomène, Eugenie, en Eulalie ( omstreeks 1910 ). Foto M4: Madeleine Morbée, 2 à 3 jaar, dochtertje van Joseph Morbée en Marie-Louise Keereman

136 Foto s Foto M5: Doodsprentje van Madeleine Morbée. Foto M6: De broers Hubert ( Pater Oom ) en Emiel Morbée in

137 Foto s Foto M7: Hubert en Emiel Morbée in

138 Foto s Foto M8: Emiel en Hubert Morbée ter gelegenheid van hun Plechtige Communie in

139 Foto s Foto M9: Gezin Joseph Morbée ter gelegenheid van de eindproclamatie van Hubert in 1918 op St-Leo te Brugge. Van links naar rechts: Emiel Morbée, Mutter, grootvader Joseph en de Primus Perpetuus Hubert

140 Foto s Foto M10: Emiel Morbée tijdens zijn militaire dienst op de Entrecasto rond

141 Foto s Foto M11: Emiel Morbée, Fons Willems, Maurice Haegebaert Foto rond 1920 De 3 vrienden op stap - 9 -

142 Foto s Foto M12: Maurice Haegebaert en Emiel Morbée rond

143 Foto s Foto M13: Emiel Morbée op 26-jarige leeftijd

144 Foto s Foto M14: Maria Haegebaert ( ons Bomma ) ter gelegenheid van het huwelijk van haar broer Maurice in

145 Foto s Foto M15: Huwelijksfoto van Emiel Morbée en Maria Haegebaert op

146 Foto s Foto M16: Familiefoto ter gelegenheid van het huwelijk van Emiel Morbée en Maria Haegebaert. Eerste rij van links naar rechts: Jozina Van Der Hooft ( echtgenote van Arthur Haegebaert), Oscar Haeghebaert en zijn echtgenote Irma Vande Vannet ( ouders van de Bruid ), het Bruidspaar Emiel Morbée en Maria Haegebaert, Joseph Morbée en echtgenote Marie-Louise Keereman ( ouders van de Bruidegom ). Tweede rij van links naar rechts: Arthur Haegebaert ( oom van de Bruid ), Maria Vanden Berghe ( nicht van de Bruid ), Caesar Vande Vannet, Cecile Haegebaert ( zus van de Bruid ), Elisabeth Haegebaert ( Zus van de Bruid), Albertine Haegebaert ( zus van de Bruid ),Bertha Haegebaert ( halfzus van de Bruid en echtgenote van Alfons Lerou ), Germaine De Ketelaere en echtgenoot Maurice Haegebaert ( broer van de Bruid ), Jerome Vanden Berghe ( oom van de Bruid ). Derde rij van links naar rechts:gustaaf Schaeverbeke ( oom van de Bruidegom ), Arthur Vande Vannet ( oom van de Bruid ) en echtgenote Maria, Alfons Lerou ( oom van de Bruid ), Medar Vande Vannet ( oom van de Bruid). Vierde rij van links naar rechts: Joseph Médard, Marie Vanden Berghe-Vande Vannet ( tante van de bruid ), Philomène Morbée ( tante van de Bruidegom ), Rose Morbée ( tante van de Bruidegom ), Gerard Vande Vannet ( neef van de Bruid ), Louise Morbée ( tante van de Bruid ), Eulalie Morbée en echtgenoot Florent Loontiens ( tante en oom van de Bruidegom, Harry Rommens ( vriend van Joseph Morbée, vader van de Bruidegom )

147 Foto s Foto M17/1: Menukaart ter gelegenheid van het huwelijk van Emiel Morbée en Maria Haegebaert

148 Foto s Foto M17/2: Menukaart van Joseph Morbée, vader van de Bruidegom Emiel Morbée

149 Foto s Foto M18: Het jonge koppel Morbée Haegebaert met hun oudste dochter Godelieve Morbée ( 6 maanden )

150 Foto s Foto M19: Mutter Marie Keereman op 64-jarige leeftijd. Foto M20: Emiel Morbée ( rechts) als eerste stuurman na het vergaan van de Flandre die in de winter van op een mijn liep in de monding van de Thames. Het schip verging maar al de opvarenden werden gered

151 Foto s Foto M21: Emiel Morbée in

152 Foto s Foto M22: Schoolfoto van Godelieve Morbée met haar jongste broer Robrecht Morbée in

153 Foto s Foto M23/1: Godelieve Morbée en haar moeder in de tuin in

154 Foto s Foto M23/2: Godelieve Morbée ( in schooluniform ) en haar moeder op wandel in Ekeren rond het station in

155 Foto s Foto M23/3: De vier kinderen Morbée in de tuin zomer Van links naar rechts Willem, Robrecht, Jan en Godelieve

156 Foto s Foto M23/4: De broertjes Morbée: Jan, Willem en Robrecht in

157 Foto s Foto M23/5: Op bezoek op de Markgraaf in Kalmthout in De foto is genomen tijdens een wandeling op de Kalmthoutse Heide. Van links naar rechts: staande Willem Morbée, Godelieve Morbée en op de schouders van een boerenzoon Jan Morbée, knielend in het zand Lisa Van Acker en haar oudste zoontje Hans

158 Foto s Foto M23/6: Bomma Morbée-Haegebaert in

159 Foto s Foto M24: Het gezin Morbée ter gelegenheid van de plechtige communie van Jan en Robrecht in Van links naar rechts: Willem, Jan, Robrecht, Godelieve en Ma Morbée

160 Foto s Foto M25: Foto in het stadhuis te Brugge ter gelegenheid van het huwelijk van Robrecht Morbée met Rita Willems op Van rechts naar links: Lode Cogghe en Greta Morbée-Pylyser, Bernard Viaene en Frieda Morbée-Janssens, Gelegenheidspartner met Godelieve Cogghe-Morbée, Jan Morbée met de moeder van de Bruid Agnes Willems-Vanden Berghe, Bruidegom Robrecht Morbée met zijn moeder Maria Morbée-Haegebaert, Bruidsmeisje Aili-Birgitta Cogghe, de vader van de bruid Alfons Willems met de Bruid Rita

161 Foto s Foto M26: De schoonzussen Morbée: Tante Frieda, Tante Rita, Tante Greta. Op de tweede rij Inge Morbée. Foto M27: Godelieve en broer Robrecht ergens in de jaren tachtig

162 Foto s Foto M28: Foto van Jan Morbée en zijn vrouw Frieda ter gelegenheid van een familiedineetje met broer en zus. Foto M29/1: Doodsprentje Pater Marcus van de Verrijzenis (Hubert Morbée), Ongeschoeide karmeliet te Brugge

163 Foto s Foto M29/2: Doodsprentje. Foto M29/3: Aankondiging van sterfgeval van Pater Oom

164 Foto s Foto M30: huis van overgrootouders Jacques Morbée Van Middelem Ooievaarstraat 5, nu de Kwekerstraat 5 te Brugge

165 Foto s Foto M31: huis van de familie Van Acker Eugènie Morbée Lange Rei 89 te Brugge, waar overgrootvader Jacques inwoonde toen hij stierf

166 Foto s Foto M32: huis van familie Jacques Van Acker Rosalie Morbée Lange Rij 65 te Brugge. Dit was zijn dagelijks wandelingetje in zijn laatste levensjaren

167 Foto s Foto M33: het huis dat de grootouders Morbée Keereman bouwden in de Kalvariebergstraat 36 te Brugge in

168 Foto s Foto M34: Het huurhuis te Ekeren, De Beuckelaerlaan nr 4, waar het gezin Morbée-Haegebaert woonde van 1936 tot

169 Foto s Foto M35: Vermelding van Emiel Morbée op het standbeeld der gesneuvelden te Ekeren

170 Foto s Foto M36: Vermelding van Emiel Morbée op het standbeeld der gesneuvelden te Ekeren

171 Foto s Foto M37: Vermelding van Emiel Morbée op het standbeeld der gesneuvelden van WO I en II te Ekeren. Foto M38: het ouderlijk huis van het gezin Morbée Haegebaert Rozenhoflaan 5 te Ekeren- Zilverenhoek. Marleen Cogghe, onze oudste dochter,nam deze foto na het overlijden van ons moeder. Op de eerste foto zie je nog net het achterste van de Peugeot waar we toen mee reden. Na de dood van ons moeder werd het huis in 1972 verkocht voor BEF of EUR. Het huis in nu in 2005 nogmaals verkocht voor BEF of EUR. Op 30 jaar is de prijs dus 10x verhoogd. Moeder had dit huis gebouwd voor ± BEF in

172 Foto s

173 Foto s Foto M39: gevel van de afspanning Den Engel, ouderlijk huis van Mutter (Marie-Louise Kereman) op de Kraanplaats te Brugge. Het huis fungeert niet meer als afspanning maar als café. Hier kwamen vroeger de boeren, die hun producten verkochten op de vlakbij gelegen groentemarkt, hun gespan tijdelijk stallen. Daarna gebruikten ze een boterham of een andere kleinigheid, samen met een glas bier of een jenevertje

174 Foto s Plafond van de afspanning Den Engel. Let op de oude balken. Konden deze spreken, dan zouden ze ons veel kunnen vertellen

175 Foto s Foto M40: biervoerder. De hoofdman van de gilde. Deze man is geen familie. Hij draagt echter de typische kleding van de biervoerders, een gesloten beroep waartoe grootvader Louis Keereman behoorde. Men betaalde een groot bedrag om tot de gilde te kunnen toetreden. Foto M41: biervoerders bij de uitvoering van hun werk. Let op de typische kleding en het juk. Op deze manier werden de tonnen bier binnengedragen

176 Foto s Foto M42: Potterierei 27 te Brugge. Huis waar ons Mutter na het debâcle in de Peterseliestraat enkele jaren woonde, praktisch naast haar ouders

177 Foto s Foto M43: Potterierei 29 te Brugge. Huis waar het gezin Keereman Sabot, de ouders van ons Mutter, woonden toen ze rentenierden na een leven van hard werken. Twee huizen links hiervan woonde Mutter

178 Foto s INHOUDSOPGAVE Foto M1: Foto ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van overgrootvader Morbée...1 Foto M2: Menukaart ter gelegenheid van het 50-jarig huwelijksjubileum van Hubert Jacques Morbée en Rosalie Van Middelem op Foto M3: De zusters van grootvader Joseph Morbée...3 Foto M4: Madeleine Morbée...3 Foto M5: Doodsprentje van Madeleine Morbée...4 Foto M6: De broers Hubert ( Pater Oom ) en Emiel Morbée in Foto M7: Hubert en Emiel Morbée in Foto M8: Emiel en Hubert Morbée ter gelegenheid van hun Plechtige Communie in Foto M9: Gezin Joseph Morbée ter gelegenheid van de eindproclamatie van Hubert in Foto M10: Emiel Morbée tijdens zijn militaire dienst op de Entrecasto rond Foto M11: Emiel Morbée, Fons Willems, Maurice Haegebaert...9 Foto M12: Maurice Haegebaert en Emiel Morbée rond Foto M13: Emiel Morbée op 26-jarige leeftijd...11 Foto M14: Maria Haegebaert ( ons Bomma...12 Foto M15: Huwelijksfoto van Emiel Morbée en Maria Haegebaert op Foto M16: Familiefoto ter gelegenheid van het huwelijk van Emiel Morbée en Maria Haegebaert...14 Foto M17/1: Menukaart ter gelegenheid van het huwelijk van Emiel Morbée en Maria Haegebaert...15 Foto M17/2: Menukaart van Joseph Morbée, vader van de Bruidegom Emiel Morbée...16 Foto M18: Het jonge koppel Morbée Haegebaert met hun oudste dochter Godelieve Morbée ( 6 maanden )...17 Foto M19: Mutter Marie Keereman op 64-jarige leeftijd...18 Foto M20: Emiel Morbée ( rechts) als eerste stuurman...18 Foto M21: Emiel Morbée in Foto M22: Schoolfoto van Godelieve Morbée met haar jongste broer Robrecht Morbée in Foto M23/1: Godelieve Morbée en haar moeder in de tuin in Foto M23/2: Godelieve Morbée ( in schooluniform ) en haar moeder op wandel in Ekeren...22 Foto M23/3: De vier kinderen Morbée in de tuin zomer Foto M23/4: De broertjes Morbée: Jan, Willem en Robrecht in Foto M23/5: Op bezoek op de Markgraaf in Kalmthout in Foto M23/6: Bomma Morbée-Haegebaert in Foto M24: Het gezin Morbée ter gelegenheid van de plechtige communie van Jan en Robrecht in Foto M25: Foto in het stadhuis te Brugge ter gelegenheid van het huwelijk van Robrecht Morbée met Rita Willems op Foto M26: De schoonzussen Morbée...29 Foto M27: Godelieve en broer Robrecht ergens in de jaren tachtig...29 Foto M28: Foto van Jan Morbée en zijn vrouw...30 Foto M29/1: Doodsprentje Pater Marcus van de Verrijzenis...30 Foto M29/2: Doodsprentje...31 Foto M29/3: Aankondiging van sterfgeval van Pater Oom...31 Foto M30: huis van overgrootouders Jacques Morbée...32 Foto M31: huis van de familie Van Acker Eugènie Morbée...33 Foto M32: huis van familie Jacques Van Acker Rosalie Morbée...34 Foto M34: Het huurhuis te Ekeren...36 Foto M35: Vermelding van Emiel Morbée op het standbeeld der gesneuvelden te Ekeren Foto M36: Vermelding van Emiel Morbée op het standbeeld der gesneuvelden te Ekeren...38 Foto M37: Vermelding van Emiel Morbée op het standbeeld der gesneuvelden van WO I en II te Ekeren...39 Foto M39: gevel van de afspanning Den Engel...41 Foto M40: biervoerder. De hoofdman van de gilde. Deze man is geen familie...43 Foto M41: biervoerders bij de uitvoering van hun werk...43 Foto M42: Potterierei 27 te Brugge...44 Foto M43: Potterierei 29 te Brugge

179

180

181

182

183 HET HAEGEBAERT VERHAAL Vorselaar, 15 Januari Mijn moeder was een Haegebaert, dus mag haar kant van het verhaal niet ontbreken. Ik vrees echter dat dat verhaal een mager beestje zal worden want eigenlijk weet ik er niet zo veel van. Je kan van mijn moeder veel zeggen, ze was ondermeer een zeer harde en noeste werker, maar zeggen dat ze een verteller was zou de waarheid geweld aandoen. Ze kon zeer goed naar iemand luisteren en iemand opbeuren, maar vertellen deed ze zeer sporadisch en dan nog op minimale wijze. Ik zal proberen al die kleine stukjes in mijn geheugen aan elkaar te rijgen en er haar verhaal mee te vertellen. Voor de afstamming zal ik "Leentje-buur" spelen bij mijn neef Karel Haegebaert, in de familie beter bekend als "Karel van Gruuthuze". Hij is de zoon van Gaston Haegebaert, de halfbroer van mijn moeder die in het museum van Gruuthuze een post bekleedde die het midden hield tussen huisbewaarder en een soort hulpconservator. Hij was een ambtenaar van de Stad Brugge. Karel heeft tot aan zijn trouwen in Gruuthuze gewoond, nl. in het poortgebouw van dat mooie huis uit de jaren Zijn vader was een kenner én een liefhebber van antiek en omringde zich in zijn privé woonst met mooie en oude dingen. Zo herinner ik mij nog levendig het eetkamerameublement. De tafel was een levensgrote kloostertafel, waar heel wat man kon aan plaats nemen. Niemand zou het in zijn hoofd halen het ding te verplaatsen, zo zwaar was het! De stoelen waren van hetzelfde kaliber en als puber had ik mijn twee handen én al mijn macht nodig om er één te verschuiven! Karel voelde zich aangetrokken tot de geneeskunde en begon, na zijn Humaniora in Brugge, te Gent voor geneeskunde. Wat hem er toe heeft aangezet om ermee te stoppen weet ik niet maar plots huwde hij op 23 jarige leeftijd in 1950 zijn meisje Rachel Peuteman en vertrok zowat onmiddellijk naar Congo als " Agent Sanitaire". Zijn oudste zoon werd in 1951 in Costermanstad geboren (is Rijkswachter en heeft één kind Bruno in 1976) en zijn jongste zoon in Bukavu in 1958 (deze huwde een Duitse, woont in Duitsland en heeft geen kinderen voor zover ik weet.) Bij de pandemonische chaos van de Congolese Onafhankelijkheid in 1960 keerde hij naar zijn vaderstad terug. In afwachting van zijn opname in het medische ambtenarencorps in België, wat nogal wat tijd in beslag nam, heeft hij zijn tijd nuttig besteed. Omringd als hij steeds geweest is door het verleden en erdoor geintrigeerd heeft hij zich op zijn "roots" gestort en dook in archivaria allerhande, consulteerde kerkregisters en haalde héél wat interessants boven. Zo heeft hij de rechtstreekse afstamming kunnen achterhalen tot in De oudste Haegebaert die hij kon traceren was een clericus uit Poperinge in In de daaropvolgende eeuwen heeft hij nog een paar merkwaardige naamdragers kunnen traceren, de meeste in Brugge en omgeving, maar bij geen enkele heeft hij een rechtstreekse band met onze stam kunnen leggen. Ik weet dat er in de familie "Pauselijke Zouaven" waren. Karel heeft hun - 1 -

184 Het Haeghebaert Verhaal geschiedenis kunnen achterhalen. Zij zijn trouwens afkomstig uit de onmiddellijke omgeving van Zedelgem, waar de Haegebaert s een kleine eeuw koster geweest zijn! Zij waren wel verwant, maar niet nauw. Hun namen waren Karel en Lodewijk. Karel is in Aartrijke geboren in 1827, zijn broer in Zij hebben in het Pauselijk leger aan verscheidene veldslagen deelgenomen en toen de Stad Rome in de handen van het Italiaanse leger viel in 1870 werd het Zouavenleger ontbonden en trokken de twee broers terug huiswaarts. Zij hielden er beiden een klein pensioen aan over. Lodewijk werd knecht in de abdij van Perk en stierf te Antwerpen in Zijn broer Karel was een onverbeterlijke jager én stroper en werd, hij was nog niet zo lang terug uit Italië, door een jachtwachter dood geschoten. Wat de betekenis van de naam Haegebaert betreft, die heeft Karel ook kunnen achterhalen. De naam bestaat uit twee delen: haege en baert. Baert is een vervlaamsing van het oudgermaanse "behrt" en betekent schitterend. Haege is ook een woord met Germaanse oorsprong "hag" en betekent "aanstaan, bevallen". De naam zou dus betekenen "hij die schitterend bevalt door verstand of geest. De huidige naamdeskundige Dr. Debrabandere verwijst naar de naam Haghebaren te Gulligem in 1382 en wijst hierbij naar de Germaanse voornaam "Hagbarn. In de loop der eeuwen was de stam zelfs in het bezit van een schild met wapenspreuk. Het is een burgerlijk wapen met schildzoom en versierd met wisselende balken van zilver(gerechtigheid) en groen(vrijheid). Dit wapen is terug te vinden in het koor van de Begijnhofkerk te Brugge op een wit marmeren grafzerk van een begijn nl. Anna Marie Haghebaert overleden 20/4/1728. Zij moet verwant geweest zijn maar hoe is niet duidelijk. Onze eerste gevonden rechtstreekse voorvader is Hagebaert Joannes. Hierna volgt de stamboom HAGHEBAERT Joannes? +? X? tweede huwelijk VANDEREECKE Anna? +? HAGHEBAERT Philippus Brugge 19/7/16O7 + Zedelgem 15/9/1693 HAGEBAERT Philippus (de jonge) - koster Zedelgem 21/1/ Zedelgem 6/3/1705 HAGEBAERT Philippus landbouwer Zedelgem 18/4/ Ettelgem 4/2/1730 X 1/2/1641 X Zedelgem 3/11/1671 X Zedelgem 6/6/1692 X Roksem 25/7/1718 TAVERNIER Judoka Torhout I9/8/1619 +? VAN HOUTTE Jacoba Zedelgem 29/7/ Zedelgem 16/10/1688 VANDE WALLE Petronella Zedelgem 20/1/ Zedelgem 1/10/1709 HORE Maria Roksem 15/6/1698 +? - 2 -

185 Het Haeghebaert Verhaal HAEGEBAERT Joannes Baptist landbouwer Roksem 16/4/ Ettelgem 16/3/1772 HAEGEBAERT Joannes Franciscus landbouwer Ettelgem 1/8/ St.Pieters op den Dijk 1/5/1864 HAEGEBAERT Joannes landbouwer St.Pieters op den Dijk 6/8/ Brugge 30/3/1915 X Ettelgem 6/7/1745 X St.Pieters op den Dijk 2/6/1793 ( dit situeert zich ergens rond de Franse Revolutie! ) X St. Pieters op den Dijk 19/8/1819 Tweede huwelijk X Varsenare 1/7/1828 Derde huwelijk X St. Andries 21/7/1871 DE FLO0 Marie Zerkegem 3/7/2/ Ettelgem 6/7/1779 DE KETELAERE Petronella Zedelgem 2/11/ St.Pieters op den Dijk 19/8/1819 VAN BRABANT Joanna Theresia St.Pieters op den Dijk 18/8/ St.Pieters op den Dijk 20/8/1827 VERPLANCKE Anna Maria Varsenare 12/12/ St.Pieters op den Dijk 28/10/1869 MOMBALJEU Silvina Rosalie Assebroek 3/11/ Brugge 14/4/1915 HAEGHEBAERT Oscar Caesar hofbouwkundige Assebroek 17/8/ Oostende (kliniek) 18/11/1956 X Brugge 27/5/1895 X Brugge 15/10/1901 Tweede huwelijk (nauwelijks een half jaar na de dood van zijn eerste vrouw) DESCHEPPER Eugenie Dorothea Dudzele 12/4/ Brugge 11/4/1901 VAN DE VANNET Irma Florentina Varsenaere 3/5/ Blankenberge 7/1/1941 MORBÉE Emiel Maurice Louis Brugge 4/10/ Zeemansgraf 22/9/1942 Kapitein t/lange Omvaart X Blankenberge 30/9/1930 HAEGEBAERT Maria Godelieve Josepha Theresia Brugge 25/5/ Antwerpen (kliniek) 8/3/1972 Huisvrouw De vroegst getraceerde voorvader is Joannes Haghebaert en woonde te Brugge in de Langestraat naast een pottenbakker. Hij bracht zijn kroost vroom en wijs op. Zijn zoon Philippus Haghebaert wist zich op te werken tot het eervolle ambt van klerk. Op 25/8/1633 werd Philippus door de abt van de St. Pietersabdij van Gent benoemd tot koster van de St. Laurentiuskerk te Zedelgem. Hij zou dit ambt blijven bekleden tot zijn zoon het van hem - 3 -

186 Het Haeghebaert Verhaal overnam in Wij moeten ons bij het ambt van koster in die tijd heel wat anders voorstellen dan tot wat het kostersambt verworden is in onze tijd. Vooreerst bracht het ambt op zich al redelijk wat geld in het laadje, elk huwelijk of begrafenis gaf bijkomende verdiensten, nog verder aangevuld door niet onaardige inkomsten uit het beheer van "den dis" (een voorloper van het huidige O.C.M.W. maar dan kerkelijk georganiseerd), het verpachten van landerijen toebehorend aan de kerk, het ontvangen van de "cijnzen" (belastingen). De koster was meestal ook Amman, een soort deurwaarder en dat gaf eveneens inkomsten, bovendien was hij gezworen landmeter van het "Vrije". Voor die diensten moest ook dubbel en dik betaald worden. Kortom, onze Philippus verzamelde al deze ambten in zijn persoon en was een dikke burger. In het oude kerkarchief van Zedelgem wordt hij vaak vermeld als pachter of eigenaar. Hij was ook niet te beroerd om de familie te Brugge eveneens wat inkomsten te gunnen. Indien er werken moesten worden uitgevoerd in verband met zijn ambt komt men regelmatig Haegebaert's tegen zoals Jacques de smid, Jan de horlogemaker, Jan de timmerman, Adriaan de beestenkoopman. Op het einde van zijn leven ging het hem echter niet meer voor de wind en moest hij een groot deel van zijn bezittingen verkopen. Armlastig werd hij echter niet. Hij stierf in 1693 en werd diezelfde dag nog begraven links van het portaal in de St. Laurentiuskerk. Hij heeft in 1669 een pestepidemie meegemaakt en verloor door deze vreselijke ziekte twee dochters Johanna (21 jaar) op 28 Oktober en Anna (13 jaar) op 26 November. Hij heeft zolang hij leefde in het "Costershuys gewoond, gelegen ten Oosten, niet ver van de kerk in de groene strate tegen de Processieweg en ten zuiden besloten door een grote beke, zo staat het te boek. In 1663 nam zijn oudste zoon Philippus (de jonge) Haghebaert het kostersambt over. Zijn eerste vrouw brengt hem een niet onaardige bruidschat mee. Hij heeft uit dit eerste huwelijk 5 kinderen. Uit zijn tweede huwelijk heeft hij 4 kinderen. Bij zijn sterven is het jongste kind amper drie! Uit dit tweede huwelijk wordt de tak van de Haegebaert s, waartoe wij behoren, voortgezet! Evenals zijn vader heeft Philippus (de jonge) verschillende bronnen van inkomsten. In 1663 neemt hij het kostersambt over van zijn vader. Hij is dan nauwelijks 21. In 1671 huwt hij voor de eerste maal en in 1673 werd hij Amman en eveneens Ontvanger van "den dis". Uit zijn eerste huwelijk heeft hij slechts één zoon, die hem als koster zal opvolgen in In 1696 heeft ook hij financiële moeilijkheden (zijn vader had die in 1693) en ziet hij zich verplicht een groot deel land te verkopen. Hij sterft in 1705 en wordt begraven onder de grafsteen van zijn vader. Gezien er minderjarige kinderen zijn worden al zijn bezittingen verkocht met toestemming van de voogd van de kinderen en met tussenkomst van de pastoor van St. Laurentius. Zijn zoon Jacobus, uit het eerste huwelijk van Philippus (de jonge) met Jacoba Van Houtte, is de volgende in het rijtje van de opvolging van koster, maar is NIET degene die voor onze tak - 4 -

187 Het Haeghebaert Verhaal de stam zal voortzetten. Deze HAEGHEBAERT Jacobus (let op de meermaals veranderende schrijfwijze van de familienaam!) zal de derde koster zijn in het geslacht Haegebaert. Een geboortedatum hebben we niet. Hij huwde op 4/11/1698 VAN DEN BUSSCHE Petronella. Zij werd geboren te Aartrijke op 29/9/1678 en stierf te Zedelgem 3/7/1709. Jacobus overleed jong, in Juni 1703 dus nog vóór zijn vader! Het kostersambt, dat overerfbaar was, kon niet in de familie blijven (zijn oudste zoontje was slecht 4!) ging over op een zekere Johannes Vyncke, wiens familie kosters voor St. Laurentius in Zedelgem geleverd heeft tot in 1935! Er is nog een kleine anekdote in verband met de weduwe van Jacobus. Zij wilde blijkbaar onder geen beding het kostershuis verlaten en manoeuvreerde dusdanig dat zij in April 1704 huwde met de nieuwe koster, die benoemd was op 1/9/1703! Er moet volgens de archieven een hele polemiek voorafgegaan zijn met de abt van de St. Pietersabdij te Gent én de Pastoor te Zedelgem voor ze dit klaar gekregen heeft. Ze heeft er niet lang plezier van gehad want ze stierf, ook vrij jong, in Haar tweede man troostte zich vlug en hertrouwde enkele maanden na haar dood. De volgende in onze rij van voorouders is de oudste zoon, Philippus, uit het tweede huwelijk van Philippus (de jonge) Haghebaert met VANDE WALLE Petronella. Gezien in het kostersambt voor hem geen mogelijkheden lagen, zijn oudste halfbroer vulde het ambt op, zocht hij zijn brood in de landbouw en pachtte een boerenhof te Ettelgem. Hij overleed op 36 jarige leeftijd en liet een weduwe na en 2 minderjarige kinderen: Joannes 10 jaar oud en Maria 2 jaar oud. Gezien de minderjarigheid van de kinderen moest er een staat van goed opgemaakt worden om hun erfenis veilig te stellen. Om die "Staat van Goed" op te maken was men toentertijd blijkbaar niet haastig. Philippus overleed 4/2/1730, de "Staat van Goed" werd slechts opgemaakt op 27/5/1733! De inventaris van een landbouwbedrijf in het begin van de 18e eeuw is lezenswaardige lectuur. Letterlijk alles wordt erin opgenomen tot zelfs de mest in de mestput, bovendien zéér stelselmatig, plaats na plaats, zo goed binnen als op het erf en op de landerijen. Ik zal er een kleine keure van opnemen en de benamingen overzetten in hedendaags Nederlands want men heeft het b.v. over bouteillen, zwyns, stamysen, geluwen, patteelen, tailloren enz. in onze oren vrij onverstaanbaar. Zo worden ondermeer vermeld: 6 paarden, 8 koeien, 5 ossen, 8 kalveren, 2 schapen, 5 lammeren, 90 jaarlingen (kudde schapen), 5 varkens en acht jongen, 4 ploegen, 2 eggen, 3 wagens, 3 landbouwvoertuigen, 2 kruiwagens, 1200 schoven tarwe, 500 boonschoven, 300 erwtenschoven. Als voorraad was er o.a. 16 steen gezwingeld vlas, 35 Pond ingemaakt varkensvlees, 10 Pond vlasgaren, 4 Pond stopgaren, 4 vaten boekweit, 6 vaten erwten, 8 vaten bonen, 5 vaten haver, 5 vaten lijnzaad, 30 Pond suiker. Als keukengerief o.a. 21 borden, 5 kommen, 2 glazen flessen, 5 grote dienschalen enz. Wie geïnteresseerd is in de volledige inventaris kan ze later van mij krijgen! Blijkbaar komt er héél wat bij kijken om een boerenhof én de bijbehorende mensen gaande en staande te houden. In elk geval, na van de baten de schulden te hebben - 5 -

188 Het Haeghebaert Verhaal afgetrokken bleef er voor de kinderen over: 65 Pond, 3 schellingen en 1 grooten. Ergens in het werk staat vermeld dat rond 1650, 8 Pond ongeveer 800 Fr. of 20 Euro waard is. Dat geeft een beeld van de erfenis van de twee kinderen. Rijk waren ze niet maar zeker ook niet armlastig! De zoon Joannes Baptist Haegebaert wordt eveneens landbouwer. Uit zijn huwelijk met De Floo Marie, sproten 9 kinderen waarvan 4 hun vader vooraf gingen in de dood. Het groot brengen van de 5 overigen, de jongste was slechts 6, viel de weduwe blijkbaar zwaar en ze hertrouwde 7 maanden na de dood van haar man met een Van Troost uit Klemskerke. What's in a name! Zijn jongste zoon, Joannes Franciscus, zou onze stam voort zetten. Het minste wat men van deze man kan zeggen is dat hij op zijn minst een merkwaardige levensloop heeft gehad en dat hij verdraaid goed wist waar zijn profijt lag! Waarschijnlijk was hij knecht op de hofstee van zijn eerste vrouw, De Ketelaere Petronella, toen de baas daar stierf, een zekere Verschemoet. Hij moet zijn kans schoon gezien hebben om de weduwe op te vrijen en trouwde haar in Zij was 54, hij 27, dus half zo oud. Van lef gesproken! De vrouw had 4 kinderen uit haar eerste huwelijk en er werd een uitgebreid huwelijkscontract opgemaakt, waarschijnlijk om de belangen van deze kinderen te waarborgen. In 1805 verkopen die kinderen hun erfdeel aan Joannes (niet aan hun moeder!) voor de som van Fr. Pieternelle is ook niet van de armsten en door vererving bezit ze ook redelijk wat. Bij haar sterven gaan de meeste van haar goederen naar haar véél jongere man, die in 1814, bij een volkstelling nog geboekstaafd staat als dagloner. Dat blijft hij niet lang meer, want bij het sterven van zijn eerste vrouw is hij wel degelijk een "Hereboer"! Hij is 51 en gaat op vrijersvoeten. Hij vindt zich een vrouw van 30 jaar oud en 24 jaar jonger dan hijzelf. Hij heeft geen geluk want zijn tweede vrouw, Van Brabant Johanna, sterft in het kinderbed van het vierde kind, dat kort daarna ook overlijdt. Bij de dood van zijn tweede vrouw heeft hij de zorg voor 4 kleine kinderen onder de 5 jaar! Hij is dus verplicht uit te kijken naar een vrouw om de zorg voor die kleintjes op zich te nemen. Hij zelf heeft meer dan zijn handen vol om de hofstee en het land te verzorgen. Hij is geen kleine boer en heeft héél wat rond zijn hoofd! Hij is 62 én vindt de vrouw, Verplancke Anna Maria. Zij is 31 en dus half zo oud als hij! Voor hij haar echter trouwt op 1/7/1828 is het jongste kind ondertussen overleden op 4/I/1828, nauwelijks een half jaar oud! Hij hertrouwt dus in 1828 en er wordt weer een uitgebalanceerd huwelijkscontract opgemaakt. De derde echtgenote is ook niet onbemiddeld en in het contract wordt rekening gehouden met de bestaande en eventueel nog te komen kinderen. Uit dit huwelijk worden 7 kinderen geboren Toen vader Joannes met zijn jongste kind ten doop ging was hij 72 jaar! Hij heeft tot op hoge ouderdom gewerkt. Hij ploegde zelf zijn velden nog toen hij 90 jaar was. Hij is op 98 jarige ouderdom gestorven. Mijn moeders grootvader Haegebaert Joannes (zie verder) ofte "Paakie Jan" (wat betekent Grootvader Jan) was het vijfde kind uit dit derde huwelijk en was 29 toen zijn vader stierf. Hij woonde nog thuis en herinnerde zich - 6 -

189 Het Haeghebaert Verhaal levendig het sterfbed van zijn vader. Hij vertelde mijn moeder dat zijn vader op het einde van zijn leven geplaagd werd door ernstige reuma. Hij heeft enige tijd vrij ziek gelegen zodanig dat de kinderen elkaar aflosten aan zijn ziekbed op de voutekamer, om bij hem te waken. Paakie Jan weet zijn eigen reuma aan dat waken op die voutekamer, want "het was er koud en vochtig" vertelde hij. Zijn derde echtgenote, Anna Maria Verplancke, overleefde haar man slechts 5 jaar! Toen Moeder Haegebaert enkele jaren later stierf, op 28/10/1869 werd de hofstee, ongeveer 7 Hectaren groot (daarnaast werd nog heel wat grond gepacht) op 11/6/1870 verkocht om uit onverdeeldheid te geraken. De oudste broers bleven als pachter op de verkochte boerderij, want in de oorlog van ging men bij ons moeder thuis naar de voorouderlijke hoeve te St. Pieters op den Dijk om zich te bevoorraden als er schaarste was aan graan of andere boerderij producten. Bij de verkoop heeft de boerderij aan elk van de kinderen uit het derde huwelijk, de ronde som opgebracht van Fr. en 61 Centiem, een heel bedrag in die tijd! Alle Haegebaert s die tot nu toe de revue gepasseerd zijn konden lezen en schrijven, waarschijnlijk het erfdeel van de verre voorvader koster. Op alle akten staat de handtekening duidelijk geschreven, zelfs door de meisjes, een rariteit in die dagen! De volgende op onze lijst van voorvaders is het vijfde kind uit het derde huwelijk van Joannes Franciscus, nl. Haegebaert Joannes. Hij is de grootvader van mijn moeder. Zijn vrouw Silvina Monbaljeu was de dochter van een smid uit Assebroek en diende als meid bij een grootgrondbezitter op de Gistelse Steenweg te St. Andries. Bij mijn grootouders, die bij de ouders inwoonden (de zaak was eigendom van Paakie Jan) hadden ze binnen de twee weken twee begrafenissen. Beide echtelieden wisselden het tijdelijke met het eeuwige met 14 dagen verschil! De Haegebaert's zijn uiteindelijk, na veel omzwervingen sinds 1607, terug in Brugge verzeild, de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen! Paakie Jan was, volgens mijn moeder, een zachte vriendelijke man. Hij was klein en fijn van gestalte. Zijn vrouw "Poeten" (wat het betekent weet ik niet maar het duidt naar verluid, op haar manier van "zijn" n.l. bazig en grof in de mond) was een hoofd groter dan haar man en nogmaals volgens mijn moeder, een onvriendelijke, norse, bazige oude vrouw. Ik heb ooit hun trouwfoto gezien: hij staat, zij zit om het verschil in grootte te verdoezelen. Hij draagt vervaarlijke bakkebaarden en zij zit er zéér zelfverzekerd bij! Hij was toen 36, zij 37, niet direct piepjong om te huwen! Mijn moeder heeft haar moeder eens in tranen gevonden, tranen van moeheid en onmacht, te danken aan het gedrag van "Poeten". Na een dag hard werken, legde ze de laatste hand aan de schoonmaak, nl. het schuren en dweilen van een lange wit en zwart betegelde gang die het hele huis doorkruiste. Ze was met de laatste meter bezig toen Poeten uit de hof verscheen met groenten onder haar arm en met haar vuile voeten de ganse gang - 7 -

190 Het Haeghebaert Verhaal besmeurde, toen ze ermee naar haar vertrekken verdween. Ons moeders moeder kon dus weer van voorafaan beginnen, niet direct om mee te lachen, als ge doodmoe zijt. In elk geval is het mijn moeder bijgebleven. Het moet op haar een grote indruk gemaakt hebben, want zij was slechts 8 jaar toen haar grootmoeder overleed. Paakie Jan was, toen zijn vader stierf, verdere horizonten gaan opzoeken en trad in dienst van een adellijke dame, Juffrouw de Man, als hovenier. Hij had zijn woonst op het landgoed (waarschijnlijk te St. Andries) van zijn meesteres en boerde er goed. Hij deed mee aan verscheidene wedstrijden die ingericht werden voor hoveniersproducten en haalde meerdere malen Zilver of Goud voor zijn bloemen, groenten en fruit. In zijn vrije tijd ging hij wel eens op bezoek bij zijn halfzuster Amelia, die samen met haar tante, Josepha Van BRABANT (zuster van de tweede vrouw van Joannes Franciscus, Paakie Jans's vader) in dienst was bij een grootgrondbezitter, August de Laege, te St. Andries. Wie ontmoette hij daar? Juist, ja, zijn toekomstige vrouw. Zij huwden kort nadien. Sylvie bleef bij haar patroon werken tot 20/7/1872 (zij huwden in 1871), gaf dan haar ontslag om samen met haar echtgenoot te Assebroek te gaan wonen in de Zeventorrekesstraat, 16. Jan bleef bij zijn Juffrouw de Man werken en hield er thuis nog een klein boerengedoe op na. Volgens het Gemeentearchief te Assebroek bezat hij in 1876 één paard en twee koeien. In 1879 betaalt hij een personele belasting van 21 Fr. en 41 Centiem en verdient voldoende om op de kiezerslijsten te staan en is aldus stemgerechtigd voor Gemeente, Provincie en Wetgevende Kamer. In het archaische kiessysteem van toen mocht men blijkbaar niet kiezen als men geen duiten bezat! Voor ons lijkt dat nu een onvoorstelbare discriminatie! Ondertussen kreeg het gezin op 27/3/1873 een doodgeboren meisje, op 17/8/1874 een zoon Oscar-Ceasar en op 5/6/1876 een tweede zoon Arthur-Jozef (+ Roeselare 9/4/1942) Het gaat Paakie Jan blijkbaar voor de wind want op het einde van 1881 koopt hij een bedrijf te Brugge in de Ste.Clarastraat, 105, een vanouds bekende bloemisterij en verhuist met zijn gezin op Nieuwjaar 1882 naar de nieuwe stek. Het is wel een groot verschil met zijn keuterboerderijtje te Assebroek. Het is een ruim huis met een grote oranjerie over héél de zuidkant van het huis, een hoving zo groot als de markt van St. Niklaas met een boomgaard vol uitgezochte fruitsoorten en 5 grote serres. Vol fierheid liet hij boven de inrijpoort in levensgrote letters aanbrengen: "Etablissement Horticole - J. HAEGEBAERT. Langs mijn moeders kant heb ik nooit veel blijken van Vlaamsgezindheid gevonden. Eén van de dochters had zelfs haar Communieprentje in het Frans! Vol goede moed stort hij zich in zijn nieuw bedrijf, doet hier en daar wat aan vernieuwing en start, naast andere kweken zoals geraniums, verschillende soorten potplanten en chrysanten, de kweek van laurierplanten. Deze plant vraagt véél zorg maar is als sierplant zéér gegeerd door kapitaalkrachtig volk. Hij slaagt erin een bloeiende handel op te zetten met Engeland

191 Het Haeghebaert Verhaal Jaarlijks steekt een vrij groot aantal laurierboompjes het Kanaal over en dat legt hem geen windeieren! Naast de laurierkweek is hij ook gekend voor zijn uitgelezen fruit en druiven (uit de oranjerie!), die gretig aftrek vinden bij de grote hotels te Brugge. Het gaat hem voor de wind, temeer daar zijn oudste zoon zich ook engageert in het bedrijf en een fameus handje toesteekt om de zaak vlot te doen draaien. Ze kloppen lange dagen, maar kunnen er de zoete vruchten van plukken. Ik heb nog een foto in mijn bezit waar ze samen opstaan en laurierboompjes snoeien. De foto is gemaakt in 1900 en is genomen door de jongste zoon Arthur, de kunstenaar van de familie. Paakie Jan is daar 65 en zijn zoon Oscar 26. Paakie Jan blijkt zich ook aan wat "rijmelarij" bezondigd te hebben. Zo schreef hij eigenhandig op de laatste bladzijde van zijn kerkboek volgend gedicht: Om voor alle man van pas te maken En van iedereen te zijn bemind Dat zijn d'onmogelijke zaken Die men in de weireld vindt Dit boek, dat het kende spreken, Niemand zou mi in zijn zakken steken Die mij kocht, die had mij lief Die mij stael, die waer een dief Die mij wegsmeet, waar mij moe Daarom behoor ik aan Jan Haegebaert toe Jan hield blijkbaar aan zijn kerkboek, was waarschijnlijk een zeer gelovige man en tevens een vader die begrip had voor de aspiraties van zijn kinderen. De jongste zoon, die een kunstenaarsnatuur bezit, ziet het niet zitten in de bloemisterij en vraagt zijn vader, daar hij zéér goed kan tekenen, of hij de Academie mag volgen. Vader Jan, die wel ziet dat Artur "de bloemisterij niet in zijn vingers heeft" geeft toestemming. Zo bezoekt Arthur, vanaf het begin van de jaren 90, verscheidene jaren de Academie te Brugge, haalt zéér goede resultaten en vertrekt dan, in 1896, naar Antwerpen om ook daar de Academie te bezoeken. In 1898 trekt hij naar de Academie te Brussel en krijgt daar enkele eervolle vermeldingen. Hij neemt er deel aan " de Prijs van Rome". Hij haalt de voorbereidende wedstrijd en besluit dan kunstschilder te worden. Kort daarop huwt hij Bertha Magnée, die kinderloos sterft te Brugge op 30 jarige leeftijd op 21/9/1907. In 1908 huwt hij een Nederlandse uit Aardenburg, Jozina Van Der Hooft ( Aardenburg 22/5/ Roeselaere 2O/7/1962). Zij hebben 4 kinderen: twee dochters en twee zonen. Tante Jozina was een rijzige vrouw, goed gekleed en goed van de tongriem gesneden. Haar oudste dochter huwde een arts uit Roeselaere en volgde hem daarheen. Zoon Willem werd Directeur van de Academie in Brussel en stierf toen hij 42 was. Zoon Jan was een geweldige motorfreak, schoof met zijn moto uit op een ijzelvlek en donderde de vaart in, waar hij verdronk. Hij was pas dertig! De - 9 -

192 Het Haeghebaert Verhaal jongste dochter Wilhelmina, Mientje voor de familie, was een vlot, knap en levendig meisje met een overvloedige blonde krullenbol (zij was een jaar of 5 ouder dan ik). Zij fladderde wat rond in de Beau Monde, waar haar vader zich ophield omwille van de klandizie...en compromitteerde zich daar met enkele vooraanstaande gehuwde mannen. Ik ben haar na de oorlog uit het oog verloren. De zeldzame keren dat ik wat over haar hoorde klonk het ver van positief. Terug nu naar de carrière van Onkel Arthur! Tijdens Wereldoorlog 1 trok hij naar Nederland en woonde er te Middelburg, Scheveningen en Vlissingen. De man was beslist niet honkvast, hij is in zijn leven heel wat keren verhuisd! Hij kreeg gestaag meer naam en verkocht vrij goed. Na de oorlog kwam hij terug naar zijn vaderland en kreeg héél wat werk van kerken die met beschadigde of door de oorlog verloren gegane schilderijen zaten. In 1921 schilderde hij voor de O.L.Vrouwkerk in Vlissingen een kruisweg. Het werd een ander facet van zijn schilderkunst en werd in kunstkringen zéér gesmaakt. Zo schilderde hij in 1923 voor de kerk van Werken een kruisweg en herhaalde dat in 1924 voor de kerk van Klerken. Ondertussen woonde hij op de Zeedijk te Knokke en had daar een goed lopende galerie. Zijn vrouw baatte op hetzelfde adres een logementshuis uit, kwestie van steeds van een inkomen verzekerd te zijn! Bij wereldoorlog 2 trok hij weer op de vlucht, nu naar de Provence. Na een jaar keerde hij terug naar België en stierf in 1942 te Roeselaere, waarschijnlijk bij zijn oudste dochter waar hij na zijn terugkeer even inwoonde. De kritieken schrijven lovend over zijn werk: hij was een goede portretschilder en een landschapsschilder met visie, tevens een onvergelijkelijke stadshoekjes schilder. Men zegt over hem: hij was één van de betere, nu vergeten Brugse schilders. Zijn werken komen zelden op de markt. De meeste zijn in privé bezit en de mensen proberen ze binnenkamers te houden omdat het zulke zeldzame sfeerstukjes zijn. Mijn moeder kreeg bij haar trouwen van hem een schilderij als geschenk. Het is na haar dood, bij vererving, bij mij beland en hing in de hall van ons huis te Vorselaar. Het is er in Februari 2000 verbrand, zoals zoveel andere dingen. Het was een sfeerbeeld van een op het strand getrokken visserssloep, geschilderd vanuit kikkerperspectief, tegen een achtergrond van een strak blauwe hemel met voortjagende witte wolken. Spijtig genoeg heb ik er geen enkele afbeelding van. Ik hield van dat schilderij, ik vond het mooi! Tot Onkel Arthur's vriendenkring behoorden een hele plejade bekende tijdsgenoten o.a. Permeke, Ensor, Opsomer, Fagel en Cornelis. Hij beperkte zich dus niet alleen tot kunstschilders, ook beeldhouwers behoorden tot zijn vrienden. Cornelis immers was een beeldhouwer. Hij heeft in elk geval een heel oeuvre achter gelaten. Dit dus wat de enige broer van mijn grootvader betreft. In de rij van de stamopvolging volgt dus, na Paakie Jan, zijn oudste zoon Haeghebaert Oscar Caesar

193 Het Haeghebaert Verhaal Let weer maar eens op de andere schrijfwijze van de familienaam. Ik weet dat er bij de dood van Paakie Jan officieel moeilijkheden gerezen zijn met die andere schrijfwijze. Paakie Jan's naam werd HAEGEBAERT gespeld. In elk geval blijkt men later wel alert geweest te zijn op de juiste schrijfwijze want sinds dan wordt HAEGEBAERT correct geschreven in de familiestukken. Oscar werd van kleinsaf betrokken bij het werk van zijn vader en leerde daar de liefde voor de natuur. Hij voelde zich tot de stiel aangetrokken en vervolmaakte zich aan de Brugse Hofbouwschool waar hij dra blijk gaf van inzicht in de materie. Thuis hielp hij mee in de zaak. In 1894 werd hij opgeroepen als dienstplichtige en lootte erin. Vier jaar zonder de hulp van de zoon in de zaak zag vader Jan niet zitten en hij kocht zijn zoon uit voor een flinke som geld. (cfr. de "Verloren mannen" bij de Louis Keereman, de vader van Mutter). Het leven gaat verder en Oscar ontmoet zijn eerste vrouw. Zij is vijf jaar ouder dan hij en hij leert haar kennen langs een vriend van zijn broer Arthur nl. Karel Deschepper, eveneens een kunstschilder, die toendertijd te Dudzele woonde waar zijn ouders een hoeve pachtten. In 1898 gooiden deze boerenmensen het echter over een heel andere boeg en werden huisbewaarder in Gruuthuze, toen al een museum. Voor het echter zover was trok Oscar wel eens mee op bezoek met zijn broer naar de hofstee waar Karel Deschepper bij zijn ouders woonde. Op die manier leerde hij zijn vrouw kennen. Ze trouwden en vonden een woning in de Raamstraat te Brugge, op 5 minuten gaans van de Clarastraat waar vader Jan zijn bedrijf had. Zij kregen 2 kinderen, Bertha en Gaston. Eugenie Deschepper leed aan een nierkwaal. De opeenvolgende zwangerschappen deden daar geen goed aan en zij overleed, tengevolge van haar ziekte, op 11/4/1901. Haar jongste kind was net twee jaar oud. Voor ze overleed vertrouwde ze haar kinderen toe aan haar moeder, die toen al op Gruuthuze woonde. De kinderen zijn, na haar overlijden onmiddellijk bij de grootouders Deschepper ingetrokken en zijn er ook volledig opgevoed. Er waren wel vrij intense relaties met de Clarastraat, waar vader Oscar leefde, maar ze hebben er nooit gewoond! Raar, als je het mij vraagt maar er zal wel een ernstige reden geweest zijn voor deze beslissing. Na het overlijden van zijn vrouw trok Oscar terug in bij zijn ouders en is er na zijn tweede huwelijk in 1901 blijven wonen. Zijn tweede vrouw Irma, mijn moeders moeder, was de dochter van een hovenier die werkte op een groot landgoed in Varsenare. Naast vader Van de Vannet werkten ook zijn dochters op het landgoed. Dochter Irma zwaaide de plak in de keuken (zij kon formidabel koken en later vertelde men in de familie dat "Tante Irma van een str...nt een feestmaal kon toveren!".haar zus Marie (de moeder van Tante Agnes) was er bovenmeid, Julie was kindermeid en Clementine was gezelschapsdame. Zoals reeds gezegd was vader Van de Vannet er hofbouwkundige. Door zijn beroep kende hij de Haegebaert's en hij had een hele trits ongehuwde dochters op de huwelijksmarkt als de jonge weduwenaar Oscar, met zijn ziel onder de arm op vrijersvoeten ging. De keuze was gauw gemaakt en al héél vlug werd er getrouwd

194 Het Haeghebaert Verhaal Mijn grootmoeder was een hoogblonde, stevige, goedlachse meid van 28 toen ze trouwde. Ze is later, met de jaren én de kinderen van "een stevige meid" uitgegroeid tot een robuuste vrouw van 120 Kg.! Ik heb altijd de indruk gehad uit wat moeder zoal eens vertelde, dat dit huwelijk meer een huwelijk uit berekening geweest is dan uit liefde. Zij was achter in de twintig, bang "coiffée Ste.Catherine" te geraken. Hij was een knappe jonge vent met een goede broodwinning en hij was blij aan een gezonde, goedaardige, warme vrouw te geraken. In elk geval is zij voor hem een goede vrouw geweest en hij heeft van zijn kant, ook goed voor haar gezorgd. Ze zijn alles samen toch 40 jaar samen getrouwd geweest. Uit dit huwelijk sproten 6 kinderen. We zullen al de kinderen, ook die uit het eerste huwelijk, even de revue laten passeren: BERTHA Sylvie Virginie Brugge 8/6/ Brugge 31/10/1963 Zij huwde te Brugge op 10/4/1920 LEROU Alfons Brugge 1/1/ Ste.Kruis 9/11/1954 Van haar weet ik héél weinig, zij was een kleine, eerder lelijke vrouw die wel twee adonissen als zonen had. Die mannen waren niet alleen uiterlijk mooi, maar ze waren ook bedeeld met een zéér goed verstand en hebben van hun leven wat gemaakt. Bertha s man was een douane beambte en ze hebben samen jaren te Lapscheure gewoond, dicht bij de Nederlandse grens. GASTON Honoré Brugge 15/2/ Brugge 15/1/1973 Hij huwde te Stalhille op 6/4/1926 DESCHEPPER Flavia Maria Sophia Stalhille 14/7/ Assebroek 10/3/1998 Tante Flavie was de dochter van "de Garde van Stalhille", een verre neef van de grootvader van Gaston, bij wie deze opgevoed werd, na de dood van zijn moeder in Zo leerde hij haar kennen. Zij was een rijzige, knappe donkere vrouw met een stem als een klok. Zij was het tegenbeeld van haar rustige, zachtaardige man die haar met stille humor, rond zich bezig zag. Onkel Gaston was, zoals ik al zei, een rustige man die zijn werk in Gruuthuze zéér ter harte nam en daardoor het volledige vertrouwen van zijn werkgever kreeg. Hij was als jongen bij de "Fréres" naar school geweest, maar moest, bij het begin van de oorlog 14-18, door omstandigheden thuis de school verlaten. Zijn grootouders, die huisbewaarder waren van Gruuthuze en,daar ze reeds op leeftijd waren daarin geholpen werden door hun zoon de kunstschilder Karel Deschepper, verloren deze zoon aan tuberculoze begin Kleinzoon Gaston moest inspringen. Na de oorlog heeft hij er dan zijn benoeming als stadsbeambte gekregen en heeft er gewerkt tot zijn 65! Hij sprak vloeiend Frans, Engels en Duits. Ik heb hem dikwijls genoeg bezig gehoord, toen hij buitenlandse groepen gidste in het Museum. Hij was zéér belezen en wist enorm veel. Hij was ook een erudiete kenner van antiek en deed menig expert met blozende kaken staan. Zijn advies op vlak van antiek werd vaak gevraagd en meestal ook gevolgd b.v. bij aanschaf van één of ander museumstuk door de Stad

195 Het Haeghebaert Verhaal Brugge. Hij had ook aanleg voor tekenen, maar heeft nooit de tijd gehad om die gave te ontwikkelen. Hij was een aangenaam causeur en mijn vader genoot ervan om, zogauw hij er de gelegenheid voor had, een "boompje" met hem op te zetten. Toen dan ook onze Jan op komst was werd Tante Flavie als meter gevraagd. Het echtpaar Haegebaert-Deschepper had 3 kinderen: Karel, Jeanne en Suzanne. De dochters zijn inmiddels overleden, alle drie de kinderen hebben elk 2 zoons. Er zijn daar dus enkel mannelijke kleinkinderen: 2 Haegebaert's, 2 Steen's, 2 Hernou's. De jongste dochter Suzanne had een prachtige stem en was lid van het beste koor van Brugge. In het Morbée verhaal kom je ergens de naam tegen van René Deschepper, die op het einde van de Beuckelaerlaan te Ekeren woonde. Wel, hij is één van de vijf broers van Tante Flavie, was Natiebaas en gehuwd met de zuster van Kanunnik Hofkens. Even tussen haakjes, hij schreef met een ferket" zoals ze in Antwerpen zo beeldend zeggen en was op een gegeven ogenblik "Natiebaas" af. Ze hadden een groot gezin en één van de dochters, Martha, was gehuwd met een oudere broer van Leo Wuyts, de leider van het kerkkoor van St. Jozef te Merksem. De wereld is klein! Dit voor zover het de kinderen uit het eerste huwelijk van grootvader Oscar betrof. De kinderen uit het tweede huwelijk zijn, zonder uitzondering, klein van stuk en allemaal hoogblond met helder blauwe ogen. Ons moeder was de enige uitzondering. Ze was ook klein van stuk maar was donker van huid, donkerharig en ze had felgroene ogen. Haar vader zei vaak Je lijkt wel een ondergeschoven zigeunerkind!". De meisjes hadden allemaal kleine voeten en toen ze volwassen waren moesten ze, wilden ze een fatsoenlijke vrouwenschoen vinden in hun maat, hun toevlucht zoeken in de stad Rijsel! Daar waren kleine vrouwenmaatjes te vinden. Zij hadden de gestalte meegekregen van hun grootmoeder van moeders kant. Die was namelijk zó onder de maat dat haar man, als ze wat al te fel van leer trok zei: "Zwijg Moedere, je komt moa toet amen oenderbroeksband!". Hij was een goedmoedige, grote robuuste, hoogblonde man met stekelvarkens haar geknipt à la brosse", een andere haarstijl was trouwens niet mogelijk met zulk een haardos. Zij kwam inderdaad slechts met moeite tot zijn okselholte! Ze had ook zeer kleine voeten en haar kleindochters, die toen allemaal eerder grove laarzen droegen, waren er als de kippen bij om, als ze op bezoek kwamen, er vandoor te gaan met haar fijnste laarsjes in " chevreau", wat haar steeds protest ontlokte, bang als ze was dat haar mooie laarsjes zouden verknoeid raken door de grotere voeten van de kleindochters. Verder nu met het overzicht van de kinderen uit het tweede huwelijk: MAURICE Joseph, Jean Pierre Brugge 8/7/ Kortemark 30/3/1987 Hij huwde te Wenduine op 16/4/1929 DE KETELAERE Germana Maria Uitkerke 14/7/ Belsele? /1980? Zij was een dochter uit een welstellend gezin en bezat toen ze trouwde een hotel op de dijk

196 Het Haeghebaert Verhaal in Blankenberge. Toen mijn ouders huwden kregen ze, als trouwcadeau, het hele hotel ter hunner beschikking gesteld. Iedereen die wilde kon er die dag blijven slapen. Veel gasten hebben hiervan gebruik gemaakt, want het was een knallend feest, tot in de late uurtjes! Het personeel verzorgde het feestmaal dat door de ouders Morbée betaald werd. Alles was zo goed verzorgd dat nog menig familiehuwelijk er plaats gehad heeft. Onkel Maurice was architect en jarenlang Burgemeester van Klemskerke. Tante Germaine was een kleine fréle vrouw, die bij haar huwelijk een exclusief model van een of ander Parijs modehuis droeg. Het was kort, tot aan de knie, met een gelobte zoom. Het had handenvol geld gekost en héél wat commentaar gekregen. In mijn ogen was en is het nog steeds een afgrijselijk geval! Zij was een uitgelezen kokkin maar heeft steeds te kampen gehad met een fameuze zwakheid nl. de drank. Ze kon het niet laten en daardoor vervreemde ze van haar man en kinderen en was op het einde van haar leven vrij eenzaam. Uit dit huwelijk werden 3 kinderen geboren: Jan, Christine en Willem. De zonen hebben echte Haegebaert namen! Christine is anders geaard en woont samen met haar vriendin in Belsele. Zij was jaren hoofd van de Nurserie in de Kliniek van St. Niklaas en was naar verluid een zéér bekwame verpleegster met oog voor de situatie van elke patiënt. Jan was Burgerlijk Ingenieur-Architect en leidde jaren een groot studiebureel. Zijn broer Willem trok als architect naar de Arabische Emiraten om daar zijn fortuin te zoeken. Ondertussen is ook hij op pensioen en woont terug in ons land. Onkel Maurice was van kindsbeen af mijn vader's grootste vriend. In hun jonge jaren waren ze onafscheidelijk. Toen Maurice de Academie bezocht kwam daar Onkel Fons bij (de latere man van Tante Agnes). Het ging er, wanneer ze s avonds bijeen geweest waren, als volgt aan toe: de ene bracht de andere naar huis. Op het einde liep het als volgt af: men raakte niet uit gediscuteerd en men bracht b.v. Fons naar huis, die maakte aan zijn huis rechtsomkeer en ging mee terug naar de Clarastraat (de Kalvariebergstraat, waar mijn vader woonde was op een boogscheut afstand van de Clarastraat), daar werd weer rechtsomkeer gemaakt en weer vertrok men naar de Elisabethlaan waar Fons woonde. Zo ging dat soms tot 3 keer toe, tot iemand er genoeg van kreeg én te veel slaap had, want het was meestal in de late uurtjes! Ze hebben samen heel wat gezellige momenten beleefd, cfr. de verhalen die later verteld werden. Maurice heeft als architect wel succes gehad. Het laatste gebouw dat hij tekende was het nieuwe gevang van Brugge en de Rijkswachtkazerne. Samen met zijn oudste zoon Jan, de Burgerlijk Ingenieur Architect, had hij een studiebureel in de Haan met 36 man. Onbesproken waren ze echter geen van beiden op beroepsvlak. Voor corruptie draaiden ze hun hand niet om als het was om aan grote projecten te geraken! Jan bezat een 11 meter lang jacht en dat leende hij regelmatig uit aan hoge ambtenaren van het Ministerie die er orgiën hielden met andere vrouwen dan de hunne. Hij stak dat trouwens niet onder stoelen of banken. Dat was hun zaak, zei hij. In elk geval leverden die relaties hem aardig wat opdrachten op én niet van

197 Het Haeghebaert Verhaal de kleinste! Eens liep het mis! Hij heeft 6 maanden in de gevangenis gezeten om een "Verkozene des volks" uit de wind te zetten, wat hem overigens geen windeieren heeft gelegd. Ik heb wel eens gevist naar de naam van die politieker, die heeft hij nooit gelost. Hij zei wel dat een verblijf in de bajes ver van aangenaam was maar dat hetgeen ertegenover stond het de moeite waard maakte! In de familie was Maurice gekend als "hij die zere deelde". Hij zag verscheidene malen kans om zich bij oudjes als enige erfgenaam in hun testament te laten zetten en sloeg dan, bij hun dood, alles op zijn bil! Zijn schoonbroer Cyriel sprak daar zéér afkeurend over! Op Maurice volgt: WILLEM Gerard Irma Oscar Arthur Brugge 26/6/ Brugge 5/1/1918 Hij is geboren met een te groot hart en kreeg daar, bij het opgroeien meer en meer last van, tot zijn hart onder de druk begaf. Hij stierf op 13 jarige leeftijd. De volgende in het rijtje is mijn moeder. Haar historie kent ge. Ik wil er alleen een paar kleinigheden aan toevoegen: MARIA Godelieve Josepha Theresia Brugge 25/5/ Antwerpen (kliniek) 8/3/1972 Zij huwde te Blankenberge op 30/9/1930 MORBÉE Emiel Maurice Louis Brugge4/10/ op zee 22/9/1942 MARIA was mijn moeder. Zij was een sprietig, mager kind met sluik donker haar, dat nooit in de plooi wilde vallen. Zij had de neiging haar voeten wat naar binnen te zetten wat haar moeder steeds: " Maria, zet je voeten recht!" ontlokte als ze voorop liep, toen haar moeder met haar kroost op Zondagmiddag op bezoek ging bij haar ouders. Die moeten in Brugge gewoond hebben, na hun pensionering én op wandelafstand. Bompapa was zoals ik al zei, een boom van een man en "Bommamakie" een klein, fel vrouwtje. Zij is gestorven in de Carmerstraat en woonde bij haar dood in bij haar oudste dochter Marie, de moeder van Tante Agnes. Mijn moeders meter, Clementine Van de Vannet, had een grote bewondering voor de Heilige Godelieve en vroeg bij de geboorte van haar metekind of zij die naam mocht dragen. Nee, dat kon niet, het moest en zou Maria zijn, tot groot spijt van Tante Clementine. Toen mijn moeder dat later hoorde beloofde ze haar meter dat, als zij ooit zelf een dochter kreeg, zij Godelieve zou heten en zo geschiedde! Moeder vertelde wel eens wat over de eerste wereldoorlog b.v. hoe ze toen de eerste sinaasappel gegeten heeft: de Amerikanen zonden deze naar Europa als hulpgoederen! Bij haar thuis beschikte men over een bakoven. Haar moeder bakte alle weken twee keer brood voor het hele gezin en tijdens de oorlog soms voor familie die daar niet toe in de mogelijkheid was. Er was ook één koetje in de stal, dat door moeder Irma verzorgd werd als een "Bijou"! Het beest werd door haar zelf geborsteld, gemolken en alle dagen werd het hele achterkwartier afgesopt! Het stond op een soort houten vlonder waar de mest doorviel, zodanig dat het beest

198 Het Haeghebaert Verhaal nooit in de mest lag. Moeder Irma hield daar streng de hand aan. Zij heeft trouwens ons moeder leren melken! Wanneer die koe uit de circulatie verdwenen is weet ik niet. Wat ik wel weet is dat er ten huize Haegebaert in die oorlogsperiode ook geiten in de schuur stonden. Die leverden naast melk ook vers vlees! Blijkbaar werden ze eveneens verhandeld, als men een teveel van die beestjes had. Op een gegeven moment moest ons moeder met zo n geit naar Gruuthuze. Ze was toen een jaar of 10 en het stomme beest vertikte het om lijdzaam mee te gaan. Ze trok de hele tijd tegen en mekkerde dat het een lieve lust was! Ons moeder had de indruk dat alle voorbijgangers met haar lachten bij haar wanhopige pogingen het tegenstribbelende beest vooruit te krijgen. Het moet een komisch zicht geweest zijn: aan de ene kant een geit die haar kant op wou en aan de andere kant van de lijn een klein meisje dat het beest haast niet de baas kon en de andere kant op trok. Zij moest om in Gruuthuze te geraken, eender hoe, door het centrum van Brugge en voelde zich de risée van de hele stad! Wat een klein meisje lijden kan! Zo had zij ook de zorg voor haar jonger zusje, Elisabeth ofte Betje, die aan het Syndroom van Down leed. Moeder ging bij "de Jozefienen" op school. Op die school waren twee streng gescheiden afdelingen: een betalende afdeling en een onbetalende. Het was aan de leerlingen van de betalende afdeling ten strengste verboden ook maar enig contact te hebben met de onbetalende afdeling. Als kind begreep ons moeder daar niets van. Dat waren toch ook kinderen zoals zij zelf waren! De uitleg die de nonnen haar toen gaven voldeed haar niet. Ze zei dat dan ook waarop zij prompt strafregels kon schrijven. Zij vond deze straf maar een grote onrechtvaardigheid: Zij verkondigde toch alleen maar haar mening! zoals ze later vertelde. Betje ging samen met haar naar school en moeder Irma had Maria op het hart gedrukt goed voor haar zusje te zorgen. Op een regenachtige dag had zij een paraplu mee naar school. Een jongensschool uit de buurt beëindigde eveneens op hetzelfde uur de lessen. Een paar jongens konden het niet laten te pesten en Betje was een gemakkelijke prooi. Ons moeder had al een paar keer gezegd haar zusje met rust te laten, wat de onverlaten aan hun laars lapten. Opeens werd ze, door het geterg, zo kwaad dat ze met alle kracht waarover ze beschikte de grootste plaagstok met de paraplu op zijn hoofd sloeg. De pester hield er een grote buil aan over en mijn moeder een totaal vernielde paraplu! Het gevolg was dat nooit nog iemand hen lastig gevallen heeft! Toen ze jaar was werd bij moeder Irma borstkanker vastgesteld. Zij is in Brugge de eerste vrouw geweest waarbij een borst is afgezet, geen sinecure maar met succes! Ze is wel bijna een half jaar buiten strijd geweest. In die tijd heeft ons moeder het hele huishouden gerund: strijken, wassen, koken, kuisen, voor haar jongere zusjes zorgen, klanten te woord staan, haar moeder verzorgen. Ze vertelde later dat zoiets voor een jong meisje een bijna onmogelijke opgave was, dat ze in die periode nooit gedaan had en hondemoe was! Ze hield er, in de familie, de reputatie aan over dat ze alles aankon, met het gevolg dat ze wel eens

199 Het Haeghebaert Verhaal "uitgeleend" werd als iemand in de familie het niet meer zag zitten. Ze vond dat eigenlijk maar niks! Ze kloeg er niet over en wilde wel helpen maar het was hard werken en het bracht haar, afgezien van een onverschillig bedankje, niets op. Tijdens de oorlog van verhuurden de Haegebaert's, om hun inkomen wat op te krikken, een kamer aan een Engelse: de gezelschapsdame van Juffrouw Visart de Bocarmé". d' Ingelsche (ik heb nooit een naam gehoord) was hier door de oorlog gestrand en zocht een adres om haar vrije tijd door te brengen, weg van de druk van haar meesteres. Hoe ze bij mijn grootouders aangeland is weet ik niet. Ik heb ooit een sepia foto van haar gezien, het was een slanke jonge vrouw met een hoed als een karrenwiel op haar hoofd. Zij was, volgens ons moeder "very English" en zéér op decorum gesteld. Ze moet van goede familie geweest zijn en was altijd uiterst correct. Om in haar vrije tijd toch iets te doen te hebben gaf ze ons moeder, gratis, Engelse les. Ons moeder heeft het wel eens kunnen gebruiken bij uitzonderlijke gelegenheden maar vergat het in de loop der jaren, daar ze het niet nodig had. Toen "Uncle Douglas" in ons gezin verscheen na de bevrijding, was dat Engels vlug opgefrist. De man prees zich gelukkig in een gezin terecht te zijn gekomen waar ze hem in zijn moedertaal konden te woord staan. Nu spreekt zowat iedereen een mondje Engels maar toen ons moeder jong was, was dat uitzonderlijk. Trouwens Vader Delwaide, de voormalige Antwerpse Oorlogsburgemeester, sprak geen woord Engels en dat was toch een erudiete man! Het verwonderde mij danig dat een man, in zijn positie, geen woord Engels sprak! Ik heb het zelf kunnen constateren toen ik op een diner zijn tafelgenote was en tolk speelde voor mijn andere buurman, een Cubaan die met Delwaide, toen Schepen van de haven te Antwerpen, een gesprek wilde voeren. Mijn Engels is ver van Oxford English maar het volstond ruim om mijn tafelgenoten van toen uit de nood te helpen. Mijn moeder kreeg 4 kinderen: Godelieve, Willem, Jan en Robrecht die eerder al in het Morbée verhaal aan bod kwamen. Op ons moeder volgt: Elisabeth Julia Anna Brugge 6/1/ Blankenberge 25/3/1934 Zij had het "Syndroom van Down" en was volgens ons moeder een echte schat, vriendelijk en zachtaardig. Zij hield erg van ons moeder en huilde dagenlang tranen met tuiten, toen ons moeder trouwde en het tot haar doordrong, dat Maria's trouwen tezelfdertijd inhield dat ze haar ouderlijk huis voorgoed verliet. Ze is, zoals de meeste "Mongooltjes", niet oud geworden. De volgende is: CECILE Florentine Leonie Brugge 3O/11/ Blankenberge 17/10/1997 Zij huwde te Blankenberge op 16/10/1945 met GHELEYNS Cyriel Westkapelle 20/8/ Brugge 3/9/1995 (kliniek) Tante Cécile heeft het einde van de Wereldoorlog 2 moeten afwachten om haar boerenzoon te kunnen huwen. Zij had een nierinsufficiëntie. Tengevolge hiervan bleven ze kinderloos, tot

200 Het Haeghebaert Verhaal hun groot verdriet. In het Morbée - verhaal hebben we reeds de moeilijkheden aangegeven waarin zij, samen met haar jongere zus, betrokken was met mijn vader én zijn ouders als tegenpartij. We zullen hier het verhaal niet opnieuw vertellen. In elk geval, Tante Cécile had van jongsaf het "bloemen schikken" in haar vingers en toen ze trouwde opende ze een bloemenzaak in de omgeving van het Station te Blankenberge. Binnen zéér korte tijd had ze een goed beklante zaak en ze heeft erin gewerkt tot ze achter in de 70 was, tot op het moment dat haar man, onkel Cyriel, het in de bloemisterij voor bekeken hield. Daarna hebben ze van een welverdiende rust genoten. Tante Cécile heeft toen ze 60 was, een hersenbloeding gehad. Daar men er zéér vlug bij was is deze bloeding zonder gevolg gebleven. Ze is dement geraakt, kort nadat ze op haar renten is gaan leven. Haar man had er soms een hele klus aan haar in de gaten te houden. Cyriel was een stille, onkreukbare man met een strikte moraal. Hij was er de man niet naar om daar veel over te zeggen. Zijn afkeuring over sommige dingen uitte hij vooral door veelzeggend "niets" te zeggen! De volgende in de rij is: ALBERTINA Georgina Maria José Brugge 20/9/ Blankenberge tussen Zij huwde te Blankenberge op 15/10/1936 VERHOYE Ivo Kanegem 6/5/ Brugge 3I/5/1971(kliniek) Hij was een jongere zoon van een grote hofstee te Kanegem en kwam als knecht op het bedrijf van vader Haegebaert werken. Hij was een goeduitziende jongeman en Albertine (in de familie Pier genoemd, Pieter dus daar men bij haar geboorte een jongen verwachtte en zij zich later als kind én als puber als een wilde jongen gedroeg) werd hopeloos verliefd op hem. Vader vond het geen goede keuze en probeerde de zaak tegen te houden met het tegenovergestelde resultaat. Ze beet zich nog meer vast in haar keuze. Na enige tijd werd dan toch getrouwd. Ze kregen 4 kinderen: Thérèse, Pieter, Lieve en Paul. Thérèse kocht later, toen haar moeder stierf, het ouderlijke huis te Blankenberge, restaureerde het en woont nog op het oude vertrouwde adres in de Groene straat. Pieter heeft een grote bloemenzaak te Knokke. Hij had tweelingneven, die op Sint-Ignatius cursus liep. Ons vader heeft ze nog op cursus gehad en hij zei dat hun gelijkenis verbijsterend was! Lieve heeft steeds thuis geholpen in de zaak, heeft lang een depressie gehad, is een beetje verkeerd terecht gekomen, is nooit getrouwd en is uiteindelijk kassierster geworden in één of ander grootwarenhuis te Blankenberge. Paul is ook in de bloemen gebleven, huwde en was binnen het jaar gescheiden! Een jaar of tien na zijn trouwen omarmde Ivo een vriend, waar hij niet meer kon van scheiden en die hem meer en meer in zijn greep kreeg... de alcohol. Hij begon met zijn producten de openbare markten te doen. Daar is het begonnen! Tante Pier zag zich alras verplicht hem naar de markten te vergezellen om de zaken enigszins onder controle te houden. Zij was een knappe, aantrekkelijke vrouw die haar uiterlijk verzorgde. Menig man wierp een wellustige blik op haar. Zij kreeg een afkeer van haar man maar bleef toch bij hem (naar het

201 Het Haeghebaert Verhaal schijnt zou ze wel eens een scheve schaats gereden hebben: is het waar? Wie zal het zeggen.) Het werd zo erg dat men hem zonder geld moest zetten, elke cent die hij bezat ging naar drank, alle soort drank als het maar alcohol bevatte. Toen begon hij potplanten van het bedrijf te verkopen achter de rug van zijn vrouw. Het geld dat hij aldus verkreeg ging naar bier, dat hij opsloeg in de haag die het bedrijf omringde. Het was een hopeloos geval. Tante Pier probeerde een moeilijk leven te leven naast haar verslaafde man en runde met de hulp van haar schoonbroer Cyriel de zaak, tot ze hulp kreeg van haar opgroeiende kinderen. Met de jaren werd zij een harde vrouw met een luide stem, die onmiddellijk van zich afbeet als iemand haar in de weg kwam. Zij was voor ons wel vriendelijk maar op een koude afstandelijke manier. Zij heeft hard gewerkt, had welstand maar heeft geen gelukkig leven gehad. Ons moeder zei wel eens over haar zussen, terug denkend aan de geldaffaire met de Morbée s: "Ik wens hen niets kwaads toe, maar soms denk ik wel eens: Loontje komt om zijn boontje!" Mijn grootmoeder, Irma Van de Vannet was enerzijds de kleindochter van VAN DE VANNET Franciscus (koopman in hout) Loppem 2/10/ Jabbeke 20/4/1872 Hij huwde te Eernegem op 4/5/1838 VAN HEE Catharina Eernegem 1O/3/ Brugge 1886 Anderzijds was ze de kleindochter van VANDE WINCKELE Jan (smid) Gits 10/4/ Torhout, geen overlijdensdatum Hij huwde te Helchin op 25/6/1841 CALLENS Coleta Francisca Helchin 23/11/ Torhout: geen datum Zij was de dochter van VAN DE VANNET Pieter Franciscus (Bompapa!), hofbouwkundige Loppem 28/10/ Brugge 16/2/1922 Hij huwde te? op?/?/1865 VANDE WINCKELE Florentine(Bommamakie) Torhout 16/4/ Brugge 28/2/1927 Vader Pieter, Bompapa dus, was een jongere zoon en kon niet meewerken in vaders bedrijf. Hij zocht zich dus een andere broodwinning en verhuurde zich als hovenier op een groot landgoed te Varsenare. Ik ben de naam van de eigenaar vergeten. Het was één of andere baron. Hij heeft, met zijn gezin, zijn hele leven op dat goed gewoond tot hij op zijn renten ging leven te Brugge. Dat zowat al zijn kinderen er woonden zal wel een rol gespeeld hebben. Hoe hij zijn vrouw ontmoet heeft is in de nevelen der tijden verdwenen! Ze hadden 8 kinderen: 4 dochters en 4 zonen. Ik ken buiten mijn grootmoeder van geen enkele de geboortedatum, behalve van Tante Marie die van 1871 was. Irma was van Vermits haar ouders in 1865 getrouwd zijn, was ze waarschijnlijk één van de middelste kinderen. We lopen even het rijtje af: JULIE was kindermeid op het goed en huwde op latere leeftijd Pieter De Ketelaere, de brandstoffenleverancier van haar schoonbroer Oscar Haegebaert. Zij werd aldus de stiefmoeder van Germaine De Ketelaere, de vrouw die mijn moeders broer Maurice zou huwen. Voor zover

202 Het Haeghebaert Verhaal ik weet was zij, toen Germaine huwde, al overleden aan borstkanker. CLEMENTINE was gezelschapsdame van de barones en stierf rond haar vijftigste aan borstkanker. Zij was mijn moeder s meter. MARIE was bovenmeid op het kasteel en huwde een molenaarszoon uit Werken ergens rond 1900 n.l. Jerôme Vanden Berghe. Hij huurde de (nu) eerst staande molen op de stadswallen ter hoogte van de Bapaumestraat te Brugge en verdiende er goed zijn kost. Later kocht hij in de Bapaumestraat een groot gebouw en installeerde er een maalderij op stoom. Nog later bouwde of kocht hij zich een mooi huis in de Carmerstraat Nr. 116, rechtover het Engels klooster. Hij woonde daar met zijn gezin tot ook zijn vrouw overleden is ergens in de jaren 50. Zij hadden 3 dochters waarvan Agnes, de moeder van Tante Rita, de oudste is. De jongste, Suzanne, stierf aan baarmoederkanker toen ze achter in de 50 was. Tante Marie had het een beetje hoog in haar hoofd. Van haar stamt het gezegde:" Je moet niet peinzen op wat je geweest bent, je moet peinzen op wat je nu bent!" Dat typeert haar helemaal. Bommamakie woonde bij haar in toen ze stierf in IRMA, mijn grootmoeder, was kokkin op het kasteel en was in de familie vermaard om haar kookkunst. Enkele recepten uit haar keuken zijn mij, langs mijn moeder om, overgeleverd n.l. stoofvlees met rozijnen, gedroogde pruimen en abrikozen, hutsepot, koekenbrood, groentenroomsoep, poten en oren, erwtensoep, winterkonijn. Misschien zijn er nog meer, maar ze schieten me nu niet te binnen. Op aanvraag een paar van haar recepten. Ze zal nooit gedacht hebben dat een kleindochter dit nog eens zou neerpennen ten gerieve van haar nageslacht, zijnde haar achter-achterkleinkinderen! Hier volgen dus twee recepten op de wijze van grootmoeder Irma : STOOFVLEES Neem een halve Kg. Ajuinen en snipper ze fijn. Zorg voor 1 Kg. Runds - en 1 Kg. Varkensstoofvlees van goede kwaliteit samen met ½ Kg. gerookt spek en ½ Kg. Rundslever en Varkensnier(samen), dit alles in blokjes gesneden. Fruit de ajuinen in vetstof, doe hetzelfde met het vlees, voeg alles samen, leg bovenop laurier, tijm, zout en peper. Strooi daarbovenop een handvol rozijnen, 10 à 15 gedroogde pruimen en evenveel gedroogde abrikozen in stukjes gesneden en eventueel ontpit. Overgiet het geheel met een zwaar donker bier b.v. Trappist en laat een kleine twee uur stoven op een klein vuur tot het gaar is. Van tijd tot tijd eens omroeren en eventueel nog wat bier toevoegen. Opdienen met gekookte aardappelen en niet te mals gestoofde appelmoes. [Mijn commentaar: ik laat de lever en de nier weg omdat in deze milieu bezoedelde tijd het niet aangewezen is deze organen te gebruiken gezien de eventuele opstapeling van mogelijke hormonen en antibiotica. In 1900 waren de voedingsmiddelen nog eerlijk en beschikte de

203 Het Haeghebaert Verhaal bevolking over zuivere basisvoeding.] ROZIJNENBROOD Benodigdheden voor 3 broden: 3 Kg. bloem ¾ Kg. suiker 250 gr. boter (margarine) 100 gr. gist 6 eieren (dooier en wit) ¾ Kg. witte rozijnen snuifje zout ¾ L. volle melk. Smelt de gist in lauw water. Doe een ½ Kg. bloem in een grote kom, maak een putje in het midden en doe de opgeloste gist erin. Meng alles goed tot een soort deeg en laat rijzen boven warm water, de kom afgesloten met een handdoek. Tijdens dit rijzen doe je volgende bewerkingen: maak de melk handwarm, voeg er de suiker aan toe. Smelt de boter afzonderlijk. Neem terug de kom met de gerezen deeg, leg rond het deeg 2 Kg. bloem en helemaal tegen de rand het snuifje zout. Giet voorzichtig wat van het melkmengsel op het deeg en begin te kneden steeds meer van het melkmengsel toevoegend. Als de vloeistof op is strooi de rozijnen erin en voeg de boter toe. Kneed verder, doe er vervolgens één voor één de eieren in. Verder kneden tot het deeg niet meer plakt (soms moet je om dit te bekomen wat bloem bijstrooien), dit kan een klein kwartier in beslag nemen. Als het deeg droog is, het deeg afdekken en weg zetten op een warme plaats zonder tocht b.v. op de zijkant van een vuur op een pan warm water (of in onze tijd op een element van de centrale verwarming!) en laten rijzen. Als het deegvolume redelijk toegenomen is terug kneden, misschien moet je terug wat bloem toevoegen op het droog te hebben. De deegvormen insmeren met boter en vluchtig met wat bloem bestrooien. Het deeg in 3 of 4 delen en in de vormen doen, afdekken en terug zoals hierboven laten rijzen (plus minus 20 minuten). De oven opwarmen tot 180, de broden bestrijken met wat opgeklopt eiwit en in de voorverwarmde oven zetten. Na 15 minuten even kijken of de oven niet te hard gaat, eventueel de warmte verminderen. Na 3 Kwartier met een naald prikken of het deeg helemaal doorbakken is (de naald moet glad en droog blijven bij het uittrekken). Indien nodig nog even langer in de oven laten. Het brood uit de oven halen en op een rooster laten afkoelen. [Mijn commentaar: aan de hoeveelheden zie je dat mijn grootmoeder gewoon was om voor een groot gezin te koken en te bakken! De stoofschotel is lekker en voedend en het is overheerlijk brood maar vergis u niet, het is een tijdrovende bezigheid! Het is overigens niet goedkoop maar als je daar de kostprijs van de bakker mee vergelijkt loont het de moeite. Ik heb ooit een paar keer de kostprijs van een dergelijk Grootmoeder Irma brood opgetekend. In 1965 kostten 3 broden van meer dan 1 Kg. samen 151 Fr. of ongeveer Bij de bakker kostte een bijlange niet zo lekker rozijnenbrood van 800 Gr. 86 Fr. of Diezelfde 3 broden kostten in 1987, dus twintig jaar later, al zowat het dubbele of 314 Fr. zijnde Zo zie je wat een geldontwaarding wij in die tijd ondergingen.] RICHARD is in de hovenierderij gebleven en baatte op de Moerkerkse Steenweg te Ste Kruis

204 Het Haeghebaert Verhaal een bloemisterij uit met twee serres. Hij had een ziekelijke vrouw en één zoon, Gérard. MEDARD: wat hij deed weet ik niet. Zijn vrouw verliet hem voor een ander toen ze al een hele tijd getrouwd waren. Ze hadden twee zoons. Hij heeft die scheiding nooit kunnen verwerken, heeft het in zijn hoofd gestoken en werd zenuwziek. Op latere leeftijd is hij opgenomen te Beernem in een instelling voor zenuwzieken en is er gestorven. CAESAR was zelfstandige tuinverzorger in de stad Brugge. Zijn vrouw was hoedenmaakster en had een zaak in de Ezelstraat. Zij hadden 3 dochters. De middelste stierf op haar 50ste aan baarmoederkanker. De oudste zoon van deze middelste dochter, dus een kleinzoon van Caesar, is zeeofficier geworden. Onkel " CAESARKIE" was de enige thuis die de kleine gestalte van zijn moeder geërfd heeft. Hij was een kleine, fijne man, alles aan hem was klein, ook zijn handen en voeten. Hij mat, voor een man, nauwelijks 1,60 m.! JOSEPH was bakker. Hij was gehuwd maar ik heb nooit over kinderen gehoord. Hij was een gokker en een doortrapte vrouwengek. Hij reed over de tong in gans de stad. De familie liet hem links liggen, negeerde hem volkomen! Het kankergen is langs de Van de Vannet s in de familie gekomen. Mijn grootmoeder en twee van haar zusters werden ermee geconfronteerd. In de volgende generatie zijn mijn moeder en twee van haar nichten eraan gestorven. In mijn generatie ben ik de enige voor zover ik weet maar ik heb, spijtig genoeg, het kankergen door gegeven. Mijn grootmoeder moet een hartelijke vrouw geweest zijn! Zij gold in de familie als: hebbende een hart van koekenbrood ". Dat zegt genoeg over haar. Zij maakte van haar huis een warm nest waar de hele familie én ander volk graag kwam. Ze draaide er haar hand niet voor om, om op een drukke Zondagnamiddag stapels pannenkoeken te bakken voor al de neven en nichten die er onverwachts op bezoek kwamen. Die vertelden hun diverse ouders dat ze naar de "Metten en het Lof" gingen maar doken in plaats van zich met "de ernstige dingen des Geloofs" bezig te houden, bij Tante Irma binnen. Daar was altijd jong volk, er werd gepraat, gelachen, gezongen en soms gedanst, dit als vader Oscar in zijn "hum" was! Hij was een volleerd accordeonspeler en als hij erin was speelde hij het ene deuntje na het andere. Als men moe gedanst of gezongen was schoof men bij aan de tafel, beladen met lekkers en pannenkoeken. Het jonge volkje vergat wel eens zijn uur en ze konden het dan later aan de diverse ouders gaan uitleggen. Tante Agnes heeft op die manier hare Fonsen" leren kennen en is er, ik geloof in 1932, mee getrouwd. Er werden ook regelmatig fratsen uitgehaald. Zo verschenen mijn vader en Onkel Fons eens in een directoire (onderbroek) van grootmoeder Irma, elk met twee benen in één broekspijp. Die broek had de maten van een kleine tent. Grootmoeder was intussen uitgedeind tot een matrone van 120 kg.! Zij hadden die broek gevonden bovenop een mand gestreken wasgoed, het ideetje ontstond vlug en toen ze ten

205 Het Haeghebaert Verhaal tonele verschenen was het gelach niet uit de lucht. Grootmoeder kon er ook om lachen. Waarschijnlijk zag ze wel het komische van het geval in. Soms werden er op winterse avonden lichtbeelden geschenen en dan moesten de jongens de aanwezige meisjes naar huis brengen. Zo passeerden ze in huize Haegebaert hun Zondagen. Ons moeder vertelde dat ze bij haar thuis prachtige oude meubelen hadden, een deel had moeder Irma van haar adellijke bazin gekregen als uitzet toen ze trouwde. Helaas waren haar jongere zussen héél nieuwsgezind, vader gaf er niet om en de zussen zetten "al dien ouwen brol" op straat (op een enkel stuk na) om ze te vervangen door kitscherig aandoende, zogenaamd moderne meubelen, in plakhout. Ons moeder haar hart deed zeer toen ze het vernam. Zij was intussen getrouwd en van huis weg. Ze had geen inspraak meer in het vervangen van het meubilair. Ze heeft trouwens bij het afsterven van haar vader niets als aandenken aangeboden gekregen. Zelfs een erfenis was er niet bij voor haar! Zéér goed uitgedokterd van de Haegebaertjes! Ze heeft er niet van wakker gelegen! Mijn grootvader was een eerder zure droogstoppel. Hij was een pessimist en lag altijd overhoop met het weer. Het was voor zijn plantgoed en zijn laurieren steeds te warm, te koud, te nat, de wind zat steeds in het verkeerde gat. Kortom, het was nooit goed. Grootmoeder daarentegen was een optimist tot in de kist en bracht haar man af van zijn zwartgallige gedachten. Het is natuurlijk wel zo, dat hij gezien zijn beroep, terdege alert moest zijn op het weer, maar volgens mijn moeder overdreef hij. Zijn grootste tegenslag moest hij incasseren toen hij zich genoodzaakt zag zijn bedrijf te verkopen. De oorlog van had de handel op Engeland lam gelegd en het bedrijf moest zich zien te bedruipen met een aanzienlijk kleinere som aan inkomsten. Iedereen had gehoopt dat de oorlog niet lang zou duren maar ongelukkig genoeg sleepte hij vier lange jaren aan. Bovendien moest grootvader zijn broer s erfenis uitbetalen. Arthur had wel begrip voor de situatie en wilde wachten op zijn geld maar ook niet "tot den eeuwigen dage"! Dat beslommerde hem allemaal zeer. Eindelijk was dan de oorlog gedaan. Grootvader verwachtte daar héél wat van maar de handel hernam maar niet. Wie geld bezat moest het gebruiken om de hogere levenskosten te betalen, want de prijzen rezen de pan uit. Velen hadden ook schade geleden en hadden hun geld broodnodig om die schade te herstellen. Tot zijn wanhoop hernam de handel maar niet. Zijn gezin kostte hem ook handenvol geld. Grootmoeder werd ziek. Maurice kreeg een dubbele longontsteking en lag maanden ziek te bed. De dokter kwam regelmatig over de vloer en die kwam ook niet voor "niets en niemendal"! Maurice zou trouwens het bedrijf niet overnemen. In het begin van de jaren 20 besloot hij dan, ten einde raad, zijn bedrijf te verkopen. Het heeft hem wel wat centen opgeleverd maar hij heeft het nooit kunnen verwerken. Hij hield zich voor dat hij nog wat langer geduld had moeten oefenen want inderdaad, in de periode kort na de verkoop trok de handel aan en werd er weer geld à volonté verdiend én uitgegeven. Dat frustreerde hem enorm en heeft van hem een

206 Het Haeghebaert Verhaal bittere man gemaakt. Hij heeft dan een paar jaar in een bescheiden huis te Ste Kruis gewoond en was knecht bij zijn schoonbroer Richard. Hij voelde dat aan als een mislukking én een vernedering! In 1928 kon hij te Blankenberge een bedrijfje op de kop tikken in de Groenestraat met een groot stuk grond (dat hij niet nodig had), twee serres voor zacht goed en 90 uitgelezen druivenstokken van het ras Franckenthal. In Brugge kweekte hij de druivensoorten Leopold Deux en eveneens de soort Franckenthal. Deze laatste soort was een kleine druif maar super zoet. De klanten waren er verzot op. De hoteliers aan de kust waren gretige afnemers van deze druiven. Hij heeft het bedrijfje terug opgewerkt maar de fut was eruit. Hij was intussen ook een stuk in de vijftig. Hij was een fervente duivenmelker en had een hok vol prijsduiven die hem menige stuiver hebben opgebracht. Hij ging s Zondags naar de Hoogmis en spurtte bij het beëindigen daarvan de kerk uit, (de kerk stond zowat aan zijn voordeur!) recht zijn duivenhok op, zonder van kleding te veranderen, om zijn duiven te zien vallen! Dit tot grote ergernis en onvrede van zijn vrouw Irma, die nadien de grootste moeite had het pak, donkergrijze streepjesbroek en zwart veston, weer toonbaar te maken. Tijdens de oorlog mochten geen duiven en zeker géén reisduiven, gehouden worden. Reisduiven werden gelijk gesteld met het bezit aan vuurwapens en de bezitter ervan kreeg de doodstraf als hij betrapt werd. De stad Oostende heeft zo een enorme boete van 1 miljoen Belgische frankskes aan de bezetter moeten ophoesten! Oscar heeft toch kans gezien een paar van zijn beste prijsduiven gedurende gans de oorlog te laten overleven in één van zijn verder afgelegen serres! Het heeft hem moeite gekost maar het is hem gelukt. Na de oorlog kon hij zich dan weer volop op de kweek storten. Hij was lid van én secretaris van de duivenbond "Colombe Fidèle" gevestigd in de Hallestraat te Brugge, schreef in het Bondsblad en ging regelmatig naar Gent, Brussel en Antwerpen om prijsduiven te keuren. Hij was een krak in zijn hobby en zijn adviezen werden zeer op prijs gesteld. Mijn moeder had een aversie tegen duiven, gebraden of gesmoord. Alle duiven die niet voldeden, eindigden steevast, zonder pardon, in moeder Irma 's kookpot! Ons moeder heeft thuis zo dikwijls "duif" voorgeschoteld gekregen dat ze er een dégout van had en het nooit of te nooit op het menu zette toen ze zelf voor haar gezin instond. Zo zijn wij volwassen geworden zonder ooit duif geproefd te hebben. We hebben het overleefd! Grootvader is zijn eigen "prijsvlucht" begonnen op 18/11/1961. Hij is gestorven zonder het goed gemaakt te hebben" met zijn dochter, ons moeder. De geldaffaire met de Morbée s lag duidelijk moeilijk! Ons Mutter, die zelden over de affaire sprak, sprak als ze het over de Haegebaert s had, steeds met het grootste misprijzen over hen. Minachtend had ze het dan over dat absoluut onbetrouwbaar volk. Wij zijn op de uitvaart gevraagd. Ons moeder wilde er wel naartoe als een soort restitutie, ze had niet kunnen gaan naar haar moeders begrafenis en daar had ze altijd spijt van gehad. Ik heb haar vergezeld. We zijn vriendelijk én nieuwsgierig

207 Het Haeghebaert Verhaal ontvangen. Het was de eerste keer dat ik bewust de familie van mijn moeder ontmoette. Het deed me weinig. Zo eindigt het verhaal van de Familie Haegebaert. Voor ons moeder was het verhaal van de Morbée's dan allang begonnen! Pa en Ma Cogghe Vorselaar 3/6/2002 Bijgewerkt te Vorselaar op 23/04/

208

209 Het Haeghebaert Verhaal Foto s Foto H1: Pakie Jan en zoon Oscar Haegebaert (mijn grootvader) bezig met het snoeien van de laurieren. Foto genomen door zoon Arthur (de kunstschilder) in

210 Het Haeghebaert Verhaal Foto s Foto H2, H3, H4: het ouderlijk huis van mijn moeder Maria Haegebaert in de Sinte-Clarastraat 101 te Brugge. De ingangspoort is vrijgemaakt en het terrein van de hovenierderij is nu ingenomen door een nieuwe verkaveling waar de poort toegang toe geeft

211 Het Haeghebaert Verhaal Foto s INHOUDSOPGAVE Foto H1: Pakie Jan en zoon Oscar Haegebaert...1 Foto H2, H3, H4: het ouderlijk huis van mijn moeder Maria Haegebaert in de Sinte-Clarastraat 101 te Brugge

212

213

214

215 Nawoord Ik dank mijn schoonkinderen Dirk, Chris en Ann die zo vriendelijk zijn geweest mijn schrijfsels correct en goed-ogend te ordenen zodat het leesbaar wordt als het definitief op papier staat! Ik dank tevens Amandus, Hedwig en Gerald die zich met het scannen van de foto s en de documenten hebben bezig gehouden om het geheel levendiger te maken, iets wat Dirk al van in het begin suggereerde en waar zij volgaarne op ingegaan zijn. Hedwig heeft enkele liedjes op muziek gezet en Dirk heeft ze op de computer over genomen wat niet van een leiën dakje liep en waar ze beiden wel even mee bezig zijn geweest. Dank U allemaal. Zonder jullie kunnen, jullie ervaring en jullie kostbare tijd zou het er maar half zo goed uitzien. Daar ben ik mij terdege van bewust. Godelieve Cogghe - Morbée 15 juli 2006.

216

Vincent van Gogh. Hier zie je er een afbeelding van.

Vincent van Gogh. Hier zie je er een afbeelding van. Vincent van Gogh Een van de beroemdste schilders die Nederland heeft gehad was Vincent van Gogh. Deze kunstenaar heeft zelfs zijn eigen museum gekregen in Amsterdam. Toch wel heel bijzonder, zeker als

Nadere informatie

had, maar ook zij is achteraf alles kwijt geraakt door de oorlog.

had, maar ook zij is achteraf alles kwijt geraakt door de oorlog. 1. MIJN JEUGDJAREN De bedoeling waarom ik over mijn jeugd wil schrijven is om jullie mee te voeren in mijn verhaal, te laten meevoelen en te laten begrijpen hoe een kind van 4 à 5 jaar leeft in een moeilijke

Nadere informatie

De steen die verhalen vertelt.

De steen die verhalen vertelt. De steen die verhalen vertelt. Heel lang geleden kenden de mensen geen verhalen, er waren geen verhalenvertellers. Het leven zonder verhalen was heel moeilijk, vooral gedurende de lange winteravonden,

Nadere informatie

Oma Spillner en een dubbelhuwelijk in Schoonhoven

Oma Spillner en een dubbelhuwelijk in Schoonhoven Inleiding Oma Spillner en een dubbelhuwelijk in Schoonhoven In de jaren dertig groeide onze moeder op in Zuid-Limburg. Mama is de oudste van tien kinderen. Toen ze vier jaar oud was, kwam haar oma bij

Nadere informatie

Een Berbers dorp. Mijn zussen en ik mochten van mijn vader naar school. Meestal mochten alleen jongens naar school.

Een Berbers dorp. Mijn zussen en ik mochten van mijn vader naar school. Meestal mochten alleen jongens naar school. Een Berbers dorp Ik ben geboren en opgegroeid in het noorden van Marokko. In een buitenwijk van de stad Nador. Iedereen kent elkaar en altijd kun je bij de mensen binnenlopen. Als er feest is, viert het

Nadere informatie

De ontelbaren is geschreven door Jos Verlooy en Nicole van Bael. Samen noemen ze zich Elvis Peeters.

De ontelbaren is geschreven door Jos Verlooy en Nicole van Bael. Samen noemen ze zich Elvis Peeters. Over dit boek De ontelbaren is geschreven door Jos Verlooy en Nicole van Bael. Samen noemen ze zich Elvis Peeters. Dit boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over een man die vlucht naar Europa.

Nadere informatie

Wie was Schafrat(h)? En wat was de relatie met Van Gogh?

Wie was Schafrat(h)? En wat was de relatie met Van Gogh? Wie was Schafrat(h)? En wat was de relatie met Van Gogh? Soms weten bezoekers ons tijdens rondleidingen te vermelden dat Vincent van Gogh ooit een kamertje bewoonde in hotel Schafrath aan het Park in Nuenen.

Nadere informatie

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 MEMORY WOORDEN 1.1 TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 ik jij hij zij wij jullie zij de baby het kind ja nee de naam TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 2 MEMORY WOORDEN 1.2 TaalCompleet A1 Memory Woorden

Nadere informatie

Op hun knieën blijven ze wachten op het antwoord van Maria. Maar het beeld zegt niets terug.

Op hun knieën blijven ze wachten op het antwoord van Maria. Maar het beeld zegt niets terug. 1950 Het huilende beeld De zon schijnt met hete stralen op het kleine dorpje. Niets beweegt in de hitte van de middag. De geiten en koeien slapen in de schaduw. De blaadjes hangen stil aan de bomen. Geen

Nadere informatie

Alleen een plastic tasje

Alleen een plastic tasje Alleen een plastic tasje Gaat u zitten, fijn dat u er bent. Wilt u thee? Met suiker? Zal ik beginnen bij het begin? Ik woon hier sinds 1970. Toen ik hier aankwam, had ik alleen een klein plastic tasje

Nadere informatie

IK OVERLEEFDE AUSCHWITZ

IK OVERLEEFDE AUSCHWITZ Ferenc Göndör IK OVERLEEFDE AUSCHWITZ Uitgeverij Eenvoudig Communiceren 3 Mijn vader Lang geleden kwam een jonge, joodse man naar het land Hongarije. Mohr Goldklang was zijn naam. Dat was mijn opa. Mohr

Nadere informatie

Maar hij ziet niemand. Ik zal het wel gedroomd hebben, denkt hij dan. Hij gaat weer liggen en slaapt verder.

Maar hij ziet niemand. Ik zal het wel gedroomd hebben, denkt hij dan. Hij gaat weer liggen en slaapt verder. Over dit boek Karel en Elegast is een oud verhaal. Het gaat over trouw aan de koning en over verraad. Het is één van de eerste verhalen die in de Nederlandse taal zijn opgeschreven. De Karel in dit verhaal

Nadere informatie

DE DIENST VAN HET WOORD. Gebed bij de opening van het Woord. Inleiding bij het thema

DE DIENST VAN HET WOORD. Gebed bij de opening van het Woord. Inleiding bij het thema Zondag 17 januari 2016-2 e zondag na Epifanie THEMA: Ruth voelt zich welkom DE DIENST VAN HET WOORD Gebed bij de opening van het Woord Inleiding bij het thema Ruth voelt zich welkom, dat is het thema van

Nadere informatie

Ruth 1. Ruth en Noömi

Ruth 1. Ruth en Noömi Ruth 1 Ruth en Noömi Elimelech en zijn familie 1 Toen de rechters het land bestuurden, was er eens hongersnood in Juda. Daarom besloot een man uit Betlehem naar het land Moab te gaan. Zijn vrouw en zijn

Nadere informatie

Verloren grond. Murat Isik. in makkelijke taal

Verloren grond. Murat Isik. in makkelijke taal Verloren grond Murat Isik in makkelijke taal Moeilijke woorden zijn onderstreept en worden uitgelegd in de woordenlijst op pagina 84. Dit boek heeft het keurmerk Makkelijk Lezen Mijn geboorte Mijn verhaal

Nadere informatie

4 Heer, u hebt aan de mensen uw regels gegeven. Zo weet ik wat ik moet doen. 5 Ik wil leven volgens uw wetten, en dat volhouden, elke dag weer.

4 Heer, u hebt aan de mensen uw regels gegeven. Zo weet ik wat ik moet doen. 5 Ik wil leven volgens uw wetten, en dat volhouden, elke dag weer. Psalmen Psalm 119 Heer, ik wil leven volgens uw wetten 1 Gelukkig zijn mensen die altijd het goede doen, die leven volgens de wet van de Heer. 2 Gelukkig zijn mensen die altijd denken aan de woorden van

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands Van de koele meren des doods door Frederik van Eeden

Boekverslag Nederlands Van de koele meren des doods door Frederik van Eeden Boekverslag Nederlands Van de koele meren des doods door Frederik van Eeden Boekverslag door een scholier 1675 woorden 5,8 42 keer beoordeeld 2 november 2001 Auteur Frederik van Eeden Genre Psychologische

Nadere informatie

Werkstuk Geschiedenis Frankrijk in de tijd van het absolutisme

Werkstuk Geschiedenis Frankrijk in de tijd van het absolutisme Werkstuk Geschiedenis Frankrijk in de tijd van het absolutisme Werkstuk door een scholier 1970 woorden 12 oktober 2005 6,7 72 keer beoordeeld Vak Geschiedenis Hoofdvraag: Hoe beschrijven en verklaren we

Nadere informatie

Bert staat op een ladder. En trekt aan de planten die groeien in de dakgoot. Hij verstopt de luidspreker en het stopcontact achter de planten.

Bert staat op een ladder. En trekt aan de planten die groeien in de dakgoot. Hij verstopt de luidspreker en het stopcontact achter de planten. Helaas Wanneer besloot Bert om Lizzy te vermoorden? Vreemd. Hij herinnert zich het niet precies. Het was in ieder geval toen Lizzy dat wijf leerde kennen. Dat idiote wijf met haar rare verhalen. Bert staat

Nadere informatie

God houdt zijn belofte Genesis 21:1-6. De berg op Genesis 22:1-8. God heeft me heel gelukkig gemaakt! Ze noemden hun zoon Izak. Dat betekent: lachen.

God houdt zijn belofte Genesis 21:1-6. De berg op Genesis 22:1-8. God heeft me heel gelukkig gemaakt! Ze noemden hun zoon Izak. Dat betekent: lachen. 35 God houdt zijn belofte Genesis 21:1-6 Abraham wist dat God zich met Sodom en Gomorra aan Zijn woord gehouden had. Hij vertrouwde erop dat God Zijn belofte aan hem en Sara ook zou houden. Ze zouden een

Nadere informatie

Het is de familieblues. Je kent dat gevoel vast wel. Je zit aan je familie vast. Voor altijd ben je verbonden met je ouders, je broers, je zussen.

Het is de familieblues. Je kent dat gevoel vast wel. Je zit aan je familie vast. Voor altijd ben je verbonden met je ouders, je broers, je zussen. De familieblues Tot mijn 15e noemde ik mijn ouders papa en mama. Daarna niet meer. Toen noemde ik mijn vader meester. Zo noemde hij zich ook als hij lesgaf. Hij was leraar Engels op een middelbare school.

Nadere informatie

Kinderdienst: Helden Over David en Goliath.

Kinderdienst: Helden Over David en Goliath. Kinderdienst: Helden Over David en Goliath. Voor de dienst: *Wat is dat, dat is Goliath *Trek je wapenrusting aan *Ik volg de Heer *Groot en machtig zijt Gij 387 *Van A tot Z 241 opwekking voor kids Welkom

Nadere informatie

Zondag 6 maart 2016, 10.00 uur Jeugddienst. Voorganger: ds. Bert de Wit

Zondag 6 maart 2016, 10.00 uur Jeugddienst. Voorganger: ds. Bert de Wit Preek Zondag 6 maart 2016, 10.00 uur Jeugddienst Thema: @Home Voorganger: ds. Bert de Wit Schriftlezing: Lucas 15:11-32 Een vader had twee zonen zo begint het verhaal. Met de beschrijving van een gezin.

Nadere informatie

14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur.

14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur. Psalmen Psalm 78 1 Een lied van Asaf. De lessen van het verleden Luister allemaal naar mijn woorden. Luister goed, want ik wil jullie iets leren. 2 Wijze woorden wil ik spreken, wijze woorden over het

Nadere informatie

Bijbellezing: Johannes 4 vers Zit je in de put? Praat es met Jezus!

Bijbellezing: Johannes 4 vers Zit je in de put? Praat es met Jezus! Bijbellezing: Johannes 4 vers 7-27 Zit je in de put? Praat es met Jezus! Wij hadden vroeger een waterput Vroeger is meer dan 55 jaar geleden Naast ons huis aan de Kerkstraat in Harkema Ik weet nog hij

Nadere informatie

De tijd die ik nooit meer

De tijd die ik nooit meer De tijd die ik nooit meer vergeet Jan Smit uit eigen pen deel 3 De Stiep Educatief De tijd die ik nooit meer vergeet De schrijver die blij is dat hij iets kan lezen en schrijven, vertelt over zijn jeugd.

Nadere informatie

De sprookjesverzamelaar

De sprookjesverzamelaar De sprookjesverzamelaar Lieve ogen die dit boek lezen, lieve warme handen die het vasthebben. Sprookjes zijn de beste reizigers en de succesvolste migranten die ooit op onze prachtige planeet hebben bestaan.

Nadere informatie

werkt voor en met bewoners in wijken en buurten

werkt voor en met bewoners in wijken en buurten werkt voor en met bewoners in wijken en buurten Oma Geertje vertelt. 2 Welbions: we werken er allemaal. Wij zijn dé woningcorporatie van Hengelo en verhuren meer dan 13.000 woningen aan in totaal 25.000

Nadere informatie

Les 13: Geboorte van Jezus.

Les 13: Geboorte van Jezus. Les 13: Geboorte van Jezus. kun je lezen in lukas 1 en 2 Wees gegroet, Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. Maria kijkt op van waar ze mee bezig is. Er staat iemand in de deuropening van het huis

Nadere informatie

Inhoud. Aan jou de keuze 7. Niet alleen maar een boek 187. Auteurs 191. Dankwoord 197

Inhoud. Aan jou de keuze 7. Niet alleen maar een boek 187. Auteurs 191. Dankwoord 197 Inhoud Aan jou de keuze 7 1 Je ouders zijn ook maar mensen 11 2 Eerst ruzies, nu ook nog de scheiding 21 3 Dit is niet eerlijk! 31 4 Wat cijfers ons leren 41 5 En toen veranderde mijn wereld 51 6 Bij wie

Nadere informatie

De wereld op zijn kop! Kan de wereld op zijn kop staan? Met gym heb je het vast wel eens geprobeerd Op je kop staan, bedoel ik, soms lukt het

De wereld op zijn kop! Kan de wereld op zijn kop staan? Met gym heb je het vast wel eens geprobeerd Op je kop staan, bedoel ik, soms lukt het De wereld op zijn kop! Kan de wereld op zijn kop staan? Met gym heb je het vast wel eens geprobeerd Op je kop staan, bedoel ik, soms lukt het Maar het duurt maar heel even dat op de kop staan De wereld

Nadere informatie

Bijbel voor Kinderen presenteert JAKOB DE BEDRIEGER

Bijbel voor Kinderen presenteert JAKOB DE BEDRIEGER Bijbel voor Kinderen presenteert JAKOB DE BEDRIEGER Geschreven door: E. Duncan Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: M. Kerr en Sarah S. Vertaald door: Arnold Krul Geproduceerd

Nadere informatie

Wat gebeurde er met de beek Krith?

Wat gebeurde er met de beek Krith? Elia bij de weduwe in Zarfath. Wat gebeurde er met de beek Krith? 1 Koningen 17:7 7 En het gebeurde na verloop van vele dagen dat de beek uitdroogde, want er was geen regen in het land gevallen Welke opdracht

Nadere informatie

TANTE BETSIE. Charles & Herman Horsthuis. (Elisabeth Helena Henriëtte Issels) (Arnhem 11 oktober 1885 Haarlem 29 oktober 1943)

TANTE BETSIE. Charles & Herman Horsthuis. (Elisabeth Helena Henriëtte Issels) (Arnhem 11 oktober 1885 Haarlem 29 oktober 1943) Charles & Herman Horsthuis TANTE BETSIE (Elisabeth Helena Henriëtte Issels) (Arnhem 11 oktober 1885 Haarlem 29 oktober 1943) De kunstzinnige familie Issels, waaruit wij mede voortgekomen zijn, telde één

Nadere informatie

EEN PRINS WORDT EEN HERDER

EEN PRINS WORDT EEN HERDER Bijbel voor Kinderen presenteert EEN PRINS WORDT EEN HERDER Geschreven door: Edward Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: E. Frischbutter en Sarah S. Vertaald door: Erna van Barneveld

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands De foto in mijn hoofd door Yennik Meert

Boekverslag Nederlands De foto in mijn hoofd door Yennik Meert Boekverslag Nederlands De foto in mijn hoofd door Yennik Meert Boekverslag door een scholier 1960 woorden 2 februari 2007 7,8 9 keer beoordeeld Auteur Genre Yennik Meert Jeugdboek Eerste uitgave 2000 Vak

Nadere informatie

Opstandingskerk, 26 november 2017

Opstandingskerk, 26 november 2017 Opstandingskerk, 26 november 2017 Laatste zondag kerkelijk jaar, Symbolische bloemschikking laatste zondag kerkelijk jaar In de bijbel, het boek van verwachting, maar ook van verdriet lezen we in Openbaring

Nadere informatie

Café Kerkemeijer te Rekken

Café Kerkemeijer te Rekken -17- Café Kerkemeijer te Rekken Inleiding Café Kerkemeijer, aan de Rekkenseweg te Rekken, is in de gehele regio een bekende locatie en één om wat voor bijeenkomst dan ook te houden. Iedereen in Rekken

Nadere informatie

Gemeente van onze Heer Jezus ChristusGemeente van onze Heer Jezus Christus!

Gemeente van onze Heer Jezus ChristusGemeente van onze Heer Jezus Christus! Gemeente van onze Heer Jezus ChristusGemeente van onze Heer Jezus Christus! Jongens en meisjes! Hebben jullie vanmorgen de kerkklok gehoord? Ja, vanmorgen hoorden we ook een klok luiden in de kerk. Maar

Nadere informatie

Boek 1 De jongen in de gestreepte pyjama

Boek 1 De jongen in de gestreepte pyjama Boek 1 De jongen in de gestreepte pyjama Zakelijke gegevens: 1. Titel van het boek: De jongen in de gestreepte pyjama. 2. Het boek heeft geen ondertitel. 3. De auteur van het boek is John Boyne 4. Het

Nadere informatie

STADEN TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG

STADEN TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG STADEN TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG Staden voor de oorlog STA_07 De Speyhoek in Staden, voor de oorlog. Iedereen komt naar buiten voor de fotograaf. Moeders met lange rokken en grote schorten, vaders

Nadere informatie

Alleen is maar alleen

Alleen is maar alleen 177 177 HOOFDSTUK 11 Alleen is maar alleen WOORDEN 1 1 Heb jij het ook zo...? a los b druk 2 Aan welke... van de stad woon jij? a kant b plek 3 O, daar? Daar woont ook een... van me! a omgeving b kennis

Nadere informatie

Emma van Waldeck-Pyrmont: Arolsen, 2 augustus 1858 Den Haag, 20 maart 1934

Emma van Waldeck-Pyrmont: Arolsen, 2 augustus 1858 Den Haag, 20 maart 1934 Emma van Waldeck-Pyrmont: Arolsen, 2 augustus 1858 Den Haag, 20 maart 1934 Adelheid Emma Wilhelmina Theresia, geboren als Adelaïde Emma Wilhelmina Therèse zu Waldeck und Pyrmont, prinses van Waldeck-Pyrmont,

Nadere informatie

Werkwoordoefeningen bij les 5

Werkwoordoefeningen bij les 5 Werkwoordoefeningen bij les 5 Werkwoordoefening 1 1 Ik loop. Ik liep. 2 Ik loop naar huis. Ik liep naar huis. 3 Ik loop op straat. Ik liep op straat. 4 Ik ga naar school. Ik ging naar school. 5 Ik ga naar

Nadere informatie

DE RIJKE MAN, DE ARME MAN

DE RIJKE MAN, DE ARME MAN Bijbel voor Kinderen presenteert DE RIJKE MAN, DE ARME MAN Geschreven door: Edward Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: M. Maillot en Sarah S. Vertaald door: Arnold Krul Geproduceerd

Nadere informatie

IN GESPREK MET Nieuwe Testament

IN GESPREK MET Nieuwe Testament IN GESPREK MET Nieuwe Testament Ontdekkingsreis 11: Jezus, Gods Zoon Goed nieuws! Keziah en haar moeder en vader (Alison en Peter) lezen samen dit bijbelverhaal. De 7 jaar oude Keziah heeft allerlei vragen

Nadere informatie

Stadswandeling. Kruispoort

Stadswandeling. Kruispoort Brugge Brugge is de hoofdstad van de provincie West-Vlaanderen. De gemeente telt bijna 117.000 inwoners. Ongeveer 20.000 daarvan wonen in het historisch centrum. In 2002 was Brugge Culturele hoofdstad

Nadere informatie

EEN PRINS WORDT EEN HERDER

EEN PRINS WORDT EEN HERDER Bijbel voor Kinderen presenteert EEN PRINS WORDT EEN HERDER Geschreven door: Edward Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: E. Frischbutter en Sarah S. Vertaald door: Erna van Barneveld

Nadere informatie

OPA EN OMA DE OMA VAN OMA

OPA EN OMA DE OMA VAN OMA Hotel Hallo - Thema 4 Hallo opdrachten OPA EN OMA 1. Knip de strip. Strip Knip de strip los langs de stippellijntjes. Leg de stukken omgekeerd en door elkaar heen op tafel. Draai de stukken weer om en

Nadere informatie

ROBIN HOOD EN ZIJN VROLIJKE VRIENDEN

ROBIN HOOD EN ZIJN VROLIJKE VRIENDEN ROBIN HOOD EN ZIJN VROLIJKE VRIENDEN ond het einde van de twaalfde eeuw regeerde de goede koning Richard Leeuwenhart over Engeland. Toen hij koning werd, was de schatkist leeg en waren de knagers arm en

Nadere informatie

KIEZEN VOOR WERK: HANDLEIDING

KIEZEN VOOR WERK: HANDLEIDING CASUS: AMINA Alle vrijheid die ik in Turkije had verdwijnt. Ik voelde me opgesloten en depressief. Toen ik mijn man leerde kennen ben ik misschien te veel van dingen uitgegaan en heb ik te weinig gevraagd.

Nadere informatie

Uitleg van het thema. De Bijbel wereldwijd

Uitleg van het thema. De Bijbel wereldwijd Uitleg van het thema De Bijbel wereldwijd Gedicht: Een Boek De buurvrouw heeft een mooi boek met allemaal mooie verhalen Ik wil ook graag zo één mama, ik zal het zelf betalen Verhalen over lang geleden,

Nadere informatie

D Artagnan gaat naar Parijs

D Artagnan gaat naar Parijs D Artagnan gaat naar Parijs Artagnan reed op zijn oude paard, een uitgeputte knol met een trieste blik. Ook al was zijn paard op zijn minst vreemd te noemen en ook al waren de kleren die hij droeg verbleekt,

Nadere informatie

Bijbel voor Kinderen. presenteert JACOB DE BEDRIEGER

Bijbel voor Kinderen. presenteert JACOB DE BEDRIEGER Bijbel voor Kinderen presenteert JACOB DE BEDRIEGER Geschreven door: E. Duncan Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: M. Kerr en Sarah S. Vertaald door: Arnold Krul Geproduceerd

Nadere informatie

Schilndler s list gaat over de tweede wereld oorlog. Schindler wil gebruik maken van de joden.

Schilndler s list gaat over de tweede wereld oorlog. Schindler wil gebruik maken van de joden. Filmverslag door M. 1967 woorden 6 november 2014 8,6 2 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Memo Het gaat over een man Schindeler hij is een Duitser. Hij is geboren in 1908 in het plaatsje Zwittau

Nadere informatie

In één klap. Auteur: Johanna van Caspel

In één klap. Auteur: Johanna van Caspel In één klap Auteur: Johanna van Caspel Voorwoord Beste lezer, In deze tijd zijn veel mensen bezig met allerlei dingen die er niet toe doen, we maken ons druk om van alles en nog wat maar zien niet wat

Nadere informatie

Er was eens een meisje dat zich heel alleen voelde. Haar naam was Sterre. Ze hield van lezen, maar ze had maar één boek:

Er was eens een meisje dat zich heel alleen voelde. Haar naam was Sterre. Ze hield van lezen, maar ze had maar één boek: Er was eens een meisje dat zich heel alleen voelde. Haar naam was Sterre. Ze hield van lezen, maar ze had maar één boek: De onzichtbare wereld van vlinders en andere vladderaars. Ze had het boek wel honderd

Nadere informatie

Filmverslag Frans Un Long Dimanche d'un Fiancailles

Filmverslag Frans Un Long Dimanche d'un Fiancailles Filmverslag Frans Un Long Dimanche d'un Fianca Filmverslag door E. 1877 woorden 4 mei 2014 6 6 keer beoordeeld Vak Frans A Algemeen Regisseur: Titel: Jean-Pierre Jeunet Un long Dimanche de Fianca Premiere:

Nadere informatie

Hans Kuyper. F-Side Story. Tekeningen Annet Schaap. leopold / amsterdam

Hans Kuyper. F-Side Story. Tekeningen Annet Schaap. leopold / amsterdam Hans Kuyper F-Side Story Tekeningen Annet Schaap leopold / amsterdam De eerste woorden Naomi was geen bang meisje. Nou ja, meestal niet. Extreem grote spinnen ging ze liever uit de weg, en al te opdringerige

Nadere informatie

De kleine draak vindt het drakenland Iris Kater. Vandaag wil ik jullie iets vertellen over een kleine draak.

De kleine draak vindt het drakenland Iris Kater. Vandaag wil ik jullie iets vertellen over een kleine draak. De kleine draak vindt het drakenland Iris Kater Vandaag wil ik jullie iets vertellen over een kleine draak. Deze kleine draak werd in de mensenwereld geboren en heeft lang bij zijn vriend Maurice en zijn

Nadere informatie

Julia Clarysse 100 jaar

Julia Clarysse 100 jaar Julia Clarysse 100 jaar Op 1 maart 2006 wordt Julia Clarysse 100 jaar. Ze heeft tot haar 85 ste in de Oude Molenstraat gewoond. Daarna is ze bij haar dochter Maria in Gompel ingetrokken en de laatste tien

Nadere informatie

Herhalingsoefeningen. Thema 3 Familie en relaties. 1 Woorden. Familie

Herhalingsoefeningen. Thema 3 Familie en relaties. 1 Woorden. Familie Herhalingsoefeningen Thema 3 Familie en relaties 1 Woorden Familie Lees de zinnen over de familie van Simon en Els. Schrijf de volgende namen in de stamboom: Hans, Helena, Hester, Joke, Mark, Michiel,

Nadere informatie

te gaan. Geen tv, grote gezinnen en ook de dochters liepen er al op jonge leeftijd nogal eigenaardig bij. Die leken door die truttige kleding ook

te gaan. Geen tv, grote gezinnen en ook de dochters liepen er al op jonge leeftijd nogal eigenaardig bij. Die leken door die truttige kleding ook Fixed price. Bij de volgende klant, een alleenstaande oudere vrouw ergens in de regio, is het de bedoeling om de Amberboom in de voortuin en nog een aantal heesters in de borders te snoeien. Verder nog

Nadere informatie

DE RIJKE MAN, DE ARME MAN

DE RIJKE MAN, DE ARME MAN Bijbel voor Kinderen presenteert DE RIJKE MAN, DE ARME MAN Geschreven door: Edward Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: M. Maillot en Sarah S. Vertaald door: Arnold Krul Geproduceerd

Nadere informatie

Welkom in Caddum Mijn vrienden heten Henk en Gijs. De achternaam van Henk is Van Brakel. Maar iedereen noemt hem Henk van Henk en Aartje. Dus Henk zij

Welkom in Caddum Mijn vrienden heten Henk en Gijs. De achternaam van Henk is Van Brakel. Maar iedereen noemt hem Henk van Henk en Aartje. Dus Henk zij Inleiding Vroeger woonde ik in Caddum. Ik ben daar niet geboren. Maar ik woon daar vanaf mijn derde jaar. Caddum is een klein dorp op de Veluwe. Echt een boerendorp. De meeste mensen in het dorp zijn boer.

Nadere informatie

LICHTERVELDE TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG

LICHTERVELDE TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG LICHTERVELDE TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG Voor de oorlog LI_07 Er is veel volk op de dorpsplaats samengekomen en overal hangen vlaggen. Niemand is aan het werken. Het is waarschijnlijk zondag, en mooi

Nadere informatie

Mijn mond zat vol aarde

Mijn mond zat vol aarde Mijn mond zat vol aarde Serie: Verhalen kind in oorlog Tekst: Meike Jongejan Onderzoek: Mariska de Boer en Hans Groeneweg Redactie: Jan van Zijverden Vormgeving: Richard Bos 2015, Fries Verzetsmuseum,

Nadere informatie

Geelzucht. Toen pakte een vrouw mijn arm. Ze nam me mee naar de binnenplaats van het huis. Naast de deur van de binnenplaats was een kraan.

Geelzucht. Toen pakte een vrouw mijn arm. Ze nam me mee naar de binnenplaats van het huis. Naast de deur van de binnenplaats was een kraan. Geelzucht Toen ik 15 was, kreeg ik geelzucht. De ziekte begon in de herfst en duurde tot het voorjaar. Ik voelde me eerst steeds ellendiger worden. Maar in januari ging het beter. Mijn moeder zette een

Nadere informatie

mirjam prinsen Door de ogen van mijn moeder Oorlogsherinneringen van een Rotterdams meisje

mirjam prinsen Door de ogen van mijn moeder Oorlogsherinneringen van een Rotterdams meisje mirjam prinsen Door de ogen van Oorlogsherinneringen van een Rotterdams meisje mijn moeder Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen en herhaal ze honderd malen, alle malen zal ik wenen Uit

Nadere informatie

vier generaties BEUKMAN Amsterdam

vier generaties BEUKMAN Amsterdam vier generaties BEUKMAN in Amsterdam Inhoudsopgave Voorwoord...3 I. Franciscus Wessellus Josephus Beukman 1783-1867...4 Van winkelier tot handelaar in onroerend goed...7 De bezittingen van Franciscus Wessellus...10

Nadere informatie

JONGENS VERSUS MEISJES

JONGENS VERSUS MEISJES 1 JONGENS VERSUS MEISJES Een verfrommeld briefje Woensdagmiddag. Even rust. Dacht ik. Maar neen, ik moest zeker nog bij oma en opa langs en enkele foto s sorteren uit hun kinder- en jonge jaren, hun huwelijk

Nadere informatie

Bijbellezing: Johannes 2 vers 1-12. Bruiloftsfeest

Bijbellezing: Johannes 2 vers 1-12. Bruiloftsfeest Bijbellezing: Johannes 2 vers 1-12 Bruiloftsfeest Sara en Johannes hebben een kaart gekregen In een hele mooie enveloppe Met de post kregen ze die kaart Weet je wat op die kaart stond? Nou? Wij gaan trouwen!

Nadere informatie

ACHTERUIT ZWEMMEN IN GLASSPLINTERS door Herman Brusselmans

ACHTERUIT ZWEMMEN IN GLASSPLINTERS door Herman Brusselmans door Herman Brusselmans ACHTERUIT ZWEMMEN IN GLASSPLINTERS Ik ben begonnen met schrijven op mijn 23e. Maar het grote succes kwam pas later. Op mijn 24e. Door dit succes bleef ik schrijven. Maar ook omdat

Nadere informatie

Een leerling van Jezus vertelt ('walking sermon' langs kunstwerken)

Een leerling van Jezus vertelt ('walking sermon' langs kunstwerken) Een leerling van Jezus vertelt ('walking sermon' langs kunstwerken) Doek achter de tafel Even kijken hoor. U en jullie hebben er al naar kunnen kijken, maar ik nog niet. Nu wil ik het goed zien. Ja, zo

Nadere informatie

De leerlingen van Jezus zijn in afwachting. Ze voelen het.. er staat iets volkomen nieuws te gebeuren. Het is immers Jezus die spreekt over zijn vertrek bij hen. Voorgoed of is er nog wel een toekomst

Nadere informatie

Liturgie voor zondagochtend 21 augustus in de Westerkerk te Veenendaal

Liturgie voor zondagochtend 21 augustus in de Westerkerk te Veenendaal Liturgie voor zondagochtend 21 augustus in de Westerkerk te Veenendaal Aan Tafel [VBW-themalied] De allergrootste Koning de allergrootste Koning Heeft aan jou een vraag: heeft aan jou een vraag Mag ik

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands De junival door Jan Wolkers

Boekverslag Nederlands De junival door Jan Wolkers Boekverslag Nederlands De junival door Jan Wolkers Boekverslag door een scholier 1549 woorden 1 december 2000 3,3 44 keer beoordeeld Auteur Genre Jan Wolkers Psychologische roman Eerste uitgave 1982 Vak

Nadere informatie

... NAAR EEN BETERE WERELD

... NAAR EEN BETERE WERELD ... NAAR EEN BETERE WERELD Wat ik waardevolle Wat mijn groep waardeafspraken vind... volle afspraken vindt... Wat God waardevolle afspraken vindt... TIEN WOORDEN VAN GOD Ik ben jullie enige God. Als je

Nadere informatie

Thema 2 De Samenleving: samen of ieder voor zich?

Thema 2 De Samenleving: samen of ieder voor zich? Thema 2 De Samenleving: samen of ieder voor zich? Oefening 2 1. b. Alle mensen zijn anders en dat moeten we respecteren. 2 Han van Eijk - Leef Niemand hoeft alleen maar goed of slecht te zijn. Niemand

Nadere informatie

Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, Die galmt door heel Jeruzalem; Een heerlijk morgenlicht breekt aan; De Zoon van God is opgestaan!

Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, Die galmt door heel Jeruzalem; Een heerlijk morgenlicht breekt aan; De Zoon van God is opgestaan! Pasen 2016 Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, Die galmt door heel Jeruzalem; Een heerlijk morgenlicht breekt aan; De Zoon van God is opgestaan! Geen graf hield Davids Zoon omkneld, Hij overwon,

Nadere informatie

Een tijdje terug viel er iets uit de lucht. Het waren brokstukken van een satelliet. (Af / De / Os) brokstukken vielen op de aarde.

Een tijdje terug viel er iets uit de lucht. Het waren brokstukken van een satelliet. (Af / De / Os) brokstukken vielen op de aarde. Voorbeeldtekst: Afval uit de ruimte Een tijdje terug viel er iets uit de lucht. Het waren brokstukken van een satelliet. (Af / De / Os) brokstukken vielen op de aarde. Foto: ANP In (de / van / zeg) ruimte

Nadere informatie

Op weg met Jezus. eerste communieproject. Hoofdstuk 5 Bidden. H. Theobaldusparochie, Overloon

Op weg met Jezus. eerste communieproject. Hoofdstuk 5 Bidden. H. Theobaldusparochie, Overloon Op weg met Jezus eerste communieproject H. Theobaldusparochie, Overloon Hoofdstuk 5 Bidden Eerste communieproject "Op weg met Jezus" hoofdstuk 5 blz. 1 Joris is vader aan het helpen in de tuin. Ze zijn

Nadere informatie

HARTELIJK BEDANKT: SCHRIJVER: Racheal

HARTELIJK BEDANKT: SCHRIJVER: Racheal HARTELIJK BEDANKT: SCHRIJVER: Racheal Brief schrijven, HELP IK KAN HET NIET ALLEEN. En toen kwamen de acties opgang. Een PowerPoint in de klas, oproep door Jennifer (mijn coach) van Kienhuis Hoving, een

Nadere informatie

1. In de schaduw van Eduard Nieuwenhuis

1. In de schaduw van Eduard Nieuwenhuis 1. In de schaduw van Eduard Nieuwenhuis Vaak wist mijn grootvader op woensdag niet hoe hij op zaterdag de lonen voor het personeel moest uitbetalen. Het lag voor de hand dat mijn carrière er een in de

Nadere informatie

Een nagelaten bekentenis. Het bekende verhaal van Marcellus Emants, naverteld door Helene Bakker

Een nagelaten bekentenis. Het bekende verhaal van Marcellus Emants, naverteld door Helene Bakker Een nagelaten bekentenis Het bekende verhaal van Marcellus Emants, naverteld door Helene Bakker Moeilijke woorden zijn onderstreept. Ze worden uitgelegd in de woordenlijst op pagina 118. dit boek heeft

Nadere informatie

EEN MAN DOOR GOD GESTUURD

EEN MAN DOOR GOD GESTUURD Bijbel voor Kinderen presenteert EEN MAN DOOR GOD GESTUURD Geschreven door: Edward Hughes Illustraties door: Byron Unger en Lazarus Aangepast door: E. Frischbutter en Sarah S. Vertaald door: Arnold Krul

Nadere informatie

6,1. Boekverslag door R woorden 26 juli keer beoordeeld

6,1. Boekverslag door R woorden 26 juli keer beoordeeld Boekverslag door R. 2024 woorden 26 juli 2013 6,1 7 keer beoordeeld Auteur Tatiana de Rosnay Genre Psychologische roman, Oorlogsroman Eerste uitgave 2007 Vak Nederlands Methode Op nieuw niveau A. Boekgegevens

Nadere informatie

Filmverslag Nederlands De tweeling

Filmverslag Nederlands De tweeling Filmverslag Nederlands De tweeling Filmverslag door een scholier 1926 woorden 10 maart 2005 6,6 402 keer beoordeeld Vak Nederlands De tweeling 1. Verklaar de titel van de film. De titel van de film is

Nadere informatie

Albert I van België: Brussel, 8 april Marche-les- Dames, 17 februari 1934

Albert I van België: Brussel, 8 april Marche-les- Dames, 17 februari 1934 Albert I van België: Brussel, 8 april 1875 - Marche-les- Dames, 17 februari 1934 Hij was prins van België, hertog van Saksen, prins van Saksen-Coburg-Gotha, was van 23 december 1909 tot 17 februari 1934

Nadere informatie

Wie ben ik? Hallo, jongens en meisjes! Mijn naam is Jean-Baptiste de La Salle. Ik ben hier om je het verhaal over mijn leven te vertellen.

Wie ben ik? Hallo, jongens en meisjes! Mijn naam is Jean-Baptiste de La Salle. Ik ben hier om je het verhaal over mijn leven te vertellen. La historia de Deze presentatie neemt je mee doorheen het leven van Jean-Baptiste de La Salle. Het verhaal werd ontworpen door Equipo Distrital de Materiales Lasalianos van het district ARLEP (Spanje-Portugal).

Nadere informatie

jan Boskamp geen gezeik Wim De Bock

jan Boskamp geen gezeik Wim De Bock jan Boskamp geen gezeik Wim De Bock Geen Gezeik Wim De bock geen gezeik Voetbal international Inhoud 1 Schoffie in Rotterdam 9 2 Feyenoord voor altijd 39 3 Acht jaar trouw aan RWDM 69 4 Tussen Vlaanderen

Nadere informatie

Jonggezinnedienst 24 sept uur Thema : de Koninklijke trein Kind vermist/gemist opening winterwerk met ds Hoekman

Jonggezinnedienst 24 sept uur Thema : de Koninklijke trein Kind vermist/gemist opening winterwerk met ds Hoekman Jonggezinnedienst 24 sept 2017 10.00 uur Thema : de Koninklijke trein Kind vermist/gemist opening winterwerk met ds Hoekman Welkom en afkondigingen: Zingen: Heb je al een kaartje voor de koninklijk trein

Nadere informatie

Bijbellezing: Johannes 14 vers 1 tot 12. Tom, Tom is altijd goed Kom, kom nou zeg, is dat zo?

Bijbellezing: Johannes 14 vers 1 tot 12. Tom, Tom is altijd goed Kom, kom nou zeg, is dat zo? Bijbellezing: Johannes 14 vers 1 tot 12 Tom, Tom is altijd goed Kom, kom nou zeg, is dat zo? Heb een Tom, Tom gekocht Bij de ANWB winkel in Drachten Nou ja ik heb hem eigenlijk gekregen Voor mijn verjaardag

Nadere informatie

Joweria staat hier voor een muurschildering die de kinderen van KAYDA samen gemaakt hebben op een van de muren.

Joweria staat hier voor een muurschildering die de kinderen van KAYDA samen gemaakt hebben op een van de muren. Joweria Shadia, 11 jaar oud Ik ontmoette Joweria in augustus 2010 bij de organisatie Katwe Youth Development Association of te wel KAYDA, een partner organisatie van het programma Kinderen in de Knel van

Nadere informatie

100 jaar geleden. t Is Oorlog! Een lesmap voor het vierde, vijfde en zesde leerjaar, door juffrouw Anita en de papa van Anna.

100 jaar geleden. t Is Oorlog! Een lesmap voor het vierde, vijfde en zesde leerjaar, door juffrouw Anita en de papa van Anna. 100 jaar geleden t Is Oorlog! Een lesmap voor het vierde, vijfde en zesde leerjaar, door juffrouw Anita en de papa van Anna. t Is oorlog! Binderveld, Kozen, Nieuwerkerken en Wijer 100 jaar geleden is een

Nadere informatie

Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus.

Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus. 1 Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus. 2 Het verhaal De Goede Week Trouw, Hoop en Spijt Ik wil jullie vandaag vertellen over de Goede Week. Dat

Nadere informatie