Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2009

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2009"

Transcriptie

1 Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2009 Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie Andy Oeyen Boris Tacquenier

2 Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2009 Andy Oeyen Boris Tacquenier Januari 2011 Rapport, 85 blz Depotnummer: D/2011/3241/042 Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie Ellipsgebouw (6de verdieping) Koning Albert II - laan 35, bus Brussel Tel Fax [email protected] Vermenigvuldiging en/of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: Oeyen. A., Tacquenier B. (2011) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2009, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Wij doen ons best om alle informatie, webpagina's en downloadbare documenten voor iedereen maximaal toegankelijk te maken. Indien u echter toch problemen ondervindt om bepaalde gegevens te raadplegen, willen wij u graag hierbij helpen. U kunt steeds contact met ons opnemen. 2

3 Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw

4 Inhoudsopgave Inleiding De akkerbouwsector Structurele kenmerken Rentabiliteit... 8 Bedrijfstak akkerbouw... 8 Bedrijfsresultaten De melkveesector Structurele kenmerken Rentabiliteit Bedrijfstak rundvee en voedergewassen Bedrijfsresultaten De rundvleessector Structurele kenmerken Rentabiliteit Bedrijfstak rundvee en voedergewassen Bedrijfsresultaten De varkenssector Structurele kenmerken Rentabiliteit Bedrijfstak vermeerdering Bedrijfstak vetmesting Bedrijfsresultaten De groente- en aardbeiensector Structurele kenmerken Rentabiliteit Rentabiliteit glasgroentebedrijven Rentabiliteit bedrijven met overwegend groenten in open lucht Rentabiliteit champignonbedrijven Rentabiliteit aardbeienbedrijven Rentabiliteit groente- en aardbeienbedrijven: samenvattend overzicht De fruitsector (exclusief de aardbeiensector) Structurele kenmerken Rentabiliteit De sierteeltsector (exclusief boomkwekerij) Structurele kenmerken Rentabiliteit Rentabiliteit potplantenbedrijven Rentabiliteit azaleabedrijven Rentabiliteit snijbloemenbedrijven Rentabiliteit sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij): samenvattend overzicht Samenvattend overzicht Landbouw Tuinbouw Bijlagen Literatuurlijst Bijlage 1: Methodologische toelichting Waarnemingsveld Steekproef

5 Wegingssysteem Rentabiliteit Bijlage 2: Definities indicatoren Bijlage 3: Toelichting Figuren Bijlage 4: Lijst met figuren Bijlage 5: Lijst met tabellen

6 Inleiding Dit rentabiliteitsrapport wil de lezer een technisch-economische analyse van de land- en tuinbouwactiviteit in Vlaanderen geven. De resultaten voor 2009 berusten op de verwerking van de boekhoudgegevens van 701 Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven, die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN). De gegevens verzameld in het kader van het LMN werden op wetenschappelijke wijze geëxtrapoleerd naar de gehele Vlaamse landbouwsituatie. Ter vergelijking worden ook de indicatoren vanaf 2005 opgenomen. Inhoudelijk worden eerst voor de belangrijkste bedrijfstypes de structurele en technisch economische indicatoren weergegeven. Achtereenvolgens komen de volgende sectoren aan bod: akkerbouw, melkvee, rundvlees, varkens, groenten en aardbeien, fruit en sierteelt. Bij elke sector wordt wat dieper ingegaan op resultaten van belangrijke bedrijfstakken. Voor een overzicht van de volledige land- en tuinbouwsector wordt verwezen naar hoofdstuk 8. De cijfers tonen aan dat 2009 vooral een heel moeilijk jaar was voor de tuinbouw en de melkveesector. De melkveesector werd getroffen door uitzonderlijk lage prijzen. Ook de glastuinbouw en de fruittelers hadden te kampen met verminderde opbrengsten door slechtere prijsvorming. De dalende energiekost kon geen soelaas brengen om de verliezen te beperken. De varkenssector kende een beter jaar dan 2007 en Dit was vooral te danken aan lagere voederkosten. Ook de vleesveesector profiteerde van de lagere voederkosten. Meer toelichting bij de methodologie vindt u in het afsluitende hoofdstuk. Hier worden de verschillende gebruikte indicatoren toegelicht. Daarnaast wordt de methode van de extrapolatie uitgelegd. Door deze extrapolatie zijn de cijfers in dit rapport goede indicatoren voor de toestand van de Vlaamse land- en tuinbouw met beroepsmatig karakter. 6

7 1. De akkerbouwsector 1.1. Structurele kenmerken Het areaal graan van de beroepsbedrijven in Vlaanderen nam in 2009 met ca ha af en het areaal aardappelen nam met een zelfde oppervlakte toe. Het areaal suikerbieten kende een minimale stijging na de forse daling in In 2009 zijn er in Vlaanderen gespecialiseerde akkerbouwbedrijven met beroepsmatig karakter. Gemiddeld hebben deze bedrijven een oppervlakte van 48,9 ha. Tabel 1: Structuur van de gespecialiseerde akkerbouwsector, kengetal Aantal bedrijven Oppervlakte akkerbouw per bedrijf (ha) 32,43 33,27 34,34 35,09 35,06 Waarvan granen 51,2% 52,8% 46,2% 59,5% 55,3% aardappelen (excl. pootgoed) 18,5% 19,7% 19,3% 19,3% 22,5% suikerbieten 17,5% 16,9% 20,7% 13,0% 13,0% Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha) 43,5 45,0 46,2 48,4 48,9 Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie De statistieken over de structuur van de akkerbouwbedrijven blijven ongewijzigd. De gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per akkerbouwbedrijf is ruim 48,9 ha. De gemiddelde oppervlakte akkerbouwgrond per akkerbouwbedrijf is ruim 35 ha. De meeste bedrijven (40,1%) hebben 10 tot 25 hectare akkerbouwgrond. De 80% kleinste bedrijven betelen iets minder dan de helft van het totale akkerbouwareaal en de 20% grootste bedrijven betelen net iets meer dan de helft. Figuur 1: Verdeling van de akkerbouwbedrijven volgens oppervlakte, 2009 Toelichting: Volle lijn: lorenz curve met op de horizontale as het aantal bedrijven gesorteerd op oppervlakte en op de linker verticale y-as het cumulatief percentage van de oppervlakte. Stippellijn: oppervlakte/bedrijf in ha (rechter y-as). (zie bijlage 3) Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie 7

8 De voornaamste akkerbouwgewassen zijn granen, aardappelen en suikerbieten. Zij vertegenwoordigen in % van het akkerbouwareaal. Ten opzichte van 2008 steeg het areaal akkerbouwgewassen met 1,1%. Het areaal granen daalde met 6%, het areaal suikerbieten bleef steeg minimaal (1,1%) en het areaal aardappelen steeg aanzienlijk (+18%) Rentabiliteit Om de bedrijfsresultaten van deze sector in Vlaanderen te bespreken worden de boekhoudkundige resultaten van de gespecialiseerde bedrijven geëxtrapoleerd met een wegingmethode (zie bijlage 1). De analyse van deze financiële bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudkundige resultaten van 72 bedrijven, met gemiddeld 48,4 ha cultuurgrond. De bespreking van specifieke bedrijfstakken is gebeurd door analyse van alle bedrijven met de desbetreffende teelten. Het aantal bedrijven dat in deze analyses gebruikt werd is afhankelijk van het aantal telers met de besproken teelt. Deze resultaten werden niet geëxtrapoleerd. Bedrijfstak akkerbouw Wintertarwe De gegevens voor bedrijfstak wintertarwe zijn gebaseerd op cijfers van 274 bedrijven. Het rendement van de graanoogst was het hoogste in de laatste vijf jaren. Tabel 2: Evolutie van de opbrengstcijfers van wintertarwe, kengetal rendement (kg/ha) gemiddelde prijs (euro/100kg) 10,5 14,1 22,5 13, opbrengst graan (euro/ha) variabele kosten (euro/ha) bruto saldo (*) (euro/ha) (*) inclusief opbrengsten nevenproducten De gemiddelde graanprijs lag in % lager dan in 2008 en maar liefst 48% lager dan in Het was van 2005 geleden dat de prijs nog zo laag was geweest. Tabel 3: Regionale opbrengstcijfers van wintertarwe, 2009 kengetal Polders Zandstreek Zandleemstreek Leemstreek rendement (kg/ha) opbrengst (euro/ha) prijs (euro/100kg) 12,1 11,8 11,6 11,4 In 2009 was de opbrengst in euro per ha voor granen eerder laag. Het rendement (kg) steeg wel per hectare, maar door de lagere prijs resulteerde dit niet in een grotere opbrengst (euro) per hectare. De totale variabele kost per ha voor wintertarwe daalde met 8 % tegenover

9 Vooral de meststofkosten, die een groot deel van de totale kost zijn, daalden gevoelig. De bestrijdingsmiddelen bleven hetzelfde. Het bruto saldo blijft ondanks de lagere opbrengsten op het niveau van vorig jaar door de gedaalde variabele kosten. Figuur 2: Verdeling van de variabele kosten per ha wintertarwe, 2009 energie 8% overige 1% zaai- en pootgoed 13% werk door derden 25% meststoffen 20% bestrijdingsmiddelen 33% Bewaaraardappelen De rentabiliteitscijfers voor bedrijfstak bewaaraardappelen zijn gebaseerd op gegevens van 150 aardappeltelers. Het rendement van de aardappeloogst lag iets hoger dan in Tabel 4: Evolutie van de opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, kengetal rendement (kg/ha) gemiddelde prijs (euro/100kg) 10,9 15,5 9,3 10,3 9,2 opbrengst (euro/ha) variabele kosten (euro/ha) bruto saldo (*) (euro/ha) (*) inclusief opbrengsten nevenproducten De aardappelprijs daalde tegenover 2008 met meer dan één euro per 100 kg aardappelen en komt daar nagenoeg mee terug op het niveau van Deze prijsdaling kan verklaard worden door het gestegen areaal en de grotere oogst. In Vlaanderen steeg de oppervlakte aardappelen met ruim 11%. In Vlaanderen steeg de totale oogst met 7%. De opbrengstcijfers variëren naargelang de streek (tabel 5). De Zandstreek noteerde in 2009 het hoogste rendement en de hoogste opbrengst per ha. De resultaten voor de Kempen werden weggelaten bij gebrek aan voldoende gegevens. Tabel 5: Regionale opbrengstcijfers van bewaaraardappelen,

10 kengetal Polders Zandstreek Zandleemstreek Leemstreek rendement (kg/ha) opbrengst (euro/ha) prijs (euro/100kg) 9,3 8,8 9,5 8,8 Figuur 3 geeft een verdeling van de variabele kosten. Het aandeel van de kosten voor het zaaien pootgoed is in 2009 het grootst en vervolgens die van de kosten voor bestrijdingsmiddelen. Voor de rest verandert er nauwelijks iets ten opzichte van De totale variabele kosten zijn in 2009 nagenoeg dezelfde gebleven (+1,3%). De kosten voor het zaai- en pootgoed stegen sterk (+19,9%) terwijl de kosten voor energie sterk daalden (-19,3%). Figuur 3: Verdeling van de variabele kosten per ha bewaaraardappelen, 2009 werk door derden 15% energie 4% overige 2% zaai- en pootgoed 35% bestrijdingsmiddelen 31% meststoffen 13% Een diepgaande analyse van de kostprijs van de aardappelsector is terug vinden in het rapport Kostprijsanalyse Aardappelen (de Regt, 2010) Suikerbieten De rentabiliteitscijfers voor bedrijfstak suikerbieten zijn gebaseerd op gegevens van 172 bietplanters. Het rendement van de suikerbietenoogst lag 12% hoger dan in 2008 en ook het suikergehalte steeg voor het vierde jaar op rij (tabel 6). Tabel 6: Evolutie van de opbrengstcijfers van suikerbieten, kengetal rendement (kg/ha) gemiddelde prijs (euro/100kg) 4,0 3,3 3,2 3,2 3,1 opbrengst (euro/ha) suikergehalte (%) 16,9 16,4 17,2 17,8 18,6 variabele kosten (euro/ha) bruto saldo (*) (euro/ha)

11 (*) inclusief opbrengsten nevenproducten De ontvangen prijs per ton bieten blijft stabiel en bedraagt 31 euro. Het effect van de suikerhervorming, dat de gegarandeerde prijs voor witte suiker vanaf 2006 over 4 jaar met 36% verlaagt, wordt ook dit jaar gemaskeerd door het uitzonderlijk hoge suikergehalte van de bieten in De minimumprijs voor suikerbieten is in 2009 vastgesteld op 26,29 euro per ton. De werkelijke prijs ligt ca. 20% hoger. Het suikergehalte is een stuk hoger dan de referentie van 16%. De opbrengsten per oppervlakte stegen met 9% ten opzichte van Er zijn duidelijk regionale verschillen in de rendementen en hierdoor ook in de financiële opbrengsten (tabel 7). De Polders en Zandleemstreek noteren de hoogste opbrengst per ha. Lichte verschillen vinden we terug bij het suikergehalte. Tabel 7: Regionale opbrengstcijfers van suikerbieten, 2009 kengetal Polders Zandstreek Zandleemstreek Leemstreek rendement (kg/ha) opbrengst (euro/ha) prijs (euro/100kg) 3,2 3,0 3,1 3,1 suikergehalte (%) 19,0 18,1 18,5 18,6 De variabele kosten bedragen in euro per ha, wat een lichte stijging is tegenover Het loonwerk is de belangrijkste operationele kost, gevolgd door de kost voor bestrijdingsmiddelen en bietenzaad. Samen zijn deze 3 goed voor driekwart van de totale variabele kost. De kosten voor energie waren aanzienlijk lager (-18%), de kosten voor bestrijdingsmiddelen daalden eveneens (-8%) en de kosten voor bietenzaad stegen (+9%) tegenover Figuur 4: Verdeling van de variabele kosten per ha suikerbieten, 2009 energie 6% overige 5% zaai- en pootgoed 21% werk door derden 33% meststoffen 13% bestrijdingsmiddelen 22% 11

12 Bedrijfsresultaten Opbrengsten In figuur 5 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. Hieruit blijkt dat veel gespecialiseerde akkerbouwbedrijven naast de akkerbouwteelten ook nog andere activiteiten uitoefenen. De opbrengsten uit marktbare gewassen maken 67% uit van de totale opbrengsten. De premies in het kader van het GLB zijn in de post overige opbrengsten geklasseerd. Figuur 5: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2009 overige opbrengsten 21% varkens 4% rundvee en voedergew assen 8% marktbare gew assen 67% De opbrengsten voor marktbare gewassen (+4%), rundvee en voedergewassen (+6%) en varkens (+5%) stegen. Ook de overige opbrengsten namen toe (+17%), door de verhoging van de premies in het vernieuwde suikerbietenbeleid. De opbrengsten voor pluimvee vielen volledig weg ten opzichte van voorgaande jaren. Deze opbrengsten waren te wijten aan enkele (4 van de originele 76) bedrijven die werden verwijderd uit de statistiek omdat hun opbrengsten uit pluimvee te zwaar doorwogen. Bijgevolg daalt de totale opbrengst ten gevolge van de gewijzigde methodiek. Kosten In 2009 namen de kosten voor zaai- en pootgoed sterk toe (+19%), evenals de betaalde lonen en het werk door derden (+24%). De kosten voor energie namen sterk af (-25%). De kosten voor veevoeder daalden ten gevolge van de gewijzigde methodiek (zie opbrengsten). Bijgevolg daalden ook de totale kosten. 12

13 Figuur 6: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2009 w erk door derden 6% betaalde lonen 2% overige kosten 7% zaai- en pootgoed 8% veevoeders 5% meststoffen 5% bestrijdingsmiddelen 7% berekende lonen 27% energie 3% werktuigkosten 14% grond- en gebouw enkapitaal 16% Inkomen en kapitaal In 2008 was er een sterke daling van het inkomen heeft het tij voor de akkerbouwsector niet volledig kunnen keren. Het netto bedrijfsresultaat, inclusief vergoeding voor eigen kapitaal en arbeid is gedaald tot een verlies van 482 euro per hectare. De opbrengst per 1000 euro kosten daalt tot 864 euro. Het familiaal arbeidsinkomen (netto bedrijfsresultaat vermeerderd met toegerekende lonen voor familiale arbeid) per FAK steeg weinig tot euro. Dit komt overeen met 43% van het vergelijkbaar inkomen. Het bedrijfsinkomen per FAK bedraagt in euro. Dit is de vergoeding die een bedrijf ontvangt voor eigen arbeid en kapitaal. Zowel het eigen vermogen als het vreemd vermogen zijn afgenomen op de akkerbouwbedrijven. De solvabiliteit, de verhouding tussen het eigen vermogen en het totaal vermogen, is 80%. 13

14 Tabel 8: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, bedragen in euro, Kengetal Oppervlakte cultuurgrond (ha) 46,2 45,9 48,6 51,5 48,4 Aantal VAK 1,49 1,52 1,48 1,62 1,61 Aantal FAK 1,42 1,39 1,35 1,53 1,44 Opbrengsten per hectare cultuurgrond Marktbare gewassen Rundvee en voedergewassen Varkens Pluimvee Overige opbrengsten Kosten per hectare cultuurgrond Zaad en pootgoed Veevoeders Meststoffen Bestrijdingsmiddelen Energie Werktuigkosten Grond-en gebouwkapitaal Berekende lonen Betaalde lonen Werk door derden Overige kosten Nettobedrijfsresultaat per hectare cultuurgrond Opbrengst per 1000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen per hectare cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen per hectare cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK Eigen vermogen einde boekjaar Vreemd vermogen einde boekjaar Solvabiliteit einde boekjaar 0,77 0,80 0,80 0,81 0,80 Bron:AMS 14

15 2. De melkveesector 2.1. Structurele kenmerken In 2009 zijn er in Vlaanderen 3642 gespecialiseerde melkveebedrijven, waarvan er 77% sterk gespecialiseerd zijn. Tabel 9: Structuur van de gespecialiseerde melkveesector, Kengetal Boekjaar sterk gespecialiseerd (PR 411) matig gespecialiseerd (PR412) gespecialiseerd (PR41) aantal bedrijven aantal bedrijven aantal bedrijven aantal bedrijven aantal bedrijven aantal melkkoeien per bedrijf aantal melkkoeien per bedrijf aantal melkkoeien per bedrijf aantal melkkoeien per bedrijf aantal melkkoeien per bedrijf ha cultuurgrond/bedrijf ha cultuurgrond/bedrijf ha cultuurgrond/bedrijf ha cultuurgrond/bedrijf ha cultuurgrond/bedrijf ha grasland en voedergewassen/bedrijf ha grasland en voedergewassen/bedrijf ha grasland en voedergewassen/bedrijf ha grasland en voedergewassen/bedrijf ha grasland en voedergewassen/bedrijf Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie Het totaal aantal melkveehouders daalt in De daling is enkel terug te vinden bij de matig gespecialiseerde bedrijven. Het aantal sterk gespecialiseerde melkveehouders blijft constant. Het aantal melkkoeien per bedrijf neemt toe. Beide trends duiden op een specialisering van de melkveesector. Structureel zijn er veel verschillen waar te nemen tussen de bedrijven. Bijna 68% van de melkkoeien wordt gehouden op bedrijven met meer dan 50 melkkoeien, terwijl 52% van de bedrijven minder dan 50 melkkoeien heeft. De stijgende trend van het aantal hectare cultuurgrond wordt ook dit jaar doorgezet. De bedrijven bezitten in 2009 gemiddeld 39,1 ha cultuurgrond. Het grootste aandeel van de cultuurgrond (86%) is bestemd voor grasland en voedergewassen. De gespecialiseerde melkveehouders bewerken 22% van de totale Vlaamse oppervlakte cultuurgrond. 15

16 Figuur 7: Verdeling van de gespecialiseerde melkveebedrijven volgens aantal melkkoeien, 2009 Toelichting: Volle lijn: lorenz curve met op de x-as het aantal bedrijven gesorteerd op aantal melkkoeien en op de linker y-as het cumulatief percentage van het aantal melkkoeien. Stippellijn: Aantal melkkoeien/bedrijf (rechter y-as). (zie bijlage 3) Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie 2.2. Rentabiliteit Voor de analyse van de bedrijfsresultaten worden enkel de sterk gespecialiseerde bedrijven (productierichting 411) weerhouden om de invloed van andere bedrijfstakken te minimaliseren. De resultaten werden geëxtrapoleerd volgens een wegingmethode (zie bijlage 1). De analyse gebeurt op de resultaten van 99 bedrijven, met een gemiddelde melkproductie van liter, 91,6 GVER en 40,2 hectare cultuurgrond. De resultaten van de bedrijfstak analyse werden niet gewogen. Bedrijfstak rundvee en voedergewassen De financiële opbrengst per ha van de bedrijfstak rundvee en voedergewassen was in 2009 laag. De opbrengsten per GVER bestaan voor 80% uit de opbrengsten uit melkproducten (tabel 10). De lage opbrengsten zijn hoofdzakelijk het gevolg van de lage melkprijs die in 2009 een vrije val kende. De gemiddelde melkproductie per bedrijf blijft stijgen, wat wijst op steeds groter wordende bedrijven. 16

17 Tabel 10: Evolutie van de rentabiliteitscijfers melk, Kengetal melkgift per koe (liter/koe) vetgehalte (g/liter) 43,4 43,5 43,5 42,9 43,0 eiwitgehalte (g/liter) 34,7 34,7 35,0 34,8 34,7 melkproductie (liter/bedrijf) waarvan: - bestemd voor de melkerij (%) 94,3 96,0 95,0 95,7 96,1 - gevoederd aan vee (%) 2,9 2,5 2,7 2,7 2,4 prijs per liter aan melkerij (euro/100 liter) 29,02 28,45 35,68 33,08 24,86 opbrengst rundvee en voedergewassen per ha (euro) opbrengst rundvee en voedergewassen per GVER (euro) waarvan: - opbrengst melkproducten overige opbrengst rundvee en voedergewassen variabele kosten per GVER (euro/gver) variabele kosten per liter (euro / 100 l) 13,5 13,5 14,6 17,8 16,2 bruto saldo per GVER (euro) bruto saldo per 100 liter (euro) 22,0 23,4 28,9 21,9 14,8 opbrengst per euro bijkomende voederkosten (euro) gemiddelde krachtvoederkost voor melkvee (euro/kg) 0,188 0,187 0,229 0,270 0,246 De melkprijs kende in 2009 een forse daling met een dieptepunt in juni waardoor de opbrengst van melkproducten per GVER het laagste peil in jaren bereikte. De verhoogde prijzen van koeien (zie figuur 8) resulteerde in 2009 in hogere opbrengsten uit de verkoop van rundvee. Deze stijging kon echter de daling van de melkprijs niet compenseren, omdat de opbrengst uit melkproducten het overgrote deel van opbrengsten uitmaken. Figuur 8: Evolutie van de prijs van koeien (euro per 100kg) en nuchtere kalveren (euro per stuk), Bron: BIRB, BVK en marktberichten goed gevormd 55% verwerking nuchtere kalveren 17

18 De variabele kosten per liter geproduceerde melk bedroegen 16,2 eurocent, of 719 euro per GVER. Dit is een daling van 10% ten opzichte van Ten opzichte van de periode vóór 2008 bleven deze kosten echter hoog. Deze kosten zijn inclusief de kosten aan het jongvee en de voedergewassen. De verdeling van de variabele kosten (figuur 9) toont aan dat de voederkosten nog steeds het grootste aandeel in de totale kost hebben. Het aandeel zakt wel van 48% tot 44% van de totale kost. Dit is het gevolg van de gedaalde voederkosten (-14%) en de gedaalde energiekost (-8%). Het bruto saldo per liter daalt tot 14,8 cent. De opbrengst per 1000 euro bijkomende voederkosten bedraagt slechts euro. Figuur 9: Verdeling van de variabele kosten in de gespecialiseerde melkveehouderij, 2009 zaai- en pootgoed 5% overige 9% meststoffen 8% werk door derden 14% bestrijdingsmiddelen 3% energie 9% diergeneeskundige zorgen 8% bijkomende voederkosten 44% Meer informatie over de kosten en opbrengsten in de melkveesector is beschikbaar in het rapport Inkomensverschillen op bedrijfstak melkvee verklarende parameters (Coulier, 2010) Bedrijfsresultaten Opbrengsten In figuur 10 wordt de structuur van de opbrengsten per hectare cultuurgrond weergegeven. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen 80% voor hun rekening. Dit duidt op een sterke specialisatie van de melkveehouders Onder de overige opbrengsten zitten onder andere de premies en toeslagrechten. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen bevatten verkoop van melk en runderen, aanwas van de veestapel en verkoop en inventarisverschillen van voedergewassen. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen zijn door de lage melkprijs in 2009 sterk gezakt. 18

19 Figuur 10: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2009 overige opbrengsten 14% marktbare gew assen 4% varkens 2% rundvee en voedergew assen 80% Kosten De kosten per hectare voor de melkveesector daalden licht in 2009 met 2% ten opzichte van De grootste daling is waar te nemen bij de veevoederkost, die met 12% daalde ten opzichte van Verder zijn ook de energiekosten (-8%) en de kosten voor bestrijdingsmiddelen gezakt (- 10%). Ook werd er per hectare minder aan meststoffen besteed in 2009 dan in De kosten voor de berekende lonen, grond- en gebouwenkapitaal en de veevoeders zijn de drie voornaamste kosten en nemen samen tweederde van de totale kost op een gespecialiseerd melkveebedrijf voor hun rekening (figuur 11). Figuur 11: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2009 w erk door derden 5% overige kosten 7% zaai- en pootgoed 2% veevoeders 15% meststoffen 3% bestrijdingsmiddelen 1% berekende lonen 31% energie 3% diergeneeskundige zorgen 2% grond- en gebouw enkapitaal 21% werktuigkosten 10% 19

20 Inkomen en kapitaal Het inkomen daalt in 2009 naar een nieuw dieptepunt. De totale opbrengsten waren in 2009 bijzonder laag door de slechte melkprijzen. Het netto bedrijfsresultaat per hectare was in 2009 sterk negatief ( euro/ha), er wordt een opbrengst van 775 euro per 1000 euro kosten gehaald. Het familiaal arbeidsinkomen, uitgedrukt per familiale arbeidskracht, daalt tot euro wat slechts 27% van het vergelijkbaar inkomen voor 2009 is. De vergoeding die een bedrijf ontvangt voor zijn eigen arbeidskrachten en zijn kapitaal (het bedrijfsinkomen per FAK) is in 2009 gedaald tot euro. Het vreemd vermogen en het eigen vermogen per bedrijf neemt toe. De solvabiliteit van de melkveebedrijven neemt toe en bedraagt in 2009 op het einde van het boekjaar 72%. Tabel 11: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, bedragen in euro, Kengetal Oppervlakte cultuurgrond (ha) 35,3 36,0 37,2 38,1 40,2 Aantal ha grasland en voedergewassen 30,5 31,8 32,9 34,4 36,7 Aantal melkkoeien 48,2 50,9 54,8 53,9 58,7 Aantal VAK 1,51 1,48 1,54 1,66 1,73 Aantal FAK 1,50 1,48 1,54 1,65 1,72 Opbrengsten per hectare cultuurgrond marktbare gewassen rundvee en voedergewassen varkens pluimvee overige opbrengsten Kosten per hectare cultuurgrond zaai- en pootgoed veevoeders meststoffen bestrijdingsmiddelen diergeneeskundige zorgen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal berekende lonen betaalde lonen werk door derden overige kosten Netto bedrijfsresultaat per hectare cultuurgrond Opbrengst per euro kosten Familiaal arbeidsinkomen per hectare cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen per hectare cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK Eigen vermogen einde boekjaar Vreemd vermogen einde boekjaar Solvabiliteit einde boekjaar 0,75 0,72 0,73 0,74 0,72 20

21 3. De rundvleessector 3.1. Structurele kenmerken De gespecialiseerde vleesveesector (exclusief bedrijven met mestkalveren) telt in bedrijven (tabel 12). De gemiddelde oppervlakte cultuurgrond van deze bedrijven blijft stabiel. De sector neemt ongeveer 7,6% van het Vlaamse landbouwareaal in. Ook het areaal grasland en voedergewassen is volledig in lijn met de voorgaande jaren. Tabel 12: Structuur van de gespecialiseerde vleesveebedrijven, Kengetal aantal bedrijven aantal runderen per bedrijf ha cultuurgrond/bedrijf 26,2 27,7 28,0 28,2 28,4 28,4 ha grasland en voedergewassen per bedrijf 23,3 23,8 23,8 23,8 23,9 24,0 Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie Het gemiddeld aantal runderen per bedrijf steeg in 2009 licht. Het aantal runderen op een bedrijf (figuur 12) kende nog steeds een grote spreiding. De meeste bedrijven (26.7%) hebben tussen de 50 en de 100 runderen. De 23% grootste bedrijven (meer dan 150 runderen) zorgen voor 49% van de runderen. Figuur 12: Verdeling van de gespecialiseerde vleesveebedrijven volgens aantal runderen, 2009 Toelichting: Volle lijn: lorenz curve met op de x-as het aantal bedrijven gesorteerd op aantal runderen en op de linker y-as het cumulatief percentage van het aantal runderen. Stippellijn: aantal runderen/bedrijf (rechter y-as) (zie bijlage 3) Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie 3.2. Rentabiliteit De analyse is gebaseerd op de resultaten van 40 gespecialiseerde vleesveebedrijven (PR 42), met gemiddeld 108 GVER, 53 zoogkoeien en 42,2 hectare cultuurgrond. Het betreft 21

22 voornamelijk gesloten zoogkoeienbedrijven, waarbij de stieren van eigen bedrijf afgemest worden. De resultaten werden geëxtrapoleerd volgens een wegingsysteem (zie bijlage 1). De analyse van de bedrijfstakken gebeurde op basis van niet-geëxtrapoleerde gegevens. Bedrijfstak rundvee en voedergewassen De opbrengsten per hectare uit rundvee en voedergewassen daalden in 2009 licht. (tabel 13). De variabele kosten daalden in 2009 sterk. De opbrengsten per euro bijkomende voederkosten stegen sterk door de gedaalde voederkost. Tabel 13: Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, Kengetal opbrengst rundvee en voedergewassen (euro/ha) opbrengst rundvee en voedergewassen (euro/gver) variabele kosten rundveehouderij en voedergewassen (euro/gver) bruto saldo (euro/gver) opbrengst per euro bijkomende voederkosten (euro) gemiddelde krachtvoederkost voor vleesvee (euro/kg) 0,192 0,218 0,251 0,292 0,247 De prijzen van vleesrunderen, met uitzondering van goedgevormde stieren, bleven in 2009 stijgen. Figuur 13: Evolutie van de verkoopprijzen van de levende dieren in euro per 100 kg, stieren dikbil stieren goed gevormd koeien dikbil koeien goedgevormd Bron: BIRB In 2009 werden er voor 499 euro variabele kosten per GVER gemaakt, wat een daling met 18% is ten opzichte van De voederkosten maken 49% uit (figuur 14) van de totale variabele kosten. Ten opzichte van 2008 is de belangrijkste evolutie de daling van de veevoederkost met 20%. Door het grote aandeel van deze kost is het effect van deze daling op de totale variabele kost aanzienlijk. De energiekost en de kost voor werk door derden per GVER daalden in 2009 beide met 13%. Een opvallende stijging met 16% is waar te nemen bij de diergeneeskundige zorgen. 22

23 Figuur 14: Structuur van de variabele kosten per GVER, 2009 overige 5% zaai- en pootgoed 3% meststof f en 7% w erk door derden 12% bestrijdingsmiddelen 2% energie 6% diergeneesk. zorgen 16% veevoeder 49% De sterke daling van de voederkosten en de min of meer stabiele opbrengsten zorgen ervoor dat in 2009 het bruto saldo met 37% toeneemt. De opbrengst per euro bijkomende voederkosten stijgt in 2009 dan ook fors met 43%. Bedrijfsresultaten Opbrengsten De opbrengsten per hectare bleven in 2009 op hetzelfde niveau als in In figuur 15 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. Het aandeel van de opbrengsten uit rundvee en voedergewassen tegenover de totale opbrengsten is 59%. Zoogkoeienpremies, toeslagrechten en andere premies zijn in de overige opbrengsten opgenomen. Het aandeel van de marktbare gewassen in de totale opbrengst daalt. 23

24 Figuur 15: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde rundvleesveebedrijven, 2009 overige opbrengsten 25% marktbare gewassen 13% pluimvee 2% varkens 2% rundvee en voedergewassen 58% Kosten De totale kosten per hectare zijn in 2009 licht afgenomen (-4%). De kosten voor veevoeders per hectare zijn het sterkst gedaald (-21%). Als gevolg van de lagere olieprijzen in 2009 zijn ook de kosten voor energie lager. Door het kleine aandeel van deze kost heeft de daling weinig invloed op het bedrijfsresultaat. De berekende lonen, de veevoeders en de kosten voor het grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 64% van de kosten voor hun rekening (figuur 16). Het belang van de veevoeders is teruggedrongen tot 18%, door de sterke daling van de veevoederkosten. Figuur 16: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2009 w erk door derden 5% berekende lonen 31% overige kosten 9% zaai- en pootgoed 2% veevoeders 18% meststoffen 3% bestrijdingsmiddelen 2% diergeneeskundige zorgen 5% energie 2% grond- en gebouw enkapitaal 15% werktuigkosten 8% 24

25 Inkomen en kapitaal Door de daling van de kosten en de stabiele opbrengst is het netto bedrijfsresultaat per hectare beter dan vorig jaar. Vooral veevoeder speelt een belangrijke rol bij de bepaling van de kosten. Het familiaal arbeidsinkomen per FAK is sterk gestegen (98%) ten opzichte van het moeilijke jaar 2008 van euro naar Het inkomen blijft echter laag in vergelijking met het inkomen van een gemiddelde loontrekkende. Het arbeidsinkomen per FAK steeg in 2009 tot 37% van het vergelijkbaar inkomen. Het bedrijfsinkomen per FAK bedraagt in euro. Dit is de vergoeding die het bedrijf ontvangt voor eigen arbeid en kapitaal. De solvabiliteit van de vleesveebedrijven is in 2009 op het einde van het boekjaar 78%. 25

26 Tabel 14: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, bedragen in euro, Kengetal Beteelde oppervlakte 43,9 45,6 45,3 42,3 42,2 Aantal ha grasland en voedergewassen 34,0 34,6 34,4 37,3 34,5 Aantal dieren in GVER Aantal VAK 1,41 1,34 1,40 1,47 1,55 Aantal FAK 1,41 1,34 1,40 1,47 1,55 Rentabiliteit (euro) Opbrengsten per hectare cultuurgrond marktbare gewassen rundvee en voedergewassen varkens pluimvee overige opbrengsten Kosten per hectare cultuurgrond zaad en pootgoed veevoeders meststoffen bestrijdingsmiddelen diergeneeskundige zorgen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal berekende lonen betaalde lonen werk door derden overige kosten Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond Opbrengst per euro kosten Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK Eigen vermogen einde boekjaar Vreemd vermogen einde boekjaar Solvabiliteit einde boekjaar 77% 83% 82% 83% 78% 26

27 4. De varkenssector 4.1. Structurele kenmerken In Vlaanderen is de varkenssector een belangrijke speler in de land- en tuinbouw. De eindproductiewaarde maakt in % van de waarde van de volledige veeteeltsector uit, en 28% van de volledige land- en tuinbouw. De sector is weinig ondersteund door het GLB, en kampt met sterke prijsschommelingen. De gespecialiseerde varkenssector telt in bedrijven. In tabel 15 worden enkele structurele kenmerken weergegeven. Er werd een opdeling gemaakt naar specialisatie: fokkerij (zeugen aanwezig maar geen mestvarkens), mesterij (vleesvarkens aanwezig maar geen zeugen) en gemengde bedrijven (zowel zeugen als mestvarkens aanwezig). De gemengde bedrijven vormen de grootste groep. Alle gespecialiseerde varkensbedrijven samen betelen in ,1% van de Vlaamse oppervlakte cultuurgrond. Het totaal aantal bedrijven is gedaald met 2,3% ten opzichte van Bij de zuivere vetmesterij en fokkerij is er een lichte toename in het aantal bedrijven in Tabel 15: Structuur van de gespecialiseerde varkenssector, Fokkerij aantal bedrijven aantal varkens per bedrijf aantal zeugen per bedrijf , ha cultuurgrond/bedrijf 8,05 10,06 11,69 11,83 11,41 Vetmesterij aantal bedrijven aantal varkens per bedrijf aantal zeugen per bedrijf ha cultuurgrond/bedrijf 6,90 7,28 7,72 8,58 8,75 Gemengde bedrijven aantal bedrijven aantal varkens per bedrijf aantal zeugen per bedrijf ,9 208 ha cultuurgrond/bedrijf 14,90 15,97 16,46 16,94 17,19 Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie Het gemiddeld aantal varkens op deze bedrijven stijgt jaarlijks bij alle specialisaties. Er is echter een groot verschil naargelang de specialisatie. Ook tussen de individuele bedrijven is er een groot verschil in bedrijfsstructuur (figuur 17). De meeste varkens (38%) worden gehouden op bedrijven met meer dan varkens. Iets meer dan de helft van de bedrijven hebben tussen de en varkens. Bij de bedrijven met zeugen is bijna 30% van de zeugen gehuisvest in bedrijven met 200 tot 300 zeugen. De meeste bedrijven hebben 100 tot 300 zeugen. 20% van de bedrijven heeft meer dan 300 zeugen. 27

28 Figuur 17: Structuur van varkensbedrijven, Alle bedrijven 2. Bedrijven met zeugen Toelichting: Volle lijn: lorenz curve met op de x-as het aantal bedrijven gesorteerd op aantal varkens en op de linker y-as het cumulatief percentage van het aantal varkens. Stippellijn: aantal varkens/bedrijf (rechter y-as) (zie bijlage 3) Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie 4.2. Rentabiliteit De financiële bedrijfsresultaten hebben betrekking op 69 gespecialiseerde bedrijven (productierichting 501) met gemiddeld omgerekende varkens en 19 hectare cultuurgrond. Voor de berekening van de gegevens per bedrijfstak, worden de bedrijven geselecteerd met meer dan 75 fokzeugen voor de vermeerdering en met meer dan 300 mestvarkens voor de 28

29 vetmesting. De meeste bedrijven in de steekproef zijn gecombineerde bedrijven, zodat deze ondernemingen voor de beide bedrijfstakken in aanmerking worden genomen. Bedrijfstak vermeerdering Deze resultaten zijn gebaseerd op 104 bedrijven met een bedrijfstak met meer dan 75 fokzeugen. De gespecialiseerde zeugenhouderij scoort technisch elk jaar beter: het aantal grootgebrachte biggen per zeug steeg, hoewel het sterftepercentage ook licht steeg (tabel 16). Het aantal worpen per zeug per jaar steeg licht. Tabel 16: Evolutie van de rentabiliteitscijfers zeugenhouderij, Kengetal gemiddeld aantal aanwezige zeugen aantal worpen per zeug per jaar 2,16 2,20 2,19 2,21 2,23 aantal grootgebrachte biggen per zeug per jaar 19,9 20,2 21,2 22,2 22,6 sterftepercentage biggen 13,2 14,0 13,1 13,4 13,6 opbrengsten zeugenhouderij (euro/gem. aanwezige zeug) variabele kosten (euro/gem. aanwezige zeug) bruto saldo (euro/ gem. aanwezige zeug) opbrengsten per euro voederkosten (euro) gemiddelde verkoopprijs per big (euro) 38,7 40,3 33,1 40,2 39,1 gemiddelde prijs krachtvoeder voor biggen (euro/kg) 0,26 0,28 0,32 0,36 0,31 gemiddelde prijs krachtvoeder voor zeugen (euro/kg) 0,16 0,18 0,22 0,26 0,21 De opbrengst per gemiddeld aanwezige zeug steeg in 2009 met 5%. De variabele kosten per zeug bedroegen in euro. Dit komt overeen met een daling van 16%. Dit is ook hier toe te schrijven aan de gedaalde krachtvoederkost. De voederkosten nemen 73% van de totale variabele kosten voor hun rekening (figuur 18), waardoor dit de belangrijkste variabele kostenfactor is. Het bruto saldo steeg in 2009 fors. Figuur 18: Verdeling van de variabele kosten per zeug, 2009 w erk door derden 1% energie 8% diergeneeskundige zorgen 10% overige variabele kosten 8% veevoeder 73% De sterk gedaalde kosten en de relatief stabiele biggenprijs, samen met de licht verbeterde technische resultaten zorgde er voor dat het bruto saldo voor de zeugenhouderij sterk stijgt tot 29

30 224 euro per zeug. De opbrengst per 1000 euro voederkosten stijgt met 26% door de daling van de krachtvoederkost. Bedrijfstak vetmesting Deze resultaten zijn gebaseerd op de resultaten van 107 bedrijven met een bedrijfstak met meer dan 300 mestvarkens. De opbrengsten voor vleesvarkens daalde eerder sterk (-13%) tegenover 2008 (tabel 17). Tabel 17: Evolutie van de opbrengstcijfers vleesvarkenshouderij, Kengetal gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens gemiddeld gewicht van verkochte vleesvarkens (kg) sterftepercentage (%) 2,97 2,89 2,74 2,89 2,67 opbrengsten vleesvarkenshouderij (euro/gem. aanwezig vleesvarken) variabele kosten (euro/gem. aanwezig vleesvarken) bruto saldo (euro/gem. aanwezig vleesvarken) 98,0 98,2 58,5 59,4 65,0 opbrengsten per euro voederkosten (euro) gemiddelde verkoopprijs per vleesvarken (euro) gemiddelde prijs krachtvoeder voor vleesvarkens (euro) 0,17 0,18 0,22 0,26 0,20 De gemiddelde verkoopprijs per vleesvarken is in 2009 gedaald met 7% waardoor de opbrengsten minder hoog waren dan in De waarde van de overgebrachte biggen wordt als negatieve opbrengst geboekt, waardoor de opbrengsten per vleesvarken sterker schommelen dan de verkoopprijs. Aan kostenzijde dalen de variabele kosten met 20%. De voederkost daalt met 21%. Aangezien de voederkosten 91% van de totale variabele kosten voor hun rekening (figuur 19) nemen, wordt de daling van de variabele kost praktisch volledig bepaald door de voederkosten. Figuur 19: Verdeling van de variabele kosten per vleesvarken, 2009 energie 1% w erk door derden 2% overige variabele kosten 4% diergeneesk. zorgen 2% veevoeder 91% Door de sterk gedaalde variabele kosten stijgt het bruto saldo per gemiddeld aanwezig vleesvarken tot 65 euro. 30

31 Bedrijfsresultaten Opbrengsten De maandprijzen van de vleesvarkens lagen, met uitzondering van januari en april, het hele jaar onder de prijzen van Voor biggen en zeugen was de prijs in het begin van het jaar hoger, na april zakte de prijs echter opnieuw. Uit de structuur van de bedrijfsopbrengsten van de gespecialiseerde bedrijven blijkt dat 87% afkomstig is van de varkens. Dit wijst op een sterke specialisatie (figuur 20) van deze bedrijven. De opbrengst uit varkens per GAV daalt wel met bijna 7%. Figuur 20: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2009 pluimvee 4% overige opbrengsten 2% marktbare gewassen 6% rundvee en voedergew. 1% varkens 87% Kosten De totale kosten per omgerekend varken zijn gedaald met 10%. Vooral de kosten van de veevoeders veroorzaken de daling, ze dalen met meer dan 32 euro per gemiddeld aanwezig varken. Een andere dalende kostenpost is energie (-17%). De veevoeders zijn de belangrijkste kost, en nemen 54% van de kosten in op de gespecialiseerde varkensbedrijven (figuur 21). 31

32 Figuur 21: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2009 berekende lonen 13% w erk door derden 2% grond- en gebouw enkapitaal 12% werktuigkosten 4% energie 3% overige 9% diergeneesk. zorgen 3% veevoeders 54% Inkomen De gedaalde kosten voor veevoeders, gecombineerd met een redelijke opbrengst zorgen voor een beter inkomen in De opbrengsten lagen echter wel lager dan in Het inkomen op de gespecialiseerde varkensbedrijven verbeterde in 2009 tegenover De totale opbrengsten zijn in 2009 nog steeds onvoldoende om de totale kosten (inclusief de vergoeding voor eigen arbeid) te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per euro kosten lager zijn dan Het netto bedrijfsresultaat steeg wel sterk tegenover Ook de opbrengst per euro kosten steeg. Het familiaal arbeidsinkomen per FAK steeg tot euro. Dit is 84% van het vergelijkbaar inkomen voor Het bedrijfsinkomen per omgerekend varken (+68%) en per FAK (+75%) stegen tegenover De technische en economische kengetallen uit de varkenssector worden uitgebreid besproken in het rapport Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk: boekjaren van Deuninck (2010). 32

33 Tabel 18: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, Kengetal Oppervlakte cultuurgrond (ha) 15,9 16,2 17,8 20,0 19,0 Aantal omgerekende varkens (gemiddeld aantal aanwezige per jaar) Aantal VAK 1,51 1,59 1,50 1,56 1,54 Aantal FAK 1,50 1,54 1,46 1,49 1,49 Opbrengsten per omgerekend varken 283,2 296,9 295,3 315,2 298,5 marktbare gewassen 14,0 18,7 26,1 16,4 17,1 rundvee en voedergewassen 3,3 4,5 4,8 2,7 1,8 varkens 248,8 256,2 245,1 279,8 260,7 pluimvee 13,0 11,9 13,0 7,9 12,1 overige opbrengsten 4,1 5,6 6,3 8,5 6,9 Kosten per omgerekend varken 264,0 281,2 321,5 337,1 303,2 zaad en pootgoed 1,7 2,2 2,7 2,4 2,6 veevoeders 135,9 143,2 181,2 197,9 165,3 meststoffen 0,9 1,1 1,0 1,3 1,2 bestrijdingsmiddelen 1,8 1,9 2,6 2,3 2,2 diergeneeskundige zorgen 11,1 11,7 11,0 10,7 10,2 energie 9,6 9,9 9,5 10,7 8,9 werktuigkosten 7,2 8,3 10,1 10,2 10,9 grond- en gebouwenkapitaal 28,4 30,8 32,4 34,8 36,8 berekende lonen 43,7 45,9 43,2 38,9 39,7 betaalde lonen 0,2 1,1 0,8 0,8 0,6 werk door derden 6,1 6,9 7,1 6,0 5,2 overige kosten 17,5 18,2 19,9 21,0 19,7 Netto bedrijfsresultaat per omgerekend varken 19,2 15,8-26,1-21,9-4,6 Opbrengst per euro kosten Familiaal arbeidsinkomen per omgerekend varken 62,9 61,7 17,1 17,0 35,1 Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen per omgerekend varken 68,8 69,1 25,4 27,0 45,4 Bedrijfsinkomen per FAK Eigen vermogen einde boekjaar Vreemd vermogen einde boekjaar Solvabiliteit einde boekjaar 62% 64% 62% 63% 58% 33

34 5. De groente- en aardbeiensector 5.1. Structurele kenmerken De groente- en aardbeiensector zijn qua oppervlakte minder belangrijk in Vlaanderen. De gespecialiseerde groentebedrijven betelen samen slechts 2,34% van de totale Vlaamse oppervlakte cultuurgrond in De sector is echter goed voor 15% van de totale productiewaarde van de land- en tuinbouw. In Vlaanderen waren er in gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven met beroepsmatig karakter. Dit is een daling van 7% ten opzichte van het vorige jaar (tabel 19). De daling is merkbaar bij alle specialisaties. Tabel 19: Structuur van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven gespecialiseerde glasgroentebedrijven aantal bedrijven ha groenten per bedrijf 1,12 1,16 1,22 1,29 1,35 ha cultuurgrond per bedrijf 2,26 2,29 2,25 2,38 2,38 bedrijven met overwegend groenten in open lucht aantal bedrijven ha groenten per bedrijf 6,62 6,72 6,91 7,63 7,58 ha cultuurgrond per bedrijf 15,21 15,77 15,63 16,48 16,57 champignonbedrijven aantal bedrijven ha groenten per bedrijf 0,21 0,23 0,22 0,25 0,25 ha cultuurgrond per bedrijf 0,44 0,51 1,12 0,93 0,41 aardbeienbedrijven aantal bedrijven ha groenten per bedrijf 2,23 2,02 2,18 2,30 2,41 ha cultuurgrond per bedrijf 6,71 7,24 6,69 7,64 7,90 gespecialiseerde groentebedrijven aantal bedrijven ha groenten per bedrijf 2,96 2,98 3,10 3,43 3,41 ha cultuurgrond per bedrijf 7,01 7,32 7,34 7,83 8,05 Bron: eigen berekeningen, FOD Economie Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie De gespecialiseerde glasgroentebedrijven vormen de grootste groep. De gemiddelde oppervlakte groenten bedraagt 1,35 ha. 96% van de groenten op deze bedrijven wordt onder glas gekweekt. Gemiddeld hebben deze bedrijven 1,29 hectare groenten onder glas. Tomaten (48%) en kropsla (17 %) nemen de grootste oppervlakte voor hun rekening. Paprika sluit de top 3 af met 10% van de oppervlakte. Samen met de komkommers zijn deze glasgroenten goed voor 79% van de oppervlakte onder glas. 34

35 Bij de bedrijven met overwegend groenten in openlucht 1 wordt volgens de mei-enquête de grootste oppervlakte groenten ingenomen door prei (28%), gevolgd door witloofwortelen voor forcerie op het bedrijf (27%) en bloemkolen (8%). Vollegrondsgroenten worden op deze bedrijven vaak gecombineerd met andere land- en tuinbouwteelten, zodat het aandeel van de oppervlakte die groenten in open lucht innemen, slechts 45% bedraagt van de totale oppervlakte cultuurgrond op de bedrijven. Op de aardbeienbedrijven vindt men zowel aardbeien onder glas, onder plastic kappen als in open grond. Volgens de enquête wordt 32% van de aardbeien onder glas en hoge plastic kappen geteeld en 68% in openlucht. Aardbeien zijn op deze bedrijven vaak niet de enige teelt. De oppervlakte aardbeien is goed voor 26% van de totale oppervlakte cultuurgrond van de aardbeienbedrijven. Het aantal champignonbedrijven daalt in 2009 opnieuw licht. In Vlaanderen zijn er nog 46 gespecialiseerde champignonkwekerijen. Gespecialiseerde champignonbedrijven telen bijna geen andere groenten (99% champignons). Gemiddeld is de oppervlakte van de groentebedrijven gestegen. Samen betelen alle gespecialiseerde groentebedrijven 2.34% van de totale oppervlakte cultuurgrond in Vlaanderen. Er blijft een grote spreiding in grootte tussen de bedrijven onderling (figuur 22). Bij de gespecialiseerde glasgroentebedrijven wordt ongeveer 30% van de oppervlakte benut door slechts 10% van de grootste bedrijven, terwijl 80% van de bedrijven slechts 50% van de oppervlakte bezit. De meeste gespecialiseerde glasgroente bedrijven bezitten tussen de 50 en de 200 are. Bij de bedrijven met overwegend groenten in openlucht nemen de 10% grootste bedrijven 36% van de oppervlakte voor hun rekening. 19% van de bedrijven heeft meer dan 10 hectare groenten in openlucht. Champignonbedrijven kennen een gelijkaardige verdeling. Het grootste aantal bedrijven (60%) heeft tussen de 10 en de 30 are. Voor gespecialiseerde aardbeibedrijven is het verschil tussen de bedrijven meer uitgesproken. Hier beteelt 10% van de bedrijven 44% van de oppervlakte. Deze uitgesproken verschillen zijn te verklaren doordat dit een combinatie van teelten onder glas en teelten in open lucht is. 1 De extensieve groenteteelt wordt niet als tuinbouwteelt maar als akkerbouwteelt beschouwd en maakt dus geen deel uit van de oppervlakte groenten in open lucht. 35

36 Figuur 22: Verdeling gespecialiseerde groentebedrijven volgens oppervlakte,

37 Toelichting: Volle lijn: lorenz curve met op de x-as het aantal bedrijven gesorteerd op oppervlakte en op de linker y-as het cumulatief percentage van de oppervlakte. Stippellijn: oppervlakte/bedrijf (rechter y-as) (zie bijlage 3) Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Departement Landbouw en Visserij 5.2. Rentabiliteit De analyse van de financiële bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 97 gespecialiseerde groentebedrijven. De bedrijfsresultaten werden geëxtrapoleerd dan de ganse beroepspopulatie in Vlaanderen met een weging. De analyse van specifieke bedrijfstakken werd gedaan op basis van niet geëxtrapoleerde gegevens. Rentabiliteit glasgroentebedrijven Voor de analyse van de rentabiliteit worden enkel de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven in rekening gebracht om de invloed van andere tuinbouwtakken zoveel mogelijk uit te sluiten. De glastuinbouwteelten leveren op deze bedrijven 96% van de totale geldopbrengsten per are cultuurgrond (tabel 20). De bedrijven uit de steekproef bewerken gemiddeld 1,46 ha. Ze maken hiervoor gebruik van 4,05 voltijdse arbeidskrachten, waarvan 1,95 familiale. Tabel 20: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven, euro per are, kengetal Totale opbrengsten waarvan glasgroenten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK

38 In 2009 waren de opbrengsten van de glasgroenten zeer laag. Onder andere de afnemende export zorgde voor een groot aanbod op de markten waardoor de prijs sterk terugviel. Dit zorgde voor een vermindering van de opbrengst uit glasgroenten met 28%. De totale opbrengst daalde met 30%. De kosten vielen dit jaar terug met 16%. Vooral de energiekosten voor verwarming kenden een grote daling (-46%). De daling werd veroorzaakt door de olieprijs die in 2009 erg laag was. De betaalde lonen per are lagen dit jaar lager dan de vorige jaren. Dit is het gevolg van het gedaald aantal VAK. De loonkost daalde met 16%. De kost voor de arbeid van de bedrijfsleider en de gezinsleden steeg dan weer. In figuur 23 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. De kosten voor verwarming, grond en gebouwen, en betaald personeel zijn samen goed voor 44% van de kosten. In de overige kosten zijn het loonwerk, overige materialen, verkoopskosten, directe kosten aan de teelten en enkele andere kleinere kosten begrepen. Figuur 23: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde glasgroentebedrijven, 2009 overige kosten 12% berekende lonen 22% grond- en gebouwenkapitaal 16% zaai- en plantgoed 8% betaald personeel 14% energie voor verwarming 14% bestrijdingsmiddelen en meststoffen 5% werktuigkosten 9% De lagere kosten konden slecht een klein deel van de lagere inkomsten compenseren, waardoor er zware verliezen in de sector opgetekend worden. Het netto bedrijfsresultaat is fel gedaald. Het arbeidsinkomen per VAK daalt met 46% De glasgroentesector kent grote structurele verschillen. Afhankelijk van de teelten en de vraag en prijs van de producten kunnen de onderlinge resultaten sterk verschillen. Ook de verkoopperiode is van belang. Zo waren de prijzen van kropsla in het begin van het jaar redelijk, terwijl ze nadien volledig wegzakte door de verhoogde aanvoer uit Zuid-Europa. 38

39 Tabel 21: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstak tomaten uitgedrukt per oppervlakte tomaten, Kengetal Opbrengst (kg/are) 4.748, , , , ,31 Opbrengst (euro/are) 3.646, , , , ,71 prijs 0,77 0,78 0,78 0,78 0,60 Variabele kosten (euro/are) 1872, , , , ,97 bruto saldo 1.773, , , , ,74 De tomatentelers ontvingen voor hun product een lagere prijs dan in De opbrengst in kg/are ging er echter op vooruit Behalve in februari, maart en april, was de prijs beduidend lager dan in de overeenkomstige maanden in het vorige jaar. In het begin van het jaar was er een verminderd aanbod van tomaten. Door een vertraagde productie werd het aanbod half maart groter en daalde de prijs. De tomaten leverden de telers 14% minder opbrengsten per are op ten opzichte van het vorige jaar. De variabele kosten daalden met 7%. Vooral de energiekosten daalden sterk. Deze daling werd deels teniet gedaan door verhoogde kosten aan bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Figuur 24: Structuur van de variabele kosten voor de productie van tomaten onder glas, 2009 directe kosten teelten 5% overige variabele kosten 8% zaai- en pootgoed 20% werk door derden 2% meststoffen 10% bestrijdingsmiddelen 3% energie 44% verkoopkosten 8% Ook de slateelt kende in 2009 geen beterschap. De slaprijs bleef laag, waardoor de opbrengsten achterwege bleven. De variabele kosten zakten wel door de dalende energiekosten, maar dit was niet voldoende om de slechte opbrengsten te compenseren. Uit figuur 25 blijkt dat de energiekost de belangrijkste kost is. 39

40 Figuur 25: Structuur van de variabele kosten voor de productie van kropsla onder glas, 2009 overige 6% zaai- en pootgoed 24% energie 43% meststoffen 7% bestrijdingsmiddelen 8% verkoopkosten 12% Rentabiliteit bedrijven met overwegend groenten in open lucht Gemiddeld hebben de bedrijven 14,3 ha cultuurgrond, waarvan bijna 49% ingenomen wordt door prei (13%), bloemkool (17%) en witloofwortelen (19%). Er werken gemiddeld 2,9 voltijdse arbeidskrachten op de bedrijven, waarvan 2,0 familiale. De totale opbrengsten per ha cultuurgrond bij de bedrijven met overwegend groenten in open lucht steeg in 2009 met 4%. Verder blijkt dat vollegrondsgroenten 92% van de totale inkomsten van deze bedrijven leveren. De inkomsten uit groenten stegen ook met 4%. Tabel 22: Bedrijfsresultaten van de bedrijven met overwegend groenten in open lucht, euro per ha, Kengetalkengetal, Totale opbrengsten waarvan tuinbouwteelten waarvan groenten in volle grond Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per euro kosten Arbeidsinkomen per ha Arbeidsinkomen per VAK De totale kost per hectare blijft vergelijkbaar met het vorige jaar. Per kostenpost zijn er wel veranderingen waar te nemen in vergelijking met het vorige jaar. De kosten voor grond en gebouwen, fictieve loonkost en het zaad en plantgoed stegen. De werktuigkosten daalden gevoelig in 2009 (-8,7%). De kost die het sterkst daalde was de energiekost. Relatief gezien is dit echter een kleine kost in deze sector. In figuur 26 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. Hieruit blijkt dat een derde van de kosten voor rekening van de berekende lonen zijn. Daarnaast valt ook het grote aandeel van de werktuigkosten (met inbegrip van energiekosten voor de werktuigen), kosten van grond- en gebouwenkapitaal en de kosten voor zaai- en plantgoed op. 40

41 Figuur 26: Structuur van de kosten voor de bedrijven met overwegend groenten in open lucht, 2009 overige kosten 12% grond- en gebouw enkapitaal 12% berekende lonen 35% zaai- en plantgoed 11% bestrijdingsmiddelen en meststoffen 6% werktuigkosten 16% betaalde lonen 8% Het netto bedrijfsresultaat werd in 2009 minder negatief. Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht steeg met 16% tot 48% van het vergelijkbaar arbeidsinkomen. De resultaten verschillen sterk per teelt, zodat afhankelijk van het teeltplan de resultaten sterk kunnen verschillen tussen de bedrijven onderling. In tabel 23 worden de rentabiliteitsgegevens per are weergegeven voor prei en bloemkool. Tabel 23: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken prei en bloemkool, Prei Opbrengst (in euro/are) Ontvangen prijs (in euro/kg) 0,66 0,46 0,62 0,61 0,71 Totale variabele kosten (euro/are) Bruto saldo Witte bloemkool Opbrengst (in euro/are) Ontvangen prijs (in euro/kg) 0,59 0,89 0,85 0,64 0,61 Totale variabele kosten (euro/are) Bruto saldo In 2009 was de prijs van prei hoger dan de voorbije jaren. Door de hoge prijs stegen de opbrengsten. De variabele kosten zakten lichtjes. De kosten voor zaad- en plantgoed waren beduidend minder dan in Het bruto saldo steeg in 2009 sterk door de combinatie van de voorgaande factoren. 41

42 Figuur 27: Structuur van de variabele kosten bij de teelt van prei in volle grond, 2009 werk door derden 9% overige 9% zaai- en plantgoed 26% energie 11% meststoffen 12% verkoopkosten 17% bestrijdingsmiddelen 16% De prijs die de bedrijven uit het LMN voor bloemkolen ontvingen was in 2009 lager dan in 2008, waardoor de opbrengsten daalden. De variabele kosten bleven vergelijkbaar met die van Het bruto saldo daalde in 2009 door de afnemende opbrengsten. De belangrijkste variabele kost bij bloemkolen is het zaai- en plantgoed, goed voor 30% van de totale variabele kost. Meststoffen en bestrijdingsmiddelen nemen ook 30% van de kosten in. Figuur 28: Structuur van de variabele kosten bij de productie van bloemkolen in volle grond, 2009 overige 10% werk door derden 10% zaai- en pootgoed 30% energie 11% verkoopkosten 9% bestrijdingsmiddelen 14% meststoffen 16% De prijs van witloof licht steeg in Het VBT meldt een middenprijs van 0,82 euro/kg. In 2008 was dit 0,80 euro/kg. 42

43 Rentabiliteit champignonbedrijven In tabel 24 worden de bedrijfsresultaten weergegeven. Hieruit blijkt dat op de gespecialiseerde champignonbedrijven 98% van de opbrengsten afkomstig is van de verkoop van champignons. De gemiddelde referentieoppervlakte bedraagt 1,88 ha. Het aantal arbeidskrachten daalde in 2009 tot 12,53. Hiervan zijn er 2,25 familiale arbeidskrachten. De totale opbrengsten per 100 kg verkocht product zijn in 2009 lager dan in het vorige jaar doordat de prijs lager was dan in De prijs blijft echter nog steeds hoger dan in de periode voor Doordat de kosten ook zijn gezakt wordt deze minderopbrengst deels goedgemaakt. Het netto bedrijfsresultaat per 100 kg daalt ten opzichte van Tabel 24: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde champignonbedrijven, Kengetal Totale opbrengsten ( /100kg) waarvan champignons ( /100kg) Totale kosten ( /100kg) Netto bedrijfsresultaat ( /100kg) -16,5-7,3-0,8-2,7-3,7 Opbrengsten per euro kosten Arbeidsinkomen per VAK De grootste daling in kosten werd genoteerd bij de energiekost (-48%) en de compostkost(- 10% ). Ook de kosten voor betaald personeel daalden ten opzichte van Figuur 29: Structuur van de kosten voor de champignonbedrijven, 2009 Verkoopkosten Grond- en 5% gebouwenkapitaal 5% Dekaarde 5% Overige 4% Berekende lonen 13% Compost 25% Betaald personeel 29% Energie verwarming 3% Werk door derden 3% Werktuigkosten 8% Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht bedroeg in euro, wat overeenkomt met 59% van het vergelijkbaar inkomen voor

44 Rentabiliteit aardbeienbedrijven Op de gespecialiseerde aardbeienbedrijven in het LMN is in % van de opbrengsten afkomstig van de verkoop van aardbeien. Aardbeienteelt neemt 63% van de totale oppervlakte cultuurgrond in op deze bedrijven. Tabel 25: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, euro per ha, Kengetal Totale opbrengsten (euro/ha) Totale kosten (euro/ha) Netto bedrijfsresultaat (euro/ha) Opbrengsten per kosten Arbeidsinkomen per hectare Arbeidsinkomen per VAK Verkoopprijs aardbeien (euro per kg) (VBT middenprijs) 2,37 2,35 2,52 2,77 2,56 De middenprijs voor aardbeien op de Belgische veilingen daalde ten opzichte van 2008, met een dalende financiële opbrengst per hectare tot gevolg. Figuur 30: Middenprijs aardbeien op Belgische veilingen, Bron: VBT De lagere opbrengst werd gedeeltelijk gecompenseerd door een daling van de kosten met 16%. Zoals in alle glastuinbouw sectoren daalde de verwarmingskost sterk. In figuur 31 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. Hieruit blijkt dat grond- en gebouwenkapitaal een van de belangrijke kost is, naast de berekende vergoeding voor arbeid. De overige onkosten bevatten de kost voor loonwerk, overige materialen en enkele kosten die niet specifiek zijn voor de aardbeienteelt. 44

45 Figuur 31: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, 2009 overige onkosten directe kosten teelten 10% 4% verkoopkosten 3% berekende lonen 19% grond- en gebouw enkapitaal 18% betaald personeel 18% werktuigkosten 6% zaad en plantgoed 13% bestrijdingsmiddelen en energie verw arming meststoffen 4% 5% Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht bedraagt 56% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 4,7 arbeidskrachten op de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, waarvan 1,6 familiale. Rentabiliteit groente- en aardbeienbedrijven: samenvattend overzicht De gemiddelde opbrengsten per are daalden in 2009 met 22%. De daling werd veroorzaakt door de slechte opbrengsten in de glastuinbouw. Voor de gespecialiseerde groentebedrijven in de steekproef is 63% van opbrengsten afkomstig van glasgroenten in 34% van groenten in open lucht. Figuur 32: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2009 Overige 3% Teelten in open lucht 34% Teelten onder glas 63% De kosten daalden sterk door de daling van de energiekosten. Uit de verdeling van de kosten (figuur 33) blijkt dat de belangrijkste kosten die voor arbeid (39%) en grond- en 45

46 gebouwenkapitaal (15%) zijn. De kost voor verwarming is in 2009 slecht 7% van de totale kost terwijl dit vorig jaar nog 13% bedroeg. Figuur 33: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2009 Directe kosten teelten Verkoopkosten 3% 4% Grond- en gebouw enkapitaal 15% Overige onkosten 3% Berekende lonen 26% Overige materialen 2% Zaai- en plantgoed 9% Energie verw arming 7% Meststoffen 5% Bestrijdingsmiddelen 2% Werktuigkosten 10% Betaald personeel 13% Werk door derden 1% Er werken gemiddeld 3,92 arbeidskrachten op de gespecialiseerde groentebedrijven, waarvan 1,95 familiale. Het arbeidsinkomen per VAK is sterk gedaald door de slechtere opbrengsten. Het inkomen daalde tot 43% van het vergelijkbaar inkomen. Hiermee wordt bevestigd dat 2009 een crisisjaar voor de glastuinbouw was. 46

47 Tabel 26: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven, Kengetal Oppervlakte cultuurgrond (ha) 5,7 5,3 5,7 5,9 6,1 Aantal VAK 3,22 3,25 3,31 4,10 3,92 Aantal FAK 1,79 1,85 1,84 1,93 1,95 Opbrengsten/are cultuurgrond Teelten onder glas Teelten in open lucht Overige Kosten/are cultuurgrond Zaad- en plantgoed Bestrijdingsmiddelen Meststoffen Energie voor verwarming Werktuigkosten Overige materialen Kosten van grond- en gebouwenkapitaal Verkoopkosten Directe kosten teelten Berekende lonen Betaald personeel Werk door derden Algemene onkosten Netto bedrijfsresultaat euro/are cultuurgrond Opbrengst per euro kosten Arbeidsinkomen (in euro per V.A.K.) Arbeidsinkomen (in euro per are cultuurgrond) Eigen vermogen einde boekjaar Vreemd vermogen einde boekjaar Solvabiliteit op het einde van het boekjaar 54% 58% 60% 62% 64% 47

48 6. De fruitsector (exclusief de aardbeiensector) 6.1. Structurele kenmerken De fruitsector exclusief de aardbeienbedrijven is qua oppervlakte minder belangrijk in Vlaanderen. De gespecialiseerde fruitbedrijven betelen samen slechts 2,56% van de totale Vlaamse oppervlakte cultuurgrond in De bedrijven zijn vooral gelegen in de streek rond Sint-Truiden. Het fruit is in Vlaanderen in 2009 goed voor 5,4% van de totale productiewaarde van de land- en tuinbouw, 67% hiervan is afkomstig van appelen en peren. In 2009 telt de Vlaamse fruitsector 846 gespecialiseerde fruitbedrijven met beroepsmatig karakter. Van hun oppervlakte cultuurgrond is 85% bestemd voor fruit. De appelen en peren nemen de grootste oppervlakte voor hun rekening en zijn samen goed voor bijna 93% van de oppervlakte fruit. Het gemiddeld areaal peren per bedrijf neemt verder toe, die van de appelen blijft gelijk. Tabel 27: Structuur van de gespecialiseerde fruitbedrijven, Kengetal Aantal bedrijven Oppervlakte fruit per bedrijf (in ha) (1) 14,3 14,4 14,8 15,4 15,9 waarvan appelen 49,7% 47,8% 46,2% 45,4% 43,6% peren 43,3% 44,5% 46,5% 47,2% 49,1% Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (in ha) 16,7 17,1 17,4 18,3 18,8 (1) exclusief aardbeien Bron: eigen berekeningen, FOD Economie Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie De gemiddelde oppervlakte van de bedrijven is met 3% gestegen tegenover Er is een grote spreiding tussen de bedrijven onderling (figuur 34). De 50% kleinste bedrijven betelen slechts 20% van het fruitareaal. De 20% grootste bedrijven betelen samen 50% van het totale fruitareaal. De meeste bedrijven hebben tussen de 5 en de 20 hectare. 48

49 Figuur 34: Verdeling gespecialiseerde fruitbedrijven volgens oppervlakte, 2009 Toelichting: Volle lijn: lorenz curve met op de x-as het aantal bedrijven gesorteerd op oppervlakte en op de linker y-as het cumulatief percentage van de oppervlakte. Stippellijn: oppervlakte(ha)/bedrijf (rechter y-as) (zie bijlage 3) Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Departement Landbouw en Visserij 6.2. Rentabiliteit De analyse van de financiële bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudgegevens van 60 gespecialiseerde fruitbedrijven, die gemiddeld 19,5 ha cultuurgrond bezitten. De gegevens van deze bedrijven werden om de rentabiliteit te berekenen geëxtrapoleerd. Op de bedrijven werken 5,2 arbeidskrachten, waarvan 1,75 familiale. De opbrengsten uit fruit (zonder aardbeien) maken bij de gespecialiseerde fruitbedrijven 95% van de totale opbrengsten uit (tabel 29). De totale opbrengsten zijn verder gedaald in 2009 (-5%) en komen net onder het niveau van De totale kosten per hectare zijn met 4% gestegen in vergelijking met Het werk door derden (+65%) en de directe kosten (+28%) aan teelten kenden procentueel de grootste stijgingen, maar gezien het beperkte belang van deze kosten, bleef de stijging van de totale kosten eerder beperkt. In figuur 35 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Hieruit blijkt dat de berekende lonen en de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal, waarbij de boomgaarden ook gerekend worden, de voornaamste kosten zijn. De betaalde lonen sluiten de top 3 van de kostenposten af. 49

50 Figuur 35: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde fruitbedrijven (zonder aardbeienbedrijven), 2009 Verkoopkosten 5% Directe kosten teelten 5% Overige 4% Berekende lonen 22% Grond- en gebouw enkapitaal 20% Meststoffen 2% Bestrijdingsmiddelen 7% Werktuigkosten 12% Werk door derden 3% Betaald personeel 20% Het netto bedrijfsresultaat daalt op een gemiddeld fruitbedrijf voor het tweede jaar op rij sterk, tot euro per hectare. De opbrengst per euro kosten daalt tot 880 euro. Men spreekt terecht over een crisisjaar. Het arbeidsinkomen per VAK bedraagt slechts 46% van het vergelijkbaar inkomen. Het arbeidsinkomen per hectare daalt tot 4916 euro. De bedrijfsresultaten zijn sterk afhankelijk van het aandeel van de diverse soorten fruit in het teeltplan. De belangrijkste fruitrassen in Vlaanderen zijn appelen en peren. Het is daarom interessant om deze bedrijfstakken afzonderlijk te beschouwen (tabel 28). De gemiddeld ontvangen prijs voor appelen was voor de oogst 2009 een stuk lager (-18%) dan in 2008, ondanks de toegenomen geoogste hoeveelheden per hectare (+13%) tegenover Ook bij de peren zien we deze trend. Een forse daling van de gemiddelde verkoopprijs (-50%) tegenover een toename van de geoogste hoeveelheden per hectare (46%) ten opzichte van Een verminderde export en een overaanbod lagen aan de basis van de slechte prijs. Tabel 28: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken appelen en peren, Appelen Opbrengst (in euro/are) 127,4 166,4 212,8 143,2 134,6 Ontvangen prijs (in euro/kg) 0,336 0,381 0,444 0,355 0,291 Variabele kosten (in euro/are) 38,1 41,3 45,3 42,6 45,1 Bruto saldo (in euro/are) 89,3 125,1 167,5 100,6 89,5 Peren Opbrengst (in euro/are) 184,5 161,6 228,1 189,0 176,5 Ontvangen prijs (in euro/kg) 0,626 0,475 0,611 0,915 0,454 Variabele kosten (in euro/are) 34,1 40,2 47,6 40,6 45,8 Bruto saldo (in euro/are) 150,4 121,4 180,5 148,4 130,7 50

51 Bij de variabele kosten voor appelen en peren (figuur 36) maken de bestrijdingsmiddelen en de verkoopkosten de hoofdbrok uit. Samen zijn ze goed voor bijna de helft van de variabele kosten. Bij de overige kosten zitten vooral directe kosten aan teelten. Figuur 36: Structuur van de variabele kosten voor de productie van fruitgewassen, Appelen overige 22% meststoffen 7% werk door derden 7% bestrijdingsmiddelen 29% energie 16% verkoopkosten 19% 2. Peren overige 18% meststoffen 10% werk door derden 7% bestrijdingsmiddelen 29% energie 16% verkoopkosten 20% De opbrengsten voor appelen en peren daalden door een verminderde export en een overaanbod op de binnenlandse markt. De variabele kosten echter stegen zodat de bruto saldi daalden zowel voor appelen als peren met respectievelijk 11% en 12%. 51

52 Tabel 29: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (excl. aardbeien), Kengetal Oppervlakte cultuurgrond (ha) 16,3 16,9 17,3 18,7 19,5 Aantal VAK 3,63 3,93 4,23 4,53 5,17 Aantal FAK 1,56 1,58 1,56 1,71 1,75 Opbrengsten per hectare cultuurgrond Fruit Andere tuinbouwteelten Overige Kosten per hectare cultuurgrond Zaad- en plantgoed Bestrijdingsmiddelen Meststoffen Werktuigkosten Overige materialen Kosten van grond- en gebouwenkapitaal Verkoopkosten Directe kosten teelten Algemene onkosten Arbeid bedrijfsleider en gezinsleden Betaald personeel Werk door derden Nettobedrijfsresultaat per are cultuurgrond Opbrengst per 1000 euro kosten Arbeidsinkomen per hectare cultuurgrond Arbeidsinkomen per VAK Bedrijfsinkomen per hectare cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK Eigen vermogen einde boekjaar Vreemd vermogen einde boekjaar Solvabiliteit einde boekjaar 78% 76% 78% 75% 69% 52

53 7. De sierteeltsector (exclusief boomkwekerij) Structurele kenmerken De bedrijven met specialisatie sierteelt betelen slechts 0,43% van de totale oppervlakte cultuurgrond in Vlaanderen. Nochtans is de sector goed voor 5,8% van de totale eindproductiewaarde van de land- en tuinbouwsector in De productie is vooral gelegen in Oost-Vlaanderen, in de streek rond Lochristi. In Vlaanderen zijn er in gespecialiseerde sierteeltbedrijven met beroepsmatig karakter of een daling met 7% ten opzichte van 2008 (tabel 30). De daling is merkbaar bij alle specialisaties. Tabel 30: Structuur van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij), Gespecialiseerde potplantenbedrijven Aantal bedrijven Oppervlakte potplanten per bedrijf (ha) 1,09 1,08 1,09 1,08 1,24 Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha) 1,84 1,79 1,80 1,89 2,03 Gespecialiseerde azaleabedrijven Aantal bedrijven Oppervlakte azalea s per bedrijf (ha) 1,85 2,10 2,24 2,16 2,25 Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha) 2,46 2,62 2,79 2,63 2,71 Gespecialiseerde snijbloemenbedrijven Aantal bedrijven Oppervlakte snijbloemen per bedrijf (ha) 0,75 0,82 0,83 0,88 0,75 Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha) 2,11 2,14 2,01 2,25 1,81 Gespecialiseerde sierteeltbedrijven Aantal bedrijven Oppervlakte sierteelt per bedrijf (ha) 1,46 1,48 1,52 1,60 1,61 Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha) 2,92 2,93 3,24 3,38 3,48 Bron: eigen berekeningen, FOD Economie Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie Sierteelt komt zowel in open lucht als onder beschutting voor. De sierteeltbedrijven hebben 59% van hun oppervlakte sierteelt in open lucht en 41% onder glas. De gemiddelde oppervlakte van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven is met 3% gestegen tegenover 2008, het aandeel sierteelt blijft stabiel op 46% van de cultuuroppervlakte in De bedrijfsgrootte varieert sterk van bedrijf tot bedrijf (figuur 37). Bij de potplantenbedrijven betelen de 12% grootste bedrijven 50% van de oppervlakte. Van de azaleabedrijven betelen 22% van de grootste bedrijven de helft van de oppervlakte. Voor snijbloembedrijven wordt 52% van de oppervlakte van benut door de 20% grootste bedrijven. 2 Bij gebrek aan voldoende bedrijven in het LMN van een aantal bedrijfstypes (o.a. boomkwekerij) worden deze types niet opgenomen in de referentiepopulatie. Voor meer details wordt verwezen naar de paragraaf wegingssysteem in de methodologische toelichting. 53

54 Figuur 37: Verdeling cultuurgrond tussen sierteeltbedrijven opgesplitst per specialiteit,

55 Toelichting: Volle lijn: lorenz curve met op de x-as het aantal bedrijven gesorteerd op oppervlakte en op de linker y-as het cumulatief percentage van de oppervlakte. Stippellijn: oppervlakte/bedrijf (rechter y-as) (zie bijlage 3) Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie 7.2. Rentabiliteit De analyse van de financiële resultaten voor 2009 is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 55 gespecialiseerde sierteeltbedrijven. Deze resultaten werden geëxtrapoleerd om de rentabiliteit van de sectoren te bespreken op Vlaams niveau. Rentabiliteit potplantenbedrijven De gespecialiseerde potplantenbedrijven in de steekproef bewerken gemiddeld 1,60 ha, waarvan 1,42 ha potplanten. Dit is 89% van de oppervlakte. Van de opbrengsten is 86% afkomstig van de verkoop van potplanten (tabel 31). Het gemiddelde aantal volwaardige arbeidskrachten bedraagt in ,19. Tabel 31: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde potplantenbedrijven, euro per are, Kengetal Totale opbrengsten waarvan potplanten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK De opbrengsten en kosten per are dalen tegenover Dit is deels te verklaren door de stijging in oppervlakte. De totale opbrengsten per are daalden met 21% en de kosten per are 55

56 daalden met 17%. Het netto bedrijfsresultaat per are gaat er dan ook op achteruit ten opzichte van In figuur 38 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. De verdeling is nagenoeg dezelfde als in Hieruit blijkt dat de grootste kostenposten het zaad en plantgoed, de lonen (berekend en betaald), en de kosten van gronden gebouwenkapitaal zijn. Deze kosten zijn samen goed voor 58% van de totale kost. Figuur 38: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde potplantenbedrijven, 2009 Verkoopkosten 4% Directe kosten teelten 4% Overige 7% Berekende lonen 14% Grond- en gebouw enkapitaal 15% Betaald personeel 14% Werk door derden 2% Overige materialen 8% Werktuigkosten 7% Zaai- en plantgoed 15% Energie voor verw arming 10% De totale opbrengsten zijn niet toereikend om de totale kosten te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per euro kosten kleiner zijn dan Zowel het netto bedrijfsresultaat als de opbrengsten per euro kosten daalden sterk tegenover Mede door het hogere gemiddelde aantal arbeidskrachten daalde ook het arbeidsinkomen per VAK sterk tot euro. Men kan wel degelijk spreken van een crisisjaar in deze sector. Rentabiliteit azaleabedrijven De gespecialiseerde azaleabedrijven in de steekproef bewerken gemiddeld 2,72 ha, waarvan 1,00 ha azalea s. De opbrengsten uit azalea s maken bij deze bedrijven 93% uit van de totale opbrengsten (tabel 32). De totale opbrengsten per are zijn gedaald met 39 % tegenover vorig jaar. De totale kosten daalden met 33 %. 56

57 Tabel 32: Structuur van de opbrengsten voor gespecialiseerde azaleabedrijven, euro per are, Kengetal Totale opbrengsten waarvan azalea s Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK De verdeling van de belangrijkste kosten bleef voor nagenoeg hetzelfde als in In figuur 39 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. De grootste kosten blijven de berekende lonen en het grond- en gebouwenkapitaal. Figuur 39: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde azaleabedrijven, 2009 Directe kosten teelten 5% Overige 6% Verkoopkosten 4% Grond- en gebouw enkapitaal 17% Berekende lonen 30% Betaald personeel 9% Overige materialen 7% Zaad- en plantgoed 1% Werktuigkosten 10% Energie voor verw arming 9% Bestrijdingsmiddelen 2% De opbrengsten per are dalen meer dan dat de kosten per are dalen. Het netto bedrijfsresultaat per are gaat er dus ook op achteruit tot een verlies van 187 euro. Door de grotere gemiddelde oppervlakte cultuurgrond, is het moeilijk de resultaten per are te vergelijken met voorgaande jaren. Het aantal VAK is minder gevoelig gestegen waardoor de resultaten per VAK makkelijker te interpreteren zijn. Het arbeidsinkomen per VAK daalde met 26% tot euro/vak. De referentieoppervlakte steeg echter met 56% en het aantal VAK steeg met 9% tot 2,77 VAK. 57

58 Rentabiliteit snijbloemenbedrijven De snijbloemenbedrijven in het LMN beschikken gemiddeld over 76 are cultuurgrond. De opbrengsten uit snijbloemen maken op deze bedrijven 74% uit van de totale opbrengsten (tabel 33). De totale opbrengsten per are zijn met 26% en de totale kosten per are zijn met 31% gestegen tegenover Tabel 33: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, Kengetal Totale opbrengsten waarvan snijbloemen Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK De totale kosten per are stijgen aanzienlijk deels door de gedaalde gemiddelde totale oppervlakte op de bedrijven. De berekende lonen en de energie voor verwarming stijgen meer dan de andere kosten per are. In figuur 40 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Opvallend zijn het grote aandeel van de kosten voor de berekende lonen, de energie voor verwarming en de kost voor grond- en gebouwenkapitaal. Figuur 40: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 2009 Verkoopkosten 4% Overige 11% Berekende lonen 28% Grond- en gebouw enkapitaal 14% Zaai- en plantgoed 7% Betaald personeel 2% Werktuigkosten 9% Energie voor verw arming 25% Het arbeidsinkomen per are is met 227 euro/are lager dan in Het arbeidsinkomen per VAK daalt tot euro/vak, 17% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 2,54 arbeidskrachten op de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, waarvan 2,26 familiale arbeidskrachten. 58

59 Rentabiliteit sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij): samenvattend overzicht De sector kampt al jaren met een laag inkomen en in 2009 is er weinig beterschap op te merken. Enkel de groep overige bloemenbedrijven, zorgt ervoor dat de inkomensdalingen uit de azalea-, potplanten- en snijbloembedrijven worden gecompenseerd. Dit resulteert in een status quo voor de arbeidsinkomens in de gespecialiseerde sierteelt. Figuur 41 geeft de structuur van de opbrengsten weer. Hieruit blijkt dat op een gemiddeld sierteeltbedrijf 64% van de opbrengsten afkomstig zijn van teelten onder glas. De totale opbrengsten per are daalden met 13% tegenover Het aandeel opbrengsten voor teelten onder glas verloor terrein aan de teelten in open lucht. Figuur 41: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2009 Overige 5% Teelten in openlucht 31% Teelten onder glas 64% De belangrijkste kosten zijn deze voor lonen (betaald en berekend), grond- en gebouwenkapitaal en zaai- en plantgoed (figuur 42). Bij de overige kosten zijn in deze grafiek ook de kost voor bemesting, gewasbescherming en het loonwerk gevoegd. Figuur 42: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2009 Betaald personeel 8% Overige kosten 9% Zaai- en plantgoed 13% Energie voor verwarming 10% Berekende lonen 23% Directe kosten teelten 5% Verkoopkosten 4% Werktuigkosten 7% Overige materialen 8% Grond- en gebouwenkapitaal 13% 59

60 Evenals de opbrengsten per are, daalden ook de kosten per are met 13%. Het netto bedrijfsresultaat daalt bijgevolg eveneens met 13% tegenover 2008 tot -304 euro per are en de opbrengsten per euro kosten blijven uiteraard constant. Het gemiddeld arbeidsinkomen per VAK steeg lichtjes bij de sierteeltbedrijven en bedraagt in euro of 41 % van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 3,21 arbeidskrachten op de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, waarvan 1,95 familiale. Tabel 34: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, Kengetal Oppervlakte cultuurgrond (ha) 1,39 1,42 1,37 1,55 2,0 Aantal VAK 2,66 2,47 2,66 3,03 3,21 Aantal FAK 1,71 1,66 1,67 1,87 1,95 Opbrengsten per are cultuurgrond Teelten onder glas Teelten in open lucht Overige Kosten per are cultuurgrond Zaad- en plantgoed Bestrijdingsmiddelen Meststoffen Energie voor verwarming Werktuigkosten Overige materialen Grond- en gebouwenkapitaal Verkoopkosten Directe kosten teelten Berekende lonen Betaald personeel Werk door derden Algemene onkosten Nettobedrijfsresultaat per are cultuurgrond Opbrengst per 1000 euro kosten Arbeidsinkomen per are cultuurgrond Arbeidsinkomen per VAK Bedrijfsinkomen per are cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK Eigen vermogen einde boekjaar Vreemd vermogen einde boekjaar Solvabiliteit einde boekjaar 65% 63% 62% 68% 68% 60

61 8. Samenvattend overzicht 8.1. Landbouw Gemiddeld voor alle landbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2009 gestegen ten opzichte van Het familiaal arbeidsinkomen per FAK steeg met 17% (figuur 43). Dit bedraagt nog steeds slecht 43% van het vergelijkbaar inkomen. Figuur 43: Evolutie van het familiaal arbeidsinkomen voor landbouwbedrijven ( Vlaanderen ( ), (euro/fak) ) en het vergelijkbaar inkomen in De opbrengsten per hectare voor de totale landbouwsector bleven vergelijkbaar met de resultaten uit Per deelsector zijn er grote verschillen waar te nemen. Zo deed de varkenssector het beter dan de melkveesector. De prijzen voor varkens daalden niet zo sterk als de melkprijs, die uitzonderlijk laag was in In 2009 daalde totale kosten per hectare met 8%. Vooral de kosten voor veevoeders (-21%) en energie (-20%) namen sterk af. Ook aan meststoffen en bestrijdingsmiddelen werd minder geld uitgegeven. Het zaai- en plantgoed werd in 2009 duurder. Het gemiddelde inkomen van de Vlaamse landbouwer steeg in 2009 ten opzichte van Dit heeft vooral te maken met de gestegen inkomens in de varkenssector en de rundveesector. Het inkomen is in vergelijking met de periode vóór 2008 nog steeds laag. De inkomensverdeling is sterk verschillend tussen de geanalyseerde sectoren. Figuur 44 geeft een overzicht van het bedrijfsinkomen voor alle productierichtingen ten opzichte van het gemiddeld inkomen in de Vlaamse landbouw. Hieruit blijkt dat de melkveesector het in 2009 hard te verduren had. Hoewel de vleesveesector het beter doet dan vorig jaar, blijft het inkomen ervan laag in vergelijking met het gemiddelde inkomen in de landbouw. 61

62 Figuur 44: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK, 2009 Varkens Vleesvee Melkvee sterk gespecialiseerd Akkerbouw -40% -30% -20% -10% 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% Tabel 35: Overzicht bedrijfsresultaten van de landbouwsector, Evolutie Kengetal Aantal bedrijven Oppervlakte cultuurgrond (ha) 36,2 36,9 38,2 39,2 40,3 Aantal VAK 1,61 1,61 1,76 1,73 1,74 Aantal FAK 1,58 1,57 1,72 1,69 1,69 Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond Opbrengst per euro kosten Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK Resultaten per productierichting, 2009 Kengetal Akkerbouw Melkvee sterk gespecialiseerd Vleesvee Varkens Totaal landbouw Aantal bedrijven Oppervlakte cultuurgrond (ha) 48,4 40,2 42,2 19,0 40,3 Aantal FAK 1,44 1,72 1,55 1,49 1,69 Netto bedrijfsresultaat per ha cultuurgrond Opbrengst per euro kosten Familiaal arbeidsinkomen per ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen per ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK

63 8.2. Tuinbouw Gemiddeld voor alle tuinbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2009 gedaald tegenover 2008 (figuur 45). Het arbeidsinkomen per VAK bedraagt in 2009 nog euro, dit is 44% van het vergelijkbaar inkomen was vooral voor de glasgroenten een bijzonder slecht jaar. Ook de fruitsector kende een moeilijk jaar met lage prijzen. De inkomsten voor de groente in openlucht en de sierteelt kenden wat beterschap, hoewel dit wel sterk schommelde van teelt tot teelt. Figuur 45: Evolutie van het arbeidsinkomen voor tuinbouwbedrijven ( Vlaanderen ( ), (euro/vak) ) en het vergelijkbaar inkomen in Bron: AMS Een vergelijking van de diverse sectoren ten opzichte van het gemiddelde Vlaamse bedrijfsinkomen in de tuinbouw wordt weergegeven in figuur 46. De glasgroenten en potplanten kenden een zware crisis. Champignons, fruit en aardbeien blijven een beter inkomen genereren in vergelijking met de gemiddelde tuinbouwsector. Een uitgebreide beschrijving van de Vlaamse landbouw-, tuinbouw- en visserijsector met vooruitzichten voor het huidige jaar is terug te vinden in het landbouwrapport

64 Figuur 46: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK, 2009 glasgroenten potplanten azalea's groenten open lucht fruit aardbeien champignons -90% -70% -50% -30% -10% 10% 30% 50% 70% 90% Tabel 36: Evolutie bedrijfsresultaten van de tuinbouwsector, Kengetal Aantal bedrijven in steekproef Referentieoppervlakte (ha) 7,0 6,9 7,4 8,0 8,2 Aantal VAK 3,17 3,21 3,34 3,96 4,00 Aantal FAK 1,72 1,75 1,73 1,86 1,88 Netto bedrijfsresultaat/ha Opbrengst per euro kosten Arbeidsinkomen per ha Arbeidsinkomen per VAK Bedrijfsinkomen per ha Bedrijfsinkomen per FAK Tabel 37: Overzicht bedrijfsresultaten tuinbouwsector per deelsector, 2009 Kengetal Groenten Fruit Niet-eetbare Tuinbouw Aantal bedrijven in steekproef Referentieoppervlakte (ha) 6,18 19,53 1,95 8,26 Aantal VAK 3,92 5,17 3,21 4,00 Aantal FAK 1,95 1,75 1,95 1,88 Netto bedrijfsresultaat per Opbrengst per 1000 euro kosten Arbeidsinkomen per ha Arbeidsinkomen per VAK Familiaal arbeidsinkomen per ha Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen per ha Bedrijfsinkomen per FAK Bron:AMS 64

65 Bijlagen Literatuurlijst Coulier T. (2010) Inkomensverschillen op bedrijfstak melkvee verklarende parameters, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. De Regt E. & Deuninck J. (2010) Kostprijsanalyse Aardappelen, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Deuninck J., D Hooghe J. & Oeyen A. (2010) Technische en economische resultaten op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk: boekjaren , Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Platteau J., Van Gijseghem D. & Van Bogaert T. (reds.) (2010) Landbouwrapport 2010, Departement Landbouw en Visserij, Brussel. Bijlage 1: Methodologische toelichting Waarnemingsveld Het waarnemingsveld omvat alle Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven die bij de enquête door de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie geteld of geïmputeerd zijn en een beroepsmatig karakter hebben (d.w.z. een economische omvang van minstens 4 SGE 3 ). Zowel de bedrijven waarvan het bedrijfshoofd een natuurlijk persoon is als bedrijven met een rechtspersoon aan het hoofd komen in aanmerking. De bedrijven zonder landbouwproductie (aannemers voor landbouwwerken en de coöperatieven voor gemeenschappelijk gebruik van landbouwmachines) en de openbare instellingen (onderzoeksinstellingen, onderwijsinstellingen, enz.) met landbouwproductie behoren niet tot het waarnemingsveld. Voor de berekening van de rentabiliteit werd de populatie beperkt tot 120 SGE gezien de moeilijkheid om de bedrijven van een heel grote dimensie te vertegenwoordigen. De referentiepopulatie telt in landbouwbedrijven en tuinbouwbedrijven 4. Steekproef De resultaten 2009, die in dit verslag worden opgenomen, zijn afkomstig van respectievelijk 481 en 220 Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven met een economische omvang van 4 tot 120 SGE, waarvan de resultaten als normaal kunnen worden beschouwd. 3 Een standaardgrootte-eenheid is een eenheid om de economische bedrijfsomvang van een onderneming te meten. Een SGE is gelijk aan euro bruto standaardsaldo 2004 (gemiddelde 2003 tot en met 2005), euro bruto standaardsaldo 2002 (gemiddelde 2000 tot en met 2004) en euro bruto standaardsaldo Bij gebrek aan voldoende bedrijven in het LMN van een aantal bedrijfstypes, worden deze types niet opgenomen in de referentiepopulatie (zie wegingssysteem). De bedrijfstypologie werd berekend op basis van BSS 2004 naar analogie met de steekproef van het LMN. 65

66 De samenstelling van de steekproef is gebaseerd op het plan van steekproeftrekking. In dit plan van steekproeftrekking wordt berekend hoeveel bedrijven er van elk bedrijfstype en van elke klasse van economische bedrijfsomvang nodig zijn per landbouwstreek om voor ieder bedrijfstype het inkomen met dezelfde graad van nauwkeurigheid te kunnen schatten. Voor de tuinbouw wordt er geen opdeling gemaakt per landbouwstreek, enkel per bedrijfstype en dimensieklasse. De basisperiode voor het bijhouden van deze boekhoudingen valt samen met het kalenderjaar (1 januari december 2009). Wegingssysteem Een systeem van weging, op basis van typologie en grootteklasse, wordt toegepast op de resultaten van de boekhoudingen, waarbij de waargenomen waarden worden geëxtrapoleerd naar de verschillende groepen van de betrokken landbouwers van het waarnemingsveld. Daarvoor wordt de steekproef en het waarnemingsveld gestratificeerd en aan elk steekproefbedrijf een wegingscoëfficiënt toegekend. Voor deze weging werd een nieuwe procedure toegepast ten opzichte van voorgaande jaren. Voor de tuinbouw en landbouw wordt nu één gemeenschappelijk clusterschema gebruikt met slechts twee dimensies, namelijk het bedrijfstype en de economische grootteklasse. Dit heeft volgende voordelen: - slechts één berekening - geen ontlenen van bedrijven bij een andere landbouwstreek - clusters zo kiezen dat ook niet moet ontleent worden in andere economische grootteklassen - zoveel mogelijk detail in het clusterschema zodat de resultaten een hergroepering zijn van verschillende clusters De bedrijfstypes zijn gebaseerd op de bestaande EU-typologie. Gezien Vlaanderen een specifieke tuinbouwstructuur kent, werden de EU-classificatie voor tuinbouwbedrijven (codes 2000 tem 3400) vervangen door een eigen classificatie (ontwikkeld door het voormalige CLE). In tabel 1 vindt men deze codes terug (groen-landbouw, blauw-tuinbouw). Voor een omschrijving van de EU-codes verwijzen we naar de types of farming op de FADN website van de Europese Comissie ( De clusters zijn de volgende: 1000 : Gespecialiseerde akkerbouwbedrijven (akkerbouw) 4110 : Gespecialiseerde melkveebedrijven (melkvee, sterk gespecialiseerd) 4120 : Gespecialiseerde melkveebedrijven met jongvee (melkvee, matig gespecialiseerd) 4200 : Gespecialiseerde rundveejong- en mestveebedrijven (mestvee) 4300 : Rundveebedrijven : melk, jong- en mestvee gecombineerd (gemengd rundvee) 5010 : Gespecialiseerde varkensbedrijven (varkens) 6020 tot 6050 : Bedrijven met combinaties van gewassen (combinaties van gewassen) 7100 : Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren (combinaties van veeteelt - rundvee) : Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op veredeling (varkens - rundvee) : Bedrijven met combinaties van akkerbouw en melkvee (akkerbouw en 66

67 melkvee) : Bedrijven met combinaties van akkerbouw met graasdieren andere dan melkvee (akkerbouw en ander rundvee) 8200 : Bedrijven met diverse gewassen- en veeteeltcombinaties (akkerbouw en varkens) : Champignonbedrijven : Aardbeibedrijven : Gespecialiseerde glasgroentebedrijven : Bedrijven met overwegend groenten in open lucht : Overige glasgroentebedrijven : Potplantbedrijven : Azaleabedrijven : Snijbloembedrijven : Overige bloembedrijven : Fruitbedrijven Bij gebrek aan voldoende pluimveebedrijven in het LMN (productierichting 5020 en 5030), worden deze types niet in de analyse opgenomen. De bedrijven met een te gemengd karakter van land- en tuinbouwactiviteiten (productierichting 6060) werden eveneens niet opgenomen in de analyse. Overige tuinbouwtypes, nl. de boomkwekerijbedrijven, de bedrijven met overige blijvende teelten (andere dan gespecialiseerde boomkwekerij- en fruitbedrijven) en de overige tuinbouwbedrijven werden eveneens niet in de analyse opgenomen omdat ze onvoldoende vertegenwoordigd zijn in de steekproef of een te gemengd karakter hebben. Een aantal clusters worden na de weging bijeengevoegd, voor de weergave van de resultaten Voor de landbouw krijgen we: Akkerbouw 4110 Melk, sterk gespecialiseerd 4120 Melk, matig gespecialiseerd 4200 Mestvee Gemengd rundvee 5010 Varkens Varkens en rundvee of akkerbouw Akkerbouw en rundvee Voor de tuinbouw is dit: champignonkwekerij aardbeiteelt gespecialiseerde glasgroenten overige glasgroenten overwegend groenten in open lucht potplanten azalea's snijbloemen overige bloemen fruitteelt 67

68 Tabel 1 samenvattende tabel van de clustering en weergave der resultaten Typologie cluster_type Omschrijving_cluster cluster_grootteklasse Resultaten_weergave Resultaten_groepering SGE SGE SGE akkerbouw tem 6050 combinatie van gewassen sterk gespecialiseerd melkvee matig gespecialiseerd melkvee vleesvee gemengd rundvee gemengd rundvee varkens varkens en rundvee/akkerbouw varkens en rundvee/akkerbouw akkerbouw en melkvee

69 akkerbouw en graasdieren overig (graasdieren/rundvee) overig (pluimvee en varkens/pluimvee) overig (groenten en blijvende teelten) 6061 overig (combinatie akkerbouw en tuinbouw) overig (niet classificeerbaar) champignonkwekerij aardbeiteelt gespecialiseerde glasgroenten overige glasgroenten groenteteelt overwegend groenten in open lucht potplanten azalea's snijbloemen sierteelt overige bloemen overige bloemen fruitteelt fruitteelt boomkwekerijen overige blijvende teelten overige tuinbouwbedrijven 69

70 Rentabiliteit Het beoordelen van bedrijfsresultaten gebeurt met behulp van een aantal rentabiliteitscriteria. Deze kengetallen zijn gebaseerd op de opbrengsten en de kosten van het bedrijf. De opbrengsten en kosten worden exclusief btw geboekt. Alle kosten of slechts bepaalde kosten van de opbrengsten in mindering brengen, resulteert in andere inkomenscriteria. In wat volgt worden eerst enkele conceptuele en methodologische toelichtingen in verband met opbrengsten en kosten gegeven om daarna een aantal rentabiliteitscriteria te definiëren. - Opbrengsten Landbouw Voor de bepaling van de opbrengsten wordt het bedrijf ingedeeld in 4 bedrijfstakken: marktbare gewassen, rundveehouderij (inclusief graasdieren) en voedergewassen, varkenshouderij, pluimveehouderij, en overige. De opbrengsten van een landbouwbedrijf bestaan uit de waarde van de verkochte landbouwproducten, de inventarisverandering van de voorraden, de omzet en aanwas van het vee en de waarde van de marktbare producten van het bedrijf verbruikt in het huishouden of op het bedrijf (als zaaizaad of veevoeder). De ruwvoedergewassen die door het grondgebonden vee (runderen) worden verbruikt, worden niet gewaardeerd omdat zij deel uitmaken van de bedrijfstak rundvee. Wanneer een deel van deze voeders gevoederd wordt aan ander vee dan runderen, dan wordt dit gewaardeerd als een opbrengst van de tak rundveehouderij en als kost voor de andere diersoort. Tuinbouw Bij de tuinbouwboekhoudingen worden de opbrengsten ingedeeld in opbrengsten van tuinbouwteelten en de overige opbrengsten. De opbrengsten van een tuinbouwbedrijf bestaan uit de waarde van de verkopen, verbruiken en voorraadveranderingen van de tuinbouwteelten en de opbrengsten van de landbouw die berekend worden zoals hierboven beschreven. De verdere onderverdeling van de opbrengsten tuinbouwteelten is verschillend naargelang van de sector. De opbrengsten van de landbouw worden steeds in de post overige in rekening gebracht. - Kosten De kosten worden opgesplitst in structurele (vaste) en operationele (variabele) kosten. Kosten van grond, gebouwen, werktuigen en arbeidskrachten houden verband met de structuur van het bedrijf. Deze structurele kosten zijn vast op korte en middellange termijn. Kosten die op 70

71 korte termijn sterk variëren met de omvang (meststoffen, veevoeders, enz.) worden operationele kosten genoemd. - Rentabiliteitscriteria Voor de analyse van de bedrijfsresultaten bestaat er een waaier aan rentabiliteitscriteria. De definitie van een aantal worden in volgend schema weergegeven. Voor de opstelling van het rentabiliteitsverslag worden het netto bedrijfsresultaat, de opbrengst per 1000 euro kosten, het (familiaal) arbeidsinkomen en het bedrijfsinkomen berekend. Netto bedrijfsresultaat Het netto bedrijfsresultaat is het verschil van de totale opbrengsten en de totale kosten van het bedrijf en kan positief (winst) of negatief (verlies) zijn. Dit kengetal geeft aan in welke mate de totale opbrengsten al of niet toereikend zijn om alle kosten te dekken. Alle productiefactoren krijgen hierbij een normale vergoeding, dus ook de familiale arbeid en het kapitaal. De vergoeding voor de familiale arbeid omvat enkel een vergoeding voor de handenarbeid van het bedrijfshoofd en de overige gezinsleden. Het ondernemersloon (de vergoeding voor de bedrijfsleiding en ondernemerschap) is echter niet in de kosten begrepen. Het netto bedrijfsresultaat kan dan ook beschouwd worden als de beloning voor het management van de bedrijfsleider. Opbrengst per euro kosten Een ander kengetal waarbij aan alle productiefactoren een normale vergoeding wordt toegerekend, is de opbrengst per euro kosten. Bij een verhouding groter (kleiner) dan is het netto bedrijfsresultaat positief (negatief). De opbrengsten-kostenverhouding geeft het relatieve verschil aan tussen opbrengsten en kosten. (Familiaal) arbeidsinkomen Het is duidelijk dat de toegerekende lonen op familiale bedrijven een aanzienlijk deel van de totale kosten vertegenwoordigen. Omdat deze kosten niet werkelijk betaald worden, is het interessant om naast het bedrijfsresultaat ook het familiaal arbeidsinkomen te berekenen. Het familiaal arbeidsinkomen wordt verkregen door van de totale opbrengsten alle kosten, behalve het toegerekend loon van de familiale arbeidskrachten, in mindering te brengen. Het is de vergoeding van alle familiale arbeid (incl. arbeid bedrijfsleider) vermeerderd met het netto bedrijfsresultaat. Om de eenheidsinkomsten in de landbouw te berekenen, wordt dit criterium uitgedrukt per aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK, zie toelichting tabellen). Het totaal arbeidsinkomen is het familiaal arbeidsinkomen vermeerderd met de betaalde lonen. Dit inkomen wordt uitgedrukt per volwaardige arbeidskracht (VAK, zie toelichting tabellen). Deze indicator maakt het mogelijk om bedrijven te vergelijken die in verschillende mate een beroep doen op betaald personeel. 71

72 Het familiaal arbeidsinkomen per FAK of arbeidsinkomen per VAK kan vergeleken worden met de rest van de economie. Daartoe wordt dit kengetal vergeleken met het vergelijkbaar inkomen. Dit komt overeen met het gemiddelde bruto salaris van een voltijds tewerkgestelde loontrekkende. Bedrijfsinkomen Het bedrijfsinkomen omvat naast de vergoeding voor de familiale arbeid en het ondernemerschap ook de vergoeding voor de inbreng van eigen kapitaal van de ondernemer. Dit kengetal wordt berekend door het familiaal arbeidsinkomen te vermeerderen met de toegerekende interesten en pachten op het eigen grond- en bedrijfskapitaal. Om de bedrijven te vergelijken wordt dit criterium uitgedrukt per aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK, zie toelichting tabellen). In het schema op volgende bladzijde worden de diverse rentabiliteitscriteria schematisch weergegeven. - Indicatoren over kapitaal Vreemd vermogen op het einde van het boekjaar Het vreemd vermogen wordt gedefinieerd als de som van de waarde van alle kortlopende en langlopende leningen, verminderd met de gecumuleerde aflossingen. Eigen vermogen op het einde van het boekjaar Bij het eigen vermogen worden gerekend: het totale grond- en gebouwenkapitaal in eigendom, de nettowaarde van aangekochte quota op eindinventaris (dit is de aankoopwaarde, verminderd met de gecumuleerde afschrijvingen) en het bedrijfskapitaal, verminderd met het vreemd vermogen. Solvabiliteit op het einde van het boekjaar De solvabiliteit wordt in dit rapport gedefinieerd als de verhouding van het eigen vermogen over het totale (eigen + vreemd) vermogen. 72

73 Betaalde lonen Vergoeding gezinsleden Vergoeding bedrijfsleider Arbeidsinkomen bedrijfsleider Familiaal arbeidsinkomen Totaal arbeidsinkomen Bedrijfsinkomen Netto bedrijfsresultaat T o t a l e o p b r e n g s t e n Aangerekende vergoeding bedrijfs- en grondkapitaal Afschrijvingen Betaalde intresten bedrijfskapitaal Betaalde pacht Operationele Non-factorkosten + (excl. kosten grond, afschrijvingen) gebouwen en werktuigen 73

74 Bijlage 2: Definities indicatoren Oppervlakte cultuurgrond De oppervlakte cultuurgrond is gelijk aan de beteelde oppervlakte in eigendom of in pacht. Dit is de totale kadastrale oppervlakte van het bedrijf verminderd met de oppervlakte van gebouwen, binnenplaats, wegen, grachten, tuin, bos, enz. Oppervlakte grasland en voedergewassen De oppervlakte grasland heeft betrekking op het tijdelijk en blijvend grasland (inclusief het begraasde gedeelte van boomgaarden en uitloopweide). Grasland als nateelt wordt niet opgenomen. Onder voederteelten verstaat men voederbieten, andere wortel- en knolgewassen, maïs (excl. korrelmaïs), klavers, luzerne en andere voederteelten. Referentieoppervlakte De referentieoppervlakte is voor de champignonbedrijven de totale teeltoppervlakte van de champignonteelt, zijnde het product van de teeltoppervlakte van alle stellingen in één cel, het aantal cellen en het aantal teelten tijdens het boekjaar. Voor de andere bedrijven is dit de beteelde oppervlakte tijdens het boekjaar. Aantal melkkoeien Het aantal melkkoeien geeft het gemiddeld aantal aanwezige melkkoeien in eigendom weer. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal grootvee-eenheden rundvee (GVER) Dit cijfer geeft het gemiddeld aantal aanwezige grootvee-eenheden rundvee in eigendom weer. Het aantal GVER wordt geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Het aantal GVER wordt bepaald door het aantal dieren (rundvee) in eigendom om te zetten met behulp van volgende coëfficiënten: - runderen jonger dan 3 maanden 0,0 GVER - runderen van 3 maanden tot en met 2 jaar 0,6 GVER - runderen ouder dan 2 jaar 1,0 GVER Aantal zeugen Het aantal zeugen is het gemiddeld aantal aanwezige zeugen in eigendom. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal vleesvarkens Het aantal vleesvarkens wordt gedefinieerd als het gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens in eigendom. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal omgerekende varkens Het aantal omgerekende varkens geeft het gemiddeld aantal omgerekende varkens in eigendom weer. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Een omgerekend varken wordt bepaald door het aantal varkens in eigendom om te zetten met behulp van volgende coëfficiënten: - vleesvarkens 1,0 omgerekend varken - opfokzeugen 1,0 omgerekend varken - zeug 2,0 omgerekende varkens - opfokbeer 1,0 omgerekend varken - beer 1,5 omgerekend varken 74

75 Aantal volwaardige arbeidskrachten (VAK) Het aantal VAK is het aantal betaalde en niet-betaalde regelmatig en niet-regelmatig tewerkgestelde personen die omgerekend worden tot volwaardige arbeidskrachten. Een VAK vertegenwoordigt dan een persoon van 21 tot 65 jaar die voltijds op het landbouwbedrijf werkzaam is. De omrekening gebeurt als volgt. Eerst wordt het aantal personen omgezet tot arbeidskrachten. Het aantal arbeidskrachten wordt bepaald door het aantal gewerkte uren te delen door het aantal gewerkte uren van een voltijds tewerkgestelde (2.400 uren vanaf 2004 tot 2007, uren vanaf 2008). Het bedrijfshoofd en/of de bedrijfsleider wordt als één eenheid gerekend, tenzij hij/zij nog een nevenactiviteit uitoefent. Een persoon die gedurende het boekjaar 2008 meer dan uren gewerkt heeft, telt eveneens voor één eenheid. Voor de verdere omzetting van arbeidskrachten naar VAK worden er nog coëfficiënten toegepast om de arbeidsgeschiktheid in rekening te brengen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de niet betaalde en betaalde arbeidskrachten. Niet betaalde arbeidskrachten: Leeftijd % Geschoold jaar 100 Ongeschoold jaar jaar jaar jaar 50 Betaalde arbeidskrachten: geschoolde meerderjarige: 100% ongeschoolde meerderjarige: 83% minderjarige: jaar: 50% 16 jaar: 58% 17 jaar: 67% Voor alle arbeidskrachten (betaald en niet-betaald) ouder dan 65 jaar mag de omrekeningsnorm in geen geval hoger zijn dan 67%. Aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK) Het aantal FAK is het aantal niet-betaalde regelmatig en niet-regelmatig tewerkgestelde personen die omgerekend worden tot volwaardige arbeidskrachten volgens de normen toegelicht onder aantal volwaardige arbeidskrachten. Opbrengsten tuinbouwbedrijven De totale opbrengsten bij de tuinbouwsectoren worden ingedeeld in hun voornaamste bestanddelen. Deze indeling is niet dezelfde voor de verschillende bedrijfstypes. - Champignons Dit kengetal omvat de waarde van de champignons van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Tomaten onder glas Tomaten onder glas is de waarde van de tomaten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. De waarde van tomaten van zowel de verwarmde teelten, de koude teelten als de late teelten zijn opgenomen in deze post. - Komkommers onder glas Komkommers onder glas is de waarde van de komkommers van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier zowel komkommers van de vroege als van de late teelt die geteeld werden onder glas. - Kropsla onder glas 75

76 Kropsla onder glas is de waarde van de kropsla van het boekjaar die werd verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier de lentekropsla, de zomerkropsla, de herfstkropsla en de winterkropsla die geteeld werd onder glas. - Andere groenten onder glas Andere groenten onder glas is de waarde van de groenten, met uitzondering van tomaten, komkommers en kropsla, die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Aardbeien worden bij de groenten gerekend. Het betreft teelten onder staand of plat glas, en teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt onder glas. - Teelten onder glas en champignons Teelten onder glas en champignons is de waarde van alle teelten onder staand of plat glas, van alle teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt onder glas, en van de champignons van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Teelten in openlucht Teelten in openlucht is de waarde van alle teelten in openlucht: teelten onder plastic serres, onder plastic kappen, in open grond, in trekbakken voor witloof en teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt in openlucht. - Groenten in openlucht Groenten in openlucht is de waarde van de groenten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Aardbeien worden bij de groenten gerekend. Het betreft teelten in open grond, onder plastic serres, onder plastic kappen of teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt in openlucht. De extensieve groenteteelt wordt niet als tuinbouwteelt maar als akkerbouwteelt beschouwd en maakt dus geen deel uit van de groenten in openlucht. - Fruit Fruit is de waarde van het fruit van het boekjaar dat werd verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier de opbrengst van appelen, peren, krieken, pruimen, braambessen, frambozen, bessen, druiven en kersen. Aardbeien worden bij de groenten en niet bij het fruit gerekend. - Andere teelten (gespecialiseerde fruitbedrijven) Andere teelten is de waarde van de teelten die naast de teelt van fruit en klein fruit worden beoefend en die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf tijdens het boekjaar. - Tuinbouwteelten Tuinbouwteelten is de waarde van de tuinbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Landbouwteelten Landbouwteelten is de waarde van de landbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Potplanten Potplanten is de waarde van de potplanten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Azalea Azalea is de waarde van de azalea's die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Snijbloemen Snijbloemen is de waarde van de snijbloemen die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Perkplanten Perkplanten is de waarde van de perkplanten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Overige tuinbouwteelten Overige tuinbouwteelten is de waarde van de tuinbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf en die in de betreffende tabel nog niet werden genoemd. 76

77 - Overige opbrengsten Overige opbrengsten is het verschil van totale opbrengsten en de in de tabel reeds geciteerde opbrengsten. - Totale opbrengsten Totale opbrengsten zijn alle opbrengsten van het bedrijf. Kosten tuinbouwbedrijven De kosten worden uitgesplitst in hun voornaamste bestanddelen. Deze indeling is niet dezelfde voor de verschillende bedrijfstypes. - Berekende lonen (Arbeid bedrijfsleider en gezin) Dit is het toegerekende loon voor de arbeid van de bedrijfsleider en de gezinsleden. Voor deze arbeid wordt het uurloon berekend op basis van de minimumlonen vastgesteld door het Nationaal Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, verhoogd met de sociale lasten. - Betaald personeel Betaald personeel zijn de werkelijk betaalde lonen en sociale lasten, eventueel verhoogd met de waarde van de voordelen in natura. - Werk door derden Werk door derden zijn de kosten voor de werken door ondernemers met hun eigen machines (bv. ploegen, sproeien, vervoer). - Werktuigkosten Werktuigkosten zijn de kosten voor het normaal onderhoud van werktuigen (machines en voertuigen), de huur van werktuigen, de aanschaffing van klein gereedschap, de kosten van brand- en smeerstoffen, verzekeringen en belastingen alsmede de toegerekende kosten van interesten en afschrijvingen. De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Zodra het bedrag van de gecumuleerde afschrijving gelijk is aan de vervangingswaarde wordt geen afschrijving meer toegerekend voor het betrokken werktuig. Er wordt 5% interest berekend op het gemiddelde van de inventariswaarde bij begin en einde van het boekjaar. - Bestrijdingsmiddelen Bestrijdingsmiddelen zijn de kosten voor de verbruikte bestrijdingsmiddelen (insecticiden, fungiciden, herbiciden, acariciden, bodemontsmetting, loofdoding, groeiregulator, toevoegmiddelen, bewaarmiddelen, rodenticiden, molluskiciden en dergelijke) met betrekking tot de oogst van het boekjaar. - Meststoffen Meststoffen zijn de kosten voor alle verbruikte meststoffen (organische mest, kunstmest, kalkmest, bladvoeding, groenbemester, schuimaarde en dergelijke) voor de teelten van het boekjaar. Dit zijn zowel aangekochte meststoffen als meststoffen van het eigen bedrijf. In deze post zijn eveneens de kosten voor (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam begrepen. - Energie voor verwarming Deze post omvat de kosten voor brandstoffen verbruikt voor verwarming. - Zaai- en plantgoed Zaai- en plantgoed zijn de kosten voor champignonbroed en voor aangekocht en eigen zaai- en plantgoed voor de teelten van het boekjaar. Aangekochte planten, bestemd voor voortverkoop worden ondergebracht bij de "Directe kosten teelten"; dit kan vooral voorkomen op de potplantenbedrijven. De kosten van jonge bomen voor de aanleg van nieuwe fruitpercelen worden hier niet geboekt; ze worden als investering beschouwd. - Compost Compost zijn de kosten voor (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam verbruikt voor de paddenstoelen van het boekjaar. - Broed 77

78 Broed zijn de kosten van het verbruikte broed voor de champignons van het boekjaar. - Dekaarde Dekaarde zijn de kosten van de verbruikte dekaarde voor de champignons van het boekjaar. - Overige materialen Overige materialen is het verschil van totaal grondstoffen en de hiervoor vermelde kostenposten voor grondstoffen. - Totaal grondstoffen Totaal grondstoffen zijn de kosten voor verbruikte bestrijdingsmiddelen, meststoffen, (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam, energieproducten, aangekocht en eigen zaad- en plantgoed, champignonbroed, dekaarde voor champignonteelt, alsook overige grond- en hulpstoffen (zoals steun- en bindmateriaal, substraat, bloempotten, plastic en andere plantbenodigdheden) voor de teelten van het boekjaar. - Kost grond- en gebouwenkapitaal Kost grond- en gebouwenkapitaal zijn de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal. Onder grond- en gebouwenkapitaal dient hier te worden verstaan: - de grond - de grondverbeteringen (bv. drainage) - de bedrijfsgebouwen (bv. opslagplaats, garage, champignoncellen, ketelhuis) - de glasopstand met de bijhorende installaties, hierin zijn ook begrepen de installaties voor de witloofforcerie en de installaties op de champignonbedrijven - de afsluitingen en het steunmateriaal - de blijvende beplantingen (bv. bomen, struiken). De kosten van het grond- en gebouwenkapitaal omvatten de betaalde kosten (pacht, huur, verzekeringen, belastingen, normaal onderhoud) en de toegerekende kosten van interest en afschrijving op het geïnvesteerd kapitaal. De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Zodra het bedrag van de gecumuleerde afschrijving gelijk is aan deze vervangingswaarde wordt geen afschrijving meer toegerekend voor het betrokken goed. Er wordt geen afschrijving berekend op de blijvende beplantingen die nog niet in opbrengst zijn. Voor de interestberekening worden volgende procenten toegepast: - grond: 1,5% Er wordt een waarde van de grond genomen die voor de streek van ligging normaal kan worden genoemd. Er wordt alleen interest berekend op de waarde van de grond in eigendom; - grondverbeteringen, bedrijfsgebouwen, glasopstanden, installaties, blijvende beplantingen in opbrengst : 5% op het gemiddelde van de inventariswaarde bij begin en einde van het boekjaar; - blijvende beplantingen die nog niet als in opbrengst beschouwd worden bij het begin van het boekjaar: 5% op de waarde bij het begin van het boekjaar. - Verkoopkosten Verkoopkosten zijn de veilingkosten, huur kisten, marktgeld, inpakmaterialen, commissielonen, productiefonds en dergelijke. Een deel van de verkoopkosten kan echter begrepen zijn in het "werk door derden" (bijvoorbeeld transportkosten). - Directe kosten teelten Dit zijn de keuringskosten, de aankoop van planten voor voortverkoop, grondontleding, de hagelver-zekering, de kosten van de bijen, de aankopen op stam, de toegerekende intresten voor planten en het omlopend kapitaal. - Overige onkosten Overige onkosten zijn kosten voor water, telefoon, abonnementen, lidgelden, enz. Ook de kosten van veehouderij (aangekocht en eigen veevoeder, veeartskosten, veeverzekering, quota), van neventakken en de interest op het levend kapitaal zijn in deze post begrepen. Totale kosten Totale kosten zijn de som van totaal bewerkingskosten, totaal grondstoffen en totaal overige kosten. 78

79 Opbrengsten landbouwbedrijven Bij de landbouwsectoren wordt een onderscheid gemaakt tussen opbrengsten marktbare gewassen, rundveehouderij en voedergewassen, varkenshouderij, pluimveehouderij en overige opbrengsten. - Opbrengsten marktbare gewassen Onder marktbare gewassen verstaat men de land- en tuinbouwgewassen die voornamelijk voor de verkoop worden of kunnen worden geteeld, zoals granen, peulvruchten, vlas, aardappelen en suikerbieten. De opbrengst marktbare gewassen omvat de waarde van de verkochte, in het huishouden verbruikte en de intern verbruikte (als zaaigoed, veevoeder) marktbare gewassen. Verder wordt ook de waarde van de bijproducten van de marktbare gewassen (bv. stro, kleine aardappelen, enz.) en hooi in rekening gebracht, nl. de verkopen en het intern verbruik. Ten slotte wordt ook het inventarisverschil van de hoofd- en bijproducten in rekening gebracht. - Opbrengsten rundveehouderij (graasdieren) en voedergewassen Hierin zijn begrepen: - de waarde van de melkproductie: Dit omvat de waarde van de melkproducten (volle melk en zuivelproducten (boter, room, kaas, )), verkocht, verbruikt in het huishouden of gevoederd aan het vee. - de omzet en aanwas van het rundvee: De omzet en aanwas wordt gedefinieerd als: [ V + O(u)] [A + O(i)] + [(EIvol-BIvol)*(EIw/EIvol+BIw/BIvol)/2], met: V = verkopen O(u) = overgangen uit (waarde van de dieren overgebracht naar een andere veecategorie) A = aankopen O(i) = overgangen in (waarde van de dieren overgebracht naar een andere veecategorie) EIvol(w) = volume (waarde) bij eindinventaris BIvol (w) = volume (waarde) bij begininventaris - overige opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen: Deze post omvat onder meer verkochte voedergewassen, inventarisverschillen voedergewassen, opbrengsten schapen, opbrengsten paarden, enz. - Opbrengsten varkenshouderij Hierin zijn begrepen: - de omzet en aanwas van de varkens: De omzet en aanwas van de varkens wordt op dezelfde wijze berekend als bij het rundvee (zie: opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen). - overige opbrengsten varkenshouderij: Deze post omvat onder meer ontvangen dekgelden, enz. - Opbrengsten pluimveehouderij De opbrengsten van de pluimveehouderij omvat de opbrengst van consumptie- en broedeieren (verkopen en verbruik in het huishouden) en de omzet en aanwas van het pluimvee, berekend op dezelfde wijze als het rundvee (zie opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen). - Overige opbrengsten Deze omvatten onder meer: - ontvangen subsidies - werk voor derden - opbrengsten van overige dieren - vergoedingen in het kader van BSE, vogelpest, enz. - diverse opbrengsten voor het gehele bedrijf (verhuur quota, enz.). 79

80 Kosten landbouwbedrijven - Kosten zaad, poot- en plantgoed De kosten voor zaad, poot- en plantgoed, aangekocht en van eigen bedrijf, verbruikt voor de oogst opgenomen in het beschouwde boekjaar. De kosten voor jonge bomen voor de aanleg van nieuwe fruitpercelen worden hier niet geboekt; ze worden als investering beschouwd. - Kosten veevoeders Deze post omvat: - de aangekochte veevoeders - de veevoeders van het eigen bedrijf. Dit zijn de gevoederde marktbare producten van eigen bedrijf. Hierin zijn begrepen: de melkproducten, de hoofd- en bijproducten van de marktbare gewassen en hooi. De door de graasdieren verbruikte voedergewassen (gras, rapen, voederbieten, voedermaïs, enz.) worden niet opgenomen. - Kosten meststoffen Het betreft de aangekochte meststoffen die uitgestrooid worden voor de oogst van het boekjaar. - Kosten bestrijdingsmiddelen Het gaat over de kosten voor bestrijdingsmiddelen die verbruikt werden voor de oogst. - Kosten diergeneeskundige zorgen Dit zijn de dierenartskosten, inclusief de kosten voor de geneesmiddelen. De kosten voor kunstmatige inseminatie worden geboekt onder overige kosten (zie kosten overige). - Kosten energie Deze omvatten de energiekosten voor de in het boekjaar verbruikte energie (elektriciteit, aardgas, stookolie, enz.). - Kosten werktuigen Het betreft: - afschrijvingen van werktuigen - toegerekende rente op dood kapitaal - werktuigen - onderhoudskosten werktuigen - verzekering werktuigen - belasting werktuigen (verkeersbelasting, belasting op drijfkracht, ) - de aankopen van klein gereedschap - de kosten voor huur van werktuigen - de kosten voor het gebruik van privé-vervoermiddelen voor het bedrijf - kosten voor smeermiddelen De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Voor de toegerekende intresten wordt 5% rente berekend op de gemiddelde balanswaarde (vervangingswaarde gecumuleerde afschrijvingen). - Kosten grond- en gebouwenkapitaal De kosten van het grond- en gebouwenkapitaal omvatten volgende elementen: - afschrijvingen voor grondverbeteringen, bedrijfsgebouwen, glasopstand, blijvende teelten, afsluitingen, steunmateriaal en quota - toegerekende rente op onroerende goederen (met uitsluiting van de gronden, maar inclusief de aangekochte of overgenomen quota) - kosten huur quota - betaalde pacht (inclusief de door de pachter voor rekening van de eigenaar betaalde lasten) - toegerekende pacht voor de gronden in eigendom - verzekering onroerende goederen - onderhoudskosten voor gebouwen en grondverbeteringen - overige kosten grond- en gebouwenkapitaal (onroerende voorheffing, brandverzekering, ) 80

81 De afschrijvingen worden, met uitzondering van de quota, berekend op de vervangingswaarde. Voor de toegerekende intresten wordt 5% rente berekend op de gemiddelde balanswaarde (vervangingswaarde gecumuleerde afschrijvingen). - Kosten berekende lonen De toegerekende lonen voor de arbeid van de niet-betaalde arbeidskrachten wordt berekend op basis van de caominimumlonen vastgesteld door het Nationaal Paritair Comité voor de land- en tuinbouw, verhoogd met de sociale lasten. - Kosten betaalde lonen Dit zijn de werkelijk betaalde lonen en sociale lasten. - Werk door derden Dit zijn de werken uitgevoerd door ondernemers met hun eigen machines (vb. maaidorsen, sproeien, enz.). - Kosten overige Deze rubriek omvat de niet elders in de desbetreffende tabel vermelde kosten (dekgelden, verzekering, enz.). Netto bedrijfsresultaat Dit bedrag is het verschil tussen de totale opbrengsten en de totale kosten. Een positief (negatief) bedrag duidt een winst (verlies) aan. Opbrengst per euro kosten Het gegeven opbrengsten per euro kosten geeft weer hoe groot de totale opbrengst is bij euro kosten. Indien dit getal groter (kleiner) is dan 1.000, dan is er winst (verlies). Familiaal arbeidsinkomen Het arbeidsinkomen van het gezin is gelijk aan het toegerekend loon voor de niet betaalde regelmatig tewerkgestelde personen, vermeerderd met de winst of verminderd met het verlies. Arbeidsinkomen Het totaal arbeidsinkomen is het familiaal arbeidsinkomen vermeerderd met het betaald loon. Bedrijfsinkomen Het bedrijfsinkomen is het familiaal arbeidinkomen vermeerderd met de toegerekende vergoeding op het eigen geïnvesteerde bedrijfs- en grondkapitaal. 81

82 Bijlage 3: Toelichting Figuren Voorbeeld figuur: C B A Deze figuur is een combinatie van 2 grafieken, waaruit men een heleboel informatie kan afleiden. De horizontale x-as geeft het aantal bedrijven weer, uitgedrukt in percenten. De bedrijven werden gesorteerd op grootte (oppervlakte of aantal dieren). De eerste grafiek, weergegeven door de volle lijn, is een lorenzcurve en geeft de verdeling van de oppervlakte (zoals in het voorbeeld) of het aantal dieren tussen de bedrijven weer. De waarden worden afgelezen op linker y-as. Deze as stelt het percentage van de oppervlakte of het aantal dieren voor. Het gaat dus om een gecumuleerde voorstelling. 100% van de bedrijven hebben 100% van de bedrijfsoppervlakte of van het aantal dieren op de bedrijven. Voorbeeld A: Ongeveer 30% van de kleinste bedrijven bezit ongeveer 10% van de oppervlakte. Analoog bezitten 70% van de grootste bedrijven 90% van de oppervlakte. De tweede grafiek is de stippellijn die de oppervlakte of het aantal dieren van de bedrijven weergeeft. De x-as geeft de bedrijven gesorteerd op grootte (aantal dieren of oppervlakte) weer en de y-as de oppervlakte van deze bedrijven (niet gecumuleerd). De stippellijn kan enkel op de rechter y-as worden afgelezen. Deze as heeft een logaritmische schaal. Om snel een aantal waarden terug te vinden werden er horizontale referentielijnen toegevoegd. Voorbeeld B: Uit deze grafiek kan men afleiden dat 50% van de bedrijven een oppervlakte van meer dan 25 ha heeft. Indien met wil weten hoeveel % de oppervlakte of aantal dieren overeenstemt met een bepaald aantal hectare of aantal dieren op de bedrijven, dient men eerst naar de volle lorenzcurve te gaan. Hierna is het mogelijk om op de linker y-as het percentage van het aantal dieren te weten te komen. Voorbeeld C: De bedrijven met minder dan 25 ha (50% van de bedrijven) betelen iets meer dan 20% van de oppervlakte of bedrijven met meer dan 25 ha betalen bijna 80% van de oppervlakte. 82

83 Bijlage 4: Lijst met figuren Figuur 1: Verdeling van de akkerbouwbedrijven volgens oppervlakte, Figuur 2: Verdeling van de variabele kosten per ha wintertarwe, Figuur 3: Verdeling van de variabele kosten per ha bewaaraardappelen, Figuur 4: Verdeling van de variabele kosten per ha suikerbieten, Figuur 5: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, Figuur 6: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, Figuur 7: Verdeling van de gespecialiseerde melkveebedrijven volgens aantal melkkoeien, Figuur 8: Evolutie van de prijs van koeien (euro per 100kg) en nuchtere kalveren (euro per stuk), Figuur 9: Verdeling van de variabele kosten in de gespecialiseerde melkveehouderij, Figuur 10: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, Figuur 11: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, Figuur 12: Verdeling van de gespecialiseerde vleesveebedrijven volgens aantal runderen, Figuur 13: Evolutie van de verkoopprijzen van de levende dieren in euro per 100 kg, Figuur 14: Structuur van de variabele kosten per GVER, Figuur 15: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde rundvleesveebedrijven, Figuur 16: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, Figuur 17: Structuur van varkensbedrijven, Figuur 18: Verdeling van de variabele kosten per zeug, Figuur 19: Verdeling van de variabele kosten per vleesvarken, Figuur 20: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, Figuur 21: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, Figuur 22: Verdeling gespecialiseerde groentebedrijven volgens oppervlakte, Figuur 23: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde glasgroentebedrijven, Figuur 24: Structuur van de variabele kosten voor de productie van tomaten onder glas, Figuur 25: Structuur van de variabele kosten voor de productie van kropsla onder glas, Figuur 26: Structuur van de kosten voor de bedrijven met overwegend groenten in open lucht, Figuur 27: Structuur van de variabele kosten bij de teelt van prei in volle grond, Figuur 28: Structuur van de variabele kosten bij de productie van bloemkolen in volle grond, Figuur 29: Structuur van de kosten voor de champignonbedrijven, Figuur 30: Middenprijs aardbeien op Belgische veilingen, Figuur 31: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, Figuur 32: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, Figuur 33: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, Figuur 34: Verdeling gespecialiseerde fruitbedrijven volgens oppervlakte, Figuur 35: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde fruitbedrijven (zonder aardbeienbedrijven), Figuur 36: Structuur van de variabele kosten voor de productie van fruitgewassen, Figuur 37: Verdeling cultuurgrond tussen sierteeltbedrijven opgesplitst per specialiteit,

84 Figuur 38: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde potplantenbedrijven, Figuur 39: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde azaleabedrijven, Figuur 40: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, Figuur 41: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, Figuur 42: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, Figuur 43: Evolutie van het familiaal arbeidsinkomen voor landbouwbedrijven ( ) en het vergelijkbaar inkomen in Vlaanderen ( ), (euro/fak) Figuur 44: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK, Figuur 45: Evolutie van het arbeidsinkomen voor tuinbouwbedrijven ( ) en het vergelijkbaar inkomen in Vlaanderen ( ), (euro/vak) Figuur 46: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK, Bijlage 5: Lijst met tabellen Tabel 1: Structuur van de gespecialiseerde akkerbouwsector, Tabel 2: Evolutie van de opbrengstcijfers van wintertarwe, Tabel 3: Regionale opbrengstcijfers van wintertarwe, Tabel 4: Evolutie van de opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, Tabel 5: Regionale opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, Tabel 6: Evolutie van de opbrengstcijfers van suikerbieten, Tabel 7: Regionale opbrengstcijfers van suikerbieten, Tabel 8: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, bedragen in euro, Tabel 9: Structuur van de gespecialiseerde melkveesector, Tabel 10: Evolutie van de rentabiliteitscijfers melk, Tabel 11: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, bedragen in euro, Tabel 12: Structuur van de gespecialiseerde vleesveebedrijven, Tabel 13: Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, Tabel 14: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, bedragen in euro, Tabel 15: Structuur van de gespecialiseerde varkenssector, Tabel 16: Evolutie van de rentabiliteitscijfers zeugenhouderij, Tabel 17: Evolutie van de opbrengstcijfers vleesvarkenshouderij, Tabel 18: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, Tabel 19: Structuur van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven Tabel 20: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven, euro per are, Tabel 21: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstak tomaten uitgedrukt per oppervlakte tomaten, Tabel 22: Bedrijfsresultaten van de bedrijven met overwegend groenten in open lucht, euro per ha, Tabel 23: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken prei en bloemkool, Tabel 24: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde champignonbedrijven, Tabel 25: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, euro per ha, Tabel 26: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven, Tabel 27: Structuur van de gespecialiseerde fruitbedrijven, Tabel 28: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken appelen en peren,

85 Tabel 29: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (excl. aardbeien), Tabel 30: Structuur van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij), Tabel 31: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde potplantenbedrijven, euro per are, Tabel 32: Structuur van de opbrengsten voor gespecialiseerde azaleabedrijven, euro per are, Tabel 33: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, Tabel 34: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, Tabel 35: Overzicht bedrijfsresultaten van de landbouwsector, Tabel 36: Evolutie bedrijfsresultaten van de tuinbouwsector, Tabel 37: Overzicht bedrijfsresultaten tuinbouwsector per deelsector,

TECHNISCHE EN ECONOMISCHE RESULTATEN VAN DE VARKENSHOUDERIJ OP BASIS VAN HET LANDBOUWMONITORINGSNETWERK

TECHNISCHE EN ECONOMISCHE RESULTATEN VAN DE VARKENSHOUDERIJ OP BASIS VAN HET LANDBOUWMONITORINGSNETWERK FOCUS 2014 TECHNISCHE EN ECONOMISCHE RESULTATEN VAN DE VARKENSHOUDERIJ OP BASIS VAN HET LANDBOUWMONITORINGSNETWERK BOEKJAREN 2011-2013 Vlaamse overheid Departement Landbouw en Visserij 1. Blik op varkenshouderij

Nadere informatie

TECHNISCHE EN ECONOMISCHE RESULTATEN VAN DE VARKENSHOUDERIJ OP BASIS VAN HET LANDBOUWMONITORINGSNETWERK

TECHNISCHE EN ECONOMISCHE RESULTATEN VAN DE VARKENSHOUDERIJ OP BASIS VAN HET LANDBOUWMONITORINGSNETWERK FOCUS 2013 TECHNISCHE EN ECONOMISCHE RESULTATEN VAN DE VARKENSHOUDERIJ OP BASIS VAN HET LANDBOUWMONITORINGSNETWERK BOEKJAREN 2010-2012 Vlaamse overheid Departement Landbouw en Visserij 1. Blik op varkenshouderij

Nadere informatie

Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk Boekjaren 2008-2010

Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk Boekjaren 2008-2010 Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk Boekjaren 2008-2010 2012 Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie Joeri Deuninck

Nadere informatie

Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk boekjaren 2006-2008

Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk boekjaren 2006-2008 Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk boekjaren 2006-2008 Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie Joeri Deuninck,

Nadere informatie

MAXIMALE RENTABILITEITSOPPERVLAKTEN VOOR DE PERIODE 25/11/ /11/2022

MAXIMALE RENTABILITEITSOPPERVLAKTEN VOOR DE PERIODE 25/11/ /11/2022 //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// MAXIMALE RENTABILITEITSOPPERVLAKTEN VOOR

Nadere informatie

RENTABILITEITSANALYSE VARKENS. Vrints Goedele 26 mei 2015

RENTABILITEITSANALYSE VARKENS. Vrints Goedele 26 mei 2015 RENTABILITEITSANALYSE VARKENS Vrints Goedele 26 mei 2015 INHOUD 1. Prognose van het arbeidsinkomen 2. Economische resultaten Kostenstructuur Economische resultaten Vermeerdering Afmesting Gesloten bedrijven

Nadere informatie

NAAM: DANNY BILLENS LEEFTIJD: 55 PLAATS: OETINGEN (GOOIK) TEELT: BIOLOGISCH FRUIT

NAAM: DANNY BILLENS LEEFTIJD: 55 PLAATS: OETINGEN (GOOIK) TEELT: BIOLOGISCH FRUIT NAAM: DANNY BILLENS LEEFTIJD: 55 PLAATS: OETINGEN (GOOIK) TEELT: BIOLOGISCH FRUIT In 1987 nam Danny Billens het tuinbouwbedrijf van zijn vader over. Drie jaar later schakelde hij over op biolandbouw. Hij

Nadere informatie

1.1 Veestapel. Figuur 5.1: Evolutie van de varkensstapel in Vlaanderen, 1.000 stuks, 1997-2007

1.1 Veestapel. Figuur 5.1: Evolutie van de varkensstapel in Vlaanderen, 1.000 stuks, 1997-2007 Varkens De varkenshouderij is vanuit economisch oogpunt een heel belangrijke sector binnen de Vlaamse land- en tuinbouw. Ze kan opgedeeld worden in twee deelsectoren: vermeerdering en vetmesting. Actuele

Nadere informatie

De waalse landbouw in cijfers

De waalse landbouw in cijfers De waalse landbouw in cijfers 2017 Opmerking : Vanaf 2011, om redenen van administratieve vereenvoudiging, berusten de enquêtes niet meer op de landbouwers die aan de landbouwtelling hebben deelgenomen

Nadere informatie

De waalse landbouw in cijfers

De waalse landbouw in cijfers De waalse landbouw in cijfers 2015 Opmerking : Vanaf 2011, om redenen van administratieve vereenvoudiging, berusten de enquêtes niet meer op de landbouwers die aan de landbouwtelling hebben deelgenomen

Nadere informatie

Grotere landbouwbedrijven bepalen grondvraag en -prijs

Grotere landbouwbedrijven bepalen grondvraag en -prijs Grotere landbouwbedrijven bepalen grondvraag en -prijs Huib Silvis en Martien Voskuilen Grotere bedrijven zijn bij uitbreiding van het areaal landbouwgrond in het voordeel omdat zij over het algemeen hogere

Nadere informatie

Rentabiliteits- en kostprijsanalyse granen voor de korrel

Rentabiliteits- en kostprijsanalyse granen voor de korrel Studie Rentabiliteits- en kostprijsanalyse granen voor de korrel Resultaten van bedrijven uit het Landbouwmonitoringsnetwerk September 2012 Stijn Jourquin Afdeling Monitoring en Studie Vlaamse overheid

Nadere informatie

INDICATIEVE KOSTPRIJSBEREKENING VOOR DE VARKENSHOUDERIJ

INDICATIEVE KOSTPRIJSBEREKENING VOOR DE VARKENSHOUDERIJ INDICATIEVE KOSTPRIJSBEREKENING VOOR DE VARKENSHOUDERIJ 2 «De voorwaarden scheppen voor een competitieve, duurzame en evenwichtige werking van de goederen- en dienstenmarkt in België.» INHOUD INHOUD...

Nadere informatie

DE WAALSE LANDBOUW IN CIJFERS

DE WAALSE LANDBOUW IN CIJFERS DE WAALSE LANDBOUW IN CIJFERS Update : Februari 2014 Opmerking Om redenen van administratieve vereenvoudiging berust de enquête van 2011 niet meer op de landbouwers die hebben deelgenomen aan de landbouwtelling

Nadere informatie

De waalse landbouw in cijfers

De waalse landbouw in cijfers De waalse landbouw in cijfers 2016 Opmerking : Vanaf 2011, om redenen van administratieve vereenvoudiging, berusten de enquêtes niet meer op de landbouwers die aan de landbouwtelling hebben deelgenomen

Nadere informatie

DEPARTEMENT LANDBOUW & VISSERIJ

DEPARTEMENT LANDBOUW & VISSERIJ v.u. Jules Van Liefferinge depotnr. D/2015/3241/316 www.vlaanderen.be/landbouw DEPARTEMENT LANDBOUW & VISSERIJ PRODUCTIEWAARDE, MILJOEN EURO, 2014 overige 167 223 325 512 602 1.460 844 712 355 179 102

Nadere informatie

DE WAALSE LANDBOUW IN CIJFERS. Foto : DGARNE DDV

DE WAALSE LANDBOUW IN CIJFERS. Foto : DGARNE DDV NL DE WAALSE LANDBOUW IN CIJFERS Foto : DGARNE DDV 2010 2 Produktiefactoren* Aantal bedrijven 15.500 waarvan 73% voltijds Tewerkstelling 25.839 personen in de landbouwsector, namelijk 18.846 arbeidseenheden

Nadere informatie

AARDAPPELEN FOCUS. van het Landbouwmonitoringsnetwerk 2015 1 INLEIDING INHOUD. 1. Inleiding 2. Aardappelteelt in Vlaanderen 3. Resultatenrekeningen

AARDAPPELEN FOCUS. van het Landbouwmonitoringsnetwerk 2015 1 INLEIDING INHOUD. 1. Inleiding 2. Aardappelteelt in Vlaanderen 3. Resultatenrekeningen FOCUS AARDAPPELEN Rentabiliteits- en kostprijsanalyse op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk 2015 INHOUD 1. Inleiding 2. Aardappelteelt in Vlaanderen 3. Resultatenrekeningen 3.1 Vroege aardappelen

Nadere informatie

De cijfers zijn exclusief BTW en subsidie zoals toeslagrechten. De specialisatie van de melkveehouderij

De cijfers zijn exclusief BTW en subsidie zoals toeslagrechten. De specialisatie van de melkveehouderij Melkveehouderij VAC consult Een zoektocht naar een evenwichtige balans tussen groei en ontwikkeling Met het oog op de afschaffing van het melkquotum op 31 maart 2015, verandert de ondernemingsomgeving

Nadere informatie

RENTABILITEITS- EN KOSTPRIJSANALYSE VLEESVEE

RENTABILITEITS- EN KOSTPRIJSANALYSE VLEESVEE RENTABILITEITS- EN KOSTPRIJSANALYSE VLEESVEE Rapport 2015 RENTABILITEITS- EN KOSTPRIJSANALYSE VLEESVEE Entiteit: Departement Landbouw en Visserij Afdeling: Monitoring en Studie Auteurs: Goedele Vrints,

Nadere informatie

Inkomensverschillen op bedrijfstak melkvee

Inkomensverschillen op bedrijfstak melkvee Inkomensverschillen op bedrijfstak melkvee verklarende parameters Departement Landbouw en Visserij Afdeling Monitoring en Studie Tom Coulier Inkomensverschillen op bedrijfstak melkvee verklarende parameters

Nadere informatie

Inkomensraming land- en tuinbouw Welkom door Jack van der Vorst, algemeen directeur Social Sciences Group

Inkomensraming land- en tuinbouw Welkom door Jack van der Vorst, algemeen directeur Social Sciences Group Inkomensraming land- en tuinbouw 215 Welkom door Jack van der Vorst, algemeen directeur Social Sciences Group 1 Actuele ontwikkeling van resultaten en inkomens in de land- en tuinbouw 215 16 december 215

Nadere informatie

O v e r z i c h t v a n d e b o e k h o u d k u n d i g e r e s u l t a t e n v a n 7 1 8 l a n d - e n t u i n b o uw b e d r i j v e n

O v e r z i c h t v a n d e b o e k h o u d k u n d i g e r e s u l t a t e n v a n 7 1 8 l a n d - e n t u i n b o uw b e d r i j v e n O v e r z i c h t v a n d e b o e k h o u d k u n d i g e r e s u l t a t e n v a n 7 1 8 l a n d - e n t u i n b o uw b e d r i j v e n Boekjaar 2006 L a n d b o u w m o n i t o r i n g s n e tw e r k

Nadere informatie

De kostprijs van de melk op de voorbeeld-weidebedrijven

De kostprijs van de melk op de voorbeeld-weidebedrijven 338.5(492) :637.11, /, Jt^ -J-Tf-14' De kostprijs van de melk op de voorbeeld-weidebedrijven W. W1LLEMSEN Proefstation voor de Akker- en Weidebouw, Wageningen In de publikatie Tien jaar voorbeeldbedrijven"

Nadere informatie

Rentabiliteits- en kostprijsanalyse vleesvee

Rentabiliteits- en kostprijsanalyse vleesvee Studie Rentabiliteits- en kostprijsanalyse vleesvee Mei 2013 Goedele Vrints, Joeri Deuninck, Joost D hooghe Afdeling Monitoring en Studie Vlaamse overheid Beleidsdomein Landbouw en Visserij RENTABILITEITS-

Nadere informatie

Financiële positie land- en tuinbouwbedrijven in Noord-Brabant

Financiële positie land- en tuinbouwbedrijven in Noord-Brabant Financiële positie land- en tuinbouwbedrijven in Noord-Brabant Februari 2017, Harold van der Meulen en Ruud van der Meer Wageningen Economic Research (voorheen LEI Wageningen UR) VERTROUWELIJK Vraagstelling

Nadere informatie

Vlaamse bedrijfseconomische richtwaarden varkenshouderij

Vlaamse bedrijfseconomische richtwaarden varkenshouderij Rapport Vlaamse bedrijfseconomische richtwaarden varkenshouderij Aanvulling: actuele tendensen voor 2011 Vlaamse overheid Beleidsdomein Landbouw en Visserij VLAAMSE BEDRIJFSECONOMISCHE RICHTWAARDENSCHAPPEN

Nadere informatie

Rentabiliteits- en kostprijsanalyse sla

Rentabiliteits- en kostprijsanalyse sla Rapport Rentabiliteits- en kostprijsanalyse sla Resultaten van bedrijven uit het Landbouwmonitoringsnetwerk Ellen Maertens, Joeri Deuninck en Joost D hooghe Afdeling Monitoring en Studie Vlaamse overheid

Nadere informatie

Bedrijfsleiderskring: Voorbeeld Boekjaar: 01/10/17

Bedrijfsleiderskring: Voorbeeld Boekjaar: 01/10/17 Besleiderskring: Voorbeeld Boekjaar: 1/1/17 Blz. 1 Algemene besgegevens Geproduceerde FPCM Kg Geproduceerde FPCM / ha Kg Geprod. FPCM / ha voergewas Kg Geproduceerde FPCM / ak Kg Land totaal Ha Land veehouderij

Nadere informatie

HET GEBRUIK VAN SALDO'S BIJ BEDRIJFSBEOORDELING EN BEDRIJFSBEGROTING

HET GEBRUIK VAN SALDO'S BIJ BEDRIJFSBEOORDELING EN BEDRIJFSBEGROTING 631.16 HET GEBRUIK VAN SALDO'S BIJ BEDRIJFSBEOORDELING EN BEDRIJFSBEGROTING Proefstation voor de Akker- en Weidebouw OVERDRUK UIT LANDBOUWVOORLICHTING 16. 6. 288-292. 'S-GRAVENHAGE, JUNI 1959 HET GEBRUIK

Nadere informatie

Beschrijving bedrijfsgegevens Mestbank tot en met 2006

Beschrijving bedrijfsgegevens Mestbank tot en met 2006 Beschrijving bedrijfsgegevens Mestbank tot en met 2006 Aantal geregistreerde bedrijven Aantal bedrijven (koepels) Aantal bedrijven (relaties) Aantal exploitaties Aantal entiteiten Aantal verminderde relaties

Nadere informatie

Financiële Analyse. G.E. Sloten. Grote markt BC. Brabant :10. Versie:

Financiële Analyse. G.E. Sloten. Grote markt BC. Brabant :10. Versie: Financiële Analyse G.E. Sloten Grote markt 1 2345 BC Brabant - 17:10 Versie: 2017.19 Inhoud 1 Structuur van het bedrijf 2 Totaal bedrijfsresultaat 3 Beschikbare liquide middelen 4 Samenvatting sector Fokzeugenhouderij

Nadere informatie

Kostprijsanalyse. Aardappelen

Kostprijsanalyse. Aardappelen Kostprijsanalyse Aardappelen April 2010 Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie Eline de Regt Joeri Deuninck Kostprijsanalyse Aardappelen Eline de Regt, Joeri Deuninck April 2010

Nadere informatie

Financiële Analyse. D.E. Momelkveebedrijf. Pinkenlaan AB KOEDORP :52. Versie: Check FM 2_0 2017_06_11

Financiële Analyse. D.E. Momelkveebedrijf. Pinkenlaan AB KOEDORP :52. Versie: Check FM 2_0 2017_06_11 Financiële Analyse D.E. Momelkveebedrijf Pinkenlaan 12 1234 AB KOEDORP 15-06-2017-8:52 Versie: Check FM 2_0 2017_06_11 Inhoud 1 Structuur van het bedrijf 2 Totaal bedrijfsresultaat 3 Beschikbare liquide

Nadere informatie

30-11-2015 PROGRAMMA VOERWINST VERGELIJKING ZEUGEN ONTWIKKELINGEN EN TRENDS. 2015 is prognose bedragen exclusief btw

30-11-2015 PROGRAMMA VOERWINST VERGELIJKING ZEUGEN ONTWIKKELINGEN EN TRENDS. 2015 is prognose bedragen exclusief btw PROGRAMMA DE ROL VAN DE ADVISEUR Woensdag 2 december 2015 Ontwikkelingen en trends Uitbreiden zin of onzin? Toekomst bedrijven Risicomanagement / prijsfluctuaties De succesvolle melkveehouders De rol van

Nadere informatie

RENTABILITEITSANALYSE APPELS EN PEREN

RENTABILITEITSANALYSE APPELS EN PEREN RENTABILITEITSANALYSE APPELS EN PEREN Resultaten op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk: boekjaren 2009-2014 2016 Studie RENTABILITEITS- ANALYSE APPELS EN PEREN Resultaten op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk:

Nadere informatie

RENTABILITEITS- EN KOSTPRIJSANALYSE GROENTEN IN OPENLUCHT

RENTABILITEITS- EN KOSTPRIJSANALYSE GROENTEN IN OPENLUCHT RENTABILITEITS- EN KOSTPRIJSANALYSE GROENTEN IN OPENLUCHT 2016 Studie RENTABILITEITS- EN KOSTPRIJSANALYSE GROENTEN IN OPENLUCHT op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk Auteurs: Joeri Deuninck en Dirk

Nadere informatie

Impact van de Russische boycot op de prijzen en de uitvoer van bepaalde landbouwproducten

Impact van de Russische boycot op de prijzen en de uitvoer van bepaalde landbouwproducten Impact van de Russische boycot op de prijzen en de uitvoer van bepaalde landbouwproducten FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Algemene Directie Economische Analyses en Internationale Economie

Nadere informatie

Vlaanderen is landbouw HET LANDBOUW MONITORINGS- NETWERK / LMN. Een bedrijfseconomische boekhouding voor land- en tuinbouwers

Vlaanderen is landbouw HET LANDBOUW MONITORINGS- NETWERK / LMN. Een bedrijfseconomische boekhouding voor land- en tuinbouwers Vlaanderen is landbouw HET LANDBOUW MONITORINGS- NETWERK / LMN Een bedrijfseconomische boekhouding voor land- en tuinbouwers COLOFON Datum 31/01/2015 Samenstelling Departement Landbouw en Visserij Verantwoordelijke

Nadere informatie

Marktontwikkelingen varkenssector

Marktontwikkelingen varkenssector Marktontwikkelingen varkenssector 1. Inleiding In de deze nota wordt ingegaan op de marktontwikkelingen in de varkenssector in Nederland en de Europese Unie. Waar mogelijk wordt vooruitgeblikt op de te

Nadere informatie

STERK MET MELK BESLISSINGEN NEMEN OP BASIS VAN BEDRIJFSECONOMISCHE KENGETALLEN.

STERK MET MELK BESLISSINGEN NEMEN OP BASIS VAN BEDRIJFSECONOMISCHE KENGETALLEN. STERK MET MELK BESLISSINGEN NEMEN OP BASIS VAN BEDRIJFSECONOMISCHE KENGETALLEN. Dirk Audenaert Consulent Rundvee Boerenbond INHOUD 1. DUURZAAMHEID : EEN VEELKLEURIG BEGRIP 2. KEN UW KOSTPRIJS 3. BEGRIPPEN

Nadere informatie

Vlaanderen is landbouw & visserij

Vlaanderen is landbouw & visserij Vlaanderen is landbouw & visserij KOSTPRIJSANALYSE VERVANGINGSVEE VAN MELKVEE EN DE ECONOMISCHE IMPACT VAN HET VERVANGINGSPERCENTAGE Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod

Nadere informatie

Eindverslag van de technische werkgroep voor de berekening van een varkensindex

Eindverslag van de technische werkgroep voor de berekening van een varkensindex Eindverslag van de technische werkgroep voor de berekening van een varkensindex 1. Achtergrond Gezien de markt voor varkensvlees bij uitstek een Europese markt is, werd vanuit de ketenwerkgroep varkens

Nadere informatie

Pachtafhankelijke bedrijven in beeld

Pachtafhankelijke bedrijven in beeld Pachtafhankelijke in beeld Huib Silvis, Ruud van der Meer en Martien Voskuilen Pacht heeft een belangrijke rol als financieringsinstrument voor de landbouw, zowel bij bedrijfsovername als bedrijfsvergroting.

Nadere informatie

Oekraïne (foto s zijn terug te vinden op www.liba.be)

Oekraïne (foto s zijn terug te vinden op www.liba.be) Landbouw in Oekraïne 12/05/2011 Oekraïne (foto s zijn terug te vinden op www.liba.be) Oekraïne is groter dan elk land van de EU. De goede ligging van het land, gecombineerd met de vruchtbare bodems, geeft

Nadere informatie

Meer zicht op de cijfers

Meer zicht op de cijfers Meer zicht op de cijfers Analyse technische en economische resultaten K&K bedrijven in vergelijking met andere praktijkbedrijven November 2001 Rapport 8 Koeien & Kansen; Pioniers duurzame melkveehouderij

Nadere informatie

Vlaanderen is landbouw HET LANDBOUW MONITORINGS- NETWERK / LMN. Een bedrijfseconomische boekhouding voor land- en tuinbouwers

Vlaanderen is landbouw HET LANDBOUW MONITORINGS- NETWERK / LMN. Een bedrijfseconomische boekhouding voor land- en tuinbouwers Vlaanderen is landbouw HET LANDBOUW MONITORINGS- NETWERK / LMN Een bedrijfseconomische boekhouding voor land- en tuinbouwers COLOFON Datum 01/11/2018 Samenstelling Departement Landbouw en Visserij Verantwoordelijke

Nadere informatie

Bedrijfseconomische analyse

Bedrijfseconomische analyse 0,78125 Bedrijfseconomische analyse Melkveehouder Straatnaam 1234 AB Plaats Bedrijfseconomische analyse 2013 Uitgebracht aan: Melkveehouder Straatnaam 1234 AB Plaats klantnummer: 1234 Alle bedragen in

Nadere informatie

De rendabiliteit van het landbouwbedrijf

De rendabiliteit van het landbouwbedrijf 0 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap De rendabiliteit van het landbouwbedrijf Boekjaar 2001 35 210 30 180 25 150 20 120 15 90 10 60 5 30 0 publicatie n 2.01 april 2003 Centrum voor Landbouweconomie

Nadere informatie

Waarden van fosfaatrechten - achtergrondnotitie Natuur & Milieu 1 februari 2016

Waarden van fosfaatrechten - achtergrondnotitie Natuur & Milieu 1 februari 2016 Waarden van fosfaatrechten - achtergrondnotitie Natuur & Milieu 1 februari 2016 1 Aanleiding en samenvatting In 2015 heeft toenmalig staatssecretaris Dijksma van EZ fosfaatrechten voor de melkveehouderij

Nadere informatie

O v e r z i c h t v a n d e b o e k h o u d k u n d i g e r e s u l t a t e n v a n l a n d - e n t u i n b o uw b e d r i j v e n

O v e r z i c h t v a n d e b o e k h o u d k u n d i g e r e s u l t a t e n v a n l a n d - e n t u i n b o uw b e d r i j v e n O v e r z i c h t v a n d e b o e k h o u d k u n d i g e r e s u l t a t e n v a n 7 6 6 l a n d - e n t u i n b o uw b e d r i j v e n Boekjaar 2009 L a n d b o u w m o n i t o r i n g s n e tw e r k

Nadere informatie

Hoe een boekhouding. Beginners

Hoe een boekhouding. Beginners Hoe een boekhouding Invullen???? Beginners Zit ik in het juiste boekjaar GEWASSEN OP HET BEDRIJF GEWASSEN OP HET BEDRIJF 1. ZIJN ALLE TEELTEN AANWEZIG? TEELTEN EN HUN OPPERVLAKTE WORDEN OVERGENOMEN UIT

Nadere informatie