Starten en rijden STUURSLOT

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Starten en rijden STUURSLOT"

Transcriptie

1 AUTO Starten en rijden Rijden en bedienen STUURSLOT Voorzichtig: Op voertuigen met automatische transmissie moet de transmissiehendel ALTIJD in de parkeerstand ('P') worden gezet voordat de contactsleutel kan worden verwijderd. Als de contactsleutel niet wordt verwijderd, wordt de accu continu langzaam ontladen waardoor die uiteindelijk geheel leeg zou kunnen raken. WAARSCHUWING Nadat het stuurslot is geactiveerd, is het onmogelijk om het voertuig te besturen. Verwijder de contactsleutel NIET als het voertuig in beweging is. H6161L Het contactslot en het stuurslot bevinden zich in de zijkant van de stuurkolomkap. Stuurslot loszetten Steek de sleutel in het contactslot en draai de sleutel naar stand 'I'. Als de sleutel niet kan worden rondgedraaid dan moet het stuurwiel, terwijl tegelijkertijd aan de sleutel wordt gedraaid, iets naar links of naar rechts worden bewogen. Het stuurslot vastzetten Verwijder de contactsleutel uit het contactslot. Het slot kan nu worden geactiveerd. Draai het stuurwiel rond tot het stuurslot gaat werken. 168

2 Starten en rijden CONTACTSLOT De gecombineerde schakelaar wordt gebruikt voor het bedienen van het stuurslot, de elektrische circuits en de startmotor: Stand '0' Stuurslot vergrendeld. Sommige verlichtingscircuits zullen functioneren, inclusief stadslichten en gevarenknipperlichten. Zolang de bestuurdersdeur open staat, functioneert de stoelgeheugen-faciliteit. Stand 'I' Stuurslot ontgrendeld. Nu kunnen de klok, het audiosysteem en de sigarettenaansteker worden gebruikt. De wissers/sproeiers werken. Stand 'II' Alle instrumenten, waarschuwingslampjes en elektrische circuits kunnen worden gebruikt. Stand 'III' Nu wordt aangevangen met de procedure voor het starten van de motor. Opmerking: Vergeet niet dat alle elektrische functies van stand 'I' gedurende het starten van de motor zullen worden onderbroken. N.B. Op voertuigen met automatische transmissie moet de transmissiehendel altijd in de parkeerstand ('P') of neutraalstand ('N') worden gezet voordat de motor kan worden gestart. STARTEN - Modellen met benzinemotor WAARSCHUWING Nooit starten of de motor laten draaien in een ongeventileerde ruimte - uitlaatgassen zijn giftig en bevatten koolmonoxide. Hierdoor kan bewusteloosheid worden veroorzaakt. Uitlaatgassen kunnen zelfs fataal zijn. Voordat de motor wordt gestart en u kunt wegrijden dient u ALTIJD op de hoogte te zijn van de voorzorgsmaatregelen die u kunt vinden in KATALYSATOR, 174. Speciaal dient u op de hoogte te zijn van het feit dat als de motor na een aantal pogingen niet start, door onophoudelijke startpogingen de katalysator kan worden beschadigd. 1. Controleer of de parkeerrem is geactiveerd en of de transmissiehendel op voertuigen met automatische transmissie in de parkeerstand ('P') of neutraalstand ('N') staat. 2. Alle elektrische uitrusting die niet hoeft te worden gebruikt, afzetten. 3. Draai het contactslot naar stand 'II' en vervolgens naar stand 'III'. Onmiddellijk loslaten. De startmotor wordt automatisch uitgeschakeld zodra de motor aanslaat. Tijdens het starten mag het gaspedaal NOOIT worden ingedrukt. N.B. De waarschuwingslampjes voor de acculading en oliedruk dienen uit te gaan zodra de motor loopt. 169

3 Starten en rijden Koude klimaten In zeer koude klimaten is het mogelijk dat het oliedruk-waarschuwingslampje pas na een paar seconden uitgaat. Vanzelfsprekend zal het bij dergelijke lage temperaturen ook langer duren voordat de motor aanslaat. Bij -25 C is het mogelijk dat de startmotor langer (soms zelfs 30 seconden) ononderbroken moet worden gebruikt voordat de motor aanslaat. Om deze reden dient ervoor te worden gezorgd dat alle niet-essentiële elektrische uitrusting wordt uitgezet om, ten behoeve van het starten, over het maximum accuvermogen te kunnen beschikken. Nadat de motor is gestart Op voertuigen met automatische transmissie dient te worden gecontroleerd of de parkeerrem is geactiveerd EN HET REMPEDAAL stevig is ingedrukt en of het gaspedaal niet wordt ingedrukt terwijl de transmissiehendel vanuit de neutraalstand ('N') of de parkeerstand ('P') naar een andere versnelling wordt bewogen. Door een vergrendeling wordt deze beweging onmogelijk gemaakt als het rempedaal niet wordt ingedrukt. STARTEN - Modellen met dieselmotor WAARSCHUWING Nooit starten of de motor laten draaien in een ongeventileerde ruimte - uitlaatgassen zijn giftig. Voordat de motor wordt gestart en u wilt wegrijden dient u ALTIJD op de hoogte te zijn van de voorzorgsmaatregelen die u kunt vinden in KATALYSATOR, Controleer of de parkeerrem is geactiveerd en of de transmissiehendel op voertuigen met automatische transmissie in de parkeerstand ('P') of neutraalstand ('N') staat. 2. Zet alle niet-essentiële elektrische uitrusting uit. 3. Steek de contactsleutel in het contactslot en draai die naar stand 'II'. Wacht tot het waarschuwingslampje voor de gloeistiften uitgaat. 4. Draai de sleutel naar stand 'III'. Onmiddellijk loslaten. De startmotor wordt automatisch uitgeschakeld zodra de motor aanslaat. Tijdens het starten mag het gaspedaal NOOIT worden ingedrukt. N.B. De tijd die u moet wachten wisselt met de temperatuur van de motorkoelvloeistof (als de motor warm is zal het gloeistift-waarschuwingslampje vrijwel onmiddellijk uitgaan. Het is zelfs mogelijk dat dit geheel niet gaat branden). N.B. Als de startmotor ononderbroken wordt gebruikt, zal hierdoor niet alleen de accu worden ontladen, maar is het tevens mogelijk dat de startmotor wordt beschadigd. In gematigde klimaten mag NOOIT langer dan 10 seconden worden gestart. Als de motor niet aanslaat, afzetten en 10 seconden wachten. N.B. De waarschuwingslampjes voor de acculading en oliedruk dienen uit te gaan zodra de motor loopt. 170

4 Starten en rijden WAARSCHUWING De dieselmotor mag nooit sneller draaien dan stationair tot het oliedruk-waarschuwingslampje uitgaat. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de lagers van de motor en de turbocompressor voordat op snelheid wordt gereden, voldoende worden gesmeerd. Laat de motor dus ook ALTIJD 10 seconden lang stationair draaien voordat die wordt afgezet. Koude klimaten In zeer koude klimaten is het mogelijk dat het oliedruk-waarschuwingslampje pas na een paar seconden uitgaat. Vanzelfsprekend zal het bij dergelijke lage temperaturen ook langer duren voordat de motor aanslaat. Bij -25 C is het mogelijk dat de startmotor langer (soms zelfs 30 seconden) ononderbroken moet worden gebruikt voordat de motor aanslaat. Om deze reden dient ervoor te worden gezorgd dat alle niet-essentiële elektrische uitrusting wordt uitgezet om, ten behoeve van het starten, over het maximum accuvermogen te kunnen beschikken. Nadat de motor is gestart Op voertuigen met automatische transmissie dient te worden gecontroleerd of de parkeerrem is geactiveerd EN HET REMPEDAAL stevig is ingedrukt en of het gaspedaal niet wordt ingedrukt terwijl de transmissiehendel vanuit de neutraalstand ('N') of de parkeerstand ('P') naar een andere versnelling wordt bewogen. Door een vergrendeling wordt deze beweging onmogelijk gemaakt als het rempedaal niet wordt ingedrukt. RIJDEN Stabiliteit van het voertuig WAARSCHUWING Uw voertuig heeft een hogere bodemvrijheid en ook een hoger zwaartepunt dan conventionele personenauto's zodat het voertuig in veel verschillende terreincondities kan worden gebruikt. Aan een grotere bodemvrijheid is het voordeel verbonden van een beter uitzicht op de weg waardoor de bestuurder eerder en makkelijker problemen kan anticiperen. Onervaren bestuurders dienen echter voorzichtig te zijn en deze mogen nooit vergeten dat uw voertuig niet ontworpen is op het nemen van bochten met dezelfde snelheid als conventionele personenauto's. Vergelijk dit met een lage sportauto die er ook niet op is ontworpen om op bevredigende wijze in het terrein te functioneren. Als het voertuig net zoals andere voertuigen van dit type niet op de juiste manier wordt gebruikt en bediend is het mogelijk dat u de controle over uw voertuig verliest. Het voertuig kan zelfs omkantelen. Voertuig - hoogte Voorzichtig: De totale hoogte van uw voertuig is groter dan die van conventionele personenauto's. Zie AFMETINGEN, 353. Houd altijd rekening met de hoogte van uw voertuig en controleer of u genoeg ruimte heeft voordat u onder lage doorgangen rijdt. Dit is vooral belangrijk als het voertuig is voorzien van een imperiaal of als het zonnedak open is gekanteld. Instrumenten en waarschuwingslampjes Voordat u wegrijdt is het belangrijk dat u volledig op de hoogte bent van het functioneren en de betekenis van respectievelijk de instrumenten en waarschuwingslampjes (zie INSTRUMENTENGROEP, 88). 171

5 Starten en rijden Voorzichtig: Vooral de rode waarschuwingslampjes zijn van essentieel belang en wijzen altijd op een storing. Ziet u een rood waarschuwingslampje, het voertuig altijd onmiddellijk stilzetten, deskundige hulp inroepen en dan eventueel doorrijden. In het geval van de parkeerrem is het bovenstaande uitsluitend van toepassing als het voertuig in beweging is, terwijl het waarschuwingslampje brandt. Warmdraaien De motor NOOIT warm laten draaien door die met laag toerental stationair te laten draaien. Uit oogpunt van brandstofzuinigheid en met het oog op de mindere motorslijtage verdient het aanbeveling om direct met het voertuig te gaan rijden. Vergeet echter niet dat hard accelereren en "zwoegen" van de motor voordat de normale bedrijfstemperatuur is bereikt, kunnen leiden tot beschadiging van de motor. Inrijden De betrouwbare werking en het goed functioneren van uw voertuig gedurende de gehele technische levensduur zijn direct afhankelijk van het feit of alle systemen goed zijn ingelopen. Vooral de motor, de versnellingsbak, de remmen en de wielen/banden hebben tijd nodig om zich aan te passen aan de hoge vereisten die in het moderne verkeer nu eenmaal aan motorvoertuigen worden gesteld. Gedurende de eerste 800 km is het van het grootste belang dat u tijdens het rijden rekening houdt met het inrijproces en dat u zich houdt aan het volgende advies: De maximum snelheid dient BEPERKT te blijven tot 110 km/u of rpm. Rij aanvankelijk nooit harder dan op halfgas. De motortoerentallen mogen pas geleidelijk worden opgevoerd nadat de eerste 800 km (inrijperiode) zijn afgelegd. NOOIT volgas gebruiken en de motor ook nooit - ongeacht de gekozen versnelling - zwaar belasten. Door ons wordt aanbevolen dat gedurende het inrijden de sportfunctie NIET wordt gebruikt. NOOIT te snel optrekken en, behalve in noodgevallen, ook nooit zwaar afremmen. 172

6 Starten en rijden BRANDSTOFZUINIGHEID Het brandstofverbruik wordt beïnvloed door twee belangrijke factoren: Het onderhoud van uw voertuig. Uw rijstijl. Optimale brandstofzuinigheid is uitsluitend mogelijk als uw voertuig wordt onderhouden conform de onderhoudsschema's van de fabrikant. Aspecten zoals de conditie van het luchtfilter-element, de bandenspanning en de wieluitlijning hebben vrijwel altijd een belangrijke invloed op het brandstofverbruik. Uw rijstijl blijft echter altijd het belangrijkst. Met behulp van de volgende tips zult u zuiniger kunnen rijden: Korte ritten waarbij vaak wordt gestopt en gestart, zoveel mogelijk vermijden. Rijd langzaam en rustig weg en vermijd een snelle start. Nooit langer dan absoluut noodzakelijk is, in de lagere versnellingen rijden (in de handmatige functie van de transmissie). Voorzichtig vertragen en plotseling en zwaar remmen voorkomen. Houd rekening met onverwachte situaties en zorg ervoor dat u uw snelheid ruim van te voren kunt aanpassen. Als het voertuig stilstaat in verkeer, moet de neutraalstand ('N') worden gekozen op voertuigen met automatische transmissie. Dit komt de brandstofzuinigheid en de prestatie van de airco ten goede. EMISSIE-REGELSYSTEEM WAARSCHUWING Uitlaatdampen bevatten giftige stoffen. Inademen kan bewustzijnsverlies veroorzaken en kan zelfs dodelijk zijn. NOOIT met het voertuig rijden als de achterklep open staat. Het uitlaatsysteem mag NOOIT zodanig worden gemodificeerd dat dit af gaat wijken van het oorspronkelijke ontwerp. Lekken in het uitlaatsysteem moeten ALTIJD onmiddellijk worden gerepareerd. Heeft u de indruk dat uitlaatgassem doordringen in het interieur van het voertuig dan dient de oorzaak onmiddellijk te worden opgespoord. Ook zijn dan prompte reparaties essentieel. Land Rover voertuigen zijn uitgerust met emissie- en brandstofdamp-regelsystemen waardoor wordt voldaan aan de wettelijke vereisten in vrijwel alle landen waar de voertuigen worden verkocht. In vele landen is het eigenaars bij de wet verboden om uitrusting van de emissieregeling te modificeren of daaraan ondeskundig of onoordeelkundig veranderingen aan te brengen. Ook is het niet toegestaan om ongemachtigde vervanging of modificatie van deze uitrusting toe te staan. In dergelijke gevallen is het mogelijk dat zowel de eigenaar van het voertuig als de persoon waardoor de werkzaamheden werden uitgevoerd, in rechten worden vervolgd. Het is belangrijk dat nooit wordt vergeten dat alle Land Rover dealers/geautoriseerde reparatiebedrijven op de juiste manier zijn uitgerust voor het uitvoeren van reparaties en onderhoud aan de emissieregeling van uw voertuig. 173

7 Katalysator Katalysator KATALYSATOR Het uitlaatsysteem is voorzien van een katalysator waardoor de meeste schadelijke uitlaatemissies uit de motor worden omgezet in milieutechnisch minder schadelijke gassen. Hierdoor kunnen echter niet alle schadelijke uitlaatemissies worden geëlimineerd. Voorzichtig: Katalysators kunnen door incorrect gebruik makkelijk worden beschadigd, vooral als de verkeerde brandstof wordt gebruikt of als de motor overslaat. Het is daarom ZEER BELANGRIJK dat u de volgende voorzorgsmaatregelen in acht neemt. Brandstof Gebruik UITSLUITEND de brandstof die is aanbevolen voor uw voertuig. Starten van de motor Blijf de motor NOOIT na een aantal mislukte pogingen starten (het is dan mogelijk dat niet-verbrande brandstof in het uitlaatsysteem wordt gezogen waardoor de katalysator wordt vergiftigd). Tracht ook nooit om het overslaan van de motor op te lossen door het gaspedaal in te drukken - roep deskundige hulp in. Nadat de motor is gestart, mag NIET worden weggereden als er redenen zijn om aan te nemen dat de motor overslaat. Tracht dit probleem ook nooit op te lossen door het gaspedaal in te drukken - roep deskundige hulp in. Tracht nooit het voertuig aan te duwen of aan te slepen. Rijden Als u denkt dat de motor overslaat, of als de motor tijdens het rijden onvoldoende vermogen ontwikkelt, kan - mits de normale bedrijfstemperatuur is bereikt - LANGZAAM naar een Land Rover dealer/geautoriseerd reparatiebedrijf worden gereden voor assistentie (met het risico van beschadiging van de katalysator). NOOIT de brandstoftank geheel leegrijden (door het overslaan van de motor dat hier het gevolg van is, kan de katalysator worden beschadigd). Win het advies in van uw Land Rover dealer/geautoriseerde reparatiebedrijf als uw voertuig te veel olie verbrandt (blauwe rook uit de uitlaat), daar hierdoor de efficiënte werking van de katalysator geleidelijk zal verslechteren. In ruw terrein ervoor zorgen dat de onderkant van het voertuig geen hevige klappen te verwerken krijgt, omdat de katalysator hierdoor kan worden beschadigd. De motor NOOIT overbelasten of het toerental te hoog opvoeren. De motor NOOIT afzetten als het voertuig in beweging is terwijl een versnelling is gekozen. WAARSCHUWING De temperaturen van uitlaatsystemen kunnen zeer hoog oplopen - Parkeer NOOIT zodanig dat brandbaar materiaal, zoals droog gras of bladeren, in contact kan komen met het uitlaatsysteem - bij droog weer kan dit resulteren in brand. 174

8 Onderhoud van het voertuig Het is essentieel dat ondeskundige personen zich niet bemoeien met de motor en dat periodiek en systematisch onderhoud wordt uitgevoerd door een Land Rover dealer/geautoriseerd reparatiebedrijf. De motor NOOIT laten draaien als een bougie of bougiekabel is verwijderd. Ook nooit apparatuur gebruiken waarvoor het noodzakelijk is om een inzetstuk in de bougie te plaatsen. Katalysator 175

9 Vullen met brandstof Vullen met brandstof VEILIGHEID TIJDENS TANKEN WAARSCHUWING Benzinedampen zijn uiterst brandbaar en in beperkte ruimten zijn die ook bijzonder explosief. Bij het aftanken altijd logische voorzorgsmaatregelen treffen: Zet de motor af. Zet alle mobiele telefoons uit. Nooit roken of een niet-afgeschermde vlam gebruiken. Nooit brandstof morsen. De tank niet overvullen. BRANDSTOFVULHALS De brandstofvuldop bevindt zich achter de rechter/achterste wielkast. Een pijl op de brandstofmeter wijst naar die bepaalde kant van het voertuig. H6163G 176

10 Druk terwijl het hele voertuig is ontgrendeld (alle deuren en de achterklep) op de linkerkant van de brandstofvulklep. De brandstofvulklep wordt dan geopend (zie detailtekening). Vullen met brandstof 1 2 H6166G H6164G De brandstofvulklep springt naar buiten waardoor de vuldop zichtbaar wordt. Plaats het mondstuk van de slang (1) in de vulhals. Hierdoor wordt het onder veerspanning staande klepje (2) opzij gedrukt. Nadat geheel is bijgetankt, moet het mondstuk worden verwijderd. Plaats de vuldop. Draai de kap rechtsom vast tot u die drie keer hoort klikken. Voorzichtig: Als de brandstofvuldop weer wordt geplaatst, moet altijd worden gecontroleerd of die wordt vastgedraaid tot de dop "klikt". Wordt dit niet gedaan dan is het mogelijk dat het motorwaarschuwingslampje gaat branden doordat de benzinedamp-emissies toenemen. H6165G Draai de vuldop los en zet die op het uitsteeksel op de bovenkant van de scharnier van de brandstofvulklep. 177

11 Vullen met brandstof TYPE BRANDSTOF Brandstofspecificatie - benzinemotoren Voorzichtig: Op voertuigen met benzinemotor die zijn voorzien van een katalysator kan de katalysator ernstig worden beschadigd als LOODHOUDENDE brandstof wordt gebruikt! Zie MOTOREN, 346 In het buitenland wordt niet altijd benzine met hetzelfde octaangetal (RON) of van hetzelfde type verkocht. Gedurende productie worden motoren afgesteld op de brandstof die over het algemeen overal beschikbaar is in het land waarvoor het voertuig bestemd is. Indien een voertuig echter later wordt geëxporteerd naar een ander land, of als dit wordt gebruikt voor reizen van en naar dergelijke landen, dient de eigenaar op de hoogte te zijn van het feit dat de beschikbare brandstof niet overeenkomt met de specificaties van de motor. Uw motor kan op brandstof met een lager octaangetal draaien. Dit gaat echter ten koste van de prestaties en de brandstofzuinigheid. Als benzine met een lager octaangetal dan 91 RON wordt gebruikt, kan dit ernstig, hardnekkig en zwaar "pingelen" van de motor veroorzaken (een metaalachtig tikkend geluid). In ernstige gevallen kan dit leiden tot beschadiging van de motor. In twijfelgevallen dient ter plaatse advies te worden ingewonnen. Als zwaar pingelen wordt geconstateerd terwijl toch brandstof met het juiste octaangetal wordt gebruikt of als dit fenomeen wordt waargenomen gedurende constante snelheden op goede wegen, dient u voor advies contact op te nemen met uw Land Rover dealer/geautoriseerde reparatiebedrijf. N.B. Af en toe licht pingelen bij acceleratie of het oprijden van hellingen, is acceptabel. Brandstofspecificatie - dieselmotoren Voorzichtig: In dit voertuig NOOIT bio-dieselbrandstof gebruiken. Zie MOTOREN, 346 De kwaliteit van de dieselbrandstof (Derv) kan tussen de verschillende landen afwijken. Gebruik uitsluitend schone brandstof van een goede kwaliteit. Het is belangrijk dat het zwavelgehalte van de dieselbrandstof niet hoger is dan 0,3%. In Europa voldoet alle dieselbrandstof aan deze limiet. In andere landen kunt u dit echter controleren bij uw leverancier. In landen waar het zwavelgehalte hoger is dan 0,3%, zullen de motorolie en het filter vaker moeten worden verwisseld. Voorzichtig: Als de brandstoftank abusievelijk wordt gevuld met benzine, is het ESSENTIEEL dat voordat de motor wordt gestart, contact wordt opgenomen met uw Land Rover dealer/geautoriseerde reparatiebedrijf! 178

12 Vullen met brandstof VULLEN MET BRANDSTOF WAARSCHUWING Tracht NOOIT de tank verder te vullen dan de maximum inhoud. Als het voertuig op een helling, in direct zonlicht of bij hoge buitentemperaturen zal worden geparkeerd is het mogelijk dat door het uitzetten van de brandstof, brandstof naar buiten stroomt. Brandstofpompen van benzinestations zijn uitgerust met een automatische uitschakeling zodat geen brandstof wordt gemorst. Vul de tank tot de benzine/dieselpomp automatisch afslaat. Tracht NOOIT tank te vullen tot voorbij dit punt. Voertuigen met dieselmotor Bij gebruik van dieselpompen voor commerciële voertuigen waarmee de tank sneller wordt gevuld, is het mogelijk dat de pomp eerder afslaat en dat brandstof wordt gemorst. LEGE BRANDSTOFTANK Voorzichtig: RIJ DE BRANDSTOFTANK NOOIT HELEMAAL LEEG. Gebeurt dat wel dan is het mogelijk dat de motor overslaat waardoor de motor, de katalysator of de brandstofpomp kan worden beschadigd. N.B. Als de tank van het voertuig wordt leeggereden, moet minimaal 4 liter brandstof worden toegevoegd voordat de motor opnieuw kan worden gestart. Onder bepaalde omstandigheden is het noodzakelijk om een korte afstand (typisch 1,6-5 km) af te leggen voordat de aanwezigheid van de toegevoegde brandstof door de controlesystemen van het voertuig kan worden geregistreerd. BRANDSTOFTOEVOER-ONDERBREKI NGSSYSTEEM Bij een ongeval is het mogelijk dat door het SRS-systeem (airbag-systeem) de brandstofpomp - afhankelijk van de ernst en het type botsing - buiten werking wordt gesteld. In dat geval moet het systeem worden teruggesteld voordat wordt getracht om de motor te starten. Terugstellen van het brandstoftoevoer-onderbrekingssysteem WAARSCHUWING Om brand- of letselrisico te vermijden, mag de brandstoftoevoer-onderbreking niet worden teruggesteld als u brandstof waarneemt of ruikt. Wordt geen brandstoflek geconstateerd, dan kan het systeem als volgt worden teruggesteld: 1. Zet het contactslot in stand '0' en wacht 1 minuut. 2. Zet het contactslot in stand 'II' en wacht 30 seconden. 3. Voer een extra controle uit op brandstoflekkages. 4. Als geen lek wordt gevonden, kan de motor normaal worden gestart. 179

13 Parkeerhulp (PDC) Parkeerhulp (PDC) GEBRUIKEN VAN PARKEERHULP (PDC)* H6167G Voorzichtig: De parkeerhulp is uitsluitend een hulpmiddel. Het is mogelijk dat de sensors bepaalde obstakels niet opmerken (bijv. smalle paaltjes of kleine voorwerpen, kleine obstakels dicht bij de grond en obstakels met donkere niet-reflecterende oppervlakken). De vóór op het voertuig gemonteerde parkeerhulp (PDC) kan soms onregelmatig geluidssignalen produceren als door de PDC een toon met een frequentie wordt opgevangen die ligt binnen hetzelfde frequentiebereik als dat van de sensors. De parkeerhulp (PDC) is een systeem waardoor de bestuurder het voertuig makkelijker in een parkeerruimte of in iedere plaats waar obstakels moeten worden vermeden, kan manoeuvreren. De bestuurder wordt voor deze obstakels gewaarschuwd. Het voertuig is op beide bumpers voorzien van vier ultrasone sensors. (Op sommige voertuigen zijn uitsluitend in de achterbumpers sensors geplaatst.) Het bereik van de voorste sensors en de twee sensors op de hoeken van de achterbumper bedraagt circa 0,6 meter. De twee in het midden geplaatste achterste sensors hebben een bereik van circa 1,5 meter. Voorzichtig: De sensors moeten vrij worden gehouden van vuil, ijs en sneeuw. Als dit zich ophoopt op de sensors, gaat dit ten koste van de prestatie. Bij het wassen van het voertuig mag de hogedrukslang, van dichtbij, nooit direct op de sensors worden gericht. Werking van parkeerhulp (PDC) WAARSCHUWING De parkeerhulp (PDC) wordt automatisch aan de achterkant uitgeschakeld zodra een aanhanger wordt aangesloten op het voertuig. De afstand tussen het voertuig en een obstakel wordt aangegeven door een pulserend geluidssignaal (met een hogere toon door een signaal van de voorste sensors en een lagere toon door een signaal van de achterste sensors). Zolang het voertuig een obstakel nadert, zullen de tonen steeds sneller worden weergegeven. Zodra de afstand tussen de sensor en het obstakel minder is dan circa 0,30 m, wordt een ononderbroken toon gegeven. 180

14 GHI PQRS ABC JKL TUV DEF MNO WXYZ CD-465 Parkeerhulp (PDC) Parkeerhulp (PDC) activeren Als het contact wordt aangezet, zullen de sensors van de parkeerhulp (PDC) voorop het voertuig automatisch worden geactiveerd zodra 'D' wordt gekozen op voertuigen met automatische transmissie en de elektronische parkeerrem (EPB) wordt uitgeschakeld. Dit wordt aangegeven door het feit dat het waarschuwingslampje in de schakelaar blijft branden. De sensors voorop het voertuig blijven geactiveerd tot de snelheid oploopt tot boven 15 km/u. Vervolgens worden ze uitgeschakeld. Als de snelheid van het voertuig daalt tot onder 10 km/u, worden de sensors voorop het voertuig opnieuw geactiveerd. Als het voertuig wordt stilgezet en neutraal ('N') wordt gekozen, blijven de sensors geactiveerd. Als de achteruitversnelling wordt gekozen zullen de voorste en achterste sensors worden geactiveerd. Na één seconde zal ter bevestiging tevens een hoorbaar waarschuwingssignaal worden gegeven. Ongeacht de snelheid, blijven de sensors geactiveerd. Als door de bestuurder vanuit de achteruitversnelling de neutraalstand wordt gekozen, blijven alle sensors geactiveerd. Als de parkeerstand ('P') wordt gekozen, of als de elektronische parkeerrem (EPB) wordt geactiveerd terwijl het voertuig stilstaat, wordt de parkeerhulp (PDC) uitgezet. H6168G CD 3 14 : 54 Tr 15 2 : ABC DEF Het systeem kan worden uitgezet door de schakelaar (zie illustratie) op het midden van de instrumentengroep in te drukken. Het waarschuwingslampje in de schakelaar gaat uit. Als de schakelaar nogmaals wordt ingedrukt, wordt het systeem opnieuw geactiveerd. Het systeem wordt teruggesteld zodra het contact uit en aan wordt gezet. Afhankelijk van de conditie van het systeem is het mogelijk dat het waarschuwingslampje gaat branden en dat, ter bevestiging, een kort geluidssignaal wordt gegeven. N.B. De bevestigingstoon wordt uitsluitend gegeven als de achterste parkeerhulp (PDC) wordt geactiveerd door de achteruitversnelling te kiezen, of als het systeem opnieuw wordt geactiveerd door de schakelaar in te drukken als de achteruitversnelling is geselecteerd. Wanneer de parkeerhulp (PDC) wordt geactiveerd, een lange hoge toon wordt geproduceerd en het waarschuwingslampje voor de schakelaar knippert, dan wijst dit op een storing in het systeem - neem contact op met uw Land Rover dealer/geautoriseerd reparatiebedrijf voor assistentie. 181

15 Parkeerhulp (PDC) BEDIENING VAN DE AUTOMATISCHE TRANSMISSIE De onderstaande informatie is speciaal belangrijk voor bestuurders die niet bekend zijn met de rijtechnieken voor voertuigen met automatische transmissie. Afdalings-remregeling (HDC) In de HOGE gearing is de afdalings-remregeling (HDC) geheel operationeel. Het HDC-systeem mag uitsluitend worden gebruikt als het voertuig in de eerste of achteruitversnelling staat. In de LAGE gearing kan de afdalings-remregeling (HDC) in iedere versnelling worden gekozen. De afdalings-remregeling (HDC) is niet geheel actief in neutraal. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar AFDALINGS-REMREGELING (HDC), 215. Starten De motor kan alleen worden gestart met de transmissiehendel in 'P' (parkeerstand) of 'N' (neutraalstand). Activeer ALTIJD de parkeerrem en trap het rempedaal in voordat de motor wordt gestart. Zodra de transmissiehendel in een rijversnelling wordt gezet, MOET HET REMPEDAAL WORDEN INGEDRUKT (de transmissiehendel kan - tenzij het rempedaal wordt ingedrukt - niet vanuit de parkeerstand ('P') of neutraalstand ('N') worden gehaald). N.B. Als op de transmissiehendel achterwaartse druk wordt uitgeoefend voordat het rempedaal wordt ingedrukt, is het mogelijk dat de gekozen versnelling, ongeacht de stand van de transmissiehendel, niet beschikbaar is. Zet de transmissiehendel in een dergelijke situatie weer in de oorspronkelijke stand. Controleer of het rempedaal is ingeduwd en kies dan de juiste versnelling. De ontgrendelknop op de transmissiehendel (zie detailtekening) moet worden ingedrukt voordat de parkeerstand ('P') of de achteruitversnelling ('R') kan worden gekozen. Druk deze knop ook in om de transmissiehendel van de 'P' naar de 'R' stand te duwen. Druk het gaspedaal NOOIT plotseling in zodat het toerental snel wordt opgejaagd. Laat de motor ook nooit sneller lopen dan het normale stationaire toerental terwijl 'D' (rijversnelling) of 'R' (achteruit) wordt gekozen of als het voertuig stil staat terwijl een versnelling is gekozen. Blijf de remmen ALTIJD gebruiken tot u gereed bent om weg te rijden. Vergeet niet dat nadat een rijversnelling is gekozen, een voertuig met automatische transmissie de neiging vertoont om naar voren te kruipen (of naar achteren als de achteruitversnelling is gekozen). Laat het voertuig NOOIT lange tijd stilstaan terwijl een rijversnelling is gekozen en de motor loopt (kies altijd 'N' [neutraal]) als de motor enige tijd stationair moet draaien). Voorzichtig: Voertuigen met automatische transmissie kunnen niet worden aangesleept of aangeduwd. 182

16 AUTO ABC DEF GHI JKL MNO PQRS TUV WXYZ 0 CD 3 Tr 15 2 : Parkeerhulp (PDC) AUTOMATISCHE TRANSMISSIE Transmissiehendel - standen De gekozen schakelstand wordt aangegeven door een LED-indicator op het schakelpaneel en een cijfer of letter op de weergave in de instrumentengroep. H6171L N.B. De transmissiehendel MOET, voordat de contactsleutel kan worden verwijderd, in de parkeerstand ('P') worden gezet. N.B. Voor maximum prestatie van de airco als het voertuig stilstaat, moet 'P' (parkeerstand) of 'N' (neutraalstand) worden gekozen. H6173G 'P' - parkeerstand: In deze stand wordt de transmissie vergrendeld. Kies deze stand voordat de motor wordt afgezet. Teneinde beschadiging van de transmissie te voorkomen, moet worden gecontroleerd of het voertuig geheel stilstaat en de parkeerrem is geactiveerd voordat de parkeerstand ('P') wordt gekozen. De ontgrendelknop voor de transmissiehendel moet ALTIJD worden ingedrukt voordat de transmissiehendel in of uit de parkeerstand ('P') wordt bewogen. 183

17 Parkeerhulp (PDC) 'R' - achteruit: Voordat de achteruitversnelling wordt gekozen moet het voertuig altijd stilstaan terwijl ook het rempedaal moet zijn ingedrukt. De ontgrendelknop voor de transmissiehendel moet ALTIJD worden ingedrukt voordat de transmissiehendel in de achteruitversnelling ('R') kan worden gezet. 'N' - neutraalstand: Kies neutraal als het voertuig stilstaat en de motor korte tijd stationair moet draaien (bijvoorbeeld voor verkeerslichten). In de neutraalstand is de transmissie niet vergrendeld. Als 'N' (neutraalstand) wordt gekozen moet de parkeerrem dus altijd worden geactiveerd. Als het voertuig stil blijft staan, wordt de transmissiehendel geblokkeerd in de neutraalstand ('N'). Dan is het noodzakelijk om het rempedaal in te drukken voordat de transmissiehendel loskomt. Druk op de ontgrendelknop voor de transmissiehendel en druk het rempedaal in. Schakel vervolgens vanuit de neutraalstand ('N') naar de achteruitversnelling ('R') of de rijversnellingen ('D'). 'D' - Drive (rijversnelling): Kiezen voor alle normale ritten. De versnellingsbak schakelt automatisch tussen alle zes de vooruitversnellingen en dit geschiedt op basis van de snelheid en de stand van het gaspedaal. Voorzichtig: 'P' (parkeerstand) of 'R' (achteruitversnelling) mag NOOIT worden gekozen als het voertuig nog in beweging is. Kies NOOIT een vooruitversnelling als het voertuig naar achteren beweegt. Kies NOOIT de achteruitversnelling als het voertuig naar voren beweegt. "Kick-down" bij automatische functie Snelle acceleratie bij inhalen wordt verkregen door het gaspedaal geheel in te drukken (de zogenaamde "kick-down"). In het gaspedaal kan dan een "klik" worden gevoeld. Tot een bepaalde snelheid zal onmiddellijk worden teruggeschakeld tot de juiste laagste versnelling, gevolgd door snelle acceleratie. Zodra het pedaal wordt losgelaten zal weer op normale manier worden geschakeld (afhankelijk van de snelheid en de stand van het gaspedaal). N.B. Als het gaspedaal niet te hard wordt ingedrukt, is het ook mogelijk dat de transmissie terugschakelt. Dit is afhankelijk van de voertuigsnelheid. 184

18 Parkeerhulp (PDC) Sportstand In de sportstand wordt automatisch opschakelen door alle overbrengingsverhoudingen gehandhaafd. De transmissie blijft echter langer in de lagere overbrengingsverhoudingen staan. Hierdoor worden de prestaties in het middenbereik verbeterd, terwijl ook sneller wordt teruggeschakeld. De sportstand kan op ieder willekeurig moment weer worden opgeheven door de hefboom weer in 'D' (rijversnelling) te zetten. Om terug te gaan naar de sportstand nadat CommandShift is gekozen, moet de transmissiehendel in 'D' worden gezet. Zet de transmissiehendel vervolgens weer in de sportstand. H6175G Kies de sportstand door de transmissiehendel vanuit 'D' naar de linkerkant van het voertuig te bewegen (zie illustratie). In de schakelstand-weergave in de instrumentengroep wordt het woord "SPORT" weergegeven (circa 6 seconden). Ook wordt de LED in de schakelstand-weergave op de zijkant van de transmissiehendel (zie pijl in detailtekening) verlicht. 185

19 Parkeerhulp (PDC) CommandShift TM CommandShift selectie kan worden gebruikt als een alternatief voor geheel automatisch schakelen. De CommandShift functie is vooral zeer effectief als snel moet worden geaccelereerd of op de motor moet worden afgeremd. H6177G 1. Nadat 'D' ("Drive") is gekozen, kan de transmissiehendel vanuit 'D' ("Drive") naar de linkerkant van het voertuig worden bewogen (dit is hetzelfde als het kiezen van de sportstand). 2. Door de transmissie wordt automatisch de overbrengingsverhouding gekozen die het meest geschikt is voor de snelheid van het voertuig en de stand van het gaspedaal. Beweeg de transmissiehendel met de hand naar voren of naar achteren om een hogere of lagere versnelling (indien beschikbaar) te kiezen. Het bericht "TRANSMISSION COMMANDSHIFT SELECTED" (TRANSMISSIE COMMANDSHIFT GESELECTEERD) verschijnt op het hoofdberichtencentrum. 3. Als de transmissiehendel eenmaal naar voren (+) wordt bewogen, dan zal door de transmissie worden opgeschakeld naar een hogere versnelling. Wordt de transmissiehendel naar achteren (-) bewogen, dan wordt een lagere versnelling gekozen. De gekozen versnelling wordt weergegeven in de digitale weergave in de instrumentengroep (zie detailtekening). 4. CommandShift wordt uitgeschakeld door de transmissiehendel, opzij, weer in 'D' te zetten. Dan zal weer automatisch worden geschakeld. N.B. Nadat CommandShift is gekozen is "kick-down" ten behoeve van snellere acceleratie nog steeds beschikbaar. Zie "Kick-down" bij automatische functie, 184 voor aanvullende informatie. N.B. Als het terrein-reactiesysteem is gekozen, schakelt de automatische transmissie direct over op CommandShift zodra de transmissiehendel in één van de speciale programma's in de sportstand/commandshift wordt gezet. 186

20 Gebruik van CommandShift in de HOGE gearing Als "CommandShift" is gekozen in de HOGE gearing, moet de 1e versnelling worden gekozen om met het voertuig weg te rijden. Normaal, in de juiste volgorde schakelen is mogelijk als het voertuig in beweging is. Gebruik van CommandShift in LAGE gearing Als in de LAGE gearing CommandShift wordt gekozen, kan met een stilstaand voertuig worden weggereden in de 1e, 2e of 3e versnelling. Dit is vooral nuttig voor het verbeteren van de grip in het terrein. Raadpleeg de sectie "Terreinrijden" in dit instructieboekje voor aanvullende details. "Kick-down" in CommandShift Als het systeem is ingesteld op CommandShift wordt door kick-down de handmatige schakelstand-selectie uitgeschakeld zodat sneller wordt geaccelereerd. In de hoge gearing en nadat CommandShift is gekozen zal, als het gaspedaal snel geheel is ingedrukt (kick-down), automatisch worden teruggeschakeld naar de laagste versnelling die mogelijk bij de snelheid van het voertuig op dat moment Parkeerhulp (PDC) 187

21 Parkeerhulp (PDC) ELEKTRONISCH GEKOZEN AUTOMATISCHE FUNCTIES In alle geheel automatische functies (drive, de sportstand en cruise control) zullen, door het transmissieregelsysteem, de schakelpunten worden aangepast aan uiteenlopende rijcondities. Oprijden van hellingen, rijden met een aanhanger of rijden op grote hoogten boven zeeniveau Om de lagere versnellingen langer te kunnen aanhouden, werd een geschikt schakelpatroon geselecteerd. Hierdoor wordt het verlies van momentum tegengegaan dat wordt veroorzaakt als, gedurende het oprijden van een helling of slepen van een ander voertuig of trekken van een aanhanger, vaker wordt geschakeld. Dit schakelpatroon wordt, teneinde een lager motorkoppel tegen te gaan, ook gekozen op grote hoogten boven zeeniveau. Hoge koelvloeistoftemperatuur Als de motor zwaar wordt belast bij hoge buitentemperaturen, is het mogelijk dat de buitentemperatuur van de motor en de versnellingsbak te hoog oploopt. Bij een bepaalde temperatuur kiest de transmissie dan een schakelpatroon dat zodanig is ontworpen dat het koelproces wordt bevorderd. De versnellingsbak zal bij hoge temperaturen normaal blijven functioneren. N.B. De schakelpunten/patronen van de automatische transmissie zullen veranderen met de gekozen functie. "Limp-home" functie Als een storing optreedt in de transmissie wordt 'F' weergegeven in de weergave van de schakelstanden. Dan is slechts een beperkt aantal versnellingen beschikbaar. Afdalings-remregeling (HDC) In de handmatige "CommandShift TM " functie, terwijl de optimale versnelling voor afremmen op de motor is gekozen, kan de transmissiehendel vervolgens naar 'D' worden gezet. Door de transmissie wordt de eerder gekozen handmatige versnelling gehandhaafd tot de afdaling is voltooid. Vervolgens schakelt de transmissie automatisch over op 'D'. 188

22 AUTO ABC DEF GHI JKL MNO PQRS TUV WXYZ 0 CD 3 Tr 15 2 : Tussenbak Tussenbak TUSSENBAK Uw voertuig is voorzien van een elektronische tussenbak waarmee de bestuurder de HOGE of LAGE gearing kan kiezen. HOGE gearing Voor alle normale rijcondities moet de HOGE gearing worden gekozen. Dit geldt ook voor terreinrijden op een droge, vlakke en horizontale ondergrond. LAGE gearing De LAGE gearing mag UITSLUITEND worden gebruikt in situaties waarin, bij lage snelheden, moet worden gemanoeuvreerd zoals gedurende achteruit rijden met de aanhanger of een rit door een met rotsen bezaaid rivierbed, of als zwaar beladen, of met een aanhanger of gesleept voertuig, moet worden weggereden. Gebruik de LAGE gearing ook voor extremere situaties in het terrein zoals steile hellingen en afdalingen. Tracht NOOIT de LAGE gearing te kiezen onder normale rijcondities. GEBRUIKEN VAN DE TUSSENBAK Het wordt aanbevolen om van gearing te veranderen terwijl het voertuig stilstaat. In voertuigen met een berichtencentrum zal de ervaren bestuurder door de berichten makkelijker van de hoge naar de lage gearing (of omgekeerd) kunnen schakelen terwijl het voertuig in beweging is. Methode waarbij voertuig stilstaat Druk het rempedaal in terwijl het voertuig stilstaat en de motor loopt. Zet de transmissiehendel van de automatische transmissie in de neutraalstand ('N'). Zet dan pas de tussenbak-schakelaar in de stand voor de vereiste gearing (HOOG of LAAG). Wanneer de schakelaar wordt losgelaten loopt die automatisch terug naar de middenstand. H6179L Zolang het voertuig in de HOGE gearing staat, is het gearing-waarschuwingslampje in de instrumentengroep uit terwijl het waarschuwingslampje voor de HOGE gearing bij de schakelaar constant brandt. 189

23 Tussenbak Het waarschuwingslampje voor de gekozen gearing in de instrumentengroep gaat constant branden als de LAGE gearing is gekozen. Dit gaat knipperen om aan te geven dat van de hoge naar de lage gearing (of omgekeerd) wordt geschakeld. Het gaat uit zodra het voertuig in de HOGE gearing staat. Nadat van de HOGE naar de lage gearing is geschakeld, gaat het waarschuwingslampje voor de hoge gearing uit. De waarschuwingslampjes voor de LAGE gearing bij zowel de schakelaar als in de instrumentengroep, zullen continu gaan branden. Er wordt een waarschuwingssignaal gegeven en het bericht "LOW RANGE ENGAGED" (LAGE GEARING INGESCHAKELD) wordt een paar seconden lang weergegeven op het berichtencentrum (indien geplaatst). H6194G Zolang van de HOGE naar de LAGE gearing wordt geschakeld, zal het waarschuwingslampje voor de HOGE gearing bij de schakelaar, blijven branden. De waarschuwingslampjes voor de LAGE gearing bij zowel de schakelaar als in de instrumentengroep, zullen gaan knipperen. 190

24 Tussenbak H6195G Zolang van de LAGE naar de HOGE gearing wordt geschakeld, zal het waarschuwingslampje voor de LAGE gearing bij de schakelaar, blijven branden. De waarschuwingslampjes voor de HOGE gearing bij zowel de schakelaar als in de instrumentengroep, zullen gaan knipperen. Nadat van gearing is veranderd, gaat het waarschuwingslampje voor de LAGE gearing bij zowel de schakelaar als in de instrumentengroep uit. Het waarschuwingslampje voor de HOGE gearing bij de schakelaar zal constant blijven branden. Er wordt een waarschuwingssignaal gegeven en het bericht "High Range Engaged" (HOGE GEARING INGESCHAKELD) wordt een paar seconden lang weergegeven op het berichtencentrum (indien geplaatst). Verandering van gearing (van hoog naar laag of omgekeerd) terwijl het voertuig in beweging is N.B. Wanneer een verandering van gearing (van hoog naar laag of omgekeerd) wordt aangevraagd terwijl de snelheid van het voertuig te hoog is, wordt een hoorbaar waarschuwingssignaal gegeven. Ook verschijnt op het berichtencentrum de melding "SPEED TOO HIGH FOR RANGE CHANGE" (SNELHEID TE HOOG VOOR HOGE/LAGE GEARING OF OMGEKEERD). Als de neutraalstand ('N') niet is geselecteerd voordat de tussenbak-schakelaar wordt gebruikt, wordt het bericht "SELECT NEUTRAL FOR RANGE CHANGE" (NEUTRAALSTAND KIEZEN OM VAN HOGE NAAR LAGE GEARING, OF OMGEKEERD, TE KUNNEN SCHAKELEN) weergegeven. Ook wordt een hoorbaar waarschuwingssignaal gegeven. N.B. Tracht nooit te schakelen terwijl het voertuig rijdt bij snelheden van 3 km/u of minder. 191

25 Tussenbak Gedurende het rijden terugschakelen van de HOGE naar de LAGE overbrengingsverhoudingen Kies, terwijl het voertuig wordt vertraagd en NIET HARDER rijdt dan 40 km/u, de neutraalstand ('N') van de transmissie. Duw de schakelaar van de tussenbak naar achteren in de stand voor de "LAGE" gearing en laat de schakelaar los (de schakelaar springt automatisch terug naar de middenstand zodra die wordt losgelaten). Hierdoor wordt de verandering van gearing op dezelfde manier als voor de stationaire methode aangegeven. Kies nu 'D' (Drive) of de handbediende "CommandShift TM " functie. Door de transmissievergrendeling wordt voorkomen dat een rijversnelling wordt gekozen voordat het schakelen naar een andere gearing is voltooid. Opschakelen van de LAGE naar de HOGE gearing terwijl het voertuig in beweging is Als het voertuig NIET HARDER rijdt dan 60 km/u, moet de neutraalstand ('N') van de versnellingsbak worden gekozen. Duw de schakelaar van de tussenbak naar voren in de stand voor de "HOGE" gearing en laat de schakelaar los. Hierdoor wordt de verandering van gearing op dezelfde manier als voor de stationaire methode aangegeven. Kies nu 'D' (Drive). Door de transmissievergrendeling wordt voorkomen dat een rijversnelling wordt gekozen voordat het schakelen naar een andere gearing is voltooid. Voorzichtig: Als het waarschuwingslampje voor schakelen met de tussenbak (van de hoge naar de lage gearing, of omgekeerd) blijft knipperen als de contactsleutel vanuit stand 'II' naar stand 'I' wordt gedraaid, gebruik dan de parkeerrem. Aandrijflijn-storing - waarschuwingslampje Als in de aandrijflijn een storing optreedt, zal - in de weergave in de instrumentengroep, een lampje gaan branden. Door de kleur van het lampje wordt aangegeven welke criteria van toepassing zijn op rijden met het voertuig. Zie Waarschuwingslampjes, 112. HULPUITRUSTING Voorzichtig: NOOIT hulpuitrusting gebruiken zoals roltestbanken die door slechts één of twee wielen van het voertuig worden aangedreven. Hierdoor kan de tussenbak ernstig worden beschadigd. 192

26 AUTO Cruise control Cruise control CRUISE CONTROL Met behulp van de cruise control is de bestuurder in staat om zonder het gaspedaal te gebruiken een constante snelheid te handhaven. Dit is vooral nuttig op de snelweg of gedurende ritten waarbij langere tijd een constante snelheid kan worden gehandhaafd Voorzichtig: Altijd de volgende voorzorgsmaatregelen in acht nemen: De cruise control mag NOOIT worden gebruikt in de achteruitversnelling. De cruise control mag NOOIT worden gebruikt in verkeer waar het onmogelijk is om zonder moeilijkheden een constante snelheid te handhaven. De cruise control mag op gladde of kronkelende wegen, of in terreincondities zoals op ruwe wielsporen of zand, NOOIT worden gebruikt. Het gebruik van de sportstand wordt niet aanbevolen als de cruise control is geactiveerd. N.B. Cruise control is NIET beschikbaar als met het voertuig in de lage gearing wordt gereden. Deze functie is ook niet beschikbaar indien, in het terrein-reactiesysteem, "Mud Ruts" (wielsporen), "Sand" (zand) of "Rock Crawl" (kruipen over rotsen) is geselecteerd. H6183L De schakelaars op het stuurwiel werken als volgt: 1. ANNULEREN : Annuleert de snelheid zonder dat in het geheugen opgeslagen snelheid wordt gewist. 2. "RESUME" (HERVATTEN) : De ingestelde snelheid wordt hervat. 3. INSTELLEN -: Stel de (-) in of verminder de snelheid. 4. INSTELLEN +: Stel de (+) in of verhoog de snelheid. 193

27 Cruise control Bedienen Geef gas tot de gewenste kruissnelheid is bereikt. Deze snelheid moet hoger zijn dan de operationele minimum snelheid van het systeem van 30 km/u. Druk op de '+'-schakelaar (4) om de snelheid van het voertuig in te stellen in het geheugen van het systeem. Die snelheid zal door de cruise control worden gehandhaafd. Het waarschuwingslampje in de instrumentengroep gaat branden. Als de cruise control werkt kan de snelheid worden verhoogd door normaal gebruik van het gaspedaal, bijv. om in te halen. Zodra het gaspedaal wordt losgelaten gaat de snelheid weer terug naar de eerder ingestelde kruissnelheid. Het is mogelijk om bij een snelheid van minder dan 30 km/u en zelfs als het voertuig stilstaat, een snelheid in te stellen en op te slaan. De transmissiehendel moet dan echter wel in 'D' of 'N' staan. Zodra de snelheid van het voertuig oploopt tot boven 30 km/u wordt de ingestelde snelheid bereikt door de "Resume"-schakelaar (hervatten) (2) in te drukken. Cruise control uitschakelen De cruise control kan tijdelijk worden uitgeschakeld door de "CANCEL"-schakelaar (ANNULEREN) (1) één keer in te drukken. Het waarschuwingslampje in de instrumentengroep gaat uit. De cruise control zal ook tijdelijk worden uitgeschakeld als het rempedaal wordt ingedrukt, als de transmissiehendel in neutraal wordt gezet, of als de afdalings-remregeling (HDC) of de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) actief is. Door de cruise control wordt de eerder ingestelde snelheid hervat zodra de "RESUME"-schakelaar (HERVATTEN) (2) wordt ingedrukt. N.B. De ingestelde snelheid wordt niet gewist door de "CANCEL"-schakelaar (ANNULEREN) (1) in te drukken. De ingestelde snelheid zal uitsluitend worden gewist als het contactslot in stand '0' wordt gedraaid. Kruissnelheid verlagen: Houd de '-'-schakelaar (3) ingedrukt; het voertuig zal langzamer gaan rijden. Laat de schakelaar los zodra de gewenste snelheid is bereikt. De snelheid van het voertuig op het moment dat de schakelaar wordt losgelaten wordt de nieuwe ingestelde snelheid. Ook kan de ingestelde snelheid in stappen worden verminderd door op de '-'-schakelaar (3) te tikken. Iedere keer dat de schakelaar wordt ingedrukt zal de snelheid met circa 2 km/u worden verminderd. N.B. De cruise control werkt niet bij snelheden lager dan 30 km/u. 194

28 Ingestelde kruissnelheid verhogen: Houd de '+'-schakelaar (4) ingedrukt; het voertuig zal sneller gaan rijden. Laat de schakelaar los zodra de gewenste snelheid is bereikt. De snelheid van het voertuig op het moment dat de schakelaar wordt losgelaten wordt de nieuwe ingestelde snelheid. Ook kan de ingestelde snelheid in stappen worden verhoogd door op de '+'-schakelaar (4) te tikken. Iedere keer dat de schakelaar wordt ingedrukt zal de snelheid met circa 2 km/u worden verhoogd. Ook kan de snelheid van het voertuig worden verhoogd door het gaspedaal op de normale manier te gebruiken. Zodra de gewenste snelheid is bereikt, moet op de '+'-schakelaar (4) worden gedrukt om de cruise control in te stellen. N.B. Als het gaspedaal wordt ingedrukt om de snelheid te verhogen zonder dan de '+'-schakelaar (4) wordt ingedrukt, zal de cruise control na korte tijd worden uitgeschakeld. WAARSCHUWING Als de kruissnelheid wordt ingesteld op de ter plaatse geldende toegestane maximum snelheid mag nooit worden vergeten dat het voertuig gedurende het afdaling van een helling harder gaat rijden. Hierdoor is het mogelijk dat de snelheid van het voertuig oploopt tot boven de maximum toegestane snelheid. De bestuurder dient er ALTIJD voor te zorgen dat een veilige snelheid onder de maximum toegestane snelheid wordt gehandhaafd. Hierbij moet rekening worden gehouden met het verkeer en de conditie van de weg. Cruise control 195

29 Adaptieve cruise control Adaptieve cruise control ADAPTIEVE CRUISE CONTROL* De adaptieve cruise control (ACC) is zodanig ontworpen dat het de bestuurder makkelijker wordt gemaakt om een bepaalde afstand te handhaven ten opzichte van een voorligger of om een ingestelde snelheid te handhaven als geen tragere weggebruiker voor uw voertuig rijdt. Het is de bedoeling dat met dit systeem het voertuig beter en makkelijker kan worden bestuurd als andere voertuigen worden gevolgd die zich in dezelfde rijbaan bevinden of die in dezelfde richting rijden. WAARSCHUWING De adaptieve cruise control (ACC) is geen waarschuwingssysteem voor botsingen en ook geen systeem waarmee botsingen kunnen worden voorkomen. Tevens zullen door de adaptieve cruise control (ACC) de onderstaande situaties niet worden gedetecteerd: Stilstaande voertuigen of voertuigen die langzamer rijden dan 10 km/u. Voetgangers of hindernissen op de weg. Tegemoetkomend verkeer in dezelfde rijbaan. De adaptieve cruise control (ACC) is gebaseerd op een radarsensor. Door de sensor wordt direct voor het voertuig een signaal uitgezonden waardoor de aanwezigheid wordt vastgesteld van zich voor het voertuig bevindende voorwerpen. H6344G De radarsensor bevindt zich achter een deksel op de linkerkant van de onderste koelopening waardoor het radarsignaal onbelemmerd naar voren kan worden geprojecteerd. De adaptieve cruise control (ACC) mag uitsluitend worden gebruikt onder gunstige omstandigheden: op rechte, droge, overzichtelijke wegen met weinig verkeer. Nooit gebruiken bij slecht zicht en vooral niet bij mist, zware regenval, opspattend water of sneeuw. Nooit gebruiken op gladde of bevroren wegen. Het blijft altijd de verantwoordelijkheid van de bestuurder om goed op te letten, veilig te rijden en, onder geen enkele omstandigheid, de controle over het voertuig te verliezen. Zorg ervoor dat de voorkant van het voertuig vrij wordt gehouden van vuil, metalen emblemen of voorwerpen inclusief voorop het voertuig geplaatste beschermers waardoor werking van de sensor kan worden belemmerd. De adaptieve cruise control (ACC) mag niet worden gebruikt als een snelweg wordt verlaten of als u een snelweg wilt oprijden. 196

30 AUTO Adaptieve cruise control Stuurwielschakelaars Het systeem wordt bediend met behulp van schakelaars op het stuurwiel. De bestuurder kan op ieder willekeurig moment ingrijpen door het rem- of gaspedaal te gebruiken. H6345L De schakelaars op het stuurwiel werken als volgt: 1. ANNULEREN : Annuleert de snelheid zonder dat in het geheugen opgeslagen snelheid wordt gewist. 2. "RESUME" (HERVATTEN) : De ingestelde snelheid wordt hervat. 3. INSTELLEN - : Stel de (-) in of verminder de snelheid. 4. INSTELLEN + : Stel de (+) in of verhoog de snelheid. 5. OPENING : Vergroten van de afstand tot een voorliggend voertuig. 6. OPENING : Verkleinen van de afstand tot een voorliggend voertuig. Instellen van een snelheid Ga geleidelijk sneller rijden tot de vereiste snelheid is bereikt. Druk de "SET" + -knop (INSTELLEN) (4) kort in. De snelheid van het voertuig zal dan in het geheugen worden opgeslagen. Ook wordt het systeem geactiveerd. De ingestelde snelheid wordt weergegeven op het berichtencentrum: "SETSPEED 80KM/H 50MPH" (INGESTELDE SNELHEID 80 KM/U) Kiezen van de functie "volgen" WAARSCHUWING Als het systeem op "volgen" is gezet, zal het voertuig niet automatisch decelereren en stilstaan. Ook zal de snelheid van het voertuig niet altijd snel genoeg worden verminderd om een botsing te vermijden zonder dat de bestuurder moet ingrijpen. Nadat een ingestelde snelheid is gekozen, kan de bestuurder het gaspedaal loslaten. De ingestelde snelheid zal automatisch worden gehandhaafd. Als een voertuig op dezelfde rijbaan gaat rijden of als, vóór u, in dezelfde rijbaan een ander voertuig langzamer rijdt, zal de snelheid van het voertuig automatisch worden afgesteld tot de afstand tot het vóór u rijdende voertuig overeenkomt met de vooraf ingestelde afstand. Het voertuig staat nu op "volgen". Het waarschuwingslampje in de instrumentengroep zal gaan branden. "CRUISE CONTROL - AFSTAND TOT VOLGENDE VOERTUIG" <--> Op het berichtencentrum zal de ingestelde afstand worden weergegeven. 197

31 Adaptieve cruise control Door het voertuig zal dan een constante rijtijd tot het vóór u rijdende voertuig worden gehandhaafd: Het voertuig dat vóór u rijdt accelereert tot een snelheid die hoger is dan de ingestelde snelheid. Het voertuig dat vóór u rijdt verlaat uw rijbaan of is niet langer zichtbaar. Het voertuig dat vóór u rijdt gaat dermate langzaam rijden dat door die lage snelheid de adaptieve cruise control (ACC) automatisch wordt uitgezet. Een nieuwe afstand tussen uw eigen voertuig en het voertuig dat vóór u rijdt wordt ingesteld. Zonodig remt uw voertuig automatisch af zodat de afstand tot het voertuig dat vóór u rijdt wordt gehandhaafd. De maximum remkracht die door de adaptieve cruise control (ACC) wordt uitgeoefend is beperkt en kan door de bestuurder, zonodig, worden verhoogd door het rempedaal in te drukken. N.B. Als door de bestuurder wordt afgeremd, wordt de adaptieve cruise control (ACC) uitgeschakeld. Als de adaptieve cruise control (ACC) voorspelt dat de maximum remkracht die het systeem kan uitoefenen onvoldoende is, zal een hoorbaar waarschuwingssignaal worden gegeven. Tegelijkertijd blijft de adaptieve cruise control (ACC) afremmen. Op het berichtencentrum verschijnt de melding "DRIVER INTERVENE" (BESTUURDER INGRIJPEN). De bestuurder moet ONMIDDELLIJK in actie komen. Als het systeem op de functie "volgen" staat zal het voertuig automatisch teruggaan naar de ingestelde snelheid zodra de weg vóór uw voertuig vrij is; bijvoorbeeld indien: Het vóór u rijdende voertuig accelereert of in een andere rijbaan gaat rijden. De bestuurder naar links of naar rechts van rijbaan verwisselt of een afrit inslaat. Zonodig moet de bestuurder ingrijpen. Automatisch deactiveren van systeem bij te lage snelheid Als de snelheid van het voertuig terugloopt tot onder 30 km/u, zal de adaptieve cruise control (ACC) automatisch worden uitgeschakeld. Ook gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel uit. Als op dat moment de remmen werden gebruikt door de adaptieve cruise control (ACC) dan komen die nu langzaam los. Dit gaat vergezeld van een duidelijk hoorbare waarschuwing. Ook verschijnt het bericht "DRIVER INTERVENE" (BESTUURDER INGRIJPEN) op het berichtencentrum. De bestuurder moet de controle over het voertuig weer overnemen. 198

32 AUTO Adaptieve cruise control Onderdrukken van de ingestelde snelheid/volg-functie WAARSCHUWING Als door de bestuurder de adaptieve cruise control (ACC) wordt onderdrukt door het gaspedaal in te drukken, zullen door de adaptieve cruise control (ACC) niet automatisch de remmen worden geactiveerd om afstand te bewaren tot een vóór u rijdend voertuig. Veranderen van de afstand tot een voertuig dat vóór u rijdt De ingestelde snelheid en de afstand kunnen worden onderdrukt door het gaspedaal in te drukken als met een constante snelheid wordt gereden, of als het systeem in de functie "volgen" staat. Als het voertuig in de functie "volgen" staat, zal het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel uitgaan zodra de adaptieve cruise control (ACC) wordt onderdrukt doordat de bestuurder het gaspedaal indrukt. Op het berichtencentrum verschijnt de melding "CRUISE OVERRIDE" (CRUISE CONTROL ONDERDRUKT). Zodra het gaspedaal wordt losgelaten gaat de adaptieve cruise control (ACC) weer werken. De snelheid van het voertuig daalt dan tot de ingestelde snelheid of tot een lagere snelheid als de functie "volgen" is geactiveerd. H6351L CRUISE GAP <-> CRUISE GAP <--> CRUISE GAP <---> CRUISE GAP <----> EXT 23 C TRIP km H6386L 199

33 Adaptieve cruise control De afstand tot het voertuig dat vóór u rijdt kan worden verkleind of vergroot door de tuimelschakelaar (5) of (6) op het stuurwiel in te drukken. Het is mogelijk om een keuze te maken uit vier afstanden. De geselecteerde afstand zal, als één van de knoppen wordt ingedrukt, op het berichtencentrum worden weergegeven. Nadat het contact is aangezet zal, in voorbereiding op het eventuele gebruik van de adaptieve cruise control (ACC), de standaard afstand automatisch worden ingesteld. N.B. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om een, voor de rij/verkeerscondities, juiste afstand te kiezen. Veranderen van de ingestelde snelheid De ingestelde snelheid kan op drie verschillende manieren worden gewijzigd: Accelereer of rem af tot de vereiste snelheid en druk op de "SET" + knop (INSTELLEN) (4). Verhoog of verminder de snelheid door de "SET" + of - knop (instellen) (4) of (3) in te drukken tot de vereiste ingestelde snelheid op het berichtencentrum wordt weergegeven. De snelheid van het voertuig zal geleidelijk worden aangepast aan de geselecteerde snelheid. Verhoog of verminder de snelheid in stappen van 2 km/u door de "SET" + of - knop (instellen) (4) of (3) kort in te drukken. Afhankelijk van de marktinstellingen functioneert de adaptieve cruise control (ACC) tussen circa 30 km/u en 180 km/u. Ingestelde snelheden die hoger of lager zijn dan deze grenswaarden zullen niet worden vastgelegd. Het is mogelijk dat het voertuig door de adaptieve cruise control (ACC) wordt afgeremd tot de nieuwe ingestelde snelheid is bereikt. De nieuwe ingestelde snelheid zal na de snelheidsverandering vier seconden op het berichtencentrum worden weergegeven. Deactiveren van adaptieve cruise control (ACC) De adaptieve cruise control (ACC) wordt gedeactiveerd zonder dat het geheugen wordt gewist als: De "CANCEL"-knop (ANNULEREN) (1) wordt ingedrukt. Het rempedaal wordt ingedrukt. De snelheid van het voertuig daalt tot onder 30 km/u. De neutraalstand, de parkeerstand of de achteruitversnelling wordt gekozen. De dynamische stabiliteitsregeling (DSC) wordt geactiveerd. De adaptieve cruise control (ACC) zal worden uitgeschakeld en het geheugen wordt gewist als: Het contactslot in stand ' 0 ' wordt gedraaid. Het voertuig de maximum snelheid heeft bereikt. Een storing optreedt in de adaptieve cruise control (ACC). 200

34 GHI PQRS ABC JKL TUV DEF MNO WXYZ CD-465 Adaptieve cruise control De ingestelde snelheid/volg-functie wordt hervat Door de "Resume"-knop (hervatten) (2) in te drukken nadat de adaptieve cruise control is uitgeschakeld doordat u bijvoorbeeld heeft afgeremd zal, mits de in het geheugen opgeslagen ingestelde snelheid niet is gewist, de adaptieve cruise control weer worden geactiveerd. De ingestelde snelheid zal vier seconden lang worden weergegeven. Ook zal de oorspronkelijke ingestelde snelheid worden hervat tenzij onder invloed van het vóór u rijdende voertuig de volg-functie wordt geactiveerd. Voorzichtig: "RESUME" (HERVATTEN) mag uitsluitend worden gebruikt als de bestuurder op de hoogte is van de ingestelde snelheid en van plan is naar die snelheid terug te keren. Waarschuwing over bumperkleven H6347G CD 3 14 : 54 Tr 15 2 : 43 6CD-465 Zolang de adaptieve cruise control (ACC) werkt wordt u, door middel van de waarschuwing "DRIVER INTERVENE" (BESTUURDER INGRIJPEN) die door de adaptieve cruise control (ACC) wordt gegeven, ervoor gewaarschuwd dat u niet te dicht op het vóór u rijdende voertuig gaat rijden. De waarschuwing over bumperkleven blijft ook geactiveerd als de adaptieve cruise control (ACC) niet is ingeschakeld. Als door het systeem wordt vastgesteld dat de afstand tot een voor u rijdend voertuig klein is, produceert het systeem een hoorbaar waarschuwingssignaal en een hoorbaar waarschuwingsbericht. De remmen worden niet geactiveerd. Deze extra mogelijkheid kan met de schakelaar voor het activeren van de waarschuwing over bumperkleven aan en uit worden gezet. Deze schakelaar bevindt zich in de schakelaargroep die aan de buitenkant van de onder het dashboard aangebrachte kniebescherming is geplaatst. Als het waarschuwingslampje in de schakelaar brandt, is de waarschuwing over bumperkleven geactiveerd. 201

35 Adaptieve cruise control De gevoeligheid van de waarschuwing kan worden gewijzigd: Druk op de knop voor het verminderen van de afstand tot het voertuig dat vóór u rijdt als de adaptieve cruise control (ACC) is uitgeschakeld. Nu wordt de mate van gevoeligheid van de waarschuwing weergegeven. Vervolgens wordt de gevoeligheid verminderd. Druk op de knop voor het vergroten van de afstand tot het voertuig dat vóór u rijdt. Nu wordt de gevoeligheid van de waarschuwing weergegeven. Vervolgens wordt die gevoeligheid verhoogd. Beide waarschuwingen gaan vergezeld van het bericht "FWD ALERT" (WAARSCHUWING OVER BUMPERKLEVEN) op het berichtencentrum. FWD ALERT <-> FWD ALERT <--> FWD ALERT <---> FWD ALERT <----> EXT 23 C Rijden met het voertuig terwijl de adaptieve cruise control (ACC) is geactiveerd WAARSCHUWING De bestuurder mag een voet nooit onder het rempedaal plaatsen. De voet kan namelijk worden vastgeklemd. Door bediening van de motor en de remmen wordt de snelheid van het voertuig door het systeem geregeld. Als, in de adaptieve cruise control (ACC) wordt vertraagd of geaccelereerd, is het mogelijk dat met de automatische transmissie wordt geschakeld. De adaptieve cruise control (ACC) is geen systeem waardoor botsingen kunnen worden voorkomen. In sommige situaties is het mogelijk dat de bestuurder beter en eerder wordt gewaarschuwd dat hij of zij moet ingrijpen. Er wordt een hoorbaar alarmsignaal gegeven. Dit gaat vergezeld van het bericht "DRIVER INTERVENE" (BESTUURDER INGRIJPEN) als door de adaptieve cruise control (ACC) wordt vastgesteld dat: Een storing is opgetreden terwijl het systeem is geactiveerd. De maximale door de adaptieve cruise control (ACC) uitgeoefende remkracht niet voldoende is. De snelheid van het voertuig is gedaald tot onder de minimum snelheid voor de adaptieve cruise control (ACC). TRIP km H6407L 202

36 Adaptieve cruise control N.B. De adaptieve cruise control (ACC) functioneert als de transmissiehendel in stand 'D' staat. Als het systeem is geactiveerd, staat het gaspedaal omhoog. Laat het pedaal geheel los zodat de adaptieve cruise control (ACC) normaal kan functioneren. Als door de adaptieve cruise control (ACC) het remsysteem wordt geactiveerd gaat het rempedaal omlaag zolang wordt afgeremd en gaat het weer omhoog als niet langer wordt afgeremd. Zolang het voertuig wordt afgeremd, zullen de remlichten gaan branden. Problemen met detectie A B C H6181L Het is mogelijk dat problemen optreden met de detectie van een voertuig dat vóór u rijdt als: Het vóór u rijdende voertuig een andere lijn volgt dan uzelf (A). Als voertuigen langzaam en geleidelijk in uw rijbaan gaan rijden. Dergelijke voertuigen worden door het systeem pas opgemerkt als die in dezelfde rijbaan recht vóór u rijden ( B). Ook is het mogelijk dat, gedurende het inen uitrijden van een bocht, problemen optreden met de detectie van voertuigen die vóór u rijden ( C). In dergelijke gevallen is het mogelijk dat het voertuig door de adaptieve cruise control (ACC) laat of onverwacht wordt afgeremd. De bestuurder moet blijven opletten en zonodig ingrijpen. 203

37 Adaptieve cruise control Adaptieve cruise control (ACC) - storing Als, terwijl het systeem is geactiveerd, een storing optreedt in de cruise control of de volg-functie, wordt de adaptieve cruise control (ACC) uitgezet. Het systeem kan pas weer worden gebruikt nadat de storing is opgeheven. Het bericht "DRIVER INTERVENE" (BESTUURDER INGRIJPEN) wordt kort weergegeven. Dit bericht wordt vervolgens vervangen door de melding "CRUISE NOT AVAILABLE" (CRUISE CONTROL NIET BESCHIKBAAR). Als de adaptieve cruise control (ACC) of bijbehorende systemen op een ander moment een storing ontwikkelen, wordt het bericht "CRUISE NOT AVAILABLE" (CRUISE CONTROL NIET BESCHIKBAAR) weergegeven. Het is dan onmogelijk om de adaptieve cruise control (ACC), in welke functie dan ook, te activeren. De werking van de adaptieve cruise control (ACC) kan onmogelijk worden gemaakt door opeenhoping van vuil, sneeuw of ijs op de sensor of het deksel. Ook als op de voorkant van het voertuig bescherming of metalen emblemen worden aangebracht, kan de werking van de adaptieve cruise control (ACC) negatief worden beïnvloed. Als dat gebeurt als de adaptieve cruise control (ACC) in de cruise control/volg-functie staat, wordt een hoorbaar alarm gegeven. Ook zal kort de melding "DRIVER INTERVENE" (BESTUURDER INGRIJPEN) worden weergegeven. Dan wordt het bericht "ADAPTIVE CRUISE CONTROL SENSOR BLOCKED" (SENSOR ADAPTIEVE CRUISE CONTROL GEBLOKKEERD) weergegeven. Het systeem is niet langer geactiveerd. Door de belemmering te verwijderen zal het systeem weer normaal gaan werken. Als een dergelijke belemmering aanwezig is terwijl de adaptieve cruise control (ACC) niet is geactiveerd - bijvoorbeeld gedurende het starten van het voertuig of als de adaptieve cruise control (ACC) is uitgeschakeld - zal de melding "ADAPTIVE CRUISE CONTROL SENSOR BLOCKED" (SENSOR ADAPTIEVE CRUISE CONTROL GEBLOKKEERD) worden weergegeven. Het is mogelijk dat de afmetingen van andere banden dan de aanbevolen exemplaren, afwijken. Hierdoor kan de werking van de adaptieve cruise control (ACC) negatief worden beïnvloed. 204

38 Remmen Remmen REMPEDAAL Uit veiligheidsoogpunt bestaat het hydraulische remsysteem uit twee circuits. Als één circuit defect raakt, zal het andere circuit blijven functioneren. Bij een remstoring waardoor slechts één remcircuit blijft werken, mag echter uitsluitend langzaam met het voertuig naar de dichtstbijzijnde deskundige Land Rover dealer/geautoriseerd reparatiebedrijf worden gereden. Onder dergelijke omstandigheden is buitengewone voorzichtigheid geboden. Ook dient de bestuurder er zich van bewust te zijn dat het rempedaal verder en harder moet worden ingedrukt en dat ook sprake zal zijn van een langere remafstand. Servobekrachtiging Het remsysteem is UITSLUITEND servo-bekrachtigd als de motor loopt. Zonder deze bekrachtiging moet op het rempedaal een veel grotere druk worden uitgeoefend om het voertuig veilig onder controle te houden. Ook dit resulteert weer in langere remafstanden. Altijd de volgende voorzorgsmaatregelen in acht nemen: Wees ALTIJD zeer voorzichtig als uw voertuig met stilstaande motor wordt gesleept. Als de motor terwijl het voertuig in beweging is, om welke reden dan ook afslaat, het voertuig dan zo snel mogelijk en in overeenstemming met de verkeerscondities ter plaatse, tot stilstand worden gebracht. Druk het rempedaal NIET herhaaldelijk in daar, als gevolg daarvan, eventuele nog aanwezige rembekrachtiging zal worden verloren. Remblokjes Remblokjes moeten enige tijd inlopen. Gedurende de eerste 800 km moeten situaties worden vermeden waarbij zwaar moet worden afgeremd. Nooit vergeten:! Regelmatig onderhoud is essentieel teneinde er zeker van te kunnen zijn dat de remblokjes worden gecontroleerd op slijtage. Tevens dienen die periodiek te worden verwisseld zodat de veiligheid en de optimale prestaties op langere termijn gehandhaafd blijven. WAARSCHUWING Laat uw voet gedurende het rijden NOOIT op het rempedaal rusten. De remmen raken dan oververhit. Dit gaat ten koste van de efficiënte werking en zal leiden tot vroegtijdige slijtage. Laat het voertuig NOOIT uitrollen terwijl de motor uit staat, daar dan geen rembekrachtiging beschikbaar is. De remmen werken nog steeds maar op het rempedaal zal meer kracht moeten worden uitgeoefend. Als het RODE remwaarschuwingslampje gaat branden terwijl het voertuig in beweging is, moet het voertuig zo snel als dit onder de heersende verkeerscondities mogelijk is tot stilstand worden gebracht. Ook mag de veiligheid niet in gevaar worden gebracht. Roep deskundige hulp in en pas daarna kunt u eventueel doorrijden. Zie Waarschuwingslampjes, 112. Natte condities Als een waterstroom wordt doorwaad en zelfs in zeer zware regen kan de efficiënte werking van de remmen negatief worden beïnvloed. De frictie-oppervlakken moeten altijd worden gedroogd door het rempedaal regelmatig licht in te drukken. Controleer echter eerst of u zich op veilige afstand bevindt van andere weggebruikers. 205

39 Remmen ANTIBLOKKEER-REMSYSTEEM Het antiblokkeer-remsysteem (ABS) heeft ten doel efficiënt afremmen mogelijk te maken zonder dat de wielen gaan blokkeren - zodat door de bestuurder nooit de controle over het voertuig wordt verloren. Als onder normale condities wordt afgeremd, waarbij tussen de wielen en het wegdek voldoende frictie aanwezig is om het voertuig te vertragen zonder dat de wielen blokkeren, wordt het ABS-systeem niet geactiveerd. Als de wielen gedurende het remmen echter beginnen te blokkeren, zal het ABS-systeem automatisch gaan werken. Dit kan worden geconstateerd doordat het rempedaal snel iets op en neer gaat bewegen. In een noodsituatie functioneert het ABS-systeem het meest effectief als het rempedaal zelfs op een gladde weg, geheel wordt ingedrukt. Door het ABS-systeem wordt de snelheid van de afzonderlijke wielen constant gecontroleerd. In overeenstemming met de beschikbare grip, wordt de remdruk naar ieder wiel afzonderlijk afgeregeld. Hoe hard u ook afremt, u zult altijd in staat zijn om het voertuig op normale wijze te besturen. Pomp het rempedaal NOOIT op en neer. Hierdoor zal de werking van het systeem worden onderbroken. Derhalve kan ook de remafstand worden vergroot. Plaats NOOIT extra matten of andere belemmeringen onder het rempedaal. Hierdoor wordt de bewegingsmogelijkheid van het pedaal beperkt hetgeen ten koste kan gaan van efficiënt afremmen. WAARSCHUWING De fysieke beperkingen zoals remafstand of het gevaar van aquaplaning, kunnen door het ABS-systeem niet worden overwonnen. Er is sprake van aquaplaning als door de aanwezigheid van water sprake is van onvoldoende contact tussen de banden en het wegoppervlak. Het feit dat een voertuig is voorzien van een antiblokkeer-remsysteem (ABS) mag de bestuurder nooit verleiden om risico's te nemen waardoor zijn/haar veiligheid in gevaar kan worden gebracht. Het blijft echter altijd de verantwoordelijkheid van de bestuurder om de normale veiligheidsmarges niet te overschrijden en rekening te houden met de overheersende weers- en verkeerscondities. Ook dient de bestuurder altijd rekening te houden met het oppervlak waarop hij met het voertuig zal gaan rijden en het feit dat het rempedaal op andere wijze reageert dan het rempedaal in voertuigen zonder ABS. Waarschuwingslampje Als het amber ABS-waarschuwingslampje gaat branden, wijst dit op een storing in het ABS-systeem. Als het waarschuwingslampje gaat branden moet voorzichtig worden gereden. Ook moet zwaar afremmen worden vermeden. Roep zo snel mogelijk deskundige hulp in. Voor aanvullende informatie over de functies van het ABS-waarschuwingslampje, zie Antiblokkeer-remsysteem - AMBER,

40 Remmen Rijden in het terrein Hoewel het ABS-systeem in het "terrein" blijft werken, is het toch niet verstandig om op bepaalde soorten ondergrond op het systeem te blijven vertrouwen. Door het systeem kan niet op betrouwbare wijze worden gecompenseerd voor fouten van de bestuurder of gebrek aan ervaring in moeilijke terrein-omstandigheden. Let op het volgende: Op zachte of diepe ondergrond zoals in poedersneeuw, zand of grind of op bijzonder terrein is het mogelijk dat de remweg met het antiblokkeer-remsysteem langer is dan wanneer normaal wordt afgeremd. Het stuurgedrag is echter belangrijk verbeterd. De reden hiervoor is dat geblokkeerde wielen op zachte ondergrond, een rand oppervlaktemateriaal opbouwen voor die wielen waardoor het voertuig eerder tot stilstand komt. Als het voertuig op een zeer steile helling tot stilstand is gebracht en als weinig grip beschikbaar is, is het mogelijk dat het voertuig met geblokkeerde wielen wegglijdt omdat in dat geval geen wielrotatie beschikbaar is waardoor een signaal aan het ABS-systeem wordt doorgegeven. Teneinde dit tegen te gaan moet het rempedaal even worden losgelaten zodat de wielen iets kunnen bewegen. Druk het rempedaal vervolgens weer in zodat het ABS-systeem weer de controle kan krijgen. Voordat u in het terrein gaat rijden, moet de sectie "Terreinrijden" in dit instructieboekje grondig worden gelezen. Ook dient de inhoud goed te worden begrepen. Bochtremregeling (CBC) De bochtremregeling (CBC) is een geavanceerde vorm van ABS. Door de werking van dit systeem worden de stabiliteit en bestuurbaarheid van het voertuig gehandhaafd, terwijl snel een bocht wordt genomen of met hogere snelheid van rijbaan wordt verwisseld. Noodrembekrachtiging (EBA) Als snel hard wordt afgeremd, wordt de remkracht door de elektronische remkrachtiging (EBA) automatisch zo hoog mogelijk opgevoerd zodat het voertuig makkelijker tot stilstand kan worden gebracht. Als de bestuurder trager afremt, maar toch via het rempedaal voldoende kracht uitoefent om het ABS-systeem op beide voorwielen te activeren, zal de remkracht door het systeem automatisch worden verhoogd zodat alle vier de wielen onder invloed komen van de ABS-regeling, waardoor optimale prestaties van het ABS-systeem mogelijk worden. Op het rempedaal moet zolang wordt afgeremd, druk worden uitgeoefend. Als het rempedaal wordt losgelaten zal de noodrembekrachtiging (EBA) niet langer werken. Als het amber remwaarschuwingslampje gaat branden, wijst dit op een storing in het EBA-systeem. Zie Waarschuwingslampjes, 112. Als sprake is van een storing, moet het systeem zo snel mogelijk door een Land Rover dealer/geautoriseerd reparatiebedrijf worden gecontroleerd. 207

41 Elektronische remkrachtdistributie (EBD) Uw voertuig is voorzien van EBD (Electronic Brake Force Distribution - elektronische remkrachtdistributie). Door dit systeem wordt de verdeling van de remkracht tussen de vooren achteras in evenwicht gehouden zodat - hoe het voertuig ook is beladen - het remsysteem zo efficiënt mogelijk blijft werken. Voorbeeld: bij een lichte lading wordt door de elektronische remkrachtdistributie (EBD) minder kracht op de achterremmen uitgeoefend teneinde de stabiliteit van het voertuig te handhaven. Wordt echter een aanhanger of caravan getrokken of is het voertuig zwaar beladen dan wordt door de achterremmen maximale remkracht uitgeoefend. Als het rode remwaarschuwingslampje gaat branden, wijst dit op een storing in het EBD-systeem. Als dit gaat branden terwijl met het voertuig wordt gereden, moet het voertuig zo snel dit veilig kan geschieden, voorzichtig tot stilstand worden gebracht. Ook moet deskundige hulp worden ingeroepen. Remmen 208

42 Remmen PARKEERREM Uw voertuig is voorzien van een elektrisch bediende parkeerrem (EPB). H6185L 1 2 Handmatig activeren van de parkeerrem Trek de schakelaar (1), terwijl het voertuig stilstaat, langs de transmissiehendel. Laat de schakelaar los. De schakelaar gaat terug naar de neutraalstand en het rode parkeerrem-waarschuwingslampje in de instrumentengroep gaat branden. Het is belangrijk om te controleren dat het rode waarschuwingslampje constant blijft branden (en niet knippert). Hierdoor wordt aangegeven dat de parkeerrem juist is geactiveerd. Als de schakelaar wordt gebruikt terwijl het voertuig langzamer rijdt dan 3 km/u, zal het voertuig plotseling tot stilstand worden gebracht. De remlichten zullen niet gaan branden. Als door het systeem wordt geconstateerd dat sprake is van een storing in het parkeerrem-systeem, zal het gele parkeerrem-waarschuwingslampje gaan branden. Ook verschijnt het bericht "Parkbrake fault" (parkeerrem-storing) in de instrumentengroep. Als een storing is gedetecteerd terwijl de elektronische parkeerrem (EPB) wordt gebruikt, gaat het rode waarschuwingslampje knipperen. Ook gaat het gele waarschuwingslampje branden. Ook het bericht "Parkbrake fault. System not functional" (parkeerrem-storing; systeem functioneert niet) wordt weergegeven in de instrumentengroep. Het rode waarschuwingslampje blijft minstens 10 seconden branden nadat het contact is uitgezet. WAARSCHUWING Vertrouw NOOIT op de parkeerrem om het voertuig in positie te houden als het gele parkeerrem-waarschuwingslampje brandt en/of als het rode waarschuwingslampje knippert. Roep onmiddellijk deskundige hulp in. N.B. De in deze sectie beschreven tekstberichten zullen uitsluitend zichtbaar worden gemaakt als het voertuig is voorzien van de bestuurdersinformatie-module. 209

43 Remmen Dynamische werking In een noodsituatie kan de parkeerrem "dynamisch" worden gebruikt; d.w.z. als met het voertuig harder wordt gereden dan 3 km/u. Trek de schakelaar omhoog. Als die omhoog wordt gehouden, wordt de snelheid geleidelijk verminderd. Het remwaarschuwingslampje gaat branden terwijl tegelijkertijd een hard geluid en de waarschuwing "Caution! Parkbrake applied" (Voorzichtig! Parkeerrem aangezet) verschijnt op het berichtenscherm. De remlichten zullen gaan branden. Door de schakelaar los te laten of in te drukken, zal de werking van de parkeerrem worden geannuleerd. De parkeerrem mag niet regelmatig worden gebruikt om het voertuig langzamer te laten rijden, of om dit tot stilstand te brengen. Deze faciliteit is uitsluitend bedoeld voor noodgevallen. Voorzichtig: Rijden met het voertuig terwijl de parkeerrem is geactiveerd (anders dan in de hierboven beschreven noodsituatie) of herhaaldelijk gebruik van de parkeerrem om het voertuig af te remmen, kan leiden tot ernstige beschadiging van het remsysteem. Handmatig deactiveren van de parkeerrem Om de parkeerrem te kunnen uitschakelen, moet het contact aanstaan. Druk het rem- of gaspedaal in. Het is onmogelijk om de parkeerrem met de hand los te zetten zonder een pedaal in te drukken: rempedaal of gaspedaal WAARSCHUWING De parkeerrem werkt op de achterwielen van het voertuig. Veilig parkeren van het voertuig is dus afhankelijk van voldoende frictie tussen de banden en de weg. Als het voertuig door modder of water heeft gereden mag u er NIET op rekenen dat de parkeerrem goed werkt. Automatisch activeren van de parkeerrem Deze handeling mag uitsluitend worden uitgevoerd als het voertuig stilstaat. Deze faciliteit kan worden geblokkeerd door de schakelaar in te duwen terwijl tegelijkertijd de contactsleutel wordt verwijderd. WAARSCHUWING Vertrouw NOOIT op de parkeerrem om het voertuig in positie te houden als het gele parkeerrem-waarschuwingslampje brandt en/of als het rode waarschuwingslampje knippert. Roep onmiddellijk deskundige hulp in. Automatisch deactiveren van de parkeerrem Als het voertuig stilstaat terwijl de parkeerrem is geactiveerd, zal de parkeerrem loskomen als het gaspedaal wordt ingedrukt. Daardoor kan het voertuig wegrijden. Het is onmogelijk om de parkeerrem automatisch te deactiveren zonder het gaspedaal in te drukken. Als u het voertuig wilt verplaatsen zonder het gaspedaal in te drukken, moet de parkeerrem met de hand worden losgezet. Automatische ontgrendeling is beschikbaar in de eerste, tweede en de achteruitversnellingen in de HOGE gearing en in de eerste, tweede, derde en achteruitversnellingen in de LAGE gearing. 210

44 Remmen Om de automatische ontgrendeling te vertragen, moet de schakelaar eerst in de "Apply"-positie worden gehouden waarna die vervolgens, op het gewenste punt, moet worden losgelaten. Om gelijkmatig te kunnen wegrijden, worden door het systeem de vereisten vooraf ingeschat. Ook wordt de belasting op het systeem, afhankelijk van de helling, verminderd. (Het is mogelijk dat u deze voorbereiding kunt horen.) Als door een vermindering van de belasting het voertuig gaat rijden voordat een juiste versnelling is ingeschakeld, zal de volledige belasting van het systeem weer worden uitgeoefend op de parkeerrem. Het is mogelijk dat hierdoor vervolgens minder gelijkmatig kan worden weggereden. Het is ook mogelijk om deze belastingsreductie te annuleren door de parkeerrem-schakelaar, nadat een versnelling of overbrengingsverhouding is gekozen, omhoog te bewegen. Bij een storing verschijnt "Parkbrake Fault. Auto Release not functional" (parkeerrem-storing; automatische ontgrendeling functioneert niet) in de instrumentengroep. Onder de meeste omstandigheden zal de elektronische parkeerrem (EPB) vlekkeloos worden losgezet zodra het gaspedaal wordt ingedrukt zodat het voertuig naar voren kan rijden. De tijd noodzakelijk voor het loszetten van de parkeerrem kan gedurende de aanvankelijke periode worden verlengd aan het begin van een reis en als de parkeerstand ('P') of neutraalstand ('N') wordt gekozen. Dit is normaal en hierdoor wordt rekening gehouden met de langere schakeltijden die, onder bepaalde omstandigheden, kunnen optreden. Storing-management Als door het systeem diagnose plaatsvindt van een storing terwijl het contact aanstaat maar de parkeerrem niet wordt gebruikt, zal het gele parkeerrem-waarschuwingslampje gaan knipperen. Ook wordt het bericht "Parkbrake fault" (parkeerrem-storing) weergegeven. 211

45 Dynamische stabiliteits- en gripregeling Dynamische stabiliteits- en gripregeling DYNAMISCHE STABILITEITSREGELING (DSC) Door de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) zal de dynamische stabiliteit, zelfs onder gevaarlijke rijcondities, worden geoptimaliseerd. Het systeem regelt gedurende het accelereren de dynamische stabiliteit. Tevens herkent het systeem onstabiel rijgedrag zoals onderstuur en overstuur. Door toepassing van dit systeem kan het voertuig makkelijker onder controle worden gehouden door manipulatie van het motorvermogen en afremmen van individuele wielen. Als de remmen worden geactiveerd, is het mogelijk dat een zekere mate van lawaai wordt geproduceerd. Iedere keer dat de motor wordt gestart, kan het systeem worden gebruikt. Waarschuwingslampje Het waarschuwingslampje gaat kort branden als een gloeilamp- en systeemcontrole wanneer de contactsleutel in stand 'II' wordt gedraaid. Als het waarschuwingslampje gaat knipperen, is het systeem actief. Nu worden het door de motor geproduceerde vermogen en de remkracht gereguleerd. Als het waarschuwingslampje constant blijft branden en niet uitgaat als de DSC-schakelaar wordt ingedrukt, wijst dit op een storing in het systeem. Door iedere storing zal de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) worden gedeactiveerd. Rij zorgvuldig en roep zo snel mogelijk deskundige hulp in. WAARSCHUWING De dynamische stabiliteitsregeling (DSC) is niet in staat om te compenseren voor fouten in het beoordelingsvermogen van de bestuurder. Het blijft de verantwoordelijkheid van de bestuurder om onder alle condities, de juiste rijstijl toe te passen. Het is uiterst onverantwoordelijk om risico's te nemen op basis van de toegevoegde veiligheid van de dynamische stabiliteitsregeling (DSC). 212

46 GHI PQRS ABC JKL TUV DEF MNO WXYZ CD-465 Dynamische stabiliteits- en gripregeling Deactiveren van dynamische stabiliteitsregeling (DSC) Door Land Rover wordt aanbevolen dat de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) onder alle normale rijcondities wordt gebruikt. Onder bepaalde rijcondities kan het verstandig zijn om het DSC-systeem uit te schakelen met de bedoeling maximale grip te verkrijgen. Dergelijke condities zijn o.a.: Om het voertuig "heen en weer" uit een gat of zacht terreingedeelte te rijden. Als in diepe sneeuw of op een losse ondergrond moet worden weggereden. Als in diep zand wordt gereden. Als op diepe, lange wielsporen wordt gereden. Als door diepe modder wordt gereden. Om de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) uit te schakelen, moet de DSC-schakelaar op het instrumentenpaneel kort ingedrukt worden gehouden (het DSC-waarschuwingslampje gaat ononderbroken branden). Het uitschakelen van de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) heeft geen enkel effect op de werking van de gripregeling. N.B. Als met het voertuig wordt gereden terwijl de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) is uitgeschakeld, kunnen de remmen extra worden belast - indien dat mogelijk is, moet de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) altijd worden gebruikt. Opnieuw activeren van dynamische stabiliteitsregeling (DSC) Om de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) opnieuw te activeren, moet de DSC-schakelaar op het instrumentenpaneel kort ingedrukt worden gehouden. Zodra de motor wordt gestart, wordt ook de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) automatisch opnieuw geactiveerd CD 3 14 : 54 Tr 15 2 : ABC DEF H6191G 213

47 Dynamische stabiliteits- en gripregeling ELEKTRONISCHE GRIPREGELING (ETC) De elektronische gripregeling (ETC) is constant beschikbaar om de grip van het voertuig te verbeteren als één van de wielen de neiging gaat vertonen om door te slaan terwijl andere wielen dat niet doen. Het systeem werkt altijd in combinatie met het DSC-systeem. Als een wiel doorslaat, wordt dat wiel door de elektronische gripregeling (ETC) automatisch afgeremd tot de grip wordt hersteld. Door deze remactiviteit kan het vermogen worden overgebracht op de resterende wielen. Als de remmen worden geactiveerd, is het mogelijk dat een zekere mate van lawaai wordt geproduceerd. Waarschuwingslampje Als het amber DSC-waarschuwingslampje gaat branden, wijst dit op een storing in het ETC-systeem. Dit zou ook kunnen betekenen dat de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) met de hand is uitgeschakeld. Zie Waarschuwingslampjes, 112. Als het waarschuwingslampje constant blijft branden en niet uitgaat als de DSC-schakelaar wordt ingedrukt, wijst dit op een storing in het systeem. Door iedere storing zal de elektronische gripregeling (ETC) worden gedeactiveerd. Rij zorgvuldig en roep zo snel mogelijk deskundige hulp in. 214

48 Afdalings-remregeling (HDC) Afdalings-remregeling (HDC) AFDALINGS-REMREGELING (HDC) De afdalings-remregeling (HDC) werkt in combinatie met het antiblokkeer-remsysteem en daardoor krijgt de bestuurder meer controle over het voertuig in het terrein en vooral wanneer steile hellingen worden afgereden. De afdalings-remregeling (HDC) is geheel geactiveerd en mag, in de HOGE gearing, uitsluitend de eerste versnelling en de achteruitversnelling en in de LAGE gearing in alle versnellingen, worden gebruikt. De afdalings-remregeling (HDC) is geheel beschikbaar maar dient uitsluitend te worden gebruikt in 'D', 'R' en CommandShift '1' in de HOGE gearing en in 'D', 'R' en alle CommandShift overbrengingsverhoudingen in de LAGE gearing. Met de transmissie in 'D', zal automatisch de meest voordelige versnelling worden gekozen. Tracht nooit met het voertuig te rijden als de afdalings-remregeling (HDC) is geactiveerd en de transmissie in de neutraalstand ('N') staat. N.B. Door bepaalde combinaties van programma's en gearing zal de afdalings-remregeling (HDC) automatisch worden geactiveerd. De afdalings-remregeling (HDC) kan worden gekozen bij snelheden onder 80 km/u. Als de snelheid van het voertuig daalt tot onder 50 km/u, gaat het groene lampje ononderbroken branden. Ook zal de afdalings-remregeling (HDC) geheel zijn geactiveerd. Als de snelheid van het voertuig oploopt tot boven 80 km/u, wordt de afdalings-remregeling (HDC) automatisch uitgeschakeld. Ook gaat het groene HDC-waarschuwingslampje uit. Als de afdalings-remregeling (HDC) reeds is ingesteld terwijl de snelheid van het voertuig oploopt tot boven 50 km/u in de HOGE gearing, dan wordt de afdalings-remregeling (HDC) tijdelijk opgeheven. Ook gaat het groene HDC-waarschuwingslampje knipperen. Ook zal op het berichtencentrum een bericht worden weergegeven. 215

49 AUTO ABC DEF GHI JKL MNO PQRS TUV WXYZ 0 CD 3 Tr 15 2 : AUTO Afdalings-remregeling (HDC) H6192L Afdalings-remregeling kiezen (HDC) Druk de schakelaar in en laat deze los (zie pijl) om de afdalings-remregeling (HDC) te kiezen. Om uit te schakelen, nogmaals indrukken en loslaten. Het groene informatielampje gaat uit. Als de afdalings-remregeling (HDC) wordt uitgeschakeld terwijl het systeem werkt, zal de functie geleidelijk worden opgeheven waardoor de snelheid van het voertuig geleidelijk oploopt. Als de afdalings-remregeling (HDC) wordt gebruikt in de LAGE gearing, wordt door het HDC-systeem de voertuigsnelheid agressiever geregeld. Gebruik de LAGE gearing als steile afdalingen worden ondernomen. N.B. De afdalings-remregeling (HDC) wordt automatisch uitgeschakeld als het contact van het voertuig langer dan 6 uur wordt uitgezet. Afdalings-remregeling (HDC) in werking De afdalings-remregeling (HDC) dient te worden gebruikt in combinatie met de juiste versnelling. Zie FUNDAMENTELE RIJTECHNIEKEN IN HET TERREIN, 256. Gedurende het afdalen van een helling waarbij afremmen op de motor niet voldoende is om de snelheid van het voertuig onder controle te houden, zal het remsysteem automatisch door de afdalings-remregeling (HDC) worden bediend zodat het voertuig wordt vertraagd en een snelheid wordt aangehouden die gerelateerd is aan de gekozen versnelling en gearing en de stand van het gaspedaal. Zolang de snelheid van het voertuig door de afdalings-remregeling (HDC) wordt beheerst, kan de afdalingssnelheid worden gewijzigd met de op het stuurwiel geplaatste (1) '+' en (2) '-' schakelaars van de cruise control. Om de afdalingssnelheid te verminderen, moet de '-' schakelaar ingedrukt worden gehouden. De snelheid van het voertuig op het moment dat de schakelaar wordt losgezet, wordt de nieuwe afdalingssnelheid. H6198L

50 Afdalings-remregeling (HDC) Om de afdalingssnelheid te verhogen, moet de '+' schakelaar ingedrukt worden gehouden. De snelheid van het voertuig op het moment dat de schakelaar wordt losgezet, wordt de nieuwe afdalingssnelheid. Het is ook mogelijk om de afdalingssnelheid aan te passen door op de '+' of '-' schakelaars te tikken. Iedere keer dat de schakelaar wordt ingedrukt, zal de afdalingssnelheid worden aangepast met circa 0,5 km/u. N.B. Voor iedere versnelling geldt een vastgestelde minimum afdalingssnelheid. N.B. De afdalingssnelheid zal uitsluitend toenemen als de helling voldoende steil is om het voertuig, bij gereduceerde remwerking, te laten accelereren. Op een flauwe helling is het mogelijk dat het indrukken van de '+' schakelaar niet resulteert in een snelheidstoename. In het terrein kan de afdalings-remregeling (HDC) permanent worden ingeschakeld teneinde te garanderen dat controle altijd gehandhaafd blijft. De ABS en gripregeling zijn nog steeds geheel geactiveerd en hierdoor wordt wanneer dat nodig is, extra hulp gegeven. N.B. Als de afdalings-remregeling (HDC) is gekozen kan op normale wijze worden geschakeld. Als het rempedaal wordt ingedrukt terwijl de afdalings-remregeling (HDC) is geactiveerd, wordt de afdalings-remregeling (HDC) buiten werking gesteld. De remmen werken dan op normale wijze (het is mogelijk dat in het rempedaal een pulserend gevoel wordt waargenomen). Als het rempedaal dan wordt losgelaten, gaat de afdalings-remregeling (HDC) weer werken op de snelheid op het moment dat het rempedaal werd losgelaten. Onder extreme omstandigheden is het mogelijk dat door het afdalings-remsysteem (HDC) de remmen de normale temperatuurslimieten overschrijden. In dit geval wordt het bericht "HDC TEMPORARILY NOT AVAILABLE SYSTEM COOLING" (HDC TIJDELIJK NIET BESCHIKBAAR; SYSTEEM KOELT) op het berichtencentrum worden weergegeven. De werking van de afdalings-remregeling (HDC) zal geleidelijk afnemen. Vervolgens wordt de afdalings-remregeling (HDC) niet geactiveerd. De afdalings-remregeling (HDC) zal pas weer beschikbaar zijn wanneer de temperatuur van de remmen is gedaald tot een acceptabele waarde. Nu zal de waarschuwing verdwijnen uit het berichtencentrum. Ook zal de afdalings-remregeling (HDC) zonodig weer gaan werken. Als in de afdalings-remregeling (HDC) een storing wordt geconstateerd, verschijnt de melding "HDC FAULT SYSTEM NOT AVAILABLE" (HDC-STORING; SYSTEEM NIET BESCHIKBAAR). Als de storing werd gedetecteerd terwijl het systeem is geactiveerd, zal de afdalings-remregeling (HDC) geleidelijk worden uitgeschakeld. Tracht nooit een steile helling af te rijden als de afdalings-remregeling (HDC) niet beschikbaar is, of gebruik een zeer lage versnelling en/of het rempedaal. Als een storing wordt gedetecteerd, win dan zo snel mogelijk het advies in van uw Land Rover dealer/geautoriseerde reparatiebedrijf. 217

51 Afdalings-remregeling (HDC) Afdalings-remregeling (HDC) - geleidelijke deactivering Als de afdalings-remregeling (HDC) geleidelijk buiten werking wordt gesteld dan wilt dit zeggen dat de HDC-functie afneemt met het gevolg dat een helling sneller zal worden afgereden. Nadat de helling geheel is afgereden zal de afdalings-remregeling (HDC) geheel buiten werking zijn gesteld. Zonodig (als de afdalingshoek belangrijk minder steil wordt), is het mogelijk om de afdalings-remregeling opzettelijk buiten werking te stellen door het systeem (HDC) af te zetten terwijl het systeem werkt. Afdalings-remregeling (HDC) - informatielampje - GROEN Als de afdalings-remregeling (HDC) wordt gekozen terwijl aan alle condities voor het functioneren van het systeem is voldaan, zal het lampje continu blijven branden. Als het waarschuwingslampje gaat knipperen terwijl de afdalings-remregeling (HDC) is geactiveerd, is niet voldaan aan de condities waaronder de afdalings-remregeling (HDC) kan werken. 218

52 Luchtvering Luchtvering LUCHTVERING Door de luchtvering wordt, door regeling van de hoeveelheid lucht in de luchtveren van het voertuig, constant de juiste rijhoogte gehandhaafd. Tenzij anderszins vermeld mogen rijhoogte-wijzigingen uitsluitend worden uitgevoerd als de motor loopt en de bestuurdersdeur en alle passagiersdeuren zijn gesloten. Als het voertuig door de luchtvering omhoog wordt gebracht, wordt gewoonlijk de in het reservoir opgeslagen gecomprimeerde lucht gebruikt. De wielophanging gaat veel trager omhoog als dit reservoir gedeeltelijk leeg is als gevolg van het herhaaldelijk omhoog en omlaag brengen van de wielophanging. Weg-rijhoogte De normale rijhoogte van het voertuig. Terrein-rijhoogte Dit is 55 mm hoger dan de wegrijhoogte. Het systeem geeft voertuigen betere bodemvrijheid, aanloophoek, uitloophoek en overloophoeken. Zie AFMETINGEN, 353. De terrein-rijhoogte kan bij iedere snelheid tot maximaal 40 km/u worden geselecteerd. Als het systeem op de terrein-rijhoogte staat, zal door het systeem automatisch de wegrijhoogte worden gekozen als de voertuigsnelheid oploopt tot boven 50 km/u. N.B. Bij bepaalde combinaties van programma's en gearing zal de rijhoogte automatisch worden veranderd Instaphoogte Dit is 50 mm lager dan de wegrijhoogte. Hierdoor worden instappen, uitstappen en laden van het voertuig vergemakkelijkt. H6206G 55mm 0mm 50mm De instaphoogte kan op ieder willekeurig moment worden gekozen. De reactie van het systeem is echter afhankelijk van de snelheid van het voertuig: Als het voertuig harder rijdt dan 20 km/u, geeft de luchtvering het voertuig één minuut de tijd om te vertragen. Als het voertuig binnen deze tijd niet vertraagt tot beneden de 20 km/u, zal de aanvraag voor de instaphoogte worden geannuleerd. Als de snelheid van het voertuig lager is dan 20 km/u, gaat de luchtvering naar een gedeeltelijk verlaagde rijhoogte. Het voertuig blijft maximaal één minuut op deze rijhoogte staan. Als het voertuig binnen deze tijd niet vertraagt tot 8 km/u, zal de aanvraag voor de instaphoogte worden geannuleerd. Als de snelheid van het voertuig lager is dan 8 km/u, gaat de luchtvering onmiddellijk omlaag tot de instaphoogte. De instaphoogte kan tot maximaal 40 seconden nadat het contact is uitgezet, worden gekozen mits de bestuurdersdeur binnen die periode niet wordt geopend. 219

53 Luchtvering WAARSCHUWING De bestuurder dient te controleren of het voertuig zich niet in de buurt bevindt van obstakels en mensen voordat de rijhoogte wordt verminderd. Vergeet niet dat de bodemvrijheid onder de vloer en de bumpers en in de wielkasten, met het voertuig op de instaphoogte, 105 mm lager is dan met het voertuig op de terrein-rijhoogte. De luchtvering gaat automatisch vanuit de instaphoogte omhoog zodra het voertuig harder rijdt dan 10 km/u. Als de instaphoogte direct vanuit de terrein-rijhoogte werd gekozen, gaat het systeem bij snelheden boven 10 km/u terug naar de terrein-rijhoogte. Anders zal door het systeem de wielophanging omhoog worden gebracht tot de weg-rijhoogte. Rijhoogte bij hoge snelheden Dit voertuig is voorzien van een faciliteit waardoor de rijhoogte van het voertuig met 20 mm wordt verminderd bij snelheden van meer dan 160 km/u. Dit gebeurt automatisch. Hierover heeft de bestuurder geen controle en deze mogelijkheid werd ontworpen om de stabiliteit van het voertuig bij hoge snelheden te verbeteren. N.B. Maximum snelheden mogen NOOIT worden overschreden. Kruiprijhoogte ("Crawl") (vergrendeld in instaphoogte) Nu kan met het voertuig op de instaphoogte langzaam worden gereden, waardoor in lage parkeerplaatsen, etc. meer ruimte ontstaat boven het dak. De kruiprijhoogte ("Crawl") kan worden geselecteerd zolang het voertuig niet harder rijdt dan 35 km/u. Als het voertuig op de kruiprijhoogte ("Crawl) staat, zal automatisch de wegrijhoogte worden gekozen zodra de voertuigsnelheid oploopt tot boven 40 km/u. Afstandsbediening De zender kan worden geprogrammeerd en daarmee heeft de gebruiker de beschikking over een aantal verschillende functies. Zie "LAND ROVER" KNOP, 32. Als de zender van het voertuig zodanig is ingesteld dat hiermee de luchtvering kan worden bediend, kan de hoogte op afstand worden geregeld zodat laden van het voertuig of een aanhanger wordt vergemakkelijkt. De rijhoogte kan op iedere gewenste hoogte tussen de terrein-rijhoogte en de instaphoogte worden ingesteld. De normale rijhoogte-regeling zal worden hervat zodra met het voertuig wordt weggereden. N.B. Bediening op afstand wordt uitgeschakeld als het voertuig in beweging is. WAARSCHUWING De zender kan vanaf de binnenkant van het voertuig worden gebruikt. Het is dus belangrijk dat die altijd uit de buurt wordt gehouden van kinderen. Als de zender in de passagiersruimte wordt gebruikt, dient te worden gecontroleerd of de onderkant van het voertuig is gecontroleerd op obstakels voordat de rijhoogte wordt verminderd en of een verantwoordelijke volwassene buiten het voertuig staat die toezicht houdt. Als een aanhanger aan het voertuig is gekoppeld, dienen alle rijhoogte-veranderingen zeer voorzichtig te worden uitgevoerd. Berichten Als het voertuig is voorzien van een berichtencentrum, zullen eventuele berichten betreffende de luchtvering worden weergegeven. Voor een verklaring van die berichten, zie HOOFDBERICHTENCENTRUM,

54 Luchtvering De regeling van de luchtvering gebruiken 1 H6200G 1. Omhoog/omlaag-schakelaar 2. Omhoog-symbool 3. Terrein-rijhoogte - symbool 4. Weg-rijhoogte - symbool 5. Instaphoogte-symbool 6. Vergrendelsymbool 7. Omlaag-symbool 2 7 Rijhoogten De schakelaar voor het verhogen/verlagen van de rijhoogten (1) wordt gebruikt om door alle hoogten van de wielophanging omhoog en omlaag te kunnen bewegen. Symbool (3), (4) of (5) wordt verlicht waardoor de geselecteerde rijhoogte wordt aangegeven. Ook zal op het berichtencentrum een symbool worden weergegeven als de terrein-rijhoogte ("Off-road"), de instaphoogte ("Access") of de kruiprijhoogte ("Crawl") worden gekozen. Symbool (2) of (7) wordt verlicht en hierdoor wordt de bewegingsrichting aangegeven. Deze gaan uit nadat de rijhoogte-verandering is voltooid Als een rijhoogte-verandering wordt aangevraagd die niet is toegestaan - zoals een poging om de rijhoogte van het voertuig te verhogen terwijl de motor niet loopt - zullen de symbolen (2) en (7) tweemaal knipperen. Ook wordt een hoorbaar waarschuwingssignaal gegeven. Op het berichtencentrum zal een bericht worden weergegeven. Door een knipperend symbool (2) of (7) wordt aangegeven dat het systeem "wacht", of dat de keuze van de bestuurder automatisch wordt geannuleerd als de snelheidscriteria worden overschreden. Kiezen van de instaphoogte Als de instaphoogte boven 20 km/u wordt gekozen, zullen de symbolen (5) en (7) gaan knipperen. Tevens wacht het voertuig tot de snelheid is verminderd. Als het voertuig decelereert tot 20 km/u gaat het symbool (4) uit, daar het systeem overgaat op een gedeeltelijk verminderde rijhoogte. Symbool (5) zal worden verlicht en symbool (7) blijft knipperen. Als het voertuig vertraagt tot 8 km/u, zullen symbool (5) en (7) worden verlicht. Zodra de instaphoogte is bereikt, zal het symbool (7) uitgaan. 221

55 Luchtvering Kiezen en annuleren van de kruiprijhoogte ("Crawl") (vastgezet op instaphoogte) Automatische rijhoogte-verandering - waarschuwingen H6201G Als de wielophanging op de wegrijhoogte of de instaphoogte staat, terwijl het voertuig langzamer rijdt dan 35 km/u, moet de omhoog/omlaag-schakelaar (1) één seconde lang in de richting worden geduwd voor een geringere rijhoogte. Symbool (5) en (6) worden verlicht en hierdoor wordt de gemaakte keuze bevestigd. De kruiprijhoogte ("Crawl") kan met de hand worden geannuleerd door de omhoog/omlaag-schakelaar één seconde lang op "omhoog" te zetten. Symbool (6) gaat uit. N.B. Nadat de kruiprijhoogte ("Crawl") is geannuleerd, gaat de wielophanging omhoog tot de wegrijhoogte zodra de voertuigsnelheid oploopt tot boven 10 km/u. Direct kiezen van de instaphoogte vanuit de terrein-rijhoogte Als de wielophanging op de terrein-rijhoogte staat, moet de schakelaar (1) worden ingedrukt. Druk de schakelaar nogmaals in voordat het symbool (7) uitgaat. Het systeem zal zich herinneren om de wielophanging automatisch weer terug te brengen naar de terrein-rijhoogte als met het voertuig harder wordt gereden dan 10 km/u. H6202G 7 Als de wielophanging op de terrein-rijhoogte, de instaphoogte of "Crawl" (kruipen) staat, zal de rijhoogte automatisch worden veranderd zodra door de voertuigsnelheid bepaalde vooraf ingestelde drempelwaarden worden overschreden. Als de wielophanging op de terrein-rijhoogte of op de kruiprijhoogte ("Crawl") staat, wordt de bestuurder gewaarschuwd dat het voertuig een snelheidsgrens nadert. Er wordt een geluidssignaal gegeven, op het berichtencentrum zal een bericht worden weergegeven en het "weg"-symbool ("On-road") (4) en ofwel (2) ofwel (7) zal gaan knipperen. Hierboven wordt de snelheidswaarschuwing bij de terrein-rijhoogte weergegeven. Als het voertuig vertraagt, verdwijnt de waarschuwing. 222

56 Luchtvering Annulering "deur open" Als gedurende een rijhoogte-verandering een deur wordt geopend, terwijl het voertuig stilstaat, zal de rijhoogteverandering worden onderbroken H6204G H6203G 7 Het symbool voor de doelhoogte (3, 4 of 5) blijft branden en het symbool voor het verhogen van de rijhoogte (2) of het symbool voor het verminderen van de rijhoogte (7) zal gaan knipperen. De rijhoogte-verandering zal worden hervat als alle deuren binnen 90 seconden worden gesloten. Extra hoge stand Als het voertuig op een onder het voertuig omhoog stekend terreingedeelte, zoals een boomstam, is vastgelopen en de gripregeling is ingeschakeld, wordt door het systeem automatisch lucht in de luchtveren gepompt waardoor het voertuig vrij wordt getild van het obstakel. De verhoogde rijhoogte wordt automatisch geactiveerd en kan niet handmatig worden geselecteerd. Als de verhoogde rijhoogte wordt geactiveerd zal het symbool (3) gaan knipperen zodra de wielophanging hoger staat dan de terrein-rijhoogte. Symbool (3) en (4) gaan knipperen als de rijhoogte tussen de terrein-rijhoogte en de wegrijhoogte staat. Symbool (4) en (5) gaan knipperen als de rijhoogte tussen de wegrijhoogte en instaphoogte staat. Op het berichtencentrum zal een bericht worden weergegeven. Terwijl het voertuig omhoog wordt bewogen wordt het symbool (2) verlicht. De verhoogde rijhoogte wordt beëindigd door de schakelaar (1) kort omhoog of omlaag te bewegen, of door 30 seconden met een snelheid te rijden die hoger is dan 5 km/u. 223

57 Luchtvering Extra rijhoogte als de hoogste rijhoogte is bereikt Als de hoogste rijhoogte wordt ingesteld en nadat het voertuig automatisch geheel omhoog is bewogen, kan door de bestuurder, een extra vergroting van de rijhoogte worden aangevraagd. Dit kan zeer nuttig zijn als de hoogste rijhoogte is ingesteld op een zachte ondergrond. Voordat de extra rijhoogte boven de hoogste rijhoogte kan worden aangevraagd moet de bestuurder wachten tot het symbool (2) niet langer wordt verlicht. Vervolgens moeten de schakelaar en OOK het rempedaal worden ingedrukt. Door een waarschuwingssignaal wordt bevestigd dat de aanvraag is geaccepteerd. Het symbool (2) zal worden verlicht zolang het voertuig omhoog wordt bewogen. Wielophanging "bevroren" Als het systeem tracht de rijhoogte te veranderen en constateert dat de wielophanging niet kan bewegen, zal alle beweging door het systeem worden "bevroren". Dit kan worden veroorzaakt door pogingen om het voertuig op een obstakel te laten zakken, of pogingen om het voertuig tegen een obstakel omhoog te bewegen. De symbolen gedragen zich op dezelfde manier die is beschreven voor de verhoogde rijhoogte. Ook zal hetzelfde bericht worden weergegeven op het berichtencentrum. Net zoals in de verhoogde rijhoogte wordt deze situatie beëindigd door de schakelaar (1) omhoog of omlaag te duwen, of harder met het voertuig te rijden dan 20 km/u. Zender - werking H6205G De zender kan zodanig worden geconfigureerd dat hiermee de luchtvering kan worden bediend. Zie Door klant programmeerbare knop, 32. Verwijder de contactsleutel, zet de gevarenknipperlichten aan en sluit alle deuren. Bediening op afstand is onmogelijk tenzij dit is gedaan. Houd de Land Rover knop (3) ingedrukt. Druk vervolgens op de vergrendelknop (1) om het voertuig omhoog te bewegen, of op de ontgrendelknop (2) om het voertuig omlaag te bewegen. De beweging wordt beëindigd als een knop wordt losgelaten. De rijhoogte zal aanvankelijk traag veranderen, maar na 3 seconden zal de snelheid toenemen. Zolang de rijhoogte-verandering plaatsvindt, zal een symbool op de omhoog/omlaag-schakelaar gaan branden dat overeenkomt met de bewegingsrichting van het voertuig. Als de start-rijhoogte hoger of lager is dan de terrein-rijhoogte, wordt de beweging onderbroken zodra de normale rijhoogte wordt bereikt. Verdere beweging is mogelijk door knoppen los te laten en die opnieuw in te drukken

58 Dynamische reactie DYNAMISCHE REACTIE* Dynamische reactie H6366G WAARSCHUWING Als het waarschuwingslampje ROOD gaat branden dan wil dat zeggen dat in het systeem een storing is opgetreden waardoor componenten van het voertuig ernstig kunnen worden beschadigd. Breng het voertuig tot stilstand en zet de motor af zodra dit veilig kan geschieden. Roep onmiddellijk deskundige hulp in. Het dynamische reactiesysteem is een systeem waarop patent is verleend en dat uniek is voor Land Rover. Dit systeem werd zodanig ontworpen dat de rolkarakteristieken van de carrosserie bij lage hoeksnelheden worden geëlimineerd terwijl die bij hogere hoeksnelheden, belangrijk worden gereduceerd terwijl een zachte vering wordt gehandhaafd als in een rechte lijn wordt gereden. Op een ongelijkmatige en horizontale ondergrond of in ruwe wielsporen zal door het dynamische reactiesysteem de luchtvering worden aangepast aan de snelheid van het voertuig en de kwaliteit van het oppervlak teneinde de inzittenden zoveel mogelijk comfort te geven. Bij zeer lage snelheden worden de rolstangen in feite ontkoppeld. Dit heeft belangrijke voordelen voor de as-beweging in het terrein en verbetert de grip. Het systeem is geheel automatisch en kan door de bestuurder op geen enkele manier worden beïnvloed. De functionaliteit van het waarschuwingslampje van het dynamische reactiesysteem (DR) in de instrumentengroep is zeer belangrijk. De bestuurder dient op de hoogte te zijn van de volgende punten: 225

59 Dynamische reactie Waarschuwingslampje Het waarschuwingslampje gaat ROOD branden wanneer het contact wordt aangezet (stand 'II'). Na twee seconden zal het lampje van ROOD overgaan op AMBER terwijl na nogmaals twee seconden, het lampje uitgaat. Dit proces is een systeemcontrole die iedere keer dat het voertuig wordt gebruikt, wordt uitgevoerd. Mits het dynamische reactiesysteem en de luchtvering op de juiste manier functioneren, zal het waarschuwingslampje op andere tijdstippen niet gaan branden. Als het lampje gedurende het rijden gaat branden wijst dit - als volgt - op een storing in het systeem: Als het lampje ROOD gaat branden (het lampje zal eerst rood gaan knipperen en gaat vervolgens na 2 minuten constant branden; ook wordt een hoorbaar waarschuwingssignaal gegeven): Dit wijst op een systeemstoring waardoor componenten van het voertuig ernstig kunnen worden beschadigd. Ook wijst dit op een verminderde prestatie van het dynamische reactiesysteem. U dient het voertuig zodra dit veilig kan geschieden, tot stilstand te brengen. Daarna moet de motor worden afgezet. BLIJF NOOIT DOORRIJDEN! Roep onmiddellijk deskundige hulp in Als het lampje (constant) AMBER brandt: Dit wijst op een storing in het systeem die resulteert in gereduceerde prestaties van het dynamische reactiesysteem waardoor de conditie van het voertuig niet ernstig wordt bedreigd. U kunt, langzaam, blijven doorrijden. U dient echter wel zeer voorzichtig te zijn. Ook dient u zo snel mogelijk contact op te nemen met een Land Rover dealer/geautoriseerd reparatiebedrijf. 226

60 AUTO ABC DEF GHI JKL MNO PQRS TUV WXYZ 0 CD 3 Tr 15 2 : Terreinreactie-systeem Terreinreactie-systeem TERREINREACTIE-SYSTEEM (TERRAIN RESPONSE TM ) Het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") is permanent geactiveerd. Dit resulteert constant in voordelen voor de grip, wegligging en rijprestaties. Deze kunnen nog verder worden verbeterd voor specifieke rijcondities op de weg en in het terrein door speciale programma's te kiezen met één eenvoudig interface voor de bestuurder. H6207L Hierdoor kan de bestuurder het voertuig "vertellen" wat voor soort terrein wordt doorkruist. Gebaseerd op het geselecteerde speciale programma, wordt de voertuiginstelling van het systeem geoptimaliseerd op basis van de overheersende condities. Dit resulteert in optimale grip, optimale rijkwaliteit en het algemene "gedrag" van het voertuig. Door het speciale programma "Terrain Response" (terreinreactie) te gebruiken, worden automatisch wijzigingen aangebracht in de aandrijf- en wielophangingssystemen van het voertuig die tot op heden uitsluitend afzonderlijk en met de hand door de bestuurder konden worden geregeld. De wielophanging en de aandrijvingssystemen die deel uitmaken van het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") zijn: Motormanagement Versnellingsbak - management Intelligente differentieelregeling Dynamische stabiliteitsregeling, gripregeling en afdalings-remregeling (HDC) Luchtvering Het systeem levert een variabele smoorklep-reactie die varieert van zeer voorzichtig op een gladde ondergrond (waarbij een grote beweging van het gaspedaal slechts een kleine invloed heeft op het motorvermogen) tot zeer sterk in bijvoorbeeld zand als het motorvermogen sneller moet kunnen stijgen. Hiermee worden de terreincapaciteiten van Land Rover voertuigen aanzienlijk uitgebreid. Tevens biedt het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") controle over systemen die voorheen uitsluitend met de hand werden geregeld. 227

61 Terreinreactie-systeem N.B. Daar door ieder speciaal terreinreactie-programma ("Terrain Response") de optimale instellingen van alle componenten die essentieel zijn voor de aandrijving en het rijdrag worden gebruikt - smoorklep-reactie, wielophanging, transmissie, etc. - met betrekking tot het terrein dat wordt doorkruist, is het logisch dat als van het ene speciale programma wordt overgeschakeld naar het andere speciale programma, andere criteria een rol gaan spelen. Dit betekent bijvoorbeeld dat het motortoerental dat met de huidige stand van het gaspedaal wordt geproduceerd, in het nieuwe programma of bij rijhoogte-veranderingen, iets kan toenemen of afnemen. De veranderingen zijn niet dramatisch, maar wel duidelijk merkbaar. Om maximaal van de voordelen van het systeem te kunnen profiteren, wordt geadviseerd dat u het eerst uitprobeert in omstandigheden waaronder eventuele afleiding geen invloed heeft op andere weggebruikers. Het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") werd zodanig ontworpen dat de bestuurder, ongeacht de terreincondities, hiervan altijd profiteert. De verbeterde gripregeling - met regeling van de verschillende systeemparameters via één invoer van de bestuurder - gecombineerd met specifiek advies via het berichtencentrum, vormt een belangrijk hulpmiddel voor bestuurders met beperkte ervaring in terreinrijden. Tevens kan het systeem de vaardigheden van ervaren bestuurders ondersteunen. Dergelijke bestuurders zullen ook profiteren van de betere prestaties die - via het speciale programma - beschikbaar zijn. Gebruiken van het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") Het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") is altijd geactiveerd en kan niet uit worden geschakeld. Als het voertuig wordt gestart, zal het systeem gewoonlijk beginnen in het algemene programma ("General Program"). Als het juiste speciale programma wordt gebruikt, levert dit allerlei voordelen op in de manier waarop met het voertuig over verschillende ondergronden, wegoppervlakken of in het terrein kan worden gereden. Er wordt aanbevolen dat een speciaal programma wordt gekozen als rijcondities moeilijk worden. Afhankelijk van het terrein kan het voor de automatische transmissie gunstig zijn om - naar aanleiding van verschillende snelheden en belastingen - op/neer te schakelen. Gedurende ieder speciale programma zullen automatisch de beste schakelpunten voor het terrein worden gekozen; inclusief de beste versnelling waarin kan worden weggereden (bijv. tweede versnelling HOGE gearing, of derde versnelling LAGE gearing, in programma "Grass-Gravel-Snow [gras-grind-sneeuw] of eerste versnelling lage gearing in programma "Rock Crawl" [kruipen over rotsen]). De hoeveelheid slip die wordt toegestaan in de elektronisch geregelde differentiëlen, wordt continue geoptimaliseerd, gericht op een betere grip en stabiliteit van het voertuig. Afhankelijk van het geselecteerde terreinreactie-systeem ("Terrain Response") zal de regeling van de differentiëlen altijd zijn aangepast aan de optimum instellingen. N.B. De speciale programma's dienen proactief te worden ingeschakeld, alvorens in specifieke omstandigheden te gaan rijden. Het is niet de bedoeling dat hiermee een voertuig dat in moeilijkheden is geraakt, wordt losgemanoeuvreerd. 228

62 Terreinreactie-systeem Het systeem werd ontworpen om vertrouwen te kweken in de keus van het speciale programma, ondanks het feit dat tussen de condities die behoren bij ieder afzonderlijk programma, sprake is van duidelijke verschillen. Onder alle omstandigheden blijft dit echter een zeer capabel voertuig, zelfs als geen speciaal programma is geselecteerd. Dit komt doordat - waar mogelijk - sommige subsystemen op de condities blijven reageren. Zijn er onzekerheden over de keus van het beste speciale programma, dan is het het best om het algemene programma van het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") te kiezen tot de terreincondities duidelijker worden en met meer vertrouwen een bepaalde programmakeus kan worden gemaakt. Bij terreinrijden moet het systeem proactief worden gebruikt en niet als een methode om de controle over het voertuig weer terug te krijgen. Als een speciaal terreinreactie-programma ("Terrain Response") is gekozen, mag de automatische transmissie in 'D' blijven staan. Als een gelijkmatige helling wordt afgedaald, moet worden overwogen om CommandShift '1' of '2' te kiezen. WAARSCHUWING Gedurende het rijden met een aanhanger zal de automatische rijhoogte-verhoging die normaal is als het systeem in de lage gearing wordt gebruikt, automatisch door het systeem worden voorkomen. Dit wordt aangegeven door een tekstbericht. Voor deze functie is het echter essentieel dat een door Land Rover goedgekeurde elektrische aanhanger-aansluiting is geplaatst. Als geen door Land Rover goedgekeurde elektrische aanhanger-aansluiting is aangebracht of als wordt afgeweken van deze richtlijnen, kan dit tot gevolg hebben dat het voertuig - zelfs als een aanhanger is aangekoppeld - omhoog wordt gebracht tot de terrein-rijhoogte. 229

63 Terreinreactie-systeem Annuleringsopties voor bestuurder Alle systemen zullen zijn ingesteld op de optimale parameters voor de terreincondities die een weerspiegeling vormen van de keuze van het besturingsprogramma. Twee van de systemen waarvan de werking wordt geregeld door het terreinreactie-systeem ("Terrain Response"): Luchtvering Afdalings-remregeling (HDC) Kan ook onafhankelijk door de bestuurder worden bediend. In bepaalde speciale programma's zal door het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") de afdalings-remregeling (HDC) worden ingeschakeld. In de lage gearing zal het systeem de luchtvering automatisch op de terrein-rijhoogte instellen. WAARSCHUWING Deze rijhoogte-toename vindt plaats ongeacht of met het voertuig wordt gereden of niet. Als de afdalings-remregeling (HDC) of de verschillende rijhoogten automatisch door het systeem worden geactiveerd, of als die handmatig door de bestuurder worden geactiveerd, zullen de veranderingen in status worden bevestigd door de berichten die worden weergegeven en ook door de verschillende informatielampjes van de afzonderlijke systemen. Gebruik van het systeem in de speciale programma's - vooral in de lage gearing - kan tot gevolg hebben dat advies over de besturing van het voertuig en de rijstijl en waarschuwingen, plus eventuele aanvullende informatie worden weergegeven op het berichtencentrum. N.B. Automatisch schakelen van de transmissie kan worden geannuleerd met de CommandShift functie van de transmissie waarmee de transmissie in een bepaalde versnelling wordt vergrendeld. Zowel de selectie van de afdalings-remregeling (HDC) als de rijhoogte kunnen op ieder willekeurig moment door de bestuurder worden geannuleerd. Als de afdalings-remregeling (HDC) of een specifieke rijhoogte niet automatisch door het systeem is gekozen, kan de bestuurder die systemen altijd op de normale manier bedienen. 230

64 Terreinreactie-systeem Werking Als een speciaal programma is geactiveerd, zal het symbool voor dat speciale programma ook op het berichtencentrum in de instrumentengroep worden weergegeven. H6209G Het vereiste speciale programma wordt gekozen met een draaiknop vlak achter de transmissiehendel. Als door de draaiknop één van de uiteinden van het schakelbereik is bereikt, kan die nog verder worden gedraaid. Dit heeft echter geen effect. In aanvulling op de algemene instelling van het terreinreactie-systeem ("Terrain Response General Setting") zijn nog vier speciale programma's beschikbaar: "Grass/Gravel/Snow" (gras/grind/sneeuw [inclusief ijzel]) "Mud/Ruts" (wielsporen) "Sand" (zand) "Rock Crawl" (kruipen over rotsen) Als het contact is aangezet, worden de grafische weergaven rond de bedieningsknop verlicht. Het actieve programma wordt in amber geaccentueerd. De helderheid van de nachtverlichting van de grafische weergaven wordt geregeld als onderdeel van de algemene regeling van de instrumentenverlichting. Het amber gekleurde lampje brandt helder of minder helder. Dit is afhankelijk van het gebruik van de koplampen. H6211G Als het speciale programma "Mud-Ruts" (wielsporen), "Sand" (zand) of "Rock Crawl" (kruipen over rotsen) wordt gekozen terwijl het contact uit staat, dan zal het systeem zich circa 6 uur lang herinneren welk programma was gekozen. Het systeem gaat dan terug naar dat programma zodra het contact weer wordt aangezet. Door het systeem wordt, via het berichtencentrum, aangegeven dat het eerder gekozen speciale programma nog steeds is gekozen. Na meer dan 6 uur gaat het systeem automatisch weer over op het Algemene Programma (General Program) (Speciale Programma's [Speciale Programs]) uit. 231

65 Terreinreactie-systeem Terreinreactie-systeem ("Terrain Response") - algemeen Als de speciale programma's van het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") zijn uitgeschakeld, staat het systeem in het algemene programma ("General Program"). Dit wordt aangegeven door het bovenstaande symbool dat kort op het berichtencentrum wordt weergegeven. Subsystemen zullen worden aangepast aan de overheersende terreincondities. Door die systemen worden de instellingen gekozen op basis van de door die systemen geregistreerde condities. Deze programma-instelling is verenigbaar met alle weg- en terreincondities. Normale condities waarbij het onnodig is om een specifiek programma te kiezen, zijn bijvoorbeeld rijden op een ondergrond die sterk overeenkomt met een verharde weg. Droge klinkers, asfalt of zelfs houten planken behoren allemaal tot een harde ondergrond zonder losse lagen zoals water, stof of soortgelijk materieel. Er wordt aanbevolen dat een speciaal programma wordt uitgeschakeld nadat de specifieke condities waarvoor dit programma was bestemd, niet langer van toepassing zijn. Dit wordt gedaan door de knop weer in de stand te draaien voor het algemene programma ("General Program"). Nadat een speciaal programma is uitgeschakeld gaan alle systemen in het voertuig weer terug naar de normale instellingen. De enige uitzondering is de afdalings-remregeling (HDC) die geactiveerd blijft als die eerder met de hand werk gekozen. Als voorzorgsmaatregel gaat het voertuig, uitsluitend als dit in beweging is, van de hogere naar de normale rijhoogte. Grass-Gravel-Snow (gras-grind-sneeuw) Gebruik dit programma op oppervlakken waarvan de onderliggende basis stevig is, maar waarop zich ander materiaal heeft afgezet waardoor het voertuig de neiging kan krijgen om te slippen. De laag kan bestaan uit water, slijk, gras, sneeuw of los grind, kiezels, aangekleefde klei, of zelfs een dunne laag zand. Dit programma moet ook worden gekozen bij vorst. In dit speciale programma worden door het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") instellingen geselecteerd die resulteren in de beste grip, wegligging en rijgedrag voor overheersend gladde condities. De afdalings-remregeling (HDC) (zie AFDALINGS-REMREGELING (HDC), 215) zal in de lage gearing automatisch worden ingeschakeld, maar kan handmatig worden uitgezet. Bij een gladde ondergrond is het vaak verstandig om weg te rijden in een versnelling die hoger is dan normaal. Voorbeeld: de tweede versnelling in de HOGE gearing of de derde versnelling in de LAGE gearing. Voor het gebruik van het voertuig met sneeuwkettingen, zie SNEEUWKETTINGEN, 297. N.B. Als het voertuig in diepe sneeuw moeite heeft om grip in voorwaartse richting te bewaren of als het vastloopt, kan het nuttig zijn om de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) uit te zetten. Als de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) is uitgeschakeld, moet het systeem - zodra het probleem is overwonnen - weer worden aangezet. 232

66 Terreinreactie-systeem "Mud-Ruts" (wielsporen) Gebruik dit programma op een ondergrond die niet alleen modderig is, of waarin diepe wielsporen voorkomen, maar die ook zacht en zeer ongelijkmatig kan zijn tot het punt waarop maximale as-verplaatsing kan plaatsvinden. Deze ongelijkmatigheid kan ook worden veroorzaakt door grote stukken hout zoals boomwortels, kleine houtblokken, lage struiken, etc. Dit programma fungeert net zoals het vorige programma met uitzondering van het feit dat nu instellingen worden gekozen voor de individuele systemen waardoor grip en rijgedrag in modder of wielsporen worden geoptimaliseerd. Ook beschikt de bestuurder, net zoals voorheen, over annuleringsopties. Het programma is beschikbaar in de HOGE en LAGE gearing. De lage gearing wordt echter aanbevolen. Er wordt verwacht dat dit programma gewoonlijk in de lage gearing wordt gebruikt. Zo niet dan zal de bestuurder worden aangemoedigd om de lage gearing te kiezen. Als het programma "Mud-Ruts" (wielsporen) en de lage gearing samen zijn gekozen, zal de rijhoogte van het voertuig automatisch worden verhoogd. Zand Gebruik dit programma op zachte en over het algemeen droge, meegevende zanderige ondergrond zoals een droog strand, in de duinen en in zandwoestijnen. Dit programma kan ook worden gebruikt voor een ondergrond met een dikke laag grind. Bij het speciale programma "Sand" (zand) wordt gebruik gemaakt van de instellingen en software-logica die het best geschikt zijn voor het rijden op zand waarbij de bestuurder, net zoals voorheen, de controle kan overnemen. In vochtig of nat zand is het het best om het speciale programma voor modder/wielsporen ("Mud-Ruts") te gebruiken. Als het zand bijzonder zacht en droog is en als het dermate diep is dat de wielen diep in het zand zinken, kan het nuttig zijn om de dynamische stabiliteitsregeling (DSC) uit te zetten. Zie Deactiveren van dynamische stabiliteitsregeling (DSC),

67 Terreinreactie-systeem "Rock Crawl" (kruipen over rotsen) Gebruik dit programma op een natte of droge, stevige, niet meegevende ondergrond, zoals groepen rotsblokken, waarbij de wielen ver in en uti zullen veren en zorgvuldige controle over het voertuig essentieel is. Dit programma kan ook worden gebruikt voor het oversteken van waterstromen met grote rotsen die zich onder de waterspiegel bevinden. In tegenstelling tot andere opties, kan "Rock Crawl" (kruipen over rotsen) uitsluitend worden gekozen in de LAGE gearing. Als wordt getracht om een programma te kiezen in de HOGE gearing, zal de selectie van het speciale programma NIET worden geaccepteerd. De bestuurder ontvangt dan het advies om de LAGE gearing te kiezen. Bij dit speciale programma worden de instellingen voor de regeling van het systeem benut om de ophanging van het voertuig en de gripregeling optimaal in te stellen op condities waaronder extreme wielbewegingen en een goede regeling bij lage snelheden, essentieel zijn. Als voor een speciaal programma een grotere hoogte van de luchtvering noodzakelijk is dan zal die automatisch door het systeem worden gekozen, tenzij het systeem vermoedt dat een aanhanger is aangekoppeld omdat op de aansluiting voor de aanhanger verbruik van elektrische stroom is waargenomen. Op het berichtencentrum zal een bericht worden weergegeven. Voorzichtig: Als voor de overheersende terreincondities een totaal onjuist speciaal programma wordt gekozen, wordt de bestuurder niet in gevaar gebracht. Ook zal het voertuig niet onmiddellijk worden beschadigd. Wordt hiermee doorgegaan, dan zal door een dergelijke handeling de reactie van het voertuig op dergelijke condities negatief worden beïnvloed en gaat dit ten koste van de duurzaamheid van de luchtvering en aandrijvingen. 234

68 Terreinreactie-systeem Onjuiste speciale programma-selectie Als wordt getracht om een onjuist speciaal programma te kiezen - zoals "Rock Crawl" (kruipen over rotsen) in de HOGE gearing - zal het symbool voor dat programma amber gaan knipperen. Ook wordt een hoorbare waarschuwing gegeven. Op het berichtencentrum in de instrumentengroep wordt vermeld dat het gekozen speciale programma niet beschikbaar is en dat ook wordt gesuggereerd om dit te herstellen. Als, na 60 seconden, niet aan de vereisten is voldaan, zullen de waarschuwingen ophouden. Op het berichtencentrum wordt weergegeven welk programma actief blijft. Als het systeem om welke reden dan ook gedeeltelijk niet functioneert, is het mogelijk dat een bepaald speciaal programma niet gekozen kan worden. Ook wordt dan een waarschuwing gegeven als wordt getracht om het betreffende programma te kiezen. Als het systeem totaal onbruikbaar wordt, zullen alle symbolen van het besturingsprogramma worden uitgeschakeld. Op het berichtencentrum verschijnt een tekstbericht. De luchtvering is in staat om de rijhoogte automatisch in te stellen (zie LUCHTVERING, 219). Onder omstandigheden waarin het systeem wordt gebruikt in de LAGE gearing, is het hoogstwaarschijnlijk dat de mobiliteit en het gedrag van het voertuig zullen profiteren van een grotere bodemvrijheid. BERICHTEN Berichten die te maken hebben met het terreinreactie-systeem ("Terrain Response") worden weergegeven op het berichtencentrum van het voertuig. Voor een verklaring van die berichten, zie HOOFDBERICHTENCENTRUM,

69 Trekken/slepen Trekken/slepen H6213G TREKKEN/SLEPEN Door hun hoge koppel zijn Land Rover voertuigen in staat om zelfs met zwaar beladen aanhangers soepel weg te rijden. Ook hoeft op hellingen of zwaar terrein minder te worden geschakeld. Het gebruik van de LAGE gearing wordt aanbevolen bij manoeuvreren met een zware aanhanger of starten van het voertuig op een helling teneinde overmatige slijtage van de koppeling te voorkomen. WAARSCHUWING Door ons wordt aanbevolen dat u uitsluitend sleepuitrusting gebruikt die is goedgekeurd door Land Rover. Gebruik de sjorogen of de sleepogen die zijn bestemd voor voertuigberging, NOOIT voor het trekken van een aanhanger of caravan. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om ervoor te zorgen dat het trekkende voertuig en de aanhanger/caravan zodanig zijn geladen en gebalanceerd dat de combinatie wanneer die in beweging is, stabiel blijft. Als u voorbereidingen treft om met uw voertuig te trekken, dient u speciale aandacht te besteden aan de instructies van de fabrikant van de aanhanger/caravan. Ook mag de onderstaande informatie niet worden genegeerd. Stabiliteit in de combinatie Teneinde optimale stabiliteit te garanderen, is het essentieel dat de aanhanger horizontaal staat. Met andere woorden: de aanhanger moet evenwijdig staan met de grond, waarbij de trekhaak en aanhangerkoppeling op dezelfde hoogte moeten staan (let op de illustratie bovenaan de pagina). Dit is vooral belangrijk bij het trekken van aanhangers met dubbele assen! De aanhanger moet - nadat die is geladen - evenwijdig staan met de grond. De hoogte van de trekhaak-kogel moet zodanig zijn ingesteld dat de aanhanger nadat die is aangekoppeld op het geladen voertuig, evenwijdig staat met de grond. N.B. Op voertuigen met luchtvering moet de rijhoogte worden ingesteld terwijl de motor loopt. 236

70 Trekken/slepen De volgende punten mogen nooit worden vergeten: Bij het berekenen van het beladen gewicht van de aanhanger NOOIT vergeten om in die berekening het gewicht van de aanhanger plus de lading op te nemen. De aanbevolen kogeldruk van de aanhanger plus het gecombineerde gewicht van de lading in de bagageruimte van het voertuig en de passagiers achterin het voertuig mag nooit hoger zijn dan de gespecificeerde maximum achterasdruk (zie TREKGEWICHTEN EN AFMETINGEN, 354). Voordat de combinatie op voertuigen met luchtvering wordt gebalanceerd, dient u te controleren of: Alle deuren moeten zijn gesloten. De motor loopt. De Weg-rijhoogte is geselecteerd. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de trekhaak op de juiste hoogte staat. Als de lading tussen de aanhanger en het trekkende voertuig kan worden verdeeld, dan zal door meer gewicht in het voertuig te plaatsen, de stabiliteit van de combinatie over het algemeen worden verbeterd. De wettelijke bepalingen van toepassing op trekken/slepen van land tot land kunnen variëren. Zorg altijd dat de nationale wettelijke bepalingen betreffende trekgewichten en maximum snelheden niet worden overschreden (raadpleeg de relevante nationale automobiel-organisatie voor informatie). Bij het toegestane maximum trekgewicht van het voertuig gaat het om de beperkingen die het gevolg zijn van het ontwerp en NIET om eventuele specifieke landelijke beperkingen (zie TREKGEWICHTEN EN AFMETINGEN, 354). N.B. Gedurende het trekken mag een snelheid van 100 km/u, of 80 km/u als een tijdelijk reservewiel *wordt gebruikt, niet worden overschreden. Zie WIELEN EN BANDEN, 349. Juiste gearing kiezen Teneinde oververhitting van de transmissie te voorkomen is het niet verstandig om zwaar beladen aanhangers te trekken met een snelheid van meer dan 32 km/u en met de transmissie in de HOGE gearing. Kies in plaats daarvan de LAGE gearing. Voertuiggewichten Als het voertuig wordt geladen tot het maximum toegestane totaalgewicht moet worden gecontroleerd of door de asbelastingen de maximum toegestane waarden niet worden overschreden. Het blijft uw verantwoordelijkheid om de belasting van het voertuig op zodanige wijze te beperken dat noch de maximum as-belastingen, noch het bruto-voertuiggewicht worden overschreden - TREKGEWICHTEN EN AFMETINGEN, 354. WAARSCHUWING Uit veiligheidsoogpunt mogen het bruto-voertuiggewicht, de maximum achterasdruk, het maximum aanhangergewicht en de kogeldruk nooit worden overschreden. Aanhanger-aansluiting Het elektrische systeem van het voertuig is zodanig geconfigureerd dat een ander voertuig kan worden gesleept om die te bergen, of dat een aanhanger kan worden getrokken. De elektrische aansluiting voldoet aan de wettelijke vereisten voor het land waarin het voertuig wordt gebruikt. Alle circuits voor het slepen van een ander voertuig of het trekken van een aanhanger of caravan zijn afzonderlijk gezekerd via zekeringen in de satelliet-zekeringkast achter het bekledingspaneel in de onderste laadruimte. Zie Trekhaak - zekeringen,

71 Trekken/slepen Bandenspanning: Kogeldruk: Losbreekkabel of secundaire koppeling ESSENTIËLE CONTROLES VOOR TREKKEN/SLEPEN Voer de bandenspanning van de achterbanden van het trekkende voertuig op tot de bandenspanning voor het "maximum toelaatbare totaalgewicht". Zie WIELEN EN BANDEN, 349. Zorg ervoor dat de spanning van de banden van de aanhanger/caravan juist is. Als het voertuig is beladen tot het maximum toelaatbare totaalgewicht (GVW) is de maximale kogeldruk beperkt tot 150 kg. Als een grotere kogeldruk onvermijdelijk is (tot maximaal 250 kg) moet de voertuiglading zodanig worden gereduceerd, dat het maximum toelaatbare totaalgewicht en de achterasbelasting niet worden overschreden - zie TREKGEWICHTEN EN AFMETINGEN, 354voor aanvullende informatie. Er moet ALTIJD een losbreekkabel of secundaire koppeling worden bevestigd. Als de aanhanger/caravan is voorzien van remmen, wordt gewoonlijk een aangesloten losbreekkabel gebruikt waarmee remmen worden bediend in omstandigheden waarin de koppeling loskomt. Raadpleeg de literatuur van de fabrikant van de aanhanger. Als uw aanhanger niet is voorzien van een losbreekkabel, moet altijd een secundaire koppeling worden aangebracht. Gebruik altijd een voor dat doel geschikt punt op de treksteun waarop de koppeling goed kan worden bevestigd. Het verdient geen aanbeveling om kabels of koppelingen rond de hals van de trekkogel te wikkelen daar die dan los kunnen schuiven. 238

72 Trekken/slepen TREKHAAK Uw voertuig is voorzien van een trekhaak die geschikt is voor een verwijderbare kogel. Opbergen van verwijderbare kogel De kogel wordt opgeborgen onder een toegangsluik in de vloer van de achterste laadruimte. H6215G H6218G 239

73 Trekken/slepen Verwijderbare trekhaal H6220G Plaatsen van de verwijderbare trekhaak WAARSCHUWING De trekhaak is zwaar. Deze moet zeer voorzichtig worden gehanteerd. 1. Verwijder het beschermdeksel van de bevestiging voor de trekhaak. N.B. Het beschermdeksel moet, zolang de trekhaak wordt gebruikt, worden opgeborgen in de ruimte waarin de trekhaak wordt meegevoerd. 2. De trekhaak kan uitsluitend worden geplaatst als de groene vergrendelhendel in de ontgrendelstand staat. 3. Steek de trekhaak in de bevestiging. Vervolgens stevig omhoog drukken tot de trekhaak in positie "vergrendelt". 4. De rode aanduiding dient geheel te zijn afgedekt door de groene grendelhendel. 5. De bijgevoegde sleutel is om diefstal uit het voertuig te voorkomen. Draai de sleutel linksom om de trekhaak te vergrendelen. Verwijder de sleutel en bewaar die op een veilige plaats. 240

74 Trekken/slepen WAARSCHUWING Bij het hanteren van de trekhaak moet de onderkant van de component worden vastgehouden. In positie vergrendelen geschiedt automatisch en als gevolg daarvan zal de vergrendelhendel door veerdruk gaan draaien. De trekhaak moet in de juiste positie worden vergrendeld voordat een aanhanger wordt aangekoppeld. De trekhaak kan uitsluitend worden vergrendeld nadat die eerst op de juiste manier in de bevestiging voor de trekhaak is aangebracht. Het wordt aanbevolen dat de trekhaak als die niet wordt gebruikt wordt verwijderd en opgeborgen op de daarvoor bestemde plaatsen in het voertuig. 241

75 Trekken/slepen De trekhaak verwijderen H6222G WAARSCHUWING De trekhaak is zwaar. Deze moet zeer voorzichtig worden gehanteerd. 1. Plaats de sleutel en draai die rechtsom om de trekhaak te ontgrendelen. 2. Om de trekhaak te verwijderen moet de handgreep naar buiten worden getrokken. Draai de handgreep vervolgens linksom tot een klik wordt gehoord. De aanduiding op de handgreep moet nu rood zijn gekleurd. 3. Laat de trekhaak voorzichtig zakken en plaats die in de daarvoor bestemde opbergruimte. Zet de trekhaak vast. 4. Breng de beschermende sleepkap weer aan in de trekhaak-bevestiging. Druk de onderkant van het deksel in om dit in de juiste positie te bevestigen. 242

76 Sleepogen Sleepogen SLEEPOGEN WAARSCHUWING De sleepogen aan de voor- en achterkant van het voertuig zijn uitsluitend ontworpen voor bergingsdoeleinden. Deze mogen NOOIT worden gebruikt voor het trekken van een aanhanger of caravan. Sleepoog voor Er is één sleepoog aangebracht. Dit bevindt zich achter een verwijderbaar paneel in het onderste gedeelte van de voorbumper. Hierdoor is berging van het voertuig op de weg mogelijk. Voordat u in het terrein gaat rijden, moet het paneel van het onderste gedeelte van de voorbumper worden verwijderd zodat dit niet per ongeluk wordt verloren. Het paneel verwijderen Draai ieder van de negen bevestigingen met een munt (of een soortgelijk hulpmiddel) door een hoek van 90 om het deksel los te zetten. Beweeg de bovenrand omlaag en trek het deksel naar voren. H6226G H6228G 243

77 Sleepogen Het paneel weer plaatsen Plaats het paneel en controleer of de 2 nokken op de onderrand ingrijpen in de opening in het carrosseriepaneel. Draai de 9 bevestigingen vast door deze rechtsom 90 rond te draaien. Sleepoog achter Het sleepoog aan de achterkant van het voertuig kan worden gebruikt om het voertuig te slepen of - gedurende bergingsacties - een ander voertuig te slepen. H6231G H6227G 244

78 Sleepogen Verwijderen van het achterste deksel Draai ieder van de twee bevestigingen met een munt (of een soortgelijk hulpmiddel) door een hoek van 90 om de onderrand los te zetten. Het deksel kan worden rondgedraaid om de haken aan de bovenkant los te maken. Het achterste deksel weer plaatsen Plaats het deksel en controleer of de 4 nokken op de bovenrand ingrijpen in de opening in het carrosseriepaneel. Draai de 9 bevestigingen vast door deze rechtsom 90 rond te draaien. H6230G H6229G 245

79 Sleepogen BERGING VAN VOERTUIG - SLEPEN Voorzichtig: Onder geen enkele omstandigheid mag uw voertuig worden gesleept met slechts twee wielen op de grond. Het voertuig moet worden gesleept met alle vier de wielen op de grond, vervoerd op een aanhanger of met een gecombineerde wiellift en sleeptrolley waarmee het voertuig van de grond wordt getild. Door de meeste bergingsspecialisten zal uw voertuig op een aanhanger worden geplaatst - dit is de aanbevolen methode. Is het echter onvermijdelijk dat het voertuig wordt geborgen door dit met alle vier de wielen op de grond te slepen, voer dan de onderstaande procedure uit: Het voertuig slepen op alle vier de wielen Voorzichtig: Als het voertuig met alle vier de wielen op de grond wordt gesleept, mag NOOIT worden afgeweken van de onderstaande procedure. Wordt dit niet gedaan, dan is het mogelijk dat het voertuig gaat bewegen, of dat voertuigcondities optreden die niet kunnen worden verwacht. Als voorbereidingen worden getroffen voor het slepen van het voertuig op vier wielen, is het essentieel dat de transmissie in neutraal wordt gezet. Voordat de neutraalstand ('N') wordt gekozen, dient u te controleren of de parkeerrem is geactiveerd en of die goed is vastgezet. N.B. Uw voertuig is voorzien van permanente 4-wiel aandrijving en een stuurslot. De onderstaande procedures moeten - teneinde beschadiging van het voertuig te vermijden - zorgvuldig worden uitgevoerd. Als het contact langere tijd in stand 'I' of 'II' wordt gelaten, is het mogelijk dat de accu wordt ontladen. 1. Bevestig de sleepuitrusting van het bergingsvoertuig aan het voorste sleepoog (zie SLEEPOGEN, 243). 2. Steek de contactsleutel, terwijl de parkeerrem is geactiveerd, in het contactslot en draai het contactslot naar stand 'II'. 3. Druk het rempedaal in en zet de transmissiehendel van de automatische transmissie in de neutraalstand ('N'). 4. Draai het contactslot naar stand 'I'. Draai het contactslot niet in stand '0'. 5. Zonodig mag het contactslot in stand 'II' worden gezet, zodat de remlichten en richtingaanwijzers kunnen werken. 6. Voordat het voertuig wordt gesleept, moet de parkeerrem eerst worden gedeactiveerd. WAARSCHUWING Verwijder de contactsleutel NIET en zet het contactslot niet in stand '0' als het voertuig in beweging is. Als de motor niet loopt, kunnen de remservo en de stuurbekrachtigingspomp niet de juiste bekrachtiging leveren. Voor het ronddraaien van het stuurwiel en het indrukken van het rempedaal zal dus een grotere krachtsinspanning zijn vereist. Ook dient rekening te worden gehouden met een grotere remafstand. Als aan de bovenstaande condities is voldaan, mag het voertuig uitsluitend over een maximum afstand van 50 km en met een maximum snelheid van 50 km/u worden gesleept. Als de transmissie niet in neutraal ('N') kan worden gezet, mag het voertuig absoluut niet worden gesleept. Als de vergrendeling van het elektronische achterdifferentieel niet heeft gewerkt, mag het voertuig onder geen enkele omstandigheid worden gesleept. 246

80 Sleepogen Na het slepen op vier wielen Na slepen, moeten de volgende stappen worden uitgevoerd: 1. Activeer de parkeerrem. 2. Draai het contactslot naar stand 'II' en druk het rempedaal in. 3. Zet de transmissiehendel van de automatische transmissie in de parkeerstand ('P'). 4. Zet het contactslot in stand '0'. 5. Verwijder de sleepuitrusting en plaats het paneel weer in de voorbumper. SJOROGEN Aan de onderkant van het voertuig is een aantal paren sjorogen aangebracht - deze bevinden zich aan de voorkant (achter de voorwielen) en aan de achterkant (aan weerskanten van de bevestigingssteun van de trekhaak). De sjorhaken of de bevestigingen van de aanhanger mogen NOOIT op andere onderdelen van het voertuig worden vastgezet. H6232G 247

81 Sleepogen Voorzichtig: Als het voertuig, terwijl de elektronische systemen nog functioneren, op een aanhanger wordt geplaatst, moet de elektronische luchtvering (EAS) worden ingesteld op de instaphoogte. Dit dient te geschieden VOORDAT het voertuig op de aanhanger wordt vastgezet. H6233G N.B. De voorste en achterste sjorogen dienen uitsluitend voor het vastsjorren van het voertuig. Deze mogen NOOIT worden gebruikt voor slepen. 248

82 Lading vervoeren Lading vervoeren IMPERIALEN Een aantal imperialen behoort tot de door Land Rover goedgekeurde accessoires. Voor aanvullende informatie over de imperialen die zijn goedgekeurd voor uw voertuig en advies over het systeem dat het beste is voor uw situatie, wordt u verzocht het advies in te winnen van uw Land Rover dealer/geautoriseerd reparatiebedrijf. Door ons wordt niet aanbevolen dat met een beladen imperiaal in het terrein wordt gereden. Als het noodzakelijk is om bagage op het imperiaal te bevestigen terwijl door het terrein wordt gereden, dan moeten alle artikelen worden verwijderd voordat zijdelingse hellingen worden bereden. Altijd de volgende voorzorgsmaatregelen in acht nemen: Het MAXIMUM gewicht dat op een goedgekeurd imperiaal kan worden meegevoerd bedraagt 75 kg op de weg en 50 kg in het terrein. In de bovenstaande gewichten is ook het gewicht van het imperiaal opgenomen. Plaats uitsluitend een imperiaal dat speciaal is ontworpen voor uw voertuig. Raadpleeg in twijfelgevallen altijd uw Land Rover dealer/geautoriseerd reparatiebedrijf. Een beladen imperiaal kan de stabiliteit van het voertuig verminderen, vooral in bochten en bij sterke zijwind. Alle ladingen moeten tussen de zijkanten van het imperiaal gelijkmatig worden verdeeld met het zwaartepunt van de lading in de richting van de voorkant van het imperiaal. Zorg ervoor dat ladingen nooit buiten het imperiaal uitsteken. Controleer of het imperiaal en de lading nog goed zijn vastgemaakt na 50 km van een rit. 249

83 Bochtverlichtingssystemen Bochtverlichtingssystemen XENON/HALOGEEN VERLICHTING* Adaptieve bochtverlichting (AFS) het voertuig kan zijn voorzien van de volgende koplampen: een halogeen hoofdkoplamp voor groot/dimlicht waarnaast een "aanvullende" halogeen lamp voor grootlicht is geplaatst een bifunctionele xenon lamp (groot/dimlicht) waarnaast een "aanvullende" halogeen lamp voor grootlicht is geplaatst, of een adaptieve bochtverlichting (AFS) AFS is een nieuw verlichtingssysteem dat zodanig is ontworpen dat het zicht van de bestuurder onder alle omstandigheden aanzienlijk wordt verbeterd. Dit heeft twee hoofdcomponenten: een koplampeenheid met regelbare stand en een statische lamp. A. toont de lichtverspreiding van een voertuig zonder AFS B. toont de lichtverspreiding van een voertuig met AFS A B H6235L 250

84 Bochtverlichtingssystemen Bifunctionele xenon projector-eenheden De hoofdverlichtingsbron bestaat uit bi-functionele (grootlicht en dimlicht) xenon projector-eenheden waarnaast een halogeen lamp voor grootlicht is geplaatst. De projector-eenheden kunnen naar links of naar rechts worden gedraaid om de verspreiding van het licht in bochten te verbeteren. Deze reageren tevens in het verticale vlak op afremmen of accelereren met het voertuig zodat de weg vóór het voertuig altijd zo goed mogelijk wordt verlicht. Deze eenheden werken als de motor loopt en de hoofdverlichtingsschakelaar in stand '3' staat. Deze gaan ook werken als de hoofdverlichtingsschakelaar in stand '4' ("Auto") *staat en als het buiten donker begint te worden tot onder een vooraf ingesteld verlichtingsniveau. Het systeem werkt op basis van ingangssignalen over de voertuigsnelheid, de stuurhoek en de richtingaanwijzers om de mate van verdraaiing in het horizontale vlak te bepalen. De hoeveelheid verdraaiing is het hoogst bij lage snelheden waarbij worden gemanoeuvreerd en neemt af met het toenemen van de snelheid. Bij snelheden tot 30 km/u draait uitsluitend de lamp aan de binnenkant van de bocht. Als de achteruitversnelling wordt gekozen, gaan de lampen weer terug naar de middenstand. De bochtverlichtingsfunctie van de eenheden wordt uitgeschakeld tenzij de richtingaanwijzers worden gebruikt. Als de motor is gestart kunt u zien dat de koplampen verdraaien gedurende de zelfkalibratieprocedure die een paar seconden duurt. 251

85 Bochtverlichtingssystemen Statische bochtverlichting Aanvullende verlichting wordt geleverd door de statische bochtverlichting waarvan de straal 45 buiten de hartlijn van het voertuig is ingesteld. Door deze lampen wordt de lichtstraal van de koplampen in bochten verbreed gedurende normaal rijden 's nachts. Door het systeem wordt de lamp aangezet als een ingangssignaal wordt ontvangen van de richtingaanwijzer van het voertuig. Daar het systeem is gebaseerd op de stand van het contactslot, zullen de lampen - zelfs als het voertuig wordt geparkeerd terwijl de richtingaanwijzers aanstaan, niet blijven branden. Uitsluitend het lampje aan dezelfde kant als de werkende richtingaanwijzers, gaat branden. Als de richtingaanwijzers worden geactiveerd, zal ook de betreffende lamp mee gaan knipperen. Als de achteruitversnelling wordt gekozen, gaan de lampen weer terug naar de middenstand. De bochtverlichtingscapaciteit van de eenheden wordt uitgeschakeld tenzij de richtingaanwijzers worden gebruikt. A. toont de lichtverspreiding van een voertuig zonder AFS B. toont de lichtverspreiding van een voertuig met AFS A B H6237L 252

Automatische transmissie

Automatische transmissie Automatische transmissie TRANSMISSIEHENDEL H3916 De CommandShift transmissie kan als automaat en als handbak worden gebruikt. Automatische bediening Normaal staat de transmissie op 'automatisch'. Nadat

Nadere informatie

Starten en rijden STUURSLOT

Starten en rijden STUURSLOT Rijden en bedienen Starten en rijden STUURSLOT H3584 Stuurslot loszetten Steek de contactsleutel GEHEEL in het contactslot en draai die naar stand 'I'. Het is mogelijk dat het stuurwiel iets moet worden

Nadere informatie

Starten en rijden STUURSLOT CONTACTSLOT

Starten en rijden STUURSLOT CONTACTSLOT Starten en rijden Rijden en bedienen STUURSLOT WAARSCHUWING Nadat het stuurslot is geactiveerd, is het onmogelijk om het voertuig te besturen. Verwijder de contactsleutel NIET als het voertuig in beweging

Nadere informatie

Starten en rijden CONTACTSCHAKELAAR STUURSLOT

Starten en rijden CONTACTSCHAKELAAR STUURSLOT Rijden en bedienen STUURSLOT CONTACTSCHAKELAAR De gecombineerde schakelaar wordt gebruikt voor het bedienen van het stuurslot, de elektrische circuits en de startmotor: Stand 0 Stuurslot vergrendeld (contactsleutel

Nadere informatie

Starten en rijden STUURSLOT

Starten en rijden STUURSLOT Starten en rijden Rijden en bedienen Starten en rijden STUURSLOT N.B.: Nadat de contactsleutel is verwijderd, mag die nooit dicht in de buurt van het contactslot worden gehouden. Dit kan er namelijk toe

Nadere informatie

Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES

Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES H6433L Voorzichtig: Vooral de RODE waarschuwingslampjes zijn van essentieel belang; door het branden van die waarschuwingslampjes wordt aangegeven dat sprake is

Nadere informatie

Starten & rijden STUURSLOT

Starten & rijden STUURSLOT Starten & rijden Rijden en werking Starten & rijden STUURSLOT H3522 Stuurslot loszetten Steek de contactsleutel GEHEEL in de contactschakelaar en draai die naar stand I. Het is mogelijk dat het stuurwiel

Nadere informatie

Lampen en waarschuwingslampjes

Lampen en waarschuwingslampjes Lampen en waarschuwingslampjes VERLICHTING OP BUITENKANT VAN AUTO Hoofdverlichtingsschakelaar H5740 1 1. Uit. 2. Stadslichten. 3. Koplampen aan. 4. Automatische controlelampjes. Stadslichten De voorste

Nadere informatie

Rijden in het terrein

Rijden in het terrein Rijden in het terrein VOOR HET WEGRIJDEN.................. 117 FUNDAMENTELE RIJTECHNIEKEN IN HET TERREIN........................... 117 NA TERREINRIJDEN..................... 121 ONDERHOUDSVEREISTEN................

Nadere informatie

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM H6716G Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motor-immobilisatiesysteem. Tevens beschikt het voertuig over een aantal extra veiligheidssystemen.

Nadere informatie

Rijtechnieken. RIJDEN OP EEN GLADDE ONDERGROND (ijs, sneeuw, modder, nat gras)

Rijtechnieken. RIJDEN OP EEN GLADDE ONDERGROND (ijs, sneeuw, modder, nat gras) Rijtechnieken RIJDEN OP ZACHTE OPPERVLAKKEN EN DROOG ZAND Ideaal gezien dient het voertuig op zachte oppervlakken (bijv. droog zand) altijd in beweging te worden gehouden. Door zacht zand worden de wielen

Nadere informatie

NL ESP-Systeem

NL ESP-Systeem 603.83.515 NL ESP-Systeem ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking

Nadere informatie

Sloten en alarmen. Gebruiken van de zender

Sloten en alarmen. Gebruiken van de zender Sloten en alarmen ALARMSYSTEEM* Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motorimmobilisatiesysteem. Teneinde maximale veiligheid en maximaal bedieningsgemak te garanderen

Nadere informatie

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen Stoelen VOORSTOELEN De stoel nooit afstellen als het voertuig in beweging is. Als van deze instructies wordt afgeweken, kan dit leiden tot lichamelijk letsel of verlies van controle over het voertuig.

Nadere informatie

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33. Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht

Nadere informatie

Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak.

Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak. Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak. Veiligheidsvoorzieningen Beschermingsvoorzieningen mogen alleen worden verwijderd resp. geopend na stilstand van de dumper met geactiveerde parkeerrem, uitschakelen

Nadere informatie

Zekeringen ZEKERINGEN

Zekeringen ZEKERINGEN Zekeringen ZEKERINGEN Zekeringen zijn eenvoudige circuit-onderbrekers waardoor elektrische uitrusting wordt beschermd tegen de gevolgen van stroom-stoten. Een doorgebrande zekering blijkt uit het feit

Nadere informatie

Trekken/slepen TREKKEN/SLEPEN

Trekken/slepen TREKKEN/SLEPEN Trekken/slepen H6518G TREKKEN/SLEPEN Door hun hoge koppel zijn de Land Rover voertuigen in staat om zelfs met zwaar beladen aanhangers soepel weg te rijden. Ook hoeft op hellingen of zwaar terrein minder

Nadere informatie

Algemene informatie Algemene informatie

Algemene informatie Algemene informatie Algemene informatie VOOR HET WEGRIJDEN...............21 OP EN IN HET VOERTUIG AANGEBRACHTE WAARSCHUWINGSETIKETTEN........21 TOEGEPASTE SYMBOLEN..............21 TREKHAAK - ETIKET..................22 NOODGEVALLEN.....................22

Nadere informatie

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Beknopte gebruiksaanwijzing Algemene versie 07-2014 Introductie Het duurzaam ondernemen wordt steeds belangrijker. Veel bedrijven zijn verplicht CO 2 -doelstellingen

Nadere informatie

druk 1 1TH 084070 NSN 2320-17-122-6055 PROJECTNUMMER 084070 TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB95.480 TAKEL

druk 1 1TH 084070 NSN 2320-17-122-6055 PROJECTNUMMER 084070 TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB95.480 TAKEL druk 1 1TH 084070 NSN 30-17-1-6055 PROJECTNUMMER 084070 TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB5.480 TAKEL Vastgesteld door de Directeur Defensie Materieel Organisatie voor deze Hoofd Logistieke

Nadere informatie

Activeren voetplaat volgens EN Functie

Activeren voetplaat volgens EN Functie De functie is een klantoptie voor vuilniswagens met een voetplaat. Als de voetplaat wordt geactiveerd aan de hand van deze beschrijving, beschermt de functie personeel op de voetplaat. De functie voldoet

Nadere informatie

Auto Alarm FM5000 FM500 FM600 FM700 LCD MINI

Auto Alarm FM5000 FM500 FM600 FM700 LCD MINI Auto Alarm FM5000 FM500 FM600 FM700 LCD MINI I. Functies FM 2-weg autoalarm. 2. Alarm aan (stil) Druk nogmaals 1x op de knop van de afstandbediening om alarm in AUTO Localiseren status te activeren, indien

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

Handleiding: Rupsdumper zelfladende bak.

Handleiding: Rupsdumper zelfladende bak. Handleiding: Rupsdumper zelfladende bak. Veiligheidsvoorzieningen De bestuurdersplaats bevindt zich aan de achterkant van de machine. De operator moet op de treeplank staan en zich stevig vasthouden aan

Nadere informatie

y Verwarming op brandstof 87

y Verwarming op brandstof 87 Klimat 5 1 y Verwarming op brandstof 87 912-B, 912-D Op. no. 87516 01- Benzine 30618 095-1 Diesel 3730 340-1 20000 excl. automaat Benzine 30618 095-1 Er is een nieuwe generatie verwarming geïntroduceerd

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

NL Dual FuNction System (automaat)

NL Dual FuNction System (automaat) 603.83.516 NL Dual FuNction System (automaat) In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dual FuNction System bediening in de Lancia Musa.

Nadere informatie

LCD scherm va LCD scherm

LCD scherm va LCD scherm scherm 1. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica

Nadere informatie

Uitrusting in interieur van auto

Uitrusting in interieur van auto Uitrusting in interieur van auto BINNENVERLICHTING KLOK OFF 12 ON 9 3 H2592 Schakelaarstanden: "UIT" - Verlichting permanent uit. "AAN" - De verlichting blijft branden. Met de schakelaar in de middenstand

Nadere informatie

Schakel zo vroeg mogelijk op naar een hogere versnelling, tussen 2000 en 2500 toeren.

Schakel zo vroeg mogelijk op naar een hogere versnelling, tussen 2000 en 2500 toeren. Tip 1 Schakelen Schakel zo vroeg mogelijk op naar een hogere versnelling, tussen 2000 en 2500 toeren. Een toerenteller is hierbij een handig hulpmiddel. Een deel van het vermogen dat een automotor levert

Nadere informatie

Voortgang CO 2 reductie

Voortgang CO 2 reductie Voortgang CO 2 reductie Introductie A. Hak wil in 2020 CO2 neutraal werken en heeft doorlopend aandacht voor de invloed van onze werkzaamheden op het milieu. Wij zijn gecertificeerd volgens ISO 14001 en

Nadere informatie

LCD scherm ve LCD scherm

LCD scherm ve LCD scherm scherm. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica zelf

Nadere informatie

Brandstof en brandstof tanken

Brandstof en brandstof tanken Brandstof en brandstof tanken VOORZORGSMAATREGELEN Vermijd blootstelling van de gassen aan potentiele ontstekingsbronnen, aangezien de hierdoor ontstane brand en explosie ernstig letsel en/of zelfs de

Nadere informatie

Powerpack. gebruikshandleiding

Powerpack. gebruikshandleiding Powerpack gebruikshandleiding 1 INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding De RMA powerpack is een hulpmiddel voor de begeleiding. Het vergemakkelijkt het duwen van een rolstoel gebruiker. De hulpmotor is niet ontworpen

Nadere informatie

F I A T D U C A T O 603.83.787 NL C O M F O R T - M A T I C

F I A T D U C A T O 603.83.787 NL C O M F O R T - M A T I C F I A T D U C A T O 603.83.787 NL C O M F O R T - M A T I C In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde COMFORT-MATIC bediening van de

Nadere informatie

Remmen WERKINGSPRINCIPE. Rempedaal. Rembekrachtiging. Remblokken. Natte rijomstandigheden

Remmen WERKINGSPRINCIPE. Rempedaal. Rembekrachtiging. Remblokken. Natte rijomstandigheden WERKINGSPRINCIPE Rempedaal WAARSCHUWINGEN Tijdens het rijden mag u uw voet niet op het rempedaal laten rusten. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken, kan hun doeltreffendheid verminderen en kan er

Nadere informatie

Berichtencentrum BERICHTENCENTRUM LOW RANGE SELECTED

Berichtencentrum BERICHTENCENTRUM LOW RANGE SELECTED Berichtencentrum BERICHTENCENTRUM H6451L LOW RANGE SELECTED Op het berichtencentrum worden ten behoeve van de bestuurder, waarschuwingen en informatie weergegeven. Berichten hebben verschillende prioriteiten

Nadere informatie

Dualogic versnelllingsbak van de Fiat

Dualogic versnelllingsbak van de Fiat F I A T 5 0 0 603.95.085 NL D U A L O G I C In dit supplement worden de gebruiksmogelijkheden beschreven van de elektronisch geregelde mechanische. Voor het juiste gebruik van de versnellingsbak is het

Nadere informatie

ANCIA NL LANCIA YPSILON Dual FuNction System

ANCIA NL LANCIA YPSILON Dual FuNction System ANCIA 603.46.956 NL LANCIA YPSILON Dual FuNction System In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dual FuNction System bediening in de

Nadere informatie

200 bar, 15 l/min., l, tandemasser met honda benzine motor (11,7 Hp 8.6 kw) Instructies voor gebruik, onderhoud en transport.

200 bar, 15 l/min., l, tandemasser met honda benzine motor (11,7 Hp 8.6 kw) Instructies voor gebruik, onderhoud en transport. Handleiding mobiele hogedrukreiniger 200 bar, 15 l/min., 1.140 l, tandemasser met honda benzine motor (11,7 Hp 8.6 kw) Instructies voor gebruik, onderhoud en transport. Inhoud 1. Veiligheidsinstructies...

Nadere informatie

In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dualogic bediening in de Fiat Punto.

In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dualogic bediening in de Fiat Punto. In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dualogic bediening in de Fiat Punto. Voor het juiste gebruik van de versnellingsbak is het

Nadere informatie

Probleemoplossingsgids

Probleemoplossingsgids NL Probleemoplossingsgids BF115D, BF135A, BF150A Inhoud *Tik of klik op de relevante uitgave. - Controlelampje gaat aan / uit - Motor start niet - Motor stopt na te zijn gestart / Motor stopt terwijl deze

Nadere informatie

Het praktijkexamen leerboek. Hoe slaag ik in 1 keer?

Het praktijkexamen leerboek. Hoe slaag ik in 1 keer? Het praktijkexamen leerboek Hoe slaag ik in 1 keer? Inhoudsopgave 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 Het praktijkexamen Opstarten schakelen afsluiten Snelheid Kijktechniek Knipperen Plaats op de

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

F I A T NL

F I A T NL F I A T 5 0 0 530.03.098 NL D U A L O G I C In dit supplement worden de gebruiksmogelijkheden beschreven van de elektronisch geregelde mechanische Dualogic versnellingsbak van de Fiat. Voor het juiste

Nadere informatie

Voortgang CO2 reductie

Voortgang CO2 reductie Voortgang CO2 reductie Introductie A. Hak wil in 2030 CO2 neutraal werken en heeft doorlopend aandacht voor de invloed van onze werkzaamheden op het milieu. Wij zijn gecertificeerd en door het hebben en

Nadere informatie

Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards

Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleidingding Effectief en gebruiksvriendelijk Het in uw voertuig gemonteerde Cobra alarmsysteem biedt een simpele, maar uiterst effectieve en gebruiksvriendelijke

Nadere informatie

Voortgang CO2 reductie

Voortgang CO2 reductie Voortgang CO2 reductie Introductie A. Hak wil in 2030 CO2 neutraal werken en heeft doorlopend aandacht voor de invloed van onze werkzaamheden op het milieu. Wij zijn gecertificeerd volgens ISO 14001, MVO

Nadere informatie

wegrijden in het verkeer / stoppen buiten het verkeer

wegrijden in het verkeer / stoppen buiten het verkeer Inleiding: wegrijden in het verkeer In de vorige lesonderwerpen zijn alle basishandelingen die nodig zijn voor het rijden met een auto behandeld. Vanaf dit lesonderwerp, het wegrijden in het verkeer, wordt

Nadere informatie

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleiding Vodafone Power to you Effectief en gebruiksvriendelijk 1. Alarmsysteem met aparte autorisatie Het in uw voertuig gemonteerde

Nadere informatie

Bedieningen Dutch - 1

Bedieningen Dutch - 1 Bedieningen 1. Functieschakelaar Cassette/ Radio/ CD 2. Golfband schakelaar 3. FM antenne 4. CD deur 5. Schakelaar om zender af te stemmen 6. Bass Boost toets 7. CD skip/ voorwaarts toets 8. CD skip/ achterwaarts

Nadere informatie

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl [email protected] - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914

Nadere informatie

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleiding Vodafone Power to you Effectief en gebruiksvriendelijk 1. Alarmsysteem met aparte autorisatie Het in uw voertuig gemonteerde

Nadere informatie

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN E81931 2 U mag de stoel niet tijdens het rijden verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1 De stoel, de hoofdsteun, de

Nadere informatie

E-Bike. Gebruikers handleiding versie B2

E-Bike. Gebruikers handleiding versie B2 E-Bike Gebruikers handleiding versie 160609-B2 Gebruikers handleiding 1. Ingebruikname Een Target fiets met elektrische ondersteuning rijdt als een gewone fiets, waarbij het elektrisch systeem zorgt voor

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

HENKELMAN BV. Adres Veemarktkade 8 / D 9 5222 AE s-hertogenbosch Nederland. Postadres Postbus 2117 5202 AE s-hertogenbosch Nederland

HENKELMAN BV. Adres Veemarktkade 8 / D 9 5222 AE s-hertogenbosch Nederland. Postadres Postbus 2117 5202 AE s-hertogenbosch Nederland HANDLEIDING VOOR DE DEALER DIGITAAL BEDIENINGSPANEEL JUMBO-SERIE 0,6 0,4 VACUUM 0,8-1 0 0,2 SEAL HENKELMAN BV Adres Veemarktkade 8 / D 9 5222 AE s-hertogenbosch Nederland Postadres Postbus 2117 5202 AE

Nadere informatie

WS 9006 instructiehandleiding. Gebruikershandleiding 1. Functies

WS 9006 instructiehandleiding. Gebruikershandleiding 1. Functies WS 9006 instructiehandleiding Gebruikershandleiding 1. Functies 1.1 Regenmeter - Controle van de Actuele, 1 H, 24 H en Totale Regenval - Controle Dagelijkse, Wekelijkse en Maandelijkse Regenval in Staafdiagrammen

Nadere informatie

Componenten voor hydraulische uitrusting. Algemeen. Maatregelen vóór het starten van een nieuw hydraulisch systeem

Componenten voor hydraulische uitrusting. Algemeen. Maatregelen vóór het starten van een nieuw hydraulisch systeem Algemeen Algemeen De volgende componenten voor het bedienen van hydraulische uitrusting kunnen af fabriek worden besteld: De volgende componenten zijn beschikbaar: Bedieningshendel Hydraulische olietank

Nadere informatie

Praktijk Vragen over auto

Praktijk Vragen over auto Praktijk Vragen over auto 1 BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).

Nadere informatie

Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889.

Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889. COBRA 889 INLEIDING Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889. De belangrijkste vernieuwing in deze 889-serie bestaat uit het systeem, dat de herkenningscode van de afstandsbediening

Nadere informatie

Oefenboek. rijbewijs B

Oefenboek. rijbewijs B Oefenboek rijbewijs B Gevaarherkenning Elk examen/tentamen in dit oefenboek is ingedeeld zoals een theorie-examen bij het CBR. Een examen begint met 25 vragen over gevaarherkenning. Bij deze vragen wordt

Nadere informatie

Bedieningsorganen en instrumenten

Bedieningsorganen en instrumenten Bedieningsorganen en instrumenten Aanvullende informatie HOOFDSTEUNEN - AFSTELLING WAARSCHUWING Hoofdsteunen zijn zodanig ontworpen dat daardoor de achterkant van het hoofd (en NIET DE NEK) wordt ondersteund

Nadere informatie

Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding

Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding Cobra Alarm 4627 Gebruikers Handleiding Clifford Electronics Benelux BV Tel.+31 20 40 40 919 [email protected] ISO 9001:2008 Cobra Alarmsysteem: Diefstal is de laatste tijd explosief gestegen. CAN Bus manipulatie

Nadere informatie

Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS

Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS Gefeliciteerd! U heeft gekozen voor een fiets met elektrische ondersteuning, de E-bike. Uw E-bike zal u door zijn elektrische ondersteuning

Nadere informatie

Parameters Zichtbaarheid. Inleiding

Parameters Zichtbaarheid. Inleiding Inleiding Inleiding De lijst van parameters in dit document is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Neem contact op met een een erkende Scania werkplaats voor

Nadere informatie

Climate control VENTILATIEOPENINGEN

Climate control VENTILATIEOPENINGEN VENTILATIEOPENINGEN 1 1 2 2 3 3 E90911 1. Ventilatieopeningen voor het gezicht 2. Ventilatieopening voor de bestuurdersschoot 3. Bedieningselementen van ventilatieopeningen, middenconsole achterin Opmerking:

Nadere informatie

NLEIDING Deze vertaling is door Technautic B.V. met de grootst mogelijke zorg samengesteld.

NLEIDING Deze vertaling is door Technautic B.V. met de grootst mogelijke zorg samengesteld. Nasa EX-1 INLEIDING. Het is gebruikelijk om koelwater te injecteren in motor uitlaatsystemen. Deze koeling reduceert temperatuur van het uitlaatgas tot een niveau waar rubberen en polymeer uitlaatgasbestanddelen

Nadere informatie

Gebruikers handleiding versie

Gebruikers handleiding versie Gebruikers handleiding versie 280109 Gebruikers handleiding 1. Gebruik Een fiets met VTS ondersteuning rijdt als een gewone fiets, waarbij het VTS systeem zorgt voor een extra ondersteuning die instelbaar

Nadere informatie

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies

Nadere informatie

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene installatiehandleiding Alarmlicht met sirene INSTALLATIEHANDLEIDING ALARMLICHT MET SIRENE Gefeliciteerd met de aankoop van het Egardia alarmlicht met sirene. Website Egardia www.egardia.com Klantenservice

Nadere informatie

F I A T F I O R I N O NL C O M F O R T - M A T I C

F I A T F I O R I N O NL C O M F O R T - M A T I C F I A T F I O R I N O 530.03.132 NL C O M F O R T - M A T I C In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Comfort-matic bediening. Voor

Nadere informatie

Rijden in het terrein

Rijden in het terrein Rijden in het terrein Rijden in het terrein Rijden in het terrein VOOR HET WEGRIJDEN Voordat u gaat terreinrijden is het absoluut essentieel dat onervaren bestuurders geheel bekend worden gemaakt met de

Nadere informatie

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1. Verstelling naar voren/naar achteren. 2. Hoogteverstelling.

Nadere informatie

RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat. Instructies

RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat. Instructies RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat Instructies Deze kunnen worden gebruikt voor het afzuigen van: Motorolie Versnellingsbak- en transmissieolie Koelvloeistof Remvloeistof Andere

Nadere informatie

Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , ,

Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , , Installation instructions, accessories Instructienr. 30756608 Versie 1.2 Ond. nr. 30756607, 30756606, 31316446 Stuurwiel, leer IMG-339612 Volvo Car Corporation Stuurwiel, leer- 30756608 - V1.2 Pagina 1

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

De BeoCom 6000 extra handset kunt u overal in huis en tuin met u meenemen.

De BeoCom 6000 extra handset kunt u overal in huis en tuin met u meenemen. B E O C O M 6 0 0 0 De BeoCom 6000 extra handset kunt u overal in huis en tuin met u meenemen. De handset kan in het basisstation, of in de kleine tafel- en wandladers worden geplaatst. Raadpleeg de handleiding

Nadere informatie

ESN bedieningsprocedure beveiliging

ESN bedieningsprocedure beveiliging ESN bedieningsprocedure beveiliging ESN bedieningsprocedure beveiliging Over ESN Dit deck is voorzien van ESN (Eclipse Security Network). Een voorgeregistreerde muziek CD (Key CD), veiligheidscode met

Nadere informatie

GEBRUIKSHANDLEIDING. Art. 866 DRIVERCARD 06DE1939A - 03/04. Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA

GEBRUIKSHANDLEIDING. Art. 866 DRIVERCARD 06DE1939A - 03/04. Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA GEBRUIKSHANDLEIDING Art. 866 DRIVERCARD 12 Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA 06DE1939A - 03/04 1 06DE1939A.pmd 1 GARANTIE Garantie bepaling INHOUD Introductie... pagina 2 1. DriverCard

Nadere informatie

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN Gema ksvoorzie ningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING AUTO E80434 De zonneklep kan tegen verblinding naar beneden of zijwaarts worden geklapt. ZONNESCHERMEN E993 Verdraai het duimwieltje

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-3500 TUIN STEKKERDOOS SCHAKELAAR ZWAAR

GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-3500 TUIN STEKKERDOOS SCHAKELAAR ZWAAR GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-3500 TUIN STEKKERDOOS SCHAKELAAR ZWAAR D C B A * * Afbeelding van de YCT-102 (niet altijd inbegrepen, check de specificaties op de verpakking) A: Indicator (spannings- en

Nadere informatie

Accu en oplader instructies: Eigen bedrijfsgegevens

Accu en oplader instructies: Eigen bedrijfsgegevens Accu en oplader instructies: Eigen bedrijfsgegevens 1. Als u de accu helemaal leeg hebt gereden, zorg er dan voor dat u uw accu kort hierna weer aan de lader zet (binnen enkele uren). 2. Laat de accu nooit

Nadere informatie

Sensoren bereik. Display status

Sensoren bereik. Display status Algemeen installatiediagram LED Digitale display Display Hoofdunit Bij het achteruit rijden zal het display weergeven: 1.5m Veilig Groen 1.3-1.4m Veilig Groen 1.0-1.2m Veilig Groen 0.7-0.9m Alarm Geel

Nadere informatie

Montagehandleiding ZT-50 N Vacuum Cruise Control

Montagehandleiding ZT-50 N Vacuum Cruise Control Montagehandleiding ZT-50 N Vacuum Cruise Control ZT-50N Cruise Control Bedieningsfuncties Aanzetten : Snelheid verlagen : Zet de On/Off knop op On. Inschakelen : Let op! Zodra de Cruise Control niet gebruikt

Nadere informatie

Afstelbare parameters - Alarm en centrale vergrendeling

Afstelbare parameters - Alarm en centrale vergrendeling Inleiding Inleiding De lijst van afstelbare parameters is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Bezoek voor meer informatie over de huidige parameters voor een

Nadere informatie

Handleiding Volkswagen Caddy (Maxi) voor rolstoelvervoer. (Versie 1.5 Nederlands)

Handleiding Volkswagen Caddy (Maxi) voor rolstoelvervoer. (Versie 1.5 Nederlands) Handleiding Volkswagen Caddy (Maxi) voor rolstoelvervoer (Versie 1.5 Nederlands) Inleiding Geachte bestuurder / gebruiker, Gefeliciteerd met de aankoop van uw nieuwe aangepaste auto. Deze handleiding is

Nadere informatie

1. AM/FM-radio gebruiken

1. AM/FM-radio gebruiken De tuner gebruiken 1. AM/FM-radio gebruiken Toets SOURCE MENU RECALL (BRONMENU OPHALEN) Stationsvoorkeuzetoetsen FUNCTION-toets BAND AUTO.P POWER-toets VOL-knop TUNE TRACKtoetsen Luisteren naar de AM/FM-radio

Nadere informatie

HANDLEIDING TEMPO / TEMPO+ TRANZX PST

HANDLEIDING TEMPO / TEMPO+ TRANZX PST HANDLEIDING TEMPO / TEMPO+ TRANZX PST INTRODUKTIE Gefeliciteerd! U heeft gekozen voor de Puch Tempo / Tempo+, een fiets met trapondersteuning. Een nieuwe wereld zal voor u opengaan en u zult van het gemak

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-300 TUIN STEKKERDOOS DIMMER/SCHAKELAAR

GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-300 TUIN STEKKERDOOS DIMMER/SCHAKELAAR GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.0 AGDR-300 TUIN STEKKERDOOS DIMMER/SCHAKELAAR D C B A * * Afbeelding van de YCT-102 (niet altijd inbegrepen, check de specificaties op de verpakking) A: Indicator (spannings- en

Nadere informatie

INBOUW HANDLEIDING GT806 (GT804+GT844)

INBOUW HANDLEIDING GT806 (GT804+GT844) 1 INBOUW HANDLEIDING GT806 (GT804+GT844) Hartelijk dank voor het kiezen van een GT produkt. Onze materialen zijn met uiterste zorg gefabriceerd en getest. Mocht U vragen over onze produkten hebben, dan

Nadere informatie

VOORDAT U DE HEADSET VOOR DE EERSTE KEER GEBRUIKT

VOORDAT U DE HEADSET VOOR DE EERSTE KEER GEBRUIKT VOORDAT U DE HEADSET VOOR DE EERSTE KEER GEBRUIKT - Dient de hoofdtelefoon aan uw mobiele telefoon te worden gepaard. Zie paragraaf BLUETREK Skin paren in deze handleiding. Inleiding Deze BLUETREK Skin-headset

Nadere informatie

Energie-efficiënt vrachtverkeer in steden. Bestuurders handleiding

Energie-efficiënt vrachtverkeer in steden. Bestuurders handleiding Energie-efficiënt vrachtverkeer in steden Bestuurders handleiding Het FREILOT proefproject in Helmond is een gezamenlijke inspanning van de Gemeente Helmond, Van den Broek Logistics, Brandweer Helmond,

Nadere informatie

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene installatiehandleiding Alarmlicht met sirene INSTALLATIEHANDLEIDING ALARMLICHT MET SIRENE Gefeliciteerd met de aankoop van het WoonVeilig alarmlicht met sirene. Telefoonnummer WoonVeilig 0900-388 88 88

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 AC-1000 STEKKERDOOSSCHAKELAAR

GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 AC-1000 STEKKERDOOSSCHAKELAAR GEBRUIKSAANWIJZING v. 1.1 AC-1000 STEKKERDOOSSCHAKELAAR A B C * Verlichting: Aan / Uit * Afbeelding van de YCT-102 (niet altijd inbegrepen, check de specificaties op de verpakking) A: Indicator (spannings-

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

Voertuigaccu WAARSCHUWINGSSYMBOLEN VAN DE ACCU VERZORGING VAN DE ACCU

Voertuigaccu WAARSCHUWINGSSYMBOLEN VAN DE ACCU VERZORGING VAN DE ACCU WAARSCHUWINGSSYMBOLEN VAN DE ACCU Op het acculabel staan de volgende waarschuwingen: Niet roken, geen open vuur, geen vonken. De accu stoot vaak explosieve gassen uit. Uit de buurt van kinderen houden

Nadere informatie

Handleiding Alma Rally & Alma Rally Off-road

Handleiding Alma Rally & Alma Rally Off-road Handleiding Alma Rally & Alma Rally Off-road Versie 1.2.1 Korsmit Rally Elektronics 16-7-2017 Inhoud Inhoud... 2 Samenvatting... 3 1. informatie... 4 Achtergrond... 4 Weergaven:... 4 2. Werking... 5 3.1:

Nadere informatie