SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
|
|
|
- Jasper de Lange
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN TWEEDE GRAAD TSO LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS VVKSO BRUSSEL (Vervangt leerplan D/2011/7841/041 vanaf 1 september 2012) Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel
2 Inhoud Situering van het leerplan Studierichtingsprofiel Situering Beginsituatie Vorming vertrekkend vanuit een christelijk mensbeeld Competenties Context Wat na de tweede graad? Visie Visie op leren Relatie met de derde graad Voeding Competenties Context Leerplandoelstellingen Pedagogisch-didactische wenken Minimale materiële vereisten Bruikbare bronnen Expressie Competenties STW Visie Leerplandoelstellingen expressie Pedagogisch-didactische wenken Attitudes Minimale materiële vereisten Sociale Wetenschappen Algemene doelstellingen Algemene pedagogisch-didactische wenken Leerplandoelstellingen, leerinhouden en didactische wenken Evaluatie Minimale materiële vereisten Bronnen Natuurwetenschappen Beginsituatie Algemene doelstellingen Algemene pedagogisch-didactische wenken Leerplandoelstellingen, leerinhouden en pedagogisch-didactische wenken Evaluatie Minimale materiële vereisten Vakgebonden eindtermen voor natuurwetenschappen tweede graad tso de graad tso
3 Situering van het leerplan Zie website van het VVKSO bij lessentabellen. 2de graad tso 3
4 1 Studierichtingsprofiel 1.1 Situering In de studierichting verkennen leerlingen de wisselwerking tussen mens, voeding en milieu en hun eigen positie daarbinnen. De studierichting is opgebouwd met de componenten natuurwetenschappen, sociale wetenschappen, voeding en expressie. Bij het leren zijn verbondenheid, groei en leren in samenhang belangrijke uitgangspunten. 1.2 Beginsituatie Jongeren die geslaagd zijn in de eerste graad van de A-stroom en een ruime belangstelling hebben voor alles wat met mens, voeding en milieu te maken heeft. 1.3 Vorming vertrekkend vanuit een christelijk mensbeeld Vanuit de keuze voor een christelijke mensvisie willen we jongeren helpen uitgroeien tot mensen die in verbondenheid met zichzelf, met de ander, met God én op een verantwoordelijke wijze in het leven staan. Deze mensvisie, die een holistische, emancipatorische en dynamische mensvisie is, sluit aan bij de visie op leren van waaruit het studierichtingsprofiel en het leerplan werden ontwikkeld. 1.4 Competenties In de studierichting ontwikkelen leerlingen volgende competenties (samenhang van kennis, vaardigheden en attitudes in een concrete situatie): 1. Binnen een welomschreven opdracht sociaal-wetenschappelijke en natuur-wetenschappelijke onderwerpen onderzoeken: Leerlingen leren een onderwerp vanuit verschillende invalshoeken onderzoeken door verschillende methodieken van opzoeken, analyseren en verwerken te hanteren. Leerlingen diepen wetenschappelijke inzichten, verworven in lessen natuurwetenschappen, sociale wetenschappen en al dan niet gelinkt aan aspecten van voeding en/of expressie, uit en/of passen ze toe. Zo leren ze op een deskundige wijze met kennis en informatie om te gaan. 2. Binnen een welomschreven opdracht een persoonsgerichte activiteit voor een groep organiseren (plannen, voorbereiden, uitvoeren en evalueren); binnen een welomschreven opdracht een maaltijd/gerecht voor een groep plannen, voorbereiden en bereiden: Leerlingen leren op een methodische wijze activiteiten en maaltijdbereidingen organiseren. Ze leren hierbij rekening te houden met een welbepaalde doelgroep en criteria. Op deze wijze leren ze doelgericht met mensen werken, een eenvoudige en gezonde maaltijd of gerecht bereiden, een activiteit concreet voorbereiden en uitvoeren. Deze competentie past binnen het studierichtingsprofiel van STW waarbinnen voeding een belangrijke plaats inneemt als concreet middel om de relatie mens-voeding en milieu te realiseren. 4 2de graad tso
5 3. Binnen een welomschreven opdracht iets mondeling presenteren voor een groep: Voor leerlingen die na het zesde jaar kiezen voor een opleiding in de sociale, agogische, gezondheidsen onderwijssector, is het aangewezen dat ze in staat zijn om iets mondeling te presenteren, toe te lichten, uit te leggen, te motiveren, voor te stellen. Binnen de leerlijnen van de andere competenties leren ze naast het mondeling presenteren ook resultaten van een onderzoek, of een maaltijd, een persoongerichte activiteit op andere wijzen te presenteren. We beschouwen het mondeling presenteren echter van zo n groot belang dat er een aparte competentie en leerlijn is voor uitgeschreven. 4. Eigen leren/studieloopbaan in handen nemen: Leerlingen maken kennis met een ruime waaier aan toekomstmogelijkheden en maken keuzes voor een verdere studie- en/of beroepsloopbaan. Daarnaast is het belangrijk dat leerlingen zichzelf en hun leerproces leren inschatten en bijsturen, dat ze leren omgaan met reflectie en feedback, dat ze leren samenwerken en functioneren in groep. Omdat we deze elementen binnen een doorstroomrichting én in het latere leven uitermate belangrijk vinden, resulteren ze onder een vierde competentie. De leerlijn van deze vierde competentie, loopt echter doorheen de leerlijnen van de andere competenties. 1.5 Context De leerlingen bereiken de competenties bij doelgroepen die aansluiten bij de mogelijkheden van de schoolcontext: medeleerlingen en andere leeftijdgenoten én een kleine groep van gezonde individuen (verschillend van leerlingen en leeftijdgenoten) Om de competenties te bereiken, voeren leerlingen integrale opdrachten uit: passend binnen het studierichtingsprofiel die een integratie beogen tussen natuurwetenschappen en/of sociale wetenschappen en/of voeding en/of expressie met een lagere complexiteit: o aan de hand van duidelijke instructies (gegeven werkmodellen, duidelijke criteria) o duur: kortlopend o competentie 1: werken met afgebakende onderzoeksvragen, een werkplan opstellen, informatie zoeken uit één bron, een onderzoek uitvoeren en de resultaten beoordelen, rapporteren, resultaten voorstellen, uitvoering van een onderzoek evalueren. o competentie 2: uit een aanbod een activiteit/maaltijd/gerecht kiezen voor een doelgroep; een werkplan maken; een activiteit uitvoeren/maaltijd bereiden; een activiteit evalueren. o competentie 3: een onderwerp afbakenen; een korte mondelinge presentatie voorbereiden; een korte mondelinge presentatie geven met ondersteuning van één of meerdere opgegeven hulpmiddelen; een korte mondelinge presentatie evalueren. o competentie 4: eigen leren in handen nemen; samenwerken, reflecteren, omgaan met feedback, oriënteren op derde graad onder directe begeleiding van het lerarenteam onder begeleiding keuzes maken 2de graad tso 5
6 1.6 Wat na de tweede graad? Jongeren kunnen doorstromen naar Sociale- en technische wetenschappen derde graad tso. Zij kunnen ook doorstromen naar Gezondheids-en welzijnswetenschappen 3 de graad tso, naar Jeugd- en gehandicaptenzorg 3 de graad tso, naar Verzorging 3 de graad bso en naar Organisatiehulp 3 de graad bso. Jongeren kunnen eventueel - wanneer ze voldoen aan de wettelijke voorwaarden - ook uitstromen naar studierichtingen die geen deel uitmaken van het studiegebied Personenzorg. 2 Visie 2.1 Visie op leren Wanneer men meer wil weten over de visie op leren en de uitgangspunten van waaruit het leerplan werd geschreven zoals het competentieontwikkelend leren waarbij groei, leren in samenhang en het handelen centraal stellen belangrijk zijn, verwijzen we naar een servicedocument. In dit document worden er eveneens mogelijkheden beschreven om dit competentieontwikkelend leren gestalte te geven. In de lessentabel wordt tijd en ruimte voorzien voor het ontwikkelen van de vier competenties en het leren in samenhang (integrale opdrachten): De integrale opdrachten (IO) zijn opgebouwd rond inhouden vanuit meerdere componenten (natuurwetenschappen, sociale wetenschappen, voeding en expressie) en staan in functie van de ontwikkeling van de competenties; De integrale opdrachten worden uitgewerkt en begeleid door een multidisciplinair team; De leerplandoelstellingen voeding en expressie zijn een middel om competenties te ontwikkelen; De leerplandoelstellingen van voeding en expressie worden binnen integrale opdrachten verwezenlijkt; De leerplandoelstellingen van de vakken sociale wetenschappen en natuurwetenschappen worden binnen de vakken SW en NW bereikt en geëvalueerd. Het bereiken van deze leerplandoelstellingen kunnen binnen de integrale opdrachten worden voorbereid, uitgebreid, verdiept, ingeoefend. Het verschuiven van leerplandoelstellingen naar integrale opdrachten zonder dat ze in de vakken SW en NW aan bod komen, kan dus niet; IO biedt mogelijkheden om te werken rond integratie van ondersteunende kennis, vaardigheden en attitudes vanuit de vakken van de basisvorming; Het lerarenteam heeft bij de competentieontwikkeling van de leerlingen een begeleidende en coachende rol. 2.2 Relatie met de derde graad De vier competenties, die werden geformuleerd voor de studierichting, worden zowel in de tweede als in de derde graad bereikt binnen de beschreven contexten. Het is de taak van elke school om de competenties te concretiseren. 6 2de graad tso
7 Tweede graad Derde graad Competenties: 1. binnen een welomschreven opdracht sociaal-wetenschappelijke en natuur-wetenschappelijke onderwerpen onderzoeken; 2. binnen een welomschreven opdracht een persoonsgerichte activiteit voor een groep organiseren (plannen, voorbereiden, uitvoeren en evalueren); binnen een welomschreven opdracht een maaltijd/gerecht voor een groep plannen, voorbereiden en bereiden; 3. binnen een welomschreven opdracht iets mondeling presenteren voor een groep; 4. het eigen leren/studieloopbaan in handen nemen. Context: Context: De leerlingen bereiken de competenties bij doelgroepen die aansluiten bij de mogelijkheden van de schoolcontext: én medeleerlingen en andere leeftijdgenoten een kleine groep van gezonde individuen (verschillend van medeleerlingen en andere leeftijdgenoten) De leerlingen bereiken de competenties bij doelgroepen die aansluiten bij de mogelijkheden van de schoolcontext: én medeleerlingen en andere leeftijdgenoten een kleine groep van gezonde individuen (verschillend van medeleerlingen en andere leeftijdgenoten) Om de competenties te bereiken voeren leerlingen integrale opdrachten uit: Om de competenties te bereiken voeren leerlingen integrale opdrachten uit: passend binnen het studierichtingsprofiel passend binnen het studierichtingsprofiel beogen een integratie tussen natuurwetenschappen en/of sociale wetenschappen, en/of voeding en/of expressie beogen een integratie tussen natuurwetenschappen en/of sociale wetenschappen en/of voeding en/of expressie met een lagere complexiteit: met een hogere complexiteit: o aan de hand van duidelijke instructies (gegeven werkmodellen, duidelijke criteria) o aan de hand van duidelijke instructies (gegeven werkmodellen, duidelijke criteria) o duur: kortlopend o C1: werken met afgebakende onderzoeksvragen, een werkplan opstellen, informatie zoeken in één bron, een onderzoek uitvoeren en de resultaten beoordelen, rapporteren, resultaten voorstellen, de uitvoering van een onderzoek evalueren o C1: zelf onderzoeksvragen afbakenen, een werkplan opstellen, informatie zoeken in meerdere bronnen, een onderzoek uitvoeren en de resultaten beoordelen, rapporteren, resultaten voorstellen en een eigen mening formuleren, de uitvoering van een onderzoek evalueren. 2de graad tso 7
8 . o C2: uit een aanbod een activiteit/maaltijd/gerecht kiezen voor een doelgroep; een werkplan maken; een activiteit uitvoeren/maaltijd bereiden; de uitvoering van een activiteit evalueren o C2: een gepaste activiteit/maaltijd/gerecht kiezen voor een doelgroep; een werkplan maken; een activiteit uitvoeren/een maaltijd bereiden, anticiperen op de doelgroep; de uitvoering van een activiteit evalueren. o C3: een onderwerp afbakenen; een korte mondelinge presentatie voorbereiden; een korte mondelinge presentatie geven met ondersteuning van één of meerdere opgegeven hulpmiddelen; een korte mondelinge presentatie evalueren. o C3: een onderwerp afbakenen; een langere mondelinge presentatie voorbereiden; een langere mondelinge presentatie geven met ondersteuning van zelfgekozen hulpmiddelen, vragen van toehoorders beantwoorden; een langere mondelinge presentatie evalueren met hulp van toehoorders. o C4: eigen leren in handen nemen, samenwerken, reflecteren, omgaan met feedback, oriënteren op derde graad o C4: eigen leren in handen nemen, samenwerken, reflecteren, omgaan met feedback, oriënteren op verdere (studie)loopbaan. leerlingen werken onder directe begeleiding van het lerarenteam leerlingen werken meer zelfstandig en autonoom, onder toezicht van het lerarenteam leerlingen maken onder begeleiding keuzes leerlingen maken op zelfstandige wijze keuzes 8 2de graad tso
9 3 Voeding 3.1 Competenties C1 Binnen een welomschreven opdracht sociaal-wetenschappelijke en natuur-wetenschappelijke onderwerpen onderzoeken C2 Binnen een welomschreven opdracht een persoonsgerichte activiteit voor een groep organiseren; een maaltijd of gerecht voor een groep plannen, voorbereiden en bereiden C3 Binnen een welomschreven opdracht iets mondeling presenteren voor een groep C4 Eigen leren en studieloopbaan in handen nemen 3.2 Context De leerlingen bereiken de competenties bij doelgroepen die aansluiten bij de mogelijkheden van de schoolcontext: medeleerlingen en andere leeftijdgenoten én een kleine groep van gezonde individuen (verschillend van medeleerlingen en leeftijdgenoten; vaak met verschillende noden en behoeften), zoals bv. een gezin, De leerlingen voeren integrale opdrachten uit: passend binnen het studierichtingsprofiel die een integratie beogen tussen natuurwetenschappen en/of sociale wetenschappen en/of voeding en/of expressie met een lagere complexiteit: o aan de hand van duidelijke instructies (gegeven werkmodellen, duidelijke criteria) o duur: kortlopend onder directe begeleiding van het lerarenteam waarbij leerlingen onder begeleiding keuzes maken Bemerking: De planning, voorbereiding en bereiding van maaltijden voor grote ontvangsten, recepties, grootkeuken of restaurant maken geen deel uit van de integrale opdrachten. 2de graad tso 9
10 3.3 Leerplandoelstellingen Leerplandoelstellingen Onderliggende doelen 1 Een voedingsvoorlichtingsmodel toelichten het begrip voedingsvoorlichting in het kader van het Nationaal gezondheids-en voedingsplan toelichten 2 De samenstelling van een gerecht toetsen aan een voedingsvoorlichtingsmodel een voedingsvoorlichtingsmodel op regelmatige basis gebruiken voedingsaanbevelingen voor een evenwichtige voeding voor jarigen toelichten 3 De begrippen voedingsmiddelen en voedingsstoffen toelichten 4 De betekenis van het etiket op een verpakking toelichten: ingrediëntenlijst producent herkomst houdbaarheid richtlijnen bereiding recycleerbaarheid van de verpakking het begrip voedingsmiddelen toelichten: begrip, soorten, betekenis, kwantitatieve en kwalitatieve samenstelling het begrip voedingsstoffen toelichten: begrippen, soorten, mogelijke indelingen de invloed van de inname van voedingsmiddelen voor de energetische waarden verduidelijken Een maaltijd plannen, voorbereiden en bereiden 5 Een passend product, gerecht, bereidingswijze en bewaarmethode kiezen en deze keuze verantwoorden 6 Bestaande recepten aanpassen: naar hoeveelheden in keuze van ingrediënten producten proeven in functie van het ontwikkelen van een smaakcultuur informatiebronnen voor productkeuze raadplegen begrippen proces- en productkwaliteit toelichten keuzes verantwoorden binnen het kader van de voedingsvoorlichting van jarigen kostprijsbewust zijn 10 2de graad tso
11 naar bereidingswijze naar doelgroep 7 Op basis van een werkmodel gerechten/maaltijden bereiden voor een kleine doelgroep 8 Bereidingen correct bewaren bereiding volgens gekozen bereidingswijze uitvoeren wegen en meten apparatuur en hulpmiddelen werkklaar houden en gebruiken veilig en hygiënisch handelen: Goede Hygiënepraktijken (GHP) gebruik maken van technieken en principes vaat wassen en opruimen afval volgens instructies sorteren 9 Gerechten volgens criteria presenteren en deze keuze verantwoorden 10 Samen maaltijd nemen zorgen voor eenvoudige sfeerschepping respectvol tafelen 3.4 Pedagogisch-didactische wenken Algemeen: De leerplandoelstellingen dienen in relatie tot de competenties te worden gerealiseerd (door middel van integrale opdrachten). In een servicedocument bij het leerplan worden suggesties opgenomen voor het werken met integrale opdrachten. Hou bij de uitwerking van opdrachten rekening met de context waarbinnen de leerplandoelstellingen dienen te worden verwezenlijkt. Om de leerplandoelstellingen te verwezenlijken binnen IO geven we het advies om een equivalent van 2u per week te besteden aan de leerplandoelstellingen voeding. Om de leerplandoelstellingen binnen dit equivalent te bereiken, is het noodzakelijk om ondersteunende kennis, vaardigheden en attitudes aan te reiken vanuit de andere inhoudelijke componenten. Wenken bij leerplandoelstelling 1: Het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan voor België(NVGP-B) is een initiatief van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De levensverwachting van de Belgische bevolking stijgt door de vooruitgang van de medische verzorging en de verbetering van de levensomstandigheden. Nochtans leiden een aantal evoluties uit onze samenleving tot ongezonde leef- en voedingsgewoonten en vermindering van de fysieke activiteit. Deze risicofactoren leiden tot een stijging in het voorkomen van overgewicht en obesitas en een aantal chronische aandoeningen die hierdoor in de hand worden gewerkt, zonder dat de bevolking zich hiervan bewust is. Het NVGP-B wil daarom deze problematiek aanpakken en op die manier het gezondheidsniveau van de Belgische bevolking verhogen. Het NVGP-B baseert zich hiervoor op de internationale initiatieven die be- 2de graad tso 11
12 staan op het niveau van de Europese Unie en de Wereldgezondheidsorganisatie, en in het bijzonder de WGO Globale strategie betreffende voeding, fysieke activiteit en gezondheid. De tekst die het resultaat is van werkzaamheden van een aantal werkgroepen bevat een aantal te verwezenlijken doelstellingen en aanbevelingen. Verschillende maatschappelijke actoren werk(t)en verschillende digitale en schematische toepassingen uit in functie van het bereiken van de vooropgestelde doelstellingen. De actieve voedingsdriehoek (Belgisch) is een voorbeeld van een schematisch voorstelling van een aantal van de aanbevelingen. Het model van de actieve voedingsdriehoek werd ook uitgewerkt voor verschillende doelgroepen / leeftijdscategorieën: zoals de jarigen. Het is interessant om leerlingen te laten kennis maken met verschillende aanpassingen van de actieve voedingsdriehoek in functie van verschillende doelgroepen. Om wille van het feit dat voeding een sterk cultuurgebonden gegeven is, is het zinvol om met leerlingen stil te staan bij cultuurgebonden voedingspatronen. De voedingspatronen van de eigen klasgenoten vormen hiervoor een mooi uitgangspunt. Voedingsgewoonten en -patronen liggen aan de basis van trends. Het is interessant om leerlingen via websites hun eigen voedingspatroon te laten ontdekken. Wenken bij leerplandoelstelling 2: Het is zinvol dat leerlingen de samenstelling van de gerechten die worden bereid - in relatie tot leerplandoelstelling 6 - telkens weten te toetsen aan de actieve voedingsdriehoek, volgens het model dat is aangepast aan de doelgroep waartoe het gerecht wordt bereid. Wenken bij leerplandoelstelling 3: Deze leerplandoelstelling komt reeds aan bod in het leerplan Natuurwetenschappen 1 ste graad A-stroom en is dus een herhaling voor de leerlingen. In het leerplan Natuurwetenschappen 3 de graad STW zal men hierop in het onderdeel biochemie dieper in gaan. De kwantitatieve samenstelling van voedingsmiddelen wordt uitgedrukt in hoeveelheid (gram, %); de kwalitatieve samenstelling vermeldt de soorten voedingsstoffen. Om het aantal begrippen te verminderen en te vereenvoudigen, maakt men in natuurwetenschappen enkel gebruik van voedingsmiddel en voedingsstof. Het begrip voedselbestanddeel wordt niet meer gebruikt. Voedsel bestaat uit voedingsmiddelen. Brood, melk en water zijn voedingsmiddelen. De meeste voedingsmiddelen bestaan uit verschillende stoffen. Voedingsmiddelen zijn mengsels van verschillende zuivere stoffen. Voorbeelden van deze zuivere stoffen zijn: suikers, eiwitten, vetten bewaarmiddelen, zoetstoffen, smaakmakers, vitaminen, water, Voedingsstoffen zijn die stoffen die door het organisme uit de omgeving worden opgenomen en gebruikt om in leven te blijven en goed te functioneren. Voedingsstoffen worden ook wel nutriënten genoemd. Voedingsstoffen kunnen volgens de functie die ze in het organisme uitvoeren, ingedeeld worden in bouwstoffen, brandstoffen, beschermstoffen. Bouwstoffen zijn stoffen die het organisme nodig heeft om nieuwe cellen aan te maken of om oude of beschadigde cellen te herstellen. Eiwitten, vetten, water en mineralen worden tot de bouwstoffen gerekend. Brandstoffen zijn stoffen waaruit het lichaam energie haalt. Het zijn energieleverende stoffen. Suikers en vetten zijn de belangrijkste energieleveranciers. Beschermstoffen zijn stoffen die het organisme beschermen tegen ziekten en/of een rol spelen in het goed functioneren van het organisme. Vitaminen en mineralen zijn de best gekende. Bij gebrek aan vitaminen treden er allerlei gebrekverschijnselen op. Andere stoffen (zoals cellulose) in vezels spelen een rol in het goed functioneren van het spijsverteringsstelsel. Voedingsvezels vervullen ook een beschermende functie. Bij gebrek aan voedingsvezels krijgen organismen problemen met hun stoelgang. 12 2de graad tso
13 Laat bij de voedingsstoffen ook de verschillende functies in het lichaam aan bod laten komen: groei, weefsel-opbouw, herstel en in stand houden lichaamsfuncties. De Nubel voedingsmiddelentabel is een naslagwerk voor professionals. Het is mogelijk internettoepassingen te laten ervaren, zoals die de gewone consument inzicht wil verschaffen in zijn/haar eetpatroon. Enkel e-toepassingen die op een vereenvoudigde wijze inzicht geven in voedingspatronen kunnen in aanmerking komen. Wenken bij leerplandoelstelling 4: Het etiket op een verpakking verschaft de gebruiker heel wat informatie. Naast de voedingsinformatie kan de leerling gestimuleerd worden tot ethisch, ecologisch en duurzaam consumeren. We zijn er ons van bewust dat er meer op een etiket staat dan de vermelde elementen. In functie van het ontwikkelen van een leerlijn, sommen we de elementen op die aan bod dienen te komen in de tweede graad. Via de herkomst nadenken over transport en productie van voedingsmiddelen en de impact hiervan op de ecologische voetafdruk, op de economie in het land van herkomst (Noord-Zuid-problematiek). Wenken bij leerplandoelstelling 5: Leerlingen ondersteunen in de ontwikkeling van een smaakcultuur is een belangrijk voorwaarde voor het bereiken van deze leerplandoelstelling. Het proeven van producten helpt leerlingen o.a.: o in het uitbreiden van hun productkennis: textuur, uitzicht, smaak o verschillende smaken te onderscheiden o respect te verwerven voor producten die cultuurgebonden zijn. Hierbij denken we zowel aan producten uit onze cultuur, zoals de zogenaamde vergeten groenten zoals pastinaak, aardpeer, als aan producten uit andere culturen zoals couscous, aubergine o dat lekker niet langer de tegenpool is van gezond. Productkeuze: ook hedendaagse producten meenemen (bio-producten, vleesvervangende producten, nieuwe en vernieuwde producten, halffabrikaten, functionele voedingsmiddelen). Kostenbewustzijn ontwikkelen : invloed van de hoeveelheid (bv. grootte van de verpakking, geportioneerd), de aard van de verpakking, de wijze van bereiding en de wijze van bewaring spelen daarbij een rol. Productkeuze wordt ook bepaald door de noden en behoeften en de levensstijl van de leden van de doelgroep: voorkeur, allergie, het is belangrijk leerlingen met levensechte situaties te confronteren waarin ze bij de keuze van producten, gerechten en bereidingswijzen rekening moeten houden met de diversiteit in eigen klas. Productkeuze: Smaakversterkers en smaakverbeteraars, kruiden en specerijen, zoetstoffen kunnen hier eventueel een plaats krijgen. Laat leerlingen met een waaier van bereidingen kennis maken. Het vergelijken van verschillende bereidingswijzen voor eenzelfde product of eenzelfde bereidingswijze voor verschillende gelijkaardige producten biedt heel wat leermogelijkheden. Met courante bewaarmethoden voor producten en bereidingen werken. Wenken bij leerplandoelstelling 6: Het is aangewezen om als leraar de recepten zodanig te kiezen dat deze aansluiten bij het voedingsvoorlichtingsmodel en dus beantwoorden aan de visie op een evenwichtige voeding. 2de graad tso 13
14 Men kan leerlingen recepten laten selecteren zodat ze aan de criteria van een voedingsvoorlichtingsmodel voldoen, om ze vervolgens aan te passen naar hoeveelheden, bereidingswijze. Het kan zinvol zijn leerlingen er op te wijzen dat door een lichte wijziging aan het recept - bv. kiezen voor lightroom of het vervangen van room door melk, het recept beter beantwoordt aan de visie op een evenwichtige en gezonde voeding. Wenken bij leerplandoelstelling 7: Alle stappen in de planning, voorbereiding en bereiding van maaltijden (of onderdelen ervan) zijn onlosmakelijk verbonden met de noden en behoeften van de doelgroep en met de context waarin die bereid wordt (seizoen, beschikbare infrastructuur, vb. kleine keuken ). De betekenis van een gerecht/maaltijd wordt bepaald door de context. Vaste vormen rond maaltijdorganisatie verdwijnen qua tijdstip, aantal maaltijden per dag, deelname gezinsleden. Snacks worden maaltijden. Het is belangrijk deze realiteit als basis te nemen. Maaltijdstructuur (voorgerecht, hoofdgerecht, dessert) evolueert naar grotere flexibiliteit en vrijheid (walking diner, brunch) Werkmodellen zijn onder meer instructiefiches, technische fiches, productfiches, stappenplannen, recepten. Ze kunnen op allerlei manieren gepresenteerd worden: geschreven maar ook via tekeningen of beeld, auditief. Het werkklaar houden omvat ook de melding van defecten en tekorten aan apparatuur en hulpmiddelen. Gebruik van elektrische apparatuur dient te gebeuren volgens de veiligheidsfiches. Het is belangrijk om verbanden te leggen met het voedingsvoorlichtingsmodel. Wegen en meten zijn belangrijke vaardigheden die kunnen geoefend worden. De koppeling met het omzetten en omrekenen van maten en gewichten ligt voor de hand (regel van drie!). Veilig en hygiënisch handelen: het is belangrijk dat leerlingen leren werken volgens Goede Hygiënepraktijken (GHP). De reglementering van de voedselveiligheid is hierbij richtinggevend. Wenken bij leerplandoelstelling 8: Met courante bewaarmethoden voor producten en bereidingen werken. Wenken bij leerplandoelstelling 9: Ook het presenteren van gerechten beperkt zich tot de gangbare maaltijden voor doelgroepen van beperkte omvang. Uitgebreide en complexe feesttafels of het aanleren en uitvoeren van professionele serveermethodes wordt hier niet expliciet beoogd. Het kan boeiend zijn om leerlingen zelf criteria te laten bepalen waaraan de presentatie moet voldoen. Wenken bij leerplandoelstelling 10: Samen maaltijd nemen is belangrijk in het samen leven. Naast een moment om te leren is er ook het sociale en gezelligheidsaspect van samen maaltijd nemen. Ook de sfeerschepping (plaatsing van tafel, tafeldecoratie, thema-elementen, verlichting, muziek, ) bepaalt voor een groot deel mee hoe het samen maaltijd nemen wordt ervaren. Besteed voldoende tijd aan deze doelstelling. 14 2de graad tso
15 3.5 Minimale materiële vereisten De component voeding wordt binnen integrale opdrachten gerealiseerd. De inhoud en de samenstelling van de opdrachten kan variëren en niet alle leerlingen hoeven tegelijkertijd met dezelfde opdracht bezig te zijn. Dat maakt dat voor STW niet noodzakelijk leskeukens nodig zijn maar in een polyvalent lokaal is er minimaal wel nodig: per 4 leerlingen die in een opdracht aan het onderdeel voeding bezig zijn waarin een maaltijd voorbereid en bereid wordt: een keukenblok met het nodige vaatwerk, kookgerei en de courante apparaten (fornuis, oven, eventueel microgolfoven; koelkast met diepvriesruimte, voorraadkasten, gootsteen, mixer, broodrooster,.) en materiaal voor een gezinsmaaltijd van 6 personen; Daarnaast zijn ook noodzakelijk: een eetruimte; een pc met aangepaste software en toegang tot het internet; voedingsvoorlichtingsmodellen. 3.6 Bruikbare bronnen Websites: Boeken: Ons Kookboek KVLV, 2008 VAN EIJNDHOVEN, A., VAN BLOMMESTEIN, I. en VAN MIL, J., Kook Ook. Immerc, TEUBNER, C., Food, het grote ingrediëntenboek. The House of Books, Dit boek presenteert het hele scala aan culinaire ingrediënten van a tot z, overzichtelijk in categorieën gerangschikt en mooi gefotografeerd, en geeft behalve uitgebreide achtergrondinformatie ook tips over de manier waarop ze in de keuken gebruikt kunnen worden. 2de graad tso 15
16 4 Expressie 4.1 Competenties STW C1 Binnen een welomschreven opdracht sociaal-wetenschappelijke en natuur-wetenschappelijke onderwerpen onderzoeken. C2 Binnen een welomschreven opdracht een persoonsgerichte activiteit voor een groep organiseren (plannen, voorbereiden, uitvoeren en evalueren); een maaltijd voor een groep plannen, voorbereiden en bereiden. C3 Binnen een welomschreven opdracht iets mondeling presenteren voor een groep. C4 De eigen studieloopbaan in handen nemen. Context Om de competenties te bereiken voeren leerlingen opdrachten uit: passend binnen het studierichtingsprofiel: die een integratie beogen tussen natuurwetenschappen en/of sociale wetenschappen en/of voeding en/of expressie met een lagere complexiteit: o o aan de hand van duidelijke instructies (gegeven werkmodellen, duidelijke criteria) duur: kortlopend onder directe begeleiding van het lerarenteam waarbij leerlingen onder begeleiding keuzes maken De leerlingen bereiken deze competenties bij volgende doelgroepen: medeleerlingen een kleine groep gezonde individuen 4.2 Visie Wie open staat voor expressie, laat de omgeving op zich inwerken. Dat kan een ervaring zijn in de natuur, iets dat tussen mensen gebeurt, een kunstzinnige uiting, een concept of een emotie. Door het aandachtig beschouwen, ontdekt de leerling allerlei expressieve elementen. Hij probeert te begrijpen wat iemand anders gecreëerd heeft en zoekt naar het waarom. Hij probeert de expressieve uiting ook te waarderen, door er kritisch tegenover te staan, door erin op te gaan en er onbevangen van te genieten. Door in te gaan op deze expressieve uiting komt de leerling in contact met de belevingswereld van de ander. Hij ontmoet de ander en een stuk van zijn verhaal. Of hij ontmoet zichzelf als hij aan de expressie zijn eigen wereld en verhaal gaat koppelen. Expressie veronderstelt een expressieve grondhouding. 16 2de graad tso
17 Zo gaat creatieve expressie over het zich uiten op een authentieke manier, door middel van beeld, klank of (lichaams-)taal. Elke creatieve expressievorm vertrekt vanuit de waarneming, waarvoor vijf zintuigen ter beschikking staan. De waarneming is een intens totaalgebeuren waarbij de zintuigen met elkaar interfereren. Dit leidt via een complex proces van allerlei reflecties en interpretaties tot een eigen authentieke uiting of creatie. De expressieve leerling is niet alleen receptief of reflecterend met de dingen bezig. Hij wil ook uitdrukken wat hem beroert. Alleen of samen met anderen geeft hij in een expressieve taal uiting aan zijn indrukken, ervaringen en gevoelens. Hij herschept zijn eigen belevingswereld en gaat zo een dialoog aan met zichzelf en anderen. Hij leert de expressievormen kennen en beheersen. Die helpen hem om zijn verbeelding, gevoelens en ervaringen op een eigen wijze uit te drukken. Zo kan hij ook de expressie van anderen beter begrijpen en waarderen. Daarvoor gebruikt hij een van deze contexten of maakt er een combinatie van: visuele beelden in twee of drie dimensies; klank en muziek; het gesproken en geschreven woord, het dramatiseren of het dramatisch spel; de lichaamsbeweging en de dans. 4.3 Leerplandoelstellingen expressie Algemene doelen Deze doelen dienen te worden bereikt in relatie tot de competenties. De leerlingen: 1. ontdekken en ontplooien hun expressiemogelijkheden; 2. maken kennis met cultuur en de bijbehorende waaier aan kunst- en expressievormen; 3. ervaren dat beeld, woord, klank of beweging expressievormen zijn waarin jongeren zich kunnen uitdrukken; 4. ontwikkelen vaardigheden en technieken om zich te uiten in verschillende expressievormen; 5. ontwikkelen zin voor creativiteit; 6. leren de taal van de expressie gebruiken; 7. ontwikkelen een expressieve grondhouding bij het beschouwen en creëren. De leerplandoelen kunnen gerealiseerd worden binnen de context beeld, beweging, klank of woord Impressie en expressie Leerplandoelstellingen Onderliggende doelen en * attitudes 1. Beschouwen - Kennismaken met cultuur en de bijbehorende waaier aan kunst- en expressievormen - Deelnemen aan kunst en cultuur in al zijn vormen - Genieten van cultuur-, kunst en expressievormen en eigen creatieve uitingen* 2de graad tso 17
18 - Intensief gebruiken van zintuigen - Kenmerken van expressievormen herkennen en benoemen 2. Inleven - Inleven in verschillende culturen 3. Creëren - Creatief denken - Inleven in artistieke uitingen van de kunstenaar - Inleven in creatieve uitingen van klasgenoten - Creëren vanuit een expressieve grondhouding - Impressie in expressie omzetten - Uitdrukken van concepten en emoties - Experimenteren met aspecten uit beeld, beweging, klank en woord - De gepaste aspecten gebruiken om de expressiekracht te vergroten. - De gepaste materialen, technieken en middelen gebruiken om de expressiekracht te vergroten 4. Reflecteren - Reflecteren op de expressieve creatie van zichzelf en van anderen - Reflecteren op de opgedane ervaringen en emoties - Reflecteren op de eigen talenten - Reflecteren op smaak en culturele oriëntatie - Reflecteren in verband met concepten en thema s 5. Communiceren - Met klasgenoten communiceren over eigen impressies - Met klasgenoten communiceren over de expressieve creatie Activiteiten uitwerken en ondersteunen Leerplandoelstellingen Onderliggende doelen 6. Expressiemogelijkheden verkennen Zoeken naar de mogelijkheden van expressievormen aansluitend bij de activiteit 7. Samenwerken - Met medeleerlingen samenwerken 8. Verschillende expressievormen samen brengen - In een kleine groep samenwerken - Samen reflecteren in verband met de activiteit Beeld, beweging, woord/drama en klank/muziek met elkaar samenbrengen 18 2de graad tso
19 4.3.4 Presenteren Leerplandoelstellingen Onderliggende doelen 9. Stapsgewijs een presentatie opbouwen Een presentatie aanpakken via een stappenplan zoals: oriënteren op de presentatie 10. Eigen expressieve uitingen presenteren - Proces presenteren 11. Presenteren via verschillende expressievormen voorbereiden van de presentatie uitvoeren van de presentatie reflecteren op de presentatie - Product presenteren - Verschillende expressievormen (beeld, beweging, woord en klank/muziek) inzetten bij het presenteren - Technieken, middelen, materialen kiezen in functie van het doel en het publiek van de presentatie - Verschillende technieken, middelen en materialen gebruiken om te presenteren 12. Voor een groep presenteren - Presenteren voor medeleerlingen - Presenteren voor een kleine groep gezonde individuen 4.4 Pedagogisch-didactische wenken De leerplandoelstellingen dienen in relatie tot de competenties te worden gerealiseerd. In een servicedocument bij het leerplan worden suggesties opgenomen voor het werken met integrale opdrachten en het werken vanuit mogelijke verschillende contexten (beeld, beweging, woord/drama en klank/muziek). Houd bij de uitwerking van opdrachten rekening met de context waarbinnen de leerplandoelstellingen dienen te worden verwezenlijkt. Wie expressief bezig is, laat iets op zich inwerken. Dat kan een ervaring zijn in de natuur, iets dat tussen mensen gebeurt, een kunstzinnige uiting of een kunstwerk. Al beschouwend ontdekt de mens er allerlei expressieve elementen in en probeert te begrijpen wat iemand anders gecreëerd heeft. Hij probeert de expressieve uiting ook te waarderen, door er kritisch tegenover te staan, door erin op te gaan en er onbevangen van te genieten. Wanneer de leerling zich als beschouwer verplaatst in het product komt hij in contact met de belevingswereld van de ander. Hij ontmoet de ander en zijn verhaal. Of hij ontmoet zichzelf als hij aan de expressie zijn eigen wereld en verhaal gaat koppelen. Door de deur van Cultuur en Kunst wagenwijd open te zetten, geven we jongeren de kans hun affiniteit met kunst en met het cultureel erfgoed te ontwikkelen. Dit is een proces dat start bij het waarneming van kunstvormen. Zelf kunst beoefenen of zien beoefenen, leidt tot zingeving en zelfontplooiing, prikkelt de zintuigen en de geest en neemt hen mee naar de wereld van de kunstenaar, weg van de dagelijkse realiteit. Het zelf creatief zijn, schept mogelijkheden om tot inzichten te komen. Jongeren krijgen zo de kans om zichzelf te ontdekken en te begrijpen waardoor er ook begrip ontstaat voor de anderen. 2de graad tso 19
20 Jongeren zijn op zoek, ze stellen vragen en proberen antwoorden te vinden. Steeds weer opnieuw. Kunstbeschouwing van verschillende expressievormen kunnen hierin in belangrijke mate helpen want in kunst kan en mag alles gezegd worden, is er ruimte voor onderzoek en experiment. Expressieve uitingen kunnen hen raken, ze kunnen erdoor gegrepen en beroerd worden. Voor alle communicatiesituaties volgen de leerlingen de OVUR-strategie: Oriënteren: in deze fase oriënteert de leraar de leerlingen op de taak door bijvoorbeeld een situatieschets, een gesprek, audiovisueel materiaal, sfeerschepping. Voorbereiden: tijdens de voorbereiding krijgen ze inzicht in de taak die ze moeten uitvoeren en bereiden ze zich zo goed mogelijk voor. Uitvoeren: de aard van de taak en de situatie bepalen de uitvoering. De leraren kunnen kiezen uit een aanbod van strategieën en werkvormen. Bij bepaalde taken kunnen de leerlingen de anderen ook observeren. Die observaties vormen de basis voor reflectie. Reflecteren betekent: o o o o reflectie tijdens een opdracht op zijn handelen reflectie op zijn aandeel tijdens een groepsopdracht maakt bij zijn reflectie gebruik van gekregen feedback feedback vragen over zijn werk aan anderen (medeleerlingen en leraren) Observatie- en beoordelingsschema's zijn hulpmiddelen om leerlingen te laten verwoorden wat ze hebben gezien. 4.5 Attitudes De volgende attitudes kunnen bij verschillende doelstellingen een plaats krijgen: Zich expressief durven uiten Een eigen inbreng durven doen Bereid zijn om samen te werken: o Samen reflecteren over concepten en thema s o Samen brainstormen om inzichten te verbreden o Samen tot een consensus komen o Samen creëren Een open houding aannemen: o Genieten van kunst en cultuur o Open staan voor uitingen en creaties van anderen Kritische houding aannemen Respect tonen voor: o jezelf o eigen werk o de ander o het werk van anderen (medeleerlingen, de kunstenaar; e.a.) o materialen 20 2de graad tso
21 4.6 Minimale materiële vereisten Afhankelijk van de gekozen context(en) worden volgende materiële eisen gesteld: CONTEXT BEELD Om de beeldende context van expressie te kunnen realiseren is een goed uitgerust vaklokaal nodig. Het vaklokaal heeft grote onderhoudsvriendelijke tafels, een ruim bord met een wit gedeelte voor projecties en een spoelbak met kraan. Een pc met internetaansluiting is een pluspunt. Verder zijn vuilnisbakken voorhanden om te sorteren voor papier, PMD, en plastieken restafval. Binnen en buiten het klaslokaal is er ruimte en materiaal zoals prikwanden, kaders, sokkels om werken van leerlingen tentoon te stellen. Het is wenselijk om ook kasten voor het wegbergen van leerlingenmateriaal te voorzien. Een pc met softwareprogramma s voor beeldbewerking met projectiemogelijkheden, multimediamateriaal, digitale camera, scanner en printer kunnen op de school ter beschikking staan. CONTEXT BEWEGING Om de context beweging in expressie te kunnen realiseren is een voldoende ruim vaklokaal nodig. Elke leerling dient te beschikken over een matje en er zijn een degelijke muziekinstallatie, mp3, cd's en cassettes aanwezig. CONTEXT KLANK/MUZIEK Om de muzikale context van expressie te kunnen realiseren is een goed uitgerust vaklokaal nodig. Het vaklokaal biedt voldoende ruimte om te musiceren en te bewegen en heeft een goede akoestiek. Er is kwalitatieve apparatuur aanwezig voor het afspelen van geluid en beeld, het opnemen en versterken van muziek. Het didactisch materiaal bestaat uit: bord, computer met internet, multimediaprojector, boeken, muzieklexicon, cd s, dvd s, liedbundels, software. Een deel van dit materiaal is specifiek afgestemd op de doelgroepen waarmee leerlingen uit STW werken, zoals kleuters of bejaarden. Muziekinstrumenten zijn een didactisch hulpmiddel voor leraar en leerling. Een gevarieerd instrumentarium is noodzakelijk en er zijn voldoende muziekinstrumenten voorhanden om elke leerling ritmisch en melodisch te laten musiceren. Het is ook zinvol om een scala eenvoudige instrumenten in de klas te hebben die leerlingen kunnen (laten) gebruiken tijdens de projecten zoals schudeitjes, maracas, claves, handtrom, tamboerijn, boomwhackers. CONTEXT WOORD/DRAMA Voor de uitvoering van de context woord/drama kunnen leerlingen beschikken over informatiebronnen (boeken, brochures, folders, internet, e.a.) en een ruim lokaal waarbinnen zowel individueel werk als groepsopdrachten mogelijk zijn. 2de graad tso 21
22 5 Sociale Wetenschappen 5.1 Algemene doelstellingen 1 Verkennen van eigen mogelijkheden als leerling binnen STW Omschrijven van de welzijnszorgsector, de gezondheidszorgsector en de educatieve sector in functie van studiekeuze 2 Verduidelijken van leerprocessen 3 Passend communiceren in verschillende situaties 4 Waarnemen en observeren van menselijk gedrag en interacties 5 Omgaan met rechten en plichten als jongere 6 Verkennen en illustreren van de diversiteit tussen mensen 5.2 Algemene pedagogisch-didactische wenken De volgorde waarin de leerplandoelstellingen aangeboden worden, wordt bepaald binnen horizontaal en verticaal een vakgebonden en vakoverschrijdend overleg waarbij er een gezamenlijke vakoverschrijdende jaarplanning opgemaakt wordt. Zoveel mogelijk leerlinggerichte taal gebruiken: begrippen concretiseren via voorbeelden, schema s, Naar toepassingsniveau gaan (niet enkel theorie!). Leerlingen ervaringen laten opdoen, opzoekings- en verwerkingswerk laten doen, waarover gereflecteerd wordt en waarop feedback gegeven wordt. Bakens of werkschema s of theoretische kaders dienen als ondersteuning om competenties te ontwikkelen. Klimaat van veiligheid in klas is erg belangrijk evenals het afspreken van ethische code (geen geroddel, wat gezegd wordt in de klas blijft ook binnen de klas, ). Tijdens de lessen SW is er kans en ruimte tot begeleid oefenen in een afgebakende en beschermde situatie bv. i.v.m. communicatie, observeren,... Leerlingen leren echter maar op voorwaarde dat er ook stilgestaan wordt, geduid wordt bij wat er gebeurt, ervaren wordt. 22 2de graad tso
23 5.3 Leerplandoelstellingen, leerinhouden en didactische wenken Doelstelling 1: Eigen mogelijkheden als leerling binnen de studierichting Sociale en technische wetenschappen LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN De jongere leert sociale wetenschappen binnen situeren. 1 als studierichting situeren. Competenties en componenten binnen Sociale en technische wetenschappen 2 Sociale wetenschappen binnen Sociale en technische wetenschappen voorstellen. 3 Vier competenties van Sociale en technische wetenschappen illustreren. Competenties Leerlingen kunnen een sociaal-wetenschappelijk en een natuurwetenschappelijk thema onderzoeken Leerlingen kunnen binnen een welomschreven opdracht een maaltijd voor een groep organiseren Leerlingen kunnen binnen een welomschreven opdracht een persoonsgerichte activiteit voor een groep organiseren Leerlingen kunnen binnen een welomschreven opdracht iets mondeling presenteren voor een groep. Leerlingen kunnen hun eigen studieloopbaan in handen nemen. Componenten: natuurwetenschappen, sociale wetenschappen, voeding, expressie en algemene vakken Binnen sociale wetenschappen worden inzichten, werkmodellen en vaardigheden verworven die bijdragen tot het ontwikkelen van de competenties basisvisie binnen verduidelijken. 4 Begrippen in verband met de visie waarop STW gebaseerd is toelichten. 5 Voorbeelden geven van verbondenheid als element van mens- en wereldbeeld. Verbondenheid met zichzelf, de anderen, materiele en natuurlijke omgeving, sociale omgeving en het spirituele. Dat is kenmerkend voor het christelijk mens- en wereldbeeld dat gehanteerd wordt in zichzelf als leerling binnen situeren. 6 Begrip zelfanalysemodel toelichten. 7 Mogelijkheden en beperkingen van zelfanalyse- Zelfanalysemodellen: mogelijkheden (zelfkennis in kaart brengen) en beperkingen (statisch gegeven, momentopname, gebrek aan wetenschappelijkheid) Eigen mogelijkheden: sterke kanten, capacitei- 2de graad tso 23
24 modellen duiden. 8 Aan de hand van een zelfanalysemodel zichzelf als lerende voorstellen met eigen mogelijkheden en beperkingen. ten, talenten Eigen beperkingen: mindere kanten, moeilijkheden, leerpunten verschillende sectoren situeren. 9 Verschillende sectoren die verband houden met het studiegebied Personenzorg benoemen. 10 Sectoren binnen Personenzorg illustreren met voorbeelden uit de lokale omgeving. 11 Een concrete organisatie voorstellen. Sectoren die met het studiegebied Personenzorg verbonden zijn sociaal-agogische of welzijnszorgsector paramedische of gezondheidszorgsector onderwijs of educatieve sector verschillende studie en beroepsmogelijkheden binnen de verschillende sectoren situeren. 12 Beroepen en opleidingswegen binnen Personenzorg voorstellen. Verschillende beroepsgroepen: opleidingsmogelijkheden en voorwaarden, taakomschrijving, werkomstandigheden, loopbaanmogelijkheden, bijscholingsmogelijkheden, eigen (verdere) studiekeuze voorstellen. 13 Eigen studiekeuze motiveren vanuit reflectie op eigen mogelijkheden en beperkingen. Voorwaarden, mogelijkheden en beperkingen wat betreft de verdere studies en het latere werk Reflecteren i.v.m. eigen mogelijkheden en beperkingen DIDACTISCHE WENKEN Aanbevolen lestijden: 18 uur Een aantal van deze doelstellingen (1-9) kunnen verworven worden begin tweede graad, de rest naar het einde toe. Er moet een continuüm zijn. 1 5 Introdag (wat is STW?) met alle componenten samen kan mooie start betekenen ook voor IO Gebruik maken van verschillende eenvoudige analysemodellen: voorbeelden uit vb Flair, Metro, Fancy wijzen op de beperkingen van dergelijke onderzoeken. 11 Opzoeken en verwerken van info via bronnen: Vlaamse en lokale sociale kaart, telefoongids, internetsites, bezoeken, folders, interviews met cliënten/zorgvragers en medewerkers/hulpverleners, inleefmoment, schoolsites, CLB, Organisaties/diensten/instellingen hebben verschillende visies en opdrachten, doelgroepen, werking, personeel, 8 en 13 Start van eigen portfolio van persoonlijke groei in competenties via levensmap / webstek / waaraan later ook leerstijlen, leefstijl, reflecties, feedback, proces en resultaten integrale opdrachten kunnen toegevoegd worden (IO). Portfolio kan ook enkel in SW verwezenlijkt worden als voortgangsportfolio of als de individuele groei en verwerving van de doelstellingen Indelingen van sectoren lopen steeds wat door elkaar. Leerlingen moeten een globaal overzicht verwerven met als bv. lokale voorzieningen, zie ook SW 5 (voorzieningen voor jongeren). 24 2de graad tso
25 Echte getuigenissen (van bv. ouders uit de branche, oud leerlingen, ), studiebezoeken, opzoekingswerk (folders, websites, ) of inleefmomenten met gerichte opdrachten en vragen kunnen zeer verhelderend en inspirerend werken. Voorstelling aan klasgenoten van ervaringen werkt ook verruimend (IO) Zie ook SW 2 In samenspraak met CLB en klassenraad. Kennismaken met de opleidingsmogelijkheden na de tweede graad. Leerlingen kunnen overzicht maken van de verschillende studiemogelijkheden in de regio. Er moet ook ruimte zijn voor andere keuzes dan Personenzorg. Doelstelling 2: Leerprocessen LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN De jongere leert de studie van het geheugen. 14 Begrippen in verband met geheugen verklaren. Begrippen in verband met geheugen: korte en lange termijngeheugen, inprenting, 15 Werking van het geheugen beschrijven. Werking van het geheugen 16 Verschillende vormen van geheugen illustreren. Verschillende auditief-visuele vormen: associatief, 17 Mogelijkheden om het geheugen te ondersteunen met concrete voorbeelden toelichten. Geheugenondersteuning: geheugensteuntjes, mindmapping, de studie van de intelligentie. 18 Begrippen in verband met intelligentie verklaren. Begrippen in verband met intelligentie: IQ, SQ, EQ, 19 Verschillende vormen van intelligentie illustreren. 20 Belang van de verschillende vormen van intelligentie verwoorden. Verschillende vormen van intelligentie: verstandelijke, emotionele, sociale, praktische, spirituele, verbale, Belang van aandacht voor verschillende vormen van intelligentie 21 Voorbeelden uit eigen leefwereld geven van verschillende vormen van intelligentie. Voorbeelden uit eigen leefwereld de studie van leren. 22 Begrippen in verband met leren verklaren. Begrippen in verband met leren:, leerproces, vorm van leren, cyclisch proces, competentie 23 Evolutie in het denken over leren toelichten. Evolutie in het denken over leren: van leren is louter kennis verwerven naar leren is meer dan louter kennis opdoen 24 Verschillende vormen van leren toelichten. Verschillende vormen van leren: kennis, vaardigheden en integraal leren 25 Cyclisch proces van leren illustreren. Huidige opvattingen over leren: Leren is een cyclisch proces 2de graad tso 25
26 26 Competentieontwikkelend leren illustreren. Leren is competenties ontwikkelen 27 Begrip leerstijl verklaren. 28 Verschillende leerstijlen toelichten. 29 Mogelijkheden en beperkingen van leerstijlen toelichten. Begrip leerstijl Verschillende leerstijlen Modellen van leerstijl 30 Aan de hand van een model de eigen leerstijl toelichten. 31 Interne factoren die het leren beïnvloeden illustreren. 32 Externe factoren die het leren beïnvloeden illustreren. herkennen en bijsturen van het eigen leerproces. 33 Begrip werkmodel toelichten. 34 Belang van werkmodellen illustreren. 35 Eigen leren in kaart brengen aan de hand van werkmodel. 36 Begrippen zelfreflectie en reflectie toelichten. Factoren die het leren beïnvloeden: Interne factoren zoals motivatie, capaciteiten of mogelijkheden, inzet, ontwikkeling, leergierigheid, taakgerichtheid, prestatiegerichtheid Externe factoren zoals motivatie (positief en negatief) van omgeving, structuur, infrastructuur, moeilijkheid opdracht, leeromgeving Werkmodellen: bepaalde methodieken, theoretische achtergronden, structuren en systemen bv. stappenplan, attributietheorie Werkmodellen om eigen leren in kaart te brengen Leren (en (zelf)reflectie: verband en noodzaak 37 Illustreren van het belang van reflectie voor het leren. 38 Aan de hand van concrete situaties voorstellen formuleren om het eigen leren volgens cyclisch proces te doorlopen op verschillende manieren. Criteria tot bijsturing: hoe, waar, wanneer, hoe evalueren, 39 Eigen leren op basis van zelf geformuleerd voorstel bijsturen. DIDACTISCHE WENKEN Aanbevolen lestijd: 27 uur Via geheugentestjes leerlingen laten ervaren hoe geheugen werkt en hoe dit individueel verschilt Koppelen van bepaalde uitspraken / situaties aan het hanteren van verschillende vormen van intelligentie. Verschillende vormen van intelligentie: verschillende versies zie Gardner, Pol Maes, Leren is meer dan kennis verwerven! Opzetten en verwerken van enquête in de klas i.v.m. met deze materie. Aangeven dat er bij het leren een cyclisch proces doorlopen wordt. Leerstijl is de unieke weg die elk individu doorloopt om info te verzamelen en te transformeren. Elke leerstijl heeft sterke en zwakke kanten en is het resultaat van de ontwikkeling van leergedrag. 26 2de graad tso
27 Eigen leerstijl opzoeken bv. via internet (bv. Kolb, Vermunt) en hiermee rekening houden in verschillende IO (zie ook portfolio). Eigen studieloopbaan in beeld brengen met mogelijkheden en beperkingen, zicht krijgen op eigen stijl van leren, CLB-publicaties gebruiken, studieplanner, publicaties van Leefsleutels, mindmapping introduceren 30, 35, 38 en 39 Eigen leertraject in kaart brengen en opvolgen. IO (zie ook portfolio) Beïnvloedende factoren zijn meestal combinatie van verschillende elementen. Doelstelling 3: Passend communiceren in verschillende situaties LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN De jongere leert de studie van de communicatie. 40 Begrippen in verband met communicatie toelichten. 41 Een communicatiemodel toelichten 42 Communicatieproces ontleden aan de hand van een model. 43 Communicatie als middel tot verbondenheid illustreren. 44 Communicatiestoornissen verduidelijken in concrete situaties aan de hand van een model. 45 Mogelijkheden om communicatiestoornissen te beperken toelichten aan de hand van concrete situaties. 46 Mogelijkheden en beperkingen van verschillende communicatievormen en - middelen toelichten. Begrippen i.v.m. communicatie: proces, inhoud, stoornissen, vormen, model Communicatiemodellen Communicatieproces Communicatie: middel om verbondenheid te bevorderen of teniet te doen Communicatiestoornissen of problemen zoals cultuurverschillen, zintuiglijke stoornis, taalverschillen, Communicatievormen en -middelen en hun mogelijkheden en beperkingen communiceren. 47 Begrip context verduidelijken. 48 Invloed van context op communicatie illustreren aan de hand van concrete voorbeelden. 49 Begrip communicatiestijl toelichten. Begrip context/situatie Invloed van context / situatie op: inhoud van communicatie, betrokkenen of deelnemers, Verschillende contexten: formeel, informeel, met mensen van verschillende leeftijd / ontwikkeling, groepen, Communicatiestijlen 50 Communicatiestijlen herkennen en benoemen. 2de graad tso 27
28 51 Vanuit concrete situaties en ervaringen eigen communicatiestijl beschrijven Communicatievaardigheden: actief luisteren, woordtaal, lichaamstaal, feedback 52 Begrippen in verband met communiceren toelichten. 53 In concrete situaties op gepaste wijze het woord nemen. 54 Actief luisteren in concrete situaties. 55 Vragen stellen in concrete situaties. 56 Feedback geven in concrete situaties. 57 Feedback ontvangen in concrete situaties. 58 Lichaamstaal op gepaste wijze hanteren in concrete situaties. 59 Reflecteren op eigen communicatievaardigheden binnen concrete situaties. samenwerken. 60 Soorten groepen toelichten. 61 Begrip groepswerk verklaren. 62 Verschillende rollen in groepswerk verduidelijken. 63 In concrete situaties afspraken maken rond samenwerking. Groepen: met verschillende opdracht/doel (persoonsgerichte groep, taakgerichte groep) Groepswerk: verschillende rollen (verslaggever, gespreksleider, ), Samenwerkingsvaardigheden: zie ook communicatievaardigheden 64 Afspraken naleven in concrete situaties. 65 Rol van gespreksleider opnemen in concrete situaties. 66 Rol van verslaggever opnemen in concrete situaties. 67 Rol van tijdsbewaker opnemen in concrete situaties. 68 Rol van materiaalmeester opnemen in concrete situaties. 69 Reflecteren over eigen samenwerkingsvaardigheden in concrete situaties. 70 De werking van de groep in een concrete opdracht evalueren. 28 2de graad tso
29 DIDACTISCHE WENKEN Aanbevolen lestijden: 42 uur Verschillende modellen zijn mogelijk bv. zender-ontvanger-boodschap, axenroos van Nand Cuvelier, roos van Leary (Nederlands). 43 Communicatie is een middel om verbondenheid te uiten. Eigen verbindingen in kaart brengen, met zichzelf (NW: biologisch), anderen, sociale omgeving, materiële omgeving (NW: fysisch en chemisch) en spirituele (Godsdienst, IO). 46 Vergelijken van verschillende communicatievormen zoals sms, mail, chatbox, folder, telefoongesprek, (NW, Informatica, Nederlands, IO) Analyse van communicatie en samenwerking binnen klasgroep, televisiefragment, d.m.v. observatie, video-opname. Inoefenen communicatie en samenwerkingsvaardigheden in klas /lessituaties vb in kader van groepswerk, klasgesprek, Maken van een aantal klasafspraken i.v.m. communicatie en samenwerken. Reflectie via observatoren, video-opname, en aan de hand van concrete criteria. Werken via CLIM methodiek met rolbeschrijving en complementair groepswerk. 51, 53, 59, 69 Portfoliomogelijkheden Bij presentatie of activiteit rekening houden met publiek en context IO (toepassingen in IO). Groepswerk / samenwerken: reflectie en feedback, criteria: IO (toepassingen in IO). Doelstelling 4: Menselijk gedrag en interacties waarnemen en observeren LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN De jongere leert de studie van het waarnemen. 70 Aan de hand van concrete voorbeelden begrippen i.v.m. waarnemen toelichten. Begrippen in verband met menselijk gedrag, interacties, zintuigen en hersenen, waarnemen, observeren en rapporteren 71 Waarnemingsproces verduidelijken. Waarnemingsproces: samenhang tussen de begrippen 72 Verschil tussen waarnemen en observeren illustreren. Observeren versus waarnemen 73 In concrete situaties selectiefactoren bij waarnemen benoemen. Selectiefactoren bij waarnemen (voorgrond achtergrond; vooroordelen, eerste indruk, ) observeren. 74 Het belang van observeren verduidelijken. 75 Het belang van de afbakening van observatiedoelen verduidelijken. 76 Soorten observatiemethoden toelichten. Observaties Belang Observatiedoelen: belang, formulering, afbakening Verschillende observatiemethoden: actief 2de graad tso 29
30 77 Invloed van de context bij het observeren toelichten. 78 Mogelijke criteria bij observatie aangeven. 79 Registratiemogelijkheden bij observatie opnoemen. en passief participerend, Observatiecontext: natuurlijke of kunstmatige omgeving Criteria: tijd, aantal keren, Registratie: schriftelijk, camera, 80 In concrete situaties menselijk gedrag volgens welbepaalde criteria observeren en registreren. Observatievaardigheden interpreteren. 81 In concrete situaties factoren die de interpretatie van observatie beïnvloeden verwoorden. 82 Observatiegegevens interpreteren in concrete situaties. rapporteren. 83 Werkmodellen in verband met rapportage toelichten. 84 Aan de hand van een werkmodel in concrete situaties mondeling rapporteren. 85 Aan de hand van een werkmodel in concrete situaties schriftelijk rapporteren. Interpreteren Beïnvloedende factoren bij de interpretatie van observatiegegevens: objectiviteit versus subjectiviteit, eigen voorkeuren, voorkennis, perceptie, context, Afhankelijk van vooropgestelde doelen en criteria Rapporteren van interpretatiegegevens Werkmodellen, structuren of schema s Criteria voor het mondeling rapporteren Criteria voor het schriftelijk rapporteren DIDACTISCHE WENKEN Aanbevolen lestijden: 21 uur Zie Natuurwetenschappen voor wat zintuigen betreft Waarnemen aan de hand van concrete oefeningen vb met fotomateriaal, klankband, voelen en ruiken van elkaar, (IO) Oefenen binnen lessituatie aan de hand van videofragment, korte opdrachten, Duiden op het belang van een (zelf)kritische houding bij het interpreteren. Criteria i.v.m. observeren aanbieden en laten toepassen in omschreven afgebakende situaties: observeren van publiek tijdens een presentatie, observeren van groep tijdens een activiteit, rapporteren van gegevens (IO) Doelstelling 5: Rechten en plichten als jongere LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN De jongere leert de kinderrechten situeren in universeel perspectief. 30 2de graad tso
31 86 Ontstaan van het verdrag voor de rechten van het kind situeren. 87 Verband leggen tussen het IVRK en het mensen wereldbeeld dat aan de basis ervan ligt. 88 Betekenis van het verdrag toelichten aan de hand van concrete voorbeelden uit het eigen leven en het leven van kinderen elders in de wereld. 89 Voorbeelden opzoeken en voorstellen waarin de rechten toegepast worden. Het internationaal verdrag inzake de 40 rechten van het kind: VN 1989: voorgeschiedenis en ontstaansredenen / motivatie/ mens en wereldbeeld (verbondenheid) IVRK: basis: belang van het kind, nondiscriminatie en participatie, overleving en ontwikkeling Bronnen: internetadressen, kinderrechtswinkels, kinderrechtencommissariaat Betekenis van het verdrag: wettelijke grond, afdwingbaar, alle burgers dienen zich hieraan te houden zoniet kan er vervolging gebeuren Bronnen 90 Voorbeelden opzoeken en voorstellen waarin er schendingen zijn van de rechten en de gevolgen hiervan duiden. 91 Onderlinge verbanden tussen de rechten aangeven. 92 Verduidelijken waarom in bepaalde landen en situaties bepaalde rechten belangrijker lijken dan andere. 93 Een internationale organisatie die opkomt voor de rechten van het kind in haar doelstellingen en werking voorstellen. begrippen en plichten/verantwoordelijkheden van jongeren in Vlaams perspectief situeren. 94 Begrippen in verband met rechten en plichten omschrijven. 95 Belang van rechten en plichten in het samenleven verduidelijken. Elk recht blijft evenwaardig en interafhankelijk van de andere. In bepaalde landen, situaties lijken bepaalde rechten belangrijker dan andere: verschillende gezichtspunten Internationale organisaties die opkomen voor de rechten van kinderen zoals VN, Unicef, Unesco, WHO, : belangrijkste doelstellingen en werking Begrippen: recht, nood, behoefte, plicht, verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid, minderjarigheid en meerderjarigheid, 96 Evenwicht tussen rechten en plichten duiden in concrete situaties. 97 Voorstellen van nationale en/of Vlaamse organisaties die opkomen voor de rechten van het kind. 98 Nationale en/of Vlaamse organisaties die opkomen voor de rechten van kinderen vergelijken aan de hand van welomschreven criteria. 99 Evolutie in de rechten en plichten van jongeren in België schetsen. Criteria voor vergelijking: opdracht, toegankelijkheid, acties Evolutie in de rechten en plichten van jongeren 100 Rechten en plichten van jongeren in concrete Eigen rechten en plichten als jongere in verband met relaties, seks, gezond in lichaam en geest, 2de graad tso 31
32 situaties opzoeken en toelichten. wonen, vrije tijd, school, rechten en wetten, parti- cipatie, reizen naar het buitenland, werken, centen, problemen en oplossingen DIDACTISCHE WENKEN Aanbevolen lestijden: 30 uur Er is een enorm aanbod aan info i.v.m. deze materie zowel internetsites, brochures, spelmateriaal. Er kan vertrokken worden vanuit concrete casussen, krantenartikels, videofragmenten, nieuwsberichten Recht op voedsel, water, kledij en onderdak. Zie ook Voeding, Natuurwetenschappen. Eigen rechten kunnen niet absoluut of zomaar worden afgedwongen zonder rekening te houden met rechten van anderen en eigen verantwoordelijkheden/plichten. Samenleven veronderstelt rechten en plichten vastgelegd in regels en afspraken voor iedereen Verantwoordelijkheid: verantwoordelijkheid opnemen :engagement aangaan; verantwoordelijkheid krijgen: rekenschap moeten geven, zeggen wat men gaat doen/gedaan heeft en waarom. Plicht: verantwoordelijkheid die van iemand geëist wordt, hetzij door een gezag dat boven hem staat, hetzij door hemzelf. Plichten kunnen van juridische (b.v. de waarheid spreken) of niet-juridische aard (dankbaarheid) zijn. Aansprakelijkheid: de verplichting die men volgens de wet heeft om zich te verantwoorden voor wat men doet of nalaat. Aansprakelijkheid kan vrijwillig zijn aangegaan of door de wet zijn opgelegd. Bron: Prisma van de mensenrechten. Leerlingen kunnen ook leefregels voor de klas opstellen, een campagne op school voeren i.v.m. een kinder/ jongerenrecht, werken via schoolparlement, (IO/ Natuurwetenschappen (bv. milieuzorg)) Nationale en /of Vlaamse organisaties: Kinderrechtencoalitie: De Kinderrechtswinkel, Jeugd en Stad, de Kinder- en Jongerentelefoon, de Gezinsbond, Contactname met organisaties is ook zinvol, leerlingen moeten, indien ze vragen of problemen hebben, ergens terechtkunnen en durven! Bezoek aan JAC en JIP is zeker aan te raden! Comité voor bijzondere jeugdzorg: POS = problematische opvoedingssituatie (kind als slachtoffer); MOF = misdrijf omschreven feiten (kind als dader) Zie ook doelstelling 1. Vlaamse instellingen: Kind &Gezin, Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie, Vlaams centrum voor de Bevordering van het Welzijn van Kinderen en Gezinnen, Kinderrechtencommissariaat, JAC en JIP, CLB, CAW, Comité voor Bijzondere Jeugdzorg. Vergelijkingsmogelijkheden qua opdracht, toegankelijkheid, acties, Bedoeling is dat leerlingen actief opzoeken wat hun eigen rechten en plichten zijn bv. via Jongerengids (ook op cd-rom) van In petto. 32 2de graad tso
33 Doelstelling 6: Identiteit en diversiteit LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN De jongere leert het belang van eigen identiteit en diversiteit situeren. 101 Begrippen in verband met diversiteit toelichten. Begrippen: diversiteit, cultuur, religie 102 Belang van diversiteit tussen mensen toelichten. 103 Diversiteit tussen mensen illustreren aan de hand van concrete voorbeelden. 104 Begrip identiteit verklaren. 105 Betekenis van een eigen identiteit verduidelijken. 106 Belang van eigen identiteit toelichten. 107 Factoren die de identiteit van mensen beïnvloeden in kaart brengen aan de hand van concrete voorbeelden. 108 Wederzijds belang van diversiteit en eigen identiteit verduidelijken aan de hand van concrete voorbeelden. 109 Meerwaarde en knelpunten van diversiteit duiden aan de hand van concrete voorbeelden. Diversiteit op fysiek, psychisch, sociaal, cultuur, geslacht, politiek, religieus, vlak Begrip: identiteit Betekenis van identiteit Belang: besef en noodzaak van eigen identiteit Identiteit: invloeden van personen en gebeurtenissen, opvoeding, ervaringen, rituelen, mens en wereldbeeld Belang van diversiteit en eigen identiteit in het kader van het streven naar gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en verbondenheid tussen mensen of dus binnen een mens en maatschappijbeeld. Eigen identiteit (h)erkennen en respect voor de andere zijn / haar identiteit leefstijl situeren. 110 Begrippen in verband met leefstijl toelichten. Begrippen: leefstijl (waarneembaar gedrag), waarden, normen, keuzes, 111 Factoren die een rol spelen in het ontstaan van een leefstijl duiden. 112 Dynamisch element van leefstijl illustreren. 113 Verschillende interne beïnvloedende factoren toelichten aan de hand van concrete voorbeelden. 114 Verschillende externe factoren die leefstijl beïnvloeden aan de hand van concrete voorbeelden toelichten. Leefstijl: eigen manier van leven die afhankelijk is van levenswaarden en keuzes: zingeving (daarvoor doe ik het) en identiteit (zo ben ik). Keuze van leefstijl: dynamisch gebeuren. Beïnvloedende factoren of ontstaansfactoren voor leefstijl: Intern: erfelijk materiaal en persoonlijkheid: Psychische, fysieke en sociale factoren, temperament, karakter, opvoeding, levensgebeurtenissen, waarden Extern: materiële omgeving Niet-levende omgeving, chemisch en fysisch en de levende omgeving Sociale omgeving: directe omgeving en 2de graad tso 33
34 115 Uitingen van een leefstijl in verschillende aspecten van het leven illustreren. 116 Leefstijl van verschillende personen in kaart brengen. 117 Verschillen, gelijkenissen en achterliggende waarden en keuzes aanduiden tussen leefstijlen. 118 Eigen leefstijl in kaart brengen. discriminatie situeren. 119 Begrippen toelichten in verband met discriminatie. 120 Onderscheid tussen feit en mening in concrete situaties herkennen en benoemen. 121 Ontstaansmogelijkheden van discriminatie toelichten aan de hand van concrete voorbeelden. 122 Voorbeelden geven van positieve discriminatie. maatschappelijk-culturele omgeving (met ondermeer normen, rechten en plichten, rolmodel, idolen, ), jongerencultuur Uitingen van een leefstijl binnen verschillende aspecten van het leven Persoonlijke relaties en maatschappelijke rol Vrijetijdsbesteding Religieus gedrag Dagelijks leven zoals voeding, kledij en verzorging, slapen, dagindeling, middelengebruik, Onderwijs en werk Begrippen: feit, mening, stereotypering of generalisering, vooroordeel, etikettering, stigmatisering, intimidatie, uitsluiting, xenofobie Discriminatie is een oordeel vellen over diversiteit hetzij in positieve zin, hetzij in negatieve zin Ontstaansmogelijkheden van discriminatie: beïnvloedende factoren zoals gevoelens, ervaringen en overlevering, opvoeding en school, speelgoed, literatuur, religie, cultuur, 123 Voorbeelden geven van negatieve discriminatie. 124 Gevolgen van positieve discriminatie toelichten aan de hand van concrete voorbeelden. Gevolgen van positieve en negatieve discriminatie: mogelijkheden en gevaren 125 Gevolgen van negatieve discriminatie toelichten aan de hand van concrete voorbeelden. 126 In concrete situaties aangeven welk mens- en wereldbeeld aan de grondslag van discriminatie ligt. 127 Discriminatie herkennen en duiden in concrete situaties. Discriminatie wordt bepaald door mens- en wereldbeeld Vooroordelen (h)erkennen 128 In concrete situaties eigen vooroordelen en die van anderen herkennen en benoemen. 34 2de graad tso
35 DIDACTISCHE WENKEN Aanbevolen lestijden: 30 uur Werken met concrete voorbeelden, getuigenissen, inleefmomenten, om gelijkenissen en verschillen te ervaren Kadert ook in SW 1 en 3. Verbondenheid als rode draad (Godsdienst) Meervoudige identiteit is samengesteld uit persoonlijke, groepsgebonden en universele elementen met een unieke samensmelting met verschillende onderlinge verhoudingen en dynamisch omdat mensen veranderen omdat men nieuwe doelen nastreeft en nieuwe ervaringen opdoen: wie we waren en wie we willen zijn bepaalt wie ik nu ben Belangrijk dat leerlingen ervaren dat keuzes maken dagelijks gebeurt, leerlingen ondersteunen in het zicht krijgen op hun eigen keuzemogelijkheden bv. i.v.m. alcohol, relaties, In de leefstijl komt tot uiting wat iemand belangrijk vindt, waarvoor iemand kiest in het leven, welke waarden iemand belangrijk vindt: kan zowel om grote keuzes gaan als om dagdagelijkse keuzes, deze houden trouwens ook verband met elkaar. Iemand die bv. later een beroep in de maatschappelijke dienstverlening wil uitoefenen zal in het dagelijks leven misschien ook snel helpen als iemand in nood is. Aandacht trekken op het dynamische, de invloed van peers (niet steeds enkel mensen die je wil imiteren maar ook mensen waarmee je je opvattingen kan bespreken in een veilige omgeving), het bestaan van subclubs (gemeenschappelijke belangstelling voor bepaalde zaken) en iets minder van subculturen (bepaalt gehele persoonlijkheid) bij jongeren, samenleving is complexer en diverser geworden met minder éénduidige groepen. Werken met analyse van biografieën, liedjesteksten, getuigenissen, beeldmateriaal, media, reclame, 118 en 128 Eigen identiteit en leefstijl creatief in beeld brengen kan in IO als aanvulling van vb portfolio, linken met NW (beïnvloedende factoren van leefstijl: erfelijke en fysieke factoren, materiële omgeving); linken met Voeding (uiting van keuzes ) reflecteren over eigen beïnvloedende factoren, benoemen van waarden die de keuzes bepalen. 128 Eigen vooroordelen en die van anderen (h)erkennen is een eerste stap in het leren omgaan ermee. 5.4 Evaluatie De leerplandoelstellingen houden zowel vaardigheden als ondersteunende kennis en werkmodellen in. Leerlingen dienen vooraf goed te weten waarop en hoe ze geëvalueerd zullen worden. Ze krijgen bijgevolg duidelijke criteria. Leerlingen dienen regelmatig te reflecteren en feedback te krijgen zodat ze hun eigen leerproces kunnen volgen en bijsturen. Een mogelijk middel om de eigen voortgang te volgen is het bijhouden van een individueel dossier of portfolio met persoonlijke notities, werkstukken, observatieverslagen, evaluaties, 2de graad tso 35
36 5.5 Minimale materiële vereisten Polyvalent lokaal Voor het oefenen van communicatieve en sociale vaardigheden, opzoekwerk, groepswerk Lokaal dat voldoet aan een aantal voorwaarden: voldoende ruim zodat verschillende vaardigheden gecombineerd kunnen worden; voldoende geluidsgeïsoleerd zodat leerlingen zich expressief kunnen en mogen uiten; met een inrichting die kan aangepast worden naargelang van de activiteit; voldoende en permanent beschikbare opbergruimte, materiaal bestand tegen creatief werk, materiaal en documentatie aangepast aan de leerinhouden van het leerplan; Leerlingen hebben toegang tot audiovisuele apparatuur, digitale en analoge informatiebronnen. 5.6 Bronnen Websites Zoeken leefstijl (CLIM) de graad tso
37 De ultieme hersentest (bij aanbod/instrumenten) Literatuur ACKAERT, L., BRANTS, P., DE RYCKE, L., VAN DEN BERGH, B., Kom je dat thuis eens vertellen?, Acco, Leuven, BAERT, M.-A., DE WITTE, A., Communicatiewijzer, Van In, Wommelgem. BIRKENBIHL, V., Communicatietraining Intermenselijke relaties succesvol vormgeven, Intro, Baarn. BOONEN, DECOCK, TACK, VANMARCKE, Recht voor welzijnswerkers, Kluwer, Mechelen, BOSMAN, L., DETREZ, C., GOMBIER, D., Jongeren aanspreken op hun leerkracht, Acco, Leuven, CAUTAERT, S., DUPONT, V., IDELER, I., Weerbaarheid van jongeren. Een denk- en doeboek, Refleks Junior, Garant, Leuven/Apeldoorn, Communicatie: SOVA, Acco, Leuven. COTTRELL, S., Study Skills Handboek, Handboek voor de student, Academia Press, Gent, CUVELIER, N., De tien relatiewijzen van de axenroos, Adres: Relatie-Studio VZW, Voskenslaan 167, 9000 Gent. DE BIL, P., Observeren, registreren, rapporteren en interpreteren, Nelissen, Soest DE MAN, L., JANSSENS, G., Psychologie deel 1 2, De Sikkel, Oostmalle, DEPUYT, A., DEKLERCK, J., en DEBOUTTE, G., Verbondenheid` als antwoord op `de-link-wentie`? Preventie op een nieuw spoor (Diroo-nr.6), Acco, Leuven, DOCHY, F., Anders evalueren, assessment in de onderwijspraktijk, Lannoo-Campus, Heverlee, DUYVESTIJN, Voorbij label en lifestyle,, SMO, ENDRES, WOLFGANG, Zó is leren leuk!, Pantarhei. 2de graad tso 37
38 FOUNTAIN, S., Opvoeden tot wereldburger, Bakermat, Mechelen, 1996 (deel 2: handboek voor de leerkrachten secundair onderwijs). FRANCK, J., Oog voor jezelf en de ander! Praktische gids voor sociaal-emotionele vaardigheidsontwikkeling voor volwassene en jongere, Psychocom v.z.w. Vormings & onderzoekscentrum, Geelhandlaan 3, B-2540 Hove (België). Gedragswetenschappen, 1. Mijn wereld en ik, 2. Samen leven, 3. Kunnen kiezen, De Boeck, Antwerpen. Gezondheidszorg Welzijnsgids Welzijnszorg, Kluwer. HOLZHAUER, F.F.O., Communicatie Theorie en praktijk, Een compleet handboek voor onderwijs en praktijk, Academic Service, Schoonhoven. Jaarverslag Kinderrechtencommissariaat, Leuvenseweg Brussel. JANSSENS, P., Kinderen zoals jij en ik, hoe kinderen in onze wereld leven, Lannoo/Forte, Tielt, JANSSENS, T., Vaardigheden voor zelfstandig leren. Een praktijkgericht overzicht van onderzoek, Van Gorcum, Assen. Kinderrechten een taak voor iedereen, Vormingsmap over de Rechten van het Kind, UNICEF België in samenwerking met het Centrum voor de Rechten van het Kind. KINDERRECHTSWINKELS, De juridische positie van de minderjarige in de praktijk, UGA, Heule, KONING, D. H., Leren zelfstandig leren. Een didactische handleiding voor de leerkracht (met leerstijlentest op CD-rom), Nijgh Versluys, Baarn. KSJ-KSA-VKSJ, Vragenlijst Teamrollen: Leary, Instructiemap, LENS, W., DEPREEUW, E., Tussen kunnen en moeten staat willen, 1998, 288 p. LERNOUT B., PROVOST, I., Leuker leren, Een nieuw praktijkboek voor breinvriendelijke studie, Standaard uitgeverij, Antwerpen, MAES & MAES, Hebbes, Die Keure, Brugge, MOMBAERTS M., VAN DEN BERGH, T., Even uw aandacht, succesvol informatief presenteren, Academia Press, Gent. ROBINSON, G., MAINES, B., Een schreeuw om hulp. De No Blame-aanpak bij pesten, Bakermat Uitgevers, Mechelen, SOVA-GROEP, Samen werken, samen leren. Werkboek sociale vaardigheden, theorie en oefeningen, (Pm- Reeks) Nelissen H., Baarn, 10de druk, STEENS, R., Menselijke communicatie, Interaktie Akademie, Antwerpen, VAN DE VELDE, D., De groep in actie. Praktijkboek samenwerkingsvaardigheden, Acco, Leuven, VAN DEN BROECK, H., DEBUSSCHE, F., & COOLS, E., Lessen uit emotionele intelligentie: Meer oog hebben voor jezelf en voor anderen, Lannoo, Tielt, VAN DIJK B., Beïnvloed anderen, begin bij jezelf over gedrag en de Roos van Leary,Thema, VAN DINTER, F., Soms vaak misschien. Over preventie in het basisonderwijs, Garant, Antwerpen, VAN GILS, J., Duel of duet. Een toekomst voor kinderparticipatie. VAN KEULEN, A., Ik ben ik en jij bent jij, NIZW, Utrecht, VAN PETEGEM, P., Begeleid zelfstandig leren, Wolters Plantyn, Mechelen. VAN PETEGEM, P., VANHOOF, J., Evaluatie op de testbank, Een handboek voor het ontwikkelen van alternatieve evaluatievormen, Wolters Plantyn, Mechelen, VANDENBROECK, M., De blik van de Yeti, SPW, VERHELLEN, E., Verdrag inzake de Rechten van het Kind, Garant, Leuven/Apeldoorn, VERLIEFDE, E., STAPERT, M., De kunst van het luisteren, Acco, Leuven, 208 blz. 38 2de graad tso
39 VERMUNT, J., Inventaris leerstijlen (ISL). VRANKEN, J., Het speelveld en de spelregels. Een inleiding tot de sociologie, Acco, Leuven, 2004, 450 p. WAELPUT, H., HEENE, A., S.O.S! Mijn brein wordt te klein. Een survivalpakket voor elke student, Lannoo, Tielt, de graad tso 39
40 6 Natuurwetenschappen 6.1 Beginsituatie Alle leerlingen hebben de eerste graad A-stroom voltooid waarbij zij dezelfde basisvorming hebben gekregen. Voor wetenschappen werd hierbij het leerplan Natuurwetenschappen gerealiseerd. In de eerste graad A-stroom zijn een aantal grondige wijzigingen doorgevoerd in de wetenschappelijke vorming. Biologie werd vervangen door Natuurwetenschappen waarbij er naast de biologische leerlijn ook aandacht is voor de brede wetenschappelijke vorming. Ook aspecten van de niet-levende natuur komen aan bod. We denken hierbij aan het deeltjesmodel en de begrippen energie, kracht, straling. Naast de basisvorming hebben de leerlingen van de eerste graad ook een bepaalde basisoptie gevolgd waarbij bepaalde aspecten werden verkend of uitgediept. Zo hebben sommige leerlingen via de basisopties Moderne wetenschappen of Techniek-wetenschappen reeds ruimer kennis gemaakt met de natuurwetenschappelijke methode. De startende leerling in de tweede graad Uit het voorgaande blijkt dat de leerling die start in de tweede graad geen onbeschreven blad is op gebied van natuurwetenschappelijke vorming. We moeten er wel van uit gaan dat er grote verschillen zijn tussen de leerlingen van de tweede graad. Het beheersingsniveau van de individuele leerling, de gekozen basisoptie in de eerste graad, de interesses maken dat de natuurwetenschappelijke voorkennis niet voor alle leerlingen gelijk is. De basisdoelstellingen van het leerplan Natuurwetenschappen eerste graad A-stroom leggen echter wel het minimale niveau vast voor alle leerlingen. 6.2 Algemene doelstellingen Bij de algemene doelstellingen wordt met een nummer verwezen naar de vakgebonden eindtermen voor natuurwetenschappen in de tweede graad van het tso. De volledige lijst met de eindtermen wordt in een aparte rubriek (6.7) weergegeven Inleiding Natuurwetenschappen biedt een kader aan om de fysische werkelijkheid te interpreteren door ordenen en verklaren. Dit kader bevat begrippen en modellen, wetten en regels die toelaten om problemen in de fysische werkelijkheid te herkennen en te formuleren en er oplossingen voor te zoeken. Op deze wijze is Natuurwetenschappen in essentie een probleemherkennende en -oplossende activiteit. Het realiseren van de algemene doelstellingen gebeurt binnen het vak Natuurwetenschappen en binnen een context die wordt bepaald door de leerplandoelstellingen Natuurwetenschappen Onderzoekend leren De leerlingen moeten tot het besef komen dat de studie van Natuurwetenschappen niet wereldvreemd maar betrokken is op de eigen leefwereld. Hiervoor moeten ze de link kunnen leggen tussen enerzijds waarnemingen en experimenten in een klassituatie en anderzijds situaties uit de eigen leefwereld. (5) 40 2de graad tso
41 De leerlingen worden geleidelijk aan meer vertrouwd met de wetenschappelijke methode door: een eigen hypothese te formuleren en te staven; (2) het uitvoeren van laboratoriumoefeningen (8) en door sterk betrokken te zijn bij de demonstratieproeven; doelgericht (vanuit een hypothese of verwachting) waar te nemen; (6) resultaten van experimenten en waarnemingen af te wegen tegenover de verwachte resultaten; (4) factoren die hierbij een invloed kunnen uitoefenen in te schatten; (1, 3, 4) modellen te construeren. (10) waarnemingen of gegevens verkregen door het uitvoeren van experimenten te verwoorden, te verwerken, gepaste conclusies te trekken en hierover verslag uit te brengen; (1, 7, 8) elementaire laboratoriumtechnieken te beheersen zoals het maken van een eenvoudige proefopstelling en het aflezen van meettoestellen; (11) verworven natuurwetenschappelijke kennis verantwoord (veilig en milieubewust) toe te passen; (21) Zo zullen de leerlingen de wetenschappelijke methode hanteren om: chemische, biologische of fysische processen voor te stellen en te verduidelijken; (10) samenhangen weer te geven door te ordenen of te schematiseren; (12) De leerlingen leren de computer en bijbehorende software hanteren voor het verwerven van informatie en het verwerken van gegevens. (1, 9) Wetenschap en samenleving Modellen worden volgens de wetenschappelijke methode opgebouwd, historisch gesitueerd (zoals het ontstaan van een atoommodel) en verder verfijnd. (13) De leerlingen komen tot het besef dat natuurwetenschappen tot cultuur behoren doordat natuurwetenschappelijke opvattingen overgedragen worden. Begrippen zoals atoom, kracht, energie, ecologisch zijn reeds in het dagelijks taalgebruik doorgedrongen. (18) De leerlingen moeten inzien dat wetenschappelijke en de hieruit voortvloeiende technologische ontwikkelingen zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben (14, 15). Zo heeft inzicht in de begrippen arbeid, vermogen en energie geleid tot betere werktuigen en machines die het comfort van de mens kunnen verbeteren. De milieuproblemen zoals afvalproblemen en luchtvervuiling die o.a. ontstaan bij energieproductie, vormen echter de keerzijde van deze ontwikkelingen. Alternatieve energievormen kunnen hierbij een oplossing bieden. De leerlingen zien in dat ondoordacht ingrijpen op de biosfeer catastrofale gevolgen kan hebben op korte of lange termijn (cf. broeikaseffect, uitputting van grondstoffen en energiebronnen, monoculturen, afvalbergen... maar ook armoede, migratie, verstedelijking, verschuiven van problemen naar toekomstige generaties ). De mens zal moeten leren een duurzame levensstijl aan te nemen. Vele problemen die onze wereld bedreigen zijn een gevolg van onze welvaartsmaatschappij. (16, 17, 19) Het oplossen van duurzaamheidsvraagstukken is een mondiale opgaven waarbij natuurwetenschappelijke inzichten en technologische ontwikkelingen een voorname rol spelen. (14, 17, 19) 2de graad tso 41
42 De leerlingen moeten voldoende basiskennis en inzicht verwerven om geconfronteerd met dergelijke problemen een gefundeerd standpunt, ook op ethisch vlak, te argumenteren. (19) Hieruit moet het belang van het natuurwetenschappenonderwijs voor de algemene vorming blijken. Heel wat beroepen vereisen daarenboven een meer specifieke kennis van natuurwetenschappen. De leerlingen moeten met enkele voorbeelden het belang van natuurwetenschappen in het beroepsleven kunnen illustreren. (20) Attitudes Bepaalde attitudes worden nagestreefd zodat de leerlingen ingesteld zijn om: resultaten objectief en kritisch voor te stellen en de eigen conclusies te verantwoorden; (24*, 27*, 28*) zich correct in een wetenschappelijke taal (terminologie, symbolen, eenheden) uit te drukken; (29*) feiten te onderscheiden van meningen en vermoedens; (26*) een eigen mening te formuleren. (22*) met anderen samen te werken, naar anderen te luisteren, en de eigen mening zo nodig te herzien; (22*, 23*, 25*) De leerlingen zijn ingesteld op het veilig en milieubewust uitvoeren van een experiment. (30*) De leerlingen: hebben aandacht voor de eigen gezondheid en deze van anderen; (32*) houden zich aan de instructies en voorschriften bij het uitvoeren van opdrachten; (31*) interpreteren etiketten op producten (veiligheidszinnen, pictogrammen, concentraties); (30*) dragen indien nodig persoonlijke beschermingsmiddelen: labjas, veiligheidsbril, handschoenen; (30*, 31*, 32*) maken indien nodig gebruik van een trekkast. (30*, 31*, 32*) 6.3 Algemene pedagogisch-didactische wenken Geïntegreerde aanpak Het leerplan Natuurwetenschappen gaat uit van een geïntegreerde aanpak van de verschillende wetenschapsvakken. Door deze aanpak zien de leerlingen beter de samenhang tussen de verschillende wetenschappelijke disciplines. Voorbeelden van de wetenschappelijke basisvaardigheden zijn: hanteren van meettoestellen: opstellingen maken, aflezen, nauwkeurigheid inschatten ; werken met grootheden en correcte SI-eenheden toepassen; grafische voorstellingen. Het is belangrijk dat het onderdeel Metrologie geïntegreerd wordt aangeboden. Het is niet zinvol om een afzonderlijk hoofdstuk Metrologie te behandelen. Het werken met meettoestellen, grootheden, eenheden en grafische voorstellingen komt op regelmatige basis terug in de verschillende leerstofonderdelen. 42 2de graad tso
43 Het materiemodel, behandeld in de eerste graad, vormt de basis van de studie van chemische verschijnselen. Dit model wordt uitgebreid in het onderdeel Verfijning materiemodel: atomen en moleculen. Ook heel wat fysische verschijnselen worden met behulp van het materiemodel verklaard. In het onderdeel Classificatie worden zowel biologische als chemische classificatiesystemen bestudeerd. Hierbij wordt algemeen de noodzaak tot classificatie en de bijhorende classificatiecriteria besproken aan de hand van concrete voorbeelden. Volgende classificatiesystemen komen aan bod: classificatie van organismen; classificatie van elementen; classificatie van stoffen. In dit onderdeel leren de leerlingen ook tabellen zoals determineertabellen en periodiek systeem van de elementen (PSE) hanteren. Ook schema s, zoekkaarten en allerlei andere ordeningsinstrumenten kunnen hierbij aan bod komen. In het onderdeel Zintuigen komt de integratie tussen biologie en fysica tot uiting bij Licht en Zien. Hier wordt de optica besproken aan de hand van toepassingen uit de biologie. Lichtbreking en lenzen worden behandeld bij de bespreking van het menselijk oog; bij de optische toestellen komen vergrootglas en bril aan bod. Terugkaatsing wordt besproken bij de vlakke spiegel De wetenschappelijke methode Wetenschappen worden gekenmerkt door een zeer specifieke aanpak. De pedagogische waarde van wetenschappen ligt precies in deze zeer eigen aanpak. Een wetenschappelijke uitspraak steunt steeds op onderzoek. De pedagogisch didactische aanpak in de klas moet dit aspect dan ook weerspiegelen. Het vak Natuurwetenschappen mag geen opsomming zijn van feiten of weetjes maar moet de wetenschappelijke methode op het voorplan plaatsen. Het bijbrengen van nieuwe concepten gebeurt meestal aan de hand van waarnemingen. Deze waarnemingen worden verkregen uit experimenten of uit observatie van dagelijkse verschijnselen. In de didactische wenken die horen bij de leerplandoelstellingen worden de nodige tips gegeven hoe men hierbij tewerk kan gaan. Op basis van de verkregen waarnemingen wordt een mogelijke verklaring gegeven. Deze verklaring wordt meestal niet docerend aangebracht. Een onderwijsleergesprek waarbij de leerling mee op zoek gaat naar mogelijke verklaringen is een mogelijke werkvorm. Een synthese in de vorm van een theoretisch model is dan het resultaat. Eventueel kunnen dan nog enkele experimenten uitgevoerd worden om de bekomen theorie te bevestigen of juist te ontkrachten. De historische ontwikkeling van het Atoommodel is een mooi voorbeeld van wetenschappelijk onderzoek waarbij het ontwikkelde model voortdurend aangepast wordt aan nieuwe experimentele waarnemingen Laboratoriumoefeningen In de loop van de tweede graad moeten minimum 18 uur laboratoriumoefeningen worden voorzien, evenredig verdeeld over de twee leerjaren en verspreid over de verschillende wetenschappelijke disciplines (biologie, chemie, fysica). Concreet komt dit neer op minimum 6 uur practica voor iedere discipline over de twee leerjaren. Indien kleinere laboratoriumopdrachten worden voorzien die minder dan een lesuur beslaan, moet men minimum een equivalent van 18 uur voorzien. Opdrachten (bv. practica) die uitgevoerd worden binnen Integrale Opdrachten komen hiervoor niet in aanmerking. Mogelijke laboratoriumopdrachten staan vermeld bij de verschillende leerplanonderdelen. 2de graad tso 43
44 Het organiseren van een practicum kan op verschillende wijzen gebeuren: klassikaal of frontaal practicum (alle groepjes voeren dezelfde proef uit) of circuit- of doorschuifpracticum (de groepjes voeren verschillende proeven uit). De groepjes waarvan sprake bestaan uit twee of maximaal drie leerlingen. De laboratoriumoefeningen dienen in een degelijk uitgerust laboratorium plaats te vinden. De leraar mag per leerstofpunt een keuze maken uit de in de pedagogisch-didactische wenken voorgestelde laboratoriumoefeningen, andere zinvolle proeven die bij de leerstofpunten aansluiten mogen ook uitgevoerd worden. Er wordt steeds op een veilige en verantwoorde manier in het laboratorium gewerkt. Alle verplichte beschermmiddelen moeten in het laboratorium aanwezig zijn, gemakkelijk bereikbaar en natuurlijk indien nodig ook gebruikt worden. Bij de keuze van chemicaliën zal de leraar rekening houden met de aanbevelingen die terug te vinden zijn in de COS-brochure (COS: Chemicaliën Op School de meest recente versie is te downloaden op Afvalstoffen worden onder toezicht van de leraar gesorteerd en verder opgeslagen. Men dient de leerlingen te wijzen op het belang van een correct afvalbeheer. Van elke laboratoriumoefening dienen de leerlingen een verslag te maken. Dit kan bestaan uit het invullen van een instructieblad of uit een open verslag. De leerlingen moeten het instructieblad aandachtig bestuderen alvorens met de uitvoering te beginnen Computergebruik Het gebruik van de computer in Natuurwetenschappen hangt van vele factoren af zoals o.a. het aantal leerlingen in de klas, infrastructuur van het lab, beschikbaarheid en ligging (t.o.v. het lab) van het computerlokaal, beschikbaarheid van software en de computerconfiguratie. Enkele voorbeelden waarbij de computer kan gebruikt worden: verwerken (berekeningen en grafieken tekenen) van gegevens en meetresultaten met een rekenbladprogramma (overleg met de leraar informatica is hierbij aangewezen); opstellen van een laboratoriumverslag. Hierbij kunnen tekst, figuren en grafieken geïntegreerd worden; bestuderen van molecuulmodellen op Internet of cd-rom. Voor deze modellen is een plug-in nodig (bv. chime) die echter gratis te downloaden is van het Internet; animaties en simulaties van verschijnselen; gebruik van elektronische gegevensbanken bv. het opzoeken van informatie Urenverdeling De suggesties qua urenverdeling hebben geenszins de bedoeling een chronologie of tijdsbesteding op te leggen. De vakwerkgroep kan de volgorde en de tijdsbesteding zelf bepalen, mits een logische inhoudelijke opbouw wordt bereikt. Metrologie wordt geïntegreerd in de verschillende leerstofonderdelen. Op deze wijze bereikt men de doelstellingen rond metrologie. 44 2de graad tso
45 Leerstofonderdeel Uren Materiemodel 11 Kracht, arbeid, energie en vermogen 17 Verfijning materiemodel: atomen en moleculen 6 Classificatie 15 Zintuigen 22 Stofklassen 27 Terreinstudie 20 Chemische reacties 14 Druk 11 Warmteleer Leerplandoelstellingen, leerinhouden en pedagogisch-didactische wenken In de loop van de tweede graad moeten minimum 18 uur laboratoriumoefeningen worden voorzien, evenredig verdeeld over de twee leerjaren en verspreid over de verschillende wetenschappelijke disciplines (biologie, chemie, fysica). Concreet komt dit neer op minimum 6 uur practica voor iedere discipline over de twee leerjaren. Indien kleinere laboratoriumopdrachten worden voorzien die minder dan een lesuur beslaan, moet men minimum een equivalent van 18 uur voorzien. Opdrachten (bv. practica) die uitgevoerd worden binnen Integrale Opdrachten komen hiervoor niet in aanmerking. Mogelijke laboratoriumopdrachten staan vermeld bij de verschillende leerplanonderdelen. Bij het realiseren van de leerplandoelstellingen staan de algemene doelstellingen Onderzoekend leren en Wetenschap en samenleving centraal. Dit leerplan bevat naast de verplichte doelstellingen ook vijf uitbreidingsdoelstellingen (U) (nrs. 80, 81, 82, 83 en 111). Deze doelstellingen hoeven niet noodzakelijk gerealiseerd te worden Metrologie LEERPLANDOELSTELLINGEN 1 Bij de behandelde begrippen grootheden en SIeenheden hanteren. 2 Meetresultaten op een correcte wijze noteren, rekening houdend met de nauwkeurigheid van de metingen. 3 Het aantal beduidende cijfers correct interpreteren. 4 Evenredige en omgekeerd evenredige verbanden herkennen vanuit grafieken. LEERINHOUDEN Grootheden, eenheden Meetnauwkeurigheid rechtstreekse metingen Beduidende cijfers Grafische voorstellingen Recht en omgekeerd evenredigheid 2de graad tso 45
46 DIDACTISCHE WENKEN Het onderdeel Metrologie wordt geïntegreerd in de verschillende leerstofonderdelen. Op deze wijze bereikt men de doelstellingen rond metrologie. Het maken van afzonderlijke oefeningen, los van een concrete context, brengt geen wetenschappelijk inzicht bij. 1 Het is belangrijk dat de leerlingen de juiste grootheid en bijhorende eenheid kunnen aangeven bij een meet- of rekenresultaat. De leraar dient de nodige omzichtigheid in acht te nemen wat betreft het hanteren van veelvouden en delen van SI-eenheden. Dit kan enkel in gevallen waar het betekenisvol gebruik dit toelaat. Voorbeelden hiervan zijn de luchtdruk in hpa, massadichtheid in g/cm³, vermogen in kw of MW, energie in kj of kwh. 2 Het begrip meetnauwkeurigheid wordt praktisch aangebracht door bv. een voorwerp te laten meten met behulp van een stokmeter, een vouwmeter en een schuifmaat. Leerlingen lezen een correct aantal beduidende cijfers af op een meettoestel. Ze kiezen meettoestellen, volumetrisch glaswerk... in functie van de nauwkeurigheid van de opdracht. 3 Zie wenk bij doelstelling 2. Het is niet de bedoeling om benaderingsregels bij berekeningen te behandelen. 4 Bijzondere aandacht dient besteed te worden aan het benoemen van de assen en de bijbehorende eenheden. Enkel voorbeelden van recht evenredige verbanden worden behandeld. Voor de omgekeerd evenredige verbanden wordt gewacht tot dit begrip later aan bod komt Materiemodel LEERPLANDOELSTELLINGEN 5 Het temperatuur(tijd)-diagram interpreteren bij smelten, stollen en koken. LEERINHOUDEN Temperatuur(tijd)-diagram Smeltpunt, stolpunt, kookpunt 6 Het kookverschijnsel kwalitatief beschrijven. Kookverschijnsel 7 De relatie tussen de begrippen massa en volume toelichten en in praktische voorbeelden toepassen. 8 De begrippen zuivere stof, homogeen en heterogeen mengsel omschrijven en in duidelijke gevallen herkennen. 9 De opgeloste stof, het oplosmiddel en de oplossing kunnen aanduiden in concrete voorbeelden van oplossingen. 10 De concentratie-uitdrukkingen massaprocent en volumeprocent toepassen. 11 Verduidelijken dat zuivere stoffen bekomen worden door toepassen van scheidingstechnieken op mengsels. 12 Cohesie en adhesie herkennen in toepassingen en toelichten m.b.v. het deeltjesmodel. Massa, volume, massadichtheid Mengsel en zuivere stof Homogeen en heterogeen mengsel Opgeloste stof, oplosmiddel, oplossing Massaprocent, volumeprocent Scheidingstechnieken Cohesie en adhesie 46 2de graad tso
47 DIDACTISCHE WENKEN 5 Het temperatuur(tijd)-diagram bij smelten van ijs en koken van water kan experimenteel afgeleid worden. 6 Het kookverschijnsel wordt experimenteel vastgesteld. Drukafhankelijkheid kan hier besproken worden. 7 Het is aangewezen de leerlingen de massadichtheid van enkele stoffen te laten opzoeken en deze onderling te laten vergelijken. Zinken, zweven en drijven zullen hierbij aan bod komen. Men moet de leerlingen bijbrengen dat een gas eveneens een massa heeft en dus ook een massadichtheid. Veel leerlingen realiseren zich dat anders niet. Het is verwarrend te zeggen dat ijzer zwaarder is dan water, als er eigenlijk bedoeld wordt dat de massadichtheid van ijzer groter is dan die van water. 8 Men doet de leerlingen inzien dat een zuivere stof gekenmerkt wordt door welbepaalde fysische constanten (smeltpunt, kookpunt, oplosbaarheid, massadichtheid). Experimenteel kan men bijvoorbeeld het smeltpunt van ijs bepalen en nadien het smeltverloop van het mengsel ijs-zout (met grafiek). Bij de studie van de soorten mengsels worden er voorbeelden gegeven uit de leefwereld zoals zeezand, zand in water, olie in azijn (vinaigrette), leidingwater, gedemineraliseerd water, spuitwater, alcoholische dranken, metaallegeringen, melk, mayonaise, lucht 9 Deze begrippen worden best bijgebracht aan de hand van oplossingen die de leerlingen reeds kennen uit het dagelijks leven. Voorbeelden hiervan zijn: bier, wijn, tafelazijn, keukenzoutoplossing. 10 Aan de hand van bovenstaande voorbeelden kan men het concentratiebegrip bijbrengen. Begrippen als verdunnen en concentreren zijn eenvoudig bij te brengen. Bij de concentratie-uitdrukkingen gebruikt men enkel massaprocent en volumeprocent. De molaire concentratie komt pas in de derde graad aan bod. 11 Voorbeelden van scheidingstechnieken waaruit een keuze kan gemaakt worden destillatie, kristallisatie, decantatie, filtratie, extractie, chromatografie, centrifuge, adsorptie. Het is niet de bedoeling om al deze scheidingstechnieken te behandelen. Hiervoor gebruikt men bij voorkeur voorbeelden in relatie met de leefwereld zoals het zetten van koffie en thee, destillatie en decantatie van wijn, afromen van melk, winning van suiker uit de suikerbiet, winning van zout, raffinage van aardolie, was drogen in een droogkast, sla droog zwieren, afvalwater zuiveren, Volgende experimenten kunnen in aanmerking komen of eventueel geïntegreerd worden in een IOopdracht: afvalwater zuiveren, kleurstoffen uit bladeren halen, olie uit noten, Fysische constanten kunnen bepaald worden van zuivere stoffen die men door het scheiden van mengsels verkregen heeft zoals: smeltpunt, kookpunt, oplosbaarheid, massadichtheid. 12 Het is de aangewezen ook in te gaan op het samenspel van cohesie en adhesie bij de meniscus van een vloeistof aan de rand van het vat. Bij heel smalle buisjes treedt dan capillaire opstijging of neerdrukking op. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Bepalen van de dichtheid van regelmatige lichamen, vloeistoffen en onregelmatige lichamen. Bepalen van het smeltpunt, stolpunt of kookpunt van water en mogelijke invloeden hierop. Scheidingstechnieken voor heterogene mengsels. Scheidingstechnieken voor homogene mengsels Kracht, arbeid, energie en vermogen Massa, zwaartekracht en gewicht LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN 2de graad tso 47
48 13 Voorbeelden geven dat krachten zowel vervorming als verandering van bewegingstoestand kunnen veroorzaken. 14 Kracht als vectoriële grootheid omschrijven en voorstellen in een figuur van een concrete situatie. Kracht als oorzaak van vervorming en als oorzaak van verandering van bewegingstoestand Vectorvoorstelling van een kracht 15 Een kracht meten met een dynamometer. Meten van krachten met een dynamometer (eenheid: newton N) 16 Uit de massa van een voorwerp, de zwaartekracht op dat voorwerp bepalen. Massa en zwaartekracht 17 Het begrip gewicht omschrijven en het onderscheid met massa en zwaartekracht aangeven. Massa, zwaartekracht en gewicht DIDACTISCHE WENKEN 13 Op het eind van het tweede leerjaar van de eerste graad hebben de leerlingen beperkt kennis gemaakt met het begrip kracht. In het leerplan Natuurwetenschappen van de eerste graad vinden we onderstaande leerplandoelstelling: Uit experimentele en technische toepassingen afleiden dat de vorm- en/of snelheidsverandering van een voorwerp veroorzaakt wordt door de inwerking van een kracht en afhangt van de grootte van die kracht. (B62) In de tweede graad wordt het krachtbegrip uitgebreid bij verandering van bewegingstoestand. Als een kracht werkt op een voorwerp, kan dat leiden tot een vervorming van dit voorwerp (uitrekking van een veer of een elastiek, een deuk in een auto bij een botsing, ) of tot een verandering van bewegingstoestand (de opslag van een tennisser, de keeper die de bal stopt voor zijn doel, ). de kracht zelf kan je niet vastnemen of zien. De kracht wordt wel zichtbaar door de uitwerking van die kracht op het voorwerp: de uitgerekte veer of elastiek en de deuk in de auto zijn voorbeelden van de statische uitwerking; de tennisbal in het veld en de bal in de handen van de keeper zijn voorbeelden van de dynamische uitwerking van die kracht. 14 Het is belangrijk om te weten op welk lichaam de kracht werkt (het aangrijpingspunt). De ervaring leert dat leerlingen de kenmerken richting en zin dikwijls door elkaar gebruiken. Het is dus van belang om deze goed te omschrijven. Naast vectoriële grootheden bestaan ook scalaire grootheden; deze hebben alleen een grootte. Voorbeelden zijn lengte, tijd, massa, deze grootheden zijn volledig bepaald door een getal en een eenheid. 15 Er bestaan verschillende dynamometers op de markt, naargelang het gewenste meetgebied: met soepele veer voor kleine krachten en die met stugge veel voor grote krachten. 16 De zwaartekracht is een veldkracht: ze werkt van op afstand. Met de dynamometer kan aangetoond worden dat de zwaartekracht op een voorwerp recht evenredig is met de massa van dit voorwerp. De waarde van het constant quotiënt F z /m karakteriseert de sterkte van dit veld. Die constante (evenredigheidsfactor wordt voorgesteld door g (F z = m.g). De eenheid van g is de N/kg. We noemen g de zwaarteveldsterkte. 17 Zwaartekracht en gewicht (= kracht van een lichaam op zijn ondersteuning of ophanging) zijn even groot, maar hebben een verschillend aangrijpingspunt. Dit is echter alleen zo als de bewegingstoestand van het lichaam niet verandert, als het lichaam in rust is. Een vallend lichaam heeft geen ondersteuning en is dus gewichtsloos, maar er werkt wel zwaartekracht op. Interessante voorbeelden zijn te vinden bij kermisattracties. Astronauten in een shuttle zijn gewichtsloos, omdat ze rond de aarde vallen. Als astronauten op de maan komen dan is hun massa nog steeds dezelfde maar de zwaartekracht die op hen werkt is kleiner. Daardoor is hun gewicht ook kleiner. 48 2de graad tso
49 MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Afleiden van het verband tussen zwaartekracht en massa d.m.v. metingen met dynamometer. Wet van Hooke Arbeid, energie en vermogen in het dagelijkse leven LEERPLANDOELSTELLINGEN 18 Het begrip arbeid gebruiken en in een aantal concrete situaties in het dagelijkse leven toelichten. 19 Arbeid berekenen bij een constante kracht die evenwijdig is met de verplaatsing en dit betrekken op algemene voorbeelden uit het dagelijkse leven. 20 In concrete situaties het begrip vermogen gebruiken en berekenen. LEERINHOUDEN Arbeid Arbeid verricht door een constante kracht Vermogen 21 De wet van behoud van energie formuleren. Wet van behoud van energie DIDACTISCHE WENKEN 18 Als leerlingen hun zware boekentas opheffen en in hun hand stilhouden zullen zij erover klagen dat dit toch wel heel lastig is en dat dit veel arbeid van hen vergt. Als de leerkracht wetenschappen hen dan vertelt dat zij op dat moment geen fysische arbeid leveren, wordt dit toch wel op ongeloof onthaald. In de wetenschappen is er immers een verplaatsing nodig om te kunnen spreken van arbeid. Dus pas als de leerlingen hun boekentas hoger heffen, zullen zij arbeid verrichten. 19 Er worden enkel voorbeelden behandeld waarbij de verplaatsing evenwijdig is met de richting van de krachtvector. Hierbij komt een nieuwe eenheid aan bod, namelijk de joule (J = N.m). 20 Als twee leerlingen met gelijke massa een helling oplopen dan moeten zij eenzelfde arbeid verrichten. Als leerling 1 sneller boven is dan leerling 2 dan levert leerling 1 een grotere prestatie. Aan de leerlingen moet men duidelijk maken dat de tijdsduur waarin een arbeidsprestatie geleverd wordt ook belangrijk is. Als wij deze tijdsduur in rekening nemen ontstaat een nieuwe grootheid, namelijk het vermogen als de arbeid per tijdseenheid. De eenheid van vermogen is de watt (W= J/s). 21 Het energiebegrip en energieomzettingen kwamen reeds aan bod in de eerste graad in het vak Natuurwetenschappen. Ook voeding als energiebron kwam hierbij uitgebreid aan bod. We bouwen in de tweede graad verder op deze begrippen om te komen tot de energiebehoudswet. Energie kan niet gemaakt of vernietigd worden. Het enige dat gebeurt is dat energie van de ene in de andere energievorm omgezet wordt. Dit is het beginsel van het behoud van energie. Energie kan natuurlijk ook wel eens in een niet bruikbare energievorm omgezet worden. Bij een auto wordt het grootste deel van de chemische energie in thermische energie omgezet; slechts een klein deel wordt omgezet in bewegingsenergie. Bij een gloeilamp wordt een deel van de elektrische energie omgezet in stralingsenergie, maar ook in (niet bruikbare) thermische energie. 2de graad tso 49
50 MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Bepaling van mechanische of elektrische arbeid Spieren en spierwerking LEERPLANDOELSTELLINGEN 22 Uit waarnemingen aantonen dat beweging door samentrekking van spieren tot stand komt. 23 De macroscopische en de microscopische delen van een spier beschrijven en benoemen. 24 Enkele voorbeelden van structuren opnoemen die gestreept of glad spierweefsel bevatten. LEERINHOUDEN Samentrekking van spieren Bouw van spieren Gestreept glad spierweefsel 25 Verwoorden hoe spierwerking tot stand komt. Inkorten van spierfibrillen in spiervezels 26 Aantonen dat antagonistische spieren tegenovergestelde bewegingen mogelijk maken. Agonisten en antagonisten DIDACTISCHE WENKEN 22 Door een werkende skeletspier (b.v. de biceps) te betasten wordt vastgesteld dat beweging van ledematen ontstaat door samentrekking. Ook bewegingen in het lichaam zoals het kloppen van het hart, peristaltiek of adembeweging worden als spierbeweging verklaard. 23 De macroscopische delen van een spier kunnen via demo s op internet of cd-rom of via eigen waarnemingen aangebracht worden. Voor de microscopische studie kunnen preparaten bekeken worden. 24 Zie wenk De microscopische waarnemingen worden gebruikt om de spiercontractie te verduidelijken. Ook animaties (cd-rom, internet, video) kunnen dit ondersteunen. Hierbij moet zeker de link worden gelegd met de begrippen kracht, arbeid en energie. 26 De functie van antagonistische spieren kan uit waarnemingen op het lichaam of via animaties afgeleid worden. Hierbij wordt benadrukt dat spieren enkel actief kunnen verkorten, maar niet actief kunnen verlengen. Hierbij moet zeker de link worden gelegd met de begrippen kracht, arbeid, en energie. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Onderzoek van dikte van de eigen spierbal bij samentrekken en ontspannen. Macroscopische delen: onderzoek van de vleugel van een kip. Hier kunnen ook de antagonisten getoond worden. Ontrafelen van de vezels van dwarsgestreept spierweefsel: bv. gekookt vlees: - macroscopische waarneming: pezen, spierbundels, spiervezels, bindweefselscheden); - microscopische waarneming (eventueel na kleuring). De vezels kunnen vergeleken worden met microscopische preparaten, histologische foto s (bv. via cd-rom, internet), micropreparaten Spierwerking fysisch bekeken: kracht, arbeid, energie (uithoudingsvermogen). 50 2de graad tso
51 6.4.4 Verfijning materiemodel: atomen en moleculen LEERPLANDOELSTELLINGEN 27 In een gegeven deeltjesmodel moleculen aanduiden en deze herkennen als een groepering van atomen. 28 Een atoom beschrijven als samengesteld uit protonen, neutronen, elektronen en hun plaats binnen het atoom omschrijven. 29 Een element omschrijven als een atoomsoort bepaald door het aantal protonen per atoom zoals weergegeven door het atoomnummer en voorgesteld door een eigen chemisch symbool. 30 Een historisch overzicht van de evolutie van het atoommodel van Dalton tot het atoommodel van Bohr weergeven. LEERINHOUDEN Moleculen - atomen Monoatomisch - polyatomisch Samenstelling van het atoom Element Chemisch symbool Evolutie van het atoommodel Elektronenconfiguratie DIDACTISCHE WENKEN 27 Met behulp van eenvoudige molecuulmodellen de begrippen molecule en atoom bijbrengen. Met eenvoudige voorbeelden worden de begrippen monoatomische en polyatomische moleculen ingevoerd. 28 Bij de beschrijving van het atoom is het belangrijk in te gaan op de omvang van kern en elektronenmantel om hiermee aan te geven dat het atoom erg ijl is. We benadrukken dat de chemische reacties het gevolg zijn van een herschikking van de bezetting van de elektronenmantel en dat de atoomkernen in een chemische reactie onberoerd blijven. 29 Hier kunnen een aantal symbolen van veel gebruikte elementen worden aangeleerd. Het is belangrijk te benadrukken dat de regels voor het schrijven van symbolen zeer strikt zijn. 30 Bij de bespreking van de atoommodellen van Dalton, Thomson, Rutherford en Bohr is het belangrijk om aan te geven dat elk model de kennis van hun tijd weerspiegelt. Telkens als nieuwe experimentele gegevens aan het licht kwamen die het heersende model tegenspraken, moest het model worden aangepast: dit is de essentie van het wetenschappelijk denken. Men kan aangeven dat het atoommodel nog steeds wordt aangepast maar dat het in het kader van de schoolse kennis niet nodig is om de meest recente versie te kennen. Het begrip elektronenconfiguratie wordt ingevoerd als manier om te beschrijven hoe de elektronen in een atoom verdeeld zijn over de verschillende schillen. Het is voldoende enkel de hoofdenergieniveaus te bespreken Classificatie Inleiding: classificatie in de wetenschappen LEERPLANDOELSTELLINGEN 31 Noodzaak en voorbeelden van classificatiesystemen bespreken en hanteren. LEERINHOUDEN Classificatiesystemen 2de graad tso 51
52 32 Inzien dat classificatie veelal teruggaat op algemeen aanvaarde criteria. Criteria voor classificatie DIDACTISCHE WENKEN Doelstellingen 31 en 32 worden geïntegreerd bij de classificatie van organismen en stoffen en hoeven dus niet afzonderlijk behandeld te worden. 31 Aan de hand van (aangeboden) indelingssystemen van planten, dieren en stoffen moet duidelijk zijn dat een algemeen geldend classificatiesysteem noodzakelijk is, omdat er anders geen éénduidigheid is. 32 Dit kan gebeuren met voorbeelden uit diverse wetenschappen (rangschikking van planten, dieren en stoffen) Classificatie van organismen LEERPLANDOELSTELLINGEN 33 Vaststellen dat bepaalde organismen meer onderlinge overeenkomsten vertonen dan andere. 34 Uit overeenkomsten en verschillen tussen organismen criteria kiezen waardoor een indeling bekomen wordt. 35 De lagere taxonomische niveaus (orde, familie, geslacht, soort) aan de hand van voorbeelden aangeven. 36 Een systematische indeling van levende organismen in het vijfrijkensysteem op basis van eenduidige criteria weergeven. 37 Op basis van kenmerken het plantenrijk en het dierenrijk indelen. 38 Eenvoudige determineertabel van planten of dieren hanteren. LEERINHOUDEN Overeenkomsten tussen organismen Criteria voor indeling van organismen Orde, familie, geslacht, soort Vijfrijkensysteem Indeling plantenrijk en dierenrijk Determineertabel van planten of dieren DIDACTISCHE WENKEN 33 Een goed voorbereide excursie met doelgerichte opdrachten kan een ideale aanloop zijn om het belang van classificatie aan te voelen. De observatie zal gericht zijn op het herkennen van morfologische gelijkenissen en verschillen tussen organismen. Deze doelstelling kan ook bereikt worden bij het onderdeel Terreinstudie. 34 Aan de hand van vergelijking van levende organismen gevonden op het terrein, foto s van organismen, opgezette organismen, micropreparaten van organismen kunnen de leerlingen(groepjes) zelf een indeling maken van deze organismen in een aantal zelf gekozen groepen aan de hand van eigen gekozen criteria. Door de indeling van verschillende leerlingen(groepjes) te vergelijken zullen ze inzien dat de indeling of classificatie afhangt van de gekozen criteria. Ze zullen zo inzien dat een algemeen geldend classificatiesysteem noodzakelijk is. Het vijfrijkensysteem kan dan als voorbeeld van een eenduidig classificatiesysteem gegeven worden. 52 2de graad tso
53 Organismen gevonden op het terrein kunnen als toepassing in dit vijfrijkensysteem geclassificeerd worden. 35 Uit de verwerkte gegevens van de excursie (eventueel aangevuld met bijkomend materiaal) worden de kenmerken vastgesteld die de plaatsing in de taxonomische niveaus verantwoorden. 36 Als synthese worden de bestudeerde organismen in het vijfrijkensysteem geclassificeerd. De synthese wordt verder aangevuld met een eenvoudige indeling van het planten- en dierenrijk. 37 Zie wenk Bij de biotoopstudie kunnen eenvoudige determineertabellen of zoekkaarten voor het determineren van zoetwaterdieren, ongewervelde bodemdieren. of eenvoudige flora s (eventueel op cd-rom) gebruikt worden. Op deze manier kan de indeling van één of meer groepen uit het planten- en of dierenrijk verder bekeken worden. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Determineren en indelen van de organismen volgens de gekozen criteria in orde, familie, geslacht, soort (zowel bij planten als dieren): bv. zaadplanten, zwammen, geleedpotigen... Terreinstudie in de omgeving van de school (beek of vijver, grasland, wegberm, bos of park of waarnemingen van opgezette dieren (collectie op school, in museum ), aangebracht levend materiaal, beeldmateriaal (cdrom), een excursie naar een dierentuin Microscopisch onderzoek van cellen (ui, waterpest, mos, wangcellen, schimmel, ééncellige, bacteriën en blauwwieren) voor indeling van de organismen in vijf rijken (vijfrijkensysteem van Whittaker) Classificatie van stoffen PSE LEERPLANDOELSTELLINGEN 39 De periodiciteit weergeven voor de elementen van de hoofdgroepen van het PSE. 40 De plaats van een element verklaren aan de hand van de elektronenconfiguratie en omgekeerd. LEERINHOUDEN Periodiciteit en hoofdgroepen Metalen, niet-metalen, edelgassen Perioden en groepen in PSE DIDACTISCHE WENKEN 39 Het periodiek systeem wordt beschreven als een ordening van de elementen om inzicht te krijgen in de opbouw en de eigenschappen van de atomen van de elementen. De inbreng van Mendeljev kan in een historisch kader geplaatst worden maar men dient te vermijden om over 'de tabel van Mendeljev' te spreken. De plaats van een element in het PSE levert direct belangrijke informatie. Men kan aangeven dat deze regels strikt gevolgd worden door de a-elementen, veel minder door de b-elementen en maar zeer beperkt door de c-elementen. De plaats waar op het PSE de metalen, niet-metalen en edelgassen te vinden zijn wordt aangegeven zonder in te gaan op de chemische betekenis van deze begrippen. 40 Aan de hand van eenvoudige regels wordt de elektronenconfiguratie van de eerste 18 elementen opgesteld. Het is belangrijk om aan te geven dat voor het opstellen van elektronenconfiguratie van de overige elementen er nog andere (ingewikkelder) regels moeten worden gehanteerd. Er wordt aangeleerd hoe 2de graad tso 53
54 men het PSE kan gebruiken om de elektronenconfiguratie af te leiden. Dit is nuttig bij de chemische binding. Enkelvoudige en samengestelde stoffen LEERPLANDOELSTELLINGEN 41 Enkelvoudige en samengestelde stoffen onderscheiden op basis van hun chemische formule. 42 Enkelvoudige stoffen indelen in metalen, nietmetalen en edelgassen. 43 Betekenis begrijpen van de termen organische stof en anorganische stof en de alternatieve benamingen koolstofverbinding en minerale verbinding. 44 Het criterium voor de indeling in verbindingsklassen verwoorden. LEERINHOUDEN Chemische formule van een stof Enkelvoudige en samengestelde stoffen Metalen, niet-metalen, edelgassen Koolstofverbindingen en minerale verbindingen Verbindingsklassen DIDACTISCHE WENKEN 41 De chemische formule van een stof wordt aangebracht als de beschrijving in chemisch tekenschrift van de molecule van de stof. Het is belangrijk in te gaan op de mogelijke verwarring wanneer een enkelvoudige stof dezelfde naam heeft als het element en dat de context dan moet uitmaken waar de gebruikte naam op slaat. Aan de hand van enkele voorbeelden kan men aangeven dat er meer enkelvoudige stoffen zijn dan elementen. Ook kan ingegaan worden op de (misleidende) formuleringen zoals het 'calcium in melk' en het 'ijzergehalte' in bloed. 42 Men geeft aan dat de indeling van de enkelvoudige stoffen gebaseerd is op de indeling van het periodiek systeem. Aan de hand van enkele voorbeelden kan men deze indeling concretiseren. 43 De naam 'organische verbinding' werd in het verleden ingevoerd voor stoffen die uitsluitend door organismen werden gevormd. Daar men de meeste organische verbindingen nu door synthese kan bekomen en ze allemaal koolstof bevatten, zou men de naam organische verbinding beter vervangen door 'koolstofverbinding'. De stoffen uit de levenloze natuur zou men beter de naam 'minerale verbindingen' geven i.p.v. anorganische verbindingen. Om historische redenen gebruikt men de verschillende termen door elkaar. 44 Gezien het grote aantal koolstofverbindingen en minerale verbindingen heeft men op basis van overeenkomsten van de chemische eigenschappen de minerale verbindingen opgedeeld in vier verbindingsklassen (men kan de namen al invoeren) en een zeer groot aantal organische verbindingsklassen (men kan hier ook een paar voorbeelden geven). MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Enkele synthese- en analysereacties. Aantonen van koolstof als gemeenschappelijk element in organische verbindingen door middel van verbranding. 54 2de graad tso
55 6.4.6 Zintuigen Inleiding LEERPLANDOELSTELLINGEN 45 Uit concrete voorbeelden een inhoud geven aan de begrippen reactie, prikkel, zintuig. LEERINHOUDEN Reactie, prikkel, zintuig DIDACTISCHE WENKEN 45 Uit waarnemingen of vroegere ervaringen kan de prikkelbaarheid van mensen, dieren en planten afgeleid worden. Uit concrete voorbeelden wordt de inhoud voor de begrippen reactie, prikkel en zintuig gedefinieerd. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Onderzoek van de reactie van pissebedden op vocht, warmte, licht Onderzoek van de reactie van watervlooien op licht Licht en Zien Rechtlijnige voortplanting van het licht LEERPLANDOELSTELLINGEN 46 De rechtlijnige voortplanting van licht in een homogeen midden aantonen. 47 De drie soorten lichtbundels herkennen, benoemen, tekenen en omschrijven. 48 Schaduwvorming verklaren als een toepassing van de rechtlijnige voortplanting van het licht. 49 De begrippen verstrooiing, terugkaatsing en breking aantonen. 50 De begrippen grensvlak, invallende straal, invalspunt, normaal, invalshoek, terugkaatsinghoek, teruggekaatste straal, gebroken straal en brekingshoek kunnen omschrijven. 51 De stralengang schetsen bij overgang van optisch ijl naar optisch dicht en omgekeerd. LEERINHOUDEN Rechtlijnige voortplanting van licht Evenwijdige, convergerende en divergerende lichtbundels Schaduwvorming Verstrooiing, terugkaatsing en breking Terugkaatsing en breking: grensvlak, invallende straal, invalspunt, normaal, invalshoek, terugkaatsinghoek, teruggekaatste straal gebroken straal, brekingshoek Stralengang bij lichtbreking DIDACTISCHE WENKEN 46 De rechtlijnige voortplanting van licht kan men aantonen met een eenvoudig proefje. Je kan ook vermelden dat lichtbundels geen bocht. Het principe van camera obscura kan ook besproken worden. 2de graad tso 55
56 47 Aan de hand van dagdagelijkse voorbeelden kan men de drie soorten lichtbundels aanbrengen: het licht van de autolamp (een divergerende lichtbundel), een loep (convergerende lichtbundel) en een laserstraal (evenwijdige lichtbundel). 48 Als er een lichaam in een lichtbundel terechtkomt, kan het licht zich niet om het lichaam heen voortplanten en ontstaat een onverlichte ruimte die schaduw wordt genoemd. Een puntvormige lichtbron zorgt alleen voor kernschaduw en andere lichtbronnen zorgen voor bijschaduw naast de kernschaduw. 49 Het licht door een lichtbron uitgezonden wordt verstrooid door allerlei voorwerpen en stofdeeltjes zodat meerdere leerlingen gelijktijdig het licht kunnen waarnemen. Gebruik van spuitbus voor het zichtbaar maken van laserstralen. De terugkaatsing van licht kan geïllustreerd worden met de fietsreflector. Het licht uit een autolamp valt in op de reflector en wordt teruggekaatst naar de auto; zo kan de bestuurder de fiets waarnemen. 50 Men kan het verloop van een lichtstraal die schuin invalt op een glazen halfcilindrisch lichaam demonstreren met een optische schijf en deze elementen laten waarnemen. De grootte van de brekingshoek is afhankelijk van de soort stof waar de lichtstraal in terechtkomt. De brekingsindex (stofconstante) is hiervoor een maat. Er kan hier verwezen worden naar de eigenschappen van diamant (stof met grootste brekingsindex). 51 Volgens het deeltjesmodel van de verschillende aggregatietoestanden kan je afleiden dat de moleculen van een vloeistof (vb water) of een vaste stof (vb glas) dichter bij elkaar liggen dan bij een gas (bv. lucht). We noemen vaste stoffen en vloeistoffen optisch dichtere stoffen dan een gas (optisch ijl). MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Rechtlijnige voortplanting van het licht: je plaatst drie kartonnen platen met een opening tussen je oog en een brandende kaars; je kan de vlam van de kaars alleen zien als de openingen in de kartonnen platen op één lijn liggen. Lichtbreking met behulp van de speldenproef (stuk karton, cursusblad, enkele kopspelden, glazen halfcilindrisch lichaam): je plaatst een aantal kopspelden op bepaalde hoeken achter het halfcilindrisch lichaam en probeert een tweede kopspeld te plaatsen op de plaats van het beeld van de eerste kopspeld, een derde kopspeld wordt op dezelfde manier geplaatst. Nadien neem je de spelden en het halfcilindrisch lichaam weg van het blad en trek je lijnen van de plaats van de eerste kopspeld naar het invalspunt en verder naar de plaats van de tweede kopspeld... Beeldvorming en oog LEERPLANDOELSTELLINGEN 52 Uitwendige en inwendige delen van een oog benoemen. LEERINHOUDEN Het oog 53 Het zien van licht en kleur verklaren. Netvlies, kegeltjes, staafjes Kleurenblindheid 54 De functies van de belangrijkste macroscopische delen van een oog vergelijken met de delen van een camera obscura en fototoestel. 55 Het beeld construeren dat door een bolle lens gevormd wordt. 56 Bij wisselende voorwerpsafstanden, de beeldvorming op het oog beschrijven en tekenen. Oog, camera obscura en fototoestel Bolle lens: beeldvorming Beeldvorming bij oog 56 2de graad tso
57 57 Uit waarnemingen de betekenis van het binoculair zien en de grootte van het gezichtsveld bij mens en dier omschrijven. 58 Een eenvoudige beschrijving van enkele optische toestellen geven en de beeldvorming beschrijven en tekenen. 59 Aantonen dat het eigenlijk zien een proces is dat in de hersenen gebeurt. Binoculair Gezichtsveld Optische toestellen: vergrootglas, bril Reëel en virtueel beeld Zien en hersenactiviteit Optisch bedrog DIDACTISCHE WENKEN 52 Om de uitwendige en inwendige delen van het oog te benoemen kan men gebruik maken van een model en een schets. 53 Nachtblindheid kan hier ook aan bod komen, evenals het verschil in de samenstelling van het netvlies bij dag- en nachtdieren. 54 Het gebruik van een model van het oog en een eenvoudig fototoestel zijn hier aangewezen. 55 Het is belangrijk dat leerlingen inzien dat lichtstralen afkomstig van één voorwerpspunt divergeren en na doorgang door een bolle lens de stralen tot één beeldpunt moeten convergeren om een scherp beeld te krijgen. 56 Men kan een vergelijking maken tussen het scherpstellen bij het oog en het fototoestel. 57 Elk oog bekijkt een voorwerp onder een andere hoek: daardoor ontstaat dieptezicht. Eén oog wordt scherp gesteld op het voorwerp en het andere bekijkt de achtergrond. Dit dieptezicht wordt groter naarmate de gezichtsvelden van beide ogen elkaar meer overlappen. Katten hebben bvb een groter dieptezicht dan konijnen, omdat de overlapping van beide ogen groter is. Ervaring is minstens even belangrijk bij het dieptezicht: als je de grootte van de voorwerpen kent, kan je de afstand schatten. Een klein kind zal een vliegtuig in de lucht immers eerder als klein dan als veraf zien. 58 Bij de optische toestellen kan men de bril en het vergrootglas bespreken. Bij de bespreking van de bril kunnen de begrippen bijziendheid en verziendheid aangebracht worden. 59 Men kan via eenvoudige voorbeelden aantonen dat de hersenen beeldcorrecties doorvoeren. In tekeningen zie je soms ook twee verschillende dingen. Kijken doe je met de ogen, zien met de hersenen. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Eenvoudige proefjes in verband met optisch bedrog en omgekeerde beeldprojectie. Camera obscura. Brandpunten en merkwaardige stralen bij een bolle lens. Werken met een loep en microscoop. Terugkaatsing en spiegels LEERPLANDOELSTELLINGEN 60 De drie terugkaatsingwetten weergeven en toepassen. LEERINHOUDEN Terugkaatsingwetten 2de graad tso 57
58 61 Het beeld construeren dat bij een vlakke spiegel gevormd wordt en de eigenschappen van dit beeld weergeven. Vlakke spiegel en beeldvorming Virtueel beeld DIDACTISCHE WENKEN 60 Terugkaatsing van licht kan aangebracht worden door de werking van een vlakke spiegel uit te leggen. 61 Het begrip virtueel beeld komt hier duidelijk tot uiting. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Beeld van een voorwerp bij vlakke spiegels. Beeld van een kaars: plaats tussen twee kaarsen een plaat die langs de ene kant spiegelend is en aan de andere kant wat doorzichtig. De eerste kaars steek je aan en plaatst de tweede kaars op de plaats waar het beeld zich zou bevinden Horen LEERPLANDOELSTELLINGEN 62 Uit waarnemingen afleiden dat geluid zich voortplant in een middenstof. 63 Op een model of schets de delen van het menselijke oor benoemen en de functies aangeven. 64 Inzien dat het eigenlijke horen een proces is dat in de hersenen gebeurt. 65 Beschrijven hoe het menselijke evenwicht tot stand komt. LEERINHOUDEN Geluid Het menselijke oor: delen en functies De gehoorzenuw Menselijk evenwicht DIDACTISCHE WENKEN 62 Geluiden worden veroorzaakt door een trillend voorwerp. De middenstof wordt afwisselend samengedrukt en ontspannen en zo ontstaat een drukgolf, die zich door de middenstof verspreidt. De noodzaak van een middenstof kan geïllustreerd worden met een bel te laten rinkelen onder een vacuümstolp. Het is belangrijk dat de leerlingen inzien dat zo n trilling alleen dan geluid is als ze door een organisme worden waargenomen. Geluid plant zich voort door lucht, water of vaste stoffen. Men kan hier gebruik maken van twee stemvorken: men kan één stemvork aanslaan en dan na een tijdje deze stemvork vastnemen. Men hoort dan nog alleen de tweede stemvork trillen. Men kan ook werken met de snaren van een gitaar. Vleermuizen vermijden hindernissen en lokaliseren hun prooien door ultrasone trillingen uit te zenden en ze, na weerkaatsing, terug op te vangen (sonar). Walvissen gebruiken ultrasone trillingen in het water en ook duikboten werken met dit systeem. Als vaste middenstof kan men denken aan de trillende gehoorbeentjes in ons middenoor, de trillingen die zich voortplanten langs een buis of een spoorrail. Men kan ook ingaan op de frequentie en de intensiteit van een geluidsgolf. 63 Om de uitwendige en inwendige delen van het oor te benoemen kan men gebruik maken van een model en een schets. 64 Luchttrillingen worden door onze oorschelpen opgevangen en naar het trommelvlies geleid. Deze laatste trilt mee en doet de gehoorbeentjes trillen. Deze trilling wordt doorgegeven aan de vloeistof binnen slak- 58 2de graad tso
59 kenhuis in ons binnenoor. Deze drukgolf door de vloeistof doet het basaal membraan meetrillen door resonantie. Een bepaald deel van dit membraan zal meetrillen en worden op die plaats de wimpers van de zintuigcellen tegen het dekmembraan gebogen. In deze zintuigcellen ontstaan veranderingen, die zenuwimpulsen doen ontstaan in de gehoorzenuw. Deze pulsen worden dan naar het gehoorcentrum in de hersenen gebracht en daar verwerkt: wij horen. Dit kan verduidelijkt worden met een voorbeeld zoals: Een foetus vangt prikkels op maar zal ze niet horen zolang de hersenen onvolgroeid zijn. Men kan ook even ingaan op mogelijke beschadigingen van het gehoororgaan (langdurige blootstelling aan te sterke geluiden, middenoorontstekingen of erfelijke aandoeningen). 65 Men kan hier ingaan op het effect dat ontstaat als een auto plots versnelt of afremt, of een plotse draai neemt. Volgens de wet der traagheid moet een vloeistof bij een verandering opnieuw zijn evenwicht gaan zoeken. Dit duurt een tijdje. Als de persoon zelf de beweging niet ziet, op een boot op zee, krijgen de hersenen verkeerde info via de ogen en is hier ook het evenwicht verstoord. Dit kan zeeziekte veroorzaken. Ook een lift die snel opwaarts of neerwaarts gaat, kan voor evenwichtsproblemen zorgen. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Geblinddoekte leerling moet richting van geluidsbron aanduiden (één oor, twee oren). Proef met rubberslang en twee trechtertjes. Effect van traagheidswet met plastic buis met water en confetti (plotse draai, trage draaibeweging) Proeven, ruiken, voelen LEERPLANDOELSTELLINGEN 66 Uit waarnemingen afleiden dat organismen op bepaalde chemische stoffen kunnen reageren. 67 De ligging, bouw en functies van smaak- en reukzintuigen omschrijven. 68 De bouw van de huid en de verschillende soorten gevoelsreceptoren beschrijven. 69 Aantonen dat de gevoeligheid van gevoelsreceptoren afhankelijk is van het organisme en de ligging. LEERINHOUDEN Chemische prikkels Smaak- en reukzintuig: delen en functies De huid Gevoelsreceptoren voor druk, temperatuur en pijn Gevoeligheid van gevoelsreceptoren DIDACTISCHE WENKEN 66 Analoog aan vorige zintuigen wordt via eenvoudige experimenten vastgesteld dat mensen en dieren op chemische stoffen reageren. 67 Aan de hand van een schema of een model wordt de macroscopische bouw en functie van smaak-, reuken tastzintuigen bekeken en de ligging van de receptoren aangeduid. De cellulaire bouw van deze receptorcellen (smaakknoppen, reukslijmvlies en tastlichaampjes) hoeven slechts elementair worden behandeld. Eventueel kan hierbij een micropreparaat worden bekeken. 68 Zie wenk bij De relatieve gevoeligheid van verschillende lichaamsdelen kan experimenteel worden vastgesteld. De ligging van tastlichaampjes kan hierbij in verband worden gebracht met hun functie. 2de graad tso 59
60 MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Waarnemen van druk en temperatuur: - onderzoek van lokale verschillen in tactiele en temperatuursgevoeligheid van de menselijke huid; - minimale afstand tussen 2 aanrakingen die als afzonderlijke prikkels worden waargenomen; - vaststelling van de relativiteit van de temperatuursgewaarwording Stofklassen De chemische binding LEERPLANDOELSTELLINGEN 70 De elektronenconfiguratie van de atomen in verband brengen met hun stabiliteit. 71 Aan de hand van eenvoudige voorbeelden het ontstaan van drie bindingstypes illustreren als een streven naar de edelgasconfiguratie. LEERINHOUDEN Elektronenconfiguratie van edelgassen en stabiliteit Elektronegatieve waarde Streven naar edelgasconfiguratie: drie bindingstypes 72 Het begrip oxidatiegetal omschrijven. Oxidatiegetal DIDACTISCHE WENKEN 70 De stabiliteit van de edelgassen wordt benadrukt als reden voor hun inertie. Ook de andere elementen trachten deze stabiliteit te bereiken. 71 Het feit dat metalen en niet-metalen op een verschillende manier naar de edelgasconfiguratie streven, verklaart waarom er drie soorten bindingen zijn. Dit wordt nagegaan aan de hand van eenvoudige voorbeelden. 72 Men kan aangeven dat in de scheikunde het begrip 'lading' niet eenduidig is gedefinieerd. Om spraakverwarring te vermijden heeft men het begrip oxidatiegetal ingevoerd om de lading van een atoom in een verbinding aan te geven en heeft men gelijktijdig de werkwijze vastgelegd om het oxidatiegetal te berekenen. Het is niet noodzakelijk om diep in te gaan op deze regels De chemische reactie LEERPLANDOELSTELLINGEN 73 Verwoorden dat chemische reacties processen zijn waarbij andere stoffen gevormd worden en die gepaard gaan met energieomzettingen. 74 Een chemische reactie voorstellen als een effectieve botsing tussen deeltjes, met als gevolg een herschikking van atomen. 75 De wet van massabehoud verwoorden en deze wet verklaren als een logisch gevolg van een herschikking van atomen. LEERINHOUDEN Begrip chemische reactie Exo- en endo-energetische reacties Botsingstheorie Herschikking van atomen Wet van massabehoud 60 2de graad tso
61 76 Factoren die de reactiesnelheid beïnvloeden herkennen en verklaren. 77 De symbolische schrijfwijze van een chemische reactie interpreteren als een herschikking van atomen. Factoren die de reactiesnelheid beïnvloeden. Reactievergelijking interpreteren Onderscheid tussen coëfficiënt en index DIDACTISCHE WENKEN 73 Aan de hand van enkele voorbeelden kunnen chemische reacties worden aangetoond zoals het roesten van ijzer, het zuur worden van melk, het bereiden van wijn, het composteren De energieomzettingen kunnen geïllustreerd worden met experimenten als de verbranding van Mg-lint, ontleding van water d.m.v. elektrische stroom De begrippen fotolyse, thermolyse, elektrolyse kunnen worden aangebracht. 74 Visueel het botsingsmodel aanbrengen, waarbij wordt aangetoond dat de richting en de kracht van de botsing tussen de deeltjes bepalend is voor de herschikking van de atomen. 75 Behoud van atoomsoorten, behoud van massa in een gesloten systeem experimenteel aanbrengen. Het belang van de wet van Lavoisier weergeven. 76 Via experimenten kunnen deze factoren worden aangebracht. De snelheidsbepalende factoren worden zoveel mogelijk aangebracht voor eenvoudige reactievergelijkingen. Er kan meestal worden gerefereerd naar de verhoging of verlaging van de kans op effectieve botsingen. 77 Eenvoudige (binaire) reactievergelijkingen kunnen d.m.v. modellen worden voorgesteld om daarna de coëfficiënten te laten opzoeken door de leerlingen. Het onderscheid tussen de coëfficiënt van een formule en de index in een formule moet duidelijk ingezien worden. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Wet van Lavoisier: reacties in open vat en gesloten vat laten gebeuren en telkens de massa bepalen. Factoren die de reactiesnelheid beïnvloeden. Reacties waarbij energie uitgewisseld wordt Stofklassen van minerale verbindingen LEERPLANDOELSTELLINGEN 78 Oxiden, zuren, hydroxiden en zouten definiëren op basis van hun samenstelling en hun onderling verband in een schema weergeven. 79 Een principe van naamvorming weergeven en toepassen. LEERINHOUDEN Oxiden, zuren, hydroxiden, zouten Naamvorming samengestelde stoffen DIDACTISCHE WENKEN 78 Experimenteel kunnen enkele oxiden worden bereid. Het normaal voorkomen van de metaal- en nietmetaaloxiden kan hierbij worden aangetoond en voor zoveel als mogelijk in verband worden gebracht met het bindingstype. Om systematisch de meest voorkomende oxiden te kennen kan het PS een vertrekbasis vormen. 2de graad tso 61
62 Eveneens op basis van de gegevens vermeld op het periodiek systeem kunnen de belangrijkste zuren worden aangebracht. De binaire zuren nemen hierin een afzonderlijke plaats in. Om een eerste onderscheid tussen basevormende oxiden en zuurvormende oxiden aan te duiden kan hier reeds gewerkt worden met indicatoren. De zouten kunnen worden aangebracht als het resultaat van een reactie tussen zuren en basen. 79 Bij de nomenclatuur van oxiden, zuren, hydroxiden en zouten verdient het aanbeveling steeds gebruik te maken van numerieke voorvoegsels. Er kan gewezen worden op de vaststelling dat de voorvoegsels niet steeds hoeven te worden vermeld (indien het positief gedeelte slechts één OG (oxidatiegetal) heeft). De Stocknotatie is voor de leerlingen meestal verwarrend en hoeft niet gezien te worden. Uiteraard moeten hier afspraken gemaakt worden binnen de school, zodat er een eenvormigheid is in verband met de nomenclatuurregels. Voor sommige zuren (HCl, H 2 SO 4, HNO 3 en H 3 PO 4 ) kunnen ook de triviale namen worden aangegeven. Na het aanbrengen van de samengestelde minerale stofklassen kan het nuttig zijn schematisch het verband te geven tussen deze verschillende verbindingen. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Zuur/base indicatoren. Zuur- en basevormende oxiden. Vorming van zouten Stofklassen van koolstofverbindingen LEERPLANDOELSTELLINGEN 80 Koolstofverbindingen definiëren als bestaande uit een skelet van C-atomen die onderling covalent verbonden zijn. (U) 81 Een eenvoudige indeling van koolstofverbindingen geven op basis van enkele stofklassen. (U) 82 De formules en de naamgeving van eenvoudige niet-vertakte alkanen, alkenen, alkanolen en alkaanzuren kennen. (U) 83 Enkele toepassingen van de geziene stofklassen kennen. (U) LEERINHOUDEN Covalente verbinding tussen meerdere C-atomen Alkanen, alkenen, alkanolen, alkaanzuren Formules en naamgeving Toepassingen DIDACTISCHE WENKEN 80 Via molecuulmodellen kan men de verbindingen tussen de C-atomen aantonen. De veelheid aan verbindingen, ondanks het beperkt aantal atoomsoorten wordt hierbij duidelijk. 81 Vertakte en cyclische verbindingen hoeven niet behandeld te worden. 82 Het onderscheid tussen bruto- en structuurformule komen hierbij aan bod. Beperk de ketenlengte tot tien koolstofatomen. 83 Volgende toepassingen komen hierbij zeker aan bod: aardolie, drankalcohol, tafelazijn, aardgas, campinggas, paraffine. Ook de giftigheid van methanol, het voorkomen van mierenzuur in brandnetels en de denaturatie van alcohol kan hier besproken worden. 62 2de graad tso
63 Gedrag van stoffen in water LEERPLANDOELSTELLINGEN 84 Het elektrische geleidingsvermogen van zuivere stoffen en stoffen opgelost in water vergelijken. 85 Uit een experimentele waarneming het polair karakter en de ruimtelijke structuur van water afleiden. 86 Rol van water als oplosmiddel bij zuren, hydroxiden en zouten verklaren aan de hand van de begrippen polair en apolair. 87 Voor elektrolyten de ionisatie- en dissociatievergelijkingen schrijven. 88 De ph-schaal weergeven en de ph-waarde van een oplossing interpreteren. LEERINHOUDEN Elektrisch geleidingsvermogen van zuivere stoffen en hun waterige oplossingen Water als dipoolmolecule Polair, apolair Elektrolyt Ionisatie- en dissociatievergelijkingen ph-schaal Zure, basische en neutrale oplossingen DIDACTISCHE WENKEN 84 Het elektrische geleidingsvermogen van zuivere stoffen (metaalverbinding, ionverbinding en covalente verbinding in verschillende aggregatietoestanden) wordt vergeleken met de elektrische geleidbaarheid van ionverbindingen en covalente verbindingen, opgelost in water en in een apolair oplosmiddel. 85 De structuur van het watermolecule kan verduidelijkt worden door de afbuigproef en het weergeven van zijn niet-lineaire structuur. Het gebruik van het molecuulmodel van water is hier aangewezen. Op deze wijze kunnen de begrippen polair, apolair en dipool worden aangebracht. 86 De activiteit van de watermoleculen bij het oplossen van zuren, basen en zouten kan verduidelijkt worden aan de hand van modellen en schema s. 87 Nu kunnen de ionisatie- en dissociatiereacties van de belangrijkste zuren, hydroxiden en zouten worden aangebracht en ingeoefend. Het is voldoende dat leerlingen inzien dat beide processen leiden tot het ontstaan van vrije ionen. Het is niet noodzakelijk dat de termen ionofoor en ionogeen gezien worden. 88 De ph wordt gemeten voor gekende producten (frisdrank, melk, zeepoplossing, shampoo, ) en enkele bestudeerde elektrolytoplossingen. Aan de hand van deze gegevens wordt een ph-schaal geïnterpreteerd. Het is voldoende dat de leerlingen inzien dat de ph in verband staat met de concentratie H + -ionen. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Oplosbaarheid van stoffen: aantonen dat de oplosbaarheid van een stof afhankelijk is van de aard van de stof en de aard van het oplosmiddel. Elektrisch geleidingsvermogen van waterige oplossingen. Zuurgraad van oplossingen uit het dagelijkse leven bepalen. Universele indicator en ph-schaal. Zelf indicatoren maken. 2de graad tso 63
64 6.4.8 Terreinstudie Inleiding LEERPLANDOELSTELLINGEN 89 De begrippen biotisch en abiotisch omschrijven aan de hand van voorbeelden. 90 De begrippen ecosysteem, levensgemeenschap, habitat en ecologische niche aan de hand van voorbeelden omschrijven en toepassen. LEERINHOUDEN Biotisch en abiotisch Ecosysteem, levensgemeenschap, habitat, ecologische niche DIDACTISCHE WENKEN Deze doelstellingen worden geïntegreerd met de volgende leerstofonderdelen: terreinstudie, relaties tussen organismen en relaties tussen organismen en milieu. 89 Dat zowel biotische als abiotische factoren een rol spelen bij de verspreiding van organismen zal afgeleid kunnen worden uit de terreinstudie. Naast de bekende voorbeelden van abiotische factoren kan ook gewezen worden op factoren zoals luchtsamenstelling (verontreiniging ) en reliëf. Bij de biotische factoren kan gewezen worden op typische samenlevingsvormen (parasieten ) en de invloed van de mens. Tevens kan aangetoond worden dat elke wijziging van een abiotische en/of biotische factor in een levensgemeenschap er ook verandering in teweegbrengt. Er kan aangetoond worden dat soortenrijkdom afneemt naarmate de dynamiek van het milieu toeneemt. 90 De inleidende kennismaking met een levensgemeenschap en biotoop kan het best gebeuren aan de hand van concrete voorbeelden (directe omgeving van de school, beeldmateriaal ). Voor de eigenlijke biotoopstudie kan best voor een ander biotoop gekozen worden zodat de leerlingen de verschillende aangebrachte begrippen leren toepassen. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Invloed van biotische en abiotische factoren op de kieming van zaden en de groei van kiemplanten: bv. invloed van appel, tomaat, zwaveldioxide, sigarettenrook, strooizout, licht en vochtigheidsgraad op kieming en de groei van (tuinkers)zaden Terreinstudie LEERPLANDOELSTELLINGEN 91 Uit waarnemingen een relatie leggen tussen het voorkomen en de verspreidingsgraad van organismen in één of meerdere abiotische en/of biotische factoren. LEERINHOUDEN Verspreidingsgraad van organismen DIDACTISCHE WENKEN 91 Bij een goed voorbereid terreinwerk met doelgerichte waarnemingsopdrachten kunnen meerdere doelstellingen bereikt worden. Er kan tegelijkertijd ingegaan worden op de verscheidenheid van organismen (met onderling minder of meer overeenkomsten) en de classificatie ervan op basis van algemeen geldende criteria. 64 2de graad tso
65 Daarnaast moeten de waarnemingen gestructureerd worden verzameld en weergegeven (eventueel met computer: tabellen, grafieken). Er wordt best gekozen voor groepswerk. De gevonden resultaten worden daarna in de hele klasgroep geinterpreteerd. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Bij een terreinstudie tijdens een excursie kan het verband tussen de verspreidingsgraad van een organisme en één of meerdere abiotische en biotische factoren bekeken worden. Door gebruik te maken van een zoekkaart worden de gevonden soorten gedetermineerd en het aantal in een tabel genoteerd. Invloed van abiotische factoren op de verspreidingsgraad van organismen zoals: - invloed van nitraatgehalte, vochtigheid op het voorkomen van brandnetels (wegberm ); - invloed van licht op de plantengroei onder een grote boom (vb. beuk); - beïnvloedende factoren (temperatuur, zuurstofgehalte, hardheid) op het leven in een zoetwaterplas onderzoeken en uit de combinatie van chemisch en biologisch wateronderzoek een oordeel geven over de waterkwaliteit (vijverecologie); - bedekkingsgraad van kogelwier op boomstammen: populatiedichtheid in functie van licht ; - bodemecologie: observatie en determinatie van bodemorganismen van verschillende bodemsoorten, en bepalen van abiotische en biotische factoren om beiden met elkaar in verband te brengen. Invloed van biotische factoren op de verspreidingsgraad van organismen zoals: - verspreiding van tredplanten op sportterrein, grasperk ; - vergelijken van diversiteitsindex van bemeste en onbemeste graslanden; van een regelmatig gemaaide wegberm (met of zonder afvoer van maaisel) met een ruigte Relaties tussen organismen LEERPLANDOELSTELLINGEN 92 Aan de hand van voorbeelden de interactievormen tussen organismen benoemen, omschrijven en vergelijken. 93 De betekenis van groepsvorming bij organismen verwoorden. 94 Uit voorbeelden vaststellen dat communicatie noodzakelijk is voor het goed functioneren van de groep. 95 De rol van producenten, consumenten en reducenten uitleggen. 96 De relaties tussen organismen schematisch voorstellen. LEERINHOUDEN Interactievormen Groepsvorming bij organismen Communicatie in een groep Communicatievormen Producenten, consumenten, reducenten Relaties tussen organismen: voedselpiramide DIDACTISCHE WENKEN 92 In de mate van het mogelijke worden de terreinwaarnemingen geïntegreerd in de bespreking van de relaties tussen organismen, eventueel aangevuld met beeldmateriaal. Uit de bespreking wordt schematisch een overzicht van de verschillende interactievormen opgesteld. 2de graad tso 65
66 Naast de interactie tussen organismen van een verschillende soort, moet uit de waarnemingen ook blijken dat er beïnvloeding voorkomt tussen soortgenoten. 93 Uit voorbeelden wordt ingegaan op de mogelijke groepsvorming tussen organismen van éénzelfde soort en de functionele betekenis hiervan. Speciale aandacht kan hierbij gaan naar statenvormende insecten. 94 Uit de bespreking van de interacties tussen organismen (van dezelfde of verschillende soort) kunnen de leerlingen afleiden dat er (bij dieren) communicatie mogelijk is. Soortgenoten kunnen hierbij technieken ontwikkelen om doeltreffend informatie uit te wisselen binnen de groep (territorium, voedselvoorziening, veiligheid, voortplantingsbereidheid, ). Tevens kan er benadrukt worden dat dieren vaak heel andere communicatievormen dan de mens gebruiken. 95 Uit de waarnemingen van de eigen biotoopstudie of andere bestudeerde biotopen worden de begrippen producenten, consumenten en reducenten herhaald en worden voedselketens opgebouwd om te verwerken in een voedselweb of voedselkringloop. Het is belangrijk dat de leerlingen deze begrippen op verschillende biotopen kunnen toepassen. 96 De verschillende relaties kunnen vervolgens kwantitatief worden weergegeven in een voedselpiramide waarbij de energiedoorstroming en het energieverlies (rendement) kan worden verduidelijkt. Ook kan hierbij het begrip biomassa worden uitgelegd en kan naast een voedselkringloop ook een materiekringloop (bv. een koolstofkringloop) worden besproken. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Herkennen en bespreken van interactievormen via beeldmateriaal of tekstmateriaal. Studie van de voedselketen zoals: - ICT-opdracht: voedselnet in een vijver of sloot samenstellen; - braakballenonderzoek Relaties tussen organismen en milieu LEERPLANDOELSTELLINGEN 97 Met voorbeelden de invloed van organismen op het milieu aantonen. 98 Afleiden dat de mens een regulerende invloed uitoefent op het samenleven van organismen. LEERINHOUDEN Invloed van organismen op het milieu Regulerende invloed van de mens 99 Het belang van duurzame ontwikkeling inzien. Duurzame ontwikkeling DIDACTISCHE WENKEN 97 In de mate van het mogelijke worden de terreinwaarnemingen geïntegreerd in de bespreking van organismen op het milieu. Hierbij kan gelet worden op: betreding of begrazing, effect van uitwerpselen (vogels, runderen ), beschadiging (oevers/dijken door eenden, ratten ). 98 De regulerende invloed van de mens moet in z n geheel bekeken worden: zowel negatieve als positieve beïnvloeding: milieuvervuiling door huisgezinnen, industrie, toerisme, landbouw. : rechtstreekse (bv. rooien van bomen) en onrechtstreekse gevolgen (erosie, bufferfunctie bij overstromingen.); 66 2de graad tso
67 belang van milieu- en landbouworganisaties bij beheer, herstel en instandhouding van natuurlijke omstandigheden. Het doel van deze lessenreeks is de leerlingen te stimuleren een ecologisch en ethisch bewuste houding aan te nemen. 99 De leerlingen kunnen enkele aspecten van de ecologie toelichten en de beïnvloeding ervan verklaren. Ook de impact van de eigen leefwijze moet hierbij betrokken worden. Zo komen ze tot het inzicht dat het streven naar een duurzame maatschappij een taak is voor iedereen Chemische reacties Inleiding LEERPLANDOELSTELLINGEN 100 Uit experimentele waarnemingen afleiden wanneer een chemische reactie optreedt. LEERINHOUDEN Neerslagvorming, gasvorming, wijziging ph, temperatuurverandering, kleurverandering, wijziging elektrische geleidbaarheid DIDACTISCHE WENKEN 100 Deze waarnemingen kunnen zowel optreden bij reacties met behoud van OG als bij reacties met wijziging van OG. We moeten vermijden dat neerslag- en gasontwikkelingsreacties enkel gekoppeld worden aan reacties met behoud van OG. Het is belangrijk dat we bij de volgende leerplandoelstellingen telkens vertrekken vanuit de waarnemingen om de reactievergelijking te achterhalen. Neerslag- en gasontwikkeling duiden steeds op de vorming van een onoplosbare stof in water. De wijziging van de ph duidt op de vorming van een zuur, een base (hydroxide) of water. Enkele voorbeelden bij behoud van OG: neerslagvorming bij reactie tussen zilvernitraatoplossing en keukenzoutoplossing; gasontwikkeling bij reactie tussen bakpoeder en azijnzuuroplossing; wijziging ph, temperatuur en elektrische geleidbaarheid bij reactie tussen een zure en een basische oplossing; kleurverandering bij dehydratatie van vast kopersulfaat, bij de reactie tussen een looddinitraatoplossing en een kaliumjodideoplossing. Enkele voorbeelden bij wijziging van OG: neerslagvorming bij de reactie tussen koper en een zilvernitraatoplossing; gasontwikkeling bij de reactie tussen zink en een zoutzuuroplossing; gasontwikkeling, wijziging ph en temperatuur bij de reactie tussen natrium en water; kleurverandering en neerslagreactie bij de reactie tussen fehling-reagens en een glucoseoplossing Reacties met behoud van OG LEERPLANDOELSTELLINGEN 101 Reactievergelijkingen tussen elektrolyten herkennen als een herschikken van ionen. LEERINHOUDEN Reacties tussen elektrolyten 2de graad tso 67
68 102 Uit experimentele waarnemingen de reactievergelijking afleiden als de reagerende elektrolyten gekend zijn en een oplosbaarheidstabel gegeven is. 103 Het belang van deze reacties aantonen met voorbeelden. Reacties met behoud van OG: reactievergelijking Toepassingen DIDACTISCHE WENKEN 101 Het onderscheid tussen sterk, zwak, en niet-elektrolyt wordt kort herhaald. 102 Voorbeeld: als we een keukenzoutoplossing en een zilvernitraatoplossing samenvoegen dan nemen we een wit neerslag waar. Besluit: er is een slecht oplosbare stof gevormd. Via de oplosbaarheidstabel komt men nu tot het besluit dat zilverchloride gevormd wordt, daarna schrijft men de reactievergelijking. Op analoge wijze kunnen ook gasontwikkelingsreacties en neutralisatiereacties behandeld worden. Men vertrekt telkens van de waarneming (bij gasontwikkeling is er eveneens een slecht oplosbare stof gevormd, bij neutralisatie neemt men visueel niets waar) om van daaruit te komen tot de reactievergelijking van de gegeven elektrolyten. 103 Hier worden best voorbeelden uit het dagelijkse leven aangehaald: neutralisatie: ongebluste kalk om zure grond te neutraliseren, maagzout (neutraliseren maagzuur)... gasvorming: bruistabletten, rijzen van deeg (bakpoeder), ontkalken huishoudtoestellen met tafelazijn. neerslag: ketelsteenvorming in huishoudtoestellen, druipsteenvorming. MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Neerslag gasontwikkeling neutralisatiereacties. Ammoniak aantonen in vloeibare voeding voor kamerplanten. Carbonaat aantonen in bruistabletten. Aantonen ionen in leidingwater Reacties met wijziging van OG LEERPLANDOELSTELLINGEN 104 Redoxreacties herkennen in gegeven reactievergelijkingen. 105 De begrippen oxidator, reductor geoxideerde stof en gereduceerde stof aanduiden in een gegeven reactievergelijking. 106 Uit experimentele waarnemingen de reactievergelijking afleiden als de reagerende oxidator en reductor gekend zijn. 107 Het belang van deze reacties aantonen met voorbeelden. LEERINHOUDEN Verandering van oxidatiegetal Oxidator, reductor Geoxideerde stof, gereduceerde stof Redoxreacties Toepassingen 68 2de graad tso
69 DIDACTISCHE WENKEN 104 Het is hierbij belangrijk dat de leerling vlot OG van een element in een verbinding kan bepalen. Eventueel kan het begrip OG hier kort herhaald worden en kunnen eenvoudige regels gehanteerd worden om het OG van een element in een verbinding te bepalen. 105 Om de begrippen geoxideerde stof, gereduceerde stof, oxidator, reductor aan te brengen, steunen we op het begrip OG. De nadruk dient gelegd te worden op de verandering van OG in de aangegeven reactie. 106 Enkel de redoxreacties tussen enkelvoudige stoffen of met vorming van enkelvoudige stoffen komen hier aan bod. Voorbeelden van analyses en syntheses: verbrandingsreacties, synthese/analyse van water, reactie van metalen met zuren. 107 Roesten van ijzer, werking van een hoogoven, haarontkleuringsmiddelen, bleekmiddelen in wasproducten, gebruik van bleekwater, verbranding van C tot CO en CO 2 MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Eenvoudige proefjes: verkoperen van een ijzeren nagel, verbranden van magnesiumlint, ijzerpoeder in vlam Druk LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN 108 Het begrip druk afleiden en toepassen. Het begrip druk: definitie, grootheid, eenheid Toepassingen 109 Het beginsel van Pascal formuleren en aan de hand hiervan enkele praktische toepassingen verklaren. 110 De formule voor hydrostatische druk weergeven en de druk in een vloeistof berekenen. 111 De wet van Archimedes verklaren en kwalitatief toepassen. (U) 112 Beschrijven wat luchtdruk is en hoe luchtdruk wordt gemeten. 113 De begrippen overdruk en onderdruk van een gas uitleggen en herkennen in dagelijkse toepassingen. 114 De toestandsgrootheden druk, volume en temperatuur gebruiken om de toestand van een gas te omschrijven. 115 De begrippen absoluut nulpunt en absolute temperatuur omschrijven vanuit het deeltjesmodel. 116 Het verband tussen de toestandsgrootheden kwalitatief aantonen en herkennen in concrete situaties. Beginsel van Pascal Toepassingen Hydrostatische druk Wet van Archimedes Luchtdruk Overdruk en onderdruk Toestandsgrootheden van een gas Absoluut nulpunt, absolute temperatuur Algemene gaswet 2de graad tso 69
70 DIDACTISCHE WENKEN 108 De formule voor druk kan door middel van dagelijkse voorbeelden afgeleid worden. Hierbij kan de invloed van kracht en oppervlakte duidelijk waargenomen worden. Voorbeelden zijn: gebruik van rupsbanden, hoge hakken op parketvloer, scherpe versus botte naald 109 Hier kan de hydraulische pers of andere hydraulische toepassingen behandeld worden. 110 Het is belangrijk dat de leerlingen inzien dat enkel de hoogte en de dichtheid (soort vloeistof) bepalend zijn voor de hydrostatische druk. Het toepassen van deze formule in allerlei concrete situaties kan hier vooral aan bod komen. Men dient ermee rekening te houden dat bij de totaaldruk ook de druk boven de vloeistof meetelt. 111 Ook hier ligt vooral de nadruk op het toepassen van de wet in concrete situaties. Zinken, zweven en drijven kunnen hierbij aan bod komen. 112 Het is belangrijk dat leerlingen inzien dat luchtdruk een gevolg is van het feit dat lucht ook een bepaalde massa heeft. Het is niet de bedoeling om in detail allerlei toestellen voor luchtdrukmeting te bespreken. De nadruk ligt hierbij op het principe van de meting. De bespreking van één toestel is voldoende. 113 Toepassingen als de drukkookpan (overdruk), steriliseren van voedingsmiddelen (onderdruk ontstaan door afkoeling) kunnen hierbij aan bod komen, vullen van een spuit, spuitbussen, stofzuiger De toestandsgrootheden van een gas worden duidelijk bij het uitwerken van de algemene gaswet. 115 De leerlingen weten reeds dat materie opgebouwd is uit bewegende deeltjes en dat de temperatuur een maat is voor de snelheid van de deeltjes. Hier kan nu het begrip Absoluut nulpunt kwalitatief ingevoerd worden als de temperatuur waarbij de deeltjes niet meer bewegen. De grootheid absolute temperatuur T en de bijbehorende SI-eenheid kelvin (K) moeten hier zeker ingevoerd worden. 116 De gaswetten kunnen kwalitatief en experimenteel aangetoond worden. Een plastic meetspuitje dat onderaan dichtgesmolten is kan gebruikt worden om de invloed van de temperatuur bij constante druk aan te tonen. Dompel het meetspuitje in warm water en we zien het volume toenemen. Het volume verandert recht evenredig met de temperatuur (bij constante druk). Wanneer we de temperatuur constant houden zien alle leerlingen in dat bij het induwen (afname van het volume) van de zuiger in het meetspuitje de druk verhoogt. De druk verandert dus omgekeerd evenredig met het volume (bij constante temperatuur). Wanneer we de zuiger van het meetspuitje blokkeren en de temperatuur verhogen zal de druk toenemen. We kunnen hierbij ook verwijzen naar de drukkookpan. De druk verandert dus recht evenredig met de temperatuur (bij constant volume). Als besluit uit deze drie gaswetten kan dan de algemene gaswet afgeleid worden als p.v/t = constante. Men moet hierbij wel benadrukken dat de massa gas uiteraard tijdens de experimenten niet mag wijzigen. Ook hier kan eventueel verwezen worden naar de drukkookpan. Bij te grote overdruk ontsnapt er gas langs het drukventiel. Hierdoor daalt de druk! MOGELIJKE LABORATORIUMOPDRACHTEN Meten van de hydrostatische druk: deze druk is afhankelijk van de diepte (diepte variëren). Wet van Archimedes. Druk bepalen onder je eigen voetzolen. Invloeden onderzoeken die de hydrostatische druk bepalen Warmteleer LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN 70 2de graad tso
71 117 Het begrip thermisch evenwicht omschrijven en toelichten hoe het ontstaat. 118 Warmtehoeveelheid en temperatuursverandering van elkaar onderscheiden. 119 De relatie tussen warmtehoeveelheid, massa en temperatuursverandering kwalitatief afleiden en in concrete situaties toepassen. 120 Aan de hand van het deeltjesmodel de verschillende mechanismen van energietransport verklaren. Thermisch evenwicht Warmtehoeveelheid en temperatuursverandering Q = m.c.t Specifieke warmtecapaciteit van een stof Geleiding, convectie en straling DIDACTISCHE WENKEN 117 Eenvoudige dagelijkse voorbeelden kunnen gebruikt worden om het begrip thermisch evenwicht toe te lichten. Een tas warme koffie koelt spontaan af tot de omgevingstemperatuur. Een ijskoude cola zal spontaan opwarmen tot de omgevingstemperatuur. 118 Het onderscheid tussen warmtehoeveelheid en temperatuursverandering kan met een eenvoudig proefje kwalitatief aangetoond worden. Een ijzeren nagel wordt roodgloeiend opgewarmd in een bunsenvlam. Vraag eens aan de leerlingen wie deze spijker wil aanraken. Elke leerling ziet duidelijk in dat de temperatuur van de spijker zeer hoog is. We gooien de gloeiende spijker dan in een bekerglas met koud water. Steek onmiddellijk je vinger in het water. Het water is warmer geworden maar de temperatuur is niet veel gestegen. Het onderscheid tussen warmtehoeveelheid en temperatuur kan nu door vraagstelling duidelijk worden: waar is de warmte van de spijker naartoe, veroorzaakt eenzelfde warmtehoeveelheid altijd eenzelfde temperatuursverandering, welke factoren zouden een rol kunnen spelen bij de temperatuursverandering? 119 Als vervolg op voorgaand proefje kunnen we nu de vraag aan de leerlingen stellen: Wat zal de temperatuursverandering zijn als we hetzelfde proefje herhalen maar nu de nagel gooien in een grotere massa water (op dezelfde temperatuur). Als de massa stijgt zal de temperatuursverandering kleiner worden. Massa en temperatuursverandering zijn dus omgekeerd evenredig. Wat zal de temperatuursverandering zijn als de nagel minder opgewarmd wordt?. De temperatuursverandering zal dan uiteraard kleiner zijn. Temperatuursverandering en warmtehoeveelheid zijn recht evenredig. Uit deze kwalitatieve proefjes kan men dan komen tot de formule. Hierbij moet een constante ingevoerd worden, nl. de specifieke warmtecapaciteit c. Er kan dan gevraagd worden waarvan deze constante afhankelijk is. Als besluit kunnen we dan stellen dat c een stofconstante is. Het feit dat de warmtecapaciteit van water vrij groot is heeft veel concrete gevolgen in het dagelijkse leven: bain-marie, warmwaterkruik, waterrijke voedingsmiddelen blijven na opwarmen lang warm, zeeklimaat versus landklimaat 120 De leerlingen hebben in de eerste graad kennis gemaakt met geleiding, convectie en straling. In het leerplan Natuurwetenschappen van de eerste graad vinden we volgende leerplandoelstelling: Uit experimentele waarnemingen en technische toepassingen afleiden dat transport van warmte-energie kan plaatsvinden door geleiding, convectie en straling. (B 65) In de tweede graad komt de verklaring aan de hand van het deeltjesmodel. 2de graad tso 71
72 6.5 Evaluatie Algemeen Onderwijs is niet enkel het louter overdragen van kennis. Het ontwikkelen van leerstrategieën, van algemene en specifieke attitudes en de groei naar actief leren krijgen een centrale plaats in het leerproces. Hierbij neemt de leraar steeds meer de rol op van mentor die de leerling kansen biedt en methodieken aanreikt om voorkennis te gebruiken, om nieuwe elementen te begrijpen en te integreren. Evaluatie moet aan bovenstaande onderwijsvisie worden aangepast indien men inhoudelijk en didactisch de nieuwe benaderingen en onderwijsstrategieën nastreeft. Evaluatie is een onderdeel van de leeractiviteiten van leerlingen en vindt bijgevolg niet alleen plaats op het einde van een leerproces of op het einde van een onderwijsperiode. Evaluatie is een permanente activiteit, onlosmakelijk verbonden met een didactisch kader en is dus geen doel op zich. Evalueren is noodzakelijk om feedback te geven aan de leerling en aan de leraar. Door rekening te houden met de vaststellingen gemaakt tijdens de evaluatie kan de leerling zijn leren optimaliseren. De leraar kan uit evaluatiegegevens suggesties halen voor bijsturing van zijn didactisch handelen. Deze assessment- of begeleidingscultuur is een continu proces dat optimaal en motiverend verloopt in stressarme en sanctiearme omstandigheden. Bij evalueren staat steeds de groei van de leerling centraal. De te verwerven kennis, vaardigheden en attitudes worden bepaald door de algemene en de specifieke leerplandoelstellingen. Wanneer we willen ingrijpen op het leerproces is de rapportering van de evaluatie zeer belangrijk. Wanneer men zich na een evaluatie enkel beperkt tot het weergeven van punten krijgt de leerling weinig feedback. In de rapportering kunnen de sterke en de zwakke punten van de leerling weergegeven worden. Eventuele werkpunten of aandachtspunten voor het verdere leerproces kunnen ook aan bod komen Evaluatievormen Uit het voorgaande volgt dat de leraar zich bevraagt over de keuze van de evaluatievormen. Door een verscheidenheid aan vormen te hanteren wordt de leerling aangesproken op verschillende verwerkingsniveaus: Onderwijsleergesprek Toetsen met meerkeuzevragen (met motivatie), juist-/fout-vragen (met motivatie), open vragen, oefeningen/vraagstukken Verslagen van laboratoriumopdrachten Zelfevaluatie Bij de gestelde vragen mag men zich niet louter beperken tot tekstuele vragen, ook beeldmateriaal, grafieken, schema s, tabellen komen aan bod bij de vraagstelling. Bij gesloten verslagen werkt men met een instructieblad. De leerling moet hierbij uitvoeren wat gevraagd wordt op het instructieblad. Zo kan een berekening stap voor stap uitgewerkt zijn. Bij open verslagen moet de leerling zelf structuur aanbrengen in het verslag. Bij de evaluatie wordt de structuur (duidelijkheid, taal, relevantie, ) ook geëvalueerd. 72 2de graad tso
73 6.5.3 Vaardigheden en attitudes Het is duidelijk dat vaardigheden en attitudes in het algemeen en laboratoriumvaardigheden en -attitudes in het bijzonder op een andere manier geëvalueerd worden dan kennis. Voor het evalueren van vaardigheden en attitudes kan zelfevaluatie een handig instrument zijn. Tijdens de zelfevaluatie denkt de leerling na over z n eigen handelen. Ook een informele beoordeling kan gehanteerd worden om vaardigheden en attitudes te evalueren. De informele beoordeling geschiedt tijdens het uitvoeren van de proef en is weinig gereglementeerd of vooraf vastgelegd. Attitudes en vaardigheden laten zich moeilijk via een formele procedure beoordelen. Het zou echter onjuist zijn indien het creatief zoeken naar een oplossing, het zelfstandig uitvoeren, de inzet, het enthousiasme en het doorzettingsvermogen, de aandacht voor veiligheid en milieu en de zin voor nauwkeurigheid van leerlingen bij het uitvoeren van proeven niet zouden meetellen. Bij de evaluatie van laboratoriumvaardigheden kunnen volgende aspecten aan bod komen: Correct gebruik van laboratoriummateriaal zoals glaswerk, microscoop ; Correct gebruik en aflezen van meettoestellen zoals multimeter, balans, dynamometer ; Gebruik van computer bij het verwerken van gegevens (vb. tekenen van grafieken); Organisatie van laboratoriumwerkzaamheden; Correct hanteren van veiligheidsvoorschriften; Orde en hygiëne in het labo: op de juiste manier reinigen van glaswerk, labtafels, handen. Op de juiste manier verwijderen van laboratoriumafval d.w.z. opvolgen van de duidelijke richtlijnen van de leerkracht. 6.6 Minimale materiële vereisten Het lokaal dient te voldoen aan de vigerende wetgeving en normen rond veiligheid, gezondheid en hygiëne Basisinfrastructuur Aangepaste demonstratietafel met water en energievoorziening Werktafels voor leerlingen met water- en energievoorziening Voorziening voor afvoer van schadelijke dampen en gassen Voldoende opbergruimte Het lokaal moet verduisterd kunnen worden i.v.m. opticaproeven Veiligheid en milieu Voorzieningen voor een correct afvalbeheer Afsluitbare kasten geschikt voor de veilige opslag van chemicaliën EHBO-set Persoonlijke beschermingsmiddelen: veiligheidsbrillen, beschermende handschoenen, labschorten (al of niet persoonlijk bezit van de leerlingen) Brandbeveiliging: brandblusser, branddeken, emmer zand, eenvoudige nooddouche Wettelijke etikettering van chemicaliën 2de graad tso 73
74 6.6.3 Basismateriaal Volumetrisch glaswerk, pipetvullers, statieven, noten, klemmen, tangen, spatels, lepels, roerstaven, porseleinen kroezen, pijpstelen driehoek, driepikkel en draadnet (asbestvrij), reageerbuizen en reageerbuisrekken, passende stoppen, glazen buizen met materiaal om de buizen te versnijden, vlinderopzet (plooien van glazen buizen!). Bunsenbranders en/of elektrische verwarmingstoestellen (verwarmplaat of verwarmingsmantel) Snoeren Eenvoudig dissectiemateriaal Excursiemateriaal zoals vangmateriaal voor organisme, meettoestelletjes Toestellen Multimeter en/of A-meter en/of V-meter Thermometers (analoog of digitaal) Chronometers Dynamometers Densimeter en /of pycnometer Balans Regelbare laagspanningsbron (gelijk- en wisselspanning) Microscoop Vergrootglas Optische bank en bijhorende lenzen, spiegels Chemicaliën Chemicaliën voor het uitvoeren van demonstratieproeven en leerlingenproeven Voorziening voor correct afvalbeheer vb. afvalcontainertje (5-10 liter) voor afvalwater (voornamelijk zware metalen) en voor organische solventen zoals weergegeven in de brochure Chemicaliën op school (zie bibliografie) Visualiseren Overheadprojector en transparanten of eventueel ander projectietoestel Organismen en delen ervan Micropreparaten Driedimensionale modellen (bv. het oog) Molecuulmodellen roostermodellen van stoffen Foto s, transparanten, dia s, schema s ICT-toepassingen Computer met geschikte software 74 2de graad tso
75 6.6.8 Tabellen Periodiek systeem der elementen Determineertabellen 6.7 Vakgebonden eindtermen voor natuurwetenschappen tweede graad tso Onderzoekend leren Met betrekking tot een concreet natuurwetenschappelijk of toegepast natuurwetenschappelijk probleem, vraagstelling of fenomeen, kunnen de leerlingen 1 relevante parameters of gegevens aangeven en hierover doelgericht informatie opzoeken. 2 een eigen hypothese (bewering, verwachting) formuleren en aangeven waarop deze steunt. 3 omstandigheden die een waargenomen effect kunnen beïnvloeden inschatten. 4 resultaten van experimenten en waarnemingen afwegen tegenover de verwachte resultaten, rekening houdende met de omstandigheden die de resultaten kunnen beïnvloeden. 5 experimenten of waarnemingen in klassituaties met situaties uit de leefwereld verbinden. 6 doelgericht, vanuit een hypothese of verwachting, waarnemen. 7 alleen of in groep waarnemings- en andere gegevens mondeling of schriftelijk verwoorden. 8 alleen of in groep, een opdracht uitvoeren en er verslag over uitbrengen. 9 informatie op elektronische dragers raadplegen en verwerken. 10 een fysisch, chemisch of biologisch verschijnsel of proces met behulp van een model voorstellen en uitleggen. 11 in het kader van een experiment een meettoestel aflezen. 12 samenhangen in schema s of andere ordeningsmiddelen weergeven Wetenschap en samenleving De leerlingen kunnen: 13 voorbeelden geven van mijlpalen in de historische en conceptuele ontwikkeling van de natuurwetenschappen en ze in een tijdskader plaatsen. 14 de wisselwerking tussen de natuurwetenschappen, de technologische ontwikkeling en de leefomstandigheden van de mens met een voorbeeld illustreren. 15 een voorbeeld geven van positieve en nadelige (neven)effecten van natuurwetenschappelijke toepassingen. 16 met een voorbeeld sociale en ecologische gevolgen van natuurwetenschappelijke toepassingen illustreren. 17 met een voorbeeld illustreren dat economische en ecologische belangen de ontwikkeling van de natuurwe- 2de graad tso 75
76 tenschappen kunnen richten, bevorderen of vertragen. 18 met een voorbeeld verduidelijken dat natuurwetenschappen behoren tot cultuur, nl. verworven opvattingen die door meerdere personen worden gedeeld en die aan anderen overdraagbaar zijn. 19 met een voorbeeld de ethische dimensie van natuurwetenschappen illustreren en een eigen standpunt daaromtrent argumenteren. 20 het belang van biologie of chemie of fysica in het beroepsleven illustreren. 21 natuurwetenschappelijke kennis veilig en milieubewust toepassen bij dagelijkse activiteiten en observaties Attitudes De leerlingen 22* zijn gemotiveerd om een eigen mening te verwoorden. 23* houden rekening met de mening van anderen. 24* zijn bereid om resultaten van zelfstandige opdrachten objectief voor te stellen. 25* zijn bereid om samen te werken. 26* onderscheiden feiten van meningen of vermoedens. 27* beoordelen eigen werk en werk van anderen kritisch en objectief. 28* trekken conclusies die ze kunnen verantwoorden. 29* hebben aandacht voor het correcte en nauwkeurige gebruik van wetenschappelijke terminologie, symbolen, eenheden en data. 30* zijn ingesteld op het veilig en milieubewust uitvoeren van een experiment. 31* houden zich aan de instructies en voorschriften bij het uitvoeren van opdrachten. 32* hebben aandacht voor de eigen gezondheid en die van anderen. Leerplannen van het VVKSO zijn het werk van leerplancommissies, waarin begeleiders, leraren en eventueel externe deskundigen samenwerken. Op het voorliggende leerplan kunt u als leraar ook reageren en uw opmerkingen, zowel positief als negatief, aan de leerplancommissie meedelen via ([email protected]) Vergeet niet te vermelden over welk leerplan u schrijft: vak, studierichting, graad, nummer. Langs dezelfde weg kunt u zich ook aanmelden om lid te worden van een leerplancommissie. In beide gevallen zal de Coördinatiecel Leerplannen zo snel mogelijk op uw schrijven reageren. 76 2de graad tso
Actualisatie Studierichting STW. Integrale Opdrachten. December 2010
Actualisatie Studierichting STW Integrale Opdrachten December 2010 Voeding binnen IO - inspectie: onderscheid leerplan voeding 2de en 3de graad - September 2011 - geen nieuw leerplan maar bestaande geëvalueerd:
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN 3DE GRAAD TSO LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS September 2011 VVKSO BRUSSEL (vervangt D/2007/0279/014) Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS < Hier komt een afbeelding > SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN derde graad tso BRUSSEL D/2017/13.758/018 September 2017 (vervangt leerplan D/2011/7841/038) Inhoud Inleiding
Leerlijn van de competentie Binnen een welomschreven
Leerlijn van de competentie Binnen een welomschreven opdracht sociaal-wetenschappelijke en natuurwetenschappelijke onderwerpen onderzoeken (competentie 1) Tweede graad medeleerlingen en leeftijdgenoten)
Servicedocument Integrale opdrachten STW Tweede en derde graad Juni 2011
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel Servicedocument Integrale opdrachten STW Tweede en derde graad Juni 2011 1 Servicedocument Integrale Opdrachten van STW
basiscompetenties 3de graad beeldende en audiovisuele kunsten
basiscompetenties 3de graad beeldende en audiovisuele kunsten 1 CONCORDANTIETABEL Basiscompetenties 3de graad beeldende en audiovisuele kunsten Concordantie tussen: - de specifieke basiscompetenties voor
Vernieuwingen leerplannen BSO studiegebied Personenzorg
Vernieuwingen leerplannen BSO studiegebied Personenzorg Verzorging-voeding 2 de graad vanaf 2010 Verzorging 3 de graad vanaf 2012 Organisatiehulp 3 de graad vanaf 2012 Ingrid Molein 1 Uitgangspunten Vanuit
basiscompetenties 2de graad beeldende en audiovisuele kunsten
basiscompetenties 2de graad beeldende en audiovisuele kunsten 1 CONCORDANTIETABEL Basiscompetenties 2de graad beeldende en audiovisuele kunsten Concordantie tussen: - de specifieke basiscompetenties voor
basiscompetenties 2de graad muziek
basiscompetenties 2de graad muziek 1 CONCORDANTIETABEL Basiscompetenties 2de graad muziek Concordantie tussen: - de specifieke basiscompetenties muziek voor de 2 de graad van de langlopende studierichtingen
basiscompetenties 3de graad woordkunst-drama
basiscompetenties 3de graad woordkunst-drama 1 CONCORDANTIETABEL Basiscompetenties 3de graad woordkunst-drama Concordantie tussen: - de specifieke basiscompetenties voor de 3 de graad van de langlopende
Gezien het bovenstaande zijn kunstvakken direct of indirect betrokken bij het nastreven van vakoverschrijdende
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel VOET EN STUDIEGEBIED BEELDENDE KUNSTEN KSO VOET EN STUDIEGEBIED PODIUMKUNSTEN KSO 1 De eigenheid van kunst en de VOET
Hoe kan de school in het algemeen werk maken van het nieuwe concept (stam + contexten)?
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel VOET EN STUDIEGEBIED ASO STUDIERICHTING : ECONOMIE Hoe kan de school in het algemeen werk maken van het nieuwe concept
basiscompetenties 2de graad woordkunst-drama
basiscompetenties 2de graad woordkunst-drama 1 CONCORDANTIETABEL Basiscompetenties 2de graad woordkunst-drama Concordantie tussen: - de specifieke basiscompetenties voor de 2 de graad van de langlopende
VOET EN STUDIEGEBIED PERSONENZORG
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel VOET EN STUDIEGEBIED PERSONENZORG Elementen van de Stam Alle elementen van de stam zijn fundamenteel in de vorming van
ASO - studierichtingen in VIA-TIENEN
ASO - studierichtingen in VIA-TIENEN De onderwijsvorm ASO is een breed algemeen vormende doorstroomrichting waarin de leerlingen zich voorbereiden op een academische of professionele bacheloropleiding.
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN DERDE GRAAD TSO LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS LICAP BRUSSEL September 2007 ISBN 978-90-6858-737-1 Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1,
Taalvaardigheid Preventie en remediëring. -betrokkenheid verhogende werkvormen creëren -een maximale -herformuleren de lln het probleem
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel VOET LEREN LEREN EN GOK Voet@2010 leren leren en thema s gelijke onderwijskansen Socio-emotionele ontwikkeling (1ste graad)
basiscompetenties 3de graad muziek
basiscompetenties 3de graad muziek 1 CONCORDANTIETABEL Basiscompetenties 3de graad muziek Concordantie tussen: - de specifieke basiscompetenties muziek voor de 3 de graad van de langlopende studierichtingen
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN TWEEDE GRAAD TSO LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS September 2005 LICAP BRUSSEL SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN TWEEDE GRAAD TSO LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS LICAP BRUSSEL
4 SOCIAAL TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
INSTAPBUNDEL NIEUWE LEERLING 4 SOCIAAL TECHNISCHE WETENSCHAPPEN Beste nieuwe leerling Vermits je vanuit een andere studierichting naar het 4 de jaar S.T.W.stroomt, zouden we graag uitleg geven over een
Organisatiehulp. 26 januari Leerplantoelichting 3de graad OH 1
Organisatiehulp 26 januari 2012 Leerplantoelichting 3de graad OH 1 Vorige sessie september 2011 Situering actualisering leerplan OH binnen het geheel van de vernieuwing bso-personenzorg Uitgangspunten
Lokaliseren situeren van plaatsen op een landkaart (in een beperkt of ruim kader).
De volgende vakken komen aan bod Aardrijkskunde Maatschappelijke vorming (MAVO) Nederlands Godsdienst Niet-conventionele zedenleer LEERDOELSTELLINGEN LESFICHE C Door aan de slag te gaan met lesfiche C
EINDTERMEN en ONTWIKKELINGSDOELEN Zoektocht in het Maascentrum. A. Eindtermen voor het basisonderwijs vanaf 01/09/2010
EINDTERMEN en ONTWIKKELINGSDOELEN Zoektocht in het Maascentrum Derde graad LO A. Eindtermen voor het basisonderwijs vanaf 01/09/2010 Lichamelijke opvoeding Motorische competenties 1.1 De motorische basisbewegingen
DOELSTELLINGEN EN VOET BUURTAMBASSADEURS
DOELSTELLINGEN EN VOET BUURTAMBASSADEURS 3 DE GRAAD SECUNDAIR ONDERWIJS - BSO - De volgende doelstellingen en VOET kunnen aan bod komen. Dat is steeds afhankelijk van de onderzochte (school)omgeving. Die
Eerste graad A-stroom
EINDTERMEN en ONTWIKKELINGSDOELEN Vijverbiotoopstudie Eerste graad A-stroom Vakgebonden eindtermen aardrijkskunde Het natuurlijk milieu Reliëf 16* De leerlingen leren respect opbrengen voor de waarde van
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
SOCIALE EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN TWEEDE GRAAD TSO LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS VVKSO BRUSSEL September 2008 (In dit leerplan zijn enkele kleine aanpassingen doorgevoerd, t.o.v. het vorige leerplan D/2007/0279/030,
Voorstelling voedingsdriehoek bewegingsdriehoek materialen onderwijs 13/10/2017
Voorstelling voedingsdriehoek bewegingsdriehoek materialen onderwijs 13/10/2017 Nieuwe actieve voedingsdriehoek: hoe en waarom Waarom een nieuwe model? Bevraging doelgroepen en intermediairs: Burgers,
Leerplan Nederlands. Titel samenkomst 27 januari Naam van de spreker of dienst 1. Opzet. Verloop. Modernisering secundair onderwijs
Opzet Stand van zaken op dit moment Leerplan Nederlands Doel voorstelling Inzicht geven in ontstaan en visie leerplan Structuur, inhoud en taal leerplan verkennen Vertrouwen en zin geven om aan de slag
THEMA VOEDING Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Bovenbouw vmbo Bovenbouw havo-vwo
Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo gezondheid groei De begrippen eten, drinken, snoep, honger, trek, dorst (correct) Uitleggen dat er eten om gezond van te groeien of om te snoepen
ATTITUDINALE DOELEN VOOR DE KLEUTERSCHOOL Klas : Schooljaar : Thema's I II III trimester
ATTITUDINALE DOELEN VOOR DE KLEUTERSCHOOL Klas : Schooljaar : Thema's I II III trimester 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Positieve ingesteldheid 1 zich emotioneel goed voelen 2 zich als persoon iets
VISIE. Met opvoeden en onderwijzen beogen leerkrachten de harmonische ontplooiing van de totale persoon.
Met opvoeden en onderwijzen beogen leerkrachten de harmonische ontplooiing van de totale persoon. OPVOEDEN en LEREN is gebaseerd op een draagvlak van STEUNEN, STUREN EN STIMULEREN: Om binnen de grenzen
BIJLAGE 2 RELATIONELE EN SEKSUELE VORMING IN DE LEERPLANNEN. Inleiding. verwijst naar ontwikkelingsaspecten uit het OWP
BIJLAGE 2 RELATIONELE EN SEKSUELE VORMING IN DE LEERPLANNEN Inleiding In alle leerplannen en in het Ontwikkelingsplan voor de Katholieke Basisschool zitten aspecten van relationele vorming verwerkt. Soms
Organisatiehulp derde graad. 1 juni 2012
Organisatiehulp derde graad 1 juni 2012 1 Agenda Stand van zaken OH -vragen van scholen en leraren Servicedocument Geïntegreerd werken Evalueren Reflecteren Stage Info per competentie Stand van zaken:
Dinsdag 27 september 2011 Ingrid Molein Annick Van der Stricht. DPB Gent
Dinsdag 27 september 2011 Ingrid Molein Annick Van der Stricht DPB Gent Zorg en begeleiding bieden aan kinderen en volwassenen Vanuit een holistische, emancipatorische en dynamische visie Functioneren
De geïntegreerde proef en integrale opdrachten in STW
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel DOCUMENT VVKSO De geïntegreerde proef en integrale opdrachten in STW Woord vooraf Hieronder vindt u de tekst (deel 1 en
STUDIEGEBIED PERSONENZORG (tso)
STUDIEGEBIED PERSONENZORG (tso) Tweede graad... Sociale en technische wetenschappen Derde graad Sociale en technische wetenschappen Gezondheids- en welzijnswetenschappen STUDIEGEBIED PERSONENZORG Studierichting
EINDTERMEN Bosbiotoopstudie
EINDTERMEN Bosbiotoopstudie Eerste graad A-stroom Vakgebonden eindtermen aardrijkskunde De mens en het landschap Het landelijk landschap 22 milieueffecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden
VOET EN WISKUNDE. 1 Inleiding: Wiskundevorming
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat, 00 Brussel VOET EN WISKUNDE Inleiding: vorming Een actuele denkwijze over wiskundevorming gaat uit van competenties. Het gaat om een
Ook voor de basisschool zijn nieuwe er kerndoelen gemaakt die duidelijk aansluiten bij de kerndoelen van de onderbouw VO.
CKV kerndoelen en eindtermen Er zijn duidelijke doorlopende leerlijnen van het basisonderwijs naar de onderbouw en het onderbouw naar de bovenbouw. De betreffende, ook wettelijk verplichte kerndoelen en
Aanbod natuur & avontuur en de eindtermen: informatie voor leerkrachten
Aanbod natuur & avontuur en de eindtermen: informatie voor leerkrachten Beste leerkracht, De missie van de Hoge Rielen is om ruimte te scheppen voor het opdoen van nieuwe ervaringen, te ontdekken, te activeren
Onderwijskundige doelen
Onderwijskundige doelen Het materiaal van Dit Ben Ik in Brussel beoogt vooral het positief omgaan met diversiteit. Daarom is het ook logisch dat heel wat doelen van het Gelijke Onderwijskansenbeleid aan
Didactische competentie algemeen (DCA) A. Algemeen. Theorie X Praktijk Semester 1 X Semester 2 Semester 3 Semester 4
ECTS-FICHE MODULE Didactische competentie algemeen (DCA) A. Algemeen Situering binnen het programma Periode binnen het tweejarige modeltraject Theorie X Praktijk Semester 1 X Semester 2 Semester 3 Semester
De Vakman. De leerling hanteert de muzikale parameters en componenten. De leerling leest en schrijft de muziektaal
De Vakman De leerling kan gericht luisteren van intuïtief naar bewust waarnemen luisteren naar het eigen musiceren weten wat je hoort zich de muziek inwendig voorstellen de muzikale parameters en componenten
Didactische competentie algemeen (DCA) A. Algemeen. Theorie X Praktijk Semester 1 X Semester 2 Semester 3 Semester 4
ALGEMENE INFORMATIE MODULE Didactische competentie algemeen (DCA) A. Algemeen Situering binnen het programma Periode binnen het tweejarige modeltraject Theorie X Praktijk Semester 1 X Semester 2 Semester
Lesvoorbereidingsformulier
UC Leuven Limburg Lerarenopleiding kleuter- en lager onderwijs Lesvoorbereidingsformulier Het mentaal en schriftelijk voorbereiden van een les is iets anders dan het invullen van een lesvoorbereidingsformulier.
Secundair onderwijs - Tweede graad ASO/KSO/TSO - Natuurwetenschappen - Vakgebonden eindtermen
Eindtermen educatief project Korstmossen, snuffelpalen van ons milieu 2 de en 3 de graad SO Secundair onderwijs - Tweede graad ASO/KSO/TSO - Natuurwetenschappen - Vakgebonden eindtermen I. Gemeenschappelijke
Beleidsplan cultuureducatie OBS de Driepas
Beleidsplan cultuureducatie OBS de Driepas 1. Algemene doelstelling cultuureducatie 2. Doelen en visie van de school 3. Visie cultuureducatie 4. Beschrijving van de bestaande situatie 5. Beschrijving van
IMK Dilsen-Stokkem. Imk Lanklaar Rotem. Verzorging-voeding, 2 de graad Verzorging, 3 de graad
www.instituutmariakoningin.be Imk Lanklaar Rotem IMK Dilsen-Stokkem Verzorging-voeding, 2 de graad Verzorging, 3 de graad Specialisatie Kinderzorg Specialisatie Thuis- en bejaardenzorg/zorgkundige Eerste
Dans & drama o.b.s. De Eiber Dedemsvaart Januari 2015
Dans & drama o.b.s. De Eiber Dedemsvaart Januari 2015 Inleiding 2 INLEIDING DANS Leerlingen in het basisonderwijs dansen graag. Het sluit aan bij hun natuurlijke creativiteit, fantasie en bewegingsdrang.
Studiegebied. (tso) Tweede graad... Sociale en technische wetenschappen. Derde graad...
Studiegebied (tso) Tweede graad... Sociale en technische wetenschappen Derde graad... Sociale en technische wetenschappen Gezondheids- en welzijnswetenschappen STUDIEGEBIED PERSONENZORG Studierichting
1 Basiscompetenties voor de leraar secundair onderwijs
1 Basiscompetenties voor de leraar secundair onderwijs Het Vlaams parlement legde de basiscompetenties die nagestreefd en gerealiseerd moeten worden tijdens de opleiding vast. Basiscompetenties zijn een
De DOELSTELLING van de kunstbv-opdrachten & De BEOORDELING:
beeldende vorming De DOELSTELLING van de -opdrachten & De BEOORDELING: Doelstellingen van de opdrachten. Leren: Thematisch + procesmatig te werken Bestuderen van het thema: met een open houding Verzamelen
Leerdoelen en kerndoelen
Leerdoelen en kerndoelen De leerdoelen in de leerlijn vallen in het leerdomein Oriëntatie op jezelf en de wereld. Naast de gebruikelijke natuur en milieukerndoelen (kerndoelen 39, 40 en 41) zijn ook de
1.a. De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.
Leerlijn ICT DERDE LEERJAAR 1 Kennismaken - aanzetten - occasioneel opbouwen - regelmatig VERWERVEN - systematisch 1.a. De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken
Cultuureducatie met Kwaliteit
ontwerp fourpack Cultuureducatie met Kwaliteit Onze ambities 1 2 3 Stappenplan Het kwadrant Drie domeinen 1 Intake 5 Scholingsactiviteiten VERBREDEN 2 Assessment 6 Meerjarenvisie In huis 3 Ambitiegesprek
Geschiedenis en VOET
Geschiedenis en VOET Per 1 september 2010 traden de nieuwe vakoverschrijdende eindtermen (VOET) in werking en vanaf 1 september 2011 zal de doorlichting de VOET meenemen in de focus van de scholen. De
DOCUMENT. Servicedocument VOET voor het vak ICT/Informatica. Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel VVKSO
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel DOCUMENT VVKSO Servicedocument VOET voor het vak ICT/Informatica Dit document is een aanvulling op het algemeen servicedocument
DON BOSCO GENK AANBOD EERSTE GRAAD. Meer dan je denkt!
DON BOSCO GENK Meer dan je denkt! AANBOD EERSTE GRAAD Dag nieuwe leerling, Dag ouder, In onze Don Boscoschool willen wij een kwaliteitsvolle vorming aanbieden. Vanuit ons opvoedingsproject leggen wij
Mogelijke opdrachten voor een vakwerkgroep Nederlands
Mogelijke opdrachten voor een vakwerkgroep Nederlands In kolom 1 vind je 66 items waaraan je eventueel kan werken in de vakgroep Nederlands. Ze zijn ingedeeld in 8 categorieën. Duid in kolom 2 aan met
Mogelijke opdrachten voor een vakwerkgroep geschiedenis en/of esthetica
Mogelijke opdrachten voor een vakwerkgroep geschiedenis en/of esthetica In kolom 1 vind je 69 items waaraan je eventueel kan werken in de vakgroep geschiedenis/esthetica. Ze zijn ingedeeld in 8 categorieën.
STUDIEGEBIED ALGEMENE VORMING
STUDIEGEBIED ALGEMENE VORMING Modulaire opleiding Economie - Moderne Talen AO AV 006 Versie 1.0 BVR Pagina 1 van 28 Inhoud Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap 23 november 2006 1 Deel 1 Opleiding... 5
Kunst en cultuur (PO-vmbo)
Kunst en cultuur (PO-vmbo) kerndoelen primair onderwijs kerndoelen onderbouw vmbo bovenbouw exameneenheden 54: De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er gevoelens en
Creativiteit, kun je dat afdwingen?
Creativiteit, kun je dat afdwingen? Over procesgerichte didactiek, de didactiek van creativiteit, eigenaarschap en betrokkenheid www.kunstedu.nl procesgerichte didactiek proces van de kunstenaar zelf ondergaan
Leerlijn ICT VIJFDE LEERJAAR 1 Kennismaken - aanzetten - occasioneel opbouwen - regelmatig VERWERVEN - systematisch herhalen - verdiepen - verbreden -
Leerlijn ICT VIJFDE LEERJAAR 1 Kennismaken - aanzetten - occasioneel opbouwen - regelmatig VERWERVEN - systematisch herhalen - verdiepen - verbreden - 1.a. De leerlingen hebben een positieve houding tegenover
EINDTERMENTABEL OVERZICHT. Flos en Bros werkboekjes. x x. x x x x x. x x x. Werkboekje blz e Leerjaar 6 e Leerjaar
5 e Leerjaar 6 e Leerjaar EINDTERMENTABEL OVERZICHT Flos en Bros werkboekjes Tandenmuzeum De mondgazt Dagboek v/e tandenborstel Gezonde start in de mond - Suiker Verzin een supersmoes Tanden de wereld
Onderzoekscompetenties. Schooljaar 2015-2016. GO! atheneum Campus Kompas Noordlaan 10 9230 Wetteren 09 365 60 60
GO! atheneum Campus Kompas Noordlaan 10 9230 Wetteren 09 365 60 60 Schooljaar 2015-2016 E-mail: [email protected] [email protected] Website: www.campuskompas.be/atheneum Scholengroep Schelde Dender
Mogelijke opdrachten voor een vakwerkgroep geschiedenis en/of esthetica
Mogelijke opdrachten voor een vakwerkgroep geschiedenis en/of esthetica In kolom 1 vind je 69 items waaraan je eventueel kan werken in de vakgroep geschiedenis/esthetica. Ze zijn ingedeeld in 8 categorieën.
Realiseren van VOET in Geschiedenis: leren leren I II III Leren leren
Realiseren van VOET in Geschiedenis: leren leren I II III Leren leren Welke afspraken worden gemaakt om geschiedenis te studeren? Wordt dit opgevolgd per graad en van graad tot graad? Leren leren blijft
IVV Sint-Vincentius. Iets voor jou? Sociale en Technische Wetenschappen 2de en 3de graad TSO Jeugd- en Gehandicaptenzorg 3de graad TSO
IVV Sint-Vincentius Iets voor jou? Sociale en Technische Wetenschappen 2de en 3de graad TSO Jeugd- en Gehandicaptenzorg 3de graad TSO Sociale en Technische Wetenschappen 2de en 3de graad TSO Je bent sociaal
OBSERVATIELIJST van de MUZISCHE ONTWIKKELING Van kleuters IN 5 CATEGORIEËN
OBSERVATIELIJST van de MUZISCHE ONTWIKKELING Van kleuters IN 5 CATEGORIEËN Mijn muzisch enthousiasme Mijn muzische durf en creativiteit Mijn relatie met en begrip van de kunsttalen Mijn muzische expressie
Vragenlijst deelnemers Vlaams Lerend Netwerk STEM SO
Vragenlijst deelnemers Vlaams Lerend Netwerk STEM SO 1. Persoonlijke gegevens Naam school:.. Provincie school: o Antwerpen o Limburg o Oost- Vlaanderen o Vlaams- Brabant o West- Vlaanderen Wat is je functie?
DOCUMENT. Servicedocument VOET voor het vak ICT/Informatica. Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel VVKSO
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel DOCUMENT VVKSO Servicedocument VOET voor het vak ICT/Informatica Dit document is een aanvulling op het algemeen servicedocument
Kadernotitie Platform #Onderwijs 2032 SLO, versie 13 januari 2015
Kadernotitie Platform #Onderwijs 2032 SLO, versie 13 januari 2015 Doel en beoogde opbrengst van de dialoog De opdracht van het platform is te komen tot een integrale, maatschappelijk breed gedragen en
VAKOVERSCHRIJDEND: ACTIEF LEREN
VAKOVERSCHRIJDEND: ACTIEF LEREN Kernteam actief leren voor alle leraren 1 Actief Leren Bij de start van dit nieuwe schooljaar leggen we met ons kernteam het accent op Actief Leren. Actief leren omvat zeer
Schuilt er een onderzoeker in jou?
Schuilt er een onderzoeker in jou? Bijlage: Lesdoelen en leerplandoelen INHOUD 1 Eerste kennismaking met Inagro en zijn activiteiten... 3 1.1 Lesdoelen... 3 1.2 Leerplandoelen... 3 1.2.1 Leerplan wereldoriëntatie
WISKUNDIGE TAALVAARDIGHEDEN
WISKUNDIGE TLVRDIGHEDEN Derde graad 1 Het begrijpen van wiskundige uitdrukkingen in eenvoudige situaties (zowel mondeling als 1V4 2V3 3V3 (a-b-c) schriftelijk) 2 het begrijpen van figuren, tekeningen,
Vakoverschrijdende eindtermen die van toepassing zijn tijdens de klimaatexcursie
Vakoverschrijdende eindtermen die van toepassing zijn tijdens de klimaatexcursie Context 4: Omgeving en duurzame ontwikkeling. De leerlingen: 1. participeren aan milieubeleid en -zorg op school; 2. herkennen
Eerste jaar van de eerste graad. Leren leren
Eerste jaar van de eerste graad Bij de start van het secundair onderwijs wordt er getracht de leerling een zo breed mogelijke vorming te geven en hem/haar te laten proeven van verschillende vakken. Dit
Mogelijke opdrachten voor een vakwerkgroep mode
Mogelijke opdrachten voor een vakwerkgroep mode In kolom 1 vind je 68 items waaraan je eventueel kan werken in de vakgroep mode. Ze zijn ingedeeld in 8 categorieën. Duid in kolom 2 aan welke items je reeds
Leerplanintroductie basisoptie voeding & horeca. Wim De Pue pedagogisch begeleider voeding & horeca
Leerplanintroductie basisoptie voeding & horeca Wim De Pue pedagogisch begeleider voeding & horeca Later wil ik kok worden vormingscomponenten en wegwijzers in voeding & horeca 2 beginsituatie Leerlingen
~ 1 ~ selecteren. (LPD 1,8,27) (LPD 13,22,23,27)
~ 1 ~ Functionele taalvaardigheid/ tekstgeletterdheid Eindtermen (P)AV voor 2 de graad SO 3 de graad SO 3 de jaar 3 de graad SO DBSO niveau 2 de graad DBSO niveau 3 de graad DBSO niveau 3 de jaar 3 de
Nederlands in het vak integrale opdrachten
7. Nederlands en vakoverschrijdende projecten Ronde 5 Ann Vandemaele Technisch Instituut Immaculata, Ieper Contact: [email protected] Nederlands in het vak integrale opdrachten Integrale opdrachten (i.o.)
Hoofdstuk I: Eindtermen de basics
Maatschappelijk debat eindtermen Hoofdstuk I: Eindtermen de basics Inhoud Inleiding... 2 Gewoon lager onderwijs... 2 Kleuteronderwijs... 2 Gewoon secundair onderwijs... 3 Buitengewoon onderwijs... 4 Overzichtstabel...
Resonans geletterdheidsmodules
Resonans geletterdheidsmodules Provinciaal Onderwijs Vlaanderen 8 mei 2014 Inhoud 1. Wat 2. Ontwikkeling 3. Stand van zaken 4. Mogelijkheden en beperkingen 5. Organisatie 6. Vragenronde 7. Inhoudelijke
