Structure and function of plants. Waterhuishouding

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Structure and function of plants. Waterhuishouding"

Transcriptie

1 Structure and function of plants H4 Waterhuishouding Cel 2 lagen: buitenste laag = celwand; binnenste laag = plasmamemraan planten hebben een hoge concentratie ionen in de cel -> meer ionen in de cel dan er buiten Water movement hoge potentiaal naar lage potentiaal afhankelijk van druk en duffusie (hoog->laag) potentiaal puur water = 0 (want er zijn geen stoffen in opgelost) als iets wordt opgelost, wordt het potentiaal lager Plasmolyse: water uit cel door een potentiaal verschil (verlies turgor) cellulose trekt water aan -> verplaatsing water hangt o.a. af van cellulose uitgedroogd hout neemt water op door matrix potentiaal Passief transport simple diffusion facilitated diffusion altijd met gradient mee (hoog -> laag) Actief transports ATP/ADP pomp kan tegen gradient in (kost E) Uniport: 1 verbinding, naar 1 kant Symport: 2 verbindingen, naar 1 kant (zelfde kant op) Antiport: 2 verbindingen, verschillende kanten op Primair actief transport ATP/ADP pomp: H+ (protonen) binnen naar buiten (laag -> hoog) Secundairy actief transport symporter (H+, sucrose) protonen van primair transport gebruikt (buiten -> binnen) en sucrose meenemen: meer sucrose binnen de cel dan er buiten. Hierdoor in de cel nog meer ionen dan buiten -> kost E

2 H30 Transport water in de plant Behouden water -huidmondjes (kan water door verdampen -> open/dicht) open: CO2 naar binnen, H2O naar buiten dicht: CO2 niet naar binnen, H2O blijft binnen structuur van de huidmondjes bepaalt de vorm-> 2 typen: maanvormig en haltervormig Openen/sluiten beïnvloed door: CO2 concentratie, licht/donker, temperatuur en endogeen ritme (ABA sluit huidmondjes) Doorlaatbaarheid van de endodermis is temperatuur gevoelig: T laag = minder doorlaten Transport water door: osmose, capilaire werking, verdamping Proef 1: Hormoonmutanten Planten moeten flexibel zijn want ze zijn immobiel. Hormonen worden niet in speciale organen gemaakt werken in lage concentraties receptor nodig 1 hormoon kan meerdere effecten hebben (=pleiotropie) interacties tussen hormonen zijn mogelijk Gibberellines (GA) stimuleren celdeling en celstrekking Onderzoekmethodes hormonen: 1. Toedienen/niet toedienen (voor blanco, vergelijken) 2. Gebruik van mutanten -> mutant dat geen hormoon aanmaakt of receptor mist

3 College 3 en 4: Vroege ontwikkeling van de plant + cellen en weefsels van de plant Ontwikkeling van de plant in zaad, na bestuiving van het zaad: eenheid die los komt van de plant -> midden in cotyledon met er omheen endosperm en zaadhuid Functies verspreidingseenheid vermeerderingseenheid vernieuwingseenheid ruststadium (over lange tijd slechte periodes overslaan) Embryo product van de bevruchting zygote-> 2-cellig stadium (inequal): suspensor (=basale cel) en functioneel deel Wanneer er geen plek is voor de strekking van het embryo gaat het krom liggen Organen stengel, bladeren, wortels Uit de basale cel ontstaat een suspensor (grote cel) Zaad zit met een navelstreng vast aan de vrucht Embryo ontwikkelt tot een hartvormig embryo met: in aanleg een spruitmeristeem in aanleg een wortelmeristeem in aanleg een wortel-stengel as in aanleg een of twee zaadlobben (monocotyl = 1 zaadlobbig, dicotyl = 2 zaadlobbig) Endosperm resultaat van een bevruchting heeft een eigen genoomsamenstelling (afwijkend van parent en embryo, mits niet gekloneerd) Onder stresscondities (vb. bij hoge termperatuur) kan uit een pollenkorrel een embryo ontstaan (=kloon) in plaats van een pollenbuis. Dit is dan gericht op de suspensorfunctie Organen embryo alle organen zijn al gemaakt in een jong embryostadium Kiemplant ontwikkelingsfase direct na de kieming ->zaad neemt water op ->activering van celprocessen (doorbreken rust) ->DNA/RNA/mRNA synthese -> repair -> celgroei/celstrekking ->doorbreken zaadhuid door kiemwortel ->delen bovengronds door celtrekking

4 Cotylen (zaadlobben) epigeïsche kieming = kieming bovengronds hypogeïsche kieming = kieming ondergronds Mutant analyse inductie van mutaties met EMS (= Ethyl-MethanoSulfanaat) Vogel is handig voor het verspreiden van zaad, want heeft geen kiezen (alleen vlezige wordt verteerd) -> met trek naar het zuiden maakt de vogel zijn eigen voedselpad Vormingsweefsel (meristematisch) in spruittop en worteltop gemaakt: -grondweefsel -transportweefsel -afsluitingsweefsel 2 soorten cellen: initiaalcellen (deelt actief) en afgeleide cellen Deling: kerndeling, celplaatvorming, celscheiding Celscheiding kan volledig of onvolledig; volledig: alleen wandcontact, geen contact via het cytoplasma onvolledig: plasmodesmata (of stippels; zijn bundels plasmodesmata of hofstippels) Celgroei vorming van het celmembraan door exocytose van vesikels vorming van de primaire celwand door o.a. vorming van cellulose microfibrillen, pectine, lemicellen en glycoproteïnen Primaire celwand want heeft meerdere lagen heeft het vermogen plastisch te vervormen (blijvend van vorm veranderen) Celdifferentiatie extra wandafzettingen: -lignine (houtstof) en suberine (kurkstof) Lignine polymeren van aromatische alcoholen hard, star en bestand tegen samendrukken netwerk van onoplosbare verbindingen tussen cellulose en microfibrillen Suberine gemodificeerde vetzuren waterafstotend bestanddeel van celwanden en kurkcellen in lagen tegen de celwand afgezet (soms er in)

5 Cutine waterafstotende polymeer van vetzuren grootste bestanddeel van cuticula Celdifferentiatie 1. Grondweefsel: Parenchym, collenchym, sklerenchym 2. Transportweefsel: Zeefvaten, houtvaten, tracheïden 3. Afsluitingsweefsel Epidermis, kurk Versteviging Parenchym = vulweefsel (voor opslag) Collenchym = stevigheidsweefsel (niet verhout, want het heeft een celwand: levende cellen) Sklerenchym = stevigheidsweefsel (vezelachtig, meestal dood, verhoud Transport floeem (meerdere samengestelde celsoorten) -> assimilatietransport, suikertransport xyleem (meerdere samengestelde celsoorten) -> water- en mineralen transport floeem -zeefvaten -begeleidende cellen -floeemparenchym -baststraalparenchym -floeemvezels Embryogenese asymmetrische deling zorgt voor polariteit: basale cel (niet embryo) en apicale cel (ontwikkeld) Hypocotyl stengeltje onder de cotylen (bij wortel) Epicotyl een kort stengellid boven de cotylen (bij pluimpje) Zeefvat levende cel zonder kern, voor sapstroom (suiker) -> leeft door ondersteuning van companion cel

6 C7 Bouw en ontwikkeling van de wortel Afsluitingsweerfsel epidermis (jong) kurkcellen (oud) -> bescherming tegen uitdroging en infecties Cuticula (= was laagje) bestaat uit matrix van cutine en geïmpegneerd was Epicutilaire wasstaafjes in kristallijn en verstrooien het licht (UV), hierdoor vermideren ze de opwarming en waterverlies van het orgaan Is zelfreinigend, waterafstotend en beschermend Haren op planten: klierharen (geur) voor lok, afweer of bescherming tegen de zon Wortel eerste ontwikkeling van de wortel: tijdens embryonale ontwikkeling eerste wortel wordt kiemwortel -> gekarakteriseerd door wortelharen (jong heeft wortelharen, oud niet meer) Functies (kiem)wortel: opname, transport, opslag, verankering en productie van groeiregulatoren Morfologische zones (van een groeiende wortel) zijwortelvormingszone wortelhaarzone (Wortelharen vergroten opnamenoppervlak) strekkingszone worteltopzone Worteltop De wortel groeit aan het uiteinde van de wortel (worteltop), heeft geen strekking in de haarzone vormt slijm (=koolhydraten) wortelmuts beïnvloedt bodem door secretie van slijm heeft wortelmeristeem (vormt wortel/mutsje) Wortelmutsje functies: beïnvloeden van bodem, doordringen van bodem, perceptie zwaartekracht (positief geotropisch), perceptie licht (negatief fototropisch) Worteltopmeristeem open type: 1 gebied met initiaalcellen te onderscheiden gesloten type: meerdere gebieden met initiaalcellen te onderscheiden -> vormt wortelmutsje, schors, epidermis en centrale cilinder(= primair weefsel)

7 Vorming plant proto = eerste meta = erna (tweede) Primair floeem protofloeem en metafloeem Primair xyleem protoxyleem en metaxyleem Grondweefsel schors: parenschym, endodermis centrale cilinder: pericykel, merg Dicotylen hebben meestal weinig xyleemstrengen Monocotylen hebben meestal veel xyleemstrengen Aantal xyleemstrengen in een wortel is niet constant, maar kan veranderen -> dichtbij de wortel zijn veel strengen, dichtbij vertakkingspunt zijn minder strengen Xyleem begint pas vanaf de wortelharen Endodermis grenslaag tussen schors en centrale cylinder Functie: douane : het verhinderen van apoplastisch transport naar de centrale cilinder Bandjes van Caspari sluiten endodermis af (waterafstotend) hierdoor heeft de plant controle over de transportroute van water en mineralen door de ondodermis ( er zijn bepaalde doorlaatcellen die het transport reguleren, ergens anders kan het water niet door) Zijwortels ontstaan in het pericykel bij het protoxyleem (vanuit midden van de wortel) Secundaire diktegroei 1. Nieuwe aanleg van een vaatweefselvormend cambium 2. Vorming van secundair floeem en xyleem door het cambium 3. Vorming van secundair afsluitingsweefsel door krukcambium Vaatweefsel = vasculair cambium maakt naar binnen toe xyleem en naar buiten toe floeem Periderm = nieuwe kurklaag Regulatie ontstaan van weefsels van wortel deel van topje met minder strekking = rustig centrum (= quiet centre) -> hier is minder DNA synthese, zorgt ervoor dat cellen er omheen wel hard kunnen delen -> is dus een stuurder, stuurt andere tot delen (delende cellen = stamcellen) Stamcellen: blijven stamcellen of worden afgeleide cellen (dochtercellen) -> dit ligt aan de ligging wat het wordt (celcontactprincipe)

8 C8 Vorm en bouw van de primaire stengel Apikaal scheutmeristeem in eindknop stengelleden (= internodes) knopen (= nodes): stuk waar bladeren zijn aangehecht Apikaal meristeem ontstaat in het topje Vaatweefsel 1. In ring (bij dicotylen) 2. Rondvorming gespreid (bij dicotylen) 3. Random (bij monocotylen) Zeefvat bestaat uit 2 celtypen: zeefvatlid en een begeleidende cel (companion cell) ontstaan beide uit dezelfde moedercel, maar de begeleidende cel blijft klein en houdt celkern, het zeefvatlid verliest alle inhoud en strekt, wordt afhankelijk van de companion cell Xyleem tracheïden: cellen die aan elkaar zijn gekoppeld houtvaten (= tracheëen): lange buis met gaatjes, met als typen: stippelvaten (metaxyleem) spiraalvaten (proto- en metaxyleem) netvaten (metaxyleem) ringvaten (protoxyleem) ->proto in strekking, meta na strekking Dicotylen hebben secundaire diktegroei monocotylen andere diktegroei: parenchym wordt breder en de bladeren vormen de dikte (vb. prei) H2 en H10 Moleculaire samenstelling plantencel Koolhydraten (suikers; C, H, O) voor energie en structuur (celwand), algemene structuur: (CH2O)n n = 3 -> glyceraldehyde n = 5 -> ribose n = 6 -> glucose koolhydraten zijn wateroplosbaar, in de plant vooral sucrose (=glucose + fructose) getransporteerd sucrose wordt getransporteerd van source (blad) naar sink Polysaccharide opslag van energie zetmeel: glucose polymeer fructanen: fructose polymeer (voor gras-achtigen) vóór transport en gebruik: hydrolyse (eerst afbreken tot monomeren)

9 Structuur plant : cellulose hout bestaat voor 50 % uit cellulose katoen is 100% cellulose cellulose = glucose polymeer, maar moeilijk afbreekbaar door de waterstofbruggen bouwstof voor celwand Lipiden (vet) energie opslag belangrijke rol bij structuur -vet en olie: tryglycerides = glycerol + 3 vetzuren olie = onverzadigd, vet = verzadigd Fosfolipiden glycerol + 2 vetzuren + restgroep fosfaat vetzuren zijn hydrofoob, restgroepfosfaat is hydrofiel, hierdoor krijg je een bi-laag in water: vetzuren bij elkaar, restgroep aan buitenkant Cutine = matrix voor was (wax) cutine + was = cuticula Lipids: steroïden 4 koolstof ringen OH op C3 = sterol Eiwitten opgebouwd uit aminozuren aminozuren lineair gekopped dehydratie = peptide bindingen tot polypeptide grote polypeptide = eiwit secundair structuur: vorming -> alpha-helix en beta-sheets tertiaire strctuur: verdere vouwing (interacties tussen aminozuren) quarternaire structuur: complex van gevouwde eiwitten Nucleïnezuren : ATP ATP slaat energie op, geen informatie Secundaire metabolieten beperkt tot aantal cellen en plantensoorten (voorbeeld kleur van de bloem) essentieel voor functioneren van planten soms opgeslagen: geïnduceerd, getransporteerd Vb. inductie secundaire metabolieten: planten die stoffen afscheiden als ze belaagd worden door insecten en hiermee vijanden van belagers lokken Alkaloïden (secundaire metaboliet) medicinaal (verslavend) : morfine, nicotine, caffeïne functie plant: allelopatisch (omgeving), insecticidaal (verjagen van insecten), fungicidaal (anti schimmel)

10 Terpenen (secundaire metaboliet) opgebouwd uit isopreen units isopreen gasvorming mono- en sesqui: essentiële olie 2 units monopenen 3 units sesquiterpenen 4 units diterpenen is geen echte olie want het verdampt snel Diterpeen: taxol polymeer van isopreen: rubber Cardiac glycosides: ook terpeen, erg toxisch voor zoogdieren monarch rups eet dit stofje zodat deze giftig wordt carotinoïden = pigment Voorbeelden van secundair metabolieten phenolics: OH aan aromatische ring placonoïden: kleurstoffen -> voor aantrekken van bestuivers tannine: bitter -> voor verdediging lignine: stevigheid -> houtstof salicylzuur: voor verdediging Primaire metabolieten in cellen van alle plantensoorten (koolhydraten, nucleïnezuren) essentieel voor functioneren van planten H10 Recombinant DNA technology Merker: gen geïntroduceerd in doel organisme: koppelen aan kleur-gen reporter van genactiviteit: reporter koppelt met gen promoter (GFP, YFP) Modelplanten arabidopsis en rijst -korte generatieduur -adaptief -genoom sequentie bekend -transformeerbaar -klein -zelf-bestuiver arabidopsis: model voor dicotylen, rijst: model voor monocotylen Totipotent: elke cel heeft een mogelijkheid weer uit te groeien tot een nieuwe plant (volledig) Genetische modificatie d.m.v. argobacterie -> draagt gen over op plant door gen in de bouwen in bacterie

11 Voordelen en risico s genetische modificatie vermindering pesticide gebruik (voordeel) bestaande traits zijn veilig, nieuwe moeten zorgvuldig worden getest (nadeel) oppassen voor overdracht van genen naar wilde populaties (nadeel) Blad: vorm en bouw Morfologie -bladschijf (met bladmoes en nerven) *enkelvoudig bladschijf of samengesteld bladschijf -bladsteel (vaak, niet altijd aanwezig) -steunblaadjs (soms aanwezig) -bladschede (vaak bij monocotylen) -> is stengelomvatten zoals onderste van een prei -nervatuur *veernervig (dicotylen), handnervig (dicotylen) of lijnnervig (monocotylen) Variatie in bladvormen in een plant hoogtebladen bladeren nabij bloem en bloembladen middenbladen de gewone fotosynthetiserende bladeren laagtebladen zaadlobben en knopschubben Bladontwikkeling ontstaat in/bij apicaal meristeem primordium = in aanleg dus bladprimordium = blad in aanleg niet willekeurige plekken; variatie in ruimtelijke ordening leidt tot verschil in bladstand (=phyllotaxy): -spiraalsgewijs - helical -afwisselend - distichous -tegenoverstaand -opposit -kruisgewijs -decussate -kransstandig -whorled 4 meristematische gebieden apicaal meristeem -> bladschijflengte marginaal meristeem -> bladschijfbreedte adaxiaal meristeem -> bladschijfdikte intercalair meristeem -> bladsteellengte Aansluiting blad op stengel floeem ontwikkelt continu topwaarts xyleem ontwikkelt discontinu, topwaarts en naar de basis Aansluiting vaatweefsel en bladsteel: met bladspoor (leaf trace) op bladsteel met zijtakspoor (branch trace) op zijtak Xyleem aan bovenzijde in het blad (adaxiaal) en floeem aan de onderzijde (abaxiaal) [vaatbundels]

12 Pallisade- para/chlorochym aan bovenzijde = lang gerekte cellen met chlorofyl (daarom bovenkant van het blad meer fotosynthese) Bifaciaal = twee gezichtig = boven en onderzijde zijn anders van elkaar (is zo het geval bij blad) equifaciaal = gelijk gezichtig Bladanatomie afsluitingsweefsel grondweefsel transportweefsel Hypodermis = cellaag onder epidermis zonder chloroplasten Naamgeving stengel: blad: epidermis -> epidermis schors (met endodermis) -> mesofyl (met bundelschede) centrale cilinder (= stele, met pericykel) -> deelstele (=meristele, met pericykel) Heteromorfie = bladvariatie binnen een plant (uiterlijke variatie) Homomorfie = zelfde vormen binnen een plant Xerofyt = plant die aangepast is aan een omgeving met weinig water (vb. naaldbomen) Beweging in een grasblad gaat via waaiercellen -> veel water = open, weinig water = dicht Huidmondjes water aangevoerd uit xyleem CO2 uit lucht zeefvaten van floeem voeren suikers af O2 restproduct weg via huidmondjes Typen huidmondjes: haltervormig (gras) en boonvormig Haltervormige huidmondjes berust op volumeverandering in sluitcellen ->fibrillen komen dicht bij / verder van elkaar te liggen Boonvorminge huidmondjes sluitcellen bevatten chloroplasten planten die aangepast zijn aan droogte (erofyten) hebben vaak verzonken huidmondjes Haren Functie: bescherming tegen vraat, verhitting, uitdroging verwerving van voeding verspreiden van geur extreem: olijfbladeren; soort parapluutjes onder het blad (= haren) om huidmondjes te beschermen

13 Bladval voor het vallen aanmaak van een kurklaar en een scheurlaag -> boom maakt een eigen pleister Metamorfose verandering van vorm en functie van een orgaan Blad functieveranderingen: bladdoorns -> bescherming bladranken -> hechting Ui: bol metamorfose van stengel tot knopenstapel en bladeren tot bolrokken C3 = gewone anatomie plant C4 = kranz-vorm (anatomie kransvorming) -> minder H2O verlies, synthese in bundelschede Bijwortel = worten ergens anders dan op wortel Wortel -> bestaat uit hoofdwortel, zijwortels en wortelharen Wortelmuts bevat delende cellen Schors endodermis + schorsparenchym centrale cilinder = stele = cambium + endodermis + pericykel + vaatbundels Topografische tekening: geen cellen, alleen weefselgrenzen Detailtekening: precies tekenen wat je ziet (wel cellen) Endodermis bandjes van caspari -> geen lekkages mogelijk -> wordt steviger (meerdere lagen) bij ouderdom Transformatie boom: Epidermis -> exodermis -> schorsparenchym Delende cellen in pericykel is een begin van een nieuwe wortel Secundaire diktegroei cambium deling = delende lijnen (straal en lengte) Wortel: binnen xyleem, buiten floeem -> vooral parenchym (centrale cilinder klein, alles er omheen is parenchym)

14 Fotosynthese energie huishouding van de plant = fotosynthese + cellulaire respiratie => intercellulaire holtes zijn voor diffusie voor gaswisseling CO2 + 2H2A -> (CH2O)n + H2O + A2 = algemene formule fotosynthese, wat wordt: CO2 + 2H2O -> (CH2O)n + H2) + O2 -> wat betekent dat de zuurstof van H2O komt en niet van de CO2 Vastleggen van CO2 = reductie (energie nodig) ATP wordt gesynthetiseerd in mitochondriën en chloroplast Lichtreactie ATP en NADPH gemaakt => gebruikt om CO2 in suiker vast te leggen Donkerreactie licht onafhankelijk, maar gebeurt ook overdag Chloroplast bestaat uit telakoïden stapel telakoïden = granuale ruimte in chloroplast zonder granula = stroma in chloroplast membranen zit chlorofyl (wat licht op vangt) chloroplast is een polaire kop + apolaire staart Plant gebruikt licht ook voor informatie: daglente, seizoenen, richting groei, aantrekken bestuivers, verspreiden (= anders aspect dan E) Caratenoïden = absortiestof voor licht (in wortel en blad) lipofiel, in geheel in het membraan (tussen chlorofyl in) Actiespectrum fotosynthese vooral blauw en rood, weerkaatst groen Resonantie energie overdracht chlorofyl neemt energie op, geeft energie door en zo komt de energie in het reactie centrum Membraansysteem II (energie in chlorofyl) elektron in een hogere baan; chlorofyl molecuul krijgt een elektronen gat (e tekort) gat wordt opgevuld vanuit water => H+ + e- + O2 elektron behoudt zo zijn hoge toestand wanneer het wordt opgepakt door een elektronenacceptor (elektronenacceptor = NADP+) -> wanneer een acceptor te vol is of niet aanwezig of te weinig aanwezig valt het elektron terug en wordt er licht afgegeven -> zo konden we met fotosyntheseproef bepalen waar de maximumwaarde lag voor de fotosynthese meer fluorescentie = meer stress (want minder opgenomen en omgezet in energie) => fotosystemen wanneer er elektronen wordt doorgegeven wordt er ook H+ verplaatst door H+ pomp systeem

15 Membraansysteem I Complex van elektronen doorgeven -> nog een keer stappen van elektronen in hogere baan -> elektronen aan NADP -> citroenzuurcyclus (wordt NADPH) Thylakoïd = korrel groen in chloroplast in membraansystemen I en II meer H+ binnen de cel (door pomp en H2O splitsing) ATP synthase complex pompt H+ waar naar buiten, wat energie levert (gradient mee) => ADP wordt ATP Cyclische elektronentransport blijven circuleren in systeem I zonder NADPH te maken, maar wel ATP (want er komt H+ vrij) licht -> elektron komt hoger -> ATP gevormd -> elektron weer in hogere baan -> NADPH gevormd In cyclische elektronentransport dus niet elektron voor 2 e keer in hogere baan en blijft bij eerste, vormt steeds meer ATP Mitochondriën hoog gradient buiten (veel H+) laag gradient binnen (weinig H+) protonen gaan 1 voor 1 naar binnen via het ATP synthase complex (wat draait) 3 H+ genoeg energie om ADP naar ATP om te zetten H17 Fotosynthese Eerste product uit CO2 fixatie: 3 fosfo glycerine zuur (2C atomen) = voorloper van 3 PGA -> 3 fosfoglyceraat acceptor: met 5 C-atomen = ribulose (1,5) bis-fosfaat, geeft 2 moleculen (fosfo-glyceraat/-ine) Rubisco enzym dat binding van CO2 met RuBP(= ribulosebisfosfaat) katalyseert het is een enzym dus kost het geen energie ( zoals ATP en NADPH) Zuur -> suiker (triose) (PGA -> PGAL + aldehyde) hierbij wel ATP en NADPH nodig 6 NADPH en 9 ATP uiteindelijk nodig voor de calvin cycle Fotosynthese en respiratie glucose -> pyrodruivenzuur -> in mitochondriën de verbranding -> ATP komt vrij

16 Triose (fosfaat) triose in chloroplast in het cytoplasma soort respiratie reacties tot hexose (fosfaat) sacharose = glucose + fructose : wordt getransporteerd naar de vacuole, naar het floeem ook fosfaat gaat naar buiten de cel (want zit aan de suiker), maar systemen voor PO4 naar binnen wanneer PO4 niet terug wordt getransporteerd, wordt het zetmeel opgeslagen in de bladeren: voor de nacht: triose -> zetmeel -> hexose (PO4) snachts: ademhaling en groei Rubisco problemen als er weinig CO2 en veel O2 aanwezig is, reageert rubisco ook met O2 = fotorespiratie RUBP zet het niet om in pyrodruivenzuur, maar in glycolaat en ribulosebisfosfaat omgezet in PGA Dit kan ook voorkomen bij een hogere temperatuur en grote droogte Hierdoor verliest de plant z n 20 tot 50 procent gefieerd CO2 mais heeft geen last van fotorespiratie, dit komt door de bouw: bundelschedecellen hebben ook chloroplasten. Hierdoor is HCO3 (= CO2) opgelost in H2O en zo reageert rubisco niet met O2 => C3 zuren worden hergebruikt voor PEP (E nodig; ATP) appelzuur (C4) naar bundelschedecel -> zuur (C3) + zuur (C3) -> komt CO2 vrij -> rubisco -> suiker geheel is zo afgeschermd van de buitenwereld = geen contact met O2 = geen fotorespiratie C4 komt voor in warme, droge plaatsen met veel licht als er geen O2 aanwezig is, is er sprake van gisting: pryovaat (laatste stof van glycolyse) omgezet in alcohol (E nodig, NADH -> NAD+) PEP -> oxaloacetaat -> C4-atoom (malaat, appelzuur) Efficienter dan C3 bij veel O2 Heet C4 omdat een C4 (appelzuur) het eerste product is bij fotosynthese C3 zijn de normale planten bijna zelfde als CAM, maar processen gescheiden van plaatsen (locatie) en beide overdag CAM fotosynthese (cactussen en dergelijke) overdag huidmondjes gesloten, snachts open snachts: CO2 -> PEP carboxylase -> appelzuur overdag: vacuole vol met appelzuur -> splitsen in pyruvaat en CO2 (pyruvaat kan worden omgezet in zetmeel)-> citroenzuurcyclus snachts C4 route overdag C3 route

17 H6 Respiratie In mitochondriën (2 membranen) 1. Glycolyse (glucose -> pyruvaat) 2. Citroenzuurcyclus (levert elektronen en ATP) 3. Elektronenoverdracht (in membraan, levet ATP) 3. => elektron van hoge energiebaan naar lage + verplaatsen protnen binnen naar buiten + ATP synthease complex in membraan Secundair floeem ontstaat uit straal- en vezelvormige initialen, floeem en xyleem zijn altijd dicht bij elkaar in verband met watertransport Oude boom grotere omtrek in plaats van epidermis een kurklaag vezelvormige initialen (floeem) 1. Zeefvaten 2. Begeleidende cellen 3. Floeemparenchymcellen 4. Floeemvezels 5. Baststraalparenchym Zeefvaten begeleidende cellen 2 cellen dicht bij elkaar, worden 1 grote en 1 kleine cellen, grote zonder kern (ontstaan uit zelfde cel) 1. enkelvoudig (1 grote plaat) 2. Samengesteld (meerdere zeefvelden) zeefvelden bestaan uit plasmodesmata die wijder zijn geworden en in een veld zijn komen te liggen Floeemelementen kijk naar grootte en stippelcontact Afsterven van celsoorten functie secundair floeem van dicotylen verandert Levend: transport en opslag deel levend: opslag alles dood: bescherming Dilatatie = actief proces waardoor een plant niet scheurt, actief in: vaatweefselvormend cambium secundair floeem (bast) epidermis primair floeem

18 Kurk primair (=exodermis) ->onstaat doordat primaire parenchymcellen verkurken secundair -> eerst delend, dan verkurkt = zonder cambium (uit kurkcambium ontstaan) polygeen kurk (meerdere cellen delen na elkaar en verkurken) monogeen kurk (cellen delen op 1 plaats) Periderm = felloderm (kurk naar binnen toe) + felleem (kurk naar buiten toe) + fellofeen (kurkcambium) Kurkcambium ontstaat in buitenste laagje kurk, net onder de epidermis OF deels in de epidermis Verkurking 1. Intercellulaire holtes verdwijnen 2. Verhouting 3. Laagje kurkstof afgezet (=suberine-lamel) 4. Korstvorming Korst 1. Ringkorst 2. Schubbenkorst (vb. den) glad als al het weefsel dilateert en er geen korstvorming optreedt (kurkcambium blijft aan de buitenkant) korst = achterblijven van de dilatatie (=scheuren) pukkeltes op bast = lenticellen (voor gaswisseling, kunnen later streepjes worden (berk) door omtrek toename ) -> hebben veel felleemcellen chorifelloïde = onverkurkt vulweefsel H 30 Movement of Water & Solutes in Plants Water beneden, gaat naar boven door xyleem: Eerst verdamping, dan water opnemen; verdamping is de drijvende kracht achter water opnemen (transport) waterpotentiaal in lucht is zeer negatief, water uit de bladeren (hoog potentiaal) naar de lucht (laag potentiaal) = verdamping (verlies van water) emboulie = luchtbel/gasbel Aantonen van zuiging: een tak snoeien -> komt geen vocht aan uiteinde omdat de tak zuigt voor water cohesion tension: waterstroming begint bij takken, daarna bast = eer aantonen dat bladeren zuigen boom/bast wordt dikker snachts, dunner overdag; want er wordt gezogen aan de boom

19 Wortels veel oppervlaktecontact en nemen dus veel water op -> duwen het water omhoog Niet alleen door verdamping (zuiging): apoplastisch: ruimte buiten het plasmamembraan -> transport via celmembraan (in de wand) symplastisch: ruimte binnen het plasmamembraan -> transport via plasmodesmata bandjes van caspari in celwand zijn vettig en dus waterafstotend -> liggen in endodemis (om centrale cilinder; vaatbundels + bundelschede) -> water moet door het membraan = afscheiding wortels en buitenwereld = argument voor worteldruk voor de opname van fosfaat is energie nodig (dus opname ionen) = argumenmt voor het concentratieverschil van de wortels en buiten = verschil in osmotische waarde Watertransport: transpiratie (verdamping) 90%, worteldruk 10% wanneer er geen verdamping is worden er waterdruppels gevormd door worteldruk = quttation (=qutatie) Maple syrup sap uit het xyleem; reserves uit het najaar omzetten tot suikers, door osmose wordt dit meegenomen door het water en de worteldruk omhoog (druk + zuigkracht) Boom belangrijk voor het herverdelen van water in de grond diep grondwater wordt opgenomen en niet alles blijft in de boom; water gaat ook deels terug in de (ondiepe) grond Floeemtransport assimilatiestroom suikers uit bladeren naar wortels en jonge delen soure = bladeren (source van suikers) sink = waar suikes heen gaan een jonge plant heeft meer sinks beneden (wortels), een ouder plant heeft vooral sinks boven (vruchten ) transport van suikers gaat door de bast (floeem) Mechanisme floeemtransport blad (source) -> companion cell -> floeem -> zeefvaten in floeem water wordt opgenomen in het floeem door xyleem -> druk neemt toe (suikers + H2O) -> water gaat stromen en neemt het suiker mee -> suiker wordt weer uit het water gepompt en dus neem de osmotische waarde af -> water stroomt weer uit het floeem naar het xyleem

20 H29 Plant Nutrients Macronutrienten -> heeft de plant veel nodig Micronutrienten -> heeft de plant niet veel tot weinig nodig maar micronutrienten zijn nog wel essentieel Tabel 29-2 beetje weten; grote lijnen (=nutrienten) kijken naar effect op oude/jonge delen vb. Fe heeft effect op de jonge delen van de plant Symptomen nutrient gebrek mobiel element: symptomen in de oude bladeren (want jonge delen halen nutrienten uit de oude) immobiel element: symptomen in de jonge bladeren (want via het xyleem gaat het naar de oude delen en kan het niet verder verdeeld worden) Cyclus stikstof (N) atmosfeer heeft veel stikstof (80% is N2) 1. Ammonificatie -> afbraak van organisch materiaal (omgezet tot ammonium) 2. Assimilatie -> ammonium/nitraat omgezet naar organisch materiaal 3. Denitrificatie -> nitraat omgezet in N2 4. Nitrificatie -> N2 omgezet in ammonium (via symbiose van plant en micro-organismen) Stikstofbinding (plant-bacterie-symbiose) wortelhaar + bacteriën plant geeft een signaal af en de bacterie beantwordt (=nod-factor) wortelhaar krult, er ontstaat een kanaal in de wortelhaar (= ingang voor de bacterie) in de ocrtex van de wortel begint een celdeling (=zwelling) waar de bacteriën zich bevinden in membraan -> knolletje met weefsel en bacteriën (=wortelknolletje) wortelknolletje is een nieuw orgaan waar stikstof wordt gefixeerd de fixatie kost veel energie dus neemt de bacterie energie van de plant, maar levert ammonium in het wortelknolletje zit leg-hemoglobine (wat lijkt op gemoglobine) dit zorgt dat de O2 concentratie op een goed niveau is voor de bacterie en de plant, de bacterie is gevoeliger voor de concentratie dan de plant nitrogenase (omzetting N2 tot ammonium( werkt bij hoge concentraties O2 leg-hemoglobine is deels gecodeerd door de plant en deels door de badcterie Plant en ammoniumopnemen ammonium + glutamaat + glutaminesynthase (kost E; ATP naar ADP) -> glutamine glutamine + glutaminesynthasa (redox) -> 2 glutamine (=2 aminiozuren) dus het ammonium wordt omgezet in aminozuren (= bruikbaar)

21 Fosfaat cyclus makkelijker dan stikstofcyclus, want fosfaat komt niet voor in de lucht fosfaat alleen verkrijgbaar uit de grond, ze en organismen probleem: gebrek aan fosfaat, kunt dus niet makkelijk uti de lucht halen zoals N2 oplossing: samenwerken met schimmels - meer worteloppervlak - meer transporters in membraan - milieu beïnvloeden (ph) en zo nutrienten vrij laten komen - complexe verbindingen met fosfor afbreken tot kleinere, makkelijk opneembare fosforbindingen Endo/ecto mycorrhitea = symbiose met schimmel endo = binnen (in wortel) ecto = buiten (niet in wortel) Plant in zout te veel geeft problemen met osmotische waarden halofyten = planten die tegen zout kunnen: - luchtwortels - zout opslaan in blaasjes op de haren op een blad en als de blaasjes vol zijn ze afwerpen - zout niet opnemen - zout ergens anders opslaan - osmotisch actieve stoffen maken H27, 28 Regulatie van groei en ontwikkeling totiepotentie: tot alles mogelijk; zo ook groei van organen wanneer deze er af gehaald zijn (wortels) Hormonen hormonen spelen een rol bij de flexibiliteit van de plant in zeer lage concentratie actief op veel plaatsen aangemaakt, niet alleen op specifieke plaatsen 2 hormonen in balas geeft een nieuw effect hebben een prikkel nodig -> vertaling in intern signaal = signaaltransductie structuur: kleine metabolieten, polaire groep (goed oplosbaar) ethyleen is een uitzondering: gas Auxine topje van de plant geeft auxine af (groei naar het licht toe) aan niet belichte kant zit de hoogste concentratie auxine IAA = natuurlijk auxine IB;NAA;2,4-D = synthetische auxines auxine stimuleert de celdeling/differentiatie

22 Orgaanregeneratie wortelaanleg is een polair proces (aan 1 kant: onderkant) scheuten ook een polair proces (aan 1 kant: bovenkant) => de fysiologische boven- en onderkant dit komt doordat auxine polaire transport ondervindt, door diffusie of auxine carriers kan alleen door PINeiwitten de cel verlaten die alleen aan de onderzijde van een cel liggen ophoping auxine onderkant van een stik zorgt voor wortelvorming Apicale dominantie auxine okselknoppen kunnen uitlopen -> apicaal meristeem groei (komt door auxine) = tegenwerking van het uitlopen van de okselknoppen auxinegradient belangrijk voor vaatweefselaanleg (vorming langs het gradient: positief naar negatief) auxine stimuleert de vruchtgroei -> pitten geven auxine af zodat het water kan krijgen; vaatweefsel 2,4-D: als herbidicide gebruikt (ontbladering) -> planten groeien zichzelf kapot, ontbladering duurt 7 tot 12 maanden in vietnam werd dit in de oorlog gebruikt (opgelost in kerosine), dit zorgde voor misvormde kinderen Induceert celstrekking hoge ATPase activiteit onder invloed van auxine -> verzuring van de celwand -> hogere activiteit van expansies (laag ph optimum) -> lossere celwand -> celstrekking Induceert genen voor aanmaak van materiaal voor een nieuwe celwand vergroot plasticiteit organismen misbruiken auxine (vooral het losser maken van de celwand) zodat ze makkelijker binnen kunnen dringen in een plant Cytokinines stimuleren de celdeling -> inductie celwoekeing: callus adenine groep als basis auxine/xytokinine ratio reguleert de organogenese hoog auxine laag cytokinine = wortelgroei laax auxine hoog cytokinine = top/blad groei beide hoog = callus = celwoekering cytokinines zijn ook polair cytokinines in wortel geproduceerd en naar boven getransporteerd (naar blad/tak) -> antagonist auxine (en auxine van boven naar beneden getransporteerd) remt de veroudering (remt eitwitverlies en vergeling) overmaat: overmatig scheutuitloop (bobbels) Apicale dominantie: stimuleert het uitlopen van knoppen (tegenovegrestelde van auxine)

23 Stamkankers veroorzaakt door bacteriën (argobacterium) introduceert genen in de plant voor biosynthese van auxine en cytokinines grote knollen (gezwellen) op de stam maar: argobacterium is aangepast om gewenste genen in planten te brengen ook rooty tumors mogeijk (overmaat auxine) ook heksenbezems mogelijk (overmaat cytokinines) Insectenlarven produceen cytokinines in blad van plant genesteld, dat stukje verouderd dus niet en kunnen ze in blijven leven Ethyleen gasvormig hormoon triple response: korter, dikker, kromming (remming groei) celstrekking stimuleren, vb bij rijst (stimuleert groei) zorgt dat een plant onder stressvolle omstandigheden overleeft: droogte = krimpen; hoog water = groei induceert vruchtrijping (ethyleenproductie in vrucht) overmaat ethyleen: epinastie -> hangende bladeren en bladval Auxine ethyleen interactie bij bladval -zomer: veel auxine in een blad, lage ethyleen gevoeligheid in de bladsteel = geen bladval -herfst: weinig auxine, productie van ethyleen in de bladsteel = bladval (oplossen celwanden in abscissielaag) auxine heeft optimum: te hoog leidt tot ehyleen productie -> ook zo bij vruchtval Reactie tot genexpressie hangt af van het stadium (leeftijd) ABA: abscisinezuur groeiremmer (antagonist auxine en GA) zorgt voor inductie van rust in zaden als er te weinig kiemrust is: viviparie = te vroege kieming reguleert huidmondjes (aanwezigheid ABA = sluiting huidmondjes) -> dus ABA wordt aangemaakt bij watertekort plant verlept snel bij te weinig ABA (of receptorfouten) GA: gibberellines veel gibberellines, ±130 : alleen GA1 en GA4 zijn actief bevordert de strekking goede dosisrespons (hoe meer GA hoe meer strekking) belangrijk voor zaadkieming: GA afname in kou voor de kieming na de winter mobilisatie reservevoedsel (endosperm): zaad neemt water op en maakt GA, GA in aleuron laag stimuleert amylase (=afbreken van zetmeel voor voedsel voor de groei) => GA kan embryo vervangen stimuleert bloei en vruchtontwikkeling Hormonen reguleren expressie van genen (inductie/remming genen tot productie eiwitten)

24 Hormoon -> receptor -> secundair signaal in cel (secundaire messenger) -> verandering in de cel (vb. eiwitten activeren) -> transcriptiefactoren activeren -> nieuwe doeleiwitten Rechtstreeks effect hormonen: ABA aan receptor -> activeert calcium-kanaal (open) -> calcium stroomt in de cel -> eiwitkinase geativeerd -> anion kanaal gaat open -> negatieve ionen sluitcel uit getransporteerd -> kaliumkanalen gaan open -> osmotisch potentiaal neemt toe (minde negatief) in de cel -> verlies van water -> sluiten van de huidmondjes ander voorbeeld: GA op amylase H19, 20 Secundaire diktegroei en ontwikkeling van het hout Monocotylen geen secundaire diktegroei wel speciale vorm van primaire diktegroei -> zijdelingse uitgroei van het gebied vlak onder het stengelvegetatiepunt vb. prei -> palm eerst dik, dan omhoog groeien Secundaire diktegroei weefsels verantwoordelijk: -cambium (vaatweefselvormend) => in vaatbundels, tussen floeem en xyleem (fasciculair = in vaatbundels, interfasciculair = tussen) secundair weefsel is door cambium gevormd -soms kurkcambium -epidermis vervangen door periderm (door groei, epidermis past niet meer) Vaatweefselvormend (vasculair) cambium 2 cambiumcellen: 1. Lange cellen => deelvermogen: vezelvormige initialen 2. Korte cellen => deelvermogen: straal initialen productie cambium: naar buitentoe floeem, naar binnen toe xyleem Ontstaan secundair weefsel straalnitiaal: naar binnen = xyleemstraal naar buiten = floeemstraal vezelvormig initiaal kan ook 2 kanten op groeien Celsoorten secundair xyleem uit vezelvormige initialen: -houtvaten (= tracheëen: dood, niet aanwezig bij naaktzadigen) -tracheïden (dood) -houtparenchynmcellen (levens in spinthout, dood in kernhout) -houtvezels (=libriformvezels: dood of levend, niet bij naaktzadigen) Uit straal initialen: houtstraalparenchymcellen (levend in spinthout, dood in kern) houtstraaltracheïden (alleen bij naaktzadigen) tracheïden: houtvat zonder perforatie

25 Celcontact gewone stippels: tussen twee levende cellen (parenchym, libriform, sklerenchym, bast) hofstippels: tussen twee tracheale elementen (2 dode) halve hofstippels: tussen levende en tracheale elementen (stippel aan levende, hofstippel aan dode) Stippels plaatselijk dun gebleven wand met plasmodesmata Hofstippels voor transport buiten levende delen -> houtvaten en tracheïden = groot rondje (sluitvlies) + klein rondje (stippelkanaal) -> hofvorming Halve hofstippels levend dood contact ene deel stippel, andere deel hofstippel Secundaire diktegroei naaktzadigen (vb den) groei in golven naaldhout: -vezeltracheïden -lengteparenchym -straalparenchym -straaltracheïden bedektzadigen (hout, bast, kurk) hout: ringsgewijs, jaarringen uit voorjaarshout en zomerhout (complexer dan naaktzadigen) -tracheïden -tracheëen -libriformvezels -lengteparenchym -straalparenchym Bedektzadigen hebben wel houtvaten, naaktzadigen niet loofhout -> opbouw regelmatig of onregelmatig houtvaten: groot en lomp = kringporig hout (vb. eik) klein en verspreid, regelmatig en gelijk = diffuusporig hout libriform: dikke wanden, geen cel cel contact, stevig, geen tussenwanden thyllen: blaasjes in houtvaten die oud zijn (zodat er geen luchtbel kan vormen in het oude houtvat) parenchym tegen een houtvat die blaast in het houtvat en zet zoo een blaasje af

26 H28 Beweging van planten tropie: afhankelijk van richting van een prikkel (vb. fototropie; groeien naar het licht) nastie: richting beweging is niet afhankelijk van de richting van de prikkel (vb. temperatuur afh.) Fototropie Gravitropie (afhankelijk van zwaartekracht) -> wortels positief geotroop, scheut negatief geotroop -> detectie zwaartekracht door stalotieten (zetmeelkorrels); in de cel en zakken door de zwaartekracht naar de celwand waardor zo de zwaartekracht wordt bepaald -> hogere concentratie IAA aan de onderkant (zowel in scheut als in de wortel) Trigmotropie (afhankelijk van aanraking -> klimplanten) chemotropie (afhankelijk van vluchtige stoffen) Nyctinastie (slaapbeweging, zet in door donker) Tigmonastie (reactie op aanraking; vb. afnemen gezondheid plant na veel aanraken = tigmomorfogenese) -veroorzaakt door turgor verandering in pulvini (in bladeren) Heliotropisme (het volgen van de zon door de planten; bladeren) -loodrecht ten opzichte van de zon bij maximale instraling -evenwijdig aan zonnestralen bij droge omgeving of minder straling -mechanisme = verandering van de turgor in pulvini Regulatie groei en ontwikkeling lichtperceptie fotomorfogenese -> fytochroom fotsynthese -> chlorofyl hoeveelheid zaadkieming, etiolering ; vb. akker bewerken in donker = minder onkruid vooral kleine zaden zijn gevoelig voor licht (want moet aan het oppervlak liggen omdat ze weinig endosperm hebben en geen lange afstand kunne nafleggen) Fotosynthese: door chlorofyl kieming: vooral door rood licht actiespectrum kieming is heel anders dan het actiespectrum van fotosynthese fotosynthese: piek blauw en rood kieming: piek rood dus kieming is niet gestimuleerd door chlorofyl Fytochroom: nieuw plant pigment is een eiwit in het cytoplasma, gekoppeld aan een chromofoor (kan licht opvangen), wat gemaakt wordt in plastiden -> dus eiwitconformatie (na lange tijd) terug vallen naar bepaald licht inactieve vorm ( = dark reversion) heeft als eigenschap de omkeerbaarheid van de reactie dus 2 actiespectra: rood licht = kieming stimuleren; verrood = kieming remmen onthoudt laatste kleur licht actieve vorm kan in het donker

27 Plantjes in donker (= etiolering) bladeren vouwen niet uit (wordt soort haak) sterke lengtegroei geen chlorofyl synthese => dit alles om het licht zo snel mogelijk te bereiken met zo min mogelijk energieverspilling Deëtiolering = alsnog normaal groeien en ontwikkeling van de plant die eerst aan het etioleren was Etiolering en fytochroom etiolering is afhankelijk van fytochroom (in verrood licht = etiolering) fytochroommutanten: etiolering in het licht (langer en lichter van kleur) maa planten bezitten verschillende vormen fytoschrom -> compenseren elkaar vaak als er 1 uitgeschakeld is (dus een dubbel mutant ziet er anders uit, enkelmutant niet) Belang fytochroom 60% van wit licht is rood chlorofyl absorbeert rood dus onder het blad is er veel meer verrood licht dan rood hierdoor vangen kiemplantjes onder balderen van grotere planten verrood licht en krijgen veel strekking (want wil naar het licht toe groeien) -> alleen zonplanten reageren zo sterk op de verhouding van rood/verrood licht reactie op verrood licht is super snel -> in de landbouw worden planten veredeld op minder gevoeligheid van rood/verrood ratio waardoor ze dichter op elkaar bebouwd kunnen worden Pfr = actief (geen groei) Pr = inactief (sterke groei) Overlevingsmechanisme bij watertekort/lage temperatuur kiemrust winterknoprust Zaad embryo (mini plant) endosperm (ondersteuning) zaadhuid (bescherming) veel zaden hebben kiemrust -> onvermogen te kiemen tot gunstige omstandigheden breking kiemrust: periode kou, licht, verdwijnen van remmers, beschadering van de zaadhuid (=scarification) Na verspreiding van de zaden op/in de grond is er een reservori van zaden ontstaan = zaadbank zaden gaan in en uit rust (GA en ABA) boom -> zaad valt -> zaadbank ABA hoog = kiemrust eind van de winter (dus na langep eriode kou) gaan ze uit rust -> condities goed = kieming, condities slecht = rust (alweer)

28 Kiemrust ongunstig zaadjes uit de winkel (die wil je direct laten ontkiemen) -> door veredeling kiemrust gereduceerd, maar als planten te weinig kiemrust krijgen is er viviparie ABA = hormoon voor rust zaadje moet ABA kwijtraken om te kunnen kiemen (of minder gevoelig worden voor ABA, kunt zelfs ABA uitspoelen met regen) GA = stimulans voor kieming Winterknoprust afhankelijk van het seizoen in knoppen zit embryonale scheut (knop beschermt de scheut) knoprust toename in de zomer, afname in de winter -> dus kiemen in het voorjaar aanleg rustknoppen geregeld door de daglente (korte dag = aanleg rustknop) breken rust door kou, afhankelijk de plant hoe lang deze periode moet zijn en breedtegraad milieu

29 Tabel 29 2 essential elements Micronutrients Molybdeen mobiel? eerst bij oude, dan bij jonge (vergeling tussen nerven) Nikkel??(stipjes in toppen van de bladeren) Koper immobiel jonge bladeren (donker groen, gekruld, vervormd, stipjes) Zink mobiel oude bladeren (kleinere bladeren) Mangaan? jonge bladeren en oude bladeren (hangt van soort af; stipjes) Boor immobiel jonge bladeren (licht groene bladeren, later krullen) Ijzer immobiel jonge bladeren (nerven vergeling) Chloor??(stipjes, bruine bladeren) Macronutrients Zwavel immobiel jonge bladeren (light groene nerven) Fosfoor mobiel oude bladeren (bladeren vergaan) Magnesium mobiel oude bladeen (bladpuntjes krullen, stipjes (beetje rood)) Calcium immobiel jonge bladeren (scheuten en topjes vergaan) Kalium mobiel oude bladeren (stipjes) Stikstof mobiel oude bladeren (vergeling)

30 Basipetaal: (wortel of scheut) top naar basis apipetaal: basis naar top (wortel of scheut)

31 Basipetaal transport refereert naar transport in de wortel van worteluiteinde naar grondoppervlak Cytokinines worden vooral gemaakt in de wortels Hoogste pieken zaadontwikkeling: cytokinine, gibberelline, auxine, abscisinezuur Watersplitsing treedt op in fotosysteem 2 Symbiose bacterien en plant: voorziet bacterie de stikstofvoorraad Huidmondjes belangrijkste factor: waterverlies Veel vruchten in ontwikkeling verkrijgen hun water eerder via het floeem dan xyleem: klopt Hypocotyl is stengeldeel onder de cotylen Mesocotyl bij mais is een deel van de stengel Epidermis is geen deel van het periderm Gebied met celdelingen in een groeiende wortel: bevat apicale meristeem en aangrenzende cellen Kurkcambium: felloderm naar binnen, felleem naar buiten Open vaatbundels kunnen een cambium vormen Een enkelvoudig blad heeft geen algehele bladsteel Naaktzadigen hebben relatief weinig lengteparenchym Radiale doorsnede toont de hoogte en de lengte van een straal

Boombiologie. Basiskennis 1. Boomanatomie (1) Boomanatomie (3) Boomanatomie (2) Het samenstel van deze organen vormen samen een organisme: de boom

Boombiologie. Basiskennis 1. Boomanatomie (1) Boomanatomie (3) Boomanatomie (2) Het samenstel van deze organen vormen samen een organisme: de boom Boomanatomie (1) Boombiologie Alle levende organismen hebben dezelfde opbouw: Basis is cellen, weefsels en organen Cellen zijn bouwstenen van structuur Gespecialiseerde structuren heten meristeemweefsel

Nadere informatie

Samenvatting Thema 5 Planten Brugklas Nectar

Samenvatting Thema 5 Planten Brugklas Nectar Samenvatting Thema 5 Planten Brugklas Nectar 5.1 4 organen van de plant: Wortels o Opnemen water met voedingsstoffen (mineralen) o Stevigheid o Opslag van reservestoffen Stengel o o Transport van water

Nadere informatie

Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Scholen Gemeenschap Lelydorp [HHS-SGL) Docent: A. Sewsahai

Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Scholen Gemeenschap Lelydorp [HHS-SGL) Docent: A. Sewsahai Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Scholen Gemeenschap Lelydorp [HHS-SGL) Docent: A. Sewsahai Thema: Planten Boek: 5H Doelstellingen: De student moet weten hoe geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

Nadere informatie

Ongeslachtelijke voortplanting: een deel van een organisme groeit uit tot een nieuw organisme

Ongeslachtelijke voortplanting: een deel van een organisme groeit uit tot een nieuw organisme Samenvatting Thema 2: Planten Basisstof 1 Ongeslachtelijke voortplanting: een deel van een organisme groeit uit tot een nieuw organisme - Gebeurt door mitose (gewone celdeling) - Alle nakomelingen hebben

Nadere informatie

Samenvatting Planten VMBO 4a Biologie voor Jou

Samenvatting Planten VMBO 4a Biologie voor Jou Samenvatting Planten VMBO 4a Biologie voor Jou 2.1 Ongeslachtelijke voortplanting = voortplanting waarbij geen bevruchting plaats vindt; hierbij groeit een stukje van de volwassen plant uit tot een nieuwe

Nadere informatie

Vocht gerelateerde problemen met Ca

Vocht gerelateerde problemen met Ca Vocht gerelateerde problemen met Ca Wim Voogt, Wageningen UR glastuinbouw Inhoud Wat is het probleem Fysiologische achtergrond van Ca Functie Ca Opname Relatie Ca en klimaat Oplossingsrichtingen Workshop

Nadere informatie

Examen Voorbereiding Cellen

Examen Voorbereiding Cellen Examen Voorbereiding Cellen Teylingen College Leeuwenhorst 2015/2016 Thema 2 Cellen Begrippenlijst: Begrip Organellen Plastiden Stamcellen Embryonale stamcellen Adulte stamcellen Endoplasmatisch reticulum

Nadere informatie

Pauze. Osmose. Fysiologie. Celdeling en groei. Plantencel. Differentiatie. En toen was er koffie!

Pauze. Osmose. Fysiologie. Celdeling en groei. Plantencel. Differentiatie. En toen was er koffie! Osmose Pauze En toen was er koffie! 79 82 Fysiologie Celdeling, Celgroei en differentiatie Turgor Iets over vaten Diktegroei bij Tweezaadlobbigen Transport van voedingsstoffen Groeistoffen en Fototropie

Nadere informatie

Voorbereidende opgaven Examencursus

Voorbereidende opgaven Examencursus Voorbereidende opgaven Examencursus Tips: Maak de volgende opgaven voorin in één van de A4-schriften die je gaat gebruiken tijdens de cursus. Als een som niet lukt, werk hem dan uit tot waar je kunt en

Nadere informatie

TABELLARISCH OVERZICHT VAN DE EIGENSCHAPPEN VAN PLANTENWEEFSELS

TABELLARISCH OVERZICHT VAN DE EIGENSCHAPPEN VAN PLANTENWEEFSELS 87 TABELLARISCH OVERZICHT VAN DE EIGENSCHAPPEN VAN PLANTENWEEFSELS Walter Deconinck Ereleraar biologie Rijksnormaalschool Kortrijk en Brugge 8500 Kortrijk INLEIDING Zoals alle organismen zijn de zaadplanten

Nadere informatie

Samenvattingen. Samenvatting Thema 1: Stofwisseling. Basisstof 1. Organische stoffen:

Samenvattingen. Samenvatting Thema 1: Stofwisseling. Basisstof 1. Organische stoffen: Samenvatting Thema 1: Stofwisseling Basisstof 1 Organische stoffen: - Komen af van organismen of zitten in producten van organismen - Bevatten veel energie (verbranding) - Voorbeelden: koolhydraten, vetten,

Nadere informatie

1 Stoffen worden omgezet. Stofwisseling is het vormen van nieuwe stoffen en het vrijmaken van energie. Kortom alle processen in organismen.

1 Stoffen worden omgezet. Stofwisseling is het vormen van nieuwe stoffen en het vrijmaken van energie. Kortom alle processen in organismen. THEMA 1 1 Stoffen worden omgezet 2 Fotosynthese 3 Glucose als grondstof 4 Verbranding 5 Fotosynthese en verbranding 1 Stoffen worden omgezet. Stofwisseling is het vormen van nieuwe stoffen en het vrijmaken

Nadere informatie

Jurgen Vansteenkiste : Atlas Atheneum Gistel. Dwarse doorsnede van een boomstam

Jurgen Vansteenkiste : Atlas Atheneum Gistel. Dwarse doorsnede van een boomstam Jurgen Vansteenkiste : Atlas Atheneum Gistel Dwarse doorsnede van een boomstam Spinthout (licht) en kernhout (donker) Spinthout is het niet-verkernde hout van een boom: het bevindt zich tussen het kernhout

Nadere informatie

Informatie reader. Over bomen

Informatie reader. Over bomen Informatie reader Over bomen Bron: een selectie uit folders van de bomenstichting Hoe groeit een boom? blz. 1 t/m 4 Bomen en mensen blz. 5 t/m 7 Bomen en feesten blz. 8 t/m 10 Bomen en medicijnen blz.

Nadere informatie

Samenvatting De kleurverandering van bladeren is een van de opvallendste kenmerken van de herfst voordat ze afsterven en afvallen. Tijdens de herfst worden de bouwstoffen die aanwezig zijn in het blad

Nadere informatie

Voorbereidende opgaven Kerstvakantiecursus

Voorbereidende opgaven Kerstvakantiecursus Voorbereidende opgaven Kerstvakantiecursus Leuk dat je een cursus biologie komt volgen! Maak deze opgaven als voorbereiding. Zoals je weet moet je veel stof bestuderen voor het eindexamen biologie. Tijdens

Nadere informatie

Naam: Student nummer:

Naam: Student nummer: Vraag 1. a. Vergelijk de elektronen transportketen van de ademhaling met de elektronentransport keten van de licht reactie (eventueel met tekening). Geef aan waar ze plaats vinden, wie de elektronen donors

Nadere informatie

Bos & milieu. Bomen 2013/12

Bos & milieu. Bomen 2013/12 2013/12 Bos & milieu Bomen In een boom speelt zich een aantal levensprocessen af die zorgen voor de groei. Dit verschijnsel heet fysiologie en komt bij alle levende organismen voor. De belangrijkste levensprocessen

Nadere informatie

T2. Planten. 2009 Biosoft TCC - Lyceumstraat

T2. Planten. 2009 Biosoft TCC - Lyceumstraat T2. Planten T2. Planten (les 1. Tuinkers) De natuurwetenschappelijke methode Opdracht 2 blz. 33 1. Wat willen we onderzoeken? Waarom kwaakt de kikker? 2. Wat veronderstellen we? Je bedenkt een antwoord

Nadere informatie

1 Gewassen en hun afwijkingen Kennismaking met de plant Afwijkingen in de teelt Afsluiting 24

1 Gewassen en hun afwijkingen Kennismaking met de plant Afwijkingen in de teelt Afsluiting 24 Inhoud Voorwoord 5 Inleiding 6 1 Gewassen en hun afwijkingen 9 1.1 Kennismaking met de plant 10 1.2 Afwijkingen in de teelt 17 1.3 Afsluiting 24 2 Afwijkingen voorkomen en bestrijdingsmethoden 25 2.1 Niet-parasitaire

Nadere informatie

Studiehandleiding Biochemie I

Studiehandleiding Biochemie I Studiehandleiding Biochemie I 2006-2007 1 Proeftentamen Biochemie I 1. Vul de juiste term uit de lijst op de open plaatsen in onderstaande tekst in. Elke term mag maar éénmaal worden gebruikt maar niet

Nadere informatie

Cellen en stevigheid van voedsel.

Cellen en stevigheid van voedsel. Cellen en stevigheid van voedsel. Opmerkingen bij de stevigheid van voedingmiddelen met een structuur van plantencellen. f.pluimers@aocfriesland.nl 8 juni 2011 vruchtdeeltje weefsel van plantencellen vruchtdeeltje

Nadere informatie

Architectuur, geometrie en transportstromen binnen een boom. M.P.M. Derkx

Architectuur, geometrie en transportstromen binnen een boom. M.P.M. Derkx Architectuur, geometrie en transportstromen binnen een boom M.P.M. Derkx Praktijkonderzoek Plant & Omgeving Bollen, Boomkwekerij en Fruit PPO nr. 323611890 april 2010 2010 Wageningen, Stichting Dienst

Nadere informatie

Aantekeningen Hoofdstuk 2: Planten, dieren, mensen KGT

Aantekeningen Hoofdstuk 2: Planten, dieren, mensen KGT Aantekeningen Hoofdstuk 2: Planten, dieren, mensen KGT 2.1 Namen 1 Hoe zoek je de naam van een organisme op? De naam van een plant of een dier kan: * uit een andere taal komen * een eigenschap weergeven

Nadere informatie

HOOFDSTUK 1: CELLEN VAN ONS LICHAAM

HOOFDSTUK 1: CELLEN VAN ONS LICHAAM HOOFDSTUK 1: CELLEN VAN ONS LICHAAM Cellen, weefsels en organen (grondig lezen) Cellen: Organen: Weefsel: kleinste functionele eenheden van ons lichaam zeer uiteenlopende morfologie (=vorm/bouw) die samenhangt

Nadere informatie

Planten: vorm en functie 1. Ginkgo biloba

Planten: vorm en functie 1. Ginkgo biloba Planten: vorm en functie 1 Ginkgo biloba Planten: vorm en functie Begeleiders: Jurgen Memelink jurgen.memelink@hu.n 06-51680890 / 06-11123607 Henk Kers (practicuminstructeur) henk.kers@hu.nl 06-23497184

Nadere informatie

Celstofwisseling II (COO 5) Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 9 en 10 van Biology, Campbell, 8 e druk Versie

Celstofwisseling II (COO 5) Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 9 en 10 van Biology, Campbell, 8 e druk Versie Celstofwisseling II (COO 5) Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 9 en 10 van Biology, Campbell, 8 e druk Versie 2010-2011 Elektronen-transportketen 1. Van enkele processen in

Nadere informatie

De cel, didactische schrijfopdracht 4 VMBO T Een reis door de subcellulaire structuur van de cel

De cel, didactische schrijfopdracht 4 VMBO T Een reis door de subcellulaire structuur van de cel De cel, didactische schrijfopdracht 4 VMBO T Een reis door de subcellulaire structuur van de cel Auteurs: Sjoerd Schouten & Kelly Simons Studentnr: 0889861, 0879682 Datum: 8 Februari 2015 instituut: Hogeschool

Nadere informatie

1 Water Water in de plant Soorten water en waterkwaliteit Verbeteren van de waterkwaliteit Afsluiting 27

1 Water Water in de plant Soorten water en waterkwaliteit Verbeteren van de waterkwaliteit Afsluiting 27 Inhoud Voorwoord 5 Inleiding 6 1 Water 9 1.1 Water in de plant 9 1.2 Soorten water en waterkwaliteit 12 1.3 Verbeteren van de waterkwaliteit 18 1.4 Afsluiting 27 2 Watervoorziening 29 2.1 Watergeefsystemen

Nadere informatie

Microbiology & Biochemistry (MIB-10306, microbiologie deel)

Microbiology & Biochemistry (MIB-10306, microbiologie deel) Microbiology & Biochemistry (MIB-10306, microbiologie deel) 1. Morfologie (vorm, grootte, onderdelen) a. Teken schematisch de doorsnede van een bacterie en benoem 10 structuren. vacuole met reservestoffen,

Nadere informatie

Examen Voorbereiding Stofwisseling

Examen Voorbereiding Stofwisseling Examen Voorbereiding Stofwisseling Teylingen College Leeuwenhorst 2015/2016 Thema 1 Stofwisseling Begrippenlijst: Begrip Organische stoffen Anorganische stoffen Enzymen Assimilatie Chemische energie Koolstofassimilatie

Nadere informatie

1 Voedingselementen Voedingselementen Zuurgraad Elektrische geleidbaarheid (EC) Afsluiting 14

1 Voedingselementen Voedingselementen Zuurgraad Elektrische geleidbaarheid (EC) Afsluiting 14 Inhoud Voorwoord 5 Inleiding 6 1 Voedingselementen 9 1.1 Voedingselementen 9 1.2 Zuurgraad 12 1.3 Elektrische geleidbaarheid (EC) 13 1.4 Afsluiting 14 2 Kunstmeststoffen 15 2.1 Indeling kunstmeststoffen

Nadere informatie

Bijeenkomst PN DA. Hans Smeets. Adviseur DLV plant BV

Bijeenkomst PN DA. Hans Smeets. Adviseur DLV plant BV Bijeenkomst PN DA Jongenelen oktober 2013 Hans Smeets. Adviseur DLV plant BV Waarom een grondanalyse? Inzicht krijgen in de beschikbare voeding voor de plant; Hoofdelementen; Sporenelementen; ph van de

Nadere informatie

Les wetenschappen: biologie

Les wetenschappen: biologie Les wetenschappen: biologie 1. De ontdekking van cellen: Vermogen= 0,2mm Lichtmicroscoop= x 1000 Elektronenmicroscoop= x 1000 2. Cellen in relatie met andere organisatieniveaus: Organisme Algemeen Konijn

Nadere informatie

ANTWOORDEN ENERGIE EN FOTOSYNTHESE

ANTWOORDEN ENERGIE EN FOTOSYNTHESE OPDRACHTEN SERIE A Teken een schets ANTWOORDEN ENERGIE EN FOTOSYNTHESE 1a. Een vet bestaat uit een molecuul glycerol waaraan door middel van esterverbindingen vetzuren zijn gekoppeld. De vetzuren kunnen

Nadere informatie

De romp bestaat uit een borstholte en een buikholte, gescheiden door het middenrif.

De romp bestaat uit een borstholte en een buikholte, gescheiden door het middenrif. Samenvatting Thema 1: Organen en cellen Basisstof 1 Levenskenmerken (levensverschijnselen): - stofwisseling (ademhaling, voeding, uitscheiding) - groei - voortplanting - reageren op prikkels - ontwikkeling

Nadere informatie

Aantekeningen Hoofdstuk 1: Vier rijken Vergelijken KGT

Aantekeningen Hoofdstuk 1: Vier rijken Vergelijken KGT Aantekeningen Hoofdstuk 1: Vier rijken Vergelijken KGT 1.1 De tuin 1 Wat leeft er in een tuin? Organismen: dit zijn levende wezens zoals, planten, dieren, mensen, bacteriën en schimmels. Levenskenmerken:

Nadere informatie

BIOLOGIE Energie & Stofwisseling HAVO Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Lelydorp [HHS-SGL]

BIOLOGIE Energie & Stofwisseling HAVO Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Lelydorp [HHS-SGL] BIOLOGIE Energie & Stofwisseling HAVO Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Lelydorp [HHS-SGL] Docent: A. Sewsahai De student moet de bouw en werking van enzymen kunnen beschrijven moet het proces van

Nadere informatie

Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media

Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media Hoofdstuk 11 Biomoleculen bladzijde 1 Opgave 1 Geef de reactie van de verbranding van glucose (C 6H 12O 6) tot CO 2 en water. C 6H 12O 6 + 6 O 2 6 CO 2 + 6 H 2O Opgave 2 Hoe luidt de reactie (bruto formules)

Nadere informatie

Onderdelen van de cel

Onderdelen van de cel Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Kevin Koorda 31 January 2016 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/71664 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet.

Nadere informatie

Celademhaling & gisting

Celademhaling & gisting Celademhaling & gisting Tekst voor de leerlingen V. Rasquin - 1 - DISSIMILATIE - TEKST VOOR DE LEERLINGEN celademhaling & GISTING Wij weten dat heel wat processen endergonisch zijn (ze vergen energie).

Nadere informatie

Plantenvoeding Waarom is dat nodig? En waar dienen de elementen voor?

Plantenvoeding Waarom is dat nodig? En waar dienen de elementen voor? Plantenvoeding Waarom is dat nodig? En waar dienen de elementen voor? uinbouwkundig Ingenieur Hans van der Staak Bronnen: VG Weser Ems, Bad Zwischenahn (D) PPO Boskoop (NL) Scotts International (NL) Basis

Nadere informatie

4. deleted. 1. ATP kan een reactie aandrijven omdat

4. deleted. 1. ATP kan een reactie aandrijven omdat 1. ATP kan een reactie aandrijven omdat a. bij de hydrolyse van ATP warmte vrijkomt b. de hydrolyse van ATP de entropie doet toenemen c. ATP sterk bindt aan het substraat van enzymen d. ATP thermodynamisch

Nadere informatie

Organisch (rest)materiaal als Bodemverbeteraar

Organisch (rest)materiaal als Bodemverbeteraar 17-1- Organisch (rest)materiaal als Bodemverbeteraar BODEM De Bodem Van Groot naar Klein tot zeer klein 2 1 17-1- Bodemprofiel Opbouw van de bodem Onaangeroerd = C Kleinste delen = 0 en A Poriënvolume

Nadere informatie

Plantenhormonen Effect op plantengroei

Plantenhormonen Effect op plantengroei Inleiding Planten worden door hormonen beïnvloed in hun groei. In dit experiment wordt gekeken naar het effect van verschillende plantenhormonen door extra hoeveelheden van deze hormonen toe te dienen.

Nadere informatie

Eindexamen biologie pilot havo I

Eindexamen biologie pilot havo I Bromelia s Van haar oma werd gezegd, dat ze groene vingers had. Ook haar moeder is dagelijks in de weer om planten te verzorgen. De nieuwste rage bij haar thuis zijn Bromelia s (zie afbeelding 1 en 2).

Nadere informatie

Naar: D.O. Hall & K.K. Rao, Photosynthesis, Studies in Biology, Cambridge, 1994, blz. 106.

Naar: D.O. Hall & K.K. Rao, Photosynthesis, Studies in Biology, Cambridge, 1994, blz. 106. Examentrainer Vragen Fotosynthese Vanuit tussenproducten van de fotosynthese worden niet alleen koolhydraten gevormd, maar ook vetten, vetzuren, aminozuren en andere organische zuren. Dag- en seizoensgebonden

Nadere informatie

Anatomie / fysiologie

Anatomie / fysiologie Anatomie / fysiologie O1 week 2 Homeostase Diffusie osmose filtratie FHV2011 / Anatomie & fysiologie periode 1 week 2 1 Bij de mens zit er in verhouding meer water intracellulair dan extracellulair. 10

Nadere informatie

13 Energietransport in cellen

13 Energietransport in cellen Heterotrofe organismen (bv de meeste bacteriën, schimmels en dieren) kunnen geen organische stoffen vormen uit alleen anorganische stoffen; zij zijn niet in staat tot koolstofassimilatie. Zij moeten organische

Nadere informatie

Achtergronden bij het Metabolaspel

Achtergronden bij het Metabolaspel Achtergronden bij het Metabolaspel Colofon Naar idee: dr. M. Lopes Cardozo, Universiteit Utrecht prof. dr. M.C.E. van Dam Mieras, Universiteit Leiden Projectleiding: J. Berkhout, Open Universiteit Nederland

Nadere informatie

Virtual Classroom Biologie: Objectief: - ter ondersteuning van (plantkunde) praktika en werkstukken

Virtual Classroom Biologie:  Objectief: - ter ondersteuning van (plantkunde) praktika en werkstukken 3D houtanatomie bij de den (Pinus sp.) Dwarse, radiale en tangentiale doorsneden Virtual Classroom Biologie: Objectief: - ter ondersteuning van (plantkunde) praktika en werkstukken Serie van 17 dia s Nederlandse

Nadere informatie

Nutriënten: stikstof, fosfor. Assimilatie: opbouw van levend materiaal

Nutriënten: stikstof, fosfor. Assimilatie: opbouw van levend materiaal Nutriënten: sleutelrol bij de groei van organismen en het functioneren van ecosystemen Jos Verhoeven Assimilatie: opbouw van levend materiaal In de eerste plaats: Fotosynthese! 6 CO 2 + 6 H 2 O C 6 H 12

Nadere informatie

De cel, didactische schrijfopdracht 4 VMBO T Een reis door de subcellulaire structuur van de cel

De cel, didactische schrijfopdracht 4 VMBO T Een reis door de subcellulaire structuur van de cel De cel, didactische schrijfopdracht 4 VMBO T Een reis door de subcellulaire structuur van de cel Auteurs: Sjoerd Schouten & Kelly Simons Studentnr: 0889861, 0879682 Datum: 8 Februari 2015 instituut: Hogeschool

Nadere informatie

1 Kenmerken van de plant De uiterlijke kenmerken van een plant Het inwendige van de plant Afsluiting 21

1 Kenmerken van de plant De uiterlijke kenmerken van een plant Het inwendige van de plant Afsluiting 21 Inhoud Voorwoord 5 Een aardig produkt 7 Inleiding 8 1 Kenmerken van de plant 11 1.1 De uiterlijke kenmerken van een plant 11 1.2 Het inwendige van de plant 17 1.3 Afsluiting 21 2 Onderdelen van een plant

Nadere informatie

Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 van Unit 1 van Biology, Campbell,10 e druk Versie

Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 van Unit 1 van Biology, Campbell,10 e druk Versie Chemie van het leven Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 van Unit 1 van Biology, Campbell,10 e druk Versie 2014-2015 Chemische achtergrond van leven 1. Atoomnummer

Nadere informatie

In de ecologie bestudeert men de relatie tussen de organismen en het milieu waar ze voorkomen.

In de ecologie bestudeert men de relatie tussen de organismen en het milieu waar ze voorkomen. Samenvatting Thema 3: Ecologie Basisstof 1 In de ecologie bestudeert men de relatie tussen de organismen en het milieu waar ze voorkomen. Waarom leeft het ene dier hier en het andere dier daar? Alle organismen

Nadere informatie

Anabolisme: anabole processen: opbouwstofwisseling Energie wordt toegevoegd: assimilatie

Anabolisme: anabole processen: opbouwstofwisseling Energie wordt toegevoegd: assimilatie Fysiologie les 2 BIO-ENERGETICA Celstofwisseling = cel metabolisme Basis metabolisme: stofwisseling in rust Anabolisme: anabole processen: opbouwstofwisseling Energie wordt toegevoegd: assimilatie Katabolisme:

Nadere informatie

Gewassen verbouwen in een zilte wereld

Gewassen verbouwen in een zilte wereld Examentrainer Vragen Gewassen verbouwen in een zilte wereld De wereld verzilt. Niet alleen door stijging van de zeewaterspiegel, maar ook door ontbossing en irrigatie. Verzilting van de bodem beperkt de

Nadere informatie

a. 38 b. 38 c. 0 d. 36/38

a. 38 b. 38 c. 0 d. 36/38 Microbiologiedeel: Hieronder staan vier vragen die de stijl en diepgang hebben van de vragen van het microbiologiedeel zoals ze op het tentamen gevraagd kunnen worden. 1.a. Hoeveel ATP kan de gram negatieve

Nadere informatie

2. mitochondriën leveren de benodigde energie. Eiwit-flagellen zogen voor de beweging van staart

2. mitochondriën leveren de benodigde energie. Eiwit-flagellen zogen voor de beweging van staart Vwo-5 ANTWOORDEN DE CEL OPDRACHTEN Een alvleeskliercel 1 De juiste volgorde is: 8 5 7 3 6 4 2 1 2 Voorbeeld van een juist ingetekende lijn: De lijn begint in de celkern, aangegeven met een m, loopt via

Nadere informatie

Studentnummer: Schrijf je naam en studentnummer op elk vel. Omcirkel het juiste antwoord.

Studentnummer: Schrijf je naam en studentnummer op elk vel. Omcirkel het juiste antwoord. Naam: Studentnummer: FLP1 Tentamen 31 05 2013, 14:00 17:00h Dit tentamen bestaat uit 25 opgaven op 6 bladzijden. Schrijf je naam en studentnummer op elk vel. Omcirkel het juiste antwoord. Je mag boek,

Nadere informatie

BIOLOGIE Energie & Stofwisseling VWO

BIOLOGIE Energie & Stofwisseling VWO BIOLOGIE Energie & Stofwisseling VWO Henry N. Hassankhan Scholengemeenschap Lelydorp [HHS-SGL] ARTHUR A. HOOGENDOORN ATHENEUM - VRIJE ATHENEUM - AAHA Docent: A. Sewsahai De student moet de bouw en werking

Nadere informatie

Overzicht van reactievergelijkingen Scheikunde

Overzicht van reactievergelijkingen Scheikunde verzicht van reactievergelijkingen Scheikunde Algemeen Verbranding Een verbranding is een reactie met zuurstof. ierbij ontstaan de oxiden van de elementen. Volledige verbranding Bij volledige verbranding

Nadere informatie

Biologie ( havo vwo )

Biologie ( havo vwo ) Tussendoelen Biologie ( havo vwo ) Biologie havo/vwo = Basis Biologische eenheid Levenskenmerk Uitleggen hoe bouw en werking van onderdelen van een organisme bijdragen aan de functies voeding, verdediging

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Samenvatting Gisten zijn ééncellige organismen. Er zijn veel verschillende soorten gisten, waarvan Saccharomyces cerevisiae, oftewel bakkersgist, de bekendste is. Gisten worden al sinds de

Nadere informatie

Intermezzo, De expressie van een eiwit.

Intermezzo, De expressie van een eiwit. Samenvatting Bacteriën leven in een omgeving die voortdurend en snel verandert. Om adequaat te kunnen reageren op deze veranderingen beschikken bacteriën over tal van sensor systemen die de omgeving in

Nadere informatie

Deeltoets II Plantenfysiologie (B2PLANTFYS) 2013-2014 Periode 1 06-11-2012

Deeltoets II Plantenfysiologie (B2PLANTFYS) 2013-2014 Periode 1 06-11-2012 Deeltoets II Plantenfysiologie (B2PLANTFYS) 2013-2014 Periode 1 06-11-2012 Het tentamen bestaat uit 10 vragen. Per vraag kunnen 10 punten verdiend worden. De duur van het tentamen is 3 uur (van 13.15 uur

Nadere informatie

De basisprincipes van de fotosynthese Hoe gaat een plant om met CO 2?

De basisprincipes van de fotosynthese Hoe gaat een plant om met CO 2? De basisprincipes van de fotosynthese Hoe gaat een plant om met CO 2? Govert Trouwborst (Plant Lighting BV) Masterclass CO 2 bij potplanten 12 mei 2016 Team: dr. ir. Sander Hogewoning, dr. ir. Govert Trouwborst

Nadere informatie

Examentrainer. Vragen. Broeikasgassen meten in wijn. 1 Uitgeverij Malmberg. Lees de volgende tekst.

Examentrainer. Vragen. Broeikasgassen meten in wijn. 1 Uitgeverij Malmberg. Lees de volgende tekst. Examentrainer Vragen Broeikasgassen meten in wijn Lees de volgende tekst. Sterk toegenomen verbranding van organische stoffen leidt tot een verhoging van de concentratie CO 2 in de atmosfeer. Er is op

Nadere informatie

Quiz 2015. Experimentenwedstrijd Antwoorden. Playful Science 9

Quiz 2015. Experimentenwedstrijd Antwoorden. Playful Science 9 Experimentenwedstrijd Antwoorden. Playful Science 9 1. De energie voor de samentrekking van skeletspieren wordt geleverd door ATP. Spieren hebben slechts een kleine hoeveelheid ATP in voorraad. Eenmaal

Nadere informatie

Samenvatting / Summary in Dutch SAMENVATTING

Samenvatting / Summary in Dutch SAMENVATTING SAMENVATTING Ammoniak is een van de voornaamste luchtverontreinigende stoffen in Nederland. Het is voor bijna 90% afkomstig uit de landbouw. De ammoniak komt vooral vrij bij de produktie van mest in de

Nadere informatie

Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 9 van Biology, Campbell, 8 e druk Versie 2010-2011

Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 9 van Biology, Campbell, 8 e druk Versie 2010-2011 Celstofwisseling I Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 9 van Biology, Campbell, 8 e druk Versie 2010-2011 Inleiding 1-12 Deze module gaat over de omzetting van voedsel in energie

Nadere informatie

Scheikundige begrippen

Scheikundige begrippen Scheikundige begrippen Door: Ruby Vreedenburgh, Jesse Bosman, Colana van Klink en Fleur Jansen Scheikunde begrippen 1 Chemische reactie Ruby Vreedenburgh Overal om ons heen vinden er chemische reacties

Nadere informatie

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts Biologie: Eukaryote cel 7/2/2015. dr. Brenda Casteleyn

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts Biologie: Eukaryote cel 7/2/2015. dr. Brenda Casteleyn Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts Biologie: Eukaryote cel 7/2/2015 dr. Brenda Casteleyn Met dank aan: Leen Goyens (http://users.telenet.be/toelating) en studenten van forum http://www.toelatingsexamen-geneeskunde.be

Nadere informatie

Module: Suiker - h45. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/63265

Module: Suiker - h45. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/63265 Auteur VO-content Laatst gewijzigd 25 juli 2016 Licentie CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie Webadres https://maken.wikiwijs.nl/63265 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van

Nadere informatie

ALLES WAT JE WILT WETEN OVER BOMEN

ALLES WAT JE WILT WETEN OVER BOMEN 3 8 6 10 ALLES WAT JE WILT WETEN OVER BOMEN Een boom is...... een vaste plant met een houten stam en een kruin, alleen noemen de onderdelen anders dan bij een plant. Delen van de boom Laat de kinderen

Nadere informatie

Herfstwerkboekje van

Herfstwerkboekje van Herfstwerkboekje van Herfst werkboekje groep 5 1 De bladeren aan de bomen worden bruin en rood en vallen naar beneden, het is weer herfst! September wordt herfstmaand genoemd, dit omdat op 22 september

Nadere informatie

Diagnostische toets Van HIV tot AIDS?

Diagnostische toets Van HIV tot AIDS? Diagnostische toets Van HIV tot AIDS? Moleculen 1. Basenparing In het DNA vindt basenparing plaats. Welke verbinding brengt een basenpaar tot stand? A. Peptidebinding B. Covalente binding C. Zwavelbrug

Nadere informatie

1. Covalent. 2. Ionogene fosfaat bindingen. 3. Niet- covalent. 4. Van der Waals interacties tussen de basen.

1. Covalent. 2. Ionogene fosfaat bindingen. 3. Niet- covalent. 4. Van der Waals interacties tussen de basen. Vraag 1. Welk antwoord is niet juist? 1. Bacteriële genoom is circulair. 2. DNA replicatie begint bij de geboorte van een bacterie. 3. DNA replicatie is bi- directioneel. 4. Het bacteriële genoom heeft

Nadere informatie

De fermentatie van tabak 5/03/ 15

De fermentatie van tabak 5/03/ 15 De fermentatie van tabak Dockx Luka 4Tbio 5/03/ 15 1 Inhoudstabel 1. Wat voorafgaat aan de fermentatie 1.1. Inleiding 1.2. Het kweken van tabak 1.3. Het drogen van tabak 2. Het fermentatieproces 2.1. Voorbereiding

Nadere informatie

Membranen, membraantransport en cytoskelet Versie 2015

Membranen, membraantransport en cytoskelet Versie 2015 Membranen, membraantransport en cytoskelet Versie 2015 Vragen bij COO over hoofdstuk 11, 12 en 17 van Alberts Essential Cell Biology, 4e druk Membranen 1. Je wordt gevraagd een kunstmatige membraan te

Nadere informatie

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Scheikunde Hoofdstuk 2 Samenvatting Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Fossiele brandstof Koolwaterstof Onvolledige verbranding Broeikaseffect Brandstof ontstaan door het afsterven van levende organismen,

Nadere informatie

Laat je gras glimlachen

Laat je gras glimlachen Laat je gras glimlachen UREAN 30 % Samenstelling Voordelen Urean 30% N is een mengsel van: o 43% ammoniumnitraat : (NH4NO3) o 32% ureum : (NH2)2CO o 25% water : (H2O) Stikstofverdeling: o 50% afkomstig

Nadere informatie

Bouw en functie van de plant, De plant en zijn onderdelen

Bouw en functie van de plant, De plant en zijn onderdelen Bouw en functie van de plant, De plant en zijn onderdelen Inleiding Aan planten kunnen we drie hoofdorganen onderscheiden. Dit zijn de wortel, stengel het blad. De andere organen zoals de bloem zijn bijzondere

Nadere informatie

Cellen in het lichaam.

Cellen in het lichaam. Hfdst. 1 Hfdst. 2 Hfdst. 3 Hfdst. 4 Hfdst. 5 Hfdst. 6 Hfdst. 7 Cellen in het lichaam. Besturing Energievoorziening Beweging en vorm Celbehoud Transport Celdeling Stevigheid van de cel Bron: bewerkt naar

Nadere informatie

De kiemplantjes worden misschien niet langer, doordat er al voldoende reservevoedsel in de zaadlobben aanwezig is.

De kiemplantjes worden misschien niet langer, doordat er al voldoende reservevoedsel in de zaadlobben aanwezig is. 5 Als je kamerplanten water geeft, moet je af en toe kamerplantenmest aan het water toevoegen (bijv. Pokon of Substral). De planten groeien daardoor beter. Een leerling denkt dat tuinkerszaadjes sneller

Nadere informatie

(FRUIT-)BOMEN SCHRIJVEN GESCHIEDENIS

(FRUIT-)BOMEN SCHRIJVEN GESCHIEDENIS (FRUIT-)BOMEN SCHRIJVEN GESCHIEDENIS MENSEN, DIEREN EN PLANTEN GROEIEN EEN BEPAALDE PERIODE VAN HUN LEVEN TOT ZE HUN UITEINDELIJKE GROOTTE HEBBEN BEREIKT. BIJ MENSEN EN DIEREN IS MEESTAL WEL TE ZIEN OF

Nadere informatie

1. Een orgaan waarbij stoffen vanuit het interne milieu naar het externe milieu gebracht worden

1. Een orgaan waarbij stoffen vanuit het interne milieu naar het externe milieu gebracht worden Paragraaf 5.1 1. Een orgaan waarbij stoffen vanuit het interne milieu naar het externe milieu gebracht worden 2. a) Huid, longen, nieren en lever b) Water c) Huid: zouten, Longen: CO 2, Nieren: Ureum,

Nadere informatie

Thema: Inleiding in de biologie & Cellen

Thema: Inleiding in de biologie & Cellen Thema: Inleiding in de biologie & Cellen HENRY N. HASSENKHAN SCHOLENGEMEENSCHAP LELYDORP [HHS-SGL] ARTHUR A. HOOGENDOORN ATHENEUM - VRIJE ATHENEUM - AAHA Docent: A. Sewsahai VWO DOELSTELLINGEN (1) 4V:

Nadere informatie

2. Organisch of anorganisch. a) eigenschap anorganische stof organische stof Eenvoudig

2. Organisch of anorganisch. a) eigenschap anorganische stof organische stof Eenvoudig Vragen bij paragraaf 8.1 en 8.2 producenten Organismen zorgen voor de productie van organische stoffen en zo aan de basis van een voedselketen staan biomassa De totale hoeveelheid organische stof van een

Nadere informatie

Cursus natuurgids PLANTEN LEREN KENNEN

Cursus natuurgids PLANTEN LEREN KENNEN Cursus natuurgids PLANTEN LEREN KENNEN Hoofdstukken 1. Uitwendige bouw. 2. Inwendige bouw en bouwstoffen. 3. Celstructuur en voedingswijze. 4. Verschijningsvormen en levenscyclus. 5. Wat kan je nog met

Nadere informatie

Signaaltransductie en celcyclus (COO 6)

Signaaltransductie en celcyclus (COO 6) Signaaltransductie en celcyclus (COO 6) oefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 9 en 12 van Unit 1 van Campbell, 10 e druk versie 2014-2015 Communicatie 1. Hier zie je drie manieren waarop een

Nadere informatie

Bollen en knollen Les 1: bollen en knollen... 2 Werkblad bol en knol... 4 Bol en knol stripverhaal... 5 Achtergrondinformatie... 6

Bollen en knollen Les 1: bollen en knollen... 2 Werkblad bol en knol... 4 Bol en knol stripverhaal... 5 Achtergrondinformatie... 6 INHOUD Bollen en knollen Les 1: bollen en knollen... 2 Werkblad bol en knol... 4 Bol en knol stripverhaal... 5 Achtergrondinformatie... 6-1 - Les 1: Bollen en knollen Nodig: Van Milieueducatie: - Aardappel(en)

Nadere informatie

Module Plantenvoeding

Module Plantenvoeding Module Plantenvoeding Colofon Auteur Jan van den Langenberg, Helicon, Boxtel Redactie Marga Winnubst, Kristal Tekst- en communicatiebureau Beeld ARKA media BV, Beeldverwerving en beeldcreatie Resonans

Nadere informatie

3 Factoren die het watergehalte van organismen 40 bepalen. 3.1 Bepalende factoren voor watergehalte 40 3.2 Belang van water voor levende wezens 41

3 Factoren die het watergehalte van organismen 40 bepalen. 3.1 Bepalende factoren voor watergehalte 40 3.2 Belang van water voor levende wezens 41 3 1 Functionele morfologie van de cel 1 De cel gezien door de lichtmicroscoop 06 2 De cel gezien door de elektronenmicroscoop 09 2.1 Bouw en functie van het eenheidsmembraan 10 2.2 Overzicht van de celorganellen

Nadere informatie

Goede bemesting geeft gezonde planten

Goede bemesting geeft gezonde planten Goede bemesting geeft gezonde planten Door: HortiNova Opbouw van presentatie: Doel van gezonde bodem & plant Hoe groeit een plant? Hoe kan een plant ziek worden? Waarom moeten we bladgroen en wortels promoten

Nadere informatie

Werkbladen. Kiezen voor Bomen. voor de leerlingen

Werkbladen. Kiezen voor Bomen. voor de leerlingen en Kiezen voor Bomen voor de leerlingen Kiezen voor bomen (1/2) Bomen zijn belangrijk. Ze geven ons zuurstof en voedsel waardoor we kunnen leven. Ze geven hout waardoor we kunnen bouwen en ze geven ons

Nadere informatie

Inspanningsfysiologie. Energiesystemen. Fosfaatpool. Hoofdstuk 5. 1. Fosfaatpool 2. Melkzuursysteem 3. Zuurstofsysteem

Inspanningsfysiologie. Energiesystemen. Fosfaatpool. Hoofdstuk 5. 1. Fosfaatpool 2. Melkzuursysteem 3. Zuurstofsysteem Inspanningsfysiologie Hoofdstuk 5 Energiesystemen 1. Fosfaatpool 2. Melkzuursysteem 3. Zuurstofsysteem Fosfaatpool Anaërobe alactische systeem Energierijke fosfaatverbindingen in de cel Voorraad ATP en

Nadere informatie

Vragen bij paragraaf 3.1

Vragen bij paragraaf 3.1 Vragen bij paragraaf 3.1 1. Organen en orgaanstelsels a) Beenderstelsel/botttenstelsel b) ademhalingsstelsel en bloedvatenstelsel c) Longen, nieren en huid (de blaas is FOUT) d) spier, klier en bloedvatweefsel

Nadere informatie

4. Toevoeging van een ontkoppelaar zal in mitochondrien de snelheid van NADH consumptie doen en de snelheid van ATP synthese doen

4. Toevoeging van een ontkoppelaar zal in mitochondrien de snelheid van NADH consumptie doen en de snelheid van ATP synthese doen 1. Ontkoppeling van mitochondriale oxidatieve fosforylatie a. laat nog steeds mitochondriale ATP vorming toe, maar zal het verbruik van O 2 doen stoppen b. zal alle mitochondriale metabolisme doen stilvallen

Nadere informatie