Scheikunde leerjaar 2

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Scheikunde leerjaar 2"

Transcriptie

1 Scheikunde leerjaar 2

2 De verbranding van suiker. De ontleding van koper(i)jodide. Het vormen van vast ijzer(ii)sulfide. Verbranding van methaan. Bij de reactie van natrium met zwavel ontstaat natriumsulfide. De ontleding van water. De verbranding van Magnesiumsulfide. De vorming van koper(ii)chloride. De ontleding van aluminiumsulfide. De vorming van Ijzer(III)oxide.

3 Stoffen die je moet kennen!!! Koolstofdioxide CO 2 Koolstofmonoxide CO Water H 2 O Ammoniak NH 3 Suiker C 6 H 12 O 6 Methaan CH 4

4 2.5 Massa s van atomen moleculen en ionen Kelly van Helden

5 2.5 grootheden en eenheden Grootheden Massa Volume Eenheid Gram Liter SI (internationaal stelsel van eenheden)

6 Massa van een atoom De massa van een proton is ontzettend klein Grootheid: atoommassa Eenheid: u (atomaire massa eenheid) deeltjessoort Massa (u) Proton 1,0 Neutron 1,0 Elektron 0,00055

7 Atoom Een atoom bestaat uit: Protonen Neutronen Elektronen Deze bepalen de massa van een atoom deeltjessoort Massa (u) Proton 1,0 Neutron 1,0 Elektron 0,00055

8 Vuistregel Bij optellen en aftrekken met decimalen kijk je naar het aantal decimalen van je som In de uitkomst staan net zo veel decimalen als in je beginwaarde met het kleinst aantal decimalen 1,0 + 1,0 + 0,00055 = 2,0

9 voorbeeld deeltjessoort Massa (u) Proton 1,0 Neutron 1,0 Elektron 0,00055 Atoom Aantal protonen Aantal neutronen Aantal elektronen Massa atoom H ,0u + 0,00055u = 1,0 u O ,0u + 8,0u + 0,0044u = 16,0 u C ,0u + 8,0u + 0,0033u= 14,0 u

10 De massa van een proton is gelijk aan de massa van een neutron 1,0u De massa van een elektron is hiermee vergeleken heel erg klein Hierdoor is de massa van een elektron verwaarloosbaar

11 Massa van een atoom De massa van een atoom is dus de som van je protonen en neutronen.

12 Relatieve atoommassa Gemiddelde massa van de isotopen Isotopen zijn atomen met hetzelfde aantal protonen maar met een verschillend aantal neutronen Grootheid relatieve atoommassa: A r

13 Massa van ionen Een ion ontstaat doordat een atoom elektronen kwijt raakt of opneemt Massa van elektronen mag je verwaarlozen Dus de massa van een ion is gelijk aan de massa van een atoom

14 Molecuulmassa Massa van alle atomen uit een molecuul samen M r Voorbeeld: H 2 O H= 1,008 O= 16,00 2* 1, ,00= 18,02

15 2.6 De hoeveelheid van een stof De massa van een hoeveelheid stof reken je om in volume met behulp van de dichtheid van de stof. Daarvoor gebruik je een verhoudingstabel en kruisproducten.

16 significantie Bij delen en vermenigvuldigen rond je af op het laagst aantal significante cijfers van de getallen in de som: 1,234 * 0,0045 * 123 Aantal significante cijfers: Dus afronden op 2 significante cijfers!

17 Hoeveelheid stof in mol Hoeveelheid stof (n) in mol Mol is een maat voor een bepaalde hoeveelheid moleculen namelijk: 6,02 * In 1 mol suiker zitten dus net zo veel moleculen als in 1 mol water Alleen het gewicht is verschillend!!!

18 Samenvatting De molaire massa (M) van een stof is in getalwaarde gelijk aan de molecuulmassa of atoommassa van de stof De molaire massa is in gram (g) De molecuulmassa of atoommassa is in u

19 Hoe bereken je dat? Water: H 2 O H weegt 1,008u O weegt 16,00u Dus 1 molecuul water weegt: 2*1, ,00 = 18,02 u Dus is 1 mol H 2 O = 18,02 g

20 Omrekenen van gram naar mol 1 mol water is 18,02 g Hoeveel mol is dan 25,9 gram water mol H 2 O 1,000 x gram H 2 O 18,02 25,9 1,000 * 25,9 = 1,44 mol 18,02

21 Omrekenen van mol naar gram Hoeveel gram water komt overeen met 2,6 mol water? mol H 2 O 1,000 2,6 gram H 2 O 18,02 y 18,02 * 2,6 = 47 gram 1,000

22 2.7 De samenstelling van een verbinding in massaprocenten Een percentage is een getal dat het aantal delen per 100 aangeeft We gaan nu berekenen hoeveel een deel van een stof in % is.

23 Berekenen H 2 O = 2*1, ,00 = 18,02 u De massa van de atoomsoort H in een H 2 O molecuul is dan: 2 * 1,008 = 2,016u De massa van de atoonsoort O in een H 2 O molecuul is dan: 1* 16,00 = 16,00u In 18,02 u zit dus 2,016 u H en 16,00 u O

24 In 18,02 u zit dus 2,016 u H en 16,00 u O We willen weten hoeveel u H in 100,0 u H 2 O zit Massa H 2 O (u) 18, Massa H (u) 2,016 x X= 2,016* 100 = 11,19u 18,02 Dus 11,19 % H in 100u H 2 O

25 Week 2 Scheikunde

26 1.4 chemische reacties Herken je aan het veranderen van stofeigenschappen Wet van massabehoud Stoffen reageren en ontstaan in een vaste massaverhouding

27 Verbranding van methaan CH O 2 CO H 2 O 1 : 2 1 : 2 16,04u: 64,00 u 44,01u : 36,03u

28 Exotherm en Endoterm Exotherme reacties Reacties waarbij energie vrijkomt Bijv warmte, licht of elektrische energie Alle verbrandingsreacties Endotherme reacties Reacties waarbij energie toegevoegd moet worden Meestal warmte soms licht of elektrische energie

29 Activeringsenergie Energie die gebruikt wordt om een reactie op gang te brengen Bijv. gasbrander aansteken Exotherm met activeringsenergie

30 Ontbrandingstemperatuur De reactietemperatuur voor de verbranding van een stof Voorbeelden Papier en witte fosfor

31 1.5 de snelheid van een reactie Reactietijd De tijd die een reactie nodig heeft om te reageren Reactiesnelheid De hoeveelheid stof die per seconde en per liter reactiemengsel ontstaat of verdwijnt.

32 Invloeden op de reactiesnelheid De verdelingsgraad Soort beginstof Concentratie Temperatuur Katalysator (bijv enzym)

33 Opdrachten Opdracht: 25, 26, 28, 29, 30, 31, 32, 33 Blz 21 en 22 Opdracht: 37, 38, 39, 41, 42 Blz. 25 Niet af: De rest huiswerk!

34 Week 3

35 Planning Huiswerk nakijken Theorie Huiswerk maken

36 Huiswerk nakijken veranderen van stofeigenschappen 2. Wet van massabehoud 3. stoffen reageren en ontstaan in een vaste massaverhouding 4. de temperatuur moet even hoog of hoger zijn dan de reactietemperatuur 5. er treedt een energie effect op

37 26. a. de moleculen veranderen niet. Je kan de reactie weer omkeren. b. Het kaarsvet verdwijnt (denk aan een theelichtje deze raakt op). Er komt energie vrij in de vorm van warmte en licht 28. a. 64,00/16,04 = 4 gram zuurstof b. 36,03/16,04 = 2,3 gram water c. massa beginstoffen = massa eindproducten 1,0 + 4,0 = 5 dus 5-2,3= 2,7 gram koolstofdioxide

38 29. a. Exotherm: er komt energie vrij b. Endotherm: er is energie nodig c. Warmte, licht en elektrische energie 30. a. er is warmte nodig dus endotherm b. Stollen c. stollen is exotherm want er komt warmte vrij d. de omgeving zal warmer worden omdat de warmte overgedragen wordt aan de omgeving

39 31. Activeringsenergie is de energie die nodig is om een reactie opgang te brengen 32. Aardgas moet je verwarmen en witte fosfor niet. Het kost dus meer energie om aardgas te verbranden. Dus aardgas. 33. a. er wordt licht uitgezonden dus een exotherme reactie b. de activeringsenergie is niet groot. De reactie loopt al bij kamer temperatuur.

40 37. De tijd die verstrijkt tussen het begin en het einde van een reactie noemen we reactietijd. Een maat voor de reactiesnelheid is de hoeveelheid stof die per seconde en per liter reactiemengsel ontstaat of verdwijnt 38. Naarmate de reactietijd korter is, verloopt de reactie sneller soort stof 2. temperatuur 3. concentraties beginstoffen 4. verdelingsgraad 5. katalysator

41 41. De concentratie van de beginstoffen wordt minder (raken op). De reactiesnelheid wordt daardoor kleiner. Als de reactie is afgelopen, zijn de beginstoffen op. Er vindt geen reactie meer plaats: de snelheid is nul. 42. De verdelingsgraad van poedersuiker is groter dan die van kandijsuiker. 50 gram poedersuiker zal daardoor sneller oplossen in 1,0 L water dan kandijsuiker.

42 3.5 Rekenen aan reacties Molverhouding: De coëfficiënten in een reactievergelijking geven de aantalverhouding weer waarin de deeltjes verdwijnen en ontstaan. Bijv: 4 CuO + CH 4 4 Cu + CO H 2 O Verhouding: 4:1:4:1:2

43 Regels Geef eerst de verhoudingen aan Bereken de massa in u Reken de massa om in gram 1u = 1,66* g Reken de hoeveelheid gram om in mol met behulp van de molaire massa Reken uit in welke molverhouding de stoffen reageren en ontstaan

44 voorbeeld 4 CuO + CH 4 4 Cu + CO H 2 O CuO CH 4 Cu CO 2 H 2 O Aantalverhouding Massa (u) 4*79,55 16,04 4*63,55 44,01 2* 18,02 Massa (g) 5,282* ,663* ,220* ,306* ,983*10-23 Aantal mol 6,640* ,660* ,640* ,660* ,320*10-24 molverhouding

45 Voorbeeld 1. aantalverhouding haal je uit de Reactievergelijking CuO Aantalverhouding 4 Massa (u) 4*79,55 Massa (g) 5,282*10-22 Aantal mol 6,640*10-24 molverhouding 4 4 CuO + CH 4 4 Cu + CO H 2 O

46 Voorbeeld 2 massa (u) CuO Cu= 63,55u O = 16.00u CuO = 63,55u + 16,00u CuO = 79,55 u 4 CuO = 4 * 79,55u 4 CuO = 318,2 u CuO Aantalverhouding 4 Massa (u) 4*79,55 Massa (g) 5,282*10-22 Aantal mol 6,640*10-24 molverhouding 4

47 Voorbeeld 3. massa in gram 1u = 1,66* g CuO Aantalverhouding 4 Dus alles maal 1,66* Voorbeeld: 4 CuO = 318,2u Massa (u) 4*79,55 Massa (g) 5,282*10-22 Aantal mol 6,640*10-24 molverhouding 4 318,2u * 1,66* = 5,282*10-22 gram

48 Voorbeeld 4. aantal mol 1 mol CuO = 79,55 g 1 mol 79,55 g??? 5,282*10-22 g CuO Aantalverhouding 4 Massa (u) 4*79,55 Massa (g) 5,282* *5,282*10-22 /79,55 = 6,640*10-24 Aantal mol 6,640*10-24 molverhouding 4

49 Voorbeeld 5. molverhouding Alles delen door het kleinste getal CuO Aantalverhouding 4 Massa (u) 4*79,55 In dit geval alles gedeeld door 1,660*10-24 Massa (g) 5,282*10-22 Aantal mol 6,640*10-24 molverhouding 4

50 Samenvatting De coëfficiënten uit een reactievergelijking geven niet alleen de aantalverhouding weer waarin de stoffen reageren en ontstaan, maar ook de molverhouding waarin de stoffen reageren en ontstaan

51 Wat heb je nodig: Als je rekent met de molverhouding 1. De reactievergelijking 2. Een gegeven stof in mol 3. Een gevraagde stof in mol 4. De molverhouding (zie reactievergelijking) 5. Een verhoudingstabel

52 Huiswerk Opdracht 43 t/m 52 Niet af is huiswerk!!

53 Week 4

54 Planning Huiswerk nakijken Theorie Huiswerk maken

55 Huiswerk nakijken Zie blaadjes uitgedeeld!

56 Hoofdstuk 5 zouten Inleiding Vraag 1 blz 133 Vraag f en o niet!

57 5.2 Namen en formules van zouten Ionen die uit 1 atoomsoort bestaan zijn enkelvoudige ionen Na + enz. Een geladen deeltje dat uit 2 of meer atomen bestaat is een samengesteld ion OH -, NO 2 -

58 Systematische naam De systematische naam van een zout is afgeleid van de namen van ionen waaruit het zout is opgebouwd Het positieve ion staat altijd vooraan Het negatieve ion eindigt altijd op -ide Bijvoorbeeld Natriumchloride

59 Triviale namen Naast de systematische naam hebben veel zouten ook een triviale naam: Natriumchloride keukenzout Natriumcarbonaat soda Calciumsulfaat gips

60 Formules van zouten Formules van zouten noemen we verhoudingsformules Dit komt doordat de positieve en negatieve ionen in een bepaalde verhouding voorkomen Dit komt door de lading van de ionen

61 Huiswerk Maak opdracht 2 t/m 8, 9 c, d, f, g, h, i, 10 t/m t/m18 b

62 5.3 Hoe ontstaat een zout Reactie tussen metaal en niet metaal Metaal ionen staan elektronen af aan de niet metalen Hierdoor krijg je een ionrooster

63 Smelt en kookpunten Smeltpunten en kookpunten van zouten zijn hoger dan die van moleculaire stoffen Dit komt door de aantrekkingskrachten tussen de positieve en negatieve ionen Deze is bij zouten hoger Deze binding die dan vormt noemen we ionbinding of elektrovalente binding

64 ionbindingen Ionbinding is sterker dan een vanderwaalsbinding of waterstofbrug in moleculaire stoffen

65 Huiswerk Opdracht 19 t/m 25a en 26 en niet maken Niet af: is huiswerk!

66 Week 6

67 Planning Huiswerk nakijken Theorie Huiswerk maken

68 Huiswerk nakijken 2. a. Een samengesteld ion is een geladen deeltje dat bestaat uit 2 of meer atoomsoorten b. Het ontstaat daardat een groepje atomen een of meer elektronen opneemt of afstaat 3. a. Carbonaation d. Ammonium ion b. Fosfaation e. Acetaat ion c. Hydroxide ion f. Nitriet ion

69 4. a. NO - 3 d. S 2- b. SO 2-4 e. SO 2-3 c. HCO - 3 f. O 2-5. a. 1. P=17 E= P=12 E= P= 16+(4*8)= 48 E= P= 13 E= P= 7+ (4*1)= 11 E= 10 b ,45 u 4. 26,98 u 2. 24,31 u 5. 18,04 u 3. 98,06 u

70 6. a. 1 mol= 32,064 g dus 5,33 mol is 32,064 *5,33/1 = 171 g b. 1 mol = 62,01 g dus 1,3 mg is 0,0013 g * 1/62,01 = 2,1 * 10-5 mol 7. a. de ionmassa is 18,04 u. hiervan is 14,01u N. Dus 14,01*100/18,04 = 77,66% b. de ionmassa is 94,97u. Hiervan is 30,97u P. Dus 30,97 * 100/94,97= 32,61% 8. De namen van ionen achter elkaar zetten. Het positieve ion vooraan. Achter het negatieve ion komt -ide

71 9. c. Zinknitraat d. koper(i)acetaat f. Kwik(II)jodide g. aluminiumsulfaat h. Kaliumwaterstofcarbonaat i. Lood(IV)sulfiet 10 a. 1,2 en 5 zijn moleculaire stoffen. Deze bestaan alleen uit niet metalen b. 1=joodtrichloride, 2= joodmonochloride, 5= diwaterstofdioxide c. 3,4 en 6 zijn zouten. Deze bestaan uit een metaal en een niet metaal

72 10. d. 3=ijzer(III)chloride, 4=zilverchloride, 6=natriumsulfide 11. In een zout komen positieve en negatieve ionen in een bepaalde aantalverhouding voor 12. a. Na + SO 2-4 Dus Na 2 SO 4 b. CuCO 3 g. NH 4 NO 2 c.al 2 S 3 h. AgI d. MgSiO 3 i. Fe 2 (SO 3 ) 3 e. LiOH j. Ca(OH) 2 f. NaHCO 3

73 13. a. 1,3 en 5 zijn zouten en de overige zijn moleculaire stoffen b. 1. HgCl 2 4. CS 2 2. NO 5. MgO 3. CaS 6. CO 14. NH 4 NO 3 = 80,04u. N = 28,02u Dus: 28,02*100/80,04 = 35,01% 15. Hoeft niet 16. a. CaCO 3 b. CaCO 3 = 100,1 g 10,7g CO 3 2- = 60,01g 60,01*10,7/100,1 = 6,41 g

74 17. a. 3 O 2- ionen hebben een totale lading van titaanionen moeten samen dus 6+ hebben dus 3+ per titaan ion b. 2 K+ ionen hebben een totale lading van 2+ dus een chromaat ion heeft een lading van 2- c. Na is 1+ dus permanganaat is 1- Ba is 2+ dus Ba(MnO 4 ) a. 75 * 0,32/ 100 = 0,24 g NaF b. NaF= 41,99 g. F - = 19,00 g. dus 19,00*0,24/41,99= 0,11 g F -

75 18. c. Hoeft niet 19. Metaalionen staan een of meer elektronen af aan de niet metalen. Zo ontstaan positieve metaalionen en negatieve niet-metaalionen Mg ionen en 2 Al ionen samen een lading van 12+. De silicaat ionen hebben samen dus een lading van silicaat ion heeft dus een lading van a. Na (s) + Cl 2 (g) 2 NaCl (s) Mg (s) + Br 2 (l) MgBr 2 (s) Fe (s) + S (s) FeS (s)

76 22. Hoeft niet 23. Door de elektronen overdracht 24. Omdat het smeltpunt bij zouten veel hoger ligt 25. a. Ja omdat de lading hoger is 26. Omdat MgBr een zout is en deze geen atoombindingen heeft maar een ionbinding

77 27. a. Li is een metaal en Br is een nietmetaal dus dit is een zout. C en Br zijn beide niet metalen dus dit is een moleculaire stof b. Br De covalentie zorgt voor Br C Br Br de aantal bindingen c. De overdracht van de elektronen zorgen bij een zout voor de binding d. Het zout LiBr, deze binding is sterker

78 5.4 Gedrag van zouten in water Water is het meest gebruikte oplosmiddel Of het zout oplost hangt af van: Grootte van ion Grootte van ladingen van ionen Polariteit van water Temperatuur van water

79 Hoe lost een zout op? AJF4o&feature=related Hydratatie Wordt aangegeven met (aq)

80 Oplosvergelijkingen en indampvergelijkingen Oplosvergelijking: NaCl (s) Na + (aq) + Cl - (aq) Indampvergelijking Na + (aq) + Cl - (aq) NaCl (s)

81 Oplosbaarheidstabel

82 Regelmatigheden De zouten die als positieve ionsoort kalium-, natrium- of ammonium ionen bevatten zijn goed oplosbaar De zouten die als negatieve ionsoort nitraat- of acetaationen bevatten zijn goed oplosbaar

83 Vier zouten met een oxide-ion reageren met water Na 2 O K 2 O CaO BaO De oxide ionen(o 2- ) veranderen in hydroxide ionen (OH - )

84 5.5 Molariteit De molariteit (M) van een oplossing is het aantal mol opgeloste stof per liter oplossing

85 Huiswerk Opdracht 28 t/m 35 op blz 144 en 145 Opdracht 40 en 41 op blz 148

86 Week 7

87 Planning Huiswerk nakijken Theorie Huiswerk maken

88 Huiswerk nakijken 28. a. wanneer je een zout oplost laten de geladen deeltjes zich los en kunnen ze vrij bewegen. Hierdoor is stroomgeleiding mogelijk b. Dat is een ion dat omringt wordt door water moleculen c.

89 29. a. goed b. K + (aq) + Cl - (aq) c. Mg(NO 3 ) 2 (s) d. 2 Al 3+ (l) + 3 O 2- (l) e. goed f. C 2 H 6 O (aq) 30. a. het zout in vaste toestand (s) b. de ionen (aq) waaruit het zout ontstaat in de juiste verhouding

90 31. a. AgNO 3 (s) Ag + (aq) + NO - 3 (aq) b. Mg 2+ (aq)+2 NO - 3 (aq) Mg(NO 3 ) 2 (s) c. AlCl 3 (s) Al 3+ (aq) + 3Cl - (aq) d. 2 K + (aq) + CO 2-3 (aq) K 2 CO 3 (s) 32. a. K + (aq) + Cl - (aq) KCl(s) b. 2 Na + (aq) + SO 2-3 (aq) Na 2 SO 3 (s) c. Ba 2+ (aq)+2 NO 3- (aq) Ba(NO 3 ) 2 (s) 33. a. NH 4 I (s) NH + 4 (aq) + I - (aq) b. Zn(NO 3 ) 2 (s) Zn 2+ (aq)+2 NO - 3 (aq) c. K 3 PO 4 (s) 3 K + (aq) + PO 3-4 (aq)

91 34. a. of stoffen goed, matig of slecht oplossen of reageren met water b. Na 2 O, K 2 O, CaO en BaO c. Natronloog, Kaliloog, kalkwater, barietwater 35. a. 1. Ca 3 (PO 4 ) 2 8. PbBr 2 2. Na 2 O 9. HgCl 3. HgCl BaSO 4 4. MgI 2 5. Cu(CH 3 COO) 2 6. Fe 2 (CO 3 ) 3 7. BaO

92 35. b. 3, 4, 5 goed oplosbaar 8 matig oplosbaar 2, 7 reageren met water 1, 6, 9, 10 slecht oplosbaar c. 3. HgCl 2 (s) Hg 2+ (aq) + 2 Cl - (aq) 4. MgI 2 (s) Mg 2+ (aq) + 2 I - (aq) 5. Cu(CH 3 COO) 2 (s) Cu 2+ (aq)+ 2 CH 3 COO - (aq) 8. PbBr 2 (s) Pb 2+ (aq) + 2Br - (aq) 2. Na 2 O(s) + H 2 O(l) 2 Na + (aq)+ 2 OH - (aq) 7. BaO(s) + H 2 O(l) Ba 2+ (aq) + 2OH - (aq)

93 40. De molariteit van een oplossing is het aantal mol opgeloste stof per liter oplossing 41. a. 1. molariteit neemt af 2. molariteit blijft gelijk 3. molariteit neemt toe b. 1. hoeveelheid glucose blijft gelijk 2. een gedeelte zal weg geschonken worden dus wordt minder 3. hoeveelheid glucose blijft gelijk

94 5.5 Molariteit De molariteit (M) van een oplossing is het aantal mol opgeloste stof per liter oplossing Eenheden: mol/liter molair

95 Voorbeeld KMnO 4 (s) K + (aq) + MnO 4 - (aq) De molariteit (of M) van K + (aq) of MnO 4 - (aq) is 4,0 *10-3 mol/l (of mol L -1 ) De molariteit (of M) van K + (aq) of MnO 4 - (aq) is 4,0 *10-3 molair [K + (aq)] of [MnO 4 - (aq)] = 4,0 *10-3 mol/ L

96 De haken [K+] Deze haken mogen gebruikt worden bij de deeltjes die daadwerkelijk in de oplossing zitten en niet om de formule van het zout! [KMnO 4 ]

97 Rekenen met molariteit Wat heb je nodig: Aantal mol van de stof die opgelost is Volume van de oplossing in liter Verhoudingstabel

98 voorbeeld In 5 ml bloed van een patiënt is 4,0*10-5 mol glucose aanwezig. Hoe groot is de molariteit van glucose in het bloed van deze patiënt? Er is 4,0*10-5 mol glucose Er is 5,0 ml oftewel 5,0*10-3 L Je wilt berekenen hoeveel mol glucose in 1 L zit

99 Mol glucose 4,0*10-5 x Liter bloed 5,0*10-3 1,0 X= (4,0*10-5 )* 1,0/ (5,0*10-3 ) = 8,0*10-3 mol In 1 liter bloed is dus 8,0*10-3 mol glucose opgelost. De molariteit van de glucose in het bloed is dus 8,0*10-3 mol/l Lees ook het voorbeeld op blz 148 uit je boek!!!

100 Huiswerk Maak opdracht 43 t/m 46, 48, 52

101 Nakijken 43. a. mol/l, molair of [..] b. de verkorte weergave mag alleen worden gebruikt voor deeltjes die echt in een oplossing aanwezig zijn is niet juist. De deeltjes zitten niet meer aan elkaar. 45. Aantal mol van de stof en volume van je oplossing in liter

102 46. (1,0*10-3 ) * 1,0 / 2,5 = 4,0*10-4 mol CO 48. a. dus de molariteit van CO in lucht is 4,0*10-4 mol/l Mol suiker 0,10 X Liter oplossing 1,00 0,100 dus 0,10 *0,100/1= 1,0*10-2 In 0,100L (100mL) oplossing A zit 1,0*10-2 mol suiker b. 3,8*10-2 mol suiker c. 4,8*10-2 mol suiker d. 1,9*10-1 mol/l

103 52. a. 5,2*10-5 mol b. 5,2*10-5 mol/15 liter = 3,5*10-6 mol dus 3,5*10-6 mol/l

Samenvatting Chemie Overal 3 havo

Samenvatting Chemie Overal 3 havo Samenvatting Chemie Overal 3 havo Hoofdstuk 3: Reacties 3.1 Energie Energievoorziening Fossiele brandstoffen zijn nog steeds belangrijk voor onze energievoorziening. We zijn druk op zoek naar duurzame

Nadere informatie

Rekenen aan reacties (de mol)

Rekenen aan reacties (de mol) Rekenen aan reacties (de mol) 1. Reactievergelijkingen oefenen: Scheikunde Deze opgaven zijn bedoeld voor diegenen die moeite hebben met rekenen aan reacties 1. Reactievergelijkingen http://www.nassau-sg.nl/scheikunde/tutorials/deeltjes/deeltjes.html

Nadere informatie

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M Hoofdstuk 8 Rekenen met de mol bladzijde 1 Opgave 1 n = m / M a 64,0 g zuurstofgas (O 2) = 2,00 mol (want n = 64,0 / 32,0) enz b 10,0 g butaan (C 4H 10) = 0,172 mol c 1,00 g suiker (C 12H 22O 11) = 0,00292

Nadere informatie

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden 2 Meten is weten 1 Nee, want bijvoorbeeld 0,0010 kg is net zo nauwkeurig als 1,0 gram. 2 De minst betrouwbare meting is de volumemeting. Deze variabele bepaald het aantal significante cijfers. 3 IJs: 1,5

Nadere informatie

woensdag 14 december 2011 16:06:43 Midden-Europese standaardtijd

woensdag 14 december 2011 16:06:43 Midden-Europese standaardtijd INLEIDING Geef de reactievergelijking van de ontleding van aluminiumoxide. 2 Al 2 O 3 4 Al + 3 O 2 Massaverhouding tussen Al en O 2 1,00 : 0,889 Hoeveel ton Al 2 O 3 is er nodig om 1,50 ton O 2 te produceren?

Nadere informatie

vrijdag 2 maart :26:18 Midden-Europese standaardtijd H4 Zouten

vrijdag 2 maart :26:18 Midden-Europese standaardtijd H4 Zouten H4 Zouten Vandaag Do Vr 4.1 4.2 theorie Maken t/m 11 Werken aan PO Planning Vragenuur molrekenen, bespreken vragen en opdrachten op aanvraag Zouten Hoge smeltpunten Geladen deeltjes 4.1 Inleiding PosiGeve

Nadere informatie

Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4

Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4 Rekenen aan reacties Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4 6.1 Rekenen met de mol 6.2 Rekenen met massa s 6.3 Concentratie 6.4 SPA en Stappenplan 6.1 Rekenen met de mol Eenheden en grootheden 1d dozijn potloden 12

Nadere informatie

Wednesday, 28September, :13:59 PM Netherlands Time. Chemie Overal. Sk Havo deel 1

Wednesday, 28September, :13:59 PM Netherlands Time. Chemie Overal. Sk Havo deel 1 Chemie Overal Sk Havo deel 1 Website van de methode www.h1.chemieoveral.epn.nl Probeer thuis of het werkt. Aanbevolen browser: internet explorer Neem onderstaande tabel over en rond af Atoomsoort Zuurstof

Nadere informatie

5 Formules en reactievergelijkingen

5 Formules en reactievergelijkingen 5 Formules en reactievergelijkingen Stoffen bestaan uit moleculen en moleculen uit atomen (5.1) Stoffen bestaan uit moleculen. Een zuivere stof bestaat uit één soort moleculen. Een molecuul is een groepje

Nadere informatie

Stoffen, structuur en bindingen

Stoffen, structuur en bindingen Hoofdstuk 1: Stoffen, structuur en bindingen Scheikunde vwo 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 2012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken

Nadere informatie

3.1 Energie. 3.2 Kenmerken chemische reactie

3.1 Energie. 3.2 Kenmerken chemische reactie 3.1 Energie Wat is energie? Energie voorziening Fossiele brandstof verbranden Co2 komt vrij slecht voor het broeikaseffect Windmolen park Zonnepanelen Energie is iets wat nodig is voor een verbrandingsreactie

Nadere informatie

Antwoorden. 3 Leg uit dat er in het zout twee soorten ijzerionen aanwezig moeten zijn.

Antwoorden. 3 Leg uit dat er in het zout twee soorten ijzerionen aanwezig moeten zijn. Antwoorden 1 Hoeveel protonen, elektronen en neutronen heeft een ion Fe 3+? 26 protonen, 23 elektronen, 30 neutronen 2 Geef de scheikundige namen van Fe 2 S 3 en FeCO 3. ijzer(iii)sulfide en ijzer(ii)carbonaat

Nadere informatie

PbSO 4(s) d NH 4Cl + KOH KCl + H 2O + NH 3(g) NH 4. + OH - NH 3(g) + H 2O e 2 NaOH + CuCl 2 Cu(OH) 2(s) + 2 NaCl

PbSO 4(s) d NH 4Cl + KOH KCl + H 2O + NH 3(g) NH 4. + OH - NH 3(g) + H 2O e 2 NaOH + CuCl 2 Cu(OH) 2(s) + 2 NaCl Hoofdstuk 11 Chemische reacties bladzijde 1 Opgave 1 De ionen die in water ontstaan: a NaCl Na Cl - b AgNO 3 Ag - NO 3 c (NH 4) 2SO 4 2 NH 4 SO 4 d KOH K OH - e NiSO 4 Ni 2 SO 4 Opgave 2 Schrijf de volgende

Nadere informatie

Hoofdstuk 2: Kenmerken van reacties

Hoofdstuk 2: Kenmerken van reacties Hoofdstuk 2: Kenmerken van reacties Scheikunde VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 20122012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken

Nadere informatie

5-1 Moleculen en atomen

5-1 Moleculen en atomen 5-1 Moleculen en atomen Vraag 1. Uit hoeveel soorten moleculen bestaat een zuivere stof? Vraag 2. Wat is een molecuul? Vraag 3. Wat is een atoom? Vraag 4. Van welke heb je er het meeste: moleculen of atomen?

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2008-I

Eindexamen scheikunde havo 2008-I Beoordelingsmodel Uraan 1 maximumscore 2 aantal protonen: 92 aantal neutronen: 146 aantal protonen: 92 1 aantal neutronen: 238 verminderen met het aantal protonen 1 2 maximumscore 2 UO 2 + 4 HF UF 4 +

Nadere informatie

Bindingen. Suiker Suiker heeft de molecuulformule C 12 H 22 O 11

Bindingen. Suiker Suiker heeft de molecuulformule C 12 H 22 O 11 Bindingen Suiker Suiker heeft de molecuulformule C 12 H 22 O 11 1. Leg uit dat suiker een moleculaire stof is 2. Van suiker is de oplosbaarheid in water zeer hoog. Leg uit waarom suiker zo goed in water

Nadere informatie

Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1

Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1 Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1 Opgave 1 uitrekenen en afronden Bij +/- rond je af op het kleinste aantal DECIMALEN, bij x/ rond je af op het kleinste aantal SIGNIFICANTE CIJFERS. Bij gecombineerde

Nadere informatie

1) Stoffen, moleculen en atomen

1) Stoffen, moleculen en atomen Herhaling leerstof klas 3 1) Stoffen, moleculen en atomen Scheikundigen houden zich bezig met stoffen. Betekenissen van stof zijn onder andere: - Het materiaal waar kleding van gemaakt is; - Fijne vuildeeltjes;

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie. 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,.

ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,. PARATE KENNIS CHEMIE 4 e JAAR SCHEMA ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,. MENGSEL bestaat uit meerdere zuivere stoffen, de kooktemperatuur,

Nadere informatie

Cursus Chemie 5-1. Hoofdstuk 5: KWANTITATIEVE ASPECTEN VAN CHEMISCHE REACTIES 1. BELANGRIJKE BEGRIPPEN. 1.1. Relatieve Atoommassa (A r)

Cursus Chemie 5-1. Hoofdstuk 5: KWANTITATIEVE ASPECTEN VAN CHEMISCHE REACTIES 1. BELANGRIJKE BEGRIPPEN. 1.1. Relatieve Atoommassa (A r) Cursus Chemie 5-1 Hoofdstuk 5: KWANTITATIEVE ASPECTEN VAN CHEMISCHE REACTIES 1. BELANGRIJKE BEGRIPPEN 1.1. Relatieve Atoommassa (A r) A r = een onbenoemd getal dat de verhouding weergeeft van de atoommassa

Nadere informatie

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal Antwoorden deel 1 Scheikunde Chemie overal Huiswerk 2. a. Zuivere berglucht is scheikundig gezien geen zuivere stof omdat er in lucht verschillende moleculen zitten (zuurstof, stikstof enz.) b. Niet vervuild

Nadere informatie

SCHEIKUNDE. Hoofdstuk 9

SCHEIKUNDE. Hoofdstuk 9 SCHEIKUNDE Hoofdstuk 9 Par. 1 Elke chemische reactie heeft een energie-effect. De chemische energie voor én na de reactie is niet gelijk. Als de reactie warmer wordt is de chemische energie omgezet in

Nadere informatie

Hoofdstuk 5 Reac/esnelheid en evenwichten

Hoofdstuk 5 Reac/esnelheid en evenwichten Hoofdstuk 5 Reac/esnelheid en evenwichten 4HAVO periode 3 2012 Weekplanning per3, week 5 Woensdag H5.1 H5.2 theorie Vragen over H4 / tijd om hoofdstuk 4 door te nemen Donderdag PTA H432 Vrijdag Werkuur:

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

Ar(C) = 12,0 u / 1 u = 12,0 Voor berekeningen ronden we de atoommassa s meestal eerst af tot op 1 decimaal. Voorbeelden. H 1,0 u 1,0.

Ar(C) = 12,0 u / 1 u = 12,0 Voor berekeningen ronden we de atoommassa s meestal eerst af tot op 1 decimaal. Voorbeelden. H 1,0 u 1,0. 5. Chemisch rekenen 1. Atoommassa De SI-eenheid van massa is het kilogram (kg). De massa-eenheid die we voor atomen gebruiken is u (unit). 1 27 1 u 1,66 10 kg m 6 C-nuclide m(h) = 1,0 u m(o) = 16,0 u m(c)

Nadere informatie

universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 Avogadroconstante: N A = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden:

universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 Avogadroconstante: N A = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden: Nuttige gegevens: universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 vogadroconstante: N = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden: θ = 0 p = 1013 hpa molair volume van een ideaal gas onder normomstandigheden:

Nadere informatie

3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO

3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO 3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO 3.7.1 Tellen met grote getallen In het dagelijks leven tellen we regelmatig het aantal van bepaalde voorwerpen. Vaak bepalen we dan hoeveel voorwerpen er precies

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie. 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde

Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde Opgave 1 Op het etiket van een pot pindakaas staat als een van de ingrediënten magnesium genoemd. Scheikundig is dit niet juist. Pindakaas bevat geen magnesium

Nadere informatie

Definitie. In deze workshop kijken we naar 3 begrippen. Massa, Volume en Mol. Laten we eerst eens kijken wat deze begrippen nu precies inhouden.

Definitie. In deze workshop kijken we naar 3 begrippen. Massa, Volume en Mol. Laten we eerst eens kijken wat deze begrippen nu precies inhouden. Definitie In deze workshop kijken we naar 3 begrippen. Massa, Volume en Mol. Laten we eerst eens kijken wat deze begrippen nu precies inhouden. Massa In je tabellenboek vindt je dat de SI eenheid van massa

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN MOLBEREKENINGEN

OEFENOPGAVEN MOLBEREKENINGEN OEFENOPGAVEN MOLBEREKENINGEN * = voor VWO Salmiak, NH 4 Cl(s), kan gemaakt worden door waterstofchloride, HCl(g), te laten reageren met ammoniak, NH 3 (g) 01 Wat is de chemische naam voor salmiak? 02 Geef

Nadere informatie

Database scheikunde havo- vwo

Database scheikunde havo- vwo Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Ralph Meulendijks 26 April 2016 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/67127 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet.

Nadere informatie

Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten

Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten 4.1 Deeltjesmassa 4.1.1 Atoommassa De SI-eenheid van massa is het kilogram (kg). De massa van een H-atoom is gelijk aan 1,66 10 27 kg. m(h) = 0,000 000 000 000 000 000

Nadere informatie

3. Welke van onderstaande formules geeft een zout aan? A. Al 2O 3 B. P 2O 3 C. C 2H 6 D. NH 3

3. Welke van onderstaande formules geeft een zout aan? A. Al 2O 3 B. P 2O 3 C. C 2H 6 D. NH 3 Toelatingsexamens en Ondersteunend Onderwijs VOORBLAD EXAMENOPGAVEN Toetsdatum: n.v.t. Vak: Scheikunde voorbeeldexamen 2015 Tijdsduur: 2 uur en 30 minuten De volgende hulpmiddelen zijn toegestaan bij het

Nadere informatie

Voorkennis chemie voor 1 Ba Geografie

Voorkennis chemie voor 1 Ba Geografie Onderstaand overzicht geeft in grote lijnen weer welke kennis er van je verwacht wordt bij aanvang van een studie bachelor Geografie. Klik op een onderdeel om een meer gedetailleerde inhoud te krijgen

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie. 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

vrijdag 28 oktober :40:59 Nederland-tijd Moleculaire stoffen 4havo hoofdstuk 2; Chemie Overal

vrijdag 28 oktober :40:59 Nederland-tijd Moleculaire stoffen 4havo hoofdstuk 2; Chemie Overal + Moleculaire stoffen 4havo hoofdstuk 2; Chemie Overal + 2.2 Elektrisch geleidingsvermogen Demo 2.1 Geleidt stroom als vaste stof: ja / nee Geleidt stroom als vloeistof: ja/nee Opgebouwd uit welke atoomsoorten?

Nadere informatie

Metalen & opfris molberekeningen. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week

Metalen & opfris molberekeningen. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week 1842016 Metalen & opfris molberekeningen Scheikunde Niveau 4 Jaar 1 Periode 3 Week 2 Zelfstudieopdrachten Deze les Metalen Opfrissen molberekeningen Zelfstudieopdrachten Samenvatting Vragen Huiswerk Zelfstudieopdrachten

Nadere informatie

Een reactie blijkt bij verdubbeling van alle concentraties 8 maal zo snel te verlopen. Van welke orde zou deze reactie zijn?

Een reactie blijkt bij verdubbeling van alle concentraties 8 maal zo snel te verlopen. Van welke orde zou deze reactie zijn? Hoofdstuk 19 Reactiesnelheid en evenwicht bladzijde 1 Opgave 1 Voor de volgende reactie: 4 NH 3(g) + 5 O 2(g) 4 NO(g) + 6 H 2O(g) blijkt onder bepaalde omstandigheden: S = 2,5 mol/l s. Hoe groot zijn:

Nadere informatie

Scheikunde Samenvatting H4+H5

Scheikunde Samenvatting H4+H5 Scheikunde Samenvatting H4+H5 Hoofdstuk 4 4.2 Stoffen worden ingedeeld op grond van hun eigenschappen. Er zijn niet-ontleedbare stoffen en ontleedbare stoffen. De niet-ontleedbare stoffen zijn verdeeld

Nadere informatie

Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media

Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media Hoofdstuk 5 Chemische reacties bladzijde 1 Opgave 1 Maak de volgende reactievergelijkingen kloppend: a C 3H 8O 2 4 O 2 3 CO 2 4 H 2O b P 4 5 O 2 6 H 2O 4 H 3PO 4 c 4 Al 3 O 2 2 Al 2O 3 d 2 Fe 3 Cl 2 2

Nadere informatie

Rekenen aan reacties 2. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week 18-4-2016

Rekenen aan reacties 2. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week 18-4-2016 Rekenen aan reacties 2 Scheikunde Niveau 4 Jaar 1 Periode 3 Week 4 Deze les Rekenen aan reactievergelijkingen Samenvatting Vragen Huiswerk voor volgende week Bestuderen Lezen voor deze week Bestuderen

Nadere informatie

Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo

Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo OPGAVE 1 Men lost de volgende zouten op in water: (i) ammoniumnitraat (ii) kaliumsulfide (iii) natriumwaterstofsulfaat 01 Geef voor elk van deze zouten de oplosvergelijking.

Nadere informatie

SCHEIKUNDE KLAS 3 REACTIES SKILL TREE

SCHEIKUNDE KLAS 3 REACTIES SKILL TREE SKILL TREE MOLECUULFORMULES OPDRACHT 1: MOLECUULFORMULES LEVEL 1 A H 2 O C 2 H 6 C C 2 H 6 O D CO 2 E F C 4 H 8 O CHN OPDRACHT 2: MOLECUULFORMULES LEVEL 1 A HNO C 3 H 6 O C C 2 H 2 D C 6 H 5 NO E C 5 H

Nadere informatie

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal Antwoorden deel 1 Scheikunde Chemie overal Huiswerk 2. a. Zuivere berglucht is scheikundig gezien geen zuivere stof omdat er in lucht verschillende moleculen zitten (zuurstof, stikstof enz.) b. Niet vervuild

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2001-II

Eindexamen scheikunde havo 2001-II Eindexamen scheikunde havo 00-II 4 Antwoordmodel Energievoorziening in de ruimte et (uiteenvallen van de Pu-38 atomen) levert energie dus het is een exotherm proces. er komt energie vrij aantal protonen:

Nadere informatie

www.samengevat.nl voorbeeldhoofdstuk havo scheikunde

www.samengevat.nl voorbeeldhoofdstuk havo scheikunde www.samengevat.nl voorbeeldhoofdstuk havo scheikunde www.samengevat.nl havo scheikunde Dr. J.R. van der Vecht Dr. C. Ris Voorwoord Beste docent, Voor u ligt een deel van de nieuwe Samengevat havo scheikunde.

Nadere informatie

Extra oefenopgaven. Inleiding Scheikunde voor anesthesiemedewerkers en operatie-assistenten assistenten i.o. voorjaar 2008

Extra oefenopgaven. Inleiding Scheikunde voor anesthesiemedewerkers en operatie-assistenten assistenten i.o. voorjaar 2008 Extra oefenopgaven Inleiding Scheikunde voor anesthesiemedewerkers en operatie-assistenten assistenten i.o. voorjaar 2008 1. Geef van de volgende stoffen de chemische formule; geef ook aan tot welke categorie

Nadere informatie

Chemisch rekenen, zo doe je dat!

Chemisch rekenen, zo doe je dat! 1 Chemisch rekenen, zo doe je dat! GOE Opmerkingen vooraf: 1. Belangrijke schrijfwijzen: 100 = 10 2 ; 1000 = 10 3, enz. 0,1 = 1/10 = 10-1 ; 0,001 = 1/1000 = 10-3 ; 0,000.000.1 = 10-7, enz. gram/kg = gram

Nadere informatie

Samenvatting Pulsar Chemie (Scheikunde): boek 1

Samenvatting Pulsar Chemie (Scheikunde): boek 1 Samenvatting Pulsar Chemie (Scheikunde): boek 1 Hoofdstuk 1: Zouten 1: Atoombouw Reactie: hergroepering van atomen van het beginmolecuul naar het eindmolecuul Elektron: negatief geladen deeltje, onderdeel

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2006-II

Eindexamen scheikunde havo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Element 115 1 Calcium heeft atoomnummer 20 en americium heeft atoomnummer 95. Dus samen hebben ze 115 protonen. calcium heeft atoomnummer 20 en americium heeft atoomnummer 95 1 2 Een

Nadere informatie

Oefenopgaven BEREKENINGEN

Oefenopgaven BEREKENINGEN Oefenopgaven BEREKENINGEN havo Inleiding De oefenopgaven over berekeningen zijn onderverdeeld in groepen. Vet gedrukt staat aangegeven om wat voor soort berekeningen het gaat. Kies uit wat het beste past

Nadere informatie

Uitwerkingen. T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen

Uitwerkingen. T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen Uitwerkingen T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen 2008 Voorbeeld toets dinsdag 29 februari 60 minuten NASK 2, 2(3) VMBO-TGK, DEEL B. H5: VERBRANDEN EN ONTLEDEN

Nadere informatie

29ste VLAAMSE CHEMIE OLYMPIADE EERSTE RONDE

29ste VLAAMSE CHEMIE OLYMPIADE EERSTE RONDE Actieve steun Vlaamse Chemie Olympiade UAntwerpen K.U.Leuven K.U.Leuven Kulak UGent UHasselt VUB BNV KVCV VOB KBIN VeLeWe 29ste VLAAMSE CHEMIE OLYMPIADE EERSTE RONDE Sponsors 16 november 2011 Gewest Brussel

Nadere informatie

Chemie: oefeningen zuren, hydroxiden en zouten

Chemie: oefeningen zuren, hydroxiden en zouten Chemie: oefeningen zuren, hydroxiden en zouten Teken de structuurformule van salpeterigzuur HNO 2 en van salpeterzuur HNO 3 : Doevoor jezelf telkens ook de controles! Controles HNO 2 : - 2x6 e - (2 O)

Nadere informatie

Oefenopgaven REDOXREACTIES vwo Reactievergelijkingen en halfreacties

Oefenopgaven REDOXREACTIES vwo Reactievergelijkingen en halfreacties Oefenopgaven REDOXREACTIES vwo Reactievergelijkingen en halfreacties OPGAVE 1 Geef de halfreactie waarbij 01 P 2 O 5 wordt omgezet in PH 3. 02 Jodaat, IO 3 - in neutraal milieu wordt omgezet in H 5 IO

Nadere informatie

1 De bouw van stoffen

1 De bouw van stoffen Inhoud 1 De bouw van stoffen 1 eigenschappen van stoffen 13 Mengsels en zuivere stoffen 13 D Oplossingen 15 Zuivere stoffen herkennen 15 Scheiding van mengsels 17 2 de opbouw van de materie 19 Moleculen

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Ademtest 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: Een ureummolecuul bevat NH 2 groepen / N-H bindingen, zodat er waterstbruggen (met watermoleculen) gevormd kunnen worden. (Dus ureum is

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE 1 af te nemen in de periode van woensdag 5 januari 01 tot en met woensdag 1 februari 01 Deze voorronde bestaat uit 4 meerkeuzevragen verdeeld over

Nadere informatie

HOOFDSTUK 11. Kwantitatieve aspecten van reacties

HOOFDSTUK 11. Kwantitatieve aspecten van reacties HOOFDSTUK 11. Kwantitatieve aspecten van reacties Nadat je dit hoofdstuk verwerkt heb, kun je de volgende vragen beantwoorden: - Wat is de massa van een molecule H 2 SO 4? Van een Fe 2+ -ion? - Hoeveel

Nadere informatie

5 Water, het begrip ph

5 Water, het begrip ph 5 Water, het begrip ph 5.1 Water Waterstofchloride is een sterk zuur, het reageert als volgt met water: HCI(g) + H 2 0(I) Cl (aq) + H 3 O + (aq) z b Hierbij reageert water als base. Ammoniak is een zwakke

Nadere informatie

Uitwerkingen Uitwerkingen 4.3.4

Uitwerkingen Uitwerkingen 4.3.4 Uitwerkingen 4.3.1 1 1,5 12 = 18 eieren 2 3,25 144 = 468 figuurzaagjes 3 25 24 = 600 bierflesjes 4 3,75 20.000 = 75.000 korrels hagelslag 5 2,25 10.000.000 = 22.500.000 zoutkorrels 6 1,5 6 10 23 = 9 10

Nadere informatie

I. Basiskennis. Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische scheidingstechnieken.

I. Basiskennis. Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische scheidingstechnieken. Basiskennis 5 chemie 3 de graad, 1 ste jaar = 5avv, 5av, 5bv 1 1.1 Opbouw van de materie I. Basiskennis Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATINALE SHEIKUNDELYMPIADE RRETIEMDEL VRRNDE 1 (de week van) woensdag 4 februari 2009 Deze voorronde bestaat uit 24 meerkeuzevragen verdeeld over 5 onderwerpen en 3 open vragen met in totaal 13 deelvragen

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2001-I

Eindexamen scheikunde havo 2001-I Eindexamen scheikunde havo -I 4 Antwoordmodel Nieuw element (in de tekst staat:) deze atomen zijn eerst ontdaan van een aantal elektronen dus de nikkeldeeltjes zijn positief geladen Indien in een overigens

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2007-I

Eindexamen scheikunde havo 2007-I Beoordelingsmodel Nitraat in drinkwater 1 maximumscore 2 aantal protonen: 32 aantal elektronen: 34 aantal protonen: 32 1 aantal elektronen: aantal protonen vermeerderd met 2 1 2 maximumscore 1 2+ 3 maximumscore

Nadere informatie

Oefenopgaven REDOX vwo

Oefenopgaven REDOX vwo Oefenopgaven REDOX vwo OPGAVE 1 Geef de halfreactie waarbij 01 P 2 O 5 wordt omgezet in PH 3. 02 Jodaat, IO 3 - in neutraal milieu wordt omgezet in H 5 IO 6. 03 Methanol in zuur milieu wordt omgezet in

Nadere informatie

1 Algemene begrippen. THERMOCHEMIE p. 1

1 Algemene begrippen. THERMOCHEMIE p. 1 TERMOCEMIE p. 1 1 Algemene begrippen De chemische thermodynamica bestudeert de energieveranderingen en energieuitwisselingen bij chemische processen. Ook het voorspellen van het al of niet spontaan verloop

Nadere informatie

Scheikunde Chemie overal Week 1. Kelly van Helden

Scheikunde Chemie overal Week 1. Kelly van Helden Scheikunde Chemie overal Week 1 Kelly van Helden 1.1 Chemie om je heen Scheikunde is overal Scheiden of zuiveren van stoffen Veranderen van grondstoffen in bruikbare stoffen Drinkwater uit zeewater Poetsen

Nadere informatie

S S. Errata Nova scheikunde uitwerkingen leerjaar 4 havo 140,71. Met dank aan Mariëlle Marsman, Mill-Hill College, Goirle. Hoofdstuk 1 Atoombouw

S S. Errata Nova scheikunde uitwerkingen leerjaar 4 havo 140,71. Met dank aan Mariëlle Marsman, Mill-Hill College, Goirle. Hoofdstuk 1 Atoombouw Errata Nova scheikunde uitwerkingen leerjaar 4 havo Met dank aan Mariëlle Marsman, Mill-Hill College, Goirle Hoofdstuk 1 Atoombouw Theorie 19 b 78,99 23,98504 10,00 24,98584 11,01 25,98259 24, 31 100 20

Nadere informatie

Hoofdstuk 3: Zuren en basen

Hoofdstuk 3: Zuren en basen Hoofdstuk 3: Zuren en basen Scheikunde VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 2012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken Koolstofchemie

Nadere informatie

OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO

OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO Gesloten vragen 1. Carolien wil de zuurgraad van een oplossing onderzoeken met twee verschillende zuur-baseindicatoren en neemt hierbij het volgende waar: I de oplossing

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN VWO EVENWICHTEN

OEFENOPGAVEN VWO EVENWICHTEN OPGAVE 1 OEFENOPGAVEN VWO EVENWICHTEN In een ruimte van 5,00 liter brengt men 9,50 mol HCl(g) en 2,60 mol O 2 (g). Na evenwichtsinstelling is 40,0% van de beginstoffen omgezet en is er Cl 2 (g) en H 2

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2006-I

Eindexamen scheikunde havo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Rood licht Maximumscore 1 1 edelgassen 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De (negatieve) elektronen bewegen zich richting elektrode A dus is elektrode A de positieve elektrode.

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2011 - I

Eindexamen scheikunde havo 2011 - I Beoordelingsmodel Uraanerts 1 maximumscore 2 aantal protonen: 92 aantal elektronen: 88 aantal protonen: 92 1 aantal elektronen: aantal protonen verminderd met 4 1 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist

Nadere informatie

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het HAVO. versie mei 2013

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het HAVO. versie mei 2013 ZUREN EN BASEN Samenvatting voor het HAVO versie mei 2013 INHOUDSOPGAVE 1. Vooraf 2. Algemeen 3. Zuren 4. Basen 5. Het waterevenwicht 6. Definities ph en poh 7. ph BEREKENINGEN 7.1. Algemeen 7.2. Water

Nadere informatie

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Scheikunde Hoofdstuk 2 Samenvatting Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Fossiele brandstof Koolwaterstof Onvolledige verbranding Broeikaseffect Brandstof ontstaan door het afsterven van levende organismen,

Nadere informatie

Eindexamen havo scheikunde pilot 2013-I

Eindexamen havo scheikunde pilot 2013-I Beoordelingsmodel ph-bodemtest 1 maximumscore 2 Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Het tabletje bevat bariumsulfaat en deze stof is slecht oplosbaar (in water). notie dat het tabletje

Nadere informatie

I. Basiskennis. ijs. Een chemisch verschijnsel is het verschijnsel waarbij wel nieuwe stoffen ontstaan.

I. Basiskennis. ijs. Een chemisch verschijnsel is het verschijnsel waarbij wel nieuwe stoffen ontstaan. Basiskennis 4 chemie 2 de graad, 2 de jaar = 4avv & 4bav 1 1. Natuurwetenschappen I. Basiskennis De studie van de natuurverschijnselen kan je ruwweg onderverdelen in: Biologie: Studie van de levende materie.

Nadere informatie

Eindexamen vwo scheikunde pilot I

Eindexamen vwo scheikunde pilot I Duurzame productie van waterstof uit afvalwater 1 maximumscore 4 C 6 H 12 O 6 + 4 H 2 O 4 H 2 + 2 CH 3 COO + 2 HCO 3 + 4 H + molverhouding CH 3 COO : HCO 3 = 1 : 1 en C balans juist 1 coëfficiënt voor

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE af te nemen in de periode van januari tot en met 5 februari 04 Deze voorronde bestaat uit 0 meerkeuzevragen verdeeld over 8 onderwerpen en open opgaven

Nadere informatie

Frank Povel. a1. De twee factoren zijn: 1. er moeten geladen deeltjes zijn; 2. de geladen deeltjes moeten zich kunnen verplaatsen.

Frank Povel. a1. De twee factoren zijn: 1. er moeten geladen deeltjes zijn; 2. de geladen deeltjes moeten zich kunnen verplaatsen. UITWERKING CCVS-TENTAMEN 26 november 2014 Frank Povel NB. Deze uitwerking is door mij gemaakt en is niet de uitwerking die de CCVS hanteert. Er kunnen dan ook op geen enkele wijze rechten aan deze uitwerking

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2005-I

Eindexamen scheikunde havo 2005-I 4 Beoordelingsmodel Zeewater 1 Sr 2+ juist symbool 1 juiste lading bij gegeven symbool 1 2 aantal protonen: 6 aantal neutronen: 8 juiste aantal protonen 1 aantal neutronen: 14 verminderen met het aantal

Nadere informatie

Hoofdstuk 8. Opgave 2. Opgave 1. Oefenvragen scheikunde, hoofdstuk 8 en 10, 5 VWO,

Hoofdstuk 8. Opgave 2. Opgave 1. Oefenvragen scheikunde, hoofdstuk 8 en 10, 5 VWO, Oefenvragen scheikunde, hoofdstuk 8 en 10, 5 VWO, Hoofdstuk 8 Opgave 1 Bruistabletten bevatten onder andere natriumwaterstofcarbonaat. Als je deze tabletten in water brengt, treedt een reactie op waarbij

Nadere informatie

26ste Vlaamse Chemie Olympiade 2008-2009

26ste Vlaamse Chemie Olympiade 2008-2009 Georganiseerd door de sectie Cultuur en Popularisering van de Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging De Vlaamse Olympiades voor Natuurwetenschappen worden actief gesteund door: 26ste Vlaamse Chemie Olympiade

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo I

Eindexamen scheikunde havo I Beoordelingsmodel uderdomsbepaling 1 maximumscore 1 edelgassen Indien het antwoord groep 18 is gegeven 0 2 maximumscore 2 aantal protonen aantal neutronen aantal elektronen in 40 K en in 40 Ar ongelijk

Nadere informatie

namen formules ionogene stoffen van Als je de negatieve ionen (behalve OH - ) koppelt aan H + - ionen ontstaan verbindingen die men zuren noemt.

namen formules ionogene stoffen van Als je de negatieve ionen (behalve OH - ) koppelt aan H + - ionen ontstaan verbindingen die men zuren noemt. namen en formules van ionogene stoffen CH 3 COO - acetaat afkomstig van azijnzuur (ethaanzuur) C 2 O 4 samengestelde ionen HC 2 O 4 - oxalaat beide afkomstig van oxaalzuur (ethaandizuur) waterstofoxalaat

Nadere informatie

INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN

INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN 1 OVERZICHT 1. Zuivere stof, moleculen en atomen 1. Moleculeformules 2. Elementen 3. Atoomtheorie 4. Atoommassa 5. Moleculemassa

Nadere informatie

Scheikundige begrippen

Scheikundige begrippen Scheikundige begrippen Door: Ruby Vreedenburgh, Jesse Bosman, Colana van Klink en Fleur Jansen Scheikunde begrippen 1 Chemische reactie Ruby Vreedenburgh Overal om ons heen vinden er chemische reacties

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN VWO6sk1 TENTAMEN H1-11

OEFENOPGAVEN VWO6sk1 TENTAMEN H1-11 OEFENOPGAVEN VWO6sk1 TENTAMEN H1-11 06-07, HU, oktober 2006 1. POLARITEIT, WATERSTOFBRUGGEN Zie het apart uitgedeelde stencil voor extra theorie (is tentamenstof!) en een oefenopgave. 2. CHEMISCH REKENEN

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores 34 S

Vraag Antwoord Scores 34 S Zwaveleter 1 maximumscore 2 32 S 34 S aantal protonen 16 16 aantal neutronen 16 18 aantal elektronen 16 16 het aantal protonen en het aantal elektronen juist 1 het aantal neutronen juist: het massagetal

Nadere informatie

Uitwerkingen 3.7.1. Uitwerkingen 3.7.4

Uitwerkingen 3.7.1. Uitwerkingen 3.7.4 Uitwerkingen 3.7.1 1 1,5 12 = 18 eieren 2 3,25 144 = 468 figuurzaagjes 3 25 24 = 600 bierflesjes 4 3,75 20.000 = 75.000 korrels hagelslag 5 2,25 10.000.000 = 22.500.000 zoutkorrels 6 1,5 6 10 23 = 9 10

Nadere informatie

1.3 Periodiek systeem: - Periode = horizontale rij van elementen - Groep = verticale kolom van elementen

1.3 Periodiek systeem: - Periode = horizontale rij van elementen - Groep = verticale kolom van elementen Hoofdstuk 1 1.2 Neutronen = massagetal atoomnummer Massagetal = Protonen + Neutronen Atoomnummer = protonen (positief geladen) = elektronen (negatief geladen) Atomaire massa- eenheden Isotopen Atoommassa

Nadere informatie

Scheikundige berekeningen rond bereidingen

Scheikundige berekeningen rond bereidingen Scheikundige berekeningen rond bereidingen 1 Introductie Bereidingsvoorschriften zijn zo opgesteld dat er in het product precies de juiste hoeveelheden stoffen aanwezig zijn. Maar wat te doen als je niet

Nadere informatie

2 Concentratie in oplossingen

2 Concentratie in oplossingen 2 Concentratie in oplossingen 2.1 Concentratiebegrippen gehalte Er zijn veel manieren om de samenstelling van een mengsel op te geven. De samenstelling van voedingsmiddelen staat op de verpakking vermeld.

Nadere informatie

Inleiding in de RedOx chemie

Inleiding in de RedOx chemie Even opfrissen: Drie hoofdcategorieën stoffen: Inleiding in de RedOx chemie Moleculaire stoffen: Atoombinding in molecuul (sterk), Van der Waals binding tussen moleculen (zwak), polaire/apolaire (atoom)bindingen,

Nadere informatie

Reacties en stroom 1

Reacties en stroom 1 Reacties en stroom 1 Elektronenoverdracht (1) Een bekende reactie is: 2 Na(s) + Cl 2 (g) 2 NaCl(s) (oude notatie: Na + Cl - ) Hierbij is sprake van elektronenoverdracht. Dit kan als volgt worden voorgesteld:

Nadere informatie

Chemie 4: Atoommodellen

Chemie 4: Atoommodellen Chemie 4: Atoommodellen Van de oude Grieken tot het kwantummodel Het woord atoom komt va, het Griekse woord atomos dat ondeelbaar betekent. Voor de Griekse geleerde Democritos die leefde in het jaar 400

Nadere informatie