VMT-22 Laad- en startsysteem



Vergelijkbare documenten
EAT-242 Diagnose Laad- en startsystemen

BAT-141 EPD basis 2. Zelfstudie en huiswerk 10-08

AT-142 EPD Basis 1. Zelfstudie en huiswerk 10-08

HELP, DE ACCU LOOPT LEEG. Technische Avond van Old-Timers Oirschot, Oirschot, 17 juni 2005 INHOUDSOPGAVE

2. Geadviseerde omgevingstemperatuur van 0 C tot 50 C.

BAT-141 EPD basis 1. Zelfstudie en huiswerk 10-08

EAT-140 EPD-Technicus Dag 3

X C D X C D. voertuigentechniek CSPE KB minitoets bij opdracht 8

De dynamo. Student booklet

Handleiding Spanningsregelaar Type Auto-Lite

OC Het onderhouden van mechanische onderdelen 2012

Historische autotechniek (4)

Onderhoud aan accu's. Algemene informatie over onderhoud aan accu's WAARSCHUWING!

EAT-140 EPD-Technicus Dag 1

12 volt startaccu en 12 Volt huishoudaccu

Service handboek voor onderhoud van "Classic" hydraulische aggregaten.

Elektriciteit in onze Volvo s

Batterijdiagnosetoestel voor het testen van alle types 12 V-batterijen.

voertuigentechniek CSPE BB

Lokaliseren van storingen. Student booklet

Hoogfrequent batterijladers. KOP serie. Handleiding

De startmotor. seriemotor.

Examen VMBO-BB. voertuigentechniek CSPE BB. gedurende 380 minuten. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 55 opdrachten.

VMT 10 EPD Basis dag 2

voertuigentechniek CSPE BB

Motor start niet. Startmotor defect Batterij leeg Elektrische aansluiting(en) defect. Startinrichting werkt niet

Examenopgaven VMBO-BB 2004

De condensator en energie

Buispomp pomp T250 Handleiding

P Als twee van de drie eenheden P, U of I bekend zijn, dan kan de derde worden berekend aan de hand van de volgende formule (zie de afbeelding):

VOLT POT 1K R 220. OPEN FOR 60 Hz STAB. Spanningsregelaars R 220. Installatie en onderhoud

DA F :l#;""''"structies

EVMT 10 EPD Elektro dag 1 en 2. Zelfstudie en huiswerk

INNOVATORS IN MOTION

Henks Reparatie Werkplaats - Van IJsendijkstraat LC - Purmerend - Bedienings display

1. BESCHRIJVING spanningsindicator. voedingsschakelaar. AC uitgangs stopcontact krokodilleklemmen. ventilator 2. VERBINDINGEN

Onderhoud aan accu's. Algemene informatie over onderhoud aan accu's WAARSCHUWING!

voertuigentechniek CSPE BB Achter dit examen en het correctievoorschrift is een erratum opgenomen.

Handleiding Spanningsregelaar Type Delco Remy

Hoogfrequent batterijladers. PM-24 serie. Handleiding

Examen VMBO-BB. voertuigentechniek CSPE BB. gedurende 360 minuten. Bij dit examen horen uitwerkbijlagen.

1 Elektriciteit Oriëntatie 1.1 Elektrische begrippen Elektrische stroomkring

AIRBAGS EN GORDELSPANNERS

De dynamo De collector De gelijkstroomdynamo De shuntdynamo

Probleemoplossingsgids

Gebruiksaanwijzing, waarschuwingen en veiligheidsvoorschriften voor gesloten batterijen met vast elektrolyt (AGM-technologie) voor motorfietsen.

a) Verwijder de moer (1) van de poel ie. Zet de poelie m.b.v. een gebruikte riem vast; plaats het ene eind in de bankschroef. Draai de moer los.

Arbeid, vermogen en rendement

Elektrische instaltatie 200 Um 95 series 3.1. Fig.16. Het elektrisbhe systeem

ELEKTRONICA IN DE BBL TOELICHTING VAN ONZE ONTWIKKELAARS: LESMATERIAAL OP SCHOOL, WERKEN IN HET LEERBEDRIJF EN RPT

Elektrische installatie 12 Volt Auto/caravan

MOTOPLAT VC-09ST. Handleiding Versie

Inhoud AST3 - Opdrachten en benodigdheden Proeve 2.doc Pagina 1 van 8

SAFETY BULLETIN. Starten met starthulp of startkabels 1 INLEIDING

Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS

Back to basics: V4-meting bij dutycycle

Kortsluiting van de aanvoer- Defecte of niet (goed) aangesloten aanvoer- of retourtemperatuursensor. Geen doorstroming

De startmotor. Student booklet

LAADZUIL ELEKTRISCHE MONTAGE EN GEBRUIK Deze handleiding is van toepassing op een DIC laadzuil met plug and play systeem

Midtronics MDX Pijlen OMHOOG en OMLAAG Gebruik deze toetsen om testparameters te kiezen en door de menuopties te bladeren.

SBP /24. Gebruiksaanwijzing

Handleiding Elektrische fietsen. service.easybike

AX-3010H. Multifunctionele schakelende voeding. Gebruiksaanwijzing

Origineel vervangende onderdelen

X C D X C D. elektrotechniek CSPE KB minitoets bij opdracht 8

Claxon Inhoud: Gereedschap:

Handleiding Otter POD motor

Gebruiksaanwijzing, waarschuwingen en veiligheidsvoorschriften voor batterijen met vloeibaar elektrolyt voor motorfietsen. (zuurpakket meegeleverd)

ALCT 6/24-2 GEBRUIKSAANWIJZING

Elektrische installatie

Chassis 36B ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING

Bij een inductieve ontsteking, zoals toegepast op MG, wordt de energie die nodig is voor een vonk opgebouwd in de bobine.

Handleiding. 24 Volt Type 24TC25-B25 Aanvangspanning 25 Volt Géén scheidingsrelais nodig

WAT U MOET WETEN OVER ACCU s EN LADERS

Storing indicatie van LED binnen/buiten en eerste oordeel

Duurzame energie. Aan de slag met de energiemeter van LEGO

Heteluchtkanon HP18 / HP 30 / HP 45 RVS BEDRIJFSVOORSCHRIFTEN

Storing indicatie van LED binnen/buiten en eerste oordeel

INITIALISATIEPROCEDURE ACCUTOESTAND (i-stop-instelling) [SKYACTIV-G 2.0, SKYACTIV-G 2.5]

Elektrische fiets Pedelec

MONTAGEHANDLEIDING. Kit met 2-wegafsluiter/kit met 3-wegafsluiter voor ventilatorconvectoren EKMV2C09B7 EKMV3C09B7

Keystone OM13 - EPI-2 driedraads module Handleiding voor installatie en onderhoud

De elektrische laad lift

Beschrijving 2. Plaatsing componenten. 2-polige stelmotor. A = Luchtstroom. 1. Aansluitingen 2. Huis 3. Permanente magneet 4. Anker 5.

DIC WANDMODEL HANDLEIDING MONTAGE EN GEBRUIK Deze handleiding is van toepassing op een DIC wandmodel met plug and play systeem

X C D. voertuigentechniek CSPE KB minitoets bij opdracht 8

Voertuigaccu WAARSCHUWINGSSYMBOLEN VAN DE ACCU VERZORGING VAN DE ACCU

Alternator 1. De functie van de wisselstroomgenerator of de alternator 2. De werking/ basisprincipe van de wisselstroomgenerator

Laad regulator SCR 24 Marine. Handleiding

De draai- en transportkoppeling is betrouwbaar en veilig.

Maak je eigen solar power station. werkboek

Gebruikershandleiding OTTER flens motoren

1. BESCHRIJVING. "-" aansluiting. power LED. ventilator "+" aansluiting zekering. ON/OFF schakelaar. AC uitgangsstopcontact 2.

De autoaccu. Create PDF with GO2PDF for free, if you wish to remove this line, click here to buy Virtual PDF Printer

Magnetische toepassingen in de motorvoertuigentechniek (8)

AT-242 Benzinemotormanagement. Ontsteking. Zelfstudie en huiswerk 10-08

STARTSYSTEEM STARTSYSTEEM 26. Algemene beschrijving 2 Werkingsprincipe 3 Indentificatie van Speciale Gereedschappen 5 Technische Gegevens 7

Transcriptie:

VMT-22 Laad- en startsysteem Zelfstudie en huiswerkvragen Naam Cursist: Trainer: Datum: copyright 2011

Zelfstudie 2

Zelfstudie 3 Introductie Dit Zelfstudiepakket is een voorbereiding op de RPT-dag "Laad- en startsystemen", die je binnenkort gaat volgen. Tijdens deze RPT-dag ga je een aantal opdrachten uitvoeren. De informatie in de Zelfstudie is speciaal gericht op deze opdrachten. De Zelfstudie vormt een aanvulling op de Theorieleerstof die bij de beroepsopleiding hoort. In de Zelfstudie moet je een aantal vragen beantwoorden. Doe dit zo goed als je kunt. Het helpt je ook om met succes door de Starttoets te komen. De vragen worden tijdens de dag door de instructeur besproken. Neem daarom de ingevulde Zelfstudie mee naar de RPT-dag en bewaar hem goed. Hij kan ook zeer nuttig zijn bij de voorbereiding op het praktijkexamen. Doelstellingen Na afloop van deze dag kun je met betrekking tot: Elektrisch meten en schema lezen: meten met een multimeter en stroomtang de V1/V4 meetmethode toepassen de gevonden waarden interpreteren en de exacte positie van het defect aangeven schema s lezen van een start- en laadsysteem de veiligheidsmaatregelen zoals die nodig zijn bij metingen aan het startsysteem toepassen. Accu testen: de conditie en de laadtoestand van een accu beoordelen aan de hand van een controle van de elektrolyt, belasting-test en elektronische accutester. Laadsysteem controleren: de laadstroom en de laadspanning meten met behulp van een multimeter en een stroomtang eenvoudige diagnose stellen aan het laadsysteem. Startsysteem controleren: de startstroom en de startspanning meten met behulp van een multimeter en een stroomtang eenvoudige diagnose stellen aan het startsysteem.

Zelfstudie 4 Voordat we een controle van een start- of laadsysteem uitvoeren, is het belangrijk om de toestand van de accu te kennen. Bijvoorbeeld, bij een volledig geladen accu is er namelijk geen laadstroom en bij een defecte accu kan er onvoldoende startstroom beschikbaar zijn. Accu testen Naast de gebruikelijke controle van het peil van de elektrolyt van de accu en een visuele uitwendige controle kun je de toestand van de accu testen. In de eerste plaats kan dit door de ladingstoestand van de accu te controleren met behulp van een zuurweger. Het onderlinge verschil in dichtheid (soortelijke massa) tussen de cellen mag niet meer dan 30 kg/m 3 bedragen. VRAAG 1. Hoeveel bedraagt de dichtheid (soortelijke massa) van een volledig geladen cel? De elektrolyt in een volledig geladen cel heeft een dichtheid van 1280 kg/m³. VRAAG 2. Hoeveel bedraagt de dichtheid (soortelijke massa) van een volledig ontladen cel? De elektrolyt in een volledig ontladen cel heeft een dichtheid van 1100 kg/m³. Belastingtester Zuurweger Optische zuurweger

Zelfstudie 5 Toon sheet 1 en 2 of een losse meter Behalve met een zuurweger met drijver kun je de dichtheid ook vaststellen met een optische s.m.-meter. VRAAG 3. Hoe bepaal je de conditie van de accu? Door het uitvoeren van een belastingstest, waarbij de accu een voorgeschreven eindspanning moet halen. Voor de belastingstroom mag 3 maal de capaciteit worden aangehouden. Toon sheet 3 B E L A N G R I J K : Neem bij het werken aan accu's de nodige voorzichtigheid in acht. Elektrolyt is een sterk bijtend zuur. Bij aanraking met de elektrolyt moet je veel spoelen met water om het zuur te verdunnen. Maak geen kortsluiting, dit kan een ontploffing veroorzaken, wanneer er knalgas aanwezig is. Dit zeer explosieve gas ontstaat wanneer de accu met een te hoge spanning is geladen. Let op: een lege accu is niet te testen. Deze zul je eerst moeten laden. Een eenvoudiger manier is tegenwoordig om de accu te testen met een elektronische accutester. Deze maakt gebruik van de conductantie technologie dat wil zeggen dat deze tester, na ingaven van het type batterij, de geleidbaarheid meet van de accu. Hiermee wordt een heel betrouwbaar beeld gegeven van de toestand van de accu. Ook bij deze meting moet de accu wel geladen zijn. Veel accufabrikanten verlangen, bij garantie, dat met deze meter gemeten wordt. Controle laadsysteem voertuig Bij een storing in het laadsysteem, waarbij na controle blijkt dat de accu in goede staat is, ga je aan het voertuig een controle uitvoeren aan het laadsysteem. Een eerste indicatie voor een fout of defect in het laadsysteem is het laadstroomcontrolelampje. Het laadstroomcontrolelampje heeft twee functies: controle op goed functioneren van de dynamo controle op het functioneren van het voorbekrachtigingscircuit. Bij een normale werking van de dynamo zal het laadstroomcontrolelampje fel branden bij voorbekrachtiging en uitgaan bij stationair toerental. Het gedrag van het controlelampje kan een grove indicatie geven over het functioneren van het laadsysteem van het voertuig. Toon sheet 4

Zelfstudie 6 Aan de hand van het gedrag van de controlelamp kunnen de fouten worden onderverdeeld in: 1. De controlelamp brandt niet bij ingeschakeld contact. 2. De controlelamp gaat niet uit bij toenemend toerental. 3. De controlelamp brandt zwak(ker) bij stilstaande en draaiende motor. 4. De controlelamp brandt bij uitgeschakeld contact. Naast de (grove) indicatie met behulp van het laadstroomcontrolelampje kan het laadsysteem van een voertuig gecontroleerd worden met: motortester scoop losse dynamotester multimeter met stroomtang. In de praktijkopdracht wordt het laadsysteem van het voertuig gecontroleerd met behulp van een multimeter met stroomtang. Hiermee controleer je: Laadstroom Dynamostroom Afgeregelde spanning Bij het controleren van de dynamostroom moet de dynamo wel voldoende stroom leveren. Je bereikt dit door zoveel mogelijk verbruikers in te schakelen en de motor 1.500 omw/min te laten draaien. Hiervoor gebruiken we tegenwoordig een multimeter met een stroomtang, waardoor de bedrading van de dynamo niet hoeft worden losgenomen. Let bij het meten van de laadstroom op de plaats waar gemeten moet worden; voor de verbruikers, bij de accu of bij de dynamo. Dit wordt meestal aangegeven in het werkplaatshandboek. D+ verbruiker A2 afgeregelde spanning V B-- B+ A1 M A3 splitsing meestal bij aansluiting 30 van de startmotor

Toon sheet 5 Instructeur Zelfstudie 7 De plaats van de stroomtang is erg belangrijk. In het laadsysteem heb je namelijk met verschillende stromen te maken. De stromen in het laadsysteem zijn: De maximale stroom die de dynamo kan leveren De stroom die naar de verbruikers gaat De echte stroom waarmee de accu geladen wordt. De maximale stroom die de dynamo kan leveren, moet je meten - zo dicht mogelijk bij de dynamo - om de B+ aansluiting van de dynamo (zie A1 in afbeelding). De stroom die naar de verbruikers gaat, meet je bij de aftakking die naar de verbruikers gaat (zie A2). De laadstroom van de accu meet je zo dicht mogelijk bij de accu bij de pluskabel van de accu (zie A3). L E T O P!! De afbeelding hierboven is een algemene situatie. Het is belangrijk dat je exact weet wat de situatie is van de instalatie waaraan je gaat meten. Verbruikers kunnen ook aangesloten zijn vanaf de accu. Hierdoor is de dynamostroom tot de accu te meten. De laadstroom is dan in de min-draad van de accu te meten. Bij het controleren van de afgeregelde spanning met behulp van de multimeter kan de klemspanning van de accu gemeten worden (spanningsmeting over de polen). Dit gebeurt onbelast bij een toerental van circa 1.500 omw/min, waarbij de afgeregelde spanning voor een 24 volt installatie - bij circa 28,5 V en voor een 12 volt installatie 14,5 V moet liggen(zie ook de technische gegevens in het werkplaatshandboek). B E L A N G R I J K : Meet-/testkabels moeten bij niet-draaiende motor worden aangesloten. Toon sheet 7 De bedrading van het laadsysteem kan gecontroleerd worden op beschadiging (inbranding), op ligging (in verband met doorschuren en breken) en spanningsverlies. Door de bedrading van het laadsysteem kunnen hoge stromen lopen. Afhankelijk van het type dynamo, tot zo n 150 A. Een te hoge weerstand in de bedrading geeft spanningsverlies. Dit betekent dat de laadspanning bij de accu lager uit zal vallen, terwijl we, als we bij de dynamo aan de B+ en de B- aansluiting meten, wel een goede afgeregelde spanning zien. De accu zal nu nooit helemaal volgeladen worden. Hieruit blijkt dus, dat het zeer belangrijk is dat de aansluitingen en de kabels in perfecte conditie moeten zijn voor een goede werking van het laadsysteem. Door een voltmeter bij draaiende motor en belaste dynamo aan te sluiten volgens de tekening, kun je zien of er spanningsverliezen in de bedrading vanaf B+ en B- aanwezig zijn.

Zelfstudie 8 V verbruiker D+ B-- B+ M V B E L A N G R I J K : Kijk uit dat je geen kortsluiting maakt en pas op voor hete en draaiende delen van de motor. Plaats de meetpennen op de accupool en op de aansluitbout van bijvoorbeeld de B+ van de dynamo. L E P O P : Om het laadcircuit goed op te kunnen meten, met name de laadstroom en de afgeregelde spanning, is het belangrijk om de motor (dynamo) een tijdje (ca. 15 min) te laten draaien om zodoende een goede indicatie te krijgen over de conditie van het laadsysteem. Diagnose aan het laadsysteem Nu de werking van het laadsysteem bekend is, kunnen we een diagnose stellen en een laadsysteem aansluiten. Het is van belang om een juiste diagnose te stellen, voordat er een dynamo, spanningsregelaar of batterij wordt vervangen. De controlepunten zijn: De spanning van de V-riem of multi- riem Elektrische aansluitingen van dynamo (bevestiging en vuil) Elektrische aansluitingen van diodeblok of laadrelais (bevestiging en vuil) Aansluitpunten van de batterij (bevestiging en vuil) Bekabeling (bevestiging en beschadiging) Elektolyt- peil van de batterij sm van het elektrolyt Laadspanning Laadstroom

Zelfstudie 9 Dynamo uit- en inbouwen Als gebleken is dat de dynamo defect is, moet hij uitgebouwd worden om te vervangen/repareren of te testen op een dynamotestbank. Ondanks het feit dat demontage en montage van een dynamo in de meeste gevallen vrij eenvoudig is, is het verstandig om voor de werkzaamheden het werkplaatshandboek te raadplegen in verband met merkspecifieke voorwaarden. Voordat je de dynamo uitbouwt, neem je de min-aansluiting van de accu los om kortsluiting te voorkomen. Vervolgens neem je de bedrading aan de achterzijde van de dynamo los. Wanneer de kans op verkeerd aansluiten betstaat, markeer dan de aansluiting voor het los nemen. De dynamo kan aangedreven zijn door een V-riem of multi-v-riem. Het spannen kan geschieden door een aparte spaninrichting of door de dynamo zelf. Zorg in beide gevallen dat vóór het uitbouwen van de dynamo de V-riem zo ontspannen is dat hij gemakkelijk kan worden weggenomen. Controleer na het verwijderen de conditie van de V-riem. Monteer indien nodig bij montage van de dynamo een nieuwe. Controleer tevens de ophanging van de dynamo op scheuren en slijtage. Controleer ook de bevestiging en lagers van eventueel aanwezige geleide- of spanrollen. Zorg bij inbouw van de dynamo dat de bevestigingsbouten los staan, zodat de V-riem te spannen is. Als er een aparte massastrip bij de dynamo is gemonteerd, controleer deze dan goed op bevestiging en eventueel breuk. VRAAG 4. Waar moet je op letten bij montage van de dynamo? Let op de draairichting van de dynamo; wanneer bij reparatie de ventilator is verwijderd bestaat de kans dat deze verkeerd om gemonteerd wordt, waardoor de dynamo niet gekoeld wordt. Let op de grootte van de poelie en de breedte. Spanningsregelaar Bij de moderne dynamo's is de spanningsregelaar ingebouwd in de dynamo en vormt hij één geheel met de koolborstels. Om de koolborstels te controleren, moet de spanningsregelaar uitgebouwd worden. Door de hiervoor beschreven metingen goed uit te voeren, kun je de juiste werking van de spanningsregelaar controleren. Je kunt dan de juiste conclusies trekken over de mechanische en elektrische toestand van de dynamo.

Zelfstudie 10 VRAAG 5. Waarom is het belangrijk dat de spanningsregelaar de juiste spanning afregelt? Als de spanningsregelaar een te hoge spanning afregelt (> 28,8 V), wordt de gasspanning van de accu overschreden, waardoor er knalgas ontstaat. Tevens worden de verbruikers beschadigd. Bij het afregelen van een te lage spanning kan de accu niet voldoende geladen worden. Controles uitgebouwde dynamo Sheet 8 Blijkt uit diagnose met de multimeter en/of motortester dat de dynamo defect is, dan moet je hem uitbouwen. Eventueel kun je de dynamo op een dynamotestbank testen. Na demontage kun je met een multimeter de volgende zaken controleren: Controle op breuken en/of kortsluiting en/of massasluiting in de rotor. Tussen de sleepringen van een rotor moet een bepaalde weerstand gemeten worden(zie fabrikant gegevens). Een oneindig hoge weerstand duidt op een draadbreuk. Geen of zeer weinig weerstand (0 ) betekent dat er een kortsluiting in de rotor zit. De weerstand tussen de sleepring en de massa moet oneindig hoog zijn. Controle op breuken en/of kortsluiting stator. Tussen de fasen (spoelen) en de massa moet weerstand oneindig hoog zijn. Geen of weinig weerstand betekent een massasluiting. Een oneindig hoge weerstand tussen twee fasedraden (spoelen) duidt op een draadbreuk. Kortsluiting van de fasedraden (spoelen) is in de praktijk moeilijk te meten, maar wel te zien aan een verbrande spoel. Controle van de dioden. Dioden kunnen gecontroleerd worden met de multimeter op de diode-teststand. Als ze goed zijn, geven ze in de sperrichting een oneindig hoge weerstand aan, in de doorlaatrichting wordt de drempelspanning (ca. 0,5 V) aangegeven. Deze 0,5 V geldt voor de vrijwel altijd gebruikte siliciumdioden. Germaniumdioden hebben een lagere drempelspanning, maar kunnen geen grote stromen verwerken. En diode die een kortsluiting, vormt wordt aangegeven met 0,00. Visuele controle koolborstels De koolborstels moeten een door de fabrikant aangegeven lengte hebben. Vaak wordt er op de koolborstels d.m.v. een streepje de minimale lengte aangegeven (slijtage-indicatie). De veren die ze op de sleepringen drukken, moeten voldoende spanning hebben. De koolborstels moeten soepel in de borstelbrug kunnen bewegen.er mag geen vuil en/of slijpsel aanwezig zijn. De weerstand tussen de koolborstels en de aansluitingen (massa- en veldspanning) moet nagenoeg nul zijn. Mechanische controle van lagers, poelie en behuizing.

Zelfstudie 11 STARTSYSTEEM Startmotorreparaties worden vaak uitbesteed aan gespecialiseerde bedrijven. Toch gaan we deze RPT-dag het startsysteem nader bekijken. Je kunt dan ook zelfstandig storingen opsporen en reparaties uitvoeren, zonder dat je daarbij een ander (bedrijf) hoeft in te schakelen. Toon sheet 8 Een verbrandingsmotor kan niet uit zichzelf gaan draaien, maar heeft hulp nodig om op gang te komen. Voor deze hulp zorgt het startsysteem. Een startsysteem bestaat uit de volgende onderdelen: accu startschakelaar startrelais startmotor Toon sheet 9 Startsysteem testen aan voertuig Afhankelijk van de klacht kun je beginnen met de volgende controles: bevestiging van de accuklemmen en controle op corrosie van de accupolen de ladingstoestand van accu bevestiging massakabels tussen accu en chassis en tussen chassis en motor bevestiging en corrosie van de stekkerverbindingen van de startmotor isolatie van de pluskabels VRAAG 6. Welke elektrische metingen moet je verrichten om een gerichte diagnose te stellen aan een startsysteem? Startspanning Startstroom Spanningsverliezen Deze tests kun je uitvoeren met één of meer multimeters en met een stroomtang. Ook kun je een motortester gebruiken, die hiervoor een speciaal programma heeft. B E L A N G R I J K : Zorg bij een dieselmotor dat deze tijdens de meting aan het startsysteem niet kan aanslaan. Zet de brandstofpomp in de stopstand of verwijder een zekering als het om een elektronisch geregelde pomp gaat.

Zelfstudie 12 Startspanning Toon sheet 10 Bij het meten van de startspanning moeten er twee spanningen gemeten worden: de klemspanning van de accu en de aangelegde spanning van de startmotor. Deze moeten bij het starten nagenoeg gelijk zijn. Dit kun je meten met twee losse multimeters of met (indien ingebouwd) de voltmeter van de motortester en een losse multimeter. Als je een spanningsverlies meet, betekent dat een overgangsweerstand in de toeen/of afvoerdraden van de startmotor en/of het startrelais. V1 V2 Spanningsverlies Is de aangelegde spanning van de startmotor lager dan de klemspanning, dan is er een spanningsverlies in de plus- en/of de minkabel (of verbinding) of het relais van de startmotor. O P M E R K I N G : Een klein spanningsverlies ontstaat altijd. Dit is het gevolg van de lengte en dikte van de plus- en de min-kabel. Dit spanningsverlies mag echter niet te groot zijn. Raadpleeg hiervoor de fabrieksgegevens. Om dit te bepalen moet je deze spanningen meten aan de betreffende draden (met losse multimeter of de voltmeter van de motortester): Meetpunten plusdraad: pluspool accu en aansluiting 30 startmotor Meetpunten mindraad: minpool accu en huis startmotor (of aansluiting 31 van de startmotor). Bij meten van het spanningsverlies in het startrelais wordt tussen de aansluiting 30 en de ingang van startmotor (indien bereikbaar) gemeten. Het zo gemeten spanningsverlies mag bij 24 V installaties maximaal 1V bedragen. Zo kunnen we ook prima de V-3 en V-4 meting toepassen op het startsysteem.

Zelfstudie 13 B E L A N G R I J K : Bij het meten van de klemspanning meten we rechtsreeks op de polen van de accu. Eventuele verliezen door een overgangsweerstand van de accuklemmen worden dan ook gemeten. Meet ook op de aansluitbout, en dus niet op de moer of op het kabeloog, van bijvoorbeeld de aansluiting 30 op de startmotor. Toon sheet 11 Startstroom De waarde van de startstroom geeft de conditie van startmotor en/of startsysteem aan. Meet de startstroom door de stroomtang (los exemplaar of stroomtang van de motortester) te klemmen om de pluskabel van de startmotor. Hierbij moeten de fabrieksgegevens van de startmotor (max. toelaatbare startstroom) vergeleken worden met de gemeten waarde. Als er geen gegevens beschikbaar zijn, kun je de volgende regel hanteren: Hoge startstroom en lage aangelegde spanning mechanische storing (versleten lagers, versleten vrijloopkoppeling) Lage startstroom en juiste aangelegde spanning elektrische storing in startmotor (versleten koolborstels, ingebrande relaiscontacten) Een andere test is het meten van de kortsluitstroom. Om deze test uit te voeren moet de motor geblokkeerd worden en in een voertuig is dit wel te doen door de hoogste versnelling inschakelen en tegelijkertijd de parkeerrem en de voetrem bedienen. De stroom weer meten met de stroomtang om de pluskabel van de startmotor. Start vervolgens 2 à 3 seconden, niet langer. Vergelijk de gemeten waarde met de fabrieksgegevens. Bij een motor in een schip of een stroomaggregaat zal dit moeilijk of niet gaan. VRAAG 7. Mag je de stroomtang bij het meten van de startstroom ook om de minkabel klemmen? Ja, de stroom bij de plus is in een gesloten circuit immers hetzelfde als de stroom bij de min. B E L A N G R I J K : Bij het testen van een startmotor lopen er grote stromen. Maak dan ook nooit kabels los waardoor op dat moment stroom vloeit. Dat kan namelijk leiden tot schade aan apparatuur, verwondingen en kortsluiting. Let ook goed op de draaiende delen zodat je niet bekneld kunt raken.

Zelfstudie 14 startstroom Te hoog Veel te hoog Te laag Veel te laag Gemeten spanning op startmotor t.o.v. accuspanning Te laag Te laag Normaal Te laag Mogelijke storing Anker loopt aan Ankerlager uitgelopen Verbrandingsmotor draait te zwaar Te kleine inwendige weerstand startmotor (massa- en/of kopersluiting) Te hoge inwendige weerstand in de startmotor (losse verbindingen, verbrande of verkeerde koolborstels, te lage borsteldruk, vuile collector) Fout in het startcircuit buiten de startmotor,geheel of gedeeltelijk ontladen accu. Toon sheet 12 Bij een kortsluitstroomtest kun je onderstaande tabel gebruiken bij het stellen van een diagnose. Houd er wel rekening mee dat een kortsluitstroom veel groter is dan een startstroom. Als gevolg van deze grotere stroom zal ook de accuspanning meer dalen en zullen de spanningsverliezen in de bedrading groter zijn. Voer een kortsluitstroomtest alleen uit als het meten van startstroom en startspanningen onvoldoende resultaat geeft. Kortsluitstroom Goed Te hoog Te laag Te laag Gemeten spanning op startmotor t.o.v. accuspanning Te laag Normaal Normaal Te laag Mogelijke storing Overgangsweerstand in de min- of plusaansluiting. Te kleine inwendige weerstand startmotor (massa- en/of kopersluiting) Te hoge inwendige weerstand in de startmotor (losse verbindingen, verbrande of verkeerde koolborstels, te lage borsteldruk, vuile collector) Fout in het startcircuit buiten de startmotor, geheel of gedeeltelijk ontladen accu. Startmotor uit- en inbouwen Als uit de testen van het startsysteem aan de auto is gebleken dat de startmotor defect is, moet hij worden uitgebouwd om te vervangen of te testen op de testbank. VRAAG 8. Wat is de eerste handeling die je verricht voor het uitbouwen van een startmotor? Het losmaken van de min-kabel bij de accu, zodat er geen gevaar bestaat op kortsluiting. Reinig indien nodig de omgeving van de startmotor, neem de bedrading los en demonteer de startmotor volgens voorschrift.

Zelfstudie 15 Controleer na het uitbouwen de starterkrans op beschadigingen. Draai hiertoe de motor aan de krukaspoelie rond; let op de juiste draairichting van de motor. Zorg dat voor het inbouwen de inbouwplaats goed schoon is. Centreer de startmotor voordat je de bouten en moeren vastzet. Bij het vastzetten van de bedrading moet je erop letten dat de kabels niet meedraaien. Zet als laatste de min-kabel aan de accu weer vast. Controleer vervolgens de werking van de startmotor. Laat de motor de eerste keer niet aanslaan en start dan zolang totdat de motor enkele omwentelingen maakt. Hierbij loopt het nieuwe rondsel in op het vliegwiel. Let hierbij ook op eventuele bijgeluiden. Sheet 8 Controle van de startmotor Blijkt uit diagnose met de multimeter en/of motortester dat de startmotor defect is, dan moet je hem uitbouwen. Eventueel kun je de startmotor op een startmotortestbank testen. Na demontage kun je met een multimeter en een ankertester de volgende zaken controleren: Controleren van het anker op de volgende gebreken: 1. massasluiting (wikkeling ligt aan massa) 2. kopersluiting (twee of meer wikkelingen liggen aan elkaar) 3. onderbroken wikkeling Ankertester of growler contoleren van de veldwikkelingen op de volgende gebreken: 1. massasluiting 2. kopersluiting 3. onderbroken wikkeling Mechanische controle van: 1. Startrondsel 2. Borstels 3. lagers De startmotor zelf bestaat uit: een elektromotor, startrelais en een inspoordrijfwerk. Door de startmotor uit te voeren met een planetair tandwielstelsel, ontstaat een vertraging in de aandrijving. Bij een mechanische vertraging ontstaat een groter koppel op het rondsel, met als gevolg een sterkere startmotor. Een andere optie is dat met een kleinere / lichtere startmotor toch voldoende koppel geleverd kan worden.

Zelfstudie 16 Het inspoordrijfwerk kan op drie manieren bediend worden, namelijk: met een vorkhefboom, verplaatsing van het rondsel ten opzichte van het anker en een complete verplaatsing van de ankeras met een vast gemonteerd rondsel. Startmotor met vorkhefboom & planetair tandwielstelsel Startmotor met verschuifbaar rondsel Tussen de elektromotor en het rondsel is een meeneemnaaf gemonteerd. Deze naaf is aan de binnenzijde uitgerust met schroefvormige spiebanen. Deze spiebanen zitten ook op de ankeras. Door deze constructie verdraait het rondsel tijdens insporen, waardoor dit makkelijker verloopt. Aan de buitenzijde van de meeneemnaaf is een slipkoppeling gemonteerd. Op het moment dat de verbrandingsmotor aanslaat, mag deze niet de startmotor gaan aandrijven. Bij een motortoerental van 1500 Omw / Min en een overbrengverhouding van 10:1, draait de startmotor 15000 Omw / Min. De startmotor is hier niet op berekend. Er zijn twee soorten slipkoppelingen, namelijk: de rollenkoppeling en de lamellenkoppeling. Rollenkoppeling Lamellenkoppeling

Zelfstudie 17 Dit is het einde van de Zelfstudie. Deze Zelfstudie is zo universeel mogelijk opgezet. Er bestaat echter in de praktijk geen universele uitvoering. Alle fabrikanten hebben hun eigen uitvoeringen en oplossingen. Als je hierover onduidelijkheden bent tegengekomen of vragen hebt, zoek dit dan uit in je eigen werksituatie en breng het op de RPT-dag ter sprake tijdens de behandeling van de Zelfstudie. Veel succes op de RPT-dag.