www. Oplossingen Scheikunde van 2001 Disclaimer: Alle uitwerkingen zijn onder voorbehoud van eventuele fouten. Er is geen enkele aansprakelijkheid bij de auteur van deze documenten. Om deze vragen te kunnen oplossen mag je geen gebruik maken van een rekentoestel! Enige voorkennis van Scheikunde is vereist om deze vragen te kunnen oplossen. Vraag 1 Het komt er eigenlijk op neer dat we een verdunning moeten maken van een 0,5 M glucoseoplossing. Hierbij weten we al wat het eindvolume moet zijn (1 liter). Volgende formule wordt gebruikt bij het oplossen van dergelijke vragen: C 1.V 1 =C 2.V 2 Waarin: C 1 gelijk is aan de beginconcentratie, V 1 het beginvolume, C 2 de eindconcentratie en V 2 het eindvolume. Als we de opgave lezen komen we 3 van de 4 gegevens tegen. C 1 : 0,5 M (= mol/1l) C 2 :0,01 M V 1 : onbekend (dit is het volume dat we moeten nemen van de startoplossing) V 2 : 1 liter Als we dan uitwerken naar V1 komen we op 0,02 liter, oftewel 20 ml ANTWOORD B Vraag 2 Deze vraag berust op de kennis van een Katalysator. Een katalysator wil altijd zeggen dat een reactie sneller zal verlopen (door bijvoorbeeld enkele reactiestappen over te slaan). Dit heeft geen invloed op het evenwicht! Meer weten? Katalysator: http://nl.wikipedia.org/wiki/katalysator
Vraag 3 www. Hiervoor moet je de theorie van een isotoop kennen. Belangrijk: Een vraag als deze wordt veel gesteld! Wees er zeker van dat je dit kent! Een isotoop is een variant van een bepaalde stop. Wat wil dat nu zeggen? Het element zelf (C,N,O, ) wordt enkel bepaald door het aantal protonen. Een isotoop is hetzelfde element, maar met een verschillend aantal neutronen. Een proton en een neutron hebben (ongeveer hetzelfde) een gewicht, een electron (bijna) niet. Als gevolg hiervan hebben isotopen een verschillende massa. Niet alle isotopen komen even veel voor in de natuur. In tabellen wordt daarom een gewogen gemiddelde genomen. Meer weten? Isotoop: http://nl.wikipedia.org/wiki/isotoop Vraag 4 Om deze vraag op te lossen moet je een beetje kennis hebben over het begrip ph. Op het internet kan je daar wel meer informatie over vinden als je denkt daar te weinig over te weten. Analyse vraagstuk: We hebben te maken met een sterk monoprotisch zuur bij 25 C, dus het gaat volledig H + leveren. ph= - log [H + ] (ph is het negatief logaritme van de protonenconcentratie) We weten, concentratie is gelijk aan het aantal mol/aantal liter De eerste stap is dus het bepalen van het aantal mol. Dit kan eenvoudig als je logisch redeneert: Het aantal mol maal het aantal gram per mol = het aantal gram. We zetten dit over en dat wordt dan: Het aantal mol = het aantal gram/aantal gram per mol Het aantal gram is 0,01 gram (=10 mg) e het aantal gram per mol is 100 (=molecuulmassa) Als we dit berekenen vinden we dat we 0,0001 mol hebben. De tweede stap is het bepalen van het aantal liter. Dit is gegeven en is gelijk aan 10. Vervolgens delen we dan het aantal mol door het aantal liter en bekomen: [H + ] = 0,00001 = 10-5 Nemen we hier dan het negatief logaritme van: - log [10-5 ] = 5.Log[10] = 5.1 =5 Het correcte antwoord is dus B
Vraag 5 www. Hiervoor moet je leerstof van titratie kennen. Meer informatie kan je vinden op het internet. Hiervoor is meer achtergrondkennis vereist dan in deze korte bespreking kan worden weergegeven. Vraag 6 Bij het oplossen van zulke vragen, moet je eigenlijk slechts de volgende regel kenne: De coëfficiënten worden tot exponenten verheven En dan krijgen we simpelweg: V = k. [NO] 2.[O 2 ] Waarin k een snelheidsconstante is voor deze reactie, maar dat is hier nu niet van toepassing. Deze gebruik je enkel als je werkelijk de snelheid moet berekenen. Dus het antwoord op de vraag is A
www. Vraag 7 In de vraagstelling van deze opgave wordt eigenlijk al heel veel informatie gegeven! De standaardreductiepotentiaal E van een redoxkoppel is een maat voor de oxiderende kracht van de geoxideerde vorm van het redoxkoppel in standaardomstandigheden. Hier zien we dat Hg 2 2+ /Hg de hoogste waarde heeft. Opmerking: Eerst wordt altijd de geoxideerde vorm geschreven en dan de gereduceerde. Hier zie je dan dat Hg 2 2+ naar Hg goed gaat (want E 0 is groter dan dat van zink). We kunnen dus volgend schema aannemen (dit teken je zelf ook best altijd!) Vervolgens analyseren we de gegeven stellingen: 1. We weten nu dat niet kwik, maar wel zink zal worden geoxideerd; 2. Deze stelling is juist. Het zink zal oplossen. Hiervoor moet je wel even het volgende weten: als we de ion-vorm zien die wordt gevormd kunnen we het beschouwen als wordt opgelost. Conclusie Enkel de tweede stelling is juist, Dus het antwoord is D
Vraag 8 In de opgave staat volgend evenwichtssysteem: 4 NH3 (g) + 5 O2 (g) 4 NO (g) + 6 H2O (g) En er wordt (zonder dat de temperatuur wijzigt) 1 mol NO toegevoegd. De opgave beredeneren Je redeneert best alsvolgt: Je hebt een ballonnetje met al die stoffen in, en die zijn in een evenwicht geraakt (wat zoveel betekend als: van elke stof wordt er evenveel gevormd als opgebruikt). Nu ga je NO toevoegen. Wat betekent dit in die ballon? De kans dat 4 NO s met 6 H 2 O s botsen wordt groter, en dus zal de reactie naar de linkerkant gaan. Je kan het ook zo bekijken: je voegt NO toe, dus dat wordt nu ook gebruikt om producten te vormen. Als logisch gevolg kan je nu A en D schrappen, want deze stelling beweren het tegenovergestelde. Nu weet je eigenlijk al dat C sowieso juist is. Waarom B niet? Want 4NO staat tot 5 O 2 in de verhouding 1,25? De reden hiervoor is: er wordt nu wel meer NO gebruikt, maar niet alle NO die toegevoegd is! Er wordt opnieuw naar een evenwicht gezocht, maar niet alle NO die je hebt toegevoegd zal worden opgebruikt. Conclusie: www. Het juiste antwoord is C
Vraag 9 www. Voor deze vraag stel je best een tabel op zoals ik hieronder doe: Beginsituatie 0,5 0,8 0 Wat gebeurt er? -0,1-0,3 +0,2 Eindresultaat 0,4 0,5 0,2 Wat wil deze tabel nu eigenlijk zeggen? We beschrijven eerst de beginsituatie. Deze is in de opgave beschreven (0,5 en 0,8 mol, en in het begin, dus vóór er enige reactie kan opgaan, is er bijgevolg 0 NH 3. Wat weten we dan nog? Er wordt 0,2 NH3 gevormd, met andere woorden het eindresultaat voor NH 3 is 0,2. Wat hierboven geschreven is, is alles wat we zo kunnen afleiden uit de opgave. In de tabel zijn deze cijfers vetgedrukt. Vervolgens kunnen we, rekening houdend met de coëfficiënten, de rest van de oefening oplossen. Als er + 0,2 NH 3 is, moet er aan de andere kant verminderen. Hoeveel? Dat bereken je gewoon met coëfficiënten. Zo kunnen we het gebruik van H 2 berekenen: 0,2/2(de coëfficiënt van NH 3 ) =0,1 en dan die 0,1 x 3 (de coëfficiënt van H 2 ) komt op -0,3 (er moet aan die kan verdwijnen). Tenslotte berekenen we gewoon het eindresultaat: 0,8 0,3 = 0,5. Conclusie: Het antwoord is B