Servicedocument Building and Implementing Datum: Augustus 2017 Versie: 3.0 Alle rechten voorbehouden Copyright Associatie. Niets uit deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd, opgeslagen in een data-verwerkend systeem of uitgezonden in enige vorm door middel van druk, fotokopie of welke andere vorm dan ook zonder toestemming van de Nederlandse Associatie voor Eaminering. Pag. 1 van 15
Inhoud 1. Leeswijzer... 3 2. Beschrijving van het eamen... 4 Naam eamen...4 Plaats in iexa raamwerk...4 Globale inhoud...5 Doelgroep...5 Voorkennis/niveau...5 Competenties...5 Toetsvorm...5 Indicatie studielast...5 3. Eamenspecificaties... 6 Eamenonderwerpen...6 Eindtermen en eamenspecificaties...6 4. Toetsmatrijs... 15 Eamengegevens... 15 Matrijs... 15 Pag. 2 van 15
1. Leeswijzer Elk iexa eamen heeft een servicedocument. Een servicedocument beschrijft welke onderwerpen worden getoetst en op welke wijze het eamen is opgebouwd. Het document biedt daarmee voor opleiders en studenten een handvat bij de voorbereiding op het eamen. Het servicedocument bevat de volgende onderwerpen: de beschrijving van het eamen; de eamenspecificaties; de toetsmatrijs. Beschrijving van het eamen In de beschrijving van het eamen komen aan de orde: Plaats in het iexa raamwerk; Globale inhoud: een korte beschrijving van de onderwerpen waaruit het eamen bestaat; Doelgroep: voor wie het eamen is bedoeld; Voorkennis: welke kennis vooraf als bekend wordt verondersteld; Vervolg: welk eamen kan aansluitend op dit eamen gedaan worden; Competenties: welke competenties in termen van het e-competence Framework (e-cf) worden getoetst; Toetsvorm: met welk type vragen de toetsing plaatsvindt; Studielast: een indicatie van het aantal studiebelastingsuren. Eamenspecificaties In dit hoofdstuk worden de onderwerpen, eindtermen, nadere eamenspecificaties en een toelichting hierop weergegeven. Het eamen is geconcentreerd rondom een aantal hoofdonderwerpen. Deze worden vervolgens vertaald in eindtermen, c.q. eameneisen. De eindtermengeven op hoofdlijnen aan wat een kandidaat moet kennen en kunnen. De eamenspecificaties zijn een gedetailleerde beschrijving van deze termen.gebruikmakend van de taonomie van Bloom zijn er vier soorten specificaties: 1. Kennisvragen (k). Specificaties waarbij een kandidaat iets moet kennen met als doel zaken te reproduceren, op te sommen, te herkennen, verbanden te leggen en/of te definiëren. Dit leidt tot kennisvragen. 2. Begripsvragen (b). Specificaties waarbij een kandidaat inzicht dient te hebben in zaken met als doel te selecteren en samen te vatten, te verklaren, te onderbouwen, uit te leggen (in eigen woorden), te beschrijven, verschillen te duiden en/of voorbeelden te geven. Dit leidt tot begripsvragen. 3. Toepassingsvragen (t). Specificaties waarbij een kandidaat zaken toe moet kunnen passen met als doel oplossingen voor te stellen, een situatie met kennis van zaken aan te pakken, een test uit te voeren en/of concrete gevallen te toetsen aan abstracte definities. Dit leidt tot toepassingsvragen. 4. Analysevragen (a). Specificaties waarbij een kandidaat een analyse moet kunnen uitvoeren met als doel het beschrijven van patronen, het leveren van bewijzen voor een conclusie, het classificeren en/of vergelijken van ingewikkelde problemen. In de toelichting op de eamenspecificaties wordt aangegeven wat een kandidaat geacht wordt te kennen of kunnen bij de betreffende specificatie. Toetsmatrijs Tot slot geeft de toetsmatrijs de opbouw van het eamen weer. In de toetsmatrijs wordt aan de hand van het belang van elke eameneis aangegeven welk deelvan de toets hierop betrekking heeft. Daarbij kent elk onderdeel een minimaal en een maimaal aantal vragen. Pag. 3 van 15
2. Beschrijving van het eamen Naam eamen iexa eamen ICT Building and Implementing Plaats in iexa raamwerk iexa is gebaseerd op AMBI, Bachelor of ICT (HBO-i), L_Paso en e-cf. In lijn met de Bachelor of ICT bestaat het iexa framework uit 3 dimensies; architecturen, activiteiten en leerniveaus. Architecturen Van de 5 architecturen uit het framework Bachelor of ICT behandelt iexa de leveranciers neutrale: Business Processes, Applications en Infrastucture. De hardware- en eindgebruikers-laag zijn over het algemeen leverancier gebonden. Dit eamen richt zich op de architectuurlagen Applications en infrastructuur. Competentiegebieden en niveau In het e-cf worden 36 competenties beschreven die zijn verdeeld over de 5 competentiegebieden; Plan, Build Run, Enable en Manage. Dit eamen heeft betrekking op het competentiegebied Build en op een aantal van de daarin voorkomende competenties op e- CF3 niveau. In het onderstaande raamwerk is de positie van dit eamen weergegeven: Pag. 4 van 15
Globale inhoud Dit eamen kent vijf hoofdonderwerpen die aansluiten bij de betreffende e -CF competenties. Als eerste wordt aandacht besteed aan integratie van componenten. Daarna volgt het onderwerp testen. Vervolgens is er aandacht voor de implementatie van oplossingen en het vervaardigen van documentatie. Ten slotte wordt systems engineering behandeld. Doelgroep Dit eamen is bestemd voor mensen die zich willen verdiepen in het bouwen, implementeren en integreren van applicaties en/of ICT infrastructuur. Het betreft dus kennis en vaardigheden die met name relevant zijn voor functies op het gebied van applicaties en infrastructuur. Voorkennis/niveau De kennis van de basiseamens dient beheerst te worden. Het betreft een eamen op e-cf 3 niveau en daarmee op EQF 6 niveau. Competenties In dit eamen worden verschillende elementen van competenties van het e -CF getoetst. Het betreft kennis- en vaardigheidscomponenten zoals deze in e-cf worden genoemd. Het gaat hierbij om componenten die zich op niveau e-cf 3 bevinden. Dit is vergelijkbaar met EQF 6, oftewel bachelorniveau. Met het eamen worden de in een eamensetting te toetsen aspecten van een competentie afgetoetst. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het kunnen behalen van de betreffende competentie. Het betreft in dit eamen de volgende competenties uit het e-cf: B.6. Systems Engineering B.3. Testing B.4. Solution Deployment B.2. Component Integration B.5. Documentation Production Toetsvorm De toetsing bestaat uit een computergestuurd eamen met gesloten en open vragen. Indicatie studielast De gemiddelde studielast voor dit eamen is 280 uur. Pag. 5 van 15
3. Eamenspecificaties Eamenonderwerpen In het eamen komen de volgende hoofdonderwerpen aan de orde: 1. Systems engineering 2. Testen 3. Oplossingen implementeren 4. Integratie van componenten 5. Vervaardigen van documentatie Eindtermen en eamenspecificaties met toelichting Overlappingen en verdiepingen In het e-cf komen sommige kennis- en vaardigheidselementen in dezelfde of vergelijkbare vorm terug in meerdere competenties. Om een volledig beeld van een competentie te schetsen wordt in dat geval het element bij beide competenties opgenomen. Om aan te geven om welke specificaties het gaat, staat achter het nummer van de betreffende specificatie een * geplaatst. In dit eamen betreft het de volgende specificaties: Toetsterm in dit eamen = eact gelijk aan bij benadering gelijk aan B4 B4-K3.1 C1-K4.1 B6 B6-K5.1 B1-K5 B6-K6.1 B1-K6 B6-S1.1 B1-S1 B6-S2.1 B1-S2 B6-S4.1 B1-S4 B6-S5.1 B1-S5 B6-S6.1 B1-S6 De specificaties waar achter de tekst van die specificatie een ** is geplaatst, zijn een verdieping op specificaties in de basiseamens. In dit eamen betreft dit de volgende specificaties: k b t a B6 Systems Engineering B6.1 De kandidaat kan systemen ontwerpen en ontwikkelen. B6-S7.1 De kandidaat kan juiste ontwikkelings- en/of proces modellen selecteren om effectief en efficiënt te ontwikkelen.** Lineair/ Waterval (SDM, SSM) Evolutionair/ incrementeel (Spiral model, IAD, RAD, DSDM, Agile: SCRUM, Xtreme Programming) B6-S3.1* De kandidaat kan de voor de situatie geschikte software- en hardwarearchitecturen toepassen. Pag. 6 van 15
B6-S4.1* Op basis van een casusbeschrijving of een situatieschets kan de kandidaat aangeven wat een juiste architectuur is: Monolithic Client/server Component based Service oriented Data centric Event driven Rule based Distributed De kandidaat kan hardware architecturen, user interfaces, business software componenten en embedded software componenten ontwerpen en ontwikkelen. Architecturen Met behulp van: Architectuurstyle o Data-centered o Data-flow Batch sequential Pipe-and-Filter o Call-and-Return Main program/ subprogram Remote procedure call o Object-Oriented o Layered Architectural contet diagram Definieren archetypes Architectuur verfijnen in componenten Toestanden (instanties) beschrijven User interfaces Met behulp van de drie gouden regels en de vier activiteiten volgens Mandel. Software componenten Met behulp van: Ontwerpprincipes Open-Closed Principle (OCP) Liskov Substitution Principle (LSP) Dependency Inversion Principle (DIP) Interface Segregation Principle (ISP) B6-S6.1* De kandidaat kan datamodellen gebruiken. Aan de hand van een casusbeschrijving of een situatieschets kan de kandidaat de volgende modellen opstellen of toelichten: Conceptueel datamodel, Entity Relationship Diagram (ERD) Logisch datamodel, Data Structure Diagram (DSD) Fysiek datamodel B6-K5.1* De kandidaat kan programmeertalen onderscheiden.** Pag. 7 van 15
B6-K6.1* Kent de belangrijkste principes van en verschillen tussen: Java C++ C# Objective C PHP Python Ruby Javascript SQL De kandidaat kan modellen van energieverbruik van software en hardware onderscheiden. Aan de hand van de begrippen: idle vermogen/ idle power/ idle consumption actief vermogen/ active power/ real power Power Usage Effectiveness (PUE) Voor CPU: Lineair model Pn = (Pma-Pidle) * n/100 + Pidle Voor harddisk met gem. belasting (Pr = probability): Pgem = Pidle * Pr(idle) + Pr(write) + Pread * Pr(read) Voor harddisk met intensieve belasting: Pconstant = (Pwrite + Pseek + Pread)4/5 Voor server: Daadwerkelijk vermogen = Pidle + benutting * (Pactief Pidle) Voor data centrum: PUE = P datacentrum / P ICT apparatuur B6-K8.1 De kandidaat kan de opzet en uitvoering van prototyping aangeven.** Aan de hand van het proces van prototyping ten aanzien van: Wegwerpuitvoering (throwaway prototyping) Evolutionaire prototyping (evolutionary prototyping) B6-S5.1* De kandidaat kan hoge niveaus van cohesie en kwaliteit in complee software ontwikkeling managen en waarborgen. Aan de hand van: Niveaus van cohesie volgens Yourdon & Constantine ISO 25010 (voorheen 9126) kwaliteitsattributen voor software Kwaliteitsfactoren van McCall Managen aan de hand van: Haalbare oplevering Plannen afhankelijkheden Risicoplanning Waarborgen aan de hand van: Technical review o Informal - Desk check - Casual meeting Pag. 8 van 15
o Formal - Walkthroughs - Inspections Software Quality Assurance activiteiten volgens het Software Engineering Institute Kwaliteitsdoelen, attributen en maatstaven B6.2 De kandidaat kan systemen testen en uitleggen aan de klant. B6-S2.1* De kandidaat kan testen uitvoeren om productspecificaties te controleren. B6-S1.1* [Wordt in dit eamen afgetoetst onder B3.2] De kandidaat kan het ontwerp en de ontwikkeling uitleggen en communiceren aan de klant. Aan de hand van een casusbeschrijving of een situatieschets kan de kandidaat: de juiste vormen van communicatie met de klant kiezen de systeemeisen van de klant aanwijzen in het ontwerp het datamodel uitleggen aan de klant k b t a B3 Testing B3.1 De kandidaat heeft inzicht in soorten testen en in technieken, infrastructuur, hulpmiddelen en normen bij testen. B3-K3.1 De kandidaat kan de verschillende soorten testen onderscheiden.** Unit Unitintegratie Interface (componenten) Systeemintegratie Systeem Performance Stress Installatie Compatibility Gebruikersacceptatie Regressie Produktieacceptatie Functional B3-K1.1 De kandidaat kan technieken, infrastructuur en hulpmiddelen ten behoeve van het testproces onderscheiden.** Volgens Tmap : Test technieken: Beslistabeltest Datacombinatietest Elementaire Vergelijkingentest Error guessing Eploratory testing Gegevenscyclustest Procescyclustest Real life test Semantische test Syntactische test Pag. 9 van 15
Use case test Infrastructuur: Testomgevingen Testhulpmiddelen Werkplekken B3-K4.1 De kandidaat kan nationale en internationale normen voor kwaliteitscriteria voor testen beschrijven. Aan de hand van de globale opzet van en de belangrijkste begrippen uit: Tmap IEEE 829 (wordt op termijn: ISO/IEC/IEEE 29119)/ IEEE 1008/ B3.2 De kandidaat kan het testproces uitvoeren. B3-S1.1 De kandidaat kan een testplan opstellen en managen.** Aan de hand van de onderdelen zoals aangegeven door: Tmap IEEE 829-Standard for Software Test Documentation (ISO/IEC/IEEE 29119) B3-S2.1 De kandidaat kan het testproces managen. Volgens Tmap. B3-S3.1 De kandidaat kan testen van ICT-systemen ontwerpen. Volgens Tmap. B3-S4.1 De kandidaat kan testen van ICT-systemen voorbereiden. Volgens Tmap. B3-S4.2 De kandidaat kan testen van ICT-systemen begeleiden. Volgens Tmap. B3-S5.2 De kandidaat kan testen en resultaten documenteren. Volgens Tmap. B3-S5.1 De kandidaat kan rapporteren over testen en resultaten. Volgens Tmap. B3-S2.2 De kandidaat kan het testproces evalueren. Volgens Tmap. B4 Solution Deployment B4.1 De kandidaat heeft inzicht in de impact van de implementatie van oplossingen en de methoden en technieken bij implementatie. B4-K4.1 De kandidaat kan de impact van implementatie op de huidige architectuur inschatten.* Aan de hand van: Dependency Structure Matri (DSM) Source Code Query Language Refleion Model k b t a B4-K1.1 De kandidaat kan prestatieanalysetechnieken onderscheiden.** Aan de hand van de algemene kenmerken van: Metingen Simulatie Analytische of wiskundige modellering B4-K2.1 De kandidaat kan technieken m.b.t. probleemmanagement onderscheiden.** Categoriseren Problems/Known Errors Pag. 10 van 15
B4-K3.1* Uitvoeren trendanalyses Onderhouden Known Error Database Genereren wijzigingsverzoeken De kandidaat kan methoden en technieken betreffende het samenstellen van software (packaging) en het distribueren ervan onderscheiden.** Software packaging principes volgens Martin Release Reuse Equivalency Principle (REP) Common Closure Principle (CCP) Common Reuse Principle (CRP) Distributie van software Application streaming Digital distribution File sharing B4.2 De kandidaat kan interoperabiliteit waarborgen. B4-S3.1 De kandidaat kan componenten op elk niveau zo configureren dat de interoperabiliteit is gewaarborgd. B4-S4.1 De kandidaat kan epertise die nodig is om interoperabiliteitsproblemen op te lossen bepalen. B4.3 De kandidaat kan de implementatie van oplossingen organiseren. B4-S1.1 De kandidaat kan het uitrollen van producten plannen. Aan de hand van: Verschillende roll-out scenario s: Big bang vs gefaseerd o Incrementen van functie o Incrementen van locatie o Evolutionair Push vs pull Geautomatiseerd vs handmatig B4-S7.1 B4-S6.1 B4-S2.1 De kandidaat kan code gemaakt door derden aanpassen, aangepaste software ondersteunen en onderhouden. De kandidaat kan het vullen van databanken organiseren en kan datamigratie managen. Aan de hand van de technieken: Etract, transform & load (ETL) Handmatig coderen Replicatie De kandidaat kan bèta-testactiviteiten organiseren en plannen en de oplossing in de definitieve operationele omgeving testen. Aan de hand van de stappen: Voorbereiden Gegevens verzamelen tijdens de test Gegevens effectief benutten en resultaten rapporteren Test afsluiten Pag. 11 van 15
B4-S5.1 De kandidaat kan initiële ondersteuningsservice organiseren en bewaken inclusief een gebruikerstraining tijdens de startfase. Aan de hand van een casusbeschrijving of een situatieschets kan de kandidaat de volgende zaken m.b.t. support en training toepassen: Planning Methode Materialen B2 Component Integration B2.1 De kandidaat heeft inzicht in de impact, technieken en hulpmiddelen bij integratie van componenten. B2-K2.1 De kandidaat kan de impact van integratie op een bestaand systeem en op de organisatie inschatten.** Aan de hand van: (rapportage van een) applicatie-impact analyse volgens ASL (rapportage van) een bedrijfs-impactanalyse m.b.v. COPAFIJTH k b t a B2-K3.1 De kandidaat kan interfacing technieken tussen modules, systemen en componenten bepalen.** Aan de hand van: JTAG interface Bus interface Digitale I/O poort Analoge I/O poort Seriële interface B2-K4.1 De kandidaat kan technieken om de integratie te testen onderscheiden. Big Bang Testing Bottom Up Testing Top Down Testing Sandwich Testing B2-K5.1 De kandidaat kan hulpmiddelen bepalen bij het ontwikkelen. Aan de hand van de elementen van een ontwikkelomgeving (IDE): o Source code editor o Compiler o Interpreter o Debugger o Profiler o Data dictionaries B2-K6.1 De kandidaat kan best practice ontwerptechnieken beschrijven. Aan de hand van: UML Design model Scenario based elements Class based elements Behavioral element B2.2 De kandidaat kan systeemprestatie meten en ervoor zorgen dat deze voldoet aan de behoeften en specificaties. B2-S1.1 De kandidaat kan de systeemprestatie voor, tijdens en na de systeemintegratie Pag. 12 van 15
meten. Aan de hand van verschillende, algemeen toegepaste, aspecten van systeemprestatie.: Reliability Beschikbaarheid (availability) Response tijd Processing speed Channel capacity Throughput Met gebruik van: Performance testing en profiling Stress testing B2-S3.1 De kandidaat kan behoeften van klanten aan bestaande producten koppelen. Aan de hand van: User requirements System requirements Requirements document B2-S4.1 De kandidaat kan controleren of geïntegreerde systeemcapaciteit en efficiëntie voldoen aan de specificaties. B2.3 De kandidaat kan de integratie van componenten beheren. B2-S2.1 De kandidaat kan in het kader van de integratie van componenten activiteiten, problemen en daaraan gerelateerde herstelactiviteiten documenteren en registreren. B2-S5.1 De kandidaat kan data veiligstellen om data integriteit tijdens systeemintegratie te bewaken. k b t a B5 Documentation Production B5-K4.1 De kandidaat kan de werking aangeven van versiebeheer m.b.t. het vervaardigen van documentatie. Met behulp van een versioning system. B5-S2.1 De kandidaat kan templates voor gedeelde publicaties voorbereiden. B5-S3.1 De kandidaat kan de workflow van het contentmanagement organiseren en beheersen. Aan de hand van een casusbeschrijving of een situatieschets kan de kandidaat workflow organiseren: Een workflow analyse uitvoeren: o Taken definieren o Taken groeperen in een workflow o Stappen identificeren in workflow Een personeels analyse uitvoeren: o Vaardigheden en tijdsduur koppelen aan workflowstappen o Taken clusteren in functies o Totale geschatte tijd koppelen aan functies Beheersen aan de hand van de werking van: Pag. 13 van 15
B5-S4.1 Workflow objects Triggers Work queues Rerouting Audit trails Reporting De kandidaat kan publicaties afstemmen op de oplossing tijdens de gehele levenscyclus. Pag. 14 van 15
4. Toetsmatrijs Eamengegevens Eamenvorm: schriftelijk eamen met gesloten en open vragen. Aantal vragen: 40 Eamentijd: 120 min. Matrijs De toetsmatrijs geeft een overzicht van het minimaal en maimaal aantal vragen per eindterm en per vraagsoort. Eindterm Specificatie Puntenverdeling in % Vorm Soort min ma K B T A B2 K2.1,K3.1,K4.1,K5.1,K6.1 10% 16% X B2 S1.1,S2.1,S3.1,S4.1,S5.1 10% 16% X B3 K1.1,K3.1,K4.1 6% 10% X B3 S1.1,S2.1,S2.2,S3.1,S4.1,S4.2,S5.1,S5.2 14% 24% X B4 K1.1,K2.1,K3.1,K4.1 6% 10% X B4 S1.1,S2.1,S3.1,S4.1,S5.1,S6.1, S7.1 10% 16% X B5 K4.1 2% 4% X B5 S2.1,S3.1,S4.1 6% 10% X B6 K5.1,K6.1,K8.1 6% 10% X B6 S1.1,S2.1,S3.1,S4.1,S5.1,S6.1, S7.1 14% 24% X Kennisvragen - - Begripsvragen 30% 46% Toepassingsvragen 54% 70% Analysevragen - - Totaal 100% Pag. 15 van 15