INFORMATICA HAVO VAKINFORMATIE STAATSEXAMEN 2015 juni 2014
De vakinformatie in dit document is vastgesteld door het College voor Toetsen en Examens (CvTE). Het CvTE is verantwoordelijk voor de afname van de staatsexamens voortgezet onderwijs en draagt zorg voor de kwaliteit en het niveau van de examens. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is belast met de praktische uitvoering en organisatie van de staatsexamens. Met vragen over deze vakinformatie kunt u contact opnemen met de afdeling Examendiensten van DUO: (050) 599 89 33 of staatsexamens@duo.nl. pagina 2 van 24
Inhoud 1 Opzet van het examen 5 2 Het examenprogramma 5 3 Beschrijving eindtermen 5 4 Het college-examen 5 5 De beoordeling van het college-examen 6 6 Het eindcijfer 6 7 BIJLAGE 1 - Syllabus 7 7.1 Domein A: Informatica in perspectief 7 7.1.1 Subdomein A1: Wetenschap en technologie 7 7.1.2 Subdomein A2: Maatschappij 7 7.1.3 Sub-subdomein: Nieuwe ontwikkelingen 8 7.1.4 Subdomein A3: Studie- en beroepsomgeving 8 7.1.5 Subdomein A4: Individu 8 7.2 Domein B: Basisbegrippen en vaardigheden 8 7.2.1 Subdomein B1: Gegevensrepresentatie in een computer 8 7.2.2 Subdomein B2: Hardware 8 7.2.3 Sub-subdomein: Werking van de computer 8 7.2.4 Sub-subdomein: Randapparatuur 9 7.2.5 Subdomein B3: Software 9 7.2.6 Sub-subdomein: Programma's als gestructureerde oplossing 9 7.2.7 Sub-subdomein: Toepassing van software 9 7.2.8 Subdomein B4: Organisaties 9 7.3 Domein C: Systemen en hun structurering 9 7.3.1 Subdomein C1: Communicatie en netwerken 9 7.3.2 Sub-subdomein: Communicatie 9 7.3.3 Subdomein C2: Besturingssystemen 10 7.3.4 Subdomein C3: Systemen in de praktijk 10 7.3.5 Subdomein C4: Informatiesysteemontwikkeling 10 7.3.6 Subdomein C5: informatiestromen 10 7.3.7 Subdomein C6: informatieanalyse 10 7.3.8 Sub-subdomein: Gegevensverwerkende systemen 11 7.3.9 Subdomein C7: Relationele databases 11 7.3.10 Sub-subdomein: Databasemanagementsystemen 11 7.3.11 Subdomein C8: Interactie mens-machine 11 7.3.12 Subdomein C9: Systeemontwikkeltraject 11 7.4 Domein D: Toepassingen in samenhang 11 7.4.1 Subdomein D1: Systeemontwikkeling en projectmanagement 11 8 BIJLAGE 2 - Uitwerking van de eindtermen 13 8.1 Domein A: Informatica in perspectief 13 8.1.1 Subdomein A1: Wetenschap en technologie 13 8.1.2 Subdomein A2: Maatschappij 13 8.1.3 Sub-subdomein: Nieuwe ontwikkelingen 14 pagina 3 van 25
8.1.4 Subdomein A3: Studie- en beroepsomgeving 14 8.1.5 Subdomein A4: Individu 14 8.2 Domein B: Basisbegrippen en vaardigheden 15 8.2.1 Subdomein B1: Gegevensrepresentatie in een computer 15 8.2.2 Subdomein B2: Hardware 15 8.2.3 Sub-subdomein: Werking van de computer 15 8.2.4 Sub-subdomein: Randapparatuur 15 8.2.5 Subdomein B3: Software 16 8.2.6 Sub-subdomein: Programma's als gestructureerde oplossing 16 8.2.7 Sub-subdomein: Toepassing van software 16 8.2.8 Subdomein B4: Organisaties 16 8.3 Domein C: Systemen en hun structurering 16 8.3.1 Subdomein C1: Communicatie en netwerken 16 8.3.2 Sub-subdomein: Communicatie 16 8.3.3 Subdomein C2: Besturingssystemen 17 8.3.4 Subdomein C3: Systemen in de praktijk 17 8.3.5 Subdomein C4: Informatiesysteemontwikkeling 17 8.3.6 Subdomein C5: Informatiestromen 18 8.3.7 Subdomein C6: Informatieanalyse 18 8.3.8 Sub-subdomein: Gegevensverwerkende systemen 18 8.3.9 Subdomein C7: Relationele databases 18 8.3.10 Sub-subdomein: Databasemanagementsystemen 18 8.3.11 Subdomein C8: Interactie mens-machine 19 8.3.12 Subdomein C9: Systeemontwikkeltraject 19 8.4 Domein D: Toepassingen in samenhang 19 8.4.1 Subdomein D1: Systeemontwikkeling en projectmanagement 19 9 BIJLAGE 3 - Zwaartepunten en samenhang 20 9.1 Accenten 20 9.2 Contexten 20 9.3 Oriëntaties 20 10 BIJLAGE 4 Syntax programmeren 22 11 BIJLAGE 5 Syntax SQL 24 pagina 4 van 25
1 Opzet van het examen Het examen bestaat uit een college-examen. Het college-examen bestaat uit een schriftelijke toets en een mondeling examen. 2 Het examenprogramma Informatica college-examen schriftelijk mondeling Domein A: Subdomein A1: Wetenschap en X X Informatica in perspectief technologie Subdomein A2: Maatschappij X X Subdomein A3: Studie en X beroepsomgeving Subdomein A4: Individu X X Domein B: Subdomein B1: Gegevensrepresentatie X X Basisbegrippen en vaardigheden in een computer Subdomein B2: Hardware X X Subdomein B3: Software X X Subdomein B4: Organisaties X X Domein C: Subdomein C1: Communicatie en X X Systemen en hun structurering netwerken Subdomein C2: Besturingssystemen X X Subdomein C3: Systemen in de praktijk X X Subdomein C4: X X Informatiesysteemontwikkeling Subdomein C5: Informatiestromen X X Subdomein C6: Informatieanalyse X X Subdomein C7: Relationele databases X X Subdomein C8: Interactie mens-machine X X Subdomein C9: Systeemontwikkeltraject X X Domein D: Toepassingen in samenhang X X 3 Beschrijving eindtermen Een toelichting en concretisering van de domeinen en subdomeinen kunt u vinden in de bijgevoegde bijlagen 1 en 2. 4 Het college-examen Het college-examen bestaat uit: 1. Een schriftelijke toets De schriftelijke toets van 120 minuten wordt afgenomen rond de periode van het centraal examen of één dag daaraan voorafgaand. Tijdens de schriftelijke toets wordt geen aandacht besteed aan: - informatie inwinnen over de rol van informatica/ict in vervolgopleidingen. - informatie inwinnen over de rol van informatica/ict in beroepen en de beroepsomgeving. - in hoeverre de kandidaat capaciteiten en interesses bezit die wenselijk zijn dan wel noodzakelijk worden geacht voor vervolgopleidingen waarin informatica/ict een centrale rol speelt. Het gebruik van het basispakket hulpmiddelen is toegestaan. Voor basispakket hulpmiddelen, zie Regeling toegestane hulpmiddelen. pagina 5 van 25
Bij het schriftelijk examen wordt een bijlage toegevoegd met de syntax van het programmeren en SQL zoals u die vindt in bijlage 4 en 5. 2. Het mondeling examen Het mondeling examen van 40 minuten vindt plaats in juli (op scholen voor vso eind juni/juli). Bij het mondeling examen wordt aandacht besteed aan: - een casus die betrekking heeft op Informatica. Gedurende twintig minuten voorafgaande aan het mondeling examen, krijgt de kandidaat een casus te bestuderen die betrekking heeft op één of meer domeinen. Tijdens de voorbereiding en het mondelinge examen is het gebruik van het basispakket hulpmiddelen toegestaan. Over deze casus worden tijdens het mondeling examen gedurende ongeveer 15 minuten vragen gesteld. - Vervolgens komt het algemene gedeelte aan de orde. In dit algemene gedeelte worden vragen gesteld over de overige subdomeinen van het college-examen. - Bij het mondelinge examen mag de kandidaat gebruik maken van de bijlagen 4 en 5 betreffende de syntax van het programmeren en SQL. De examinator zorgt ervoor dat een exemplaar van dit materiaal bij het examen beschikbaar is. 5 De beoordeling van het college-examen Voor het college-examen worden de volgende deelcijfers gegeven: - één deelcijfer voor het schriftelijk examen deelcijfer a - één deelcijfer voor de beantwoording van vragen over de casus deelcijfer b - één deelcijfer voor het beantwoorden van vragen over de overige domeinen en subdomeinen behorend tot de examenstof van het college-examen. deelcijfer c Het cijfer voor het college-examen wordt als volgt berekend: (2a + b + c) : 4. 6 Het eindcijfer Het eindcijfer is gelijk aan het cijfer voor het college-examen. pagina 6 van 25
7 BIJLAGE 1 - Syllabus Examenstof (enkele eindtermen kunnen niet op het staatsexamen getoetst worden, noch op individuele basis geoefend worden en zijn daarom cursief weergegeven) In bijlage 2 wordt een uitwerking gegeven van de eindtermen. In bijlage 3 wordt een uitwerking gegeven van zwaartepunten en samenhang in het examenprogramma. Bijlage 4 geeft een overzicht van de syntax van het programmeren. Bijlage 5 geeft een overzicht van de syntax van SQL. 7.1 Domein A: Informatica in perspectief 7.1.1 Subdomein A1: Wetenschap en technologie 1. aan de hand van voorbeelden de volgende kenmerken van informatica herkennen en toelichten: Informatica bestrijkt de basisprincipes en de (systematische) toepassing van methoden. Informatica kent technieken en technologische hulpmiddelen inzake gegevensverwerking en communicatie. Informatica integreert en is geïntegreerd in aspecten uit alfa-, bèta- en gammawetenschappen. Informatica heeft een grote wisselwerking met andere wetenschapsgebieden en technologieën. Informatica kent een dynamische ontwikkeling. 2. de geschiedenis van de ontwikkelingen in de informatica/ict in hoofdlijnen beschrijven en aangeven welke toekomstperspectieven die ontwikkelingen bieden. 3. de examenstof toepassen bij het integreren van informatica met andere vakgebieden en toepassingen van informatica in de context van onderwerpen uit die vakgebieden gebruiken en beoordelen op bruikbaarheid. 7.1.2 Subdomein A2: Maatschappij 4. aan de hand van voorbeelden in de huidige maatschappij de volgende kenmerken van een informatiemaatschappij herkennen en toelichten: informatisering is in vrijwel alle geledingen van de maatschappij doorgedrongen. een informatiemaatschappij is een maatschappij waarin de belangrijkste sociale, economische en productieactiviteiten liggen op het gebied van gegevensverwerking en communicatie. 5. aan de hand van voorbeelden in andere vakgebieden aangeven dat informatica/ict de maatschappij in tal van haar facetten ingrijpend verandert. 6. aan de hand van voorbeelden aangeven welke ingrijpende veranderingen informatica/ict veroorzaakt in bedrijfsprocessen, werkprocessen, beroepen en werkgelegenheid. Hij kan: uitleggen waarom er in een organisatie behoefte bestaat aan een positieve houding ten opzichte van informatica/ict en dat voor het ontwikkelen van systemen vakkennis nodig is. aangeven dat informatica/ict geen wondermiddel is voor elk probleem, dat de resultaten wel eens tegenvallen en dat soms de ontwerper teveel belooft of de gebruiker teveel verwacht. pagina 7 van 25
aangeven welke effecten automatisering heeft op het beroepenscala, welke verschuivingen er optreden en welke beslissingen er van belang zijn voor de omvang van de werkgelegenheid. 7.1.3 Sub-subdomein: Nieuwe ontwikkelingen De kandidaat heeft: 7. informatie ingewonnen over nieuwe ontwikkelingen in concepten, apparatuur en programmatuur. 7.1.4 Subdomein A3: Studie- en beroepsomgeving De kandidaat heeft: 8. informatie ingewonnen over de rol van informatica/ict in vervolgopleidingen. 9. informatie ingewonnen over de rol van informatica/ict in beroepen en de beroepsomgeving. 10. informatica/ict functies en taken benoemen en onderscheiden binnen: de gespecialiseerde informatica/ict beroepsomgeving. andere beroepsomgevingen waarin informatica/ict een rol speelt. Hij kan toelichten dat er verschuivingen optreden in de taken van informatica/ict specialisten en gebruikers. 7.1.5 Subdomein A4: Individu 11. de algemene en studievaardigheden gebruiken bij het toepassen van de examenstof. 12. de examenstof toepassen in groepen die werken aan projectopdrachten. 13. de examenstof toepassen bij het beoordelen van argumenten bij een zelf gekozen of gegeven standpunt over ethische normen en waarden betreffende het gebruik van informatica/ict. 14. privacygevoelige aspecten binnen toepassingen van informatica/ict herkennen. Hij kan aangeven waarom en hoe de privacy beschermd kan worden. De kandidaat is nagegaan: 15. in hoeverre hij capaciteiten en interesses bezit die wenselijk zijn dan wel noodzakelijk worden geacht voor vervolgopleidingen waarin informatica/ict een centrale rol speelt. 7.2 Domein B: Basisbegrippen en vaardigheden 7.2.1 Subdomein B1: Gegevensrepresentatie in een computer 16. uitleggen dat een computer een apparaat is dat door middel van codering gegevens representeert. Hij kan voorbeelden van codering benoemen en in toepassingen gebruiken. 7.2.2 Subdomein B2: Hardware 7.2.3 Sub-subdomein: Werking van de computer 17. de essentiële functies binnen een computer benoemen en de wisselwerking tussen de verschillende functies beschrijven, alsmede de hiervoor benodigde hardware herkennen en de werking ervan beschrijven. 18. parallelle en seriële verwerking beschrijven. pagina 8 van 25
7.2.4 Sub-subdomein: Randapparatuur 19. in- en uitvoerapparatuur en opslagmedia van een computer beschrijven en aangeven wanneer deze apparaten ingezet worden en enkele van deze apparaten gebruiken. 7.2.5 Subdomein B3: Software 7.2.6 Sub-subdomein: Programma's als gestructureerde oplossing 20. een probleem splitsen in deelproblemen. Hij kan bij de oplossing van een probleem de basisprincipes herhaling, voorwaardelijke keuze en volgorde van uitvoering toepassen. Hij kan de beginselen van een structureringstechniek gebruiken en het verband aangeven tussen de structuur en het bijbehorende programma. 21. enkele eenvoudige datatypen beschrijven en in programma's gebruiken. Hij kan aangeven hoe enkelvoudige parameteroverdracht tussen procedures plaatsvindt. Hij kan aangeven hoe gegevens worden geconverteerd van het ene naar het andere datatype. 7.2.7 Sub-subdomein: Toepassing van software 22. verschillende toepassingsmogelijkheden van programmatuur onderscheiden. Hij kan aangeven elke programmatuur toe te passen is in een bepaalde situatie. Hij kan met enkele ervan eenvoudige bewerkingen uitvoeren. 7.2.8 Subdomein B4: Organisaties 23. verschillende fasen en andere hoofdkenmerken van projectmanagement beschrijven. 24. aangeven waarom bij veranderingen in een lijnorganisatie in het kader van een automatiseringstraject in veel gevallen voor een projectorganisatie gekozen wordt. 7.3 Domein C: Systemen en hun structurering 7.3.1 Subdomein C1: Communicatie en netwerken 25. de topologische structuur van een netwerk benoemen en de bijbehorende kenmerken beschrijven en de meestgeschikte topologie voor een bepaalde situatie kiezen. 26. de diverse lagen in de communicatie tussen computers in netwerken onderscheiden en de functies ervan beschrijven. 7.3.2 Sub-subdomein: Communicatie 27. De kandidaat kan aan de hand van voorbeelden: de betekenis aangeven van de afstemming tussen zender, ontvanger en boodschap. de functie van een eenvoudig communicatieprotocol beschrijven en de elementen ervan onderscheiden. een werkstation in een netwerk gebruiken voor (inter)nationale telecommunicatie en het verwerven van informatie. pagina 9 van 25
7.3.3 Subdomein C2: Besturingssystemen 28. betrekking hebben op opslagmedia, randapparatuur, toegangsrechten en De kandidaat kan de basisfuncties van een besturingssysteem benoemen die toepassingsprogrammatuur en kan die in een praktijkvoorbeeld gebruiken. 29. De kandidaat kan de kenmerken aangeven van besturingssystemen die: één of meer taken tegelijk ondersteunen; één of meer gebruikers tegelijk ondersteunen 30. Hij kan de kenmerken van de verschillende besturingssystemen in een praktijkvoorbeeld beoordelen. 7.3.4 Subdomein C3: Systemen in de praktijk 31. (geautomatiseerde) systemen in de eigen omgeving herkennen en een aantal concepten en kenmerken van systemen beschrijven. 32. aan de hand van een beschrijving van een systeem de volgende kenmerken van een systeem herkennen: hiërarchisch. open of gesloten. niet-deterministisch of deterministisch. niet-bestuurd of bestuurd. 33. kenmerken benoemen van processors, besturingssystemen, randapparatuur, programmatuur en systeemontwikkeling die bepalend zijn voor het functioneren van systemen in de praktijk. De kandidaat ken de kenmerken benoemen van een: 34. real-time systeem. 35. kennissysteem. 36. simulatiesysteem. 37. embedded systeem. 38. voorbeelden van systemen benoemen en classificeren als: real-time systeem, kennissysteem, simulatiesysteem of embedded systeem. 7.3.5 Subdomein C4: Informatiesysteemontwikkeling 39. de fasering van een systeemontwikkeltraject beschrijven en de te verrichten activiteiten aangeven. 40. de projectmatige aspecten van systeemontwikkeling beschrijven en in voorbeelden aangeven. 7.3.6 Subdomein C5: informatiestromen 41. informatiestromen beschrijven aan de hand van een voorbeeld van een kleine organisatie. 42. al dan niet geautomatiseerde informatiestromen in de moderne maatschappij beschrijven. 7.3.7 Subdomein C6: informatieanalyse 43. uit een gegeven informatiebeschrijving de informatie objecten en de structuur van een informatiemodel afleiden. 44. een informatiemodel met beperkingsregels lezen en toelichten. pagina 10 van 25
45 uit een bestaand informatiemodel van een organisatie afleiden of binnen een bestaand informatiesysteem aan een gewijzigde informatiebehoefte kan worden voldaan. 7.3.8 Sub-subdomein: Gegevensverwerkende systemen 46. een gegeven informatievraag interpreteren en uit vastgelegde gegevens informatie verwerven en presenteren. 7.3.9 Subdomein C7: Relationele databases 47. de elementen van een relationeel schema benoemen en de betekenis van de elementen beschrijven. 48. een informatiebehoefte in een vraagtaal voor een relationele database formuleren. 49. op basis van een gegeven casus een passende relationele database met meerdere tabellen, velden, relaties en de juiste datatypen ontwerpen. 7.3.10 Sub-subdomein: Databasemanagementsystemen 50. de kenmerken en aspecten van databasemanagementsystemen beschrijven en voor specifieke systemen benoemen en gebruiken. 7.3.11 Subdomein C8: Interactie mens-machine 51. mens-machine interactie in voorbeelden van systemen herkennen en de kenmerken ervan benoemen. 52. keuzecriteria in het ontwerp van mens-machine interactie benoemen en in eenvoudige voorbeelden hanteren. 7.3.12 Subdomein C9: Systeemontwikkeltraject 53. aan de hand van een eenvoudig voorbeeld voor een systeemontwikkeltraject: aangeven of het systeem aan de eisen en wensen voldoet vanuit het perspectief van een gebruiker. als gebruiker een gerealiseerd systeem (of prototype) testen. aan de hand van het voorbeeld rapporteren over onderdelen van het systeemontwikkeltraject. 7.4 Domein D: Toepassingen in samenhang 7.4.1 Subdomein D1: Systeemontwikkeling en projectmanagement Kandidaten kunnen in een groep: 54. een projectopdracht uitvoeren waarbij zij een systeemontwikkeltraject doorlopen. In onderling overleg stellen zij het doel en de uitvoering van de projectopdracht vast. Zij kunnen zich inzetten om dat doel gemeenschappelijk te realiseren door daarover een plan op te stellen waarin zij afspraken vastleggen over: de onderlinge afhankelijkheden en afstemming tussen taken en (tussen)producten. de tijdsplanning van taken en (tussen)producten. hun participatie en individuele verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de taken en het opleveren van de (tussen)producten. pagina 11 van 25
werken met ICT voorzieningen daarbij het mondeling en schriftelijk verslag doen aan elkaar over het verloop en de resultaten; omgaan met problemen waarin door het plan niet voorzien wordt. 55. een projectopdracht uitvoeren waarbij zij een eenvoudig systeem ontwikkelen naar aanleiding van een eenvoudige informatievraag in een toepassingsdomein. Zij kunnen daarbij: het doel van de systeemontwikkelopdracht uitwerken. onderling en met anderen overleg voeren en informatie inwinnen over het te realiseren systeem. binnen de gegeven werksituatie nagaan welke ICT voorzieningen nodig, beschikbaar en realiseerbaar zijn om het systeem te ontwikkelen. taken voor systeemontwikkeling in de tijd plannen en die planning uitvoeren. mondeling rapporteren over het verloop en het resultaat van de systeemontwikkeling. per fase van het systeemontwikkeltraject producten opleveren, zoals het resultaat van de informatieanalyse, een beschrijving van het ontwerp van het op te leveren systeem, een werkend prototype. schriftelijk rapporteren over de verschillende taken binnen de systeemontwikkeling. 56. het door hen zelf ontwikkelde systeem toetsen aan een bestaand systeem in de praktijk. Daarbij nemen ze een kritische houding aan ten opzichte van het functioneren van ICT in de organisaties. pagina 12 van 25
8 BIJLAGE 2 - Uitwerking van de eindtermen Informatica is bij uitstek een vak dat aan snelle veranderingen onderhevig is. Omdat al op korte termijn aspecten van de informatica verouderd kunnen zijn en nieuwe aspecten naar de voorgrond kunnen komen, wordt in deze uitwerking niet vastgelegd welke stof exclusief bekend dient te zijn. Deze uitwerking dient dan ook gelezen te worden als voorbeeldmatig en richtinggevend, maar niet bij voorbaat beperkend. De uitwerking heeft de volgende functies: een verduidelijking van globaal geformuleerde eindtermen te verschaffen. een interpretatie van de omvang van de in de eindtermen genoemde stof te geven. voorbeeldmatige opsommingen van mogelijkheden te geven. 8.1 Domein A: Informatica in perspectief 8.1.1 Subdomein A1: Wetenschap en technologie 1. Het examenvak informatica in de tweede fase van het voortgezet onderwijs bevat onderdelen uit de vakgebieden informatica en informatie- en communicatietechnologie (ICT). Informatica en ICT zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Beide gebieden hebben gegevensverwerking en communicatie als gemeenschappelijke onderwerp. Voor de beeldvorming mag de kandidaat, in het examenvak informatica, de gebieden als volgt opvatten: Informatica als wetenschapsgebied bestrijkt de wetenschappelijke kennis over de basisprincipes en de (systematische) toepassing van methoden, technieken en technologische hulpmiddelen. Informatie- en communicatietechnologie (ICT) bestrijkt de ontwikkeling, de productie en het gebruik van technologische hulpmiddelen. 2. Ontwikkelingen betreffende eerste, tweede, derde en vierde generatiecomputers, transistor, IC, chip. Ook historische ontwikkeling. Principe van von Neumann. 3. Kunstmatige intelligentie, biometrie, enzovoort. 8.1.2 Subdomein A2: Maatschappij 4. Bij informatisering is er sprake van een toenemende invloed van informatica/ict op de maatschappij: die alle sectoren van de maatschappij raakt. waarbij ICT op grote schaal wordt toegepast. die een exponentiële groei van informatie veroorzaakt door ontwikkeling van nieuwe systemen en diensten voor gegevensverwerking en communicatie. 5. Voorbeelden zijn de invloed van informatica/ict op economische, politieke, sociale, juridische en culturele aspecten van de maatschappij. 6. In samenhang met de eindtermen 4 en 5 is de kandidaat in staat zich een beeld te vormen van trends die zijn opgetreden en/of verwacht mogen worden in de beroepsomgeving. Voorbeelden zijn: het ontstaan van totaalsystemen: geïntegreerde informatiesystemen die de primaire bedrijfsfuncties omvatten. ketenintegratie: geïntegreerde informatiesystemen die bedrijfsoverschrijdend zijn. minder routinematig werk, meer innovatief werk, waardoor meer ruimte over blijft voor creativiteit en zelfontplooiing. pagina 13 van 25
meer noodzaak tot voortdurende informatica en ICT scholing op gebruikersniveau. 8.1.3 Sub-subdomein: Nieuwe ontwikkelingen 7. Informatica is bij uitstek een vak dat aan snelle veranderingen onderhevig is. Voorbeelden van nieuwe mogelijkheden en toepassingen zijn: virtual reality. multimedia. internet toepassingen. beveiliging. phishing, skimmen, ddosaanval, carding. nieuwe vormen van cybercriminaliteit. nieuwe software, Apps. nieuwe hardware. 8.1.4 Subdomein A3: Studie- en beroepsomgeving 8. De kandidaat oriënteert zich op: studierichtingen informatica/ict opleidingen. waarin informatica/ict een rol speelt. de wisselwerking tussen informatica/ict en niet-informatica opleidingen. De kandidaat dient zich daarbij ook te oriënteren op de door hem eventueel te kiezen studierichting. 9. De kandidaat oriënteert zich op. de gespecialiseerde informatica/ict beroepsomgeving. nieuwe beroepen waarin informatica/ict een rol speelt. de wisselwerking tussen informatica/ict en andere beroepsomgevingen. de noodzaak tot voortdurende informatica/ict scholing in de beroepsomgeving in verband met nieuwe ontwikkelingen. 10. Belangrijk is dat de kandidaat zich een juist beeld vormt van de werkzaamheden die iemand in het beroepenveld verricht. Omschrijvingen die bijvoorbeeld te vinden zijn in bronnen als tijdschriften, advertenties en elektronische gegevensbanken verduidelijken doorgaans informatica/ict taken. Op het terrein van informatica/ict functies is weinig sprake van standaardisatie. 8.1.5 Subdomein A4: Individu 11. Algemene en studievaardigheden zijn die vaardigheden die deel uitmaken van het onderwijs in de tweede fase van het voortgezet onderwijs en van belang zijn voor succes in het vervolgonderwijs, te weten: probleemoplosvaardigheden. onderzoeksvaardigheden. taalvaardigheden. rekenvaardigheden. gebruik van hulpmiddelen. sociale en communicatieve vaardigheden. ICT-vaardigheden. 12. De kandidaat doet ervaring op met onderling samenwerken in multidisciplinair groepsverband, het omgaan met conflicterende factoren, het inpassen van zijn oplossing in het geheel en het gezamenlijk opleveren van een eindproduct met procesverslag, zoals dat in de informatica/ict beroepspraktijk gebruikelijk is. pagina 14 van 25
13. De kandidaat kan een mening beargumenteren over morele en ethische vraagstukken die zich in de maatschappij voordoen met betrekking tot de informatica/ict. Bijvoorbeeld: is het moreel aanvaardbaar om gebruik te maken van illegale software? 14. Denk hierbij aan de wijze waarop omgegaan moet worden met persoonsgebonden gegevens. Bijvoorbeeld; mag de overheid privé e-mails inzien? 15. De kandidaat heeft zich georiënteerd op vervolgopleidingen waarbij het informatica/ ICT een belangrijke rol speelt of noodzakelijk is en welke capaciteiten nodig zijn om zo n opleiding succesvol te kunnen afronden. 8.2 Domein B: Basisbegrippen en vaardigheden 8.2.1 Subdomein B1: Gegevensrepresentatie in een computer 16. Voorbeelden van verschillende coderingen voor verschillende soorten toepassingen zijn: bit, byte, SCII, unicode,3d, machinetaal, binair, analoog, digitaal, sampling, bestandsextensies, dpi, discreet, continu, bitmap, pixel, vector en veel gebruikte coderingen voor multimediale bestanden, avi,wmv, jpg, png, flac, bmp, png, gif, mpeg, divx, xvid, datacompressie, PHP/ASP, HTML, XML. 8.2.2 Subdomein B2: Hardware 8.2.3 Sub-subdomein: Werking van de computer 17. Voorbeelden van functies en hardware: processor, klok, bus, en/of/xof-poorten. intern, extern en cachegeheugen, register, ROM, RAM, virtueel geheugen, instructiecyclus, controlunit, kloksnelheid. in- en uitvoer, adresbus, databus, besturingsbus. HD, magnetisch, optisch, defragmenteren, geheugenbeheer, partitioneren, formateren, NTFS, FAT, toegangstijd. netwerkkaart, moederbord+onderdelen. multi-user, multitasking, multi threading, parallel, serieel. USB (micro,mini, type A, B),HUB, MODEM, router, repeater, switch. koper, WIFI, coax, UTP, RJ45, HDMI, VGA, DVI, PS2. 18. De kandidaat weet dat het opdelen van taken over verschillende processors snelheidswinst oplevert, maar veel communicatie vereist tussen apparatuur en programmatuur, met name in: geheugen. in- en uitvoer. De kandidaat kan de voor-en nadelen van parallelle en seriële verwerking van informatie beschrijven. Bijvoorbeeld: multikernprocessor, parallelle printerpoort, seriële bus. 8.2.4 Sub-subdomein: Randapparatuur 19. De kandidaat kan werken met en de functie beschrijven van in- en uitvoerapparaten als toetsenbord,muis, beeldscherm en printer. De kandidaat kan de functie beschrijven van specifieke apparatuur zoals digitalisator, digitale camera, microfoon, touchscreen, joystick, scanner, leespen, tablet, sensoren en actuatoren en met enkele van deze apparaten werken. De kandidaat kan pagina 15 van 25
kenmerken van opslagmedia als diskette, harde schijf, optische schijven, CD-i, CD-ROM, DVD, BLU ray, the cloud, dropbox en flashdisk benoemen. 8.2.5 Subdomein B3: Software 8.2.6 Sub-subdomein: Programma's als gestructureerde oplossing 20. De kandidaat kan een PSD maken van een gegeven algoritme. Dit met gebruik 21. van sequentiële, keuze en/of herhalingsstructuren. 22. Voorbeelden van datatypen zijn: karakters, woorden, reële getallen, gehele getallen, logische bewerkingen, samengestelde datatypen, string, boolean, integer, double, text, numeriek. Voorbeelden van begrippen die de kandidaat moet kennen: algoritme, instructie, PSD, compiler, klasse, object-georiënteerd, inheritance, object, constructor, methode, event, event-handling, declareren van variabelen, nesten, functie, lokale variabelen, globale variabelen, parameter, programmeertalen, iteratie, recursie, casten. 8.2.7 Sub-subdomein: Toepassing van software 22. De kandidaat kan geschikte toepassingsprogrammatuur kiezen voor de volgende situaties: bewerken en beheer van documenten, desktop publishing. beheer van gegevensbanken. manipuleren van beeld en geluid. maken van berekeningen. tekenen, grafische vormgeving en technisch tekenen. maken van organisatieschema's en planning. ontwerp en ontwikkelen van interactieve cursussen en lessen. maken van simulaties. maken van macro's. ondersteunen van ontwerpprocessen. beveiliging 8.2.8 Subdomein B4: Organisaties 23. Kenmerken van een project en projectmanagement waar een kandidaat in het systeem-ontwikkeltraject mee te maken krijgt zijn: eenmalige activiteit, doel, taakverdeling, coördinatie, plan van aanpak, fasering, projectbewaking, communicatie, beschikbare middelen, financiën, kwaliteit en rapportage. 24. Automatiseringstraject: herontwerp van een bestaande of nieuwe automatiseringssituatie. 8.3 Domein C: Systemen en hun structurering 8.3.1 Subdomein C1: Communicatie en netwerken 25. Voorbeelden: ster, hiërarchisch, lus, bus, ring, peer to peer, protocol. lokale netwerken LAN, MAN,WAN. 26. Kenmerken en standaarden van de lagen van het OSI model, protocollen, voor deze communicatie benodigde hardware. 8.3.2 Sub-subdomein: Communicatie 27. De kandidaat moet de volgende begrippen kennen: pagina 16 van 25
simplex, half-duplex, full-duplex verbindingen. communicatieprotocollen zoals: FTP, HTTP, SMTP, POP 8.3.3 Subdomein C2: Besturingssystemen 28. Het gebruik van basisfuncties betreft: opslagmedia, directories en bestanden beheren, pad. randapparatuur (in een lokaal netwerk) gebruiken. gebruikers identificeren en toegangsrechten beheren. toepassingsprogrammatuur installeren en beheren. De kandidaat moet de volgende begrippen kennen: pad, GUI, geheugenbeheer, drivers 29. De kandidaat moet de volgende begrippen kennen. printspooling, buffering, register, timeslicing. single/multi-tasking, single/multi-user. 30. Verschillen tussen besturingssystemen als Windows, IOS en Linux benoemen en aangeven welk systeem in een bepaalde situatie het meest geschikt is. 8.3.4 Subdomein C3: Systemen in de praktijk 31. Bijvoorbeeld: hoe werkt een leerlingvolgsysteem op een school? 32. - 33. De kandidaat kan beargumenteren hoe de volgende zaken door een gegeven situatie worden bepaald. processors: snelheid, geheugencapaciteit, instructieset, parallelliteit. randapparatuur: mens-machine communicatie, besturing. programmatuur: programmeertalen, datamodel, procesmodel. systeemontwikkeling: tijd, kosten, aantal betrokken personen, testen. 34 tm 37-38. Bijvoorbeeld: bij het leren besturen van een vliegtuig maak je gebruik van een simulatiesysteem. 8.3.5 Subdomein C4: Informatiesysteemontwikkeling 39. definitiefase, software requirements document, domeindeskundige vaststellen informatievraag. formuleren ontwikkeldoelstelling. afbakenen systeemgrenzen. analysefase. organisatieanalyse: (operationele) doelen, organisatiestructuur, functies (processen), informatiebehoeften. informatieanalyse: informatiestromen en informatiemodellen. ontwerpfase. gegevensbankontwerp: structuren en beperkingsregels. procesontwerp: verwerking en functies. invoer/uitvoer: schermen, dialogen, formulieren, rapporten. Realisatiefase. realisatie van gegevensbank. realisatie van procesmodel en functies. testen van het informatiesysteem. invoeringsfase. invoer van informatie: vullen van gegevensbank (conversie). pagina 17 van 25
gebruikerstraining: introductie op het systeemgebruik. gebruikersondersteuning: begeleiding van systeemgebruik. 40. Aspecten van een project: tijd: wat te doen wanneer? planning en bijstelling. organisatie: wie doet wat in welke rol? Afspraken. informatie: wie weet wat wanneer waarover? Communicatie. geld: wat kost hoeveel en wie betaalt? schatting en bewaking. kwaliteit: beheer en permanente evaluatie van aspecten: tijd, organisatie en informatie. 8.3.6 Subdomein C5: Informatiestromen 41. De kandidaat kan informatiebehoefte van een organisatie en de informatiestromen die in een organisatie circuleren beschrijven. Bijvoorbeeld: documenten, lijsten, formulieren, nota's, rapportages, notities,memo's en de informatie die daarin beschreven is. 42. Bijvoorbeeld het afrekenen van de boodschappen in een supermarkt waarbij je met een pinpas betaalt. 8.3.7 Subdomein C6: Informatieanalyse 43. De kandidaat kan op basis van gegeven informatie een entiteiten- of strokendiagram maken. Hij kan hier sleutelvelden en relaties aangeven. 44. De kandidaat kan een entiteiten- of strokendiagram lezen en interpreteren, inclusief uniciteits- en totaliteitsbeperkingen, sleutelvelden en eventuele relaties. 45. De kandidaat is in staat om een entiteiten- of strokendiagram aan te passen aan een gewijzigde informatiebehoefte. 8.3.8 Sub-subdomein: Gegevensverwerkende systemen 46. De kandidaat realiseert zich dat aan het zinvol gebruik maken van gegevens een informatievraag voorafgaat. De kandidaat heeft een beeld van de mogelijkheden van de verschillende gegevensverwerkende systemen. Hij kan een gegevensbank raadplegen en presentatietechnieken toepassen. Bijvoorbeeld: met gebruikmaking van gegevens uit Wikipedia een PowerPointpresentatie maken. 8.3.9 Subdomein C7: Relationele databases 47. Tabellen, kolommen, velden, sleutels, relaties, uniciteit al dan niet over meerdere kolommen, totaliteit, koppeltabel, datatypen, datavalidatie. 48. In SQL query s kunnen maken die: een selectie van gegevens (geordend) tonen, wijzigen, toevoegen of verwijderen uit een of meerdere tabellen, gebruikmakend van de syntax zoals die vermeld is op de bijlage syntax SQL. In een query moeten gegevens uit meerdere tabellen kunnen worden gecombineerd met behulp van een WHERE of een INNER JOIN constructie. De kandidaat moet de volgende begrippen kennen en in query s kunnen toepassen: select, from, distinct, where, order by, group by, having, like, and, or, not, is, =, in null, <, >, <>, between, asc, desc, insert into, update, delete from, *,?, count(), sum(), avg(), max(), min(), subquery, in, inner join. 49. Bijvoorbeeld een database kunnen ontwerpen en maken in ACCESS, MySQL of op papier. 8.3.10 Sub-subdomein: Databasemanagementsystemen 50. Het betreft hier aspecten betreffende: pagina 18 van 25
creatie. raadpleging en wijziging. beveiliging (gebruikerstoegang en transacties). rapportage. toekennen van rechten. datavalidatie. datamining. 8.3.11 Subdomein C8: Interactie mens-machine 51. Bijvoorbeeld: interactie mens geldautomaat. 52. De kandidaat hanteert het perspectief van zowel een ontwikkelaar als een gebruiker bij bijvoorbeeld menufuncties, schermindelingen en schermafhandeling. De kandidaat kan beargumenteren waarom in een bepaalde situatie een gekozen schermindeling en menufuncties worden gebruikt. 8.3.12 Subdomein C9: Systeemontwikkeltraject 53. De opdracht is gebaseerd op de beschrijving van een reeds gerealiseerd systeem ontwikkeltraject in de vorm van een casus met uitwerking. De casus bevat documenten over: definitie, informatieanalyse, (database-)ontwerp, een testrapport en het gerealiseerde systeem. De kandidaat beoordeelt het in de casus beschreven systeem en legt daarbij de nadruk op de kritische aspecten van de bij eindterm 39 genoemde fasen en taken in een systeemontwikkeltraject. 8.4 Domein D: Toepassingen in samenhang 8.4.1 Subdomein D1: Systeemontwikkeling en projectmanagement 54. - 55. - 56. - pagina 19 van 25
9 BIJLAGE 3 - Zwaartepunten en samenhang Het is goed mogelijk om in het examenprogramma de eindtermen in de vier domeinen met elkaar te integreren tot een structuur met een aantal zwaartepunten in het vakgebied, waarin tegelijkertijd de samenhang tot uitdrukking komt. Dit kan aan de hand van: - Accenten: deze benadrukken een bepaalde samenhang in de discipline informatica. - Contexten: deze geven uitdrukking aan de toepassingsgerichtheid van het vak. - Oriëntaties: deze vertegenwoordigen ziens- of werkwijzen in de informatica. 9.1 Accenten Informatie, communicatie en systemen vormen de accenten die aangebracht kunnen worden bij het werken met en bestuderen van het vakgebied informatica. Bij het interpreteren van het examenprogramma dienen bij elk te behandelen onderwerp deze drie accenten aan bod te komen. 9.2 Contexten Contexten geven uitdrukking aan de toepassingsgerichtheid van het vak informatica. De maatschappelijke aspecten uit domein A komen hier uitdrukkelijk aan de orde. Voorbeelden van contexten: - geldverkeer (giraal verkeer, pinpassen, chipper en chipknip) - gezondheidszorg (ziekenhuis, patiëntenbewaking) - beeldende vormgeving (animaties, computer aided design) - geo-informatiesystemen (cartografie, weersvoorspellingen) - logistiek en distributie (supermarkt) - internationalisering (vertalen, woordenboeken, grammaticacontrole - milieu (risicoanalyse, simulatie en voorspelling) - muziek (componeren, muzikale wenskaart) - meet- en regelsystemen (fietscomputer, inbraakalarm en -meldingssysteem) - reizen (reserveringen, routeplanner) - school (leerlingenregistratie, rooster, schoolcomputernetwerk) - samenleving (privacy, auteursrechten, stemmachine) - virtuele werkelijkheid (cyberspace, spelletjes). Contexten bieden een geschikte plaats voor uitwerking van: - sociale en individuele aspecten - economische, politieke en juridische aspecten - culturele, filosofische en historische aspecten van informatica en informatie- en communicatietechnologie in de maatschappij. 9.3 Oriëntaties Oriëntaties vertegenwoordigen ziens- of werkwijzen in de informatica. Binnen de informaticadiscipline bestaan scholen, die verbonden zijn met denkrichtingen of werkwijzen. Bekend zijn: het scala aan programmeerparadigma's en tal van methodes voor systeemontwikkeling. Voorbeelden van oriëntaties zijn: - gegevensoriëntatie. - procesoriëntatie. - objectoriëntatie. - taaloriëntatie. - programmeerparadigma's. Sommige oriëntaties, zoals objectoriëntatie, bieden goede mogelijkheden om van oudsher gescheiden domeinen uit het vakgebied, zoals informatieanalyse en programmeren, dichter bij elkaar te brengen. pagina 20 van 25
Vaak sluiten oriëntaties elkaar niet uit. Bij een keuze voor een oriëntatie kan er sprake zijn van persoonlijke voorkeur, gewenning of een maatschappelijke standaard. Het verdient aanbeveling bij het interpreteren van het examenprogramma uit te gaan van meerdere oriëntaties. pagina 21 van 25
10 BIJLAGE 4 Syntax programmeren Declareren van variabelen: Dim leeftijd As Integer Dim lengte As Double Dim naam As String Dim namen(10) As String dimensioneert een array van 11 elementen Syntax keuzestructuur: IF THEN END IF IF THEN ELSE END IF (Na IF kan gebruik gemaakt worden van de operatoren NOT, AND en/of OR. Syntax Herhalingstrucutuur FOR I=0 to N NEXT I WHILE WEND Objecten met hun methoden: Naam Methode Voorbeeld Label Label1.Text Label1.Text= Hallo Button Button1.Text Button1.Text= Print TextBox TextBox1.Text TextBox1.Text= Aap ListBox Het eerste item van een ListBox heeft index 0 ListBox1.Items.Add( ) ListBox1.Items.Count ListBox1.Items.Add( Aap ) ListBox1.Items.Clear ListBox1.SelectedIndex x=listbox1.selectedindex ListBox1.Items.Count aantal= ListBox1.Items.RemoveAt(index As integer) Listbox1.Items.RemoveAt(3) pagina 22 van 25
CheckBox CheckBox1.Text CheckBox1.Text= Keuze1" CheckBox1.Checked CheckBox1.Checked=True RadioButton RadioButton1.Text RadioButton1.Text= Keuze1 RadioButton1.Checked RadioButton1.Checked=True Casten De inhoud van een variabele met die een getal bevat naar een string: CStr(leeftijd) of met de method tostring, bijvoorbeeld leeftijd.tostring. De inhoud van een variabele die een string bevat naar een integer: Cint(textbox1.text) De inhoud van een variabele die een string bevat naar een double: CDbl(textbox1.text) pagina 23 van 25
11 BIJLAGE 5 Syntax SQL Syntax SQL N.B. Alles tussen [ ] is niet verplicht, betekent of, betekent 1 of meer. Basisstructuur SELECT query: Kolommen: Functies SELECT [DISTINCT] <kolommen en/of functies> [geen dubbele rijen] FROM <tabellen> [ WHERE <voorwaarden> ] [ ORDER BY <sorteer-kolommen> ] [ GROUP BY <groepeer-kolommen>] [ HAVING <groep-voorwaarden>] <kolomnaam> <tabelnaam>.<kolomnaam> * functie COUNT(*) SUM(<kolomnaam>) AVG(<kolomnaam>) MAX(<kolomnaam>) MIN(<kolomnaam>) Logische operatoren Sorteren Subquery aantal rijen totaal gemiddelde maximum minimum =, <, >, <=, >= of <> om te vergelijken BETWEEN AND vanaf eerste waarde tot en met tweede waarde NOT, AND en OR om voorwaarden om te keren en te combineren. LIKE:? voor één onbekende letter * voor willekeurig aantal letters IS NULL om te testen of er in een veld iets is ingevuld ORDER BY <één-of-meer-kolommen> ASC DESC ORDER BY rangnummer van de kolom uit SELECT WHERE <kolomnaam> IN ( <subquery> ) WHERE [NOT] EXISTS ( <subquery> ) Basisstructuur INSERT query: INSERT INTO <tabel> (veldnaam1, veldnaam2, ) VALUES (waarde1, waarde2, ) pagina 24 van 25
Basisstructuur UPDATE query: UPDATE <tabel> SET veldnaam1=waarde1, veldnaam2=waarde2, WHERE <voorwaarden> Basisstructuur DELETE query: DELETE FROM <tabel> WHERE <voorwaarde> pagina 25 van 25
pagina 26 van 25