Arbeidsmarktanalyse gehandicaptenzorg 2011



Vergelijkbare documenten
FACTSHEET ARBEIDSMARKT

Factsheet Kinderopvang

Feiten en cijfers 2010 Branche WMD

Feiten en cijfers 2010 Branche Kinderopvang

Ontgroening en vergrijzing Noord en Midden Limburg en Zuid Limburg

Factsheet Jeugdzorg. Datum MOVISIE

Calibris Rapportage arbeidsmarkt- en onderwijsinformatie

Facts & Figures 2017 De arbeidsmarkt Zorg en Welzijn in Flevoland

Rapportage Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn 2008

Arbeidsmarktinformatie sector Zorg regio Drechtsteden

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2014: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. April 2015

Leeftijdsopbouw Groningen

Leeftijdsopbouw Drenthe

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2013: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. juni 2014

Vraag en aanbod van sociaal-agogisch personeel

Allochtonen op de arbeidsmarkt

Brancherapport Gehandicaptenzorg 2009

CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt

Rapportage BPV-plaatsen RBB 2011/2012

Indicatieve doorrekening extramuralisering zzp 1 t/m 4

TEVREDEN WERKEN IN HET PRIMAIR ONDERWIJS. Onderzoek naar de tevredenheid en werkbeleving van personeel in het primair onderwijs.

Instroom onderwijs 2011 Oost-Nederland, MBO en HBO

Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt

Kortetermijnontwikkeling

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden

Instroom onderwijs Oost-Nederland, mbo en hbo

Verpleegkundigen aan het werk 1)

Tekort neemt verder toe met medewerkers in 2022 pagina 1. Verbeterde prognose: maar doen we het nu echt beter? pagina 3

Facts & Figures. Arbeidsmarktgegevens Regio Noord-Holland Noord NOORD-HOLLAND NOORD AMSTERDAM & DIEMEN ZAANSTREEK-WATERLAND TEXEL DEN-HELDER HOORN

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden

ARBEIDSMARKT MONITOR. Regio Arnhem REGIO ARNHEM

Kengetallen Mobiliteitsbranche

Meerjarenplan O&O-fonds GGZ

Cijfers en Kengetallen Brede Jeugdzorg

Toekomstverkenning voor de branche Kinderopvang. Vraag en aanbod van Sociaal-agogisch personeel

Aantal medewerkers Noordoost-Brabant

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2010: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. juli 2011

Analyse van de vooraanmeldingen voor de lerarenopleidingen

Brancherapport Gehandicaptenzorg 2012

Langzaam maar zeker zijn ook de gevolgen van de economische krimp voor de arbeidsmarkt zichtbaar

Totaalbeeld arbeidsmarkt: werkloosheid in februari 6 procent

Van baan naar eigen baas

Toekomstverkenning voor de Thuiszorg

Jonge werknemers en werkstress: een beknopte weergave van de feiten

Toekomstverkenning voor de branche Verpleging en verzorging. Vraag en aanbod van verplegend en verzorgend personeel

Subsidiënt: Ministerie van VWS

Arbeidsmarktrelevant opleiden in Groningen en Drenthe

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2015: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. Juni 2016

Transcriptie:

Arbeidsmarktanalyse gehandicaptenzorg 2011 Den Haag, mei 2012 Deze arbeidsmarktanalyse is gemaakt door CAOP Research in opdracht van de Stichting Arbeidsmarkt Gehandicaptnzorg (StAG).

INHOUD Arbeidsmarktanalyse gehandicaptenzorg 2011... 1 1 Inleiding... 3 2 De branche gehandicaptenzorg... 4 2.1 Zorgaanbod... 4 2.2 Zorggebruik... 4 3 Werkgelegenheid... 6 3.1 Omvang van de werkgelegenheid... 6 3.2 Samenstelling werkgelegenheid naar dienstverband... 6 3.3 Samenstelling werkgelegenheid naar leeftijd... 7 3.4 Samenstellingen werkgelegenheid naar etniciteit... 7 3.5 Samenstelling werkgelegenheid naar opleiding... 7 4 Arbeidsmobiliteit... 9 4.1 Instroom... 9 4.2 Vacatures... 9 4.3 Uitstroom... 10 5 Aanbod vanuit het onderwijs... 11 5.1 Instroom in de opleidingen............................................................................ 11 5.2 Studie- en sectorrendement... 11 5.3 Beroepspraktijkvorming... 14 5.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt... 15 6 Kwaliteit van arbeid en personeelsbeleid... 17 6.1 Arbeidstevredenheid... 17 6.2 Betrokkenheid... 17 6.3 Arbeidsomstandigheden en ziekteverzuim... 17 6.4 Personeelsbeleid... 18 7 Huidige en toekomstige knelpunten.......................................................................................... 20 7.1 Belangrijke ontwikkelingen... 20 7.2 Middellange termijn verwachting... 21 7.3 Lange termijn verwachtingen... 22 2/23

1 Inleiding De Stichting Arbeidsmarkt Gehandicaptenzorg (StAG) zet zich ervoor in dat de gehandicaptenzorg een aantrekkelijke en gezonde branche is en blijft om in de werken. Deze arbeidsmarktanalyse biedt sociale partners input voor de beleidsplanning van de StAG. Eerst wordt een beeld geschetst van de branche zelf om de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt beter te kunnen plaatsen. Vervolgens wordt de werkgelegenheid en de ontwikkelingen daarin in kaart gebracht, waarna mobiliteit in de branche wordt besproken. Om een beeld te krijgen bij de toekomstige instroom komt het aanbod vanuit verschillende opleidingen aan bod. Hierna wordt aandacht besteed aan de kwaliteit van de arbeid en het personeelsbeleid in de branche. Dit alles geeft een beeld van de huidige arbeidsmarkt in de gehandicaptenzorg. In het laatste deel van deze arbeidsmarktanalyse zal ook worden gekeken naar de toekomst van de arbeidsmarkt in de gehandicaptenzorg ten behoeve van het meerjaren beleidsplan van de StAG. Doordat het onderzoeksprogramma Arbeid in Zorg en Welzijn vanaf 2010 door een andere partij wordt uitgevoerd dan de jaren daarvoor, zijn niet exact dezelfde gegevens beschikbaar uit dit onderzoeksprogramma als in voorgaande jaren. Dit betekent dat sommige gegevens over de arbeidsmarkt in de gehandicaptenzorg niet meer beschikbaar zijn ten opzichte van de informatie die beschikbaar was voor eerdere edities van de arbeidsmarktanalyse gehandicaptenzorg. Daartegenover staat dat op andere gebieden nieuwe gegevens beschikbaar zijn, waardoor de inhoud van deze analyse op bepaalde punten af zal wijken van de vorige arbeidsmarktanalyses. 3/23

2 De branche gehandicaptenzorg Eerst wordt een beeld gegeven van de gehandicaptenzorg door de ontwikkelingen in het zorgaanbod en zorggebruik te bespreken. Deze ontwikkelingen zijn van grote invloed op de vraag naar personeel in de gehandicaptenzorg. 2.1 Zorgaanbod De schatting van het CBS van het aantal bedrijven 1 dat actief is in de gehandicaptenzorg komt uit op 525 bedrijven. De afgelopen vijf jaar is het aantal bedrijven flink toegenomen door een toename van het aantal kleine bedrijven met maximaal 10 personen. Het aantal grote instellingen neemt af. Tabel 2.1: Aantal instellingen naar bedrijfsgrootte (afgerond op vijftallen) Werkzame personen 2006 2007 2008 2009 2010 1 40 65 80 95 125 2 tot 10 70 110 145 210 265 10 tot 50 30 35 25 30 30 50 tot 100 20 15 15 10 10 100 of meer 115 110 105 105 95 Totaal aantal bedrijven 275 335 370 450 525 Bron: CBS Tabel Bedrijven; economische activiteit, grootte en rechtsvorm In tabel 2.1 is te zien dat in 2010 bijna drie kwart van de bedrijven in de gehandicaptenzorg uit 10 of minder personen bestaat. In 2009 was dit aandeel net iets meer dan twee derde. 2.2 Zorggebruik Het aantal mensen dat gebruik maakt van de gehandicaptenzorg is moeilijk te schatten. Zeker is dat in 2009 het aantal cliënten dat gebruik maakt van intramurale of extramurale zorg 155.523 was. In 2008 was dit naar schatting ruim 157.000 cliënten. Na jaren van stijgingen is dit aantal dus met 1% gedaald. Ook tussen 2009 en 2010 is een lichte daling waar te nemen. 2 De daling tussen 2008 en 2009 deed zich voor in het aantal extramurale cliënten (6%). Het aantal intramurale cliënten steeg (5%), maar minder sterk dan de daling van de extramurale cliënten. Ditzelfde beeld is ook tussen 2009 en 2010 te zien. De maatregelen op de AWBZ die per 1 januari 2009 zijn ingegaan lijken hier mede de oorzaak van. Het probleem met de schatting van het totaal aantal cliënten zit in de dagbesteding. Cliënten die gebruik maken van dagbesteding kunnen namelijk ook intramurale of extramurale zorg krijgen. In totaal kreeg in 2009 naar schatting bijna 55.000 cliënten dagbesteding. Dit is een stijging van bijna 5,5% ten opzichte van 2008. Echter, het aantal mensen dat eind 2009 een indicatie had voor alleen dagbesteding bedroeg 7.322. Van hen is echter niet bekend hoeveel personen daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van dagbesteding. Hierdoor kan enkel worden gezegd dat minimaal 155.523 mensen gebruik hebben gemaakt van de gehandicaptenzorg in 2009 en maximaal 162.845. 3 In 2009 is het aantal intramurale plaatsen met behandeling met 5% gestegen ten opzichte van 2008, waarmee de stijgende trend doorzet die vanaf 2007 was te zien (zie tabel 2.2). Het aantal intramurale plaatsen zonder behandeling daalde echter tussen 2008 en 2009 met 3%, terwijl deze tussen 2006 en 2008 nog steeg. Het aantal klinische verpleegdagen is met 5% gestegen tussen 2008 en 2009. De klinische verzorgingsdagen zijn in dezelfde periode met 3% afgenomen en het aantal dagdelen dagactiviteiten bleef nagenoeg gelijk. 1 Volgens de definitie van het CBS kan een bedrijf meer dan één vestiging omvatten, maar ook meer dan één juridische eenheid. Andersom komt het voor dat binnen een juridische eenheid verschillende onderdelen te onderscheiden zijn die afzonderlijk als bedrijf worden aangemerkt. 2 VGN (2012) Kerngegevens gehandicaptenzorg 2007-2010. www.vgn.nl 3 Kwartel, A. van der (2011), Brancherapport Gehandicaptenzorg 2010. www.vgn.nl. 4/23

Uit de Kerngegevens gehandicaptenzorg 2007-2010 4 blijkt dat het aantal verblijfdagen groeit zoals ook het aantal intramurale cliënten groeit. De uren extramurale blijft constant, maar het aantal dagdelen dagbesteding is tussen 2009 en 2010 gedaald. Tabel 2.2: Capaciteit en productie in de ZVW/AWBZ gefinancierde gehandicaptenzorg 2006 2007 2008 2009a Capaciteit Intramur. plaatsen met behandeling GHZ 40.740 40.770 42.510 44.410 Intramur. plaats. zonder behandeling GHZ 22.050 23.300 24.400 23.690 Productie (x 1.000) Klinische verpleegdagen GHZ 14.593 14.668 15.173 15.868 Klinische verzorgingsdagen GHZ 7.692 8.188 8.568 8.289 Dagdelen groepsgewijze dagactiviteiten 12.754 13.206 13.082 13.575 a Voorlopige cijfers b Niet alleen dagactiviteit door instellingen voor gehandicaptenzorg worden meegeteld, maar ook die door instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en voor verpleging en verzorging. Bron: CBS Tabel Zorginstellingen; financiën, personeel, productie en capaciteit naar SBI Uit cijfers van het CVZ (college voor zorgverzekeringen) 5 blijkt dat 84% van de kosten betaald vanuit de AWBZ in de gehandicaptenzorg naar zorgzwaartepakketten voor verstandelijk gehandicapten gaat. De rest gaat naar lichamelijk en zintuiglijk gehandicapten. In vergelijking met 2009 zijn de kosten in de gehandicaptenzorg vanuit de AWBZ gestegen met 8%. De grootste stijging is waar te nemen bij de zorgzwaartepakketten voor auditief en communicatief gehandicapten exclusief dagbesteding. De kosten voor deze pakketten zijn in 2010 ruim twee keer zo hoog als in 2009. De enige daling is te zien bij pakketten voor visueel gehandicapten zonder dagbesteding, waar de kosten ruim twee keer zo laag zijn als in 2009. In het regeer- en gedoogakkoord tussen VVD, CDA en PVV worden ingrijpende maatregelen in de AWBZ aangekondigd (zie ook paragraaf 7.1). Welke invloed deze maatregelen gaan hebben is nog niet duidelijk, maar mogelijk leiden deze wel tot een verlaging van het zorggebruik. Dit kan vervolgens zijn weerslag hebben op de werkgelegenheid waar in het volgende hoofdstuk op wordt ingegaan. 4 VGN (2012) Kerngegevens gehandicaptenzorg 2007-2010. www.vgn.nl 5 http://www.zorgcijfersdata.cvz.nl. 5/23

3 Werkgelegenheid 3.1 Omvang van de werkgelegenheid De werkgelegenheid in de gehandicaptenzorg is de afgelopen jaren gegroeid. In 2009 waren er in de gehandicaptenzorg bijna 159.000 banen. Over de jaren 2004-2009 groeide dit aantal gemiddeld met 3,2% per jaar. Uitgaande van deze groei zou in 2010 de gehandicaptenzorg ongeveer 164.000 banen moeten tellen. Tabel 3.1: Ontwikkeling van het personeelsbestand in de gehandicaptenzorg 2004 2005 2006 2007 2008 2009 Gem. groei per jaar Aantal banen van werknemers 135.831 140.614 141.730 148.250 152.790 158.700 3.2% Aantal fte s van werknemers 85.084 85.668 88.680 92.570 95.860 98.870 3.1% Omvang gemiddelde werkweek 62,6% 60,9% 62,6% 62,4% 62,4% 62,4% 0,0% Gemiddelde leeftijd (in jaren) 38 39 39 39 39 40 1,0% Aandeel 50-plussers 17,3% 19,2% 20,6% 22,7% 24,1% 25,2% 7,8% Aandeel vrouw 81,1% 81,5% 81,8% 82,4% 83,1% 82,6% 0,4% Brutoverloop* 12,1% 11,2% 14,0% 12,8% 8,7% 6,8% -9,0% Nettoverloop* 5,2% 4,5% 5,8% 4,7% 3,2%. -8,9% Ziekteverzuim** (excl. Zwangerschap) 6,0% 5,7% 5,3% 5,4% 5,2% 5,2% -2,8 * Alleen verplegen, verzorgend en agogisch personeel ** 1 e ziektejaar Bron: Kwartel, A. van der (2011), Brancherapport Gehandicaptenzorg 2010. www.vgn.nl. De groei in het aantal fte s van werknemers in de gehandicaptenzorg heeft gemiddeld genomen nagenoeg gelijke tred gehouden met het aantal banen. Waar deze cijfers geen inzicht in geven is het aantal zelfstandigen in de gehandicaptenzorg. Echter, maar 0,2% van alle werkenden in de gehandicaptenzorg is een zelfstandige. Het merendeel is in vaste dienst (78%). Ongeveer 11% heeft een tijdelijk dienstverband, 10% is oproepkracht en 1,3% is uitzendkracht 6. 3.2 Samenstelling werkgelegenheid naar dienstverband Uit tabel 3.1 blijkt dat de afgelopen vier jaar de omvang van de gemiddelde werkweek gelijk is gebleven. Op basis van het onderzoek Belangen op de balans uitgevoerd door IVA beleidsonderzoek in opdracht van de StAG kan een beeld worden gegeven van de contractgrootte en de daadwerkelijk gemaakte uren in de gehandicaptenzorg. Tabel 3.2: Contractgrootte en daadwerkelijk gemaakte uren in de gehandicaptenzorg Uren per week 0-8 uur 9-16 uur 17-24 uur 25-32 uur 33-40 uur >40uur Werknemers met dit aantal contracturen 3% 8% 30% 43% 16% - Werknemers die gemiddeld dit aantal uren werken 9% 5% 22% 39% 23% 3% Bron: Roman, B., Winthagen, T., Sentjes, M. (2010). Belangen op de balans. Een onderzoek naar arbeidspatronen in de gehandicaptenzorg. Tilburg: IVA Beleidsonderzoek en advies Daaruit blijkt dat bijna 60% van de medewerkers een contract van 25 uur of meer heeft, maar dat 65% 25 uur of meer per week werkt. Bij de kleinere contracten is te zien dat 41% een contract van 24 uur of minder heeft en dat 36% ook daadwerkelijk minder dan 25 uur per week werkt. Per saldo wordt er dus iets meer gewerkt dan je op basis van de contracten zou verwachten. Uit de werknemersenquête 2011 7 komt naar voren dat in de gehandicaptenzorg in de afgelopen twee jaar twee derde niet veranderd is in contractgrootte, 18% een groter contract heeft gekregen en 16% een kleiner contract. De belangrijkste redenen om de contractgrootte te vergroten zijn meer inkomen en omdat 6 Panteia (2011), Arbeid in Zorg en Welzijn 2010. Zoetermeer: Panteia. 7 Visser, de, S. Schoenmakers, F. (2012) Werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011. Zoetermeer: Research voor beleid 6/23

het noodzakelijk is voor het huidige werk. De belangrijkste redenen om het contract te verkleinen zijn de zorg voor kinderen en de wens voor meer vrije tijd. 3.3 Samenstelling werkgelegenheid naar leeftijd De gemiddelde leeftijd van het personeel in de gehandicaptenzorg is in 2009 gestegen naar 40 jaar, terwijl het in de jaren ervoor stabiel was gebleven op 39. Het aandeel 50-plussers is de afgelopen jaren wel harder opgelopen. Gemiddeld steeg dit aandeel tussen 2004 en 2009 met 8% naar een kwart in 2009. In de laatste Regiomarge van Prismant 8 wordt geschat dat het aandeel 50-plussers tot en met 2018 zal stijgen naar ongeveer een derde. Een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en ontmoedigingsbeleid ten aanzien van vervroegd uittreden kunnen hierop van invloed zijn. Een goed beleid gericht op duurzame inzetbaarheid wordt in de komende jaren dus steeds belangrijker. 3.4 Samenstellingen werkgelegenheid naar etniciteit In de gehandicaptenzorg is ongeveer 3% van de werknemers van allochtone afkomst zo blijkt uit tabel 3.1. Dit is erg laag in vergelijking met het percentage allochtone medewerkers in andere zorgbranches. Zo is in de ziekenhuisbranche en de VVT ongeveer 7% van de werknemers van allochtone afkomst en in de GGZ zelfs ruim 9%. 3.5 Samenstelling werkgelegenheid naar opleiding Figuur 3.1 geeft een overzicht van het aantal verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel naar kwalificatieniveau. Een groot deel van het verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel in de gehandicaptenzorg heeft een andere opleiding gevolgd dan de traditionele verpleegkundige of verzorgende opleiding. Denk hierbij bijvoorbeeld aan maatschappelijk werk en dienstverlening of de relatief nieuwe opleiding maatschappelijke zorg. Van deze laatste opleiding gaat een aanzienlijk deel werken in de gehandicaptenzorg. Wellicht dat mede door deze nieuwe opleiding het aantal verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel met een andere opleiding het sterkst is gestegen. Figuur 3.1: Aantal verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel in de gehandicaptenzorg naar kwalificatieniveau 70000 60000 50000 40000 30000 20000 10000 0 Vpl5 Vpl4 Vz3 Hlp2 Zhlp1 SPH5 SAW4 SAW3 Anders 2006 2007 2008 2009 Bron: http://detaildata.azwinfo.nl/ 8 Prismant (2009), RegioMarge 2009. Zie ww.azwinfo.nl/publicaties. 7/23

Personeel met een meer traditionele Zorg en Welzijnsopleiding heeft met name een opleiding sociaal agogisch werk afgerond op niveau 4 of 3. In 2009 werkten ruim 26.000 gediplomeerden sociaal agogisch werk op niveau vier in de gehandicaptenzorg. Op niveau 3 is dit 19.000. Het aantal verpleegkundigen op niveau 4 (13.600) en verzorgenden op niveau 3 (13.200) ontloopt elkaar niet veel in 2009. Verder werken er nog ruim 10.000 sociaal pedagogische hulpverleners in de gehandicaptenzorg. Van verpleegkundigen op niveau 5, helpenden en zorghulpen werken er minder dan 10.000 in de gehandicaptenzorg. 8/23

4 Arbeidsmobiliteit 4.1 Instroom Uit de arbeidsmarktanalyse gehandicaptenzorg 2010 9 komt naar voren dat 35% van het verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel werkzaam was in een baan binnen de sector Zorg en Welzijn, Jeugdzorg en Kinderopvang (WJK), voordat ze bij de huidige werkgever in de gehandicaptenzorg gingen werken. Van de instroom vanuit andere zorgbranches dan de gehandicaptenzorg kwam het grootste deel vanuit de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en de verpleging, verzorging en thuiszorg (VVT). Een kwart van de instroom in de gehandicaptenzorg kwam direct vanuit de opleiding in de gehandicaptenzorg werken. Verder bestaat nieuwe instroom van buiten de Zorg en Welzijn in de branche uit uitkeringsgerechtigden (9%), werknemers uit sectoren buiten de Zorg en Welzijn (8%) en nuggers (8%). De veruit belangrijkste reden waarom nieuwe instroom in de gehandicaptenzorg is gaan werken is interessanter werk. Carrière- en ontplooiingsmogelijkheden zijn daarna belangrijk voor hen geweest in de keuze voor de gehandicaptenzorg. 4.2 Vacatures Om een beeld te krijgen bij de gewenste instroom wordt gekeken naar het aantal openstaande vacatures (zie figuur 4.1). Het aantal openstaande vacatures is het aantal vacatures waar aan het einde van het jaar nog geen personeel voor is gevonden. Het aantal openstaande vacatures ten opzichte van het aantal banen steeg tussen 2004 en 2007. In 2008 en 2009, tijdens de economische crisis, daalt dit cijfer echter. 10 Dit komt voornamelijk doordat in dergelijke tijden werknemers minder snel van baan wisselen, zelfs in sectoren die, zoals de zorg, relatief minder gevoelig zijn voor de conjunctuur dan andere sectoren. Figuur 4.1 laat zien dat tussen 2009 en 2010 het aantal openstaande vacatures in de gehandicaptenzorg voor de meeste beroepen is gedaald. Echter, in de beroepen met de meeste openstaande vacatures, middelbare (verzorgende) beroepen, is juist een stijging van het aantal openstaande vacatures te zien. Op deze beroepen zou dus meer instroom gewenst kunnen zijn. Figuur 4.1: Aantal openstaande vacatures in de gehandicaptenzorg naar type beroep 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 lagere beroepen lagere verzorgende beroepen middelbare beroepen middelbare verzorgende beroepen hogere beroepen hogere beroepen op terrein van gedrag en maatschappij 2009 2010 Bron: http://detaildata.azwinfo.nl/ 9 StAG (2011) Arbeidsmarktanalyse 2010. www.arbeidsmarktgehandicaptenzorg.nl 10 Panteia (2011), Arbeid in Zorg en Welzijn 2010. Zoetermeer: Panteia. 9/23

4.3 Uitstroom Het brutoverloop in tabel 3.1 is het percentage verplegend, verzorgend en agogisch personeel in de gehandicaptenzorg dat jaarlijks uitstroomt. In 2009 lag dit percentage op 6,8%. Oftewel 6,8% van het verplegend, verzorgend en agogisch personeel in de gehandicaptenzorg verliet in 2009 de werkgever. Dit percentage is voor het tweede jaar op rij scherp gedaald. In 2008 lag dit percentage met 8,7% al beduidend lager dan de jaren ervoor. Dit betekent dat in 2009 personeel in de gehandicaptenzorg dus vaker bij de huidige werkgever bleef dan in de jaren ervoor. Tabel 4.1 Blijfkans en bestemming bij uitstroom 2002 2003 2004 2005 2006 2007 Blijfkans binnen de branche 85,0% 86,7% 88,8% 84,5% 82,9% 82,0% Zelfde branche, ander bedrijf 2,7% 2,4% 2,0% 2,3% 2,7% 4,0% Branches binnen Zorg en Welzijn 6,3% 4,8% 2,6% 5,3% 5,6% 7,0% Andere sectoren 2,5% 2,6% 2,8% 4,2% 5,2% 3,5% Anders 3,6% 3,5% 3,8% 3,8% 3,7% 3,6% Zelfstandigen 0,2% 0,1% 0,2% 0,3% 0,4% 0,4% Uitkering 1,2% 1,1% 1,2% 1,0% 0,7% 0,7% Inactief 2,1% 2,4% 2,4% 2,5% 2,7% 2,5% Bron: http://detaildata.azwinfo.nl/ Meer recente gegevens met dit detailniveau zijn helaas niet beschikbaar In de tabel 3.1 wordt ook het nettoverloop weergegeven van het verplegend, verzorgend en agogisch personeel in de gehandicaptenzorg. Dit is het percentage dat vertrekt en niet meer in de gehandicaptenzorg gaat werken. Helaas is er geen cijfer bekend voor 2009. In 2008 was dit 3,2%. Dit geeft een beeld van de vervangingsvraag in 2008. De overige uitstroom ging weer in de gehandicaptenzorg werken, al dan niet bij dezelfde werkgever. In tabel 4.1 is te zien dat in 2007 4% van het totale personeel overstapte naar een andere instelling binnen de gehandicaptenzorg. Dit betekent dat 4% van het totale personeel binnen de sector doorstroomde naar een andere werkgever binnen de gehandicaptenzorg. Echter, 7% stroomde uit naar een andere branche binnen de Zorg en Welzijn en 3,5% gaf aan in een sector buiten de Zorg en Welzijn te werken. Van ongeveer een even groot aandeel is niet precies duidelijk wat ze zijn gaan doen. Uitstroom naar het zelfstandig ondernemerschap of uitkering kwam maar heel weinig voor, terwijl 2,5% niet meer actief was op de arbeidsmarkt. Hiertoe behoren ook degenen die met pensioen zijn gegaan. In het werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011 11 is aan zittende werknemers gevraagd of zij op zoek zijn naar een andere baan. In de gehandicaptenzorg zegt 17% van de werknemers uit te kijken naar een andere baan. Daarvan zegt 59% te zoeken binnen de zorgsector. Ongeveer 29% overweegt (ook) een overstap naar de welzijnssector en 16% kijkt (ook) buiten Zorg en Welzijn. Verder geeft 13% aan geen voorkeur te hebben voor een sector. De veruit belangrijkste reden om een nieuwe baan te zoeken is volgens ditzelfde onderzoek het toe zijn aan een nieuwe uitdaging. Daarnaast geven werknemers in de gehandicaptenzorg als reden op dat ze werk willen dat beter betaald, ze niet tevreden zijn over het contact met de leidinggevende en dat ze de werkdruk te hoog vinden. Uit tabel 4.1 wordt ook duidelijk dat het merendeel van het personeel in de gehandicaptenzorg in deze sector zal blijven werken. In 2007 was 82% na een jaar nog steeds werkzaam in de gehandicaptenzorg. Ook uit het werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011 12 blijkt dat 83% van het personeel niet actief op zoek is naar een andere baan. Van degenen die wel zoeken blijft een substantieel deel in de gehandicaptenzorg werken. Op basis hiervan kan de inschatting worden gemaakt dat ruim drie kwart van de werknemers in de gehandicaptenzorg ook het komende jaar behouden zal blijven voor de sector. 11 Visser, de, S. Schoenmakers, F. (2012) Werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011. Zoetermeer: Research voor beleid 12 Visser, de, S. Schoenmakers, F. (2012) Werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011. Zoetermeer: Research voor beleid 10/23

5 Aanbod vanuit het onderwijs 5.1 Instroom in de opleidingen Tabel 5.1 geeft de instroom weer in de opleidingen Zorg en Welzijn die relevant zijn voor de gehandicaptenzorg 13. In 2009 is de instroom in de opleiding geneeskunde licht gedaald ten opzichte van 2008. In de overige wo opleidingen is de instroom gestegen. De instroom in de hbo opleidingen maatschappelijk werk en dienstverlening, creatieve therapie en verpleegkunde is licht gestegen. Ten opzichte van 2008 is de instroom in de opleiding culturele en maatschappelijke vorming afgenomen in 2009. Tabel 5.1: Instroom in relevante opleidingen 2005 2006 2007 2008 2009 WO Geneeskunde 2.243 2.081 2.115 1.999 1.941 WO Overige opleidingen zorg en welzijn 2.263 2.248 2.439 2.609 2.736 HBO Maatschappelijk werk en dienstverlening 3.012 3.105 3.068 3.533 3.540 HBO Creatieve therapie 413 360 347 341 386 HBO Culturele en maatschappelijke vorming 625 719 630 706 655 HBO Verpleegkunde 3.213 3.220 3.182 3.265 3.559 MBO 4 Sociaal cultureel werk 1.834 1.885 1.756 1.551 1.629 MBO 4 Pedagogisch werk 8.810 7.640 5.871 5.787 5.667 MBO 4 Maatschappelijke zorg 43 346 877 1.864 2.516 MBO 4 Verpleegkunde 6.876 7.604 6.584 7.162 7.618 MBO 3 Pedagogisch werk 11.839 12.724 12.768 12.368 12.292 MBO 3 Maatschappelijke zorg 778 1.979 4.063 5.891 6.713 MBO 3 Sociale dienstverlener 1.111 1.260 1.053 1.303 1.376 MBO 3 Verzorging 9.590 10.303 10.410 10.460 10.535 MBO 2 Helpende zorg/welzijn 11.695 12.245 11.486 11.746 11.662 MBO 1 Zorghulp 1.213 1.050 1.076 1.195 1.196 2009 staat voor het studiejaar 2009/2010 etc. Bron: http://detaildata.azwinfo.nl/ In de mbo opleidingen op niveau 4 is er vooral een stijging te zien in de instroom in de opleiding maatschappelijke zorg. In 2008 lag de instroom in deze opleiding nog op 1.864, terwijl in 2009 2.516 studenten in deze opleiding instroomden. De andere opleidingen op niveau 4 kenden in 2009 ook een grotere instroom dan in 2008, uitgezonderd pedagogisch werk. Op niveau 3 is een zelfde beeld te zien. Alle opleidingen in tabel 5.1 op niveau 3 kennen een stijging in de instroom, behalve pedagogisch werk. Ook hier is de stijging in de instroom in de opleiding maatschappelijke zorg het grootst. De instroom in de opleiding helpende zorg en welzijn is tussen 2008 en 2009 licht gedaald. De instroom in de opleiding zorghulp is stabiel gebleven tussen 2008 en 2009. 5.2 Studie- en sectorrendement In 2009 is een stijging van het aantal gediplomeerden te zien in de opleiding geneeskunde (zie tabel 5.2). Daarmee zet de stijging uit de afgelopen jaren door. Ook het aantal gediplomeerden van overige wo opleidingen zorg en welzijn stijgt weer sinds 2007. De hbo-opleidingen maatschappelijk werk en dienstverlening, creatieve therapie en verpleegkunde laten ook een stijging van het aantal gediplomeerden zien. Er studeren dus meer studenten af aan deze opleidingen dan in 2008. In de andere hbo-opleidingen in tabel 5.2 is een daling van het aantal gediplomeerden waar te nemen. In de cultureel maatschappelijke vorming is deze dalende trend al langer waarneembaar. In de sociaal pedagogische hulpverlening is de daling in 2009 echter een omslag van de stijgende trend van de jaren ervoor. 13 Er zijn geen gegevens beschikbaar over de instroom in de hbo-opleiding sociaal pedagogische hulpverlening 11/23

Het aantal gediplomeerden van de mbo-opleidingen op niveau 4 dalen allemaal licht, behalve het aantal gediplomeerden van de opleiding maatschappelijke zorg. Dat is ten opzichte van 2008 ruim verdubbeld. De daling van de het aantal gediplomeerden in de andere opleidingen op niveau 4 komt over het algemeen na een stijging van het aantal gediplomeerden tussen 2007 en 2008. Ook op niveau 3 daalt het aantal gediplomeerden in alle opleidingen, uitgezonderd maatschappelijke zorg. Dit aantal is verdubbeld in vergelijking met 2008. Voor de opleidingen pedagogisch werk en sociale dienstverlener is de daling in 2009 een voortzetting van de daling die in 2008 ook zichtbaar was. Voor de opleiding verzorging is de daling in 2009 de eerste sinds 2007. Het aantal gediplomeerden van de opleiding helpende zorg en welzijn ligt al jaren lang net iets onder de 9.000. Echter, vanaf het studiejaar 2009/2010 stijgt dit explosief naar 35,5 duizend. Dit komt doordat vanaf oktober 2010 het recht op kinderopvangvergoeding alleen behouden blijft als de gastouder waar gebruik van wordt gemaakt de opleiding helpende zorg en welzijn heeft afgerond. Gastouders kunnen ervoor kiezen om alleen het examen te doen of een EVC-procedure te volgen, waardoor deze wetswijziging minder van invloed is op de instroom. Van de opleiding zorghulp lijkt het aantal gediplomeerden sinds 2007 weer te groeien naar bijna 1.200 in 2009. Tabel 5.2: Gediplomeerden relevante opleidingen gehandicaptenzorg 2005 2006 2007 2008 2009 WO Geneeskunde 3.732 4.458 5.028 5.496 6.324 WO Overige opleidingen zorg en welzijn 2.181 2.619 2.532 2.609 2.816 HBO Sociaal pedagogische hulpverlening 2.488 2.726 2.954 3.005 2.888 HBO Maatschappelijk werk en dienstverlening 1.523 1.591 1.773 1.994 2.393 HBO Creatieve therapie 248 294 229 251 268 HBO Culturele en maatschappelijke vorming 576 634 585 559 474 HBO Verpleegkunde 2.310 2.556 2.359 2.459 2.605 MBO 4 Sociaal cultureel werk 681 871 788 885 862 MBO 4 Pedagogisch werk 6.099 6.325 6.181 6.283 5.916 MBO 4 Maatschappelijke zorg 0 3 96 384 923 MBO 4 Verpleegkunde 3.417 3.695 3.944 3.935 3.923 MBO 3 Pedagogisch werk 6.329 6.509 6.669 6.364 5.796 MBO 3 Maatschappelijke zorg 0 0 25 285 580 MBO 3 Sociale dienstverlener 648 548 617 582 476 MBO 3 Verzorging 5.748 5.737 6.082 6.226 6.122 MBO 2 Helpende zorg/welzijn 8.384 8.714 8.942 8.815 35.535 MBO 1 Zorghulp 1.255 1.363 1.095 1.103 1.190 2009 staat voor het studiejaar 2009/2010 etc. Bron: http://detaildata.azwinfo.nl/ De vraag is echter hoeveel gediplomeerden ook daadwerkelijk beschikbaar komen op de arbeidsmarkt. Uit de MBO-Kaart 2009 14 wordt duidelijk dat van de gediplomeerden van de opleidingen mbo verpleegkunde, verzorgende en maatschappelijke zorg niveau 4 ruim 70% gaat werken en iets minder dan een kwart doorleert. Gediplomeerden maatschappelijke zorg niveau 3 gaan vaker doorleren. De helft gaat werken en 45% leert door. Een minimaal percentage raakt werkloos of gaat iets anders doen. Vanuit de opleidingen maatschappelijke zorg niveau 3 en 4 gaat een derde werken in de gehandicaptenzorg. Van de gediplomeerde mbo verpleegkundigen gaat 6% in de gehandicaptenzorg werken en van de verzorgenden 3%. Onder de gediplomeerden van een welzijnsopleiding op mbo-niveau is het gebruikelijker om door te leren. Van de gediplomeerden aan een welzijnsopleiding op niveau 3 gaat meer dan de helft doorleren. Van de gediplomeerden van een welzijnsopleiding op niveau 4 gaat ongeveer een derde doorleren. 14 Calibris (2011), Rapportage arbeidsmarkt en onderwijsinformatie 2010-2011. www.calibris.nl. 12/23

Vooral gediplomeerden SPW4 gaan in de gehandicaptenzorg werken (28%). Gediplomeerden SPW3 kiezen maar in 5% van de gevallen voor de gehandicaptenzorg. De percentages van de overige opleidingen zijn nog lager. Voor de hbo-gediplomeerden zijn uit de HBO-monitor 2010 15 cijfers beschikbaar voor de opleidingssectoren hoger gezondheidszorg onderwijs en hoger sociaal-agogisch onderwijs. Van de gediplomeerden in het schooljaar 2008-2009 van de opleiding hbo verpleegkunde had in 2009 ongeveer 80% een baan en 8% studeerde door. De anderen gingen iets anders doen. Gediplomeerden van de deeltijd en duale opleiding gaan vaker na het behalen van het diploma werken dan afgestudeerden van de voltijds opleiding. Ook bij de gediplomeerden van maatschappelijk werk en dienstverlening en pedagogische hulpverlening is te zien dat deeltijd en duaal studenten vaker gaan werken dan voltijdstudenten. Over het algemeen gaat rond de 80% of meer werken na het behalen van het diploma. Alleen van de afgestudeerden van de opleiding culturele en maatschappelijke vorming gaat minder dan 70% werken. Relatief gezien gaat van hen een groter deel verder studeren. Tabel 5.3 Hbo-gediplomeerden 2009 naar maatschappelijke positie anders, werk studie namelijk: % % % HBO B Creatieve therapie vt 79 6 15 HBO B Culturele en Maatschappelijke vorming vt 68 16 17 HBO B Maatschappelijk Werk en Dienstverlening dt 95 0 5 HBO B Maatschappelijk Werk en Dienstverlening vt 80 9 11 HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening dt 94 1 5 HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening duaal 93 0 7 HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening vt 78 9 13 HBO B Opleiding tot verpleegkundige dt 89 1 8 HBO B Opleiding tot verpleegkundige duaal 84 3 13 HBO B Opleiding tot verpleegkundige vt 76 10 13 Vt = voltijd, dt = deeltijd Bron: HBO-monitor 2010 www.hbo-raad.nl Tabel 5.4 laat zien dat gediplomeerden sociaal pedagogische hulpverlening het vaakst in de gehandicaptenzorg gaan werken. Een kwart of meer werkt in huizen en dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrische cliënten. Van de gediplomeerden creatieve therapie gaat één op de vijf in dergelijke huizen werken. Er gaan percentueel duidelijk minder hbo-gediplomeerden werken in de ondersteuning en begeleiding van gehandicapten. Tabel 5.4 Gediplomeerden 2009 met een baan naar bestemming in de gehandicaptenzorg Huizen en dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrische cliënten HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening duaal 35% HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening dt 29% HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening vt 24% HBO B Creatieve therapie vt 19% HBO B Pedagogiek vt 15% HBO B Pedagogiek dt 15% HBO B Maatschappelijk Werk en Dienstverlening dt 10% HBO B Maatschappelijk Werk en Dienstverlening vt 6% HBO B Opleiding tot verpleegkundige dt 9% HBO B Opleiding tot verpleegkundige vt 6% Ondersteuning en begeleiding van gehandicapten 15 HBO-raad (2011), HBO-monitor 2010: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. www.hbo-raad.nl. 13/23

HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening duaal 19% HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening vt 10% HBO B Sociaal Pedagogische Hulpverlening dt 8% HBO B Maatschappelijk Werk en Dienstverlening dt 7% HBO B Pedagogiek vt 6% HBO B Pedagogiek dt 6% HBO B Maatschappelijk Werk en Dienstverlening vt 5% Vt = voltijd, dt = deeltijd Bron: HBO-monitor 2010 www.hbo-raad.nl Hoeveel gediplomeerden van de wo opleidingen zorg en welzijn in de gehandicaptenzorg gaan werken zijn geen cijfers bekend. Wel blijkt uit het capaciteitsplan 2010 16 dat het aantal Artsen voor Verstandelijk Gehandicapten (AVG), wat een nieuw specialisme is, in 2010 op 175 lag. De instroom in 2009 van aio s in deze vervolgopleiding was 19, waarmee de instroom hierin blijft groeien. 5.3 Beroepspraktijkvorming De stage of beroepspraktijkvorming (BPV) is een belangrijk onderdeel in de Zorg en Welzijnsopleidingen. In tabel 5.5 zijn het aantal beschikbare BPV-plaatsen in de gehandicaptenzorg in de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 weergegeven. Daarin is te zien dat het aantal BPV-plaatsen is gegroeid voor zorgopleidingen. Vooral het aantal BPV-plaatsen voor de opleidingen maatschappelijke zorg 3 en 4 zijn flink toegenomen. De enige afname van BPV-plaatsen voor zorgopleidingen is te zien bij de opleiding verpleegkundige 4. Voor mbo-leerlingen van sociaal-agogische opleidingen is het aantal BPV-plaatsen afgenomen met 17%. De daling is het grootst voor de opleiding pedagogisch werker op niveau 4. Het aantal BPV-plaatsen voor deze opleiding is met 20% afgenomen. Door de groei van het aantal de BPV-plaatsen voor de zorgopleidingen is het totaal aan BPV-plaatsen in de gehandicaptenzorg voor mbo-opleidingen per saldo toegenomen met 5%. Tabel 5.5: Aantal beschikbare BPV-plaatsen mbo zorgopleidingen en sociaal-agogische opleidingen voor schooljaar 2010-2011 2009-2010 2010-2011 Zorghulp 1 54 65 Helpende Zorg en Welzijn 2 585 725 Verzorgende 3 1.218 1.223 Maatschappelijke zorg 3 1.132 2.146 Maatschappelijke zorg 4 1.633 3.022 Verpleegkundige 4 1.490 1.342 Zorgopleidingen totaal 6.112 8.523 Sociale dienstverlener 4 15 12 Pedagogisch werker 3 2.977 2.634 Pedagogisch werker 4 6.370 5.094 Sociaal cultureel werker 4 26 23 Sociaal-agogische opleidingen totaal 9.388 7.763 Totaal 15.500 16.287 Bron: Rapportage arbeidsmarkt en onderwijsinformatie 2009-2010 en Rapportage arbeidsmarkt en onderwijsinformatie 2010-2011, bewerking CAOP Research Calibris heeft een schatting gemaakt van het benodigde BPV-volume in 2011. 17 Ze gaat daarbij uit van de vraag vanuit het onderwijs aan BPV-plaatsen en een volledige benutting van het potentieel aan plaatsen. Daaruit blijkt dat voor de zorgopleidingen het grootste tekort van bijna 1.800 plaatsen zal ontstaan voor maatschappelijke zorg 3. Aangezien in 2010 74% van de plaatsen voor deze opleiding zich in de gehandicaptenzorg bevond, zal voor extra plaatsen vooral worden gekeken naar deze branche. Voor de andere opleidingen zal er een overschot aan plaatsen zijn. Echter, voor de opleidingen verzorgende 3 en 16 Capaciteitsorgaan (2011). Capaciteitsplan 2010. Utrecht: Capaciteitsorgaan 17 Calibris (2011), Rapportage arbeidsmarkt en onderwijsinformatie 2010-2011. www.calibris.nl. 14/23

maatschappelijke zorg 4 bestaat dit overschot alleen voor BOL-plaatsen. Voor BBL-plaatsen wordt een tekort verwacht van 190 voor verzorgende 3 en 250 voor maatschappelijke zorg 4. In vergelijking met vorig jaar zijn de tekorten echter wel beduidend kleiner geworden. Vooral voor maatschappelijke zorg 3 en 4 is de daling in het tekort fors te noemen. Zo werd voor 2010 een tekort van 5.000 BPV-plaatsen verwacht voor maatschappelijke zorg niveau 3, terwijl voor 2011 nog een tekort van 1.800 plaatsen wordt verwacht. Voor de opleiding maatschappelijke zorg niveau 4 is het tekort teruggebracht van 770 naar 250. Voor de sociaal-agogische opleidingen worden in 2011 overschotten aan BPV-plaatsen verwacht. De grootste overschotten worden verwacht voor de opleidingen pedagogisch werker 3 en 4 met respectievelijk 9.560 en 3.380 plaatsen. Echter, ook hier zijn de verschillen tussen BOL en BBL groot. Waar het geschatte overschot aan BOL-plaatsen pedagogisch werker 3 ruim 10.000 is, wordt het tekort aan BBLplaatsen voor deze opleiding geschat op 660. Voor de opleiding pedagogisch werker 4 wordt het tekort aan BBL-plaatsen geschat op 190 en het overschot aan BOL-plaatsen op 3.570. Tot slot wordt er ook een tekort van 70 plaatsen verwacht voor BBL-studenten aan de opleiding sociaal cultureel werker 4. Uit onderzoek naar de bindingsfactoren van jong personeel in de gehandicaptenzorg 18 blijkt dat de stage erg belangrijk is in de beeldvorming van studenten over werken in deze branche. Vooral onder studenten mbo verpleegkunde is het beeld van de gehandicaptenzorg veel positiever na de stage dan ervoor. Maar ook studenten maatschappelijke zorg zijn positiever over de gehandicaptenzorg als ze er een tijdje in hebben gewerkt. Bij beide groepen studenten blijkt de relatie met de werkbegeleider en/of de direct leidinggevende daarbij wel van belang. Bij een slechte relatie wordt de stage lager gewaardeerd dan bij een goede relatie. 5.4 Aansluiting onderwijs arbeidsmarkt Tabel 5.6 laat zien in hoeverre werknemers vinden dat hun functie aansluit op hun opleiding. Werknemers uit de gehandicaptenzorg vinden dat hun functie minder goed aansluit bij hun opleiding dan werknemers uit de meeste andere zorgbranches. Tabel 5.6: Aansluiting tussen functie en opleiding in de gehandicaptenzorg 2009 2011 Functieniveau ten opzichte van opleidingsniveau In overeenstemming 65% 66% Functieniveau lager 27% 26% Functieniveau hoger 8% 8% Zelfde vakgebied als opleiding Ja 81% 79% Aansluiting kennis en vaardigheden en werk Goed 73% 73% Redelijk 24% 25% Matig 3% 2% Slecht 0% 1% Relatie tussen kennis en vaardigheden en werk Ongeveer op gelijk niveau 60% 60% Meer dan het werk vereist 32% 33% Minder dan het werk vereist 5% 4% Voor een ander vak dan het huidige werk 8% 5% Verouderd 6% 6% Niet voldoende praktijkgericht 4% 4% Knelpunten ervaren op het gebied van kennis en vaardigheden bij uitvoeren van het werk 18 Calibris Contract (2011) Onderzoeksrapport bindingsfactoren jong personeel in de gehandicaptenzorg. In opdracht van StAG. 15/23

Ja 12% 11% Bron: Visser, de, S. Schoenmakers, F. (2012) Werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011. Zoetermeer: Research voor beleid, bewerking CAOP Research Voor twee derde van het personeel is het functieniveau in overeenstemming met het opleidingsniveau en bijna drie kwart vindt dat de kennis en vaardigheden goed aansluiten bij het werk. Knelpunten door het niet aansluiten van de kennis en vaardigheden op het werk ervaart net iets meer dan één op de tien werknemers in de gehandicaptenzorg. Samen met de GGZ ervaren daarmee werknemers in de gehandicaptenzorg het vaakst knelpunten van alle zorgbranches. 16/23

6 Kwaliteit van arbeid en personeelsbeleid 6.1 Arbeidstevredenheid Werknemers in de gehandicaptenzorg zijn over het algemeen tevreden over hun werk. 73% is hier (zeer) tevreden mee, waarvan 16% zelfs zeer tevreden is met het werk in het algemeen. 19 Ten opzichte van andere zorgbranches is de algemene tevredenheid met het werk in de gehandicaptenzorg samen met de verpleging en verzorging het laagst. Als wordt gekeken naar de verschillende aspecten van het werk dan lijkt de lagere tevredenheid binnen de gehandicaptenzorg ten opzichte van de meeste andere zorgbranches mede te komen door een lagere tevredenheid met de werktijden en het loon. Werknemers in de gehandicaptenzorg zijn namelijk van de gemeten aspecten het meest tevreden met de werktijden (78% (zeer) tevreden), maar ze zijn hier iets minder tevreden mee dan werknemers in andere zorgbranches. Van alle gemeten aspecten zijn werknemers in de gehandicaptenzorg duidelijk het minst tevreden over het loon. In totaal is 37% (zeer) tevreden met het loon. In vergelijking met andere zorgbranches zijn werknemers in de gehandicaptenzorg na de werknemers in de ziekenhuizen, thuiszorg en kraamzorg het minst vaak (zeer) tevreden met het loon. Met de organisatie is 65% (zeer) tevreden. Dit is ongeveer gemiddeld binnen de zorgbranches. 6.2 Betrokkenheid Naast tevredenheid is echter ook betrokkenheid een factor bij de kwaliteit van arbeid en het behoud van personeel. Uit het artikel van de VGN naar aanleiding van de Medewerker Monitor van Effectory 20 komt naar voren dat in de gehandicaptenzorg het personeel vooral betrokken is bij het eigen team en de collega s. Werknemers worden gemotiveerd door collega s en ze zijn bereid elkaar te helpen. De betrokkenheid met de organisatie is echter minder groot. Deze is in de gehandicaptenzorg zelfs lager dan in andere zorgbranches. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat er tussen de verschillende lagen in de organisatie geen gemeenschappelijke visie en verbondenheid bestaat. 6.3 Arbeidsomstandigheden en ziekteverzuim Twee derde van de werknemers in de gehandicaptenzorg ervaart het werk als werk met veel verantwoordelijkheid. Ook wordt het werk door meer dan een derde als lichamelijk zwaar en geestelijk zwaar ervaren. Minder dan een derde vindt dat het werk plaatsvindt in omstandigheden met stank, lawaai, tocht of lage/hoge temperaturen, het werk een herhaling van eenvoudige werkzaamheden is en emotioneel zwaar is. Werknemers in de Zorg en Welzijn scoren over het algemeen hoger dan gemiddeld op aspecten die te maken hebben met de werkdruk. 21 In de gehandicaptenzorg geeft meer dan de helft van de werknemers aan dat ze veel werk moeten doen. 22 Ook vindt meer dan 40% het werk hectisch. Een andere factor die in de Zorg en Welzijn speelt is agressie en geweld door patiënten. In de gehandicaptenzorg komt vooral verbale agressie voor. Dertig procent van de werknemers heeft hier vaak of zeer vaak mee te maken. Ook fysiek geweld door patiënten komt voor. Hier heeft één op de vijf werknemers vaak tot zeer vaak ervaring mee. Ook hebben werknemers in de zorg te maken met werktijden, die buiten kantoortijden vallen. Bijna 60% geeft aan zaterdag- en/of zondagsdiensten te draaien en 62% heeft (ook) avonddiensten. Pieper-, gebroken-, slaap- en nachtdiensten wordt door 13-25% van de werknemers gedraaid. Desondanks heeft twee derde geen problemen om het werk te combineren met zorgtaken voor de eigen kinderen. Daarmee scoort de gehandicaptenzorg gemiddeld ten opzichte van de andere zorgbranches. 19 Visser, de, S. Schoenmakers, F. (2011) Werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011. Zoetermeer: Research voor beleid 20 20 VGN (2012), Medewerkers in de gehandicaptenzorg zeer betrokken bij cliënten en collega s. www.vgn.nl 21 TNO (2011) NEA 2010 Vinger aan de pols van werkend Nederland. Hoofddorp: TNO 22 Visser, de, S. Schoenmakers, F. (2011) Werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011. Zoetermeer: Research voor beleid 17/23

Het ziekteverzuimpercentage van het eerste ziektejaar in de gehandicaptenzorg lag in 2009 net als in 2008 op 5,23% (zie tabel 3.1). In 2010 ligt dit percentage op 5,14% en in 2011 op 5,10%. 23 Daarmee is de daling die zich de afgelopen jaren heeft voorgedaan, maar tussen 2008 en 2009 stagneerde, weer ingezet. Het ziekteverzuimpercentage voor het tweede ziektejaar ligt al jaren stabiel rond de 0,5%, maar stijgt in 2011 naar 0,55%. De vraag is hoeveel van dit verzuim werkgerelateerd is. In het werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011 24 is dit gevraagd aan werknemers die in het afgelopen jaar langer dan twee weken achtereen ziek zijn geweest. In de gehandicaptenzorg gaat het dan om 19% van het personeel. Van hen geeft 42% aan dat de oorzaak van de ziekte (gedeeltelijk) in het werk moet worden gezocht. Een te hoge werkdruk speelt hen het meeste parten, gevolgd door lichamelijke klachten door de arbeidsomstandigheden en onenigheid met de leiding of (andere) collega s. 6.4 Personeelsbeleid De arbeidsmarktanalyse gehandicaptenzorg 2010 25 liet zien dat meer dan de helft van de werkgevers in de gehandicaptenzorg in 2009 het beheersen van de werkdruk, het aantrekken van nieuw personeel en de onder- of overkwalificatie van personeel als knelpunt zag. Welke knelpunten werkgevers in de gehandicaptenzorg in 2010 het meest ervaren is helaas niet bekend 26. Er zijn inmiddels echter wel andere onderzoeken uitgevoerd die een beeld geven van de stand van het personeelsbeleid in de gehandicaptenzorg op specifieke thema s. Zo heeft Astri in 2011 een onderzoek uitgevoerd naar duurzame inzetbaarheid in de gehandicaptenzorg. 27 Hieruit blijkt dat bij de meeste instellingen in de gehandicaptenzorg duurzame inzetbaarheid op de agenda staat. Instellingen voelen de noodzaak om medewerkers duurzaam inzetbaar te houden, ondanks dat het merendeel nog onvoldoende zicht heeft op de ontwikkeling van het personeelsbestand in de komende jaren als gevolg van de vergrijzing, langer doorwerken en mogelijke krapte op de arbeidsmarkt. Op afzonderlijke elementen binnen het thema duurzame inzetbaarheid zijn vaak wel afspraken gemaakt tussen werkgever en OR, maar over een integraal, samenhangend duurzaam inzetbaarheidbeleid ontbreken deze vaak nog. Vaak ontbreekt ook nog een echte visie op dit punt. Ruim de helft van de instellingen geeft dan ook aan behoefte te hebben aan ondersteuning vanuit de sector, vooral in de vorm van informatie- en kennisuitwisseling, subsidie voor de ontwikkeling en implementatie van beleid en ondersteuning bij de keuze van instrumenten voor het meten van werkvermogen. Binnen het duurzame inzetbaarheidbeleid krijgen oudere werknemers vaak speciale aandacht. Het Nivel heeft in 2011 onderzocht hoe verpleegkundig en verzorgend personeel in de zorg staat tegenover het ouderenbeleid van hun werkgever. 28 Bijna 40% wil tot het 65 jaar blijven werken, maar niet meer dan 27% denkt ook in staat te zijn dit te kunnen doen. Een overgrote meerderheid vindt het belangrijk dat 50- plussers zo veel mogelijk voor de zorg worden behouden, maar minder dan een kwart vindt dat de werkgever hier alles aan doet. Volgens twee derde of meer van het verpleegkundig en verzorgend personeel moeten werkgevers vooral zorgen voor (in volgorde van belang): Acceptabele werkdruk Minder lichamelijk zwaar werk Aanpassing van de werkplek Waardering voor de werknemer Teamsfeer Gesprekken over belasting en gezondheid 23 Vernet (2012) Vernet viewer voor de branche gehandicaptenzorg Q2011-4. Amsterdam: Vernet 24 Visser, de, S. Schoenmakers, F. (2011) Werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011. Zoetermeer: Research voor beleid 25 StAG (2011) Arbeidsmarktanalyse 2010. www.arbeidsmarktgehandicaptenzorg.nl 26 De resultaten op deze vraag van de werkgeversenquête van Research voor beleid zijn niet uitgesplitst naar sectoren. 27 Molenaar-Cox, P., Zwart, de B., Cuelenaere, B. (2011). Duurzame inzetbaarheid in de gehandicaptenzorg Leiden: Astri. 28 Veer, de A., Francke A. (2011). Tot je pensioen werken in de zorg? Wensen van werknemers in de verpleging en verzorging ten aanzien van ouderenbeleid van werkgevers. Utrecht: Nivel 18/23

Minder onregelmatige diensten In het werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011 29 is gevraagd van welke arbeidsvoorwaarden gebruik wordt gemaakt door werknemers. In de gehandicaptenzorg zijn er twee arbeidsvoorwaarden die door een ruime meerderheid van de medewerkers wordt gebruikt. Dit zijn de eindejaarsuitkering en een vergoeding voor woon-werkverkeer. Andere arbeidsvoorwaarden worden door minder dan de helft van de werknemers gebruikt, waarbij een toeslag voor onregelmatige werktijden (45%) en de spaarloonregeling nog het meest worden gebruikt (40%). Uit het onderzoek naar bindingsfactoren van jong personeel in de gehandicaptenzorg 30 blijkt dat het belangrijk is voor jongeren om erkenning te krijgen, gewaardeerd te worden en dat hun kwaliteiten en vaardigheden worden gebruikt. Een belangrijke factor hierin is de leidinggevende (of werkbegeleider in het geval van stagiaire). De relatie met de leidinggevende is over het algemeen goed tot zeer goed. Het contact is prettig en jongeren krijgen waardering voor hun werk. Ook de formele gesprekken die jong personeel met hun leidinggevende heeft, worden als positief ervaren. Het minst positief zijn jongeren in de gehandicaptenzorg met de doorgroeimogelijkheden. Groeien in het werk is een belangrijk doel voor jongeren, waardoor een gebrek aan doorgroeimogelijkheden een probleem kan zijn in het behoud van deze groep. Verder wordt onzekerheid over het wel of niet krijgen van een vast contract als onprettig ervaren. 29 Visser, de, S. Schoenmakers, F. (2011) Werknemersonderzoek Zorg en Welzijn 2011. Zoetermeer: Research voor beleid Voorlopig rapport, nog te verschijnen 30 Calibris Contract (2011) Onderzoeksrapport bindingsfactoren jong personeel in de gehandicaptenzorg. In opdracht van StAG. 19/23

7 Huidige en toekomstige knelpunten Aangezien deze arbeidsmarktanalyse onderdeel uitmaakt van een meerjarenbeleidsplan voor de StAG is het van belang om te kijken naar de toekomst van de arbeidsmarkt in de gehandicaptenzorg. Daartoe worden hieronder enkele ontwikkelingen geschetst die van invloed zullen zijn op de arbeidsmarkt in de gehandicaptenzorg. 7.1 Belangrijke ontwikkelingen Economische crisis Hoewel er tekenen waren van herstel van de economie is het inmiddels duidelijk dat de economische crisis nog niet voorbij is. Hoewel de werkgelegenheid in de gehandicaptenzorg relatief ongevoelig is voor de conjunctuur, is wel duidelijk dat sinds het begin van de economische crisis het aantal vacatures scherp is gedaald. Ook is het verloop teruggelopen en is het aantal studenten aan een zorgopleiding gegroeid. Dit zorgt ervoor dat de arbeidsmarkt voor de gehandicaptenzorg minder krap is geworden. De crisis lijkt daarmee vooral gunstige effecten te hebben gehad op de arbeidsmarkt in de branche. Het is echter ook de aanleiding voor een gevaar waarvan de exacte gevolgen nog steeds ongewis zijn, namelijk bezuinigingen. Bezuinigingen In het regeer- en gedoogakkoord tussen VVD, CDA en PVV staat dat het huidige kabinet op alle collectieve sectoren bezuinigt en alleen investeert in de zorg. Een uitwerking van deze investering is het convenant Investeringen Langdurige Zorg 2011-2015. Dit convenant heeft tot doel de kwaliteit van de langdurige zorg te bevorderen door 12.000 extra medewerkers op te leiden en aan te nemen. Deze medewerkers moeten eind 2013 zijn aangenomen of in opleiding zijn. Volgens het convenant zullen deze (gelden voor) extra medewerkers ook ten goede komen aan de gehandicaptenzorg. Dit gaat echter gepaard met ingrijpen in de AWBZ. Het kabinet wil de financiering per handeling vervangen door financiering van resultaten. Het persoonsgebonden budget wordt wettelijk verankerd. Wonen en zorg worden gescheiden en de functies dagbesteding en begeleiding zullen worden overgeheveld naar de WMO. Verder wordt het recht op gehandicaptenzorg voor cliënten met een IQ boven de 70 geschrapt. Wat het effect is van deze maatregelen is echter nog niet uitgekristalliseerd. Door het schrappen van het recht op gehandicaptenzorg voor cliënten met een IQ boven de 70 wordt verwacht dat de vraag naar gehandicaptenzorg afneemt. Ingrijpen in de AWBZ en het persoonsgebondenbudget kan de vraag naar gehandicaptenzorg doen teruglopen, maar ook wordt voorzien dat cliënten die nu zelfstandig en/of kleinschalig wonen door de bezuinigingen toch weer aangewezen zijn op een instelling. Initiatieven voor deze woonvormen zijn vaak afhankelijk van het persoonsgebonden budget van de bewoners. Wellicht dat hierdoor de groei van het aantal zorgaanbieders wordt geremd, die tot nu toe vooral toe te schrijven was aan de groei van kleine bedrijven. Het effect van het overhevelen van dagbesteding en begeleiding naar de WMO is moeilijk in te schatten. In de media zijn vanuit verschillende kanten zorgen geuit over het feit dat daardoor gemeenten de dagbesteding en begeleiding moeten gaan regelen, terwijl de gemeenten zelf ook gekort worden op hun budget. Daarnaast is er de angst dat de uitvoering hiervan zullen worden aanbesteed. Dat zal leiden tot een verschuiving in het aanbod van zorg, die ook werknemers in de gehandicaptenzorg zal raken 31. Naast de voorgenomen beleidsveranderingen in de zorg zullen bezuinigingen in de sociale zekerheid zoals het verlagen van de Wajong-uitkering en het verminderen van het aantal sociale werkplaatsen, ook gevolgen hebben voor gehandicapten. In hoeverre dit de arbeidsmarkt in de gehandicaptenzorg zal beïnvloeden is moeilijk te zeggen. Vergrijzing en ontgroening De demografische ontwikkeling in Nederland heeft tot gevolg dat het aantal 50-plussers in de gehandicaptenzorg zal blijven toenemen. Verwacht wordt dat in 2018 een derde van het personeel 50-plus is. Binnen afzienbare tijd zullen grote groepen oudere werknemers met pensioen gaan. Dit betekent niet 31 www.zorgvisie.nl 20/23

alleen een uitstroom van arbeid, maar ook van kennis en kunde. Daar staat tegenover dat de ontgroening er op termijn voor zal zorgen dat zeker in bepaalde regio s de aanwas van nieuw personeel kleiner zal worden. De concurrentie om deze arbeidskrachten vanuit andere branches zal daardoor toenemen. Om er voor te zorgen dat de negatieve impact van deze demografische ontwikkelingen zo klein mogelijk zal zijn, is het van belang dat daarop wordt geanticipeerd. Strategische personeelsplanning is hierbij cruciaal. Uit het onderzoek naar duurzame inzetbaarheid in de gehandicaptenzorg 32 blijkt echter dat veel instellingen niet weten welke invloed de vergrijzing en ontgroening gaat hebben op de ontwikkeling van het personeelsbestand. Daarnaast blijken maar weinig instellingen al een integrale visie en integraal beleid te hebben ten aanzien van duurzame inzetbaarheid. Met een ouder wordend personeelsbestand en minder aanwas van nieuw personeel is dit echter belangrijk om het personeel langdurig inzetbaar te houden. Zo is het van belang dat werknemers zolang mogelijk, en liefst tot het pensioen, blijven werken. Ongeveer 40% wil blijven werken tot het pensioen, maar net iets meer dan een kwart gelooft ook dat dit gaat lukken 33. Een meer acceptabele werkdruk en minder lichamelijk zwaar werk zijn de twee meest gewenste maatregelen die langer doorwerken beter mogelijk zouden maken. Door de ontgroening zal de branche echter ook moeten inspelen op de arbeidsmarktwensen van de nieuwe generatie werknemers om aantrekkelijk te blijven voor het schaarser wordende arbeidspotentieel. Zo geven hoofden Opleidingen in het onderzoek naar bindingsfactoren van jong personeel 34 aan dat de huidige generatie stagiaires en jonge werknemers assertiever zijn en sterker in de mondelinge communicatie, maar daarnaast ook minder gedisciplineerd en zwakker in schriftelijke communicatie. 7.2 Middellange termijn verwachting Mede door de aangekondigde bezuinigingen is het moeilijk in te schatten hoe de arbeidsmarkt in de gehandicaptenzorg zich in de komende periode zal ontwikkelen. Het CPB verwacht dat de werkgelegenheid in de zorg met 139.000 fte zal groeien tussen 2010 en 2015. 35 Inschattingen van de groei in de werkgelegenheid 36 in de gehandicaptenzorg laten zien dat verwacht wordt dat in 2012 en 2013 deze met 2% per jaar zal groeien. Het verloop in deze periode wordt geschat op 2.9% per jaar. Alles bij elkaar wordt voorspeld dat tot en met 2013 de gehandicaptenzorg geen grote tekorten aan verpleegkundig, verzorgend en sociaalagogisch personeel zal kennen 37. Er wordt een klein overschot van 200 personen verwacht. Wat wel dreigt is een kwalitatief tekort. Tabel 6.1 laat zien dat de grootste tekorten in de zorg worden verwacht voor verzorgende op niveau 3, gevolgd door pedagogisch werkers op niveau 4. Van deze laatste groep werken er relatief veel in de gehandicaptenzorg. Een groot tekort in deze groep zal dus ook in deze branche worden gevoeld. Voor pedagogisch medewerkers op niveau 3 wordt een klein overschot verwacht. Tabel 6.1 Verwachte overschotten en tekorten naar kwalificatieniveau in de zorgsector in 2014 Verwachte overschotten en tekorten in 2014 Helpende Zorg en Welzijn 2 1.660 Verzorgende 3-7.880 Verpleegkundige 4-3.180 Verpleegkundige 5-360 Pedagogisch Werker 3* 540 Pedagogisch Werker 4* -5.240 Sociaal ped. hulpverlening 5 2.670 Optelling van (S)PW en MZ ¾ Bron: Calibris (2011), Rapportage arbeidsmarkt en onderwijsinformatie 2010-2011. www.calibris.nl. 32 Molenaar-Cox, P., Zwart, de B., Cuelenaere, B. (2011). Duurzame inzetbaarheid in de gehandicaptenzorg Leiden: Astri. 33 Veer, de A., Francke A. (2011). Tot je pensioen werken in de zorg? Wensen van werknemers in de verpleging en verzorging ten aanzien van ouderenbeleid van werkgevers. Utrecht: Nivel 34 Calibris Contract (2011) Onderzoeksrapport bindingsfactoren jong personeel in de gehandicaptenzorg. In opdracht van StAG. 35 Panteia (2011), Arbeid in Zorg en Welzijn 2010. Zoetermeer: Panteia. 36 Calibris (2011), Rapportage arbeidsmarkt en onderwijsinformatie 2010-2011. www.calibris.nl. 37 Prismant (2009), RegioMarge 2009. Zie ww.azwinfo.nl/publicaties. 21/23

Het doorscholen van niveau 3 naar niveau 4 kan dus enige soelaas bieden, maar zal geen structurele oplossing zijn voor de problemen op niveau 4. Een andere mogelijkheid is om gediplomeerden op niveau 4, als ze willen doorleren naar niveau 5, aan te sporen dit te doen via een duaal-traject, vergelijkbaar met een BBL-traject in het mbo. Zo zijn ze toch eerder beschikbaar op de arbeidsmarkt en doen ze meteen ervaring op in de sector. Eerder zagen we al dat door te werken in de gehandicaptenzorg het beeld van deze branche bij nieuw personeel positief wordt beïnvloed. Daarnaast is het dan wel belangrijk dat de branche deze gediplomeerden ook weet te behouden. Erkenning en waardering voor deze werknemers zijn daarvoor van belang. Voor het opvangen van tekorten kan ook worden gekeken naar mogelijkheden om de arbeidsproductiviteit te verhogen. Mogelijkheden daartoe zijn het gebruik van technologische toepassingen als robotica en domotica. De ontwikkelingen hierin zijn in de afgelopen decennia snel gegaan, maar desondanks is de werkgelegenheid in de gehandicaptenzorg blijven stijgen. De techniek kan het mensenwerk in de zorg tot nu toe niet vervangen. Ook kan worden gekeken naar verdere professionalisering van de arbeidsorganisatie om zo tot een efficiëntere bedrijfsvoering te komen waarin personeel ook beter en langer inzetbaar kan zijn. Het ontwikkelen van een duurzaam inzetbaarheidbeleid is hierin een belangrijke stap. 7.3 Lange termijn verwachtingen Sinds het uitkomen van de vorige arbeidsmarktanalyse 38 zijn er geen nieuwe lange termijn inschattingen gemaakt van de werkgelegenheid in de zorg of de gehandicaptenzorg in het bijzonder. Vandaar dat in deze arbeidsmarktanalyse de lange termijn verwachting uit de vorige arbeidsmarktanalyse is gehandhaafd. Wel heeft TNO een inschatting gemaakt van de effecten die de maatregelen in het regeerakkoord gaan hebben op de vraag naar verstandelijk gehandicaptenzorg in 2020. 39 Verwacht wordt dat ruim 33.000 mensen met een verstandelijke beperking gebruik zullen maken van dagbesteding, vervoer of begeleiding via de gemeente, 76.000 zullen niet meer wonen op basis van AWBZ en 13.000 zwakbegaafden zullen geen langdurige zorg meer krijgen vanuit de AWBZ. Daarbij krijgen de gemeenten de verantwoordelijkheid voor de zorg van 5.400 jongeren met een lichte verstandelijke beperking. Ramingen naar personeelstekorten of -overschotten kijken vaak niet verder dan een paar jaar vooruit. De vraag naar en het aanbod van personeel zijn van zo veel factoren afhankelijk dat een betrouwbare schatting daarvan meer dan enkele jaren vooruit moeilijk te maken is. Toch zijn er de afgelopen jaren enkele pogingen gedaan om een beeld te schetsen van de toekomstige arbeidsmarkt in Nederland op de langere termijn. Enkele daarvan nemen daarbij (ook) de zorgsector mee. De gehandicaptenzorg wordt in deze ramingen niet apart onderscheiden. In 2010 heeft Prismant in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt in Zorg en Welzijn een verkenning gedaan naar de vraag naar en het aanbod van arbeid in de zorgsector op basis van de ramingen, schattingen en onderzoeken die over deze sector de afgelopen jaren zijn verschenen 40. Alle door hen onderzochte ramingen van de vraag naar zorgpersoneel over een grotere periode dan 5 jaar laten een toename zien. Gemiddeld komt deze toename uit op iets minder dan 2% per jaar. Wat betreft het aanbod voorzien ze als gevolg van het beleid om mensen langer te laten doorwerken een uitstel in de stijging van de vervangingsvraag. Echter, de stijging komt eraan door het uitreden van de babyboomgeneratie. Verwacht wordt dat de vervangingsvraag zal stijgen van nu 4% per jaar naar ruim 6% per jaar. Mede daardoor verwacht het CPB dat het aanbod aan personeel vanaf 2019 zal gaan krimpen in Nederland. Om de groeiende vraag naar zorg en zorgpersoneel op te kunnen vangen zal het aandeel werkenden in de zorg ten opzichte van het totaal aantal werkenden moeten toenemen. Prismant (2010) berekent dat op basis van toekomstscenario s van het CPB in 2030 het aandeel zorg- en welzijnpersoneel 17-23% moet 38 StAG (2011) Arbeidsmarktanalyse 2010. www.arbeidsmarktgehandicaptenzorg.nl 39 Staalduinen, van W., Voorde, ten F. (2011) Trendanalyse verstandelijk gehandicaptenzorg. TNO 40 Prismant (2010). De lange termijn vraag naar en het aanbod van personeel in de zorg. Zie ww.azwinfo.nl/publicaties. 22/23

bedragen om bij ongewijzigd beleid de vraag aan te kunnen. Nu wordt dit aandeel nog geschat op 13% 41, maar inmiddels zijn in sommige regio s van Nederland dergelijke percentages al gesignaleerd. Echter, met het actuele aanbod zal het lastig worden om deze percentages te behalen, omdat het landelijke aandeel dan moet groeien, terwijl ook een groter deel van het personeel vervangen moet worden als gevolg van de vergrijzing. Er zal daarom in de zorg en daarmee ook de gehandicaptenzorg, beleid moeten komen wat zich richt op het vergroten van de instroom en het behoud van personeel. Het vergroten van de participatie en productiviteit kunnen de dreigende kloof tussen vraag en aanbod verkleinen zo lang maatregelen op dit gebied niet ten kosten gaan van de kwaliteit van arbeid. Daarnaast moet optimaal gebruik worden gemaakt van het aanbod door het huidige personeel te blijven ontwikkelen en door te zoeken naar mogelijkheden om via functiedifferentiatie het werk aan te laten sluiten bij het beschikbare arbeidspotentieel. 41 Zorginnovatieplatform (2009). Zorg voor mensen, mensen voor de zorg. Arbeidsmarktbeleid voor de zorgsector richting 2025. Advies van het Zorginnovatieplatform. Zie zorginnovatieplatform.nl. 23/23