Samen met Jezus op weg KERK & WERELD Korte Schipstraat 16 2800 Mechelen Tekst: Myrjam De Keyser
1. De laatste keer samen Jezus en zijn leerlingen willen graag het paasfeest vieren. Daarvoor zijn ze naar Jeruzalem gekomen. Enkele leerlingen zetten tijdens de dag alles klaar. s Avonds gaan ze samen aan tafel. Jezus zegt: Ik ben wat ongerust. Jeruzalem is gevaarlijk. Het zou kunnen dat ze Mij gevangen zullen nemen. Maar dat is niet zo belangrijk. Dat we hier samen zijn, dát telt. Vergeet niet wat Ik jullie wilde leren: Jullie horen samen, als één familie. Jullie horen ook helemaal bij God, Hij is de Vader en de Moeder van de familie. Misschien helpt een teken jullie op weg. Kijk wat Ik doe, Ik neem een brood. Dat ben Ik. Ik breek het en geef jullie allemaal een stukje. Eet het op en voel dat jullie verbonden zijn met Mij. Hier is een beker wijn. Dat ben Ik ook. Drink hier allemaal van en voel dat jullie helemaal bij God horen. Telkens je dit doet, ben ik bij jullie.
2. Jezus wordt bang Na de maaltijd zingen ze samen nog enkele psalmen. Dan gaan ze naar buiten. Jezus vraagt aan de leerlingen om even op Hem te wachen. Hij gaat een beetje verder bidden. Jezus bidt: Goede Vader, Ik ben bang. Ik zie de hogepriesters boos naar Me kijken, dat loopt vast slecht af. Ik ben bang en Ik wil niet dood. Laat Mij met mijn leerlingen een uitweg vinden. Hij gaat terug naar de anderen. Die slapen allemaal. Jezus is boos, voelen ze niet dat er iets ergs gaat gebeuren? Maar ze begrijpen het niet. Jezus gaat terug bidden. Lieve Vader, dat wordt niets met mijn leerlingen. Ze zien niet dat er problemen komen. Misschien kan Ik maar beter niet op hun hulp rekenen. Als we nu gewoon allemaal samen weggaan, weg uit deze stad waar zoveel haat is. Zou dat niet helpen? Wanneer Jezus terug bij de leerlingen komt, slapen ze weer allemaal. Hij zucht eens en gaat opnieuw bidden. Ach Vader, Ik voel het al. Ik sta er alleen voor. Er zal niets aan te doen zijn. Laat het dan maar gebeuren. Ik doe mijn best.
3. Gevangen nemen Jezus komt terug bij zijn leerlingen. Een groep mensen komt naar hen toe. Petrus vertelt: Wat is dat lawaai, wat gebeurt er? Wat komen die mensen hier zoeken en wat doet Judas bij hen? Het is zo donker, is hij het wel? Nu gaat Judas naar Jezus en geeft Hem een kus. Zo Judas, zegt Jezus triest, ga je Me zo verraden? Ik zie een paar mensen naar Jezus stappen, ze willen Hem meenemen. Was dat de bedoeling van Judas? Waarom doet hij dat, hij hoorde toch bij ons? Razend ben ik, woest, wat denkt die Judas wel. Wacht, ik heb hier een zwaard, de eerste die in mijn buurt komt, doe ik wat. Maar Jezus doet teken, laat het, dat helpt niet. Zo komen we niet verder. Gaat Hij dan zo mee met die bende? Ik ben bang, ik verstop me achter de bomen. Maar ik volg wel op een afstandje. Waar gaan ze met mijn Heer naar toe? Grote God, dit kan toch niet. Dit kan Je niet laten gebeuren. Mijn God, doe toch wat!
4. Voor de rechters Ze brengen Jezus naar de hogepriesters. Eén van hen ziet het zo: Daar is Hij, die nieuwe profeet. Vervelend dat we Hem zo midden in de nacht moeten horen. Maar wat wil je, de mensen hebben Hem graag. In de dag kunnen we niets doen. Nu zijn er getuigen die willen liegen. We stellen Hem strikvragen. Hij zegt niet veel, Hij is niet dom. Hij weet wel dat we toch niet luisteren. Waarom zouden we ook? Hij heeft al veel te veel gezegd. Hoogheilige God, deze man is een schande, Hij moet gestopt worden. Stel U voor, Hij noemt U Vader, dat hoort toch niet. Als alle mensen dat deden, wie zou er dan nog bang zijn van U? Machtige en strenge God, we bedenken wel iets. We zeggen dat Hij dood moet en brengen Hem naar de Romeinen. Die doen wel wat we zeggen, ze zijn altijd bang van relletjes. Dan is jouw heilige tempel veilig. En dan ziet iedereen dat alleen wij, de hogepriesters, over Jou mogen praten.
5. Slaan en uitlachen s Morgens vroeg brengen ze Jezus naar Pilatus, de baas van de Romeinen. Pilatus is bang van de roepende hogepriesters. Hij wil rust in zijn stad. Hij zegt tegen zijn soldaten dat ze Jezus moeten meenemen en dat Hij moet sterven. Maria ziet het zo: Mijn zoon, mijn lieve jongen, nu ga je daar tussen de soldaten. Ze nemen Je mee naar hun kazerne. Ik hoor het klakken van de zweep. Het doet zo n pijn, ik voel zelf elke klap. Ze lachen ook, ruw en hard, echt soldaten. Ze weten van niets, maar ze lachen met Jou. Dom zijn ze, gewoon dom. Oh nee, daar ben Je terug. Met zo n groot zwaar kruis op je rug. Goede jongen, hoe zie je eruit, met overal bloed. Wat voor een akelige kroon van stekels hebben ze op je hoofd gezet. Je ziet er zo moe uit. Goede God, als Hij heel veel pijn heeft, maak dan dat Hij plots niets meer voelt. Laat het snel voorbij zijn! Ik hou zo van Hem, Jij toch ook!
6. Op weg met het kruis en kruisiging Jezus moet een heel eind gaan, helemaal de stad uit. Hij is zwak van al het slaan. Er komt een man voorbij. Simon aan het woord: Ha, eindelijk naar huis. Mijn akker staat goed, morgen is het sabbat en dan werk ik niet. Daar komt een groep soldaten de stad uit. Gaan ze vandaag nog iemand kruisigen? Zo vlak voor het paasfeest? Dat moet dan een heel gevaarlijke kerel zijn. Ze komen maar traag vooruit. Er komt een soldaat hierheen. Wat wil die Romein, moet ik dat kruis helpen dragen? Nee zeg, ik wil naar huis. Laat Hem dat ding zelf dragen. De man kijkt even op. Hé, ik ken Hem. Dat is toch die leraar, Jezus. Hier is iets niet in orde. De Romeinen hebben zich wat laten wijsmaken. Deze man is niet gevaarlijk. Kom jongen, geef hier dat kruis. Met twee gaat het beter. Het schedelveld is niet ver meer.
7. Jezus sterft Ze komen aan op het schedelveld. De soldaten maken Jezus vast aan het kruis. Hun baas, de honderdman, staat te kijken: Ik kan er niet bij. Die joden zijn zo n raar volk. Is dit hun nieuwe koning, de leider van een opstand tegen ons? Laat me niet lachen. Maar waarom jammert Hij niet, of vloekt Hij niet. Meestal hangen ze hier nog luid te roepen of te smeken. Toch doet alles pijn, dat kan je zien. Hij heeft al veel bloed verloren, het zal niet lang meer duren. Nu roept Hij toch iets en Hij sterft. Wat raar, ik krijg het helemaal koud. Alsof dit niet juist was. Moest deze man echt wel dood? Er is niets meer aan te doen. Zou Hij nu bij zijn Vader zijn? Grote God, als Jij er echt bent, zorg dan nu voor Hem. Want ik denk dat Hij de dood niet heeft verdiend.
8. Van het kruis en in het graf Enkele van de vriendinnen van Jezus zijn in de buurt gebleven. Maria Magdalena bedenkt: Voorbij. Het is voorbij, lieve Jezus. Raar dat er geen tranen meer komen. Ze zijn op, denk ik. Of misschien ben ik nu ook een stukje dood. Ik mis Je al zo erg. Ik weet niet of ik verder kan zonder Jou. Er komt een joodse rechter aan. Als die nog lelijke dingen wil roepen tegen jou, dan is het te laat. Ach, het is Jozef, die hoort bij ons. Hij stelt voor om naar Pilatus te gaan en te vragen of hij Jezus van het kruis mag afhalen. Oh, mijn lieve Jezus, dat zou zo goed zijn. Dan kan Je vannacht al rusten. Dan hang Je niet de hele sabbat aan dat kruis. En als Jozef het vraagt, zal niemand het raar vinden. We halen Je zachtjes van je kruis, lieve Jezus. Grote zuivere doeken slaan we om Je heen. We leggen Je in een graf. Slaap zacht, lieve vriend, na de sabbat komen we terug en verzorgen Je. Lieve God, waak over Hem. Hij is ons zo dierbaar.
9. Volop levend Na de sabbat gaan enkele vrouwen naar het graf. Ze willen Jezus verzorgen. Maar het graf is leeg. Een hogepriester moppert: Ik wist het, ik had het nog gezegd. Laat die Jezus gewoon naar huis vertrekken. Dan is iedereen Hem snel vergeten. Maar maak Hem niet dood, want dan begint het pas. We hebben nog een soldaat voor het graf gezet. Dan kon niemand het lichaam stelen. En toch is het weg. Een leeg graf. Vrouwen zeggen dat ze Jezus hebben gezien. Ze spreken van een boodschapper. Iemand met witte kleren zei dat Jezus niet dood is. Hij leeft gewoon bij zijn Vader verder. Ach, ze zeggen maar wat. Maar die leerlingen! Ze praten de hele tijd over Hem. Ze zijn niet meer verdrietig. Jezus leeft verder! Ik had het nog gezegd. Maak Hem niet dood want daarmee is het niet gdaan!