Bedieningshandleiding

Vergelijkbare documenten
Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bewaar de bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bewaar de bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding CATROS 5501-T CATROS 7501-T

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Printed: Doc-Nr: PUB / / 000 / 00

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding. & onderhoudshandboek

Bedieningshandleiding

Voor uw veiligheid. Het apparaat is uitsluitend geconstrueerd voor de normale toepassing bij agrarische werkzaamheden (reglementair gebruik).

Bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

GEBRUIKERSHANDLEIDING KS

GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling) Hefttafel Type(s) , , ,2

Aanbouw- en bedieningshandleiding

Bedieningshandleiding

Bestnr Toerentalregelaar voor ventilator

Oorspronkelijke gebruiksaanwijzing. Routetrein CX T. Aanvullingopdeseriebedieningsinstructies. vandetrekkercxt NL - 02/2012

Viesmann. Montage- en servicehandleiding. Blusinrichting. Veiligheidsinstructies. voor de vakman. voor Vitoligno 300-H

Verklaring van de symbolen (pictogrammen)

Gebruiks- en onderhoudsaanwijzing- NL

DRAAITAFEL DT-1000.INOX/ALU DT-1200.INOX/ALU DT-1500.INOX/ALU HANDLEIDING

Machine stilleggen en vergrendelen (sleutel verwijderen) 112 en leidinggevende verwittigen

Tijdschakelklok. Bestnr.: (groen) (oranje) (transparant) (blauw) Omwille van het milieu 100% recyclingpapier

Aanbouwhandleiding. ISOBUS-basisuitrusting met ISOBUS-cabinecontactdoos en relais

TECHNISCHE HANDLEIDING

Aanbouwhandleiding. ISOBUS-Basisuitrusting met contactdoos achteraan (zonder Tractor-ECU) Stand: V

Bedieningshandleiding. & onderhoudshandboek

Met de aankoop van een Weijer aanhangwagen of paardentrailer heeft u gekozen voor kwaliteit en duurzaamheid.

GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling)

Bedieningshandleiding

Aanbouwhandleiding. Complete set basisuitrusting vooraan en achteraan. Stand: V

TE DRS 4-A Nederlands

Algemene Reparatieen Testaanwijzingen. Veilige reparatie en controle van WABCO componenten

STIGA PARK 107 M HD

Hefbrugkriks hand hydraulisch of pneumatisch hydraulisch

Aanbouwhandleiding. ISOBUS-basisuitrusting met ISOBUS-cabinecontactdoos en relais

Sulky Line Painter 1200

Aanbouwhandleiding. Complete set basisuitrusting vooraan en achteraan. Stand: V Lees en volg deze bedieningshandleiding op.

Handleiding. Type: TopsealDirect.nl - Standard Plus

Inhoud. 1. Veiligheidsinstructies

INLEIDING VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN SYMBOLEN. De symbolen in deze gebruiksaanwijzing. Symbolen op het apparaat

regenwater Reni START pakket inbouw- en bedieningsvoorschriften

Voor de gebruiker. Gebruiksaanwijzing. allstor. Bufferboiler

GASTRO BUFFET - SALADEBAR GEBRUIKSAANWIJZING EN ONDERHOUDSHANDLEIDING

Gebruiksaanwijzing Loophulp

Adapters en verloopmoeren van metaal

GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling)

- - AOY0001 AOY0004 AOY0003 AOY0002

HEFTRUCK. Wat is de gewenste situatie? Maatregelen. Sector Bloembollenteelt en handel

Versnellingsschakelaar

BGR 233 GEKEURD (DE) Gebruikshandleiding Laadbrug. Bekijk de instructievideo op

Aanvulling op de technische handleiding. MOVIMOT -opties MLU.1A, MLG.1A, MBG11A, MWA21A. Uitgave 06/ / NL.

HANDLEIDING. Sesame. Thermoplastic Tank Technologies

1.1 ALGEMENE VOORZORGSMAATREGEL

GEBRUIKSAANWIJZING WAND AFZUIGKAPPEN

HEFTRUCK. Wat is de gewenste situatie? Maatregelen. Sector Hoveniers en Groenvoorziening

MOD-I-XP. Vooraanzicht. Kenmerken. MOD-I-XP_ _NL Technische wijzigingen voorbehouden Pagina 1 van 8. Modem voor externe gegevensoverdracht

VIESMANN. Montage- en servicehandleiding. Invoer. Veiligheidsinstructies. voor de vakman. voor Vitoligno 300-H, 80 tot 101 kw

RLB-1000.INOX/ALU USER MANUAL

DROOGPLATEAU. Handleiding

VIESMANN. Montage- en servicehandleiding. Uitvoer met veerbladen. Veiligheidsinstructies. voor de vakman. voor Vitoligno 300-H

Bedieningshandleiding

GEBRUIKSAANWIJZING. Europese Modellen MD 60/100/120 3/4/5 Amerikaanse Modellen MD 24/40/48 3/4/5

GEBRUIKSAANWIJZING EILAND AFZUIGKAPPEN

Voorwoord HTZ DPK 800 HTZ DPK 800N Frequenties en periodieke keuringen & inspecties . Let er op dat de accumulatordruk minimaal 50 bar is.

Bedieningshandleiding

Compressor H V CE

AFVOER-/AANZUIGAPPARAAT RQN 1071 GEBRUIKSAANWIJZING

CONFIGURATIEHANDLEIDING (NEDERLANDS) (ORIGINELE VERSIE) SBGuidance. WiFi Manager NL Rev. A

JALOUZIËN. Bedienings- en montagehandleiding

Van n Bike draagsysteem

Gebruikershandleiding en Veiligheidsvoorschriften

Montagehandleiding. Dubbele antenne. Stand: V

Transcriptie:

Bedieningshandleiding az Zaaimachines D9-25 Special D9-30 Special D9-30 Super D9-40 Super MG3893 BAH0007.3 08.10 nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig op! Bewaar de bedieningshandleiding voor toekomstig gebruik! D9 BAH0007.3 08.10 1

Het mag niet onbelangrijk of overbodig voorkomen, deze gebruiksaanwijzing te lezen en zich aan de aanwijzingen te houden; het volstaat niet van anderen te horen, dat de machine goed is, ze daarom te kopen en te denken dat alles vanzelf gaat. De persoon in kwestie berokkenent niet alleen zichzelf schade maar zal ook fouten maken waarbij het mislukken niet aan zichzelf doch aan de machine zal worden toegeschreven. Om zeker te zijn van een goede werking moet men zich bewust zijn van de handelingen en over het doel van de functies van de machine geïnformeerd zijn en er mee leren omgaan. Pas dan zal men over de machine en zichzelf tevreden zijn. Om dit doel te bereiken dient deze bedieningshandleiding. Leipzig-Plagwitz 1872. 2 D9 BAH0007.3 08.10

Identificatiegegevens Identificatiegegevens Vul hier de identificatiegegevens van de machine in. U vindt de identificatiegegevens op het typeplaatje. Identificatienummer machine: (tien cijfers) Type: D9 Bouwjaar: Basisgewicht kg: Toelaatbaar totaalgewicht kg: Maximale belading kg: Adres fabrikant AMAZONEN-WERKE H. DREYER GmbH & Co. KG Postbus 51 D-49202 Hasbergen Tel.: + 49 (0) 5405 50 1-0 Fax.: + 49 (0) 5405 501-234 E-mail: amazone@amazone.de Bestellen van onderdelen De lijsten met vervangingsonderdelen zijn vrij toegankelijk via het Portaal Vervangingsonderdelen op www.amazone.de. Wij verzoeken u uw orders bij uw AMAZONE-dealers te plaatsen. Over deze bedieningshandleiding Documentnummer: MG3893 Productiedatum: 08.10 Copyright AMAZONEN-WERKE H. DREYER GmbH & Co. KG, 2010 Alle rechten voorbehouden. Nadruk, ook gedeeltelijk, uitsluitend toegestaan na toestemming van AMAZONEN-WERKE H. DREYER GmbH & Co. KG. D9 BAH0007.3 08.10 3

Voorwoord Voorwoord Geachte klant, U heeft gekozen voor een van onze kwaliteitsproducten uit het uitgebreide programma van AMAZONEN-WERKE, H. DREYER GmbH & Co. KG. Wij bedanken u voor het in ons gestelde vertrouwen. Controleer bij ontvangst van de machine of er sprake is van transportschade en of er onderdelen ontbreken! Controleer aan de hand van het afleveringsbewijs of de machine compleet is geleverd, inclusief de bestelde toebehoren. Alleen bij directe reclamaties heeft u recht op schadevergoeding! Lees deze bedieningshandleiding, en vooral de veiligheidsinstructies, voor het inbedrijfstellen door en volg alle aanwijzingen zorgvuldig op. Door de bedieningshandleiding nauwlettend te lezen, kunt u de voordelen van uw nieuwe machine optimaal benutten. Zorg ervoor dat alle gebruikers van deze machine deze bedieningshandleiding lezen voordat zij met de machine aan het werk gaan. Raadpleeg bij eventuele vragen of problemen s.v.p. deze bedieningshandleiding of bel ons gewoon even. Door onderhoud regelmatig uit te voeren en versleten of beschadigde onderdelen tijdig te vervangen, verhoogt u de levensduur van uw machine. Uw suggesties Geachte lezers, Wij passen onze bedieningshandleidingen regelmatig aan. Uw suggesties helpen ons onze bedieningshandleidingen nog gebruikersvriendelijker te maken. U kunt uw suggesties per fax aan ons doorgeven. AMAZONEN-WERKE H. DREYER GmbH & Co. KG Postbus 51 D-49202 Hasbergen Tel.: + 49 (0) 5405 50 1-0 Fax.: + 49 (0) 5405 501-234 E-mail: amazone@amazone.de 4 D9 BAH0007.3 08.10

Inhoud 1 Tips voor de gebruiker...9 1.1 Doel van het document...9 1.2 Plaatsaanduidingen in de bedieningshandleiding...9 1.3 Gebruikte beschrijvingen...9 2 Algemene veiligheidsinstructies...10 2.1 Verplichtingen en aansprakelijkheid...10 2.2 Beschrijving van veiligheidssymbolen...12 2.3 Organisatorische maatregelen...13 2.4 Veiligheids- en beschermingsvoorzieningen...13 2.5 Vrijblijvende veiligheidsmaatregelen...13 2.6 Scholing van de personen...14 2.7 Veiligheidsmaatregelen voor normaal gebruik...15 2.8 Gevaren door resterende energie...15 2.9 Onderhoud, service en oplossen van storingen...15 2.10 Bouwkundige modificaties...15 2.10.1 Onderdelen, slijtageonderdelen en hulpstoffen...16 2.11 Reinigen en afvalverwerking...16 2.12 Werkplek van de chauffeur...16 2.13 Waarschuwingsstickers en andere tekens op de machine...17 2.13.1 Plaats van de waarschuwingsstickers en overige aanduidingen...23 2.14 Gevaren bij het negeren van de veiligheidsinstructies...24 2.15 Veiligheidsbewust werken...24 2.16 Veiligheidsinstructies voor de chauffeur...25 2.16.1 Algemene veiligheidsinstructies en voorschriften ter voorkoming van ongevallen...25 2.16.2 Hydraulisch systeem...29 2.16.3 Elektrisch systeem...30 2.16.4 Aangebouwde werktuigen...31 2.16.5 Werken met zaaimachines...32 2.16.6 Reinigen, service en onderhoud...32 3 Op- en afladen...33 4 Beschrijving van het product...34 4.1 Overzicht van bouwgroepen...35 4.2 Veiligheids- en beschermingsvoorzieningen...40 4.3 Overzicht voedingskabels tussen tractor en machine...41 4.4 Verkeerstechnische uitrusting...42 4.5 Gebruik volgens voorschriften...43 4.6 Gevarenzone en gevaarlijke plaatsen...44 4.7 Typeplaatje en CE-markering...45 4.8 Technische gegevens...46 4.8.1 Technische gegevens voor berekening van tractorgewichten en tractorasbelastingen...47 4.9 Conformiteit...48 4.10 Benodigde tractoruitrusting...48 5 Opbouw en werking...49 5.1 Hydrauliekslangen...51 5.1.1 Hydrauliekslangen aansluiten...51 5.1.2 Hydrauliekslangen loskoppelen...52 5.2 Zaadkast en laadrand (optioneel)...52 5.2.1 Niveau-indicator (optioneel)...52 5.2.2 Digitale niveau-indicator (optioneel)...53 5.2.3 Raapinzetstuk (optioneel)...53 D9 BAH0007.3 08.10 5

Inhoud 5.3 Instelling hoeveelheid uitgezaaid zaad... 54 5.3.1 Aandrijving van de zaaiwielen... 55 5.3.2 Zaaigoed-dosering... 55 5.3.3 Tabel instelwaarden... 56 5.3.4 Zaaiwiel (standaard- en fijnzaaiwiel)... 57 5.3.5 Bonenzaaiwiel (optioneel)... 57 5.3.6 Bodemkleppen... 57 5.3.7 5.3.8 Roeras... 58 Uitzaaien van erwten... 59 5.3.9 Uitzaaien van bonen... 60 5.3.10 Afdraaigoten... 61 5.3.11 Rekenschijf... 61 5.4 Bedieningsterminal (optioneel)... 62 5.5 Bedieningsterminal (optioneel)... 62 5.6 WS-zaaischijf... 63 5.6.1 Bandzaadschoen (optioneel)... 63 5.7 RoTeC-zaaischijf... 64 5.8 Zaaischijfdruk... 65 5.9 Exacteg (optioneel)... 67 5.10 Sleeptandeg (optioneel)... 68 5.11 Zaaimachine-sporenwisser (optioneel)... 69 5.12 Tractor-sporenwisser (optioneel)... 69 5.13 Markeurs... 70 5.14 Hectareteller AMACO (optioneel)... 71 5.15 Rijpadenschakeling (optioneel)... 72 5.15.1 Voorbeelden voor het aanleggen van rijpaden... 74 5.15.2 Schakelritme 4, 6 en 8... 76 5.15.3 Schakelritme 2 plus en 6 plus... 77 5.15.4 Rijpadregeling... 77 5.15.5 Uitschakeling zaaias aan één kant... 79 5.15.6 Rijpadmarkeerapparaat (optioneel)... 79 6 Inbedrijfstelling... 80 6.1 Controleren of de tractor geschikt is... 81 6.1.1 Berekenen van de daadwerkelijk waarden voor het totale gewicht van de tractor, de belastingen van de tractorassen, de draagvermogens van de banden en het minimaal benodigde ballastgewicht... 81 6.1.1.1 Benodigde gegevens voor de berekening (aangebouwde machine)... 82 6.1.1.2 Berekening van het minimaal noodzakelijke ballastgewicht voor G V min om de bestuurbaarheid van de tractor te waarborgen... 83 6.1.1.3 Berekening van de daadwerkelijke voorasbelasting van de tractor T V tat... 83 6.1.1.4 Berekening van het daadwerkelijke totaalgewicht van de combinatie tractor en machine... 83 6.1.1.5 Berekening van de daadwerkelijke achterasbelasting van de tractor T H tat... 83 6.1.1.6 Draagvermogen van de tractorbanden... 83 6.1.1.7 Tabel... 84 6.2 Beveilig de tractor/machine tegen onbedoeld starten en wegrollen... 85 6.3 Eerste montage van de bedieningsterminal... 85 6.4 Eerste montage exacteg (vakwerkplaats)... 86 6.5 Eerste montage laadrand (vakwerkplaats)... 86 6.6 Eerste montage van de houders voor de beschermstrip voor de verkeersveiligheid... 87 7 Machine aan- en afkoppelen... 88 7.1 Machine aankoppelen... 88 7.1.1 Hydraulische verbindingen aansluiten... 92 7.1.2 Andere aansluitingen vastmaken... 93 6 D9 BAH0007.3 08.10

Inhoud 7.2 Machine afkoppelen...94 8 Instellingen...95 8.1 Standaard- en fijnzaaiwiel instellen...95 8.2 Afsluitschuiven instellen...97 8.3 Bodemkleppenpositie instellen...98 8.4 Niveausensor instellen...98 8.5 Roerasaandrijving...99 8.6 Zaadkast vullen...100 8.7 Hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen met afdraaiproef...101 8.7.1 Hydr. afstandsinstelling zaadhoeveelheid instellen...107 8.7.2 Bepaling van de stand van de aandrijving met behulp van de rekenschijf...109 8.8 Instellen van de markeurs...109 8.9 Bandzaadschoen aan de WS-zaaischijf bevestigen...111 8.10 Zaaischijfdruk instellen...112 8.10.1 Centrale zaaischijfdrukinstelling...112 8.10.2 Hydr. zaaischijfinstelling...112 8.10.3 Buitenste zaaischijf instellen...113 8.10.4 Kunststof RoTeC-schijven instellen...114 8.10.5 Zaaigoeddiepte controleren...115 8.11 Zaaimachine-sporenwissers (optioneel) instellen...116 8.12 Tractor-sporenwisser (optioneel) instellen...116 8.13 Exacteg instellen...118 8.13.1 Veertanden instellen...118 8.13.2 Exactegdruk instellen...119 8.13.3 Exactegdruk, hydr. instellen...119 8.14 Schakelritme rijpaden instellen...120 8.15 Linker zaaiashelft uitschakelen...121 8.16 Rijpadmarkeerapparaat instellen...122 9 Transport...124 9.1 Zaaimachine in transportstand zetten...126 9.2 D9-40 Super transporteren...129 10 Werken met de machine...130 10.1 Machine voorbereiden voor gebruik...131 10.2 Beginnen met zaaien...134 10.3 Tijdens het werk...135 10.4 Keren op de kopakker...135 10.5 Zaadkast en zaaihuis leegmaken...136 10.6 Na het zaaien...137 11 Storingen...138 11.1 Wegklappen van een markeurarm...138 11.2 Verschil tussen de ingestelde en daadwerkelijke hoeveelheid uitgezaaid zaad...139 12 Reinigen, service en onderhoud...140 12.1 Reinigen...140 12.1.1 Machine reinigen...141 12.1.2 Machine gedurende langere tijd wegzetten...141 12.2 Onderhoudsschema overzicht...142 12.3 Bandenspanning...143 12.4 Reparatiewerkzaamheden aan banden en wielen (vakwerkplaats)...143 12.5 Oliepeil in de Vario-aandrijving controleren...144 D9 BAH0007.3 08.10 7

Inhoud 12.6 Rollenkettingen en kettingwielen... 144 12.7 Basisafstelling bodemkleppen... 145 12.8 Hydraulisch systeem... 146 12.8.1.1 Aanduidingen op hydrauliekslangen... 147 12.8.1.2 Service-intervallen... 147 12.8.1.3 Inspectiecriteria voor hydrauliekslangen... 147 12.8.1.4 Monteren en demonteren van hydrauliekslangen... 148 12.9 Wielafstrijker instellen... 149 12.10 Schakelautomaat instellen (vakwerkplaats)... 149 12.11 Rijpadmarkeerapparaat op de schakelkast instellen (vakwerkplaats)... 149 12.12 Raapinzetstuk monteren... 150 12.13 WS-zaaischijfpunt vervangen... 151 12.14 RoTeC-zaaischijf-slijtpunt vervangen... 151 12.15 Afstand tussen de rijpaden en spoorwijdte/-breedte instellen (vakwerkplaats)... 152 12.16 Bonenzaaiwielen monteren (vakwerkplaats)... 155 12.17 Aanhaalkoppels schroeven... 157 13 Hydraulische schema's... 158 13.1 Hydraulisch schema D9 Super / D9 Special... 158 8 D9 BAH0007.3 08.10

Tips voor de gebruiker 1 Tips voor de gebruiker Het hoofdstuk Tips voor de gebruiker bevat informatie over het omgaan met de bedieningshandleiding. 1.1 Doel van het document Deze bedieningshandleiding beschrijft de bediening en het onderhoud van de machine. voorziet u van belangrijke informatie om veilig en efficiënt met de machine te werken. hoort bij de machine en dient altijd in de machine of de tractor te liggen. voor toekomstig gebruik bewaren. 1.2 Plaatsaanduidingen in de bedieningshandleiding Alle in deze bedieningshandleiding genoemde richtingen zijn altijd gezien in rijrichting. 1.3 Gebruikte beschrijvingen Bedieningsinstructies en reacties De handelingen die de chauffeur dient uit te voeren, worden altijd genummerd weergegeven. Houd u aan de volgorde van de aangegeven bedieningsinstructies. Een pijl geeft in voorkomende gevallen de reactie op de betreffende bedieningsinstructie aan. Voorbeeld: 1. Bedieningsinstructie 1 Reactie van de machine op bedieningsinstructie 1 2. Bedieningsinstructie 2 Opsommingen Opsommingen zonder dwingende volgorde worden weergegeven met opsommingstekens. Voorbeeld: Punt 1 Punt 2 Positienummers in afbeeldingen Cijfers tussen ronde haakjes verwijzen naar positienummers in afbeeldingen. Het eerste cijfer verwijst naar de afbeelding, het tweede cijfer naar het positienummer in de afbeelding. Voorbeeld (afb. 3/6): Afbeelding 3 Positie 6 D9 BAH0007.3 08.10 9

Algemene veiligheidsinstructies 2 Algemene veiligheidsinstructies Dit hoofdstuk bevat belangrijke instructies om veilig met de machine te werken. 2.1 Verplichtingen en aansprakelijkheid Instructies in de bedieningshandleiding opvolgen Kennis van de basisveiligheidsinstructies en veiligheidsvoorschriften is de eerste voorwaarde om veilig en zonder storingen met de machine te kunnen werken. Verplichtingen van de eigenaar De eigenaar is verplicht om alleen personen met/aan de machine te laten werken die vertrouwd zijn met de basisvoorschriften inzake veiligheid op het werk en voorkoming van ongevallen. geïnstrueerd zijn in het werken met/aan de machine. deze bedieningshandleiding hebben gelezen en begrijpen. De eigenaar verplicht zich ertoe om alle waarschuwingsstickers op de machine in leesbare staat te houden. beschadigde waarschuwingsstickers te vervangen. Onbeantwoorde vragen kunt u richten aan de producent. Verplichtingen van de chauffeur Alle personen die met/aan de machine werken zijn verplicht om voordat zij met het werk beginnen de basisvoorschriften voor veiligheid op het werk en voorkoming van ongevallen op te volgen, het hoofdstuk "Algemene veiligheidsinstructies" in deze bedieningshandleiding te lezen en de instructies op te volgen. het hoofdstuk "Waarschuwingsstickers en andere tekens op de machine", op pagina 17 in deze bedieningshandleiding te lezen en de veiligheidsinstructies van de waarschuwingsstickers bij het werken met de machine op te volgen. zich met de machine vertrouwd te maken. de hoofdstukken in deze bedieningshandleiding die van belang zijn voor het uitvoeren van de opgedragen werkzaamheden te lezen. Als de chauffeur constateert dat een voorziening veiligheidstechnisch niet in perfecte staat is, dient de chauffeur dit probleem onmiddellijk op te lossen. Behoort dit niet tot de taakomschrijving van de chauffeur of beschikt de chauffeur niet over voldoende kennis daartoe, dan dient de chauffeur het probleem door te geven aan zijn of haar meerdere (eigenaar). 10 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies Gevaren bij het werken met de machine De machine is gebouwd volgens de allernieuwste techniek en de erkende veiligheidstechnische regels. Toch kunnen er zich bij het gebruik van de machine gevaren en beschadigingen voordoen voor het leven van de chauffeur of derden, voor de machine zelf, aan andere voorwerpen van waarde. Gebruik de machine alleen waarvoor deze bestemd is. in veiligheidstechnisch onberispelijke staat. Storingen die de veiligheid verminderen, moeten direct worden verholpen. Garantie en aansprakelijkheid In principe zijn onze "Algemene verkoop- en levervoorwaarden" van toepassing. Deze worden de eigenaar uiterlijk bij het sluiten van het contract ter beschikking gesteld. Aanspraken op garantie en aansprakelijk in geval van letsel of schade zijn uitgesloten wanneer het letsel of de schade aan een of meerdere van de volgende oorzaken toe te schrijven is: gebruik van de machine anders dan waarvoor deze bestemd is. onvakkundig monteren, inbedrijfstellen, bedienen en onderhouden van de machine. gebruik van de machine met defecte veiligheidsvoorzieningen of niet volgens de voorschriften aangebrachte of niet functionerende veiligheids- en beschermingsvoorzieningen. het negeren van de instructies in de bedieningshandleiding met betrekking tot inbedrijfstelling, gebruik en onderhoud. het eigenmachtig modificeren van de machine. gebrekkige controle van slijtageonderdelen van de machine. ondeskundig uitgevoerde reparaties. catastrofes door inwerking van vreemde bestanddelen en overmacht. D9 BAH0007.3 08.10 11

Algemene veiligheidsinstructies 2.2 Beschrijving van veiligheidssymbolen Veiligheidsinstructies worden aangegeven met een driehoekig veiligheidssymbool en een signaalwoord. Het signaalwoord (GEVAAR, WAARSCHUWING, VOORZICHTIG) beschrijft de ernst van het dreigende gevaar en heeft de volgende betekenis: GEVAAR verwijst naar een direct gevaar met een hoog risico dat de dood of zwaar lichamelijk letsel (verlies van lichaamsdelen of langdurig letsel) ten gevolge kan hebben als het gevaar niet wordt vermeden. Het negeren van deze instructies kan de dood of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben. WAARSCHUWING verwijst naar een mogelijk gevaar met gemiddeld risico dat de dood of (zwaar) lichamelijk letsel ten gevolge kan hebben als het gevaar niet wordt vermeden. Het negeren van deze instructies kan onder omstandigheden de dood of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben. VOORZICHTIG verwijst naar een gevaar met gering risico dat licht of gemiddeld lichamelijk letsel of materiële schade ten gevolge kan hebben als het gevaar niet wordt vermeden. BELANGRIJK verwijst naar een verplichting tot een bijzondere handelwijze of activiteit om vakkundig met de machine om te gaan. Het negeren van deze instructies kan storingen in de machine of in de omgeving veroorzaken. TIP verwijst naar praktische tips en bijzonder nuttige informatie. Deze tips helpen u om alle functies van uw machine optimaal te benutten. 12 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies 2.3 Organisatorische maatregelen De eigenaar dient de benodigde persoonlijke veiligheidsuitrustingen ter beschikking te stellen, zoals: Veiligheidsbril Veiligheidsschoenen Beschermende kleding Beschermingsmiddelen voor de huid, enz. De bedieningshandleiding altijd daar bewaren waar de machine wordt gebruikt! dient te allen tijde voor chauffeurs en onderhoudsmedewerkers beschikbaar te zijn! Controleer alle beschikbare veiligheidsvoorzieningen regelmatig! 2.4 Veiligheids- en beschermingsvoorzieningen Voordat u de machine gaat gebruiken, dienen alle veiligheids- en beschermingsvoorzieningen op de juiste wijze zijn aangebracht en functioneren. Controleer alle veiligheids- en beschermingsvoorzieningen regelmatig. Defecte veiligheidsvoorzieningen Defecte of gedemonteerde veiligheids- en beschermingsvoorzieningen kunnen gevaarlijke situaties veroorzaken. 2.5 Vrijblijvende veiligheidsmaatregelen Neem naast alle veiligheidsinstructies in deze bedieningshandleiding ook de algemeen geldende nationale regelingen ter voorkoming van ongevallen en ter bescherming van het milieu in acht. Neem bij het rijden op openbare wegen en straten het wegenverkeersreglement in acht. D9 BAH0007.3 08.10 13

Algemene veiligheidsinstructies 2.6 Scholing van de personen Alleen geschoolde en geïnstrueerde personen mogen met/aan de machine werken. De eigenaar dient de bevoegdheden voor het bedienen en onderhouden duidelijk vastleggen. Personen die nog moeten worden opgeleid, mogen alleen onder toezicht van een ervaren persoon met/aan de machine werken. Personen Voor de activiteit speciaal opgeleid persoon 1) Geïnstrueerd persoon 2) Personen met vakopleiding (vakwerkplaats) 3) Activiteit Verladen/transport X X X Inbedrijfstelling X Monteren, gereedmaken X Gebruik X Onderhoud X Opsporen en verhelpen van storingen X X Afvalverwerking X Toelichting: X..toegestaan --..niet toegestaan 1) 2) 3) Een persoon die een specifieke taak op zich kan nemen en deze voor een overeenkomstig gekwalificeerd bedrijf mag uitvoeren. Een geïnstrueerd persoon is iemand die over de hem opgedragen taken en mogelijke gevaren bij ondeskundig gedrag is geïnformeerd en zo nodig is ingewerkt en bovendien is geïnformeerd over de benodigde veiligheidsvoorzieningen en veiligheidsmaatregelen. Personen met vakopleiding worden beschouwd als vakman (geschoolde kracht). Door hun vakopleiding en kennis van de desbetreffende bepalingen kunnen zij de hen opgedragen werkzaamheden beoordelen en mogelijke gevaren herkennen. Opmerking: Een aan een vakopleiding gelijkwaarde kwalificatie kan ook zijn verkregen door meerdere jaren op het betreffende arbeidsterrein werkzaam te zijn. Onderhouds- en reparatiewerkzaamheden mogen alleen door een vakwerkplaats worden uitgevoerd wanneer er bij deze werkzaamheden de toevoeging "vakwerkplaats" staat. Het personeel van een vakwerkplaats beschikt over de noodzakelijke kennis en de juiste hulpmiddelen (gereedschappen, hef- en ondersteuningsmateriaal) om de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan de machine vakkundig en veilig uit te voeren. 14 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies 2.7 Veiligheidsmaatregelen voor normaal gebruik 2.8 Gevaren door resterende energie Gebruik de machine alleen als alle veiligheids- en beschermingsvoorzieningen volledig functioneren. Controleer de machine tenminste een keer per dag op waarneembare schade en het correct functioneren van de veiligheids- en beschermingsvoorzieningen. Houd rekening met mechanische, hydraulische, pneumatische en elektrische/elektronische resterende energie in de machine. Tref hiertoe passende maatregelen als u degenen die met de machine gaan werken instrueert. Uitgebreide informatie vindt u bovendien in de betreffende hoofdstukken van deze bedieningshandleiding. 2.9 Onderhoud, service en oplossen van storingen 2.10 Bouwkundige modificaties Voer de voorgeschreven instel-, onderhouds- en inspectiewerkzaamheden binnen de gestelde termijnen door. Voorkom dat bedrijfsmiddelen zoals perslucht en hydraulische systemen per ongeluk kunnen worden ingeschakeld. Bevestig en borg grotere onderdelen bij vervanging zorgvuldig aan de hefwerktuigen. Controleer of losgemaakte schroefverbindingen weer goed zijn aangebracht. Controleer na het uitvoeren van de onderhoudswerkzaamheden of veiligheids- en beschermingsvoorzieningen correct functioneren. Zonder toestemming van AMAZONEN-WERKE zijn modificaties, aanof ombouw aan de machine niet toegestaan. Dit geldt ook voor laswerkzaamheden aan dragende delen. Voor alle aan- of ombouwwerkzaamheden is schriftelijke toestemming van AMAZONEN-WERKE noodzakelijk. Gebruik uitsluitend de door AMAZONEN-WERKE goedgekeurde ombouwdelen en toebehoren, zodat bijvoorbeeld de goedkeuring volgens nationale en internationale voorschriften van kracht blijft. Voertuigen met een wettelijke goedkeuring of met voorzieningen en toebehoren met een geldige goedkeuring of toelating voor de openbare weg volgens het wegenverkeersreglement dienen zich in de staat te bevinden waarin de goedkeuring of toestemming werd verleend. D9 BAH0007.3 08.10 15

Algemene veiligheidsinstructies WAARSCHUWING Gevaar door bekneld raken, snijden, naar binnen trekken en stoten door breuk van dragende onderdelen. Het is verboden om te boren in frame of onderstel om bestaande gaten in frame of onderstel op te boren om aan dragende delen te lassen. 2.10.1 Onderdelen, slijtageonderdelen en hulpstoffen Onderdelen van de machine die niet meer in perfecte staat zijn, dienen direct te worden vervangen. Gebruik uitsluitend originele onderdelen en slijtageonderdelen of de door AMAZONEN-WERKE goedgekeurde onderdelen, zodat de goedkeuring volgens nationale en internationale voorschriften van kracht blijft. Bij onderdelen en slijtageonderdelen van derden kan niet worden gegarandeerd dat zij zijn ontworpen en geproduceerd volgens de voorgeschreven belastings- en veiligheidsnormen. AMAZONEN-WERKE is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het gebruik van onderdelen, slijtageonderdelen of hulpstoffen die niet zijn goedgekeurd. 2.11 Reinigen en afvalverwerking Ga bij het verwerken en afvoeren van gebruikte stoffen en materialen vakkundig te werk. Dit geldt vooral voor werkzaamheden aan smeersystemen en smeerinrichtingen en het reinigen met oplosmiddelen. 2.12 Werkplek van de chauffeur De machine mag uitsluitend vanaf de chauffeursstoel van de tractor worden bediend. 16 D9 BAH0007.3 08.10

2.13 Waarschuwingsstickers en andere tekens op de machine Algemene veiligheidsinstructies Houd alle waarschuwingsstickers op de machine altijd schoon en goed leesbaar! Vervang onleesbare waarschuwingsstickers. Bestel de waarschuwingsstickers aan de hand van het bestelnummer (bijv. MD 075) bij uw dealer. Opbouw waarschuwingssticker Waarschuwingsstickers geven gevaarlijke plaatsen op de machine aan en waarschuwen voor restgevaren. Op deze gevaarlijke plaatsen doen zich permanent of onverwacht gevaarlijke situaties voor. Een waarschuwingssticker bestaat uit 2 vlakken: Vlak 1 beschrijft het gevaar in de vorm van een illustratie en is omringd door een driehoekig veiligheidssymbool. Vlak 2 geeft in de vorm van een illustratie instructie om het gevaar te vermijden. Waarschuwingssticker - toelichting In de kolom Bestelnummer en toelichting staat de beschrijving van de hiernaast afgebeelde waarschuwingssticker. De beschrijving van de waarschuwingssticker is altijd gelijk en vermeldt in onderstaande volgorde: 1. De beschrijving van het gevaar. Voorbeeld: Gevaar voor snijwonden of amputatie! 2. De gevolgen bij het negeren van de instructie(s) om het gevaar te voorkomen. Voorbeeld: Veroorzaakt zwaar letsel aan vingers of hand. 3. De instructie(s) ter voorkoming van het gevaar. Voorbeeld: Raak onderdelen van de machine pas aan zodra de onderdelen volledig tot stilstand zijn gekomen. D9 BAH0007.3 08.10 17

Algemene veiligheidsinstructies Bestelnummer en toelichting Waarschuwingssticker MD 078 Gevaar voor bekneld raken van vingers of hand door bewegende, toegankelijke onderdelen in de machine! Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel met verlies van lichaamsdelen aan vingers of hand. Reik nooit met uw handen of armen in de gevaarlijke plaats zolang de tractormotor met aangesloten cardanas / hydraulisch systeem loopt. MD 082 Gevaar voor vallen van treeplanken en platforms tijdens het meerijden op de machine! Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Het is verboden om personen mee te laten rijden op de machine en/of op rijdende machines te laten stappen. Dit verbod geldt ook voor machines met treeplanken of platforms. Zorg ervoor dat niemand op de machine meerijdt. MD 083 Gevaar door het naar binnen trekken of vastgrijpen van arm of bovenlichaam door aangedreven, onbeveiligde elementen van de machine! Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan arm of bovenlichaam. Beschermingsvoorzieningen van aangedreven machine-elementen nooit openen of verwijderen zolang de tractormotor met aangesloten cardanas / gekoppelde hydraulische aandrijving loopt. 18 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies MD 084 Gevaar voor bekneld raken van het gehele lichaam door onderdelen die van boven naar beneden bewegen! Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Het is verboden om zich binnen het zwenkbereik van bewegende machineonderdelen te bevinden. Stuur personen in het zwenkbereik van bewegende machineonderdelen weg, voordat u de onderdelen laat zakken. MD 089 Gevaar! Gevaar voor bekneld raken voor het hele lichaam in de gevarenzone onder zwevende lasten / machineonderdelen! Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Er mogen zich geen personen onder zwevende lasten / machineonderdelen ophouden. Zorg voor een veilige afstand tussen u en zwevende lasten / onderdelen van de machine. Zorg ervoor dat personen op een veilige afstand van zwevende lasten / machineonderdelen blijven. Stuur personen uit de gevarenzone van zwevende lasten / machineonderdelen. MD 094 Gevaar voor een elektrische schok door het onbedoeld aanraken van kabels die onder spanning staan! Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Houd bij het naar binnen en buiten zwenken van machineonderdelen voldoende afstand naar de kabels die onder spanning staan. D9 BAH0007.3 08.10 19

Algemene veiligheidsinstructies MD 095 Lees voordat u de machine in gebruikt neemt de bedieningshandleiding en de veiligheidsinstructies goed door en volg de aanwijzingen op! MD 096 Infectiegevaar voor het gehele lichaam door vloeistof dat onder hoge druk naar buiten stroomt (hydraulische olie)! Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam wanneer onder hoge druk naar buiten stromende hydraulische olie via de huid in het lichaam komt. Probeer nooit lekkende hydrauliekslangen met de hand of vingers te dichten. Lees de bedieningshandleiding en volg de aanwijzingen op voordat u onderhouds- of reparatiewerkzaamheden gaat uitvoeren. Raadpleeg bij wonden door hydraulische olie direct een arts. MD 097 Gevaar voor bekneld raken van het bovenlichaam binnen het slagbereik van de driepuntsophanging doordat de vrije ruimte bij het bedienen van de driepuntshydraulica kleiner wordt! Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel met mogelijk dodelijke afloop. Het is verboden om zich binnen het slagbereik van de driepuntsophanging te bevinden wanneer de driepuntshydraulica wordt bediend. Bedien de bedieningshendels voor de driepuntshydraulica van de tractor alleen vanaf de daarvoor bestemde werkplek. nooit wanneer u zich in de gevarenzone tussen tractor en machine bevindt. 20 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies MD 100 Dit pictogram geeft sjorpunten aan voor het vastmaken van bevestigingsmiddelen bij het transporteren van de machine. MD 102 Gevaar door onbedoeld starten en wegrollen van de machine bij werkzaamheden aan de machine, zoals monteren, instellen, oplossen van storingen, reinigen, onderhoud en reparaties. Dit gevaar veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Beveilig de tractor en machine voor alle handelingen aan de machine tegen onbedoeld starten en wegrollen. Lees de betreffende hoofdstukken in de bedieningshandleiding en volg de aanwijzingen op. MD 115 De maximale werkdruk in het hydraulische systeem bedraagt 200 bar. D9 BAH0007.3 08.10 21

Algemene veiligheidsinstructies MD 154 Gevaar voor steekletsel bij andere verkeersdeelnemers tijdens transport door naar achteren gerichte, niet afgedekte, scherpe veertanden van de exacteg! Transportritten zonder correct gemonteerde beschermstrip voor de verkeersveiligheid zijn verboden. 22 D9 BAH0007.3 08.10

2.13.1 Plaats van de waarschuwingsstickers en overige aanduidingen Waarschuwingssticker Algemene veiligheidsinstructies De volgende afbeeldingen geven aan waar de waarschuwingsstickers op de machine zijn aangebracht. Afb. 1 Afb. 2 D9 BAH0007.3 08.10 23

Algemene veiligheidsinstructies 2.14 Gevaren bij het negeren van de veiligheidsinstructies Het negeren van de veiligheidsinstructies kan personen in gevaar brengen, schadelijk zijn voor het milieu en beschadigingen aan de machine veroorzaken. kan leiden tot het verlies van alle aanspraken op schadevergoeding. Concreet kan het negeren van de veiligheidsinstructies bijvoorbeeld de volgende gevaren tot gevolg hebben: In gevaar brengen van personen door onbeveiligde werkterreinen. Uitval van belangrijke functies van de machine. Onderhoud en reparatie dat niet op de voorgeschreven wijze wordt uitgevoerd. In gevaar brengen van personen door mechanische of chemische oorzaken. Verontreiniging van het milieu door lekkage van hydraulische olie. 2.15 Veiligheidsbewust werken Naast de veiligheidsinstructies in deze bedieningshandleiding dient u zich ook te houden aan de nationale, algemeen geldende wet- en regelgeving in verband met veiligheid op het werk en het voorkomen van ongevallen. Volg de instructies op de waarschuwingsstickers zorgvuldig op om gevaarlijke situaties te voorkomen. Houd u in het verkeer op de openbare weg aan de wettelijke verkeersvoorschriften. 24 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies 2.16 Veiligheidsinstructies voor de chauffeur WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten vanwege het ontbreken van verkeers- en gebruiksveiligheid! De machine en tractor voor gebruik altijd controleren op verkeers- en gebruiksveiligheid! 2.16.1 Algemene veiligheidsinstructies en voorschriften ter voorkoming van ongevallen Neem behalve deze instructies ook de algemeen geldende nationale veiligheidsinstructies en voorschriften ter voorkoming van ongevallen in acht! De op de machine aangebrachte waarschuwingsstickers en andere aanduidingen geven belangrijke instructies om veilig met de machine te kunnen werken. Het opvolgen van deze instructies is voor uw eigen veiligheid! Controleer de omgeving (kinderen) voordat u gaat rijden en de machine in werking stelt! Zorg dat u voldoende zicht heeft! Het meerijden of transport op de machine is verboden! Houd een rijstijl aan waarbij u de tractor met aan- of afgekoppelde machine op elk moment onder controle heeft. Houd daarbij rekening met uw persoonlijke capaciteiten, de omstandigheden op de weg, van het verkeer, uw zicht, het weer en de rijeigenschappen van de tractor en de invloed van de aangebouwde of aangekoppelde machine. Aan- en afkoppelen van de machine Koppel en transporteer de machine alleen met tractoren die daartoe geschikt zijn. Bij het aankoppelen van machines aan de driepuntshydraulica van de tractor moeten de aanbouwcategorieën van tractor en machine overeenkomen! Koppel de machine in overeenstemming met de voorschriften aan de voorgeschreven voorzieningen! Bij het aankoppelen van de machines aan voor- of achterzijde van een tractor dient u rekening te houden met het toelaatbare totaalgewicht van de tractor de toelaatbare asbelastingen van de tractor het toelaatbare draagvermogen van de banden van de tractor Beveilig de tractor en de machine tegen onbedoeld in beweging komen voordat u de machine aan- of afkoppelt. Het is verboden om tijdens het achteruitrijden van de tractor naar de machine tussen de machine en de tractor te staan! Aanwezige personen mogen alleen aanwijzingen geven als zij naast het voertuig staan en pas na stilstand tussen tractor en machine gaan staan. D9 BAH0007.3 08.10 25

Algemene veiligheidsinstructies Voordat u de machine aan de driepunts hydraulica van de tractor aan- of loskoppelt, dient u de bedieningshendel van de hydraulica van de tractor te blokkeren in een positie waarin onbedoeld heffen of zakken wordt uitgesloten! Zet de steunelementen (indien aanwezig) bij het aan- en afkoppelen van machines in de juiste stand (stabiliteit bij stilstand)! Let bij het gebruik van de steunelementen op de plekken waar u bekneld kunt raken! Ga bij het aan- en afkoppelen van machines aan of van de tractor bijzonder voorzichtig te werk! Tussen tractor en machine bevinden zich bij de koppelingspunten plekken waar u bekneld kunt raken! Het is verboden om zich tijdens het bedienen van de driepunts hydraulica tussen tractor en machine te bevinden! Aangesloten voedingskabels moeten in bochten bij alle bewegingen zonder spanning, knikken of wrijving soepel meebewegen. mogen niet langs onderdelen schuren. Ontkoppelingskabels voor snelkoppelingen moeten los hangen en mogen in de onderste positie niet uit zichzelf ontkoppelen! Zorg dat de afgekoppelde machine altijd stabiel op zijn plaats staat! 26 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies Werken met de machine Maak uzelf voordat u met de werkzaamheden begint vertrouwd met de uitrusting en bedieningselementen van de machine en hun functies. Tijdens het werk is het daarvoor te laat! Draag strak zittende kleding! Losse kleding verhoogt het risico op vastgrijpen of opwikkelen door aandrijfassen! Gebruik de machine alleen als alle veiligheidsvoorzieningen zijn aangebracht en zich in de juiste positie bevinden! Houd rekening met de maximale belading van de aangebouwde/aangekoppelde machine en de toelaatbare asbelasting en oplegdruk van de tractor! Rijd indien nodig met een gedeeltelijk gevulde tank. Het is verboden om zich binnen het werkbereik van de machine te bevinden! Het is verboden om zich binnen het draai- en zwenkbereik van de machine te bevinden! Extern bediende machineonderdelen (bijv. hydraulisch) zijn voorzien van delen waar u bekneld kunt raken! Gebruik extern bediende machineonderdelen uitsluitend als personen zich op voldoende veilige afstand van de machine bevinden! Beveilig de tractor tegen onbedoeld starten en wegrollen voordat u de tractor verlaat. Hiertoe laat u de machine op de grond zakken trekt u de handrem aan schakelt u de motor van de tractor uit verwijdert u de contactsleutel. Transport van de machine Bij het rijden op de openbare weg dient u zich aan de gelden verkeersregels te houden! Controleer voor transport of voedingskabels correct zijn aangebracht of de verlichting werkt, schadevrij en schoon is het remsysteem en hydraulische systeem op in het oog lopende gebreken of de handrem volledig los is de werking van het remsysteem. De tractor dient altijd te beschikken over voldoende stuur- en remvermogen Aan een tractor aangebouwde of aangekoppelde machine en gewichten aan voor- of achterzijde beïnvloeden niet alleen het rijgedrag, maar ook het stuur- en remvermogen van de tractor. Gebruik zo nodig gewichten aan de voorzijde! De vooras van de tractor dient altijd met minimaal 20% van het eigen gewicht van de tractor worden belast, om zeker te zijn van voldoende stuurvermogen. D9 BAH0007.3 08.10 27

Algemene veiligheidsinstructies Bevestig gewichten aan voor- of achterzijde altijd in overeenstemming met de voorschriften aan de daartoe bestemde bevestigingspunten! Houd rekening met het maximale laadvermogen van de aangebouwde/aangekoppelde machine en de toelaatbare asbelasting en oplegdruk van de tractor! De tractor dient voor de beladen combinatie (tractor met aangebouwde of aangekoppelde machine) over voldoende remvertraging te beschikken! Controleer de werking van de remmen voordat u gaat rijden! Houd met een aangebouwde of aangekoppelde machine in bochten rekening met de grote uitzwaai en de middelpuntvliedende kracht van de machine! Wanneer de machine aan de driepuntshydraulica of de trekstangen van de tractor is bevestigd, dient u er vóór transport voor te zorgen dat de trekstang aan de zijkant voldoende is vastgezet! Zet alle beweegbare machineonderdelen vóór transport in de transportstand! Zet alle beweegbare machineonderdelen vóór transport in de transportstand vast om te voorkomen dat zij van positie veranderen. Maak hiervoor gebruik van de daarvoor bestemde transportbeveiligingen! Vergrendel vóór transport de bedieningshendel van de driepuntshydraulica om onbedoeld heffen of zakken van de aangebouwde of aangekoppelde machine te voorkomen! Controleer vóór transport of de benodigde transportuitrustingen, zoals verlichting, waarschuwingssystemen en beschermingsvoorzieningen, op de juiste wijze aan de machine zijn gemonteerd! Controleer vóór transport door middel van een visuele controle of de bouten van de topstang en trekstang met de lunspen zijn geborgd. Pas uw rijsnelheid aan de omstandigheden ter plaatse aan! Schakel bij bergaf rijden een lagere versnelling in! Schakel de onafhankelijke wielremmen tijdens transport altijd uit (pedalen vergrendelen)! 28 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies 2.16.2 Hydraulisch systeem Het hydraulische systeem staat onder hoge druk! Zorg ervoor dat de hydrauliekslangen op de juiste wijze zijn aangesloten! Bij het aansluiten van de hydrauliekslangen moet het hydraulische systeem van zowel de tractor als van de machine drukloos zijn! Het is verboden om bedieningshendels op de tractor te blokkeren, als deze bedieningshendels hydraulische of elektrische functies van onderdelen rechtstreeks uitvoeren, zoals in- en uitklappen, draaien en verschuiven. De beweging moet automatisch stoppen zodra u de betreffende bedieningshendel bijbehorende regelelement loslaat. Dit geldt niet voor bewegingen van inrichtingen die continu zijn of automatisch geregeld zijn of voor hun werking een zweefstand of drukstand nodig hebben. Voordat u aan het hydraulische systeem gaat werken Laat de machine zakken Maak het hydraulische systeem drukloos Schakel de motor van de tractor uit Trek de handrem aan Verwijder de contactsleutel. Laat tenminste een keer per jaar door een deskundige controleren of de hydrauliekslangen nog in goede staat zijn! Vervang beschadigde en verouderde hydrauliekslangen! Gebruik uitsluitend originele hydrauliekslangen! Gebruik hydrauliekslangen niet langer dan zes jaar. Dat is inclusief een eventuele opslagtijd van maximaal twee jaar. Ook bij vakkundige opslag en toelaatbare belasting zijn slangen en slangverbindingen onderhevig aan natuurlijke veroudering, wat hun opslagtijd en gebruiksduur beperkt. In afwijking hiervan is het mogelijk om, rekening houdend met de mogelijke risico's, de gebruiksduur op basis van ervaring te bepalen. Voor slangen en slangleidingen van thermoplast kunnen andere richtwaarden doorslaggevend zijn. Probeer nooit lekkende hydrauliekslangen met de hand of vingers te dichten. Onder hoge druk naar buiten stromende vloeistof (hydraulische olie) kan via de huid in het lichaam komen en ernstig letsel veroorzaken! Raadpleeg bij wonden door hydraulische olie direct een arts! Infectiegevaar. Door de mogelijk grote kans op infectie, dient u bij het opsporen van lekkages gebruik te maken van passende hulpmiddelen. D9 BAH0007.3 08.10 29

Algemene veiligheidsinstructies 2.16.3 Elektrisch systeem Bij werkzaamheden aan het elektrische systeem dient u altijd de accu (minpool) los te koppelen! Gebruik uitsluitend de voorgeschreven zekeringen. Het gebruik van te zware zekeringen veroorzaakt onherstelbare schade aan het elektrische systeem brandgevaar! Sluit de accu op de juiste wijze aan - eerst de pluspool en dan de minpool! Loskoppelen: eerst de minpool en dan de pluspool! Voorzie de pluspool van de accu altijd van de daarvoor bestemde beschermkap. Bij aardfouten bestaat gevaar voor explosie! Explosiegevaar! Voorkom vonkvorming en open vuur in de nabijheid van de accu! De machine kan worden voorzien van elektronische componenten en onderdelen waarvan de werking door elektromagnetische straling van andere apparaten kan worden beïnvloed. Dergelijke invloeden kunnen gevaarlijk zijn voor de mens. Houd u daarom aan de volgende veiligheidsvoorschriften. Als achteraf elektrische apparaten en/of componenten aan de machine worden geïnstalleerd en op het elektrische systeem worden aangesloten, dient de gebruiker zelf te controleren of de installatie storingen in de elektronica of andere componenten veroorzaakt. De achteraf geïnstalleerde elektrische en elektronische onderdelen dienen te voldoen aan EMC-richtlijn 2004/108/EWG en voorzien te zijn van de CE-markering. 30 D9 BAH0007.3 08.10

Algemene veiligheidsinstructies 2.16.4 Aangebouwde werktuigen Bij het aanbouwen moeten de aanbouwcategorieën van tractor en machine altijd overeenkomen of op elkaar worden afgestemd! Neem de voorschriften van de fabrikant in acht! Zet vóór het aanbouwen of afkoppelen van machines aan de driepuntsophanging de bedieningsinrichting in die stand waarbij onbedoeld oplichten of laten zakken uitgesloten is! Bij de driepuntsstangen bestaat gevaar voor verwonding door plekken waar u bekneld kunt raken! De machine mag alleen met de hiervoor bedoelde tractoren worden getransporteerd en gereden! Bij het aan- en afkoppelen van werktuigen van de tractor bestaat gevaar voor verwonding! Ga bij het bedienen van de buitenbediening voor de driepuntsaanbouw niet tussen voertuig en machine staan! Let bij het gebruik van de steunelementen op de plekken waar u bekneld kunt raken! Bij het aankoppelen van machines aan voor- of achterzijde van een tractor dient u rekening te houden met het toelaatbare totaalgewicht van de tractor de toelaatbare asbelastingen van de tractor het toelaatbare draagvermogen van de banden van de tractor Let op het maximale laadvermogen van de aangebouwde machine en de toelaatbare asbelasting van de tractor! Zet voor transport van het aangebouwde werktuig de vergrendeling van de trekstangen van de tractor aan de zijkant goed vast! Bij rijden op de openbare weg moet de bedieningshendel van de trekstangen van de tractor zodanig zijn vergrendeld dat deze niet kan zakken! Zet vóór rijden op de openbare weg alle inrichtingen in de transportstand! Aangebouwde werktuigen en ballastgewichten zijn van invloed op het rijgedrag en het stuur- en remvermogen van de tractor! De vooras van de tractor dient altijd met minimaal 20% van het eigen gewicht van de tractor worden belast, om zeker te zijn van voldoende stuurvermogen. Gebruik zo nodig gewichten aan de voorzijde! Voer onderhouds-, service- en reinigingswerkzaamheden en het verhelpen van storingen alleen bij losgetrokken contactsleutel uit! Laat beschermingsvoorzieningen zitten en zet deze altijd in de juiste positie! D9 BAH0007.3 08.10 31

Algemene veiligheidsinstructies 2.16.5 Werken met zaaimachines Let op de toegestane vulhoeveelheden van de zaadkast (inhoud zaadkast)! Gebruik de treeplank en het platform uitsluitend voor het vullen van de zaadkast! Het is verboden om anderen tijdens het werk op de machine te laten meerijden! Let bij de afdraaiproef op gevaarlijke plaatsen door roterende en trillende onderdelen! Verwijder de spoorschijven van de vooropkomstmarkeur voordat u de machine transporteert! Leg geen losse voorwerpen in de zaadkast! Vergrendel de markeurs (afhankelijk van constructie) vóór transport in de transportstand! 2.16.6 Reinigen, service en onderhoud Voer reinigings-, onderhouds- en servicewerkzaamheden alleen uit bij uitgeschakelde aandrijving stilstaande tractormotor verwijderde contactsleutel uit de boordcomputer verwijderde machinestekker! Controleer regelmatig of moeren en schroeven nog goed vastzitten en draai ze indien nodig vaster aan! Beveilig de opgeheven machine of opgeheven machineonderdelen tegen onbedoeld zakken voordat u met de service-, onderhouds- en reinigingswerkzaamheden begint! Gebruik bij het vervangen van gereedschappen met scherpe randen daartoe geschikt gereedschap en handschoenen! Voer olie, vet en filters volgens de geldende milieuvoorschriften af! Maak voordat u elektrisch gaat lassen aan tractor en aangebouwde machines eerst de kabel van de dynamo en accu van de tractor los! Reserveonderdelen moeten minimaal voldoen aan de door AMAZONEN-WERKE vastgestelde technische eisen! Originele onderdelen voldoen aan deze eisen! 32 D9 BAH0007.3 08.10

Op- en afladen 3 Op- en afladen GEVAAR Ga niet onder een machine staan die door een kraan wordt opgelicht. Bevestig de zaaimachines D9 Super/Special bij geopend zaadkastdeksel voor het transporteren aan een kraanhaak. Bevestig de kraanhaak, afhankelijk van de uitrusting en de ligging van het zwaartepunt van de zaaimachine, in een van beide uitsparingen (Afb. 3/1). Afb. 3 GEVAAR De zaaimachine D9-40 Super uitsluitend met weggeklapte markeurs transporteren, zodat de max. transporthoogte niet wordt overschreden (zie hoofdstuk "D9-40 Super transporteren" op pagina 129). D9 BAH0007.3 08.10 33

Beschrijving van het product 4 Beschrijving van het product Dit hoofdstuk geeft een uitgebreid overzicht van de opbouw van de machine. geeft de namen van de afzonderlijke bedieningshendels. Lees dit hoofdtuk bij voorkeur bij de machine. Zo raakt u optimaal vertrouwd met de machine. Belangrijkste bouwgroepen van de machine Afb. 4 Afb. 4/ (1) Zaadkast (2) Onderstel met banden (3) Vario-aandrijving met versnellingsbakhendel (4) Zaaischijven (WS-zaaischijf of RoTeCzaaischijf) (5) Exacteg (6) Laadrand (7) Markeurs 34 D9 BAH0007.3 08.10

Beschrijving van het product 4.1 Overzicht van bouwgroepen Afb. 5/... (1) Driepunt (2) Markeur-wisselklep Afb. 6/... (1) Zaaiwiel (standaard- en fijnzaaiwiel) (2) Zaaias (3) Zaaihuis (4) Afsluitschuif (5) Bodemklep (6) Bodemklepas Afb. 5 Afb. 7/... (1) Overbrengingsas voor de rijpadenschakeling (2) Overbrengingsaslager (3) Slingerveerkoppeling (4) Tandwiel Afb. 6 Afb. 8/... (1) Afdraaislinger Afb. 7 Afb. 8 D9 BAH0007.3 08.10 35

Beschrijving van het product Afb. 9/... (1) Niveau-indicator 1) (2) Schakelkast 1) / hebben een digitale niveau-indicator. Afb. 10/... (1) Roeras Afb. 9 Afb. 11/... (1) Raapinzetstuk Afb. 10 Afb. 12/... (1) WS-zaaischijf Afb. 11 Afb. 12 36 D9 BAH0007.3 08.10

Beschrijving van het product Afb. 13/... RoTeC-zaaischijf Afb. 14/... (1) Rijpadmarkeerapparaat Afb. 13 Afb. 15/... Elektr. hectareteller AMACO Afb. 14 Afb. 16/... Bedieningsterminal Afb. 15 Afb. 16 D9 BAH0007.3 08.10 37

Beschrijving van het product Afb. 17/... Bedieningsterminal Afb. 18/... (1) Sleeptandeg Afb. 17 Afb. 19/... (1) Schakelautomaat voor markeurs (alleen D9 Special) Afb. 18 Afb. 20/... Tractor-sporenwisser, beweegbaar gelagerd Afb. 19 Afb. 20 38 D9 BAH0007.3 08.10

Beschrijving van het product Afb. 21/... Tractor-sporenwisser, verstevigd Afb. 22/... Zaaimachine-sporenwisser Afb. 21 Afb. 23/... Bandzaadschoen I Afb. 22 Afb. 24/... Bandzaadschoen II Afb. 23 Afb. 24 D9 BAH0007.3 08.10 39

Beschrijving van het product 4.2 Veiligheids- en beschermingsvoorzieningen Afb. 25/... (1) Lunspen, voor het bevestigen van de markeurs (2) Rubber buffer (optische indicatie) De markeur staat niet loodrecht, d.w.z. dat de markeur niet met de lunspen (boven) is geborgd. Afb. 26/... (1) Kettingbeschermer Afb. 25 Afb. 26 40 D9 BAH0007.3 08.10

4.3 Overzicht voedingskabels tussen tractor en machine Beschrijving van het product Afb. 27 Afb. 27/.. Naam Omschrijving Functie Markeur links (1) Hydrauliekleiding 1 Toevoer / retour 1 gele slangklem Markeur rechts Schakelkast Rijpadmarkering (2) Hydrauliekleiding 2 Toevoer / retour 1 kabelbinder blauw Instelling zaaischijfdruk Instelling exactegdruk Afstandsinstelling zaadhoeveelheid (3) Stekker (7-polig) voor verlichtingsinstallatie (4) Machinestekker AMACO D9 BAH0007.3 08.10 41

Beschrijving van het product 4.4 Verkeerstechnische uitrusting Afb. 28/... (1) 2 naar achteren gerichte richtingaanwijzers (2) 1 kentekenplaatverlichting 1 kentekenhouder (optioneel) (3) 2 rode reflectoren (4) 2 rem- en achterlichten (5) 2 naar achteren gerichte waarschuwingsborden (6) 2 lampen, geel Afb. 29/... (1) 1 veiligheidsbalk Afb. 28 Afb. 30/... (1) 2 naar voren gerichte breedtelichten (2) 2 naar voren gerichte richtingaanwijzers (3) 2 naar voren gerichte waarschuwingsborden Afb. 29 Afb. 30 42 D9 BAH0007.3 08.10

Beschrijving van het product 4.5 Gebruik volgens voorschriften De machine is gebouwd voor het doseren en verspreiden van bepaalde soorten universeel zaaigoed; wordt met de driepunt aan een tractor gekoppeld en bediend door één persoon. De volgende liggingen op een helling kunnen worden bereden Schuinte rijrichting naar links 10 % rijrichting naar rechts 10 % Helling bergop 10 % bergaf 10 % Tot het gebruik volgens de voorschriften behoort ook: het opvolgen van alle aanwijzingen in deze bedieningshandleiding; het in acht nemen van de inspectie- en onderhoudswerkzaamheden; het uitsluitend gebruiken van originele - onderdelen. Het op andere wijze gebruiken dan hierboven is vermeld, is verboden en geldt als gebruik in strijd met de voorschriften. Voor schade die voortvloeit uit gebruik in strijd met de voorschriften is de gebruiker zelf verantwoordelijk; is AMAZONEN-WERKE in geen geval aansprakelijk. D9 BAH0007.3 08.10 43

Beschrijving van het product 4.6 Gevarenzone en gevaarlijke plaatsen De gevarenzone is de omgeving van de machine waarin personen binnen bereik zijn van arbeidsbewegingen van de machine en zijn gereedschappen door de machine naar buiten geslingerde materialen of voorwerpen onbedoeld omlaag zakkende omhoog geheven machineelementen onbedoeld wegrollen van de tractor en de machine. De gevarenzone van de machine bevat gevaarlijke plaatsen met permanente of onverwacht optredende risico's. Waarschuwingsstickers geven deze gevaarlijke plaatsen aan en waarschuwen voor restgevaar dat constructief gezien niet kan worden verholpen. Voor de gevarenzone en de gevaarlijke plaatsen gelden de speciale veiligheidsvoorschriften van de betreffende hoofdstukken. In de gevarenzone van de machine mogen geen personen aanwezig zijn zolang de tractormotor met aangesloten cardanas / hydraulisch systeem loopt zolang tractor en machine niet tegen onbedoeld starten en wegrollen zijn beveiligd. De bedieningspersoon mag de machine alleen bewegen of werkgereedschappen van transport- in arbeidsstand en van arbeidsstand in transportstand zetten of in beweging brengen wanneer er geen personen in de gevarenzone van de machine aanwezig zijn. Gevaarlijke plaatsen zijn aanwezig: binnen het bereik van de zwenkbare markeurs. 44 D9 BAH0007.3 08.10

Beschrijving van het product 4.7 Typeplaatje en CE-markering Op het typeplaatje staan: Serienummer van de machine Type Bouwjaar Fabriek Basisgewicht, kg Max. belading, kg De volgende afbeeldingen laten zien waar het typeplaatje (Afb. 31/1) en de CE-markering (Afb. 32/1) is aangebracht. De CE-markering (Afb. 32/1) zit voor op de zaadkast. Afb. 31 De CE-markering (Afb. 33) op de machine geeft aan dat de machine voldoet aan de bepalingen van de EU-richtlijnen die van kracht zijn. Afb. 32 Afb. 33 D9 BAH0007.3 08.10 45

Beschrijving van het product 4.8 Technische gegevens D9-25 Special D9-30 Special D9-30 Super D9-40 Super Werkbreedte [m] 2,50 3,00 3,00 4,00 Transportbreedte [m] 2,53 3,005 3,005 4,25 Vulhoogte zonder opzetstuk [m] 1,25 1,25 1,33 1,34 zonder laadrand met opzetstuk [m] 1,47 2) /1,56 3) 1,55 2) /1,64 3) 1,65 Eigen gewicht 1) (met WS-zaaischijven) [kg] 540 580 700 970 Eigen gewicht 1) (met RoTeCzaaischijven) Totale hoogte (markeurs in transportstand) Inhoud zaadkast WS-zaaischijf RoTeC-zaaischijf [kg] 610 660 780 1080 [mm] 1,95 2,40 2,40 2,30 zonder opzetstuk [l] 360 450 600 830 met opzetstuk [l] 710 / 850 860 / 1000 1380 aantal rijen 21 21/23/25/29 21/23/25/29 29/33 afstand tussen de rijen [cm] 12,0 14,3/13,1/ 12,0/10,3 14,3/13,1/ 12,0/10,3 13,8/12,0 aantal rijen 21 21/25 21/25 29/33 afstand tussen de rijen [cm] 12,0 14,3/12,0 14,3/12,0 13,8/12,0 Werksnelheid [km/u] 6-10 Benodigd vermogen (vanaf) [kw/pk] 44/60 44/60 55/75 55/75 Min. oliedoorstroomhoeveelheid [l/min] 10 Max. werkdruk (hydraulica) [bar] 200 Elektra [V] 12 (7-polig) Transmissieolie/hydraulische olie Transmissieolie/hydraulische olie Utto SAE 80W API GL4 Categorie koppelingspunten Cat. II Banden 180/90-16 (oude aanduiding: 6.00-16) 10.0/75-15 Spoorbreedte [m] 2,34 2,84 2,84 4,10 Bandenspanning [bar] 1,2 1,2 1,2 0,8 1) Zaaimachine (afstand tussen de rijen 12,0 cm) met mechanische zaaischijfdrukinstelling, exacteg, laadrand, markeurs en rijpadenschakeling. 2) Met zaadkastopzetstuk 260-3. 3) Met zaadkastopzetstuk 400-3. 46 D9 BAH0007.3 08.10

4.8.1 Technische gegevens voor berekening van tractorgewichten en tractorasbelastingen Beschrijving van het product Zaaimachine aangebouwd aan tractor D9-25 Special 1) Totaal gewicht G H Afstand d (zie op pagina 82) (zie op pagina 82) Met volle zaadkast 810 kg 565 mm D9-30 Special 1) Met volle zaadkast (zonder zaadkastopzetstuk) 930 kg 565 mm Met volle zaadkast (met zaadkastopzetstuk 260-3) 1090 kg 565 mm Met volle zaadkast (met zaadkastopzetstuk 400-3) 1170 kg 565 mm D9-30 Super 1) Met volle zaadkast (zonder zaadkastopzetstuk) 1140 kg 565 mm Met volle zaadkast (met zaadkastopzetstuk 260-3) 1300 kg 565 mm Met volle zaadkast (met zaadkastopzetstuk 400-3) 1380 kg 565 mm D9-40 Super 1) Met volle zaadkast (zonder zaadkastopzetstuk) 1580 kg 565 mm Met volle zaadkast (met zaadkastopzetstuk 550-4) 1910 kg 565 mm 1) Zaaimachine met RoTeC-zaaischijven, afstand tussen de rijen 12,0 cm; met mechanische zaaischijfdrukinstelling, exacteg, laadrand, markeurs en rijpadenschakeling. D9 BAH0007.3 08.10 47

Beschrijving van het product 4.9 Conformiteit Richtlijnen/normen De machine voldoet aan de Machinerichtlijn 06/42/EG EMC-richtlijn 04/108/EWG 4.10 Benodigde tractoruitrusting Om de machine in overeenstemming met de voorschriften te gebruiken, dient de tractor te voldoen aan de volgende voorwaarden. Motorvermogen van de tractor D9-25/30 Special D9-30/40 Super vanaf 44 kw (60 pk) vanaf 55 kw (75 pk) Elektrisch systeem Accuspanning: Stekkerdoos voor verlichting: 12 V (Volt) 7-polig Hydraulisch systeem Maximale bedrijfsdruk: Pompcapaciteit tractor: Hydraulische olie in de machine: Regeleenheid 1: Regeleenheid 2: 200 bar minimaal 80 l/min bij 150 bar Transmissieolie/hydraulische olie Utto SAE 80W API GL4 De hydraulische olie/transmissieolie in de machine is geschikt voor gecombineerd gebruik in hydraulische systemen en versnellingsbakken van alle gangbare tractormerken. enkelvoudig werkende regeleenheid enkelvoudig werkende regeleenheid 48 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5 Opbouw en werking Dit hoofdstuk informeert u over de opbouw van de machine en de werking van de afzonderlijke componenten. Afb. 34 Met de zaaimachines D9 kan een nauwkeurige positionering, een gelijkmatige diepte en bedekking van het zaaigoed alsmede een sporenvij, goed gestructureerd veld na de levering worden gerealiseerd. De zaaimachine wordt solo of in combinatie met een grondbewerkingsmachine voor ploeg- of mulchzaad gebruikt. Het zaaigoed wordt in de zaadkast meegenomen. Het zaaigoed dat door de zaaiwielen in de zaaihuizen is gedoseerd valt in de door de zaaischijven (Afb. 34/1) getrokken zaaivoor. De zaaiwielen worden aangedreven via de Vario-aandrijving (Afb. 34/2) door het zaaimachinewiel (Afb. 34/3). Het zaaigoed wordt door de exacteg (Afb. 34/4) of de sleeptandeg met losse aarde bedekt. De aansluitrij wordt in het midden van de tractor aangegeven door de markeur. Door de RoTeC-zaaischijven is het mulchzaad ook mogelijk op velden met grote hoeveelheden stro en plantenresten. De vorming van de zaadgroef en de optimale geleiding van de zaaischijf in de grond wordt aan een zijde geregeld door de zaaischijf en aan de andere zijde door een robuust gietijzeren lichaam. De elastische kunststof schijf voorkomt dat er aarde aan de zaaischijf blijft plakken en vormt mede de zaadgroef. Door de hoge zaaischijfdruk en de ondersteuning door de kunststof schijf wordt een rustige loop van de zaaischijf en een exacte diepte van het zaaigoed bereikt. D9 BAH0007.3 08.10 49

Opbouw en werking De AMAZONE-zaaimachine D9 kan worden gebruikt als solomaschine of als deel van een bestelcombinatie met grondbewerkingsmachine AMAZONE-cirkelcultivator of AMAZONE-cirkeleg en tandpakwals of steunwals. De bestelcombinatie optimaliseert het losmaken en weer stevig maken van de bodem alsmede exact zaaien in één keer. De AMAZONE-zaaimachine D9 (Afb. 35) wordt aan de grondbewerkingsmachine bevestigd. Afb. 35 Als het hefvermogen van de tractor niet voldoende is, om de combinatie van grondbewerkingsmachine, wals en aanbouwzaaimachine met de "verstelbare koppelingsonderdelen" op te lichten, kan de vereiste hefkracht met het combinatiesysteem (Afb. 36) aanzienlijk worden gereduceerd. Afb. 36 Let er bij het rijden op hellingen (zie hoofdstuk "Gebruik volgens voorschriften", op pagina 43) op, dat het zaaigoed in de zaadkast zo ver kan wegglijden, dat de zaaiwielen niet meer (helemaal) van zaaigoed worden voorzien. 50 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.1 Hydrauliekslangen WAARSCHUWING Infectiegevaar door hydraulische olie die onder hoge druk naar buiten stroomt! Bij het aansluiten en loskoppelen van de hydrauliekslangen moet het hydraulische systeem van zowel de tractor als van de machine drukloos zijn! Raadpleeg bij letsel door hydraulische olie direct een arts. 5.1.1 Hydrauliekslangen aansluiten WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten door functiestoringen als gevolg van verkeerd aangesloten hydrauliekslangen! Let bij het aansluiten van de hydrauliekslangen op de kleurmarkeringen op de hydraulische stekkers. Controleer of de hydraulische oliën onderling compatibel zijn voordat u de machine aansluit op het hydraulische systeem van de tractor. Meng geen minerale olie met biologische olie! Neem de maximaal toegestane oliedruk van 200 bar in acht. Sluit uitsluitend schone hydraulische stekkers aan. Steek een hydraulische stekker zo ver in de hydrauliekmof tot de stekker duidelijk vastklikt. Controleer of de hydrauliekslangen correct zijn aangesloten en goed afdichten. 1. Zet de bedieningshendel op het stuurventiel in de tractor in de zweefstand (neutraalstand). 2. Reinig de hydrauliekstekker van de hydrauliekslangen voordat u de hydrauliekslangen op de tractor aansluit. 3. Sluit de hydrauliekslangen aan op de regeleenheden van de tractor. Afb. 37 D9 BAH0007.3 08.10 51

Opbouw en werking 5.1.2 Hydrauliekslangen loskoppelen 1. Zet de bedieningshendel op de regeleenheid in de tractor in de neutraalstand. 2. Verwijder de hydrauliekstekkers uit de hydrauliekmoffen. 3. Bescherm de hydrauliekstekkers en hydrauliekaansluitingen met de beschermkappen tegen verontreiniging. Afb. 38 5.2 Zaadkast en laadrand (optioneel) De zaadkast is voorzien van een eendelig, tegen water en stof beschermd deksel (Afb. 39/1). De zaaimachine wordt aan de achterzijde gevuld. De zaaimachine kan makkelijk via de laadrand (Afb. 39/2) worden gevuld. Afb. 39 5.2.1 Niveau-indicator (optioneel) De niveau-indicator (Afb. 40/1) geeft bij gesloten zaadkastdeksel de vulhoogte in de zaadkast aan. Het zaaigoed moet worden bijgevuld voordat de niveau-indicator op "0" staat. Rij de zaadkast nooit helemaal leeg, om te voorkomen dat er verschillen in de hoeveelheid uitgezaaid zaad gaan ontstaan als gevolg van een ongelijkmatige verdeling in de zaadkast. Afb. 40 52 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.2.2 Digitale niveau-indicator (optioneel) De boordcomputers en geven een waarschuwing als het ingestelde minimumniveau van de zaadkast wordt onderschreden. Een niveausensor (Afb. 41/1) controleert het zaadniveau in de zaadkast. Bereikt het zaaigoedniveau de niveausensor, dan verschijnt er een waarschuwingsmelding op het scherm van de boordcomputer. Tegelijkertijd klinkt er een alarmsignaal. Dit alarmsignaal herinnert de tractorchauffeur eraan om tijdig zaaigoed bij te vullen. De hoogte van de niveausensor in de zaadkast kan worden ingesteld. Hierdoor kunt u instellen bij welke resterende hoeveelheid zaaigoed de waarschuwing en het alarmsignaal moeten worden gegeven. Afb. 41 5.2.3 Raapinzetstuk (optioneel) Met het raapinzetstuk (Afb. 42/1) wordt de capaciteit van de zaadkast gereduceerd. Het raapinzetstuk wordt gebruikt voor het zaaien van makkelijk stromend zaaigoed, zoals koolzaad en stoppelknollen, dat in kleine hoeveelheden wordt gezaaid. De roeras mag niet meedraaien als het raapinzetstuk in de zaadkast is gemonteerd. Afb. 42 De roeras moet na het verwijderen van het raapinzetstuk weer met de aandrijving worden verbonden. Met name bij het zaaien met uitgeschakelde roeras van zaaigoed met veel kaf kan het zaaigoed in de zaadkast zich ophopen, waardoor het zaaien niet goed verloopt. D9 BAH0007.3 08.10 53

Opbouw en werking 5.3 Instelling hoeveelheid uitgezaaid zaad De gewenste uit te zaaien hoeveelheid is traploos instelbaar met de instelhendel (Afb. 43/1) van de Vario-aandrijving. Als de hendel wordt versteld, verandert de uit te zaaien hoeveelheid zaaigoed. Hoe hoger het aangegeven getal op de schaal (Afb. 43/2) des te groter is de uitzaaihoeveelheid. Met een afdraaiproef moet worden gecontroleerd of de hendel in de juiste stand staat resp. of later de gewenste hoeveelheid zaaigoed wordt uitgezaaid. Afb. 43 Hydraulisch bediende afstandsinstelling zaadhoeveelheid (optioneel) De hoeveelheid zaad wordt via een hydraulische cilinder ingesteld, die samen met de hydr. zaaischijfdrukinstelling (optioneel) en de hydr. exactegdrukinstelling (optioneel) op regeleenheid 2 is aangesloten. Bij verhoging van de hoeveelheid zaaigoed stijgt automatisch de zaaischijfdruk en neemt de exactegdruk toe. Bij de overgang van normale grond naar zware grond en omgekeerd kan de hoeveelheid uit te zaaien zaaigoed tijdens het werk aan de grond worden aangepast. De hogere hoeveelheid uit te zaaien zaaigoed kan met het bedieningselement (Afb. 44/1) van de afstandsinstelling zaadhoeveelheid worden ingesteld. Afb. 44 Elektronische instelling hoeveelheid uitgezaaid zaad (optioneel) Een elektrische stelmotor (Afb. 45/1), geregeld door, stelt de instelhendel op de gewenste hoeveelheid uit te zaaien zaad in. De regelt de stand van de aandrijving aan de hand van de afdraaiproef. Op het display van wordt de stand van de instelhendel (Afb. 45/2) op de schaal weergegeven. Afb. 45 54 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.3.1 Aandrijving van de zaaiwielen Het aandrijfwiel drijft de zaaiwielen in de zaaihuizen via de Vario-aandrijving aan. Het aandrijftoerental van de zaaiwielen bepaalt de hoeveelheid zaaigoed; kan op de Vario-aandrijving worden ingesteld. Met het aandrijfwiel wordt de afgelegde afstand gemeten. AMACO; resp. hebben deze gegevens nodig voor het berekenen van de hoeveelheid bewerkte grond (hectareteller) resp. de rijsnelheid. Afb. 46 5.3.2 Zaaigoed-dosering Het zaaigoed wordt in de zaaihuizen (Afb. 47/1) door de zaaiwielen (Afb. 47/2) of de bonenzaaiwielen gedoseerd. De zaaiwielen transporteren het zaaigoed naar de rand van de bodemkleppen (Afb. 47/3). Gedoseerd komt het zaaigoed via de zaadleidingbuizen bij de zaaischijven. Afhankelijk van het zaaigoed moet worden ingesteld: de zaaiwielen (standaard-, fijn- of bonenzaaiwiel); de afsluitschuiven; de bodemkleppen; de roeras. Afb. 47 Raadpleeg de tabel (Afb. 48, op pagina 56) voor de instelwaarden. Staat uw zaaigoed niet in de tabel, neem dan de waarden van een ander zaaigoed met een vergelijkbare korrelgrootte en korrelvorm. D9 BAH0007.3 08.10 55

Opbouw en werking 5.3.3 Tabel instelwaarden Zaaigoed Zaaiwiel Stand afsluitschuif Stand bodemklep 1000-korrel-gewicht (TKG) onder boven 6 g (koolzaad) 50 g (graan) Roeras Rogge Standaardzaaiwiel open 1 2 aangedreven Triticale Standaardzaaiwiel open 1 2 aangedreven Gerst Standaardzaaiwiel open 1 2 aangedreven Tarwe Standaardzaaiwiel open 1 2 aangedreven Spelt Standaardzaaiwiel open 2 aangedreven Haver Standaardzaaiwiel open 2 aangedreven Koolzaad Fijnzaaiwiel ¾ open 1 2 uitgeschakeld Karwijzaad Fijnzaaiwiel ¾ open 1 uitgeschakeld Mosterd/radijs Fijnzaaiwiel ¾ open 1 uitgeschakeld Phacelia Standaardzaaiwiel ¾ open 1 aangedreven Phacelia Fijnzaaiwiel ¾ open 1 aangedreven Stoppelknollen Fijnzaaiwiel ¾ open 1 uitgeschakeld Gras Standaardzaaiwiel open 2 aangedreven Bonen, klein (TKG onder 400 g) Bonen, groot (TKG tot 600 g) Bonen, groot (TKG boven 600 g) Erwten (1000-korrel-gewicht (TKG) tot 440 g) Erwten (1000-korrel-gewicht (TKG) boven 440 g) Standaardzaaiwiel ¾ open 4 aangedreven Bonenzaaiwiel ¾ open 3 aangedreven Bonenzaaiwiel ¾ open 4 aangedreven Standaardzaaiwiel ¾ open 4 aangedreven Bonenzaaiwiel ¾ open 4 aangedreven Vlas (ontsmet) Standaardzaaiwiel ¾ open 1 aangedreven Gierst Standaardzaaiwiel ¾ open 1 aangedreven Lupine Standaardzaaiwiel ¾ open 4 aangedreven Rupsklaver Standaardzaaiwiel ¾ open 1 aangedreven Rupsklaver Fijnzaaiwiel ¾ open 1 aangedreven Olievlas (nat ontsmet) Olievlas (nat ontsmet) Standaardzaaiwiel ¾ open 1 uitgeschakeld Fijnzaaiwiel ¾ open 1 uitgeschakeld Rode klaver Fijnzaaiwiel ¾ open 1 uitgeschakeld Soja Standaardzaaiwiel ¾ open 4 aangedreven Zonnebloemen Standaardzaaiwiel ¾ open 2 aangedreven Wikke Standaardzaaiwiel ¾ open 2 aangedreven Rijst Standaardzaaiwiel open 3 aangedreven Afb. 48 56 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.3.4 Zaaiwiel (standaard- en fijnzaaiwiel) De zaaiwielen bestaan uit standaardzaaiwiel (Afb. 49/1) en fijnzaaiwiel (Afb. 49/2). Voor het uitzaaien met het standaardzaaiwiel zijn het standaard- en fijnzaaiwiel aan elkaar gekoppeld en draaien beide; met het fijnzaaiwiel zijn het standaard- en fijnzaaiwiel niet met elkaar verbonden. Stel alle zaaiwielen op dezelfde wijze in. Afb. 49 5.3.5 Bonenzaaiwiel (optioneel) Het uitzaaien van grote bonen (zie hoofdstuk "Uitzaaien van bonen", op pagina 60) wordt uitgevoerd met de bonenzaaiwielen (Afb. 50). Om de bonen zonder beschadigen te transporteren zijn de bonenzaaiwielen voorzien van elastische nokken van hoogwaardig kunststof. De elastische nokken van de bonenzaaiwielen zijn zo lang, dat ze voor een gelijkmatige zaaigoedtoevoer tot op de bodemkleppen grijpen. Afb. 50 5.3.6 Bodemkleppen De afstand tussen zaaiwiel en bodemklep (Afb. 51/1) richt zich naar de grootte van het zaaigoed en kan worden ingesteld met de bodemklephendel (Afb. 51/2). De bodemklephendel kan in een gatenplaat in 8 standen worden vergrendeld. De bodemklep is verend gelagerd en kan vreemde voorwerpen in het zaaigoed verwerken. Open de bodemkleppen voor het leegmaken van het zaaihuis. Zwenk hiervoor de bodemklephendel langs de gatenplaat omlaag. Afb. 51 D9 BAH0007.3 08.10 57

Opbouw en werking 5.3.7 Roeras De roeras (Afb. 52/1) in de zaadkast voorkomt dat het zaaigoed in de zaadkast zich ophoopt waardoor het uitzaaien niet goed verloopt. Voor het uitzaaien van bepaald zaaigoed, zoals koolzaad, moet de roeras worden uitgeschakeld, om te voorkomen dat door de intensieve roerwerking van de roeras het koolzaad gaat verkleven. Afb. 52 De roeras moet na het uitzaaien weer met de aandrijving worden verbonden. Bij het zaaien met uitgeschakelde roeras van zaaigoed met veel kaf kan het zaaigoed in de zaadkast zich ophopen, waardoor het zaaien niet goed verloopt. 58 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.3.8 Uitzaaien van erwten Zaaien met standaardzaaiwielen: Erwten met 1000-korrel-gewicht (TKG) tot 440 met de standaardzaaiwielen zaaien. De maximale werksnelheid van 6 km/h mag niet worden overschreden. Zaaien met bonenzaaiwielen: Erwten met 1000-korrel-gewicht (TKG) boven 440 met de bonenzaaiwielen zaaien. Erwten met vorm en grootte zoals weergegeven in de afbeelding (Afb. 53) blijven goed stromen. De roeras kan tijdens het uitzaaien stilstaan. Bij het zaaien van hoekige erwten met vorm en grootte zoals weergegeven in de afbeelding (Afb. 54) moet de roeras draaien. De erwten blijven anders niet goed stromen en neigen naar brugvorming in de zaadkast. Afb. 53 Afb. 54 In uitzonderingsgevallen worden erwten die met bepaalde ontsmettingsmiddelen zijn behandeld en een ongunstige vorm hebben niet uit het zaaiwiel geworpen, maar gaan terug in de zaadkast. De oplossing hiervoor is de montage van fijnzaaiwielborstels (Afb. 55/1) op alle zaaihuizen. Afb. 55 D9 BAH0007.3 08.10 59

Opbouw en werking 5.3.9 Uitzaaien van bonen Uitzaaien van bonen tot een TKG van ca. 400 g Bonen tot een 1000-korrel-gewicht (TKG) van ca. 400 g, met vorm en grootte zoals in de afbeelding (Afb. 56) weergegeven, kunnen zonder problemen met de standaardzaaiwielen worden uitgezaaid. De roeras moet bij het uitzaaien meedraaien. Afb. 56 Uitzaaien van bonen met een TKG boven 400 g Voor het uitzaaien van grote bonen (TKG boven 400 g), met vorm en grootte zoals in de afbeelding (Afb. 57) weergegeven, moet de zaaimachine met de bonenzaaiwielen worden uitgerust. De roeras moet bij het uitzaaien meedraaien. Afb. 57 60 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.3.10 Afdraaigoten Bij de afdraaiproef valt het zaaigoed in de afdraaigoten (Afb. 58/1). Tijdens het uitzaaien beschermen de afdraaigoten de zaailichamen tegen water en stof. Afb. 58 5.3.11 Rekenschijf De gewenste hoeveelheid uit te zaaien zaaigoed wordt op de Vario-aandrijving ingesteld. Voor het bepalen van de juiste stand van de aandrijving zijn vaak meerdere afdraaiproeven nodig. Met de rekenschijf kan de vereiste stand van de aandrijving uit de waarden van de eerste afdraaiproef worden berekend. Controleer de met de rekenschijf bepaalde waarde door een volgende afdraaiproef. De rekenschijf bestaat uit drie schalen: een buitenste witte schaal (Afb. 59/1) voor alle hoeveelheden uit te zaaien zaad boven 30 kg/ha; een binnenste witte schaal (Afb. 59/2) voor alle hoeveelheden uit te zaaien zaad onder 30 kg/ha; een gekleurde schaal (Afb. 59/3) met alle aandrijvingsstanden van 1 tot 100. Afb. 59 D9 BAH0007.3 08.10 61

Opbouw en werking 5.4 Bedieningsterminal (optioneel) De boordcomputer volgende weer: als hectareteller geeft het de totale hoeveelheid bewerkte grond (ha); de gedeeltelijke hoeveelheid bewerkte grond (ha); het schakelritme en de teller van de rijpadenschakeling; de actieve markeur. De boordcomputer waarschuwing geeft een als het ingestelde minimumniveau van de zaadkast wordt onderschreden 1) ; als rijpaden 2) verkeerd zijn aangelegd; worden bezaaid; als het rijpadmarkeerapparaat 2) bezaaide rijen markeert; rijpaden niet markeert. Afb. 60 1) 2) Niveausensor nodig. Controle van de rijpadenschakeling nodig. 5.5 Bedieningsterminal (optioneel) De bestaat uit de bedieningsterminal (Afb. 61), de basisuitrusting (kabel- en bevestigingsmateriaal) en de jobcomputer in de machine. De integreert de functies van de en bevat tevens de specifieke gegevens van de machine invoeren; de gegevens van de opdracht invoeren; de aansturing van de Vario-aandrijving voor het veranderen van de hoeveelheid uit te zaaien zaad tijdens het zaaien 1) ; de zaaimachine tijdens het zaaien controleren. Afb. 61 1) Vario-aandrijving met elektr. instelling zaadhoeveelheid nodig. 62 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking De berekent de huidige rijsnelheid [km/u]; de huidige zaaihoeveelheid [kg/ha]; de nog af te leggen afstand [m] tot de zaadkast leeg is; de daadwerkelijke inhoud van de zaadkast [kg]. De slaat voor een gestarte opdracht de volgende gegevens op de gezaaide hoeveelheid per dag en in totaal [kg]; hoeveel grond er per dag en in totaal is bewerkt [ha]; de zaaitijd per dag en in totaal [h]; de gemiddelde arbeidsprestatie [ha/h]. 5.6 WS-zaaischijf Gebruik uw zaaimachine met WS-zaaischijven (Afb. 62) voor ploegzaad. Via een trechter (Afb. 62/1) wordt het zaad direct achter de zaaischijfpunt (Afb. 62/2) geleid. Zo wordt een exacte en gelijkmatige diepte van het zaaigoed bereikt. De beweegbaar gelagerde zaaischijfsteun (Afb. 62/3) voorkomt dat de zaaischijfuitloop verstopt raakt bij het laten zakken van de zaaimachine. Afb. 62 5.6.1 Bandzaadschoen (optioneel) De WS-zaaischijven kunnen van bandzaadschoenen worden voorzien. Het bandzaad verbetert de beschikbare ruimte voor de graangewassen. Voorwaarde is een goed kruimelig zaadbed. Voor het bedekken van het zaaigoed is de exacteg nodig. De bandzaadschoen I (Afb. 63) werkt heel goed in zware grond. De wigvormige schoen opent de bandvoor. Afb. 63 D9 BAH0007.3 08.10 63

Opbouw en werking De bandzaadschoen II (Afb. 64) werkt heel goed in lichte en middelzware grond. De schuine glijzool verdicht het oppervlak en reduceert de diepte waar het zaaigoed terechtkomt. Afb. 64 5.7 RoTeC-zaaischijf Gebruik uw zaaimachine met RoTeCzaaischijven voor ploegzaad of mulchzaad. De RoTeC-zaaischijven zijn ook geschikt voor mulchzaad bij grote hoeveelheden stro en plantenresten. De flexibele kunststof schijf (Afb. 65/1) begrenst de zaaigoeddiepte; reinigt de achterzijde van de stalen schijf; verbetert de aandrijving van de stalen schijf door "vertanding" van de noppen met de grond. Afb. 65 Bij een hoge rijsnelheid verplaatst de stalen schijf (Afb. 65/2), die slechts 7 ten opzichte van de rijrichting staat, weinig aarde. De rustige loop van de zaaischijf en de exacte positionering van het zaaigoed zijn het gevolg van de hoge zaaischijfdruk (tot 30 kg) en de ondersteuning van de zaaischijf door de kunststof schijf. Een zeer vlakke uitzaai, bv. op zeer lichte zandgrond, is mogelijk met de vlakke zaaischijf (Afb. 66). 1 Afb. 66 64 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking Voor de begrenzing van de zaaigoeddiepte (Afb. 67/1-4) kan de kunststof schijf in drie standen worden gezet of worden verwijderd. Door bediening van de greep (Afb. 65/3) wordt de kunststof schijf versteld of verwijderd. Afb. 67 5.8 Zaaischijfdruk De zaaigoeddiepte is afhankelijk van bodemgesteldheid; zaaischijfdruk; rijsnelheid. De zaaischijfdruk wordt centraal, de diepgang van de buitenste zaaischijf wordt vast ingesteld. Centrale zaaischijfdrukinstelling De zaaischijfdruk wordt centraal met een stelspil (Afb. 68) ingesteld. Afb. 68 D9 BAH0007.3 08.10 65

Opbouw en werking Hydraulische zaaischijfdrukinstelling (optioneel) De zaaischijfdruk wordt centraal met een hydraulische cilinder (Afb. 69/1) ingesteld die samen met de hydr. afstandsinstelling zaadhoeveelheid (optioneel) en de hydr. exactegdrukinstelling (optioneel) op regeleenheid 2 is aangesloten. Bij verhoging van de hoeveelheid zaaigoed stijgt automatisch de zaaischijfdruk en neemt de exactegdruk toe. Bij de overgang van normale grond naar zware grond en omgekeerd kan de zaaischijfdruk tijdens het werk aan de grond worden aangepast. Twee pennen in een stelsegment dienen als aanslag voor de hydraulische cilinder. Wordt de regeleenheid 2 onder druk gezet, dan neemt de zaaischijfdruk toe en ligt de aanslag tegen de bovenste pen. In de zweefstand ligt de aanslag tegen de onderste pen. De cijfers op de schaal (Afb. 69/2) dienen als oriëntatie. Hoe hoger het cijfer, des te groter de zaaischijfdruk. Afb. 69 66 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.9 Exacteg (optioneel) De exacteg (Afb. 70/1) bedekt het in de zaaivoor afgelegde zaad gelijkmatig met losse grond en egaliseert de grond. In te stellen is de stand van de veertanden; de druk op de exacteg. De druk op de exacteg bepaalt de arbeidsintensiteit van de Exacteg en is afhankelijk van de grondsoort. Stel de exactegdruk zodanig in, dat alle zaadrijen gelijkmatig met aarde zijn bedekt. Afb. 70 Centrale exactegdrukinstelling De druk op de exacteg wordt geregeld door trekveren, die worden gespannen met een hendel (Afb. 71/1). De hendel steunt op de instelplaat tegen een pen (Afb. 71/2). Hoe hoger de pen in de gatenplaat is gestoken, des te hoger is de druk op de exacteg. Afb. 71 D9 BAH0007.3 08.10 67

Opbouw en werking Hydraulische exactegdrukinstelling (optioneel) De exactegdruk wordt via een hydraulische cilinder ingesteld, die samen met de hydr. afstandsinstelling zaadhoeveelheid (optioneel) en de hydr. zaaischijfdrukinstelling (optioneel) op regeleenheid 2 is aangesloten. Bij verhoging van de hoeveelheid zaaigoed stijgt automatisch de zaaischijfdruk en neemt de exactegdruk toe. Bij de overgang van normale grond naar zware grond en omgekeerd kan de exactegdruk tijdens het werk aan de grond worden aangepast. Twee pennen (Afb. 72/1) in een stelsegment dienen als aanslag voor de hendel (Afb. 72/2). Wordt de regeleenheid 2 onder druk gezet, dan neemt de exactegdruk toe en ligt de hendel tegen de bovenste pen. In de zweefstand ligt de hendel tegen de onderste pen. Afb. 72 5.10 Sleeptandeg (optioneel) De sleeptandeg (Afb. 73/1) bedekt het in de zaaivoren gedeponeerd zaaigoed met losse aarde. De sleeptandeg wordt op omgeploegde grond gebruikt. De sleeptandeg is met het parallellogramframe aan de zaaimachine bevestigd. Afb. 73 68 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.11 Zaaimachine-sporenwisser (optioneel) De sporenwisser (Afb. 74/1) maakt de grond achter de wielen van de zaaimachine los. De zaaischijfpunt gaat uit de weg voor stenen; klapt bij het afzetten van de zaaimachine automatisch naar boven. De werkdiepte resp. de arbeidsintensiteit van de sporenwisser is instelbaar. Op velden met veel organische massa kan de sporenwisser makkelijk worden verwijderd. Afb. 74 5.12 Tractor-sporenwisser (optioneel) De tractor-sporenwisser maakt het aangereden tractorspoor los of bedekt dit met losse grond. Afhankelijk van het soort machine en het toepassingsgebied worden er twee uitvoeringen gebruikt: de beweegbaar gelagerde tractor-sporenwisser (Afb. 75) voor het bereiken van ontoegankelijke plaatsen; de verstevigde tractor-sporenwisser (Afb. 76). Klap de sporenwissers na het werken omhoog om beschadiging van de sporenwissers te voorkomen. Afb. 75 Afb. 76 D9 BAH0007.3 08.10 69

Opbouw en werking 5.13 Markeurs De hydraulisch bediende markeurs maken afwisselend rechts en links naast de machine een spoor in de grond. De actieve markeur maakt hierbij een markering. De bestuurder van de tractor kan deze markering gebruiken om na het keren op de kopakker correct aan te sluiten op eerder gezaaide rijden. Na het keren dient de bestuurder de markering precies in het midden van de tractor te houden. In te stellen zijn de lengte van de markeur de arbeidsintensiteit van de markeur, afhankelijk van de grondsoort. Afb. 77 De markeurs worden bij activering van de regeleenheid 1 bediend bij zaaimachines D9 Special met de hydr. schakelautomaat (Afb. 78/1); D9 Super met twee hydraulische cilinders (Afb. 79/1). De actieve markeur wordt bij het begin van de werkzaamheden in de werkstand gezet; wordt op de kopakker opgelicht; zakt na het keren automatisch. Afb. 78 Afb. 79 70 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking Vóór het passeren van obstakels de actieve markeur op het veld oplichten (schakelstand van de zaaiwiel-rijpadenschakeling aansluitend corrigeren). De markeurs van de zaaimachine D9 Super zijn voorzien van schuifbeveiligingen. Komt de markeur tegen een vast obstakel, dan breekt een bout af en wijkt de markeur voor het obstakel. Het verdient aanbeveling een breekbout in de tractor mee te nemen. De schakelstand van de zaaiwiel-rijpadenschakeling moet worden gecorrigeerd, nadat regeleenheid 1 meermaals is geactiveerd. 5.14 Hectareteller AMACO (optioneel) Door kort indrukken van de ha-knop geeft de elektronische hectareteller AMACO de hoeveelheid bewerkte grond op het display aan. De maschinespecifieke gegevens worden via de ha-knop en de F-knop ingevoerd. Afb. 80 D9 BAH0007.3 08.10 71

Opbouw en werking 5.15 Rijpadenschakeling (optioneel) Met de rijpadenschakeling kunnen de rijpaden in het veld op vooraf ingestelde afstanden worden aangelegd. Rijpaden zijn sporen waarin niet wordt gezaaid (Afb. 81/A) voor de machines die later worden ingezet ten behoeve van bemesting en verzorging. De afstand tussen de rijpaden (Afb. 81/b) komt overeen met de werkbreedte van de andere machines (Afb. 81/B), bijv. kunstmeststrooiers en/of landbouwsproeiers, die op het ingezaaide veld worden ingezet. Voor het aanleggen van verschillende rijpadafstanden (Afb. 81/b) moet het betreffende schakelritme van de rijpaden in resp. worden gekozen; de schakelkast zijn voorzien van het betreffende verdeelrad (zie hoofdstuk "Schakelritme rijpaden instellen", op pagina 120). Het benodigde schakelritme (zie tabel Afb. 82) is afhankelijk van de gewenste afstand tussen de rijpaden en de werkbreedte van de zaaimachine. Meer schakelritmes zijn te vinden in de bedieningshandleidingen resp.. De spoorbreedte (Afb. 81/a) van het rijpad komt overeen met die van de onderhoudstractor en kan worden ingesteld (zie hoofdstuk "Afstand tussen de rijpaden en spoorwijdte/-breedte instellen (vakwerkplaats)", op pagina 152). De spoorbreedte (Afb. 81/c) van het rijpad stijgt met het aantal naast elkaar geplaatste rijpadzaaischijven. Afb. 81 Bij het aanleggen van een rijpad geeft de rijpadenteller het cijfer "0" aan in de schakelkast; in de ; in de. De resp. de geven een waarschuwing als de overbrengingsas die de rijpadzaaiwielen aandrijft niet goed werkt. De zaaiascontrole is nodig (optioneel). 72 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking Rijpaden schakelritme Afb. 82 Werkbreedte zaaimachine D9-25 D9-30 D9-40 Afstand tussen de rijpaden (werkbreedte kunstmeststrooier en landbouwsproeier) 1 3-9 m 12 m 4 10 m 12 m 16 m 5 15 m 20 m 6 15 m 18 m 24 m 7 21 m 28 m 8 20 m 24 m 32 m 9 27 m 36 m 2 plus 10 m 12 m 16 m 6 plus 15 m 18 m 24 m D9 BAH0007.3 08.10 73

Opbouw en werking 5.15.1 Voorbeelden voor het aanleggen van rijpaden Afbeelding (Afb. 83) toont enkele voorbeelden van het aanleggen van rijpaden: A = werkbreedte van de zaaimachine B = afstand tussen de rijpaden (= werkbreedte kunstmeststrooier/landbouwsproeier) C = rijpad-schakelritme D = rijpadenteller (tijdens het werk worden de slagen doorgenummerd en weergegeven). Voorbeeld: Werkbreedte zaaimachine: 3 m Werkbreedte kunstmeststrooier/landbouwsproeier: 18 m = 18 m afstand tussen rijpaden 1. In de tabel (Afb. 83) opzoeken: in kolom A de werkbreedte van de zaaimachine (3 m) en in kolom B de afstand tussen de rijpaden (18 m). 2. In dezelfde regel in kolom C zoekt u het schakelritme van de rijpaden (schakelritme 3). 3. In dezelfde regel in kolom D zoekt u onder de kop "START" de rijpadenteller van de eerste slag (rijpadenteller 2). Stel deze waarde pas direct voor de eerste rit in. in de ; in de ; in de schakelkast. 74 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking Afb. 83 D9 BAH0007.3 08.10 75

Opbouw en werking 5.15.2 Schakelritme 4, 6 en 8 Afbeelding (Afb. 83) toont o.a. voorbeelden voor het aanleggen van rijpaden met schakelritme 4, 6 en 8. Afgebeeld is de zaaimachine met een halve werkbreedte (sectie) tijdens de eerste slag. Een tweede mogelijkheid voor het aanleggen van rijpaden met schakelritme 4, 6 en 8 bestaat uit het beginnen met de volle werkbreedte en het aanleggen van een rijpad (zie Afb. 84). In dit geval werkt de onderhoudsmachine tijdens de eerste slag met halve werkbreedte. Stel na de eerste slag de volledige werkbreedte van de machine opnieuw in! Afb. 84 76 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.15.3 Schakelritme 2 plus en 6 plus Afbeelding (Afb. 83) toont o.a. voorbeelden voor het aanleggen van rijpaden met schakelritme 2 plus en 6 plus. Bij het aanleggen van rijpaden met schakelritme 2 plus en 6 plus (Afb. 85) worden tijdens de heen- en terugrit rijpaden in het veld aangelegd. Bij machines met schakelritme 2 plus mag uitsluitend aan de rechterkant van de machine schakelritme 6 mag uitsluitend aan de linkerkant van de machine de toevoer van zaaigoed naar de rijpadenzaaischijven worden onderbroken. Het zaaien begint altijd aan de rechterkant van het veld. Afb. 85 5.15.4 Rijpadregeling De aandrijving van de rijpadzaaiwielen wordt geregeld: elektronisch door de of de ; hydraulisch door de schakelkast. In alle gevallen wordt de aandrijving van de overbrengingsas via de slingerveerkoppeling in- resp. uitgeschakeld. Bij het aanleggen van rijpaden staan de door de overbrengingsas aangedreven rijpadzaaiwielen stil. Er wordt door de zaaischijven niet gezaaid. D9 BAH0007.3 08.10 77

Opbouw en werking Elektronische bediening De slingerveerkoppeling (Afb. 86/1) wordt door een magneetschakelaar (Afb. 86/2) bediend, die elektronisch wordt geregeld door de of de. Afb. 86 Hydraulische bediening De slingerveerkoppeling (Afb. 87/1) wordt door een hefboom (Afb. 87/2) bediend, die met de schakelkast (Afb. 87/3) is verbonden. Afb. 87 Spoorbreedte en spoorwijdte Tandwielen (Afb. 88/1) op de overbrengingsas (Afb. 88/2) drijven de rijpadzaaiwielen (Afb. 88/3) aan. Spoorbreedte De spoorbreedte (Afb. 81/a) wordt door verschuiven van de tandwielen op de overbrengingsas ingesteld (zie hoofdstuk "Afstand tussen de rijpaden en spoorwijdte/- breedte instellen (vakwerkplaats)", op pagina 152). Spoorwijdte De spoorwijdte (Afb. 81/c) van het rijpad stijgt met het aantal naast elkaar geplaatste rijpadzaaischijven (zie hoofdstuk "Afstand tussen de rijpaden en spoorwijdte/-breedte instellen (vakwerkplaats)", op pagina 152). Afb. 88 78 D9 BAH0007.3 08.10

Opbouw en werking 5.15.5 Uitschakeling zaaias aan één kant Met de zaaiasuitschakelkoppeling (Afb. 89) kan de linker zaaiashelft worden uitgeschakeld en de zaaigoedtoevoer naar de zaaischijven worden onderbroken. Als ook de rijpadzaaiwielen niet hoeven te zaaien, moeten de afsluitschuiven naar de rijpadzaaiwielen worden gesloten. Afb. 89 5.15.6 Rijpadmarkeerapparaat (optioneel) Bij het aanleggen van rijpaden dalen de spoorschijven (Afb. 90) van de rijpadmarkering automatisch en markeren de net aangelegde rijpaden. Hierdoor zijn de rijpaden al zichtbaar voordat het gewas is opgekomen. In te stellen is: de spoorbreedte van het rijpad; de arbeidsintensiteit van de spoorschijven. Als er geen rijpad wordt aangelegd, zijn de spoorschijven (Afb. 91) opgeheven. Afb. 90 Afb. 91 D9 BAH0007.3 08.10 79

Inbedrijfstelling 6 Inbedrijfstelling Dit hoofdstuk voorziet u van informatie over het inbedrijfstellen van uw machine de wijze waarop u kunt controleren of u de machine aan uw tractor kunt aansluiten/aankoppelen. Voor het inbedrijfstellen van de machine moet de gebruiker deze handleiding hebben gelezen en begrepen. Lees het hoofdstuk "Veiligheidsinstructies voor de chauffeur", vanaf op pagina 25 bij het aan- en afkoppelen van de machine het transporteren van de machine het werken met de machine De tractor waarop u de machine aankoppelt of waarmee u de machine transporteert dient daartoe geschikt te zijn! Tractor en machine dienen te voldoen aan de wettelijke verkeersvoorschriften. Zowel de eigenaar als bestuurder zijn ervoor verantwoordelijk dat de machine voldoet aan de nationale verkeersvoorschriften. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, scharen, snijden, naar binnen trekken en vastgrijpen hij de hydraulische of elektrische onderdelen. Blokkeer geen bedieningshendels op de tractor als deze hendels hydraulische of elektrische functies direct uitvoeren, zoals in- en uitklappen, draaien en verschuiven. De beweging moet automatisch stoppen zodra u de betreffende bedieningshendel bijbehorende regelelement loslaat. Dit geldt niet voor bewegingen van inrichtingen die continu zijn of automatisch geregeld zijn of voor hun werking een zweefstand of drukstand nodig hebben. 80 D9 BAH0007.3 08.10

Inbedrijfstelling 6.1 Controleren of de tractor geschikt is WAARSCHUWING Het negeren van de gebruiksvoorschriften kan leiden tot gevaar voor breuk, onvoldoende stabiliteit en onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Controleer of uw tractor geschikt is voordat u de machine aan de tractor koppelt. Koppel de machine uitsluitend aan tractoren die daartoe geschikt zijn. Voer een remmentest uit om te controleren of de tractor ook met aangekoppelde machine over voldoende remvermogen beschikt. Voor de geschiktheid van uw tractor zijn in het bijzonder de volgende voorwaarden van belang: het toelaatbare totaalgewicht de toelaatbare asbelastingen de toelaatbare oplegdruk op het koppelingspunt van de tractor de draagvermogens van de gemonteerde banden het toelaatbare trekgewicht dient voldoende te zijn Deze gegevens staan op het typeplaatje of op het kentekenbewijs en in de bedieningshandleiding van de tractor. De vooras van de tractor dient altijd met tenminste 20% van het eigen gewicht van de tractor belast te zijn. De tractor dient de door de tractorfabrikant voorgeschreven remvertraging ook te realiseren als de machine is aangekoppeld. 6.1.1 Berekenen van de daadwerkelijk waarden voor het totale gewicht van de tractor, de belastingen van de tractorassen, de draagvermogens van de banden en het minimaal benodigde ballastgewicht Het toelaatbare totaalgewicht van de tractor, aangegeven in het kentekenbewijs, dient hoger te zijn dan de som van eigen gewicht van tractor ballastgewicht en totaalgewicht van de aangebouwde machine of oplegdruk van de aangekoppelde machine. Deze opmerking geldt alleen voor Duitsland. Als het, ondanks het ten volle benutten van alle mogelijkheden die in redelijkheid gevergd kunnen worden, niet mogelijk is om de asbelastingen en/of het toelaatbare totaalgewicht aan te houden, kan op basis van een rapport van een officieel erkende deskundige voor het autoverkeer met toestemming van de tractorfabrikant de volgens het deelstaatrecht verantwoordelijke overheidsinstantie een speciale vergunning volgens 70 StVZO alsmede de noodzakelijke toestemming volgens 29 alinea 3 StVO verlenen. D9 BAH0007.3 08.10 81

Inbedrijfstelling 6.1.1.1 Benodigde gegevens voor de berekening (aangebouwde machine) Afb. 92 T L T V T H G H G V [kg] Eigen gewicht van tractor [kg] Voorasbelasting van de lege tractor [kg] Achterasbelasting van de lege tractor [kg] Totaalgewicht van aan achterzijde aangekoppelde machine of gewicht aan achterzijde [kg] Totaalgewicht van aan voorzijde aangekoppelde machine of gewicht aan voorzijde zie bedieningshandleiding van tractor of kentekenbewijs zie hoofdstuk "Technische gegevens voor berekening van tractorgewichten en tractorasbelastingen", op pagina 47 of achtergewichten zie technische gegevens van de frontaanbouwmachine of frontgewicht a a 1 [m] Afstand tussen zwaartepunt frontaanbouwmachine of frontgewicht en het midden van de vooras (totaal a 1 + a 2 ) [m] Afstand tussen het midden van de vooras en het midden van het aansluitpunt van de trekstangen zie technische gegevens van de tractor en frontaanbouwmachine of frontgewicht of opmeten zie bedieningshandleiding van tractor of opmeten a 2 [m] Afstand tussen het midden van het aansluitpunt van de trekstangen en het zwaartepunt van de frontaanbouwmachine of frontgewicht (zwaartepuntafstand) zie technische gegevens van de frontaanbouwmachine of frontgewicht of opmeten b [m] Wielbasis van de tractor zie bedieningshandleiding van tractor of kentekenbewijs of opmeten c [m] Afstand tussen midden achteras en midden van aansluitpunt van trekstangen zie bedieningshandleiding van tractor of kentekenbewijs of opmeten d [m] Afstand tussen het midden van het aansluitpunt van de trekstangen en het zwaartepunt van de achteraanbouwmachine of gewicht achterzijde (zwaartepuntafstand) zie hoofdstuk "Technische gegevens voor berekening van tractorgewichten en tractorasbelastingen", op pagina 47 82 D9 BAH0007.3 08.10

6.1.1.2 Berekening van het minimaal noodzakelijke ballastgewicht voor G V min om de bestuurbaarheid van de tractor te waarborgen Inbedrijfstelling G V min G H ( c d) TV b 0,2 T a b L b Voer de waarde van het berekende minimale ballastgewicht G V min, dat aan de voorzijde van de tractor nodig is, in de tabel (hoofdstuk 6.1.1.7) in. 6.1.1.3 Berekening van de daadwerkelijke voorasbelasting van de tractor T V tat T V tat G V ( a b) TV b GH ( c d) b Voer de waarde van de berekende daadwerkelijke voorasbelasting en de in de bedieningshandleiding van de tractor genoemde toelaatbare voorasbelasting in de tabel (hoofdstuk 6.1.1.7) in. 6.1.1.4 Berekening van het daadwerkelijke totaalgewicht van de combinatie tractor en machine G tat G V T L G H Voer de waarde van het berekende daadwerkelijke totaalgewicht en het in de bedieningshandleiding van de tractor genoemde toelaatbare totaalgewicht van de tractor in de tabel (hoofdstuk 6.1.1.7) in. 6.1.1.5 Berekening van de daadwerkelijke achterasbelasting van de tractor T H tat T H tat G tat T V tat Voer de waarde van de berekende daadwerkelijke achterasbelasting en de in de bedieningshandleiding van de tractor genoemde toelaatbare achterasbelasting in de tabel (hoofdstuk 6.1.1.7) in. 6.1.1.6 Draagvermogen van de tractorbanden Voer de dubbele waarde (twee banden) van het toelaatbare draagvermogen van de band (zie bijv. documentatie van de bandenfabrikant) in de tabel (hoofdstuk 6.1.1.7) in. D9 BAH0007.3 08.10 83

Inbedrijfstelling 6.1.1.7 Tabel Daadwerkelijke waarde volgens berekening Toelaatbare waarde volgens bedieningshandleiding van tractor Dubbel toelaatbaar draagvermogen (twee banden) Minimaal ballastgewicht voor/achter / kg -- -- Totaalgewicht kg kg -- Voorasbelasting kg kg kg Achterasbelasting kg kg kg Raadpleeg het kentekenbewijs van uw tractor voor de toelaatbare waarden voor het totaalgewicht van de tractor, de asbelastingen en het draagvermogen van de banden. De daadwerkelijke, berekende waarden dienen kleiner of gelijk ( ) te zijn aan de toelaatbare waarden! WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten door onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Het is verboden om de machine aan te koppelen aan de tractor waarop de berekening is gebaseerd, als ook slechts één van de daadwerkelijke, berekende waarde groter is dan de toelaatbare waarde. aan de tractor geen frontgewicht (indien nodig) voor het minimaal benodigde ballastgewicht voor (G V min ) is bevestigd. Breng een front- of achtergewicht op de tractor aan, als de asbelasting van de tractor slechts op één as is overschreden. Uitzonderingen: Wordt door het gewicht van de frontaanbouwmachine (G V ) niet het vereiste minimale ballastgewicht aan de voorzijde (G V min ) bereikt, moeten tevens extra gewichten worden gebruikt! Wordt door het gewicht van de achteraanbouwmachine (G H ) niet het vereiste minimale ballastgewicht aan de achterzijde (G V min ) bereikt, moeten tevens extra gewichten worden gebruikt! 84 D9 BAH0007.3 08.10

Inbedrijfstelling 6.2 Beveilig de tractor/machine tegen onbedoeld starten en wegrollen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, scharen, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten bij handelingen aan de machine door onbedoeld zakken van de door de driepuntshydraulica van de tractor opgeheven, onbeveiligde machine onbedoeld zakken van opgeheven, onbeveiligde onderdelen onbedoeld starten en wegrollen van de tractor/machine combinatie. Beveilig de tractor en de machine tegen onbedoeld starten en wegrollen voordat u handelingen aan de machine uitvoert. Alle handelingen aan de machine, zoals montagewerkzaamheden, instellen, verhelpen van storingen, reinigen, uitvoeren van service en onderhoudswerkzaamheden, zijn verboden: als de machine nog wordt aangedreven; zolang de tractormotor met aangesloten hydraulisch systeem loopt; wanneer de contactsleutel in het contactslot van de tractor is geplaatst en de tractormotor bij aangesloten hydraulisch systeem onbedoeld kan worden gestart; als de tractor niet met de handrem tegen onbedoeld in beweging komen is beveiligd; wanneer bewegende onderdelen niet tegen onbedoeld bewegen zijn geblokkeerd. Vooral bij deze werkzaamheden bestaat er gevaar door contact met onbeveiligde onderdelen. 1. Breng de opgeheven, onbeveiligde machine / opgeheven, onbeveiligde onderdelen van de machine omlaag. Op deze wijze voorkomt u dat zij onbedoeld zakken. 2. Zet de motor van de tractor uit. 3. Verwijder de contactsleutel. 4. Trek de handrem van de tractor aan. 6.3 Eerste montage van de bedieningsterminal Monteer aan de hand van de betreffende bedieningshandleiding de bedieningsterminals AMACO;, in de tractorcabine. D9 BAH0007.3 08.10 85

Inbedrijfstelling 6.4 Eerste montage exacteg (vakwerkplaats) 1. Koppel de machine aan de tractor (zie hoofdstuk "Machine aan- en afkoppelen", op pagina 88). 2. Schoorstangen (Afb. 93/1) met pennen (Afb. 93/2) aan de steunen bevestigen en met lunspennen (Afb. 93/3) borgen. 3. Zet stuurventiel 2 in de zweefstand. 4. Sluit de voorgemonteerde hydraulische slang (Afb. 94/1) op de hydraulische cilinder (Afb. 94/2) aan. 5. Herhaal dit voor de tweede hydraulische cilinder (indien aanwezig). Afb. 93 Breng de hydraulische slang (Afb. 94/1) bij de draaipunten van de schoorstangen van de exacteg in een ruime lus aan, zodat de slang niet door de beweging van de exacteg afscheurt. Afb. 94 6. Druk zetten op stuurventiel 2 en alle verbindingspunten op olielekkage controleren. 6.5 Eerste montage laadrand (vakwerkplaats) 1. Schroef de veiligheidstrede (Afb. 95/1) met steunen aan de machine. 2. Bevestig de leuning (Afb. 95/2). 3. De optrede (Afb. 95/3) naast de leuning aan de eg bevestigen. Afb. 95 86 D9 BAH0007.3 08.10

6.6 Eerste montage van de houders voor de beschermstrip voor de verkeersveiligheid Monteer twee houders (Afb. 96/1) aan de exacteg (Afb. 96/2). Inbedrijfstelling Bevestig de beschermstrips (Afb. 97/2) tijdens het werk aan de houders (Afb. 97/1). Afb. 96 Afb. 97 D9 BAH0007.3 08.10 87

Machine aan- en afkoppelen 7 Machine aan- en afkoppelen Volg bij het aan- en afkoppelen van machines de aanwijzingen in het hoofdstuk "Veiligheidsinstructies voor de chauffeur", op pagina 25 op. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken door onbedoeld starten en wegrollen van de machine en tractor bij het aan- of afkoppelen van de machine! Beveilig de tractor en machine tegen onbedoeld starten en wegrollen voordat u voor het aan- of afkoppelen in de gevarenzone tussen tractor en machine gaat staan. Zie hoofdstuk op pagina 85. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken tussen de achterzijde van de tractor en de machine bij het aan- en afkoppelen van de machine! Bedien de bedieningshendels voor de driepuntshydraulica van de tractor alleen vanaf de daarvoor bestemde werkplek nooit wanneer u zich in de gevarenzone tussen tractor en machine bevindt. 7.1 Machine aankoppelen WAARSCHUWING Het negeren van de gebruiksvoorschriften kan leiden tot gevaar voor breuk, onvoldoende stabiliteit en onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Koppel de machine uitsluitend aan tractoren die daartoe geschikt zijn. Zie hoofdstuk "Controleren of de tractor geschikt is", op pagina 81. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken tussen tractor en machine bij het aankoppelen van de machine! Stuur personen weg uit de gevarenzone tussen tractor en machine voordat u naar de machine rijdt. Aanwezige personen mogen alleen aanwijzingen naast de tractor en de machine aanwijzingen geven en pas na stilstand tussen tractor en machine gaan staan. 88 D9 BAH0007.3 08.10

Machine aan- en afkoppelen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten als de machine onbedoeld loskomt van de tractor! Gebruik de daartoe bestemde inrichtingen om de tractor en machine in overeenstemming met de voorschriften aan elkaar te koppelen. Let er bij het aankoppelen van de machine op de driepuntshydraulica van de tractor op dat de aanbouwcategorieën van tractor en machine met elkaar overeenkomen. Waardeer de cat. II bouten van de topstang en trekstang van de machine met de reductiehulzen op tot cat. III, als uw tractor een driepuntshydraulica van cat. III heeft. Gebuik alleen de bijgeleverde bouten van de topstang en trekstang voor het koppelen van de machine. Controleer elke keer bij het aankoppelen van de tractor of de bouten van de topstang en trekstang zich in goede staat bevinden. Vervang bouten van de topstang en trekstang met duidelijke slijtagesporen. Borg de bouten van de topstang en trekstang in de koppelingspunten van het driepunts-aanbouwframe met een lunspen tegen onbedoeld losgaan. WAARSCHUWING Gevaar voor uitval van de energietoevoer tussen tractor en machine door beschadigde voedingskabels! Let bij het aansluiten van de voedingskabels op het verloop van de voedingskabels. De voedingskabels moeten bij alle bewegingen van de aangekoppelde machine soepel meedraaien zonder spanning, knikken of wrijving. mogen niet langs onderdelen schuren. D9 BAH0007.3 08.10 89

Machine aan- en afkoppelen 1. Bevestig de kogelkoppeling (Afb. 98) boven de bouten van de topstang en trekstang van het driepunt van de zaaimachine. De kogelkoppelingen zijn afhankelijk van het type tractor (zie bedieningshandleiding van tractor). Waardeer de cat. II bouten van de topstang en trekstang van de machine met de reductiehulzen op tot cat. III, als uw tractor een driepuntshydraulica van cat. III heeft. 2. Borg de bouten van de topstang en trekstang met een lunspen tegen onbedoeld losgaan. Afb. 98 Bevestig de bout van de topstang zodanig aan het bovenste koppelingspunt van het driepunts-aanbouwframe, dat de gekoppelde topstang ongeveel horizontaal zit. Bij een horizontale topstang is de benodigde hefkracht voor het heffen van de machine het laagste. 3. Stuur personen weg uit de gevarenzone tussen tractor en machine voordat u naar de machine rijdt. 4. Koppel eerst de voedingsleidingen aan (zie hoofdstuk 7.1.1, op pagina 92 en hoofdstuk 7.1.2, op pagina 93), voordat u de machine aan de tractor koppelt. 4.1 Rij de tractor zodanig tot bij de machine, dat er een ruimte (ca. 25 cm) tussen tractor en machine blijft. 4.2 Beveilig de tractor tegen onbedoeld starten en wegrollen. 4.3 Controleer of de aftakas van de tractor is uitgeschakeld. 4.4 Sluit de voedingsleidingen aan op de tractor. 4.5 Richt de haken van de trekstangen zodanig dat zij op een lijn liggen met de koppelingspunten van de machine. 90 D9 BAH0007.3 08.10

Machine aan- en afkoppelen 5. Open de borging van de trekstangen van de tractor, d.w.z. dat zij gereed dienen te zijn om te koppelen. 6. Rijd de tractor verder naar achteren naar de machine, zodat de haken van de trekstangen van de tractor de kogelkoppelingen van de onderste koppelingspunten van de machine automatisch opnemen. De haken van de trekstangen vergrendelen automatisch. 7. Koppel de topstang vanaf de tractorstoel via de haak van de topstang aan het bovenste koppelingspunt. De haak van de topstang vergrendelt automatisch. Afb. 99 8. Controleer visueel of de haken van de topstang en de trekstang correct zijn vergrendeld. 9. Licht de machine op en begin te rijden. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, beetpakken, vastgrijpen en stoten als de machine onbedoeld loskomt van de tractor! Controleer elke keer bij het aankoppelen van de tractor of de bouten van de topstang en trekstang zich in goede staat bevinden. Vervang bouten met duidelijke slijtagesporen. D9 BAH0007.3 08.10 91

Machine aan- en afkoppelen 7.1.1 Hydraulische verbindingen aansluiten Maak hydraulische koppelingen schoon voordat u ze op de tractor aansluit. Geringe olieverontreiniging door vuildeeltjes kan storingen in het hydraulische systeem veroorzaken. Tractorregeleen heid Aansluiting Omschrijving Functie Markeur links 1 enkelvoudig werkend toevoer / retour 1 gele slangklem Markeur rechts Schakelkast Rijpadmarkering Tractorregeleen heid Aansluiting Omschrijving Functie 2 enkelvoudig werkend toevoer / retour 1 kabelbinder blauw Instelling zaaischijfdruk Instelling exactegdruk Afstandsinstelling zaadhoeveelheid Tijdens de werkzaamheden wordt regeleenheid 1 vaker gebruikt dan de andere regeleenheden. Wijs de aansluitingen van regeleenheid 1 toe aan een regeleenheid die in de cabine van de tractor gemakkelijk te bereiken is. 92 D9 BAH0007.3 08.10

Machine aan- en afkoppelen 7.1.2 Andere aansluitingen vastmaken Aansluiting/functie Montage-instructie Stekker (7-polig) voor verkeerslichten Machinestekker AMACO Bevestig de stekers op de bedieningsterminal in de tractorcabine zoals in de betreffende bedieningshandleiding staat beschreven. Controleer de werking van de verlichting. Alleen schakelkast: Breng de kabel (Afb. 100/1) voor het bedienen van de bedieningshefboom (Afb. 100/2) in de tractorcabine aan. Afb. 100 D9 BAH0007.3 08.10 93

Machine aan- en afkoppelen 7.2 Machine afkoppelen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten door onvoldoende stabiliteit en omkantelen van de afgekoppelde machine! Zet de machine altijd op een vlakke en stevige bodem. Na het afkoppelen van de machine moet er voldoende ruimte vóór de machine zijn om de tractor in één lijn naar de machine te rijden. 1. Zet de lege machine altijd op een vlakke en stevige bodem. Afb. 101 2. Koppel de machine van de tractor af. 2.1 Ontlast de topstang. 2.2 Ontgrendel en ontkoppel de haak van de topstang vanaf de tractorstoel. 2.3 Ontlast de trekstang. 2.4 Ontgrendel en ontkoppel de haak van de trekstang vanaf de tractorstoel. 2.5 Trek de tractor ca. 25 cm naar voren. Door de vrijkomende ruimte tussen tractor en machine ontstaat er een betere toegang voor het afkoppelen van de voedingsleidingen. 2.6 Beveilig de tractor en de machine tegen onbedoeld starten en wegrollen. 2.9 Ontkoppel de voedingsleidingen. 2.10 Sluit de hydrauliekstekker af met een beschermkap. 2.11 Bevestig de voedingsleidingen in de betreffende aansluitdozen. 94 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 8 Instellingen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, scharen, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten door onbedoeld zakken van de door de driepuntshydraulica van de tractor opgeheven machine. onbedoeld zakken van opgeheven, onbeveiligde onderdelen van de machine. onbedoeld starten en wegrollen van de tractor/machine combinatie. Beveilig de tractor met aangebouwde machine tegen onbedoeld starten en wegrollen voordat u instellingen aan de machine uitvoert. Zie hoofdstuk 6.2, op pagina 85. 8.1 Standaard- en fijnzaaiwiel instellen 1. Verwijder de afdraaigoten van de achterzijde van de zaadkast (zie hoofdstuk " 8.7", op pagina 101). 2. Licht de zaaimachine met de tractor zo ver op, dat de wielen vrij kunnen draaien. 3. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 4. Steek de afdraaislinger (Afb. 102/1) in het kokerprofiel van het rechterwiel. 5. Draai het zaaimachinewiel rechtsom, totdat de boringen (Afb. 103/1) van de fijnzaaiwielen zichtbaar zijn. 6. Laat de zaaimachine zakken. 7. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 8. Stel de zaaiwielen aan de hand van de tabel (zie Afb. 48, op pagina 56) in. Afb. 102 Afb. 103 D9 BAH0007.3 08.10 95

Instellingen Uitzaaien met standaardzaaiwielen 1. Verdraai het standaardzaaiwiel op de zaaias met de hand zo ver, dat de pen (Afb. 104/1) in de boring zichtbaar is. 2. Druk de pen met de bijgeleverde sleutel (Afb. 105/1) tegen het fijnzaaiwiel. 3. Controleer de verbinding. 4. Herhaal het voorgaande voor alle zaaiwielen. Afb. 104 Afb. 105 Uitzaaien met fijnzaaiwielen 1. Druk met de bijgeleverde sleutel (Afb. 106/1) de pen achter de boring tot de aanslag in het standaardzaaiwiel. 2. Controleer, of het standaardzaaiwiel vrij op de zaaias kan draaien. 3. Herhaal het voorgaande voor alle zaaiwielen. Afb. 106 96 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen Uitzaaien met bonenzaaiwielen (optioneel) De bonenzaaiwielen kunnen: na het uitbouwen van de zaaias worden vervangen door de standaard- en fijnzaaiwielen of samen met een tweede zaaias worden gemonteerd. Monteer de bonenzaaiwielen altijd in een vakwerkplaats (zie hoofdstuk "Bonenzaaiwielen monteren", op pagina 155). Afb. 107 8.2 Afsluitschuiven instellen 1. Verwijder de afdraaigoten van de achterzijde van de zaadkast. 2. Stel de afsluitschuiven (Afb. 108) in op de tabelwaarde (zie Afb. 48, op pagina 56). De afsluitschuiven (Afb. 108) vergrendelen in één van de drie posities : A = gesloten B = 3/4 open C = open 3. Sluit de afsluitschuiven naar de zaaihuizen die niet worden gebruikt. Afb. 108 Deze instelling is van invloed op de hoeveelheid uit te zaaien zaad. Controleer de instelling door een afdraaiproef. D9 BAH0007.3 08.10 97

Instellingen 8.3 Bodemkleppenpositie instellen 1. Stel de bodemklephendel (Afb. 109/1) in op de tabelwaarde (zie Afb. 48, op pagina 56). De bodemklephendel kan in een gatenplaat in 8 standen worden vergrendeld. Zwenk voor het openen van de bodemkleppen de bodemklephendel langs de gatenplaat omlaag. 2. Borg de bodemklephendel met een lunspen (Afb. 109/2). Afb. 109 Deze instelling is van invloed op de hoeveelheid uit te zaaien zaad. Controleer de instelling door een afdraaiproef. De basisafstelling van de bodemkleppen wordt uitgevoerd volgens hoofdstuk "Basisafstelling bodemkleppen", op pagina 145. 8.4 Niveausensor instellen De stand van de niveausensor kan alleen worden ingesteld als de zaadkast leeg is: 1. Draai de vleugelmoer (Afb. 110/1) los. 2. Stel de hoogte van de niveausensor (Afb. 110/2) in op basis van de gewenste minimumhoeveelheid zaad. en geven een alarmsignaal zodra de niveausensor niet meer met zaaigoed is bedekt. 3. Draai de vleugelmoer (Afb. 110/1) vast. Afb. 110 Vergroot de resthoeveelheid zaad waarbij het alarmsignaal wordt gegeven dienovereenkomstig naarmate het zaaigoed grover is; naarmate er meer zaad wordt uitgezaaid. 98 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 8.5 Roerasaandrijving De roeras wordt aangedreven als de lunspen (Afb. 111/1) in de boring van de holle as van de aandrijving zit. De roeras draait niet als de lunspen (Afb. 112/1) in de boring van de hulpas zit. Afb. 111 Deze instelling is van invloed op de hoeveelheid uit te zaaien zaad. Controleer de instelling door een afdraaiproef. Afb. 112 D9 BAH0007.3 08.10 99

Instellingen 8.6 Zaadkast vullen GEVAAR De zaaimachine moet vóór het vullen van de zaadkast aan de tractor resp. aan de grondbewerkingsmachine worden gekoppeld. Neem de toelaatbare vulling en totaalgewichten in acht. Maak de zaadkast vóór het afkoppelen van de zaaimachine leeg. 1. Houd het zaadkastdeksel bij het openen aan de handgreep (Afb. 113/1) vast. 2. Vul de zaadkast aan de achterzijde van de zaaimachine. De zaaimachine kan makkelijk via de laadrand (Afb. 113/2, optioneel) worden gevuld. Afb. 113 Leg bij het vullen van de zaadkast geen zware voorwerpen op de vlotter (Afb. 114) van de niveau-indicator. Let er vóór het sluiten van het zaadkastdeksel op, dat de vlotter op het zaaigoed ligt. Afb. 114 100 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 8.7 Hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen met afdraaiproef Met de afdraaiproef controleert u of ingestelde en daadwerkelijk uitgezaaide hoeveelheid met elkaar overeenkomen. Voer de afdraaiproef altijd uit: als u een ander soort zaad gaat gebruiken; als u hetzelfde soort zaad gaat gebruiken, maar met een andere korrelgrootte, korrelvorm, specifiek gewicht en andere ontsmetting; na het overschakelen van het standaardzaaiwiel op het fijnzaaiwiel of het bonenzaaiwiel en omgekeerd; na het instellen van de bodemkleppen; afsluitschuiven; na het in- resp. uitschakelen van de roeras. Herhaal de afdraaiproef na ca. 2 ha. VOORZICHTIG Schakel de motor van de tractor uit, trek de handrem aan en verwijder de contactsleutel. 1. Vul de zaadkast voor ten minste 1/3 (bij fijne zaden overeenkomstig minder) met zaaigoed (zie hoofdstuk "Zaadkast vullen", op pagina 100). 2. Trek de hendel met veerbelasting (Afb. 115/1) zijwaarts uit de arretering. Afb. 115 D9 BAH0007.3 08.10 101

Instellingen 3. Laat de trechterrail (Afb. 116/1) zakken. 4. Trek de afdraaigoten (Afb. 117) naar boven uit de steunen. Afb. 116 5. Leg de afdraaigoten (Afb. 118) op de trechterrail. Afb. 117 Afb. 118 De rijpadenteller mag tijdens de afdraaiproef niet "0" aanwijzen op het display van ; op het display van ; in het venster van de schakelkast. Bij weergave "0" wordt geen zaaigoed door de rijpadzaaiwielen getransporteerd. 102 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen Alleen zaaimachines met schakelkast: 6. Trek eenmaal aan de bedieningshefboom (Afb. 119/1) als de schakelkast "0" (Afb. 119/2) aangeeft. 7. Draai de arreteerknop (Afb. 120/1) los. 8. Raadpleeg de tabel (Afb. 121, hieronder) voor de instelwaarde van de aandrijving voor de eerste afdraaiproef. 9. Zet de wijzer (Afb. 120/2) van de instelhendel van onderaf op de instelwaarde van de aandrijving. 10. Draai de arreteerknop vast. Afb. 119 Afb. 120 Instelwaarden van de aandrijving voor de eerste afdraaiproef Uitzaaien met standaardzaaiwielen: stand van de aandrijving "50" Uitzaaien met fijnzaaiwielen: stand van de aandrijving "15" Uitzaaien met bonenzaaiwielen: stand van de aandrijving "50" Afb. 121 D9 BAH0007.3 08.10 103

Instellingen Instellen van de instelhendel bij zaaimachines met hydr. afstandsinstelling zaadhoeveelheid (zie hoofdstuk 8.7.1, op pagina 107); bij zaaimachines met en elektr. instelling zaadhoeveelheid (zie bedieningshandleiding ). 11. Pak de afdraaislinger (Afb. 122/1) uit de houder onder de zaadkast. 12. Licht de zaaimachine met de tractor zo ver op, dat de wielen vrij kunnen draaien. 13. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 14. Steek de afdraaislinger (Afb. 123/1) in het kokerprofiel van het rechterwiel. Afb. 122 15. Verdraai het zaaimachinewiel, totdat het zaaigoed uit alle zaaihuizen in de afdraaigoten (Afb. 124/1) valt. 16. Vul de afdraaigoten door verdraaien van de afdraaislinger tweemaal (bij fijnzaad zijn ca. 200 slingeromwentelingen voldoende). Afb. 123 Het draaien komt overeen met de werking op het veld. Afb. 124 104 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 17. Maak de afdraaigoten in de zaadkast leeg en plaats ze weer op de trechterrails. 18. Draai het rechter zaaimachinewiel (Afb. 125) met het in de tabel (Afb. 126) aangegeven aantal omwentelingen rechtsom 1). 1) Bij zaaimachines met en elektronische instelling hoeveelheid uitgezaaid zaad, zie bedieningshandleiding. Afb. 125 Het aantal slingeromwentelingen van het wiel richt zich naar de bandenmaat van de zaaimachine (Afb. 126/1); de werkbreedte van de zaaimachine Afb. 126/2). Het aantal wielomwentelingen (Afb. 126/3) heeft betrekking op een oppervlakte van 1/40 ha (250 m 2 ) resp. 1/10 ha (1000 m 2 ). Gebruikelijk is de afdraaiproef voor 1/40 ha. Bij zeer kleine uitzaaihoeveelheden, bv. bij koolzaad, wordt aanbevolen de afdraaiproef voor 1/10 ha uit te voeren. Afb. 126 D9 BAH0007.3 08.10 105

Instellingen 19. Weeg de in de afdraaigoot opgevangen hoeveelheid zaaigoed (houd rekening met het gewicht van de bak) en vermenigvuldig deze met factor "40" (bij 1/40 ha) of met factor "10" (bij 1/10 ha). Controleer de nauwkeurigheid van de weegschaal. Afb. 127 Afdraaien op 1/40 ha: Hoeveelheid uit te zaaien zaad [kg/ha] = afgedraaide hoeveelheid zaaigoed [kg/ha] x 40 Afdraaien op 1/10 ha: Hoeveelheid uit te zaaien zaad [kg/ha] = afgedraaide hoeveelheid zaaigoed [kg/ha] x 10 Voorbeeld: Afgedraaide hoeveelheid zaaigoed: 3,2 kg op 1/40 ha Hoeveelheid uit te zaaien zaad [kg/ha] = 3,2 [kg/ha] x 40 = 128 [kg/ha] Met de eerste afdraaiproef wordt de gewenste uit te zaaien hoeveelheid zaad doorgaans niet bereikt. Met de waarden van de eerste afdraaiproef en de berekende uit te zaaien hoeveelheid zaad kan de juiste stand van de aandrijving met behulp van de rekenschijf worden bepaald (zie hoofdstuk "Bepaling van de stand van de aandrijving met behulp van de rekenschijf", op pagina 109). 106 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 20. Herhaal de afdraaiproef tot het bereiken van de gewenste hoeveelheid uit te zaaien zaad. 21. Bevestig de afdraaigoten aan de zaadkast (zie Afb. 128). 22. Schuif de trechterrail naar boven en vergrendel deze. 23. Steek de afdraaislinger in de transporthouder. Afb. 128 8.7.1 Hydr. afstandsinstelling zaadhoeveelheid instellen WAARSCHUWING Stuur personen weg uit het bereik van de instelling van Varioaandrijving, zaaischijfdruk en exactegdruk. Normale hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen 1. Zet stuurventiel 2 in de zweefstand. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Draai de arreteerknop (Afb. 129/1) los. 4. Raadpleeg de tabel (Afb. 121, op pagina 103) voor de instelwaarde van de aandrijving. 5. Zet de wijzer (Afb. 129/2) van de instelhendel van onderaf op de instelwaarde van de aandrijving. 6. Draai de arreteerknop vast. 7. Bepaal de vereiste stand van de aandrijving voor de gewenste hoeveelheid uit te zaaien zaad (zie hoofdstuk "Hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen met afdraaiproef", op pagina 101). Afb. 129 D9 BAH0007.3 08.10 107

Instellingen Grotere hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen 1. Bedien regeleenheid 2. Zet de hydraulische cilinder onder druk. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Zet met de stelschroef (Afb. 130/1) de wijzer (Afb. 130/2) van de instelhendel op de gewenste stand van de aandrijving voor de grotere hoeveelheid uit te zaaien zaad. Stelschroef (Afb. 130/1) eruit draaien: de hoeveelheid uit te zaaien zaad wordt groter. Stelschroef (Afb. 130/1) erin draaien: de hoeveelheid uit te zaaien zaad wordt kleiner. Afb. 130 4. Bepaal de grotere hoeveelheid uit te zaaien zaad met een afdraaiproef (zie hoofdstuk "Hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen met afdraaiproef", op pagina 101). 5. Zet stuurventiel 2 in de zweefstand. Grotere hoeveelheid uit te zaaien zaad uitschakelen Bij bediening van stuurventiel 2 moeten de zaaischijfdruk en de exactegdruk worden verhoogd, maar niet de hoeveelheid uit te zaaien zaad. Draai hiervoor de stelschroef (Afb. 131/1) helemaal erin (zie hoofdstuk "Hydr. afstandsinstelling zaadhoeveelheid instellen", hierboven). Afb. 131 108 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 8.7.2 Bepaling van de stand van de aandrijving met behulp van de rekenschijf Voorbeeld: Waarden van de afdraaiproef Berekende hoeveelheid uit te zaaien zaad: 175 kg/ha Stand van de aandrijving: 70 Gewenste hoeveelheid uit te zaaien zaad: 125 kg/ha. 1. De waarden van de afdraaiproef berekende hoeveelheid uit te zaaien zaad 175 kg/ha (Afb. 132/A) stand van de aandrijving 70 (Afb. 132/B) op de rekenschijf tegenover elkaar zetten. 2. Lees de stand van de aandrijving voor de gewenste hoeveelheid uit te zaaien zaad van 125 kg/ha (Afb. 132/C) van de rekenschijf aflezen. stand van de aandrijving 50 (Afb. 132/D). 3. Zet de instelhendel op de afgelezen waarde. 4. Controleer de stand van de aandrijving met een afdraaiproef (zie hoofdstuk "Hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen met afdraaiproef", op pagina 101). Afb. 132 8.8 Instellen van de markeurs GEVAAR Het is verboden om zich binnen het zwenkbereik van de markeurs te bevinden. Voer de instellingen voor de markeurs alleen uit als de handrem is aangetrokken, de motor is uitgezet en de contactsleutel is verwijderd. 1. Zet de machine op het veld. 2. Zet de markeurs van de D9-40 Super loodrecht (zie hoofdstuk "Transport", op pagina 129). 3. Ontgrendel beide markeurs (zie hoofdstuk "Transportbeveiliging van de markeurs" op pagina 133). 4. Stuur iedereen uit de gevarenzone van de machine. 5. Bedien regeleenheid 1. Laten zakken van een markeur. 6. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. D9 BAH0007.3 08.10 109

Instellingen 7. Draai de beide schroeven (Afb. 133/1) los. 8. Stel de lengte van de markeur in op lengte "A" (zie tabel "Afb. 135", op pagina 111). 9. Verdraai de markeurschijf om de arbeidsintensiteit van de markeurs zodanig in te stellen dat zij op een lichte grond vrijwel parallel aan de rijrichting en op een zware grond meer op grip zijn ingesteld. 10. Draai de bouten (Afb. 133/1) vast. 11. Herhaal dit voor de tweede markeur. Afb. 133 Alleen zaaimachines met schakelautomaat: 12. Begrens de werkdiepte van de markeurschijven op ca. 5 cm diepgang door het omzetten van de ketting (Afb. 134). 13. Borg de ketting met een lunspen (Afb. 134/1). 14. Herhaal dit voor de tweede markeur. Afb. 134 110 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen Werkbreedte Afstand "A" 1) 2,50 m 2,50 m 3,0 m 3,0 m 4,0 m 4,0 m 1) Afstand van het midden van de machine tot het verticale vlak van de markeurschijf. Afb. 135 8.9 Bandzaadschoen aan de WS-zaaischijf bevestigen Bevestig de bandzaadschoen (Afb. 136/1) met een pen aan de WS-zaaischijf en borg deze met een lunspen. Afb. 136 D9 BAH0007.3 08.10 111

Instellingen 8.10 Zaaischijfdruk instellen Controleer de diepte waar het zaaigoed terechtkomt na elke instelling (zie hoofdstuk "Zaaigoeddiepte controleren", op pagina 115). 8.10.1 Centrale zaaischijfdrukinstelling 1. Steek de afdraaislinger (Afb. 137) op de stelspil en stel de zaaischijfdruk in. Verdraaiing van de afdraaislinger linksom zorgt voor een vlakkere positionering van het zaaigoed; rechtsom zorgt voor een diepere positionering van het zaaigoed. 2. Steek de afdraaislinger in de transporthouder. Afb. 137 8.10.2 Hydr. zaaischijfinstelling WAARSCHUWING Stuur personen weg uit de gevarenzone van Vario-aandrijving, zaaischijven en exacteg. Normale zaaischijfdruk instellen 1. Bedien stuurventiel 2. Zet de hydraulische cilinder onder druk. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Steek de pen (Afb. 138/1) onder de aanslag (Afb. 138/3) in een boring van de gatenplaat en borg deze met een lunspen (Afb. 138/2). Elke boring is gemarkeerd met een getal. Hoe hoger het getal bij de boring waarin de pen wordt gestoken, des te groter is de zaaischijfdruk resp. de diepte waar het zaaigoed terechtkomt. Afb. 138 4. Zet stuurventiel 2 in de zweefstand. 112 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen Grotere zaaischijfdruk instellen 1. Zet stuurventiel 2 in de zweefstand. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Steek de pen (Afb. 139/1) boven de aanslag (Afb. 139/3) in een boring van de gatenplaat en borg deze met een lunspen (Afb. 139/2). Afb. 139 8.10.3 Buitenste zaaischijf instellen 1. Zet de zaaimachine op het land in de werkstand. 2. Draai de moeren (Afb. 140/1) los. 3. Stel de zaaigoeddiepte van de buitenste zaaischijf (Afb. 140/3) door verdraaien van de zaaischijfaanslag(afb. 140/2) in. 4. Draai de moeren goed vast. 5. Herhaal dit voor de buitenste zaaischijf. Afb. 140 D9 BAH0007.3 08.10 113

Instellingen 8.10.4 Kunststof RoTeC-schijven instellen Kan de gewenste diepte voor het zaaigoed zoals beschreven in hoofdstuk 8.10, op pagina 112, niet worden bereikt, stel dan de kunststof RoTeC-schijven in volgens de tabel (Afb. 141). Elke kunststof schijf kan in drie standen aan de RoTeC-zaaischijf worden vergrendeld of van de RoTeC-zaaischijf worden verwijderd. Stel de diepte voor het zaaigoed aansluitend nogmaals in overeenkomstig hoofdstuk 8.10, op pagina 112. Deze instelling is van invloed op de diepte van het zaaigoed. De diepte van het zaaigoed moet na elke afstelling worden gecontroleerd. Afb. 141 1 Grendelstand 1 Zaaigoeddiepte ca. 2 cm 2 Grendelstand 2 Zaaigoeddiepte ca. 3 cm 3 Grendelstand 3 Zaaigoeddiepte ca. 4 cm 4 Zaaigoed zonder kunststof schijf Zaaigoeddiepte > 4 cm Grendelstand 1 tot 3 1. Vergrendel de handgreep (Afb. 142/1) in een van de 3 standen. Afb. 142 114 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen Zaaigoed zonder kunststof schijf 1. Draai de greep over de vergrendeling (Afb. 143/1) en trek de kunststof schijf van de RoTeC-zaaischijf. Afb. 143 Monteer de kunststof RoTeC-schijf Bevestig de kunststof RoTeC-schijf met de aanduiding "K aan de korte zaaischijf; "L aan de lange zaaischijf. 1. Druk de kunststof schijf van onderaf tegen de afsluiting van de RoTeC-zaaischijf. De aanslag moet in de gleuf grijpen. 2. Trek de greep omlaag en over de arretering naar boven. Door een tik op het midden van de schijf vergrendelt deze makkelijker. 8.10.5 Zaaigoeddiepte controleren Controleer de zaaigoeddiepte: na elke instelling van de buitenste zaaischijf; na elke instelling van de zaaischijfdruk; na elke instelling van de kunststof RoTeC-schijven; bij de overgang van lichte grond naar zware grond en omgekeerd. Zaaigoeddiepte controleren: 1. Zaai ca. 30 m met werksnelheid. 2. Leg het zaaigoed op meerdere plaatsen bloot, inclusief het bereik van de buitenste zaaischijven. 3. Controleer de diepte waar het zaaigoed terecht is gekomen. D9 BAH0007.3 08.10 115

Instellingen 8.11 Zaaimachine-sporenwissers (optioneel) instellen 1. Schroef de bout (Afb. 144/1) los. 2. Stel de zaaimachine-sporenwissers in en schroef de bout weer vast. 3. Borg de bout met behulp van de contramoer. Afb. 144 8.12 Tractor-sporenwisser (optioneel) instellen De tractor-sporenwisser alleen op het veld in de werkstand zetten en na het werk helemaal bovenaan vastmaken. Anders bestaat het gevaar dat de tractor-sporenwisser bij het laten zakken van de machine wordt beschadigd. GEVAAR Vóór het instellen van de tractor-sporenwisser moet de handrem worden aangetrokken, de motor van de tractor worden afgezet en de contactsleutel worden verwijderd. Tractor-sporenwisser, beweegbaar gelagerd 1. Draai de contramoer en de skt.-bout (Afb. 145/1) los. 2. Stel de tractor-sporenwisser horizontaal en verticaal in. 3. Draai twee moeren (Afb. 145/2) los (voor het wegdraaien van de tractorsporenwissers). 4. Draai de tractor-sporenwisser weg. 5. Draai de moeren goed vast. 6. Draai de skt.-bout goed aan en borg deze met de contramoer. Afb. 145 De borgbout (Afb. 145/3) voorkomt, dat de sporenwisser verloren gaat als de bevestigingsbout losgaat. 116 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen De beste egalisering van het tractorspoor wordt bereikt, als de tractor-sporenwissers het tractorspoor met de naast het spoor liggende losse grond vullen. Afb. 146 Tractor-sporenwisser, verstevigd Tractor-sporenwisser horizontaal instellen: 1. Houd de sporenwisser aan de handgreep (Afb. 147/1) vast. 2. Draai de bouten (Afb. 147/2) los en stel de sporenwisser in horizontale richting in. 3. Draai de bouten (Afb. 147/2) stevig aan. Tractor-sporenwisser verticaal instellen: 1. Houd de sporenwisser aan de handgreep (Afb. 147/1) vast. 2. Draai de bout (Afb. 147/3) los en stel de sporenwisser in verticale richting in. Afb. 147 3. Borg de bout (Afb. 147/3) na de instelling met een lunspen. D9 BAH0007.3 08.10 117

Instellingen 8.13 Exacteg instellen Controleer het arbeidsresultaat na elke instelling van de exacteg. 8.13.1 Veertanden instellen 1. Breng de machine op het land in de werkstand. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Draai de contramoer van de topstang los. 4. Stel de veertanden in door verstellen van de topstang (Afb. 148/1) waarmee de zaaimachine aan de tractor resp. aan de grondbewerkingsmachine is bevestigd (zie Afb. 149). 5. Draai de contramoer vast. Afb. 148 Een geringe neiging van de zaaimachine naar voren of naar achteren is niet van invloed op de hoeveelheid uit te zaaien zaad. De veertanden van de exacteg moeten: plat op de grond liggen en 5-8 cm vrij van de grond zitten. De afstand tussen het frame van de exacteg en de grond bedraagt dan tussen 230 en 280 mm. Afb. 149 118 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 8.13.2 Exactegdruk instellen 1. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 2. Span de hefboom (Afb. 150/1) met de afdraaislinger. 3. Steek de pen (Afb. 150/2) in een gat onder de hefboom. 4. Ontspan de hefboom. 5. Borg de pen met een lunspen. 6. Stel alle stelsegmenten op dezelfde wijze in. Afb. 150 8.13.3 Exactegdruk, hydr. instellen Normale exactegdruk instellen 1. Bedien stuurventiel 2. Zet de hydraulische cilinder onder druk. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Steek de pen (Afb. 151/1) in een boring onder de hefboom (Afb. 151/2) en borg deze met een lunspen. 4. Zet stuurventiel 2 in de zweefstand. WAARSCHUWING Stuur personen weg uit de gevarenzone van Vario-aandrijving, zaaischijven en exacteg. Afb. 151 Hogere exactegdruk instellen 1. Zet stuurventiel 2 in de zweefstand. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Steek de tweede pen (Afb. 151/3) in een boring boven de hefboom (Afb. 151/2) en borg deze met een lunspen. D9 BAH0007.3 08.10 119

Instellingen 8.14 Schakelritme rijpaden instellen Alleen en : Stel het schakelritme rijpaden in zoals in de bedieningshandleidingen resp. staat beschreven. Alleen schakelkast: Voor het instellen van een ander schakelritme rijpaden moeten het verdeelrad (Afb. 152/1) en het indicatiewiel (Afb. 152/2) in de schakelkast worden aangepast resp. vervangen. Afb. 152 Zaaiwiel-rijpadenschakeling uitschakelen (alleen schakelkast) Bij bediening van stuurventiel 1 moeten de functies van de markeurs worden uitgevoerd, maar niet die van de zaaiwiel-rijpadenschakeling en het rijpadmarkeerapparaat. 1. Zet stuurventiel 1 in de zweefstand. 2. Trek aan de bedieningshefboom (Afb. 153/1) van de schakelkast, als het getal in het venster (Afb. 153/2) van de schakelkast "0" is. 3. Draai de klembout (Afb. 153/A) los, schuif deze in het langgat naar beneden en draai deze stevig aan (zie Afb. 153/B). De schakelkast is geblokkeerd en mag bij het trekken aan de bedieningshefboom niet verder schakelen. Afb. 153 Het getal in het venster (Afb. 153/2) van de schakelkast mag niet "0" zijn. In de "0"-stand worden steeds rijpaden aangelegd bij uitgeschakelde zaaiwiel-rijpadenschakeling. 120 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 8.15 Linker zaaiashelft uitschakelen 1. De veerdrukbelaste zaaiaskoppeling naar links tegen de veer drukken en in pijlrichting verdraaien. zaaias aangedreven (siehe Afb. 154) linker zaaias aan één kant uitgeschakeld (zie Afb. 155). 2. De afsluitschuiven van de rijpadzaaiwielen op de linker zaaiashelft sluiten. Afb. 154 Afb. 155 D9 BAH0007.3 08.10 121

Instellingen 8.16 Rijpadmarkeerapparaat instellen 1. Verwijder de pen (Afb. 156/1). De pen is met een lunspen geborgd. 2. Draai beide dragers van de spoorschijf hand omlaag. Afb. 156 Afb. 157 3. Stuur iedereen uit de gevarenzone weg. 4. Zet de rijpadenteller op "nul". GEVAAR Stuur personen weg uit de gevarenzone van markeur, schakelkast en rijpadmarkeerapparaat. 122 D9 BAH0007.3 08.10

Instellingen 5. Laat de spoorschijven zakken met regeleenheid 1. 6. Trek de handrem aan, zet de motor af en verwijder de contactsleutel. 7. Draai de bout (Afb. 158/1) los. 8. Stel de spoorschijf zodanig in, dat deze het door de rijpadenzaaischijven aangelegde rijpad markeert. 9. Pas de arbeidsintensiteit door verdraaien van de schijven aan de bodem aan. Zet de schijven voor lichte grond ongeveer parallel aan de rijrichting en voor zware grond meer op grip. 10. Draai de bout (Afb. 158/1) stevig aan. 11. Stel de tweede spoorschijf op dezelfde wijze in. 12. Kort de uit de spoorschijfhouders stekende buizen (Afb. 159/1) in om de trede van de laadrand zonder risico te kunnen betreden. Afb. 158 Afb. 159 Bij werkzaamheden met rijpadenschakelritme 2 en 6 plus (zie ook hoofdstuk 5.15.3, op pagina 77) monteert u slechts een van de beide markeurschijven. De spoorbreedte van de onderhoudstractor wordt door het heen- en terugrijden op het land gemarkeerd. D9 BAH0007.3 08.10 123

Transport 9 Transport Op de openbare weg moeten tractor en machine voldoen aan de nationale verkeersvoorschriften (in Duitsland de StVZO en StVO) en de voorschriften ter voorkoming van ongevallen (in Duitsland de voorschriften van de wettelijke ongevallenverzekering). Eigenaars en bestuurders van voertuigen zijn verantwoordelijk voor het nakomen van de wettelijke voorschriften. Daarnaast moeten de instructies in dit hoofdstuk voor en tijdens de rit worden opgevolgd. Neem bij transport de aanwijzingen uit het hoofdstuk "Veiligheidsinstructies voor de chauffeur", op pagina 27 in acht. Controleer voor transport of voedingskabels correct zijn aangebracht of de verlichting werkt, schadevrij en schoon is WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken of stoten door onvoldoende stabiliteit en omkantelen! Houd een rijstijl aan waarbij u de tractor met aan- of afgekoppelde machine op elk moment onder controle heeft. Houd daarbij rekening met uw persoonlijke capaciteiten, de omstandigheden op de weg, van het verkeer, uw zicht, het weer en de rijeigenschappen van de tractor en de invloed van de aangebouwde of aangekoppelde machine. Zet voor transport de vergrendeling van de trekstangen van de tractor aan de zijkant vast, zodat de aangebouwde of aangekoppelde machine niet kan gaan slingeren. 124 D9 BAH0007.3 08.10

Transport WAARSCHUWING Het negeren van de gebruiksvoorschriften kan leiden tot gevaar voor breuk, onvoldoende stabiliteit en onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Deze gevaren veroorzaken zwaar lichamelijk letsel met mogelijk dodelijke afloop. Houd rekening met de maximale belading van de aangebouwde/aangekoppelde machine en de toelaatbare asbelasting en oplegdruk van de tractor! Rijd indien nodig met een gedeeltelijk gevulde tank. WAARSCHUWING Het zonder toestemming meerijden op de machine kan ertoe leiden dat de machine omkantelt! Het is verboden om personen mee te laten rijden op de machine en/of op rijdende machines te laten stappen. Stuur personen van het laadterrein voordat u met de machine gaat rijden. WAARSCHUWING Gevaar voor steekletsel bij andere verkeersdeelnemers tijdens transport door naar achteren gerichte, niet afgedekte, scherpe veertanden van de exacteg aan het middelste deel van de machine! Transportritten zonder correct gemonteerde beschermstrip voor de verkeersveiligheid zijn verboden. WAARSCHUWING Gevaar voor steekwonden bij transport met uitgetrokken buitenste toestrijkers! Uitgetrokken buitenste toestrijkers steken tijdens transport naar de zijkant en brengen andere verkeersdeelnemers in gevaar. Bovendien wordt de toelaatbare transportbreedte van 3 meter overschreden. Schuif de buitenste toestrijkers in de hoofdbuis van de exacteg voordat u de machine gaat transporteren. D9 BAH0007.3 08.10 125

Transport 9.1 Zaaimachine in transportstand zetten 1. Zet de machine bv. op het veld. 2. Bedien stuurventiel 1. Klappe beide markeurs in. GEVAAR Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel! 3. Borg beide markeurs 3.1 Druk de markeur tegen de houder en zet de markeur vast met behulp van de borgpen (Afb. 160/1). Als de borgpen niet wordt gebruikt, moet deze in de boring (Afb. 160/2) worden gestoken (parkeerstand). 3.2 Herhaal de procedure bij de tweede markeur. Afb. 160 GEVAAR Borg de markeurs vóór het verlaten van het veld resp. bij rijden op de openbare weg. 4. Zet het rijpadmarkeeraparaat in transportstand. 4.1 Bevestig beide spoorschijfdragers (Afb. 161/1) aan de transporthouders (Afb. 161/2). 4.2 Borg de pen (Afb. 161/3) met lunspennen (Afb. 161/4). 4.3 Draai de bevestigingsbouten (Afb. 161/6) los. 4.4 Trek de spoorschijven (Afb. 161/5) uit de dragers (Afb. 161/1) en neem ze op een daartoe geschikte plaats mee. Afb. 161 126 D9 BAH0007.3 08.10

Transport 5. Zet de sporenwissers van de D9-30 in de transportstand. 5.1 Draai de twee ringmoeren (Afb. 162/1) los. 5. 2 Verwijder de sporenwisser (Afb. 162/2). Demonteer de tweede sporenwisser, zoals beschreven. Afb. 162 GEVAAR Demonteer de sporenwissers van de D9-30 voordat u de machine over de openbare weg vervoert. De toelaatbare transportbreedte van 3 m wordt anders overschreden. 6. Zet de exacteg van de D9-30 in transportstand. 6.1 Draai de bevestigingsbout los en schuif de buitenste toestrijker (Afb. 163/1) erin. 6.2 Draai de bevestigingsbout vast en schuif de tegenoverliggende buitenste toestrijker tot op transportbreedte (3,0 m) erin. 7. Schuif de tweedelige beschermstrip voor de verkeersveiligheid (Afb. 164/1) over de tandpunten van de exacteg. 8. Bevestig de beschermstrip voor de verkeersveiligheid met veerspanners (Afb. 164/2) aan de exacteg. Afb. 163 Afb. 164 D9 BAH0007.3 08.10 127

Transport 9. Schakel de resp. de (optioneel) uit. Afb. 165 10. Sluit het zaadkastdeksel. 11. Controleer of de verlichting werkt (zie hoofdstuk "Verkeerstechnische uitrusting", op pagina 42). 12. De waarschuwingsborden moeten schoon en onbeschadigd zijn. Vergrendel de regeleenheden van de tractor tijdens transport! Schakel de zwaailamp (indien aanwezig) voor het rijden in en controleer de werking (voor een zwaailamp is een vergunning nodig). Houd bij het nemen van bochten rekening met het uitzwaaien en overhellen van de machine. 128 D9 BAH0007.3 08.10

Transport 9.2 D9-40 Super transporteren GEVAAR De zaaimachine D9-40 Super mag uitsluitend op een transportvoertuig worden vervoerd; mag alleen met weggeklapte markeurs worden getransporteerd, zodat de max. transporthoogte niet wordt overschreden (zie hieronder). Markeurs van de D9-40 Super wegklappen: 1. Klap de markeurs naar de zijkant. 2. Bevestig de markeurs met de pen (Afb. 166/1) en borg ze met een lunspen. In werkstand is de markeur in de boring (Afb. 166/2) bevestigd en met een lunspen geborgd. 3. Verplaats de tweede markeur op dezelfde wijze. Afb. 166 D9 BAH0007.3 08.10 129

Werken met de machine 10 Werken met de machine Houd u bij het werken met de machine aan de aanwijzingen van hoofdstukken "Waarschuwingsstickers en andere tekens op de machine" vanaf op pagina 17 en "Veiligheidsinstructies voor de chauffeur", op pagina 25. Het opvolgen van deze aanwijzingen is voor uw eigen veiligheid. WAARSCHUWING Het negeren van de gebruiksvoorschriften kan leiden tot gevaar voor breuk, onvoldoende stabiliteit en onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Houd rekening met de maximale belading van de aangebouwde/aangekoppelde machine en de toelaatbare asbelasting en oplegdruk van de tractor! Rijd indien nodig met een gedeeltelijk gevulde tank. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, afsnijden, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten door onvoldoende stabiliteit en omkantelen van de tractor / gekoppelde machine! Houd een rijstijl aan waarbij u de tractor met aan- of afgekoppelde machine op elk moment onder controle heeft. Houd daarbij rekening met uw persoonlijke capaciteiten, de omstandigheden op de weg, van het verkeer, uw zicht, het weer en de rijeigenschappen van de tractor en de invloed van de aangebouwde of aangekoppelde machine. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, naar binnen trekken en vastgrijpen bij gebruik van de machine zonder daartoe bestemde veiligheidsvoorzieningen! Stel de machine alleen in bedrijf als alle veiligheidsvoorzieningen zijn aangebracht. 130 D9 BAH0007.3 08.10

Werken met de machine 10.1 Machine voorbereiden voor gebruik Verwijder de beschermstrip voor de verkeersveiligheid 1. Maak de veerspanners (Afb. 167/2) los en verwijder de beschermstrips voor de verkeersveiligheid (Afb. 167/1). 2. Steek de beschermstrips (Afb. 168/1) in elkaar en bevestig ze aan de transporthouder (Afb. 168/2). Afb. 167 Afb. 168 D9 BAH0007.3 08.10 131

Werken met de machine 3. Bevestig de sporenwissers (Afb. 169/1) met behulp van twee ringmoeren (Afb. 169/2) aan de machine. 4. Draai de bout los en schuif de buitenste toestrijker (Afb. 170/1) naar buiten. 5. Draai de bout vast. 6. Herhaal dit voor de tweede buitenste toestrijker. Afb. 169 Afb. 170 De zaaischijven van de zaaimachine drukken de grond, afhankelijk van rijsnelheid en bodemgesteldheid, met een bepaalde afstand naar buiten. Verschuif de buitenste toestrijker bij hogere rijsnelheid verder naar buiten. Stel de buitenste toestrijkers zodanig in, dat de grond wordt teruggevoerd en een sporenvrij zaadbed ontstaat. Controleer de instellingen voordat met het werk wordt begonnen. 132 D9 BAH0007.3 08.10

Werken met de machine Transportbeveiliging van de markeurs GEVAAR Borg de markeurs vóór het verlaten van het veld resp. bij rijden op de openbare weg. Druk de markeur tegen de steun en bevestig deze met een lunspen (Afb. 171/1). Als de lunspen niet wordt gebruikt, moet deze in de boring (Afb. 171/2) worden gestoken (parkeerstand). Afb. 171 Rijpadenteller instellen 1. Zoek de stand van de rijpadenteller voor de eerste rit in de tabel op (Afb. 83, op pagina 75). 2. Stel direct vóór de eerste rit op het veld de juiste stand van de rijpadenteller in. Alleen en : Stel de rijpadenteller in zoals in de bedieningshandleidingen resp. staat beschreven. Alleen schakelkast: 3. Trek meermaals aan de kabel (Afb. 172/1), totdat het juiste getal in het venster (Afb. 172/2) van de schakelkast verschijnt. VOORZICHTIG Bedien de bedieningshefboom uitsluitend via de kabel in de tractorcabine. Afb. 172 D9 BAH0007.3 08.10 133

Werken met de machine 10.2 Beginnen met zaaien 1. Zet de machine op de kopakker in de werkstand. 2. Controleer het schakelritme voor de rijpaden. 3. Stuur iedereen uit de gevarenzone weg. 4. Bedien regeleenheid 1. Laat de actieve markeur zakken. Schakel de zaaiwiel-rijpadenschakeling verder. Alleen bij rijpadindicatie "0": aanleggen van de rijpaden; laten zakken van het rijpadmarkeerapparaat. 5. Controleer de rijpadenteller; indien nodig corrigeren. 6. Begin te rijden. 7. Na 30 m controleren en indien nodig corrigeren: de diepte waar het zaaigoed terechtkomt (zie hoofdstuk "Zaaigoeddiepte controleren", op pagina 115); de arbeidsintensiteit van de exact- /sleeptandeg. Afb. 173 WAARSCHUWING Bedien de regeleenheden van de tractor uitsluitend in de cabine van de tractor. Controleer, of de juiste rijpadenteller wordt aangegeven. 134 D9 BAH0007.3 08.10

Werken met de machine 10.3 Tijdens het werk Controleer de rijpadenteller na elke keer ongepland klappen van de markeurs, bv. vóór een obstakel. Ontsmet zaaigoed is zeer giftig voor vogels! Het zaaigoed moet volledig zijn ondergewerkt of met grond bedekt zijn. Voorkom dat er bij het heffen van de zaaischijven nog zaaigoed naar buiten loopt. Verwijder gemorst zaaigoed direct! 10.4 Keren op de kopakker 1. Bedien regeleenheid 1. Oplichten van de actieve markeur. Verder schakelen van de rijpadenteller. 2. Bedien de regeleenheid voor der trekstangen van de tractor. Oplichten van de zaaimachine. 3. Keren met de machine. Afb. 174 De zaaischijf en de eg mogen bij het keren de grond niet raken. 4. Bedien de regeleenheid voor der trekstangen van de tractor. Laten zakken van de zaaimachine. 5. Bedien regeleenheid 1 tenminste 5 seconden, zodat alle hydraulische functies volledig worden uitgevoerd. Laten zakken van de actieve markeur. Alleen in schakelstand "0": Onderbreking van de aandrijving van de overbrengingsas (rijpaden). Laten zakken van de spoorschijven van het rijpadmarkeerapparaat. 6. Begin van de rit over het veld. D9 BAH0007.3 08.10 135

Werken met de machine 10.5 Zaadkast en zaaihuis leegmaken 1. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 2. Plaats de afdraaigoten op de trechterrails (zie hoofdstuk "Hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen met afdraaiproef", op pagina 101). Afb. 175 3. Plaats de bodemklephendel in gat 1 (zie hoofdstuk "Bodemkleppen", op pagina 98). 4. Open alle afsluitschuiven (zie hoofdstuk "Afsluitschuiven instellen", op pagina 97). 5. Open de bodemkleppen. Het zaaigoed stroomt in de afdraaigoten. 6. Zet de bodemklephendel in gat 1, zodra de afdraaigoten zijn gevuld. 7. Maak de afdraaigoten leeg. Afb. 176 GEVAAR Adem het giftige stof van ontsmettingsmiddel niet in en laat het niet in contact komen met het lichaam. Bij het leegmaken van de zaadkast en het zaaihuis resp. bij het verwijderen van ontsmettingsmiddelstof, bv. met perslucht, moet een beschermend pak, veiligheidsmasker, veiligheidsbril en handschoenen worden gedragen. 8. Herhaal dit, totdat de zaadkast en het zaaihuis leeg zijn. 9. Verdraai het zaaimachinewiel zoals bij de afdraaiproef (zie hoofdstuk "Hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen met afdraaiproef", op pagina 101), totdat de doseerwielen volledig leeg zijn. 10. Arreteer de bodemklephendel in gat 8. 11. Bevestig de afdraaigoten aan de zaadkast. 12. Schuif de trechterrails naar boven totdat ze vastklikken. 136 D9 BAH0007.3 08.10

Werken met de machine Open de bodemkleppen als de zaaimachine langere tijd niet wordt gebruikt. Bij gesloten bodemkleppen bestaat het gevaar dat muizen proberen in de zaadkast te komen, omdat het ook in een lege zaadkast naar graan ruikt. Bij gesloten bodemkleppen vreten de dieren wellicht de bodemkleppen aan. 10.6 Na het zaaien Zet de machine na het werk in de transportstand (zie hoofdstuk "Transport", op pagina 124). D9 BAH0007.3 08.10 137

Storingen 11 Storingen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, scharen, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten door onbedoeld zakken van de door de driepuntshydraulica van de tractor opgeheven machine. onbedoeld zakken van opgeheven, onbeveiligde onderdelen van de machine. onbedoeld starten en wegrollen van de tractor/machine combinatie. Beveilig tractor en machine tegen onbedoeld starten en wegrollen voordat u storingen aan de machine verhelpt. Zie hoofdstuk 6.2, op pagina 85. Wacht tot de machine stilstaat voordat u in de gevarenzone van de machine komt. 11.1 Wegklappen van een markeurarm Komt de markeur van de D9 Super bij een vast obstakel, dan breekt een bout (Afb. 177/1) af en klapt de markeur naar achteren. Gebruik als vervanging uitsluitend bouten M6 x 90 met sterkte 8.8 (zie online-onderdelenlijst). Afb. 177 138 D9 BAH0007.3 08.10

Storingen 11.2 Verschil tussen de ingestelde en daadwerkelijke hoeveelheid uitgezaaid zaad Constateert u verschillen tussen de ingestelde hoeveelheid uitgezaaid zaad bij de afdraaiproef en de daadwerkelijke hoeveelheid uitgezaaid zaad op het veld, lees dan het onderstaande: Bij nieuwe machines verandert het oppervlak van het zaaihuis, de bodemkleppen en de zaaiwielen door afzettingen van ontsmettingsmiddelen. Hierdoor kan het zaaigoed anders stromen en de hoeveelheid uitgezaaid zaad veranderen. Na twee tot drie zaadkastvullingen hebben de ontsmettingsmiddelen zich afgezet en ontstaat er een evenwichtstoestand. De hoeveelheid uitgezaaid zaad verandert dan niet meer. Bij het zaaien van nat ontsmet zaad kunnen er verschillen ontstaan tussen ingestelde en daadwerkelijke hoeveelheid uitgezaaid zaad als de tijd tussen ontsmetting en zaaien minder is dan 1 week (aanbevolen wordt een periode van 2 weken). Bij verkeerd ingestelde bodemkleppen kan een ongecontroleerde uitstroom van zaaigoed (extra hoeveelheid) tijdens het uitzaaien ontstaan. De basisafstelling van de bodemkleppen moet daarom elk halfjaar resp. vóór elke zaaiperiode worden gecontroleerd (zie hoofdstuk "Basisafstelling bodemkleppen", op pagina 145). De slip van het zaaimachinewiel kan tijdens het werk veranderen, bijvoorbeeld bij de overgang van lichte grond naar zware grond. Dan moet het aantal slingeromwentelingen van het wiel ter bepaling van de stand van de aandrijving opnieuw worden vastgelegd. Hiervoor moet op het veld 250 m 2 worden afgemeten. Dit betekent bij een machine met: 2,50 m werkbreedte = 100,0 m af te leggen afstand 3,00 m werkbreedte = 83,3 m af te leggen afstand 4,00 m werkbreedte = 62,5 m af te leggen afstand 4,50 m werkbreedte = 55,5 m af te leggen afstand 6,00 m werkbreedte = 41,7 m af te leggen afstand Tel het aantal wielomwentelingen bij het rijden van de meetafstand. Voer een afdraaiproef uit met het bepaalde aantal wielomwentelingen (zie hoofdstuk "Hoeveelheid uit te zaaien zaad instellen met afdraaiproef", op pagina 101). D9 BAH0007.3 08.10 139

Reinigen, service en onderhoud 12 Reinigen, service en onderhoud WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, scharen, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten door onbedoeld zakken van de door de driepuntshydraulica van de tractor opgeheven machine. onbedoeld zakken van opgeheven, onbeveiligde onderdelen van de machine. onbedoeld starten en wegrollen van de tractor/machine combinatie. Beveilig de tractor en de machine tegen onbedoeld starten en wegrollen voordat u reinigings-, service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. Zie ook op pagina 85. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, scharen, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken en vastgrijpen door gevaarlijke plaatsen die niet beveiligd zijn! Monteer de veiligheidsvoorzieningen die u vóór de reinigings-, service en onderhoudswerkzaamheden heeft verwijderd. Vervang defecte veiligheidsvoorzieningen door nieuwe. Ga nooit onder een opgelichte, niet-beveiligde machine. 12.1 Reinigen Bewaak de hydrauliekslangen zeer zorgvuldig. Behandel hydrauliekslangen nooit met benzine, benzeen, petroleum of minerale oliën. Smeer de machine na het reinigen, vooral na het reinigen met een hogedrukreiniger/stoomstraal of vetoplosbare middelen. Neem de wettelijke voorschriften voor het gebruiken en opruimen van reinigingsmiddelen in acht. GEVAAR Adem het giftige stof van ontsmettingsmiddel niet in en laat het niet in contact komen met het lichaam. Bij het leegmaken van de zaadkast en het zaaihuis resp. bij het verwijderen van ontsmettingsmiddelstof, bv. met perslucht, moet een beschermend pak, veiligheidsmasker, veiligheidsbril en handschoenen worden gedragen. 140 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud Reinigen met hogedrukreiniger/stoomstraal U dient de volgende aanwijzingen bij het reinigen met een hogedrukreiniger/stoomstraal beslist op te volgen: Reinig geen elektrische onderdelen. Reinig geen verchroomde onderdelen. Richt de straal van de hogedrukreiniger of de stoomstraal nooit rechtstreeks op smeerpunten en lagers. Houd altijd een afstand van minimaal 300 mm tussen hogedrukreiniger/stoomstraal en machine aan. Neem de veiligheidsvoorschriften voor het gebruik van hogedrukreinigers in acht. 12.1.1 Machine reinigen 1. Maak de zaadkast en het zaaihuis leeg (zie hoofdstuk 10.5, op pagina 136). 2. Reinig de machine met water of een hogedrukreiniger. 12.1.2 Machine gedurende langere tijd wegzetten 1. Reinig de RoTeC-zaaischijven grondig en droog ze. 2. Bescherm de zaaischijven (Afb. 178) met een milieuvriendelijk anticorrosiemiddel tegen roest. Afb. 178 D9 BAH0007.3 08.10 141

Reinigen, service en onderhoud 12.2 Onderhoudsschema overzicht Voer de onderhoudswerkzaamheden uit zodra de eerste termijn is bereikt. Tijdsintervallen, draai-uren van de motor of service-intervallen van de eventueel bijgeleverde documenten van derden hebben voorrang. Voor de inbedrijfstelling Vakwerkplaats Hydrauliekslangen controleren en onderhouden. Hfdst. 12.8 Inspectie van de eigenaar noteren. Bandenspanning controleren Hfdst. 12.3 Oliepeil in de Vario-aandrijving controleren Hfdst. 12.4 Na de eerste 10 bedrijfsuren Vakwerkplaats Aanhaalkoppel van de wielmoeren controleren Hfdst. 12.4 Vakwerkplaats Hydrauliekslangen controleren en onderhouden. Hfdst. 12.8 Inspectie van de eigenaar noteren. Vakwerkplaats Onderhoud van de rollenkettingen Hfdst. 12.6 Elke dag na het werk Machine reinigen (indien nodig) Hfdst. 12.1 Elke week, doch uiterlijk na elke 50 bedrijfsuren Vakwerkplaats Hydrauliekslangen controleren en onderhouden. Hfdst. 12.8 De eigenaar dient deze inspectie te noteren. Elke 2 weken, doch uiterlijk na elke 100 bedrijfsuren Bandenspanning controleren Hfdst. 12.3 Oliepeil in de Vario-aandrijving controleren Hfdst. 12.4 Elke 6 maanden voor het seizoen Vakwerkplaats Hydrauliekslangen controleren en onderhouden. Hfdst. 12.8 De eigenaar dient deze inspectie te noteren. Vakwerkplaats Basisafstelling van de bodemkleppen Hfdst. 12.7 Elke 6 maanden na het seizoen Vakwerkplaats Onderhoud van de rollenkettingen Hfdst. 12.6 142 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud 12.3 Bandenspanning Banden 180/90-16 (6.00-16) Bandenspanning 1,2 bar 10.0/75-15 0,8 bar 31x15.50-15 - MITAS - 0,8 bar 12.4 Reparatiewerkzaamheden aan banden en wielen (vakwerkplaats) WAARSCHUWING Reparatiewerkzaamheden aan banden en wielen mogen uitsluitend worden uitgevoerd door specialisten met het juiste montagegereedschap. Controleer regelmatig de bandenspanning. Houd u aan de voorgeschreven bandenspanning! Een te hoge bandenspanning kan een explosie veroorzaken! Zet vóór werkzaamheden aan banden de machine veilig neer en zorg dat de machine niet onbedoeld kan zakken of wegrijden. U dient alle bevestigingsbouten en moeren volgens de instructies van AMAZONEN-WERKE aan te trekken resp. na te trekken! Wielmoer M12 x 1,5 Aanhaalkoppel 90 Nm Gebruik na het verwisselern van een band altijd nieuwe wielmoeren. D9 BAH0007.3 08.10 143

Reinigen, service en onderhoud 12.5 Oliepeil in de Vario-aandrijving controleren 1. Zet de machine op een horizontale ondergrond. 2. Controleer het oliepeil. Het oliepeil moet zichtbaar zijn in het kijkglas (Afb. 179/1). Het verversen van de olie is niet nodig. De olievulopening (Afb. 179/2) dient voor het vullen van de Vario-aandrijving. Raadpleeg de tabel (Afb. 180) om te zien welke olie nodig is. Afb. 179 Soorten hydraulische olie en vulhoeveelheid van de Vario-aandrijving Totale vulhoeveelheid Transmissieolie (naar keuze) 0,9 liter Wintershall Wintal UG22 WTL-HM (af fabriek) Fuchs Renolin MR5 VG22 Afb. 180 12.6 Rollenkettingen en kettingwielen Alle rollenkettingen na het seizoen reinigen (inclusief kettingwielen en kettingspanner); controleren; smeren met dunvloeibare minerale olie (SAE30 of SAE40). 144 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud 12.7 Basisafstelling bodemkleppen 1. Maak de zaadkast en het zaaihuis leeg (zie hoofdstuk "Zaadkast en zaaihuis leegmaken", op pagina 136). 2. Controleer of de bodemkleppen (Afb. 181/1) makkelijk bewegen. 3. Plaats de bodemklephendel in gat 1 en borg deze (zie hoofdstuk "Bodemkleppen", op pagina 98). 4. Controleer, of de voorgeschreven afstand "A" in elk zaaihuis klopt. Hierbij moet het te controleren zaaiwiel met de hand op de zaaias worden gedraaid. De afstand "A" (Afb. 181) tussen bodemklep en zaaiwiel bedraagt 0,1 mm tot 0,5 mm. Afb. 181 5. Met de bout (Afb. 181/2) de voorgeschreven afstand instellen. D9 BAH0007.3 08.10 145

Reinigen, service en onderhoud 12.8 Hydraulisch systeem WAARSCHUWING Gevaar voor infectie door onder hoge druk staande hydraulische olie die in het lichaam dringt! Werkzaamheden aan het hydraulische systeem mogen uitsluitend door een vakwerkplaats worden uitgevoerd! Laat alle druk uit het hydraulische systeem ontsnappen voordat u met de werkzaamheden aan het hydraulische systeem begint! Spoor lekkages altijd op met daartoe geschikte hulpmiddelen! Probeer nooit lekkende hydrauliekslangen met de hand of vingers te dichten. Onder hoge druk naar buiten stromende vloeistof (hydraulische olie) kan via de huid in het lichaam komen en ernstig letsel veroorzaken! Raadpleeg bij wonden door hydraulische olie direct een arts! Gevaar voor infectie! Bij het aansluiten van de hydrauliekslangen op het hydraulische systeem van de tractor moet de hydraulica van zowel de tractor als van de machine drukloos zijn! Sluit de hydrauliekslangen op de correcte wijze aan. Controleer alle hydrauliekslangen en koppelingen regelmatig op beschadigingen en verontreiniging. Laat tenminste een keer per jaar door een deskundige controleren of de hydrauliekslangen nog in goede staat zijn! Vervang beschadigde en verouderde hydrauliekslangen! Gebruik uitsluitend originele hydrauliekslangen! Gebruik hydrauliekslangen niet langer dan zes jaar. Dat is inclusief een eventuele opslagtijd van maximaal twee jaar. Ook bij vakkundige opslag en toelaatbare belasting zijn slangen en slangverbindingen onderhevig aan natuurlijke veroudering, wat hun opslagtijd en gebruiksduur beperkt. In afwijking hiervan is het mogelijk om, rekening houdend met de mogelijke risico's, de gebruiksduur op basis van ervaring te bepalen. Voor slangen en slangleidingen van thermoplast kunnen andere richtwaarden doorslaggevend zijn. Voer oude olie volgens de milieuvoorschriften af. Neem bij problemen met betrekking tot het afvoeren contact op met uw leverancier van de olie! Bewaar hydraulische olie buiten bereik van kinderen! Zorg dat er geen hydraulische olie in de grond of in het water komt! 146 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud 12.8.1.1 Aanduidingen op hydrauliekslangen De aanduidingen op de slangen hebben de volgende betekenis: Afb. 182/... (1) Type-aanduiding van de fabrikant van de hydrauliekslang (A1HF) (2) Productiedatum van de hydrauliekslang (04/02 = jaar / maand = februari 2004) (3) Maximaal toelaatbare bedrijfsdruk (210 BAR). Afb. 182 12.8.1.2 Service-intervallen Na de eerste 10 bedrijfsuren en daarna om de 50 bedrijfsuren 1. Controleer alle componenten van het hydraulische systeem op lekkage. 2. Trek schroefverbindingen eventueel na. Voor elke inbedrijfstelling 1. Controleer de hydrauliekslangen op in het oog lopende gebreken. 2. Verhelp schuurplekken van hydrauliekslangen en buizen. 3. Vervang versleten of beschadigde hydrauliekslangen direct. 12.8.1.3 Inspectiecriteria voor hydrauliekslangen Neem voor uw eigen veiligheid de volgende inspectiecriteria in acht! Vervang hydrauliekslangen wanneer u tijdens de inspectie de volgende criteria vaststelt: Beschadiging van de buitenste laag tot op de staalmantel (bijv. schuurplekken, scheurtjes, insnijdingen). Bros worden van de buitenste laag (scheurtjes in het materiaal van de slang). Vervormingen die niet in overeenstemming zijn met de natuurlijke vorm van de slang of slangleiding. Zowel drukloos als onder druk of bij buiging (bijv. loslaten van de lagen, blaasvorming, platdrukken of knikken). Lekkage. Beschadiging of vervorming van de slangarmaturen (verhoogde kans op lekkage); een geringe beschadiging aan de buitenkant is geen reden voor vervanging. Het loskomen van de slang uit de armatuur. D9 BAH0007.3 08.10 147

Reinigen, service en onderhoud Corrosie van de armatuur, hetgeen de werking en sterkte vermindert. Montagevoorschriften niet nagekomen. De gebruiksduur van 6 jaar is overschreden. Doorslaggevend hiervoor is de datum waarop de hydrauliekslang op de armatuur is bevestigd plus 6 jaar. Staat op de armatuur de productiedatum "2004", dan eindigt de gebruiksduur in februari 2010. Zie ook "Aanduidingen op hydrauliekslangen". 12.8.1.4 Monteren en demonteren van hydrauliekslangen Neem bij het monteren en demonteren van hydrauliekslangen de volgende aanwijzingen in acht: Gebruik uitsluitend originele hydrauliekslangen! Zorg voor een schone werkplek. Monteer hydrauliekslangen zodanig dat onder alle bedrijfsomstandigheden geen trekbelasting optreedt, behalve door het eigengewicht. er bij korte slangen geen stuikbelasting optreedt. van buiten komende mechanische inwerkingen op de hydrauliekslangen worden vermeden. Voorkom dat de slangen langs elkaar of langs componenten schuren door ze in overeenstemming met de voorschriften te leggen en te bevestigen. Bescherm de hydrauliekslangen zo nodig met beschermhulzen. Dek componenten met scherpe randen af. de buigradius niet kleiner wordt dan is toegestaan. Als u de hydrauliekslang aansluit op bewegende onderdelen, dient de slang een dusdanige lengte te hebben dat de buiging over het gehele bewegingstraject niet kleiner is dan de minimaal toegestane buigradius en/of de hydrauliekslang bovendien niet op trek wordt belast. Sluit de hydrauliekslangen uitsluitend aan op de voorgeschreven bevestigingspunten. Gebruik geen slanghouders op plaatsen waar zij de natuurlijke beweging en lengteverandering van de slangen belemmeren. Het overlakken van hydrauliekslangen is verboden! 148 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud 12.9 Wielafstrijker instellen 1. Draai de schroeven (Afb. 183/2) los. 2. Stel de wielafstrijker (Afb. 183/1) in. Afstand tussen afstrijker en wiel ca. 1 cm aan de binnenzijde ca. 2 cm aan de buitenzijde 3. Draai de bouten vast. Afb. 183 12.10 Schakelautomaat instellen (vakwerkplaats) 1. Bedien stuurventiel 1. Druk zetten op de hydraulische cilinder van de schakelautomaat. 2. Draai de contramoer op de veerstrop los. 3. Verdraai de zuiger (Afb. 184/1) van de hydraulische cilinder met een steeksleutel, totdat de bladveer (Afb. 184/2) van de schakelautomaat vastklikt en tussen bladveer en tand een speling van 1 tot 2 mm is bereikt. 4. Draai de contramoer vast. 5. Controleer de werking van de schakelautomaat. Afb. 184 12.11 Rijpadmarkeerapparaat op de schakelkast instellen (vakwerkplaats) 1. Bedien de bedieningshefboom, totdat er "1" in het venster van de schakelkast verschijnt. 2. Draai de stelring (Afb. 185/1) los. 3. Druk de hendel van het stuurventiel (Afb. 185/1) naar achteren. 4. Bevestig de stelring. 5. Controleer de werking van het rijpadmarkeerapparaat. Afb. 185 D9 BAH0007.3 08.10 149

Reinigen, service en onderhoud 12.12 Raapinzetstuk monteren Schakel de aandrijving van de roeras uit vóór de inbouw van het raapinzetstuk in de zaadkast. 1. Schakel de aandrijving van de roeras uit (zie hoofdstuk "Roerasaandrijving", op pagina 99). 2. Plaats de roerpennen (Afb. 186/2) van de roeras verticaal. 3. Bevestig de raapinzetprofielen (Afb. 186/1) met klemmen (Afb. 186/3) in de zaadkast [Zie montagetekening (Afb. 187)]. De raapinzetprofielen steunen op de roeras. Afb. 186 D9-25 D9-30 D9-40 1 [mm] 1025 1025 1025 2 [mm] 255 755 Profiellengte "L" 3 [mm] 1025 1025 1025 4 [mm] 255 755 5 Klemmen [stuks] 6 8 10 Afb. 187 150 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud 12.13 WS-zaaischijfpunt vervangen 1. Druk de noppen (Afb. 188/1) van de trechter in het zaaischijflichaam. 2. Trek de trechter uit het zaaischijflichaam. 3. Verwijder de bout (Afb. 188/2) (aanhaalmoment bout 45 Nm). 4. Licht de zaaischijfpunt (Afb. 188/3) uit de verankering. 5. Bevestig de nieuwe zaaischijfpunt in omgekeerde volgorde Let er bij de montage op, dat de noppen van de trechter in de uitsparingen vergrendelen. Afb. 188 12.14 RoTeC-zaaischijf-slijtpunt vervangen 1. Demonteer de kunststof schijf (Afb. 189/1) (zie hoofdstuk "Kunststof RoTeC-schijven instellen", op pagina 114). 2. Draai de cilinderbout (Afb. 189/2) los (aanhaalmoment bout 30-35 Nm). 3. Vervang de slijtpunt (Afb. 189/3) en monteer deze in omgekeerde volgorde. De slijtpunt (Afb. 189/3) mag niet over de rand van de zaaischijf (Afb. 189/4) uitsteken. Zaaischijf zo nodig vervangen. Afb. 189 D9 BAH0007.3 08.10 151

Reinigen, service en onderhoud 12.15 Afstand tussen de rijpaden en spoorwijdte/-breedte instellen (vakwerkplaats) WAARSCHUWING Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 1. Trek de afdraaigoten (Afb. 190) naar boven uit de steun. 2. Verwijder de trekveren (Afb. 191/1) van het overbrengingsaslager (Afb. 191/2). Afb. 190 3. Klap de overbrengingsas (Afb. 192/1) omlaag. Afb. 191 Afb. 192 152 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud Hierbij wordt een steun (Afb. 193/1) die de overbrengingsas axiaal borgt, uit de uitsparing van een zaaihuis getrokken. Afb. 193 De magneetschakelaar (indien aanwezig) wordt met de overbrengingsas omlaaggeklapt. 4. Markeer de nieuwe rijpadzaaiwielen, door de fijnzaaiwielborstels (Afb. 195/1) op de nieuwe rijpadzaaihuizen te plaatsen. Afb. 194 Spoorwijdte instellen Voor het aanleggen van een spoor maximaal drie, in uitzonderingsgevallen maximaal 4 of 5 zaaiwielen uitschakelen. Afb. 195 Zaaimachines met schakeling 2 alleen op de rechter zaaimachinezijde uitrusten met rijpadzaaiwielen. De afstand tussen de rijpadzaaiwielen, gemeten vanaf de buitenzijde van de rechter zaaimachinezijde, bedraagt een halve spoorbreedte van de onderhoudstractor. Zaaimachines met schakeling 6 plus alleen op de linker zaaimachinezijde uitrusten met rijpadzaaiwielen. De afstand tussen de rijpadzaaiwielen, gemeten vanaf de buitenzijde van de linker zaaimachinezijde, bedraagt een halve spoorbreedte van de onderhoudstractor. D9 BAH0007.3 08.10 153

Reinigen, service en onderhoud 5. Maak de borgpennen (Afb. 196/1) van de nieuwe rijpadzaaiwielen zo ver los, dat de nieuwe rijpadzaaiwielen vrij op de zaaias kunnen worden gedraaid. 6. Verwijder de bouten (Afb. 197/1). 7. Draai de schroeven (Afb. 197/2) los. 8. Verschuif het zwenklager en het drijfrondsel over de overbrengingsas. 9. Schroef het zwenklager aan de nieuwe rijpadzaaihuizen vast. Afb. 196 10. Bevestig oude rijpadzaaiwielen aan de zaaias. Afb. 197 Draai de borgpen (Afb. 198/1) zo ver in het fijnzaaiwiel, dat het zaaiwiel met lichte draaispeling door de zaaias wordt meegenomen. Door te vast aangedraaide borgpennen komt er te veel spanning op de zaaiwielen. 11. Klap de overbrengingsas omhoog. Steek hierbij de steun (Afb. 199/1) die de overbrengingsas axiaal borgt, in de uitsparing van een zaaihuis steken. 12. Borg de steun met twee stelringen (Afb. 199/2). Afb. 198 Afb. 199 154 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud 13. Laat de tanden (Afb. 200/1) van drijfrondsel en rijpadfijnzaaiwielen in elkaar grijpen. 14. Schroef het drijfrondsel aan de overbrengingsas. 15. Laat de tanden (Afb. 201/1) van slingerveerkoppeling en zaaiastandwiel in elkaar grijpen. 16. Bevestig de trekveren (Afb. 201/2) aan de zwenklagers (Afb. 201/3). 17. Controleer de werking van de zaaiwielrijpadenschakeling. Afb. 200 Afb. 201 12.16 Bonenzaaiwielen monteren (vakwerkplaats) De bonnenzaaiwielen kunnen afzonderlijk door de zaaiwielen of samen met een tweede zaaias worden vervangen. De montage is eenvoudiger als de bonenzaaiwielen op een tweede zaaias voorgemonteerd zijn. Dan hoeven alleen de zaaiwielen te worden verwisseld. 1. Trek de afdraaigoten (Afb. 202) naar boven uit de steun. Afb. 202 D9 BAH0007.3 08.10 155

Reinigen, service en onderhoud 2. Klap de overbrengingsas (Afb. 193/1) van de zaaiwielrijpadenschakeling (indien aanwezig) omlaag (zie hoofdstuk "Afstand tussen de rijpaden en spoorwijdte/-breedte instellen (vakwerkplaats)", op pagina 152). 3. Open het zaaiasdruklager (Afb. 203/1). 4. Draai de bouten (Afb. 204/1) los. 5. Verschuif de koppelingsbus op de zaaias. 6. Licht de zaaias eruit. Afb. 203 Demonteer de rustplaat voor de bodemkleppen niet. Afb. 204 7. Het inbouwen van de bonenzaaias geschiedt in omgekeerde volgorde. Aanwijzingen voor het inbouwen van de overbrengingsas 1. Monteer het tandwiel (Afb. 205/1) op de bonenzaaias. 2. Verwijder de driekantmeenemer bij die bonenzaaiwielen die later voor het aanleggen van de rijpaden moeten worden uitgeschakeld. De driekantmeenemers van de andere bonenzaaiwielen grijpen in de uitsparing van de zaaias. Afb. 205 156 D9 BAH0007.3 08.10

Reinigen, service en onderhoud 3. Verdraai de axiale borging (Afb. 206/1) zodanig, dat de korte arm in de uitsparing van het zaaihuis steunt. 4. Controleer de werking van de zaaiwielrijpadenschakeling. Afb. 206 Wordt de zaaimachine weer voorzien van standaard- en fijnzaaiwielen, draai dan de axiale borging (Afb. 206/1) om en steek de lange arm in de uitsparing van het zaaihuis. 12.17 Aanhaalkoppels schroeven Schroefdraad Sleutelwijdte [mm] Aanhaalkoppels [Nm] afhankelijk van kwaliteitsklasse van schroeven/moeren 8.8 10.9 12.9 M 8 25 35 41 13 M 8x1 27 38 41 M 10 49 69 83 16 (17) M 10x1 52 73 88 M 12 86 120 145 18 (19) M 12x1,5 90 125 150 M 14 135 190 230 22 M 14x1,5 150 210 250 M 16 210 300 355 24 M 16x1,5 225 315 380 M 18 290 405 485 27 M 18x1,5 325 460 550 M 20 410 580 690 30 M 20x1,5 460 640 770 M 22 550 780 930 32 M 22x1,5 610 860 1050 M 24 710 1000 1200 36 M 24x2 780 1100 1300 M 27 1050 1500 1800 41 M 27x2 1150 1600 1950 M 30 1450 2000 2400 46 M 30x2 1600 2250 2700 D9 BAH0007.3 08.10 157

Hydraulische schema's 13 Hydraulische schema's 13.1 Hydraulisch schema D9 Super / D9 Special Afb. 207/ Naam T1 Rijpadmarkering T2 Schakelkast T3a Markeur links T3b Markeur rechts T4 Instelling zaaischijfdruk T5 Instelling exactegdruk T6 Afstandsinstelling zaadhoeveelheid T7 Markeurwisselklep T8 Rijpadmarkeringsklep T9 Schakelkast T10 1 x gele slangklem T11 1 x kabelbinder blauw T12 Tractor Alle lengtematen zijn gezien in rijrichting 158 D9 BAH0007.3 08.10

Hydraulische schema's Afb. 207 D9 BAH0007.3 08.10 159

H. DREYER GmbH & Co. KG Postfach 51 Tel.: + 49 (0) 5405 501-0 D-49202 Hasbergen-Gaste Telefax: + 49 (0) 5405 501-234 Germany e-mail: amazone@amazone.de http:// www.amazone.de Overige vestigingen: D-27794 Hude D-04249 Leipzig F-57602 Forbach, Fabrieksvestigingen in Engeland en Frankrijk Fabrieken voor strooiers van minerale kunstmest, landbouwsproeiers, zaaimachines, grondbewerkingsmachines, universele opslaghallen en tuin- en parkmachines