Bedieningshandleiding
|
|
|
- Christiana Christiaens
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Bedieningshandleiding az Zaaimachines D9 2500/3000 Special D9 3000/3500/4000 Super MG3970 BAH nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig op! Bewaar de bedieningshandleiding voor toekomstig gebruik!
2 Het mag niet onbelangrijk of overbodig voorkomen, deze gebruiksaanwijzing te lezen en zich aan de aanwijzingen te houden; het volstaat niet van anderen te horen, dat de machine goed is, ze daarom te kopen en te denken dat alles vanzelf gaat. De persoon in kwestie berokkent niet alleen zichzelf schade maar zal ook fouten maken waarbij het mislukken niet aan zichzelf doch aan de machine zal worden toegeschreven. Om zeker te zijn van een goede werking moet men zich bewust zijn van de handelingen en over het doel van de functies van de machine geïnformeerd zijn en er mee leren omgaan. Pas dan zal men over de machine en zichzelf tevreden zijn. Om dit doel te bereiken dient deze bedieningshandleiding. Leipzig-Plagwitz D9 BAH
3 Identificatiegegevens Identificatiegegevens Vul hier de identificatiegegevens van de machine in. U vindt de identificatiegegevens op het typeplaatje. Machine-ident.nr.: (tien cijfers) Type: D9 Bouwjaar: Basisgewicht kg: Toelaatbaar totaalgewicht kg: Maximale belading kg: Adres fabrikant AMAZONEN-WERKE H. DREYER GmbH & Co. KG Postbus 51 D Tel.: Fax.: Hasbergen + 49 (0) (0) [email protected] Bestellen van onderdelen Onderdelenlijsten zijn te vinden in het onderdeelportaal onder Wij verzoeken u uw orders bij uw AMAZONE-dealers te plaatsen. Over deze bedieningshandleiding Documentnummer: MG3970 Productiedatum: Copyright AMAZONEN-WERKE H. DREYER GmbH & Co. KG, 2014 Alle rechten voorbehouden. Nadruk, ook gedeeltelijk, uitsluitend toegestaan na toestemming van AMAZONEN-WERKE H. DREYER GmbH & Co. KG. D9 BAH
4 Voorwoord Voorwoord Geachte klant, U heeft gekozen voor een van onze kwaliteitsproducten uit het uitgebreide programma van AMAZONEN-WERKE, H. DREYER GmbH & Co. KG. Wij bedanken u voor het in ons gestelde vertrouwen. Controleer bij ontvangst van de machine of er sprake is van transportschade en of er onderdelen ontbreken! Controleer aan de hand van het afleveringsbewijs of de machine compleet is geleverd, inclusief de bestelde toebehoren. Alleen bij directe reclamaties heeft u recht op schadevergoeding! Lees deze bedieningshandleiding, en vooral de veiligheidsinstructies, voor het inbedrijfstellen door en volg alle aanwijzingen zorgvuldig op. Door de bedieningshandleiding nauwlettend te lezen, kunt u de voordelen van uw nieuwe machine optimaal benutten. Zorg ervoor dat alle gebruikers van deze machine deze bedieningshandleiding lezen voordat zij met de machine aan het werk gaan. Raadpleeg bij eventuele vragen of problemen s.v.p. deze bedieningshandleiding of bel ons gewoon even. Door onderhoud regelmatig uit te voeren en versleten of beschadigde onderdelen tijdig te vervangen, verhoogt u de levensduur van uw machine. 4 D9 BAH
5 Inhoud 1 Tips voor de gebruiker Doel van het document Plaatsaanduidingen in de bedieningshandleiding Gebruikte beschrijvingen Algemene veiligheidsinstructies Verplichtingen en aansprakelijkheid Beschrijving van veiligheidssymbolen Organisatorische maatregelen Veiligheids- en beschermingsvoorzieningen Vrijblijvende veiligheidsmaatregelen Scholing van de personen Veiligheidsmaatregelen voor normaal gebruik Gevaren door resterende energie Onderhoud, service en oplossen van storingen Bouwkundige modificaties Onderdelen, slijtageonderdelen en hulpstoffen Reinigen en afvalverwerking Werkplek van de chauffeur Waarschuwingsstickers en andere tekens op de machine Plaats van de waarschuwingsstickers en overige aanduidingen Gevaren bij het negeren van de veiligheidsinstructies Veiligheidsbewust werken Veiligheidsinstructies voor de chauffeur Algemene veiligheidsinstructies en voorschriften ter voorkoming van ongevallen Hydraulisch systeem Elektrisch systeem Aangekoppelde werktuigen Werken met zaaimachines Reiniging, onderhoud en reparatie Op- en afladen Verladen met een kraan Beschrijving van het product Overzicht van bouwgroepen Veiligheids- en beschermingsvoorzieningen Overzicht voedingsleidingen tussen tractor en machine Verkeerstechnische uitrusting Gebruik volgens voorschriften Gevarenzone en gevaarlijke plaatsen Typeplaatje en CE-markering Technische gegevens D9 Special Technische gegevens D9 Super Technische gegevens voor berekening van het tractorgewicht en de asbelasting van de tractor Benodigde tractoruitrusting Opbouw en werking Zaadkast en laadrand Niveauindicatie Digitale niveaubewaking (optie) Koolzaadelement (optie) Zaadkastscheidingswand (optie) Opbergkoker D9 BAH
6 Inhoud 5.3 Instelling van de strooihoeveelheid Doseerwielen Blokkeerschuif Roeras Bodemklep Afdraaiproef Hectaremeter AMACO (optie) Bedieningsterminal AMALOG + (optie) Bedieningsterminal AMADRILL+ (optioneel) Bedieningsterminal AMATRON 3 (optie) WS-zaaischijf Bandzaaischoen (optie) RoTeC-Control-zaaischijf Zaaischijfdruk en zaaigoeddiepte Exacteg (optie) Achteruitrijbeveiliging Centrale instelling exactegdruk Hydraulische instelling exactegdruk (optie) Rolleneg (optie) Sleeptandeneg (optie) Zaaimachine-grondwoelers (optie) Tractor-grondwoelers (optie) Markeur Rijpadmarkeerapparaat (optie) Rijpadschakeling - opbouw en werking Halfzijdige zaaiasafschakeling Inbedrijfstelling Controleren of de tractor geschikt is Berekenen van de daadwerkelijke waarden voor het totale gewicht van de tractor, de belastingen van de tractorassen, de draagvermogens van de banden en het minimaal benodigde ballastgewicht Benodigde gegevens voor de berekening (aangebouwde machine) Berekening van het vereiste minimale ballastgewicht voor G V min om de bestuurbaarheid te waarborgen Berekening van de werkelijke voorasbelasting T V tat Berekening van het werkelijke totale gewicht van de tractor-machine combinatie Berekening van de werkelijke belasting van de achteras T H tat Draagvermogen van de banden Tabel Tractor/machine beveiligen tegen onbedoeld starten en wegrollen Eerste montage van de houders voor de beschermstrip voor de verkeersveiligheid Eerste montage van de boordcomputer bedieningsterminal Machine aan- en afkoppelen Aansluitingen uitvoeren Hydraulische slangleidingen Hydraulische slangleidingen aansluiten Hydraulische slangleidingen loskoppelen Andere aansluitingen uitvoeren Machine aankoppelen Machine afkoppelen Instellingen Machine instellen op het zaaigoed Zaaien met normaal- of fijn-zaaiwiel Zaaien met bonenzaaiwielen (optie) Blokkeerschuif instellen Bodemklephendel instellen D9 BAH
7 Inhoud Digitale niveausensor instellen Koolzaadelement monteren Roerasaandrijving in- en uitschakelen Zaadkast vullen Zaadkast en zaaibehuizing legen Zaaihoeveelheid instellen met afdraaiproef Bepalen van de transmissiestand met behulp van de rekenschijf Zaaien van erwten Zaaien van bonen Tabel zaaigoedinstelwaarden Hydraulische afstandsinstelling zaaihoeveelheid instellen Markeur in werk-/transportstand brengen Markeurs in de werkstand brengen Markeur in transportstand brengen Bandzaaischoen op WS-zaaischijf bevestigen Zaaischijfdruk / zaaigoeddiepte instellen Centrale instelling zaaischijfdruk Hydraulische instelling zaaischijfdruk Buitenzaaischijven instellen Dieptegeleidingsschijven instellen Aflegdiepte voor zaadgoed controleren Zaaimachine-grondwoeler (optie) in werk-/transportstand brengen Zaaimachinegrondwoeler in de werkstand brengen Breng de zaaimachine-grondwoeler in de transportstand Tractorgrondwoeler (optie) instellen Werkbreedte van de exacteg Egtanden afstellen Hoogte met spindel instellen Hoogte door omschroeven instellen Drukinstelling exacteg Hydraulische drukverstelling exacteg Rolleneg instellen Egtanden afstellen De hoek van de egtanden instellen De werkdiepte van de egtanden instellen De rollendruk op de grond instellen en controleren Rolleneg in parkeerstand Rijpadenschakeling instellen Rijpadenteller instellen Aanleggen van rijpaden (optie) Tabel rijpadenschakelingen Voorbeelden voor het aanleggen van rijpaden Rijpadenschakeling 4, 6 en Rijpadenschakeling 2 en Aanmaken van 18 m rijpaden met 4 m zaaimachinewerkbreedte Rijpadenschakeling uitschakelen Zaaiashelft links uitschakelen Rijpadmarkeerapparaat in de werk- / transportstand brengen Rijpadmarkeerapparaat in de werkstand brengen Zet het rijpadmarkeeraparaat in de transportstand Beschermstrip in transport-/parkeerstand zetten Transportritten Zaaimachine in transportstand voor vervoer over de weg brengen Wettelijke voorschriften en veiligheid Werken met de machine Machine voorbereiden voor gebruik Aanvang van de werkzaamheden D9 BAH
8 Inhoud 10.3 Tijdens het werk Uitzaaicontrole bijvoorbeeld door boordcomputer "AMALOG+" Markeur Niveauindicatie Keren op wendakker Na het zaaien Storingen Omklappen van een markeurarm Verschil tussen de ingestelde en daadwerkelijke hoeveelheid uitgezaaid zaad Reinigen, service en onderhoud Veiligheid Reiniging De machine voor een langere periode stilzetten Onderhoudsschema overzicht Bandenspanning Banden -aandraaimoment Oliepeil controleren in variotransmissie Rollenkettingen en kettingwielen controleren Visuele controle van de topstangen en trekstangen Inspectiecriteria voor hydraulische slangen Aanduidingen op hydraulische slangen Monteren en demonteren van hydraulische slangen Werkzaamheden vakwerkplaats Wielafstrijker instellen Schakelkast voor het aansturen van het rijpadenmarkeringsapparaat instellen (vakwerkplaats) WS-zaaischijftoppen vervangen Slijttoppen vervangen (RoTeC-Control-zaaischijf) Bodemklep basisinstelling Basisinstelling schakelautomaat (vakgarage) Rijpadenafstand en spoorbreedte instellen (vakwerkplaats) Bonenzaaiwielen monteren (vakwerkplaats) Aanhaalmomenten bouten Hydraulische schema's Hydraulische schema D9 Super / D9 Special D9 BAH
9 Tips voor de gebruiker 1 Tips voor de gebruiker Het hoofdstuk Tips voor de gebruiker bevat informatie over het omgaan met de bedieningshandleiding. 1.1 Doel van het document Deze bedieningshandleiding beschrijft de bediening en het onderhoud van de machine. voorziet u van belangrijke informatie om veilig en efficiënt met de machine te werken. hoort bij de machine en dient altijd in de machine of de tractor te liggen. voor toekomstig gebruik bewaren. 1.2 Plaatsaanduidingen in de bedieningshandleiding Alle in deze bedieningshandleiding genoemde richtingen zijn altijd gezien in rijrichting. 1.3 Gebruikte beschrijvingen Bedieningsinstructies en reacties De handelingen die de chauffeur dient uit te voeren, worden altijd genummerd weergegeven. Houd u aan de volgorde van de aangegeven bedieningsinstructies. Een pijl geeft in voorkomende gevallen de reactie op de betreffende bedieningsinstructie aan. Voorbeeld: 1. Bedieningsinstructie 1 Æ Reactie van de machine op stap 1 2. Bedieningsinstructie 2 Opsommingen Opsommingen zonder dwingende volgorde worden weergegeven met opsommingstekens. Voorbeeld: Punt 1 Punt 2 Positienummers in afbeeldingen Cijfers tussen ronde haakjes verwijzen naar positienummers in afbeeldingen. Het eerste cijfer verwijst naar de afbeelding, het tweede cijfer naar het positienummer in de afbeelding. Voorbeeld (Afb. 3/6): Afbeelding 3 Positie 6 D9 BAH
10 Algemene veiligheidsinstructies 2 Algemene veiligheidsinstructies Dit hoofdstuk bevat belangrijke instructies om veilig met de machine te werken. 2.1 Verplichtingen en aansprakelijkheid Instructies in de bedieningshandleiding opvolgen Kennis van de basisveiligheidsinstructies en veiligheidsvoorschriften is de eerste voorwaarde om veilig en zonder storingen met de machine te kunnen werken. Verplichtingen van de eigenaar De eigenaar is verplicht om alleen personen met/aan de machine te laten werken die vertrouwd zijn met de basisvoorschriften inzake veiligheid op het werk en voorkoming van ongevallen. geïnstrueerd zijn in het werken met/aan de machine. deze bedieningshandleiding hebben gelezen en begrijpen. De eigenaar verplicht zich ertoe om alle waarschuwingsstickers op de machine in leesbare staat te houden. beschadigde waarschuwingsstickers te vervangen. Onbeantwoorde vragen kunt u richten aan de producent. Verplichtingen van de chauffeur Alle personen die met/aan de machine werken zijn verplicht om voordat zij met het werk beginnen de basisvoorschriften voor veiligheid op het werk en voorkoming van ongevallen op te volgen, het hoofdstuk "Algemene veiligheidsinstructies" in deze bedieningshandleiding te lezen en de instructies op te volgen. het hoofdstuk "Waarschuwingsstickers en overige aanduidingen op de machine" in deze bedieningshandleiding te lezen en de veiligheidsinstructies op de waarschuwingsstickers bij het gebruik van de machine op te volgen. zich met de machine vertrouwd te maken. de hoofdstukken in deze bedieningshandleiding die van belang zijn voor het uitvoeren van de opgedragen werkzaamheden te lezen. Als de bestuurder constateert dat een voorziening veiligheidstechnisch niet in perfecte staat is, moet hij dit probleem onmiddellijk oplossen. Behoort dit niet tot de taakomschrijving van de bestuurder of beschikt de bestuurder niet over voldoende kennis daartoe, dan moet de bestuurder het probleem doorgeven aan zijn of haar meerdere (eigenaar). 10 D9 BAH
11 Algemene veiligheidsinstructies Gevaren bij het werken met de machine De machine is gebouwd volgens de allernieuwste techniek en de erkende veiligheidstechnische regels. Toch kunnen er zich bij het gebruik van de machine gevaren en beschadigingen voordoen voor het leven van de chauffeur of derden, voor de machine zelf, aan andere voorwerpen van waarde. Gebruik de machine alleen waarvoor deze bestemd is. in veiligheidstechnisch onberispelijke staat. Storingen die de veiligheid verminderen, moeten direct worden verholpen. Garantie en aansprakelijkheid In principe zijn onze "Algemene verkoop- en levervoorwaarden" van toepassing. Deze worden de eigenaar uiterlijk bij het sluiten van het contract ter beschikking gesteld. Aanspraken op garantie en aansprakelijk in geval van letsel of schade zijn uitgesloten wanneer het letsel of de schade aan een of meerdere van de volgende oorzaken toe te schrijven is: gebruik van de machine anders dan waarvoor deze bestemd is. onvakkundig monteren, inbedrijfstellen, bedienen en onderhouden van de machine. gebruik van de machine met defecte veiligheidsvoorzieningen of niet volgens de voorschriften aangebrachte of niet functionerende veiligheids- en beschermingsvoorzieningen. het negeren van de instructies in de bedieningshandleiding met betrekking tot inbedrijfstelling, gebruik en onderhoud. het eigenmachtig modificeren van de machine. gebrekkige controle van slijtageonderdelen van de machine. ondeskundig uitgevoerde reparaties. catastrofes door inwerking van vreemde bestanddelen en overmacht. D9 BAH
12 Algemene veiligheidsinstructies 2.2 Beschrijving van veiligheidssymbolen Veiligheidsinstructies worden aangegeven met een driehoekig veiligheidssymbool en een signaalwoord. Het signaalwoord (GEVAAR, WAARSCHUWING, VOORZICHTIG) geeft de ernst van het dreigende gevaar aan en heeft de volgende betekenis: GEVAAR verwijst naar een direct gevaar met een hoog risico dat de dood of zwaar lichamelijk letsel (verlies van lichaamsdelen of langdurig letsel) ten gevolge kan hebben als het gevaar niet wordt vermeden. Het negeren van deze instructies kan de dood of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben. WAARSCHUWING verwijst naar een mogelijk gevaar met gemiddeld risico dat de dood of (zwaar) lichamelijk letsel ten gevolge kan hebben als het gevaar niet wordt vermeden. Het negeren van deze instructies kan onder omstandigheden de dood of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben. VOORZICHTIG verwijst naar een gevaar met gering risico dat licht of gemiddeld lichamelijk letsel of materiële schade ten gevolge kan hebben als het gevaar niet wordt vermeden. BELANGRIJK verwijst naar een verplichting tot een bijzondere handelwijze of activiteit om vakkundig met de machine om te gaan. Het negeren van deze instructies kan storingen in de machine of in de omgeving veroorzaken. TIP verwijst naar praktische tips en bijzonder nuttige informatie. Deze tips helpen u om alle functies van uw machine optimaal te benutten. 12 D9 BAH
13 Algemene veiligheidsinstructies 2.3 Organisatorische maatregelen De eigenaar dient de benodigde persoonlijke veiligheidsuitrustingen volgens de aanwijzingen van de fabrikant van het te verwerken gewasbeschermingsmiddel beschikbaar te stellen, zoals bv.: veiligheidsbril, veiligheidsschoenen beschermende kleding beschermingsmiddelen voor de huid, etc. De bedieningshandleiding altijd daar bewaren waar de machine wordt gebruikt! dient te allen tijde voor chauffeurs en onderhoudsmedewerkers beschikbaar te zijn! Controleer alle beschikbare veiligheidsvoorzieningen regelmatig! 2.4 Veiligheids- en beschermingsvoorzieningen Voordat u de machine gaat gebruiken, dienen alle veiligheids- en beschermingsvoorzieningen op de juiste wijze zijn aangebracht en functioneren. Controleer alle veiligheids- en beschermingsvoorzieningen regelmatig. Defecte veiligheidsvoorzieningen Defecte of gedemonteerde veiligheids- en beschermingsvoorzieningen kunnen gevaarlijke situaties veroorzaken. 2.5 Vrijblijvende veiligheidsmaatregelen Neem naast alle veiligheidsinstructies in deze bedieningshandleiding ook de algemeen geldende nationale regelingen ter voorkoming van ongevallen en ter bescherming van het milieu in acht. Neem bij het rijden op openbare wegen en straten het wegenverkeersreglement in acht. D9 BAH
14 Algemene veiligheidsinstructies 2.6 Scholing van de personen Alleen geschoolde en geïnstrueerde personen mogen met/aan de machine werken. De eigenaar dient de bevoegdheden voor het bedienen en onderhouden duidelijk vastleggen. Personen die nog moeten worden opgeleid, mogen alleen onder toezicht van een ervaren persoon met/aan de machine werken. Activiteit Personen Voor de activiteit speciaal opgeleide persoon 1) Geïnstrueerde chauffeur 2) Personen met vakopleiding (vakwerkplaats) 3) Op- en afladen / transport X X X Inbedrijfstelling æ X æ Monteren, gereedmaken æ æ X Gebruik æ X æ Onderhoud æ æ X Opsporen en verhelpen van storingen æ X X Afvalverwijdering X æ æ Legenda: X..toegestaan æ..niet toegestaan 1) 2) 3) Een persoon die een specifieke taak op zich kan nemen en deze voor een overeenkomstig gekwalificeerd bedrijf mag uitvoeren. Een geïnstrueerd persoon is iemand die over de hem opgedragen taken en mogelijke gevaren bij ondeskundig gedrag is geïnformeerd en zo nodig is ingewerkt en bovendien is geïnformeerd over de benodigde veiligheidsvoorzieningen en veiligheidsmaatregelen. Personen met vakopleiding worden beschouwd als vakman (geschoolde kracht). Door hun vakopleiding en kennis van de desbetreffende bepalingen kunnen zij de hen opgedragen werkzaamheden beoordelen en mogelijke gevaren herkennen. Opmerking: Een aan een vakopleiding gelijkwaarde kwalificatie kan ook zijn verkregen door meerdere jaren op het betreffende arbeidsterrein werkzaam te zijn. Onderhouds- en reparatiewerkzaamheden mogen alleen door een vakwerkplaats worden uitgevoerd wanneer er bij deze werkzaamheden de toevoeging "vakwerkplaats" staat. Het personeel van een vakwerkplaats beschikt over de noodzakelijke kennis en de juiste hulpmiddelen (gereedschappen, hef- en ondersteuningsmateriaal) om de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan de machine vakkundig en veilig uit te voeren. 14 D9 BAH
15 Algemene veiligheidsinstructies 2.7 Veiligheidsmaatregelen voor normaal gebruik Gebruik de machine alleen als alle veiligheids- en beschermingsvoorzieningen volledig functioneren. Controleer de machine tenminste een keer per dag op waarneembare schade en het correct functioneren van de veiligheids- en beschermingsvoorzieningen. 2.8 Gevaren door resterende energie Houd rekening met mechanische, hydraulische, pneumatische en elektrische/elektronische resterende energie in de machine. Tref hiertoe passende maatregelen als u degenen die met de machine gaan werken instrueert. Uitgebreide informatie vindt u bovendien in de betreffende hoofdstukken van deze bedieningshandleiding. 2.9 Onderhoud, service en oplossen van storingen Voer de voorgeschreven instel-, onderhouds- en inspectiewerkzaamheden binnen de gestelde termijnen door. Voorkom dat bedrijfsmiddelen zoals perslucht en hydraulische systemen per ongeluk kunnen worden ingeschakeld. Bevestig en borg grotere onderdelen bij vervanging zorgvuldig aan de hefwerktuigen. Controleer of losgemaakte schroefverbindingen weer goed zijn aangebracht. Controleer na beëindiging van de onderhoudswerkzaamheden de werking van de veiligheidsvoorzieningen. D9 BAH
16 Algemene veiligheidsinstructies 2.10 Bouwkundige modificaties Zonder toestemming van AMAZONEN-WERKE zijn modificaties, aanof ombouw aan de machine niet toegestaan. Dit geldt ook voor laswerkzaamheden aan dragende delen. Voor alle aan- of ombouwwerkzaamheden is schriftelijke toestemming van AMAZONEN-WERKE noodzakelijk. Gebruik uitsluitend de door AMAZONEN-WERKE goedgekeurde ombouwdelen en toebehoren, zodat bijvoorbeeld de goedkeuring volgens nationale en internationale voorschriften van kracht blijft. Voertuigen met een wettelijke goedkeuring of met voorzieningen en toebehoren met een geldige goedkeuring of toelating voor de openbare weg volgens het wegenverkeersreglement dienen zich in de staat te bevinden waarin de goedkeuring of toestemming werd verleend. WAARSCHUWING Gevaar door bekneld raken, snijden, naar binnen trekken en stoten door breuk van dragende onderdelen. Het is verboden om te boren in frame of onderstel, om bestaande gaten in frame of onderstel op te boren, om aan dragende delen te lassen. 16 D9 BAH
17 Algemene veiligheidsinstructies Onderdelen, slijtageonderdelen en hulpstoffen Onderdelen van de machine die niet meer in perfecte staat zijn, dienen direct te worden vervangen. Gebruik uitsluitend originele AMAZONE-onderdelen en slijtageonderdelen of de door AMAZONEN-WERKEN goedgekeurde onderdelen, zodat de goedkeuring volgens nationale en internationale voorschriften van kracht blijft. Bij onderdelen en slijtageonderdelen van derden kan niet worden gegarandeerd dat zij zijn ontworpen en geproduceerd volgens de voorgeschreven belastings- en veiligheidsnormen. AMAZONEN-WERKE is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het gebruik van onderdelen, slijtageonderdelen of hulpstoffen die niet zijn goedgekeurd Reinigen en afvalverwerking Ga bij het verwerken en afvoeren van gebruikte stoffen en materialen vakkundig te werk. Dit geldt vooral voor werkzaamheden aan smeersystemen en smeerinrichtingen en het reinigen met oplosmiddelen Werkplek van de chauffeur De machine mag uitsluitend vanaf de chauffeursstoel van de tractor worden bediend. D9 BAH
18 Algemene veiligheidsinstructies 2.13 Waarschuwingsstickers en andere tekens op de machine Houd alle waarschuwingsstickers op de machine altijd schoon en goed leesbaar! Vervang onleesbare waarschuwingsstickers. Bestel de waarschuwingsstickers aan de hand van het bestelnummer (bv. MD 075) bij uw dealer. Opbouw waarschuwingssticker Waarschuwingsstickers geven gevaarlijke plaatsen op de machine aan en waarschuwen voor restgevaren. Op deze plaatsen doen zich permanent of onverwacht gevaarlijke situaties voor. Een waarschuwingssticker bestaat uit 2 vlakken: Vlak 1 beschrijft het gevaar in de vorm van een illustratie en is omringd door een driehoekig veiligheidssymbool. Vlak 2 geeft in de vorm van een illustratie instructie om het gevaar te vermijden. Waarschuwingssticker - toelichting In de kolom Bestelnummer en toelichting staat de beschrijving van de hiernaast afgebeelde waarschuwingssticker. De beschrijving van de waarschuwingssticker is altijd gelijk en vermeldt in onderstaande volgorde: 1. De beschrijving van het gevaar. Voorbeeld: Gevaar voor snijwonden of amputatie! 2. De gevolgen bij het negeren van de instructie(s) om het gevaar te voorkomen. Voorbeeld: Veroorzaakt zwaar letsel aan vingers of hand. 3. De instructie(s) ter voorkoming van het gevaar. Voorbeeld: Raak onderdelen van de machine pas aan zodra de onderdelen volledig tot stilstand zijn gekomen. 18 D9 BAH
19 Algemene veiligheidsinstructies Bestelnummer en toelichting Waarschuwingssticker MD078 Gevaar voor het bekneld raken van vingers of handen als gevolg van toegankelijke, bewegende delen van de machine! Dit gevaar kan zeer ernstig letsel met verlies van lichaamsdelen tot gevolg hebben. Houd uw handen of armen uit de gevarenzone zolang de tractormotor met aangesloten cardanas/hydraulisch/elektronisch systeem draait. MD 082 Gevaar voor vallen als gevolg van het meerijden op treeplanken of platforms! Veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Het is verboden om personen mee te laten rijden op de machine of op rijdende machines te laten stappen. Dit verbod geldt ook voor machines met treeplanken of platforms. Zorg ervoor dat niemand op de machine meerijdt. MD 083 Gevaar door intrekken of bekneld raken voor de armen, veroorzaakt door bewegende onderdelen die aan het arbeidsproces deelnemen! Dit gevaar kan zeer ernstig letsel met verlies van lichaamsdelen tot gevolg hebben. Open of verwijder nooit veiligheidsinrichtingen, zolang de tractormotor met aangesloten cardanas/hydraulisch/elektronisch systeem draait. D9 BAH
20 Algemene veiligheidsinstructies MD 084 Gevaar voor bekneld raken van het gehele lichaam door de aanwezigheid in het zwenkbereik van omlaag bewegende delen van de machine! Veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Het is verboden om zich in het zwenkbereik van omlaag bewegende delen van de machine te bevinden! Stuur personen uit het zwenkbereik van omlaag bewegende delen van de machine voordat onderdelen van de machine worden neergelaten. MD 089 Gevaar voor bekneld raken van het gehele lichaam als gevolg van de aanwezigheid onder zwevende lasten of opgeheven delen van de machine! Veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Het is verboden zich onder zwevende lasten of opgeheven delen van de machine te bevinden. Houd voldoende veilige afstand tot zwevende lasten of opgeheven delen van de machine. Let erop dat personen voldoende veilige afstand tot zwevende lasten of opgeheven delen van de machine in acht nemen. 20 D9 BAH
21 Algemene veiligheidsinstructies MD 094 Gevaar voor elektrische schok of verbrandingen door het onbedoeld aanraken van kabels die onder spanning staan of door het niet-toegestane benaderen van onder hoogspanning staande kabels! Dit gevaar kan zeer ernstige verwondingen met de dood tot gevolg veroorzaken. Houd bij het naar binnen en buiten zwenken van machineonderdelen voldoende afstand naar de kabels die onder spanning staan. Nominale spanning Tot 1 kv Meer dan 1 tot 110 kv Meer dan 110 tot 220 kv Meer dan 220 tot 380 kv Veilige afstand tot stroomkabels 1 m 2 m 3 m 4 m MD095 Lees voordat u de machine in gebruikt neemt de bedieningshandleiding en de veiligheidsinstructies goed door en volg de aanwijzingen op! MD096 Gevaar door onder hoge druk staande hydraulische olie als gevolg van lekkende hydraulische slangen! Dit gevaar kan zeer ernstig lichamelijk letsel met de dood tot gevolg veroorzaken wanneer onder hoge druk naar buiten stromende hydraulische olie via de huid in het lichaam komt. Probeer nooit lekkende hydraulische slangen met de hand of vingers af te dichten. Lees de bedieningshandleiding en volg de aanwijzingen op voordat u onderhouds- of reparatiewerkzaamheden aan hydraulische leidingen gaat uitvoeren. Raadpleeg bij wonden door hydraulische olie direct een arts. D9 BAH
22 Algemene veiligheidsinstructies MD097 Gevaar voor bekneld raken van het hele lichaam als gevolg van het aanwezig zijn binnen het hefbereik van de driepuntsophanging bij het bedienen van de driepuntshydraulica! Veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Het is verboden om zich binnen het hefbereik van de driepuntsophanging te bevinden wanneer de driepuntshydraulica wordt bediend. Bedien de bedieningshendels voor de driepuntshydraulica van de tractor o o MD 100 alleen vanaf de daarvoor bestemde werkplek. nooit wanneer u zich in het hefbereik tussen tractor en machine bevindt. Dit pictogram geeft sjorpunten aan voor het vastmaken van bevestigingsmiddelen bij het transporteren van de machine. MD 102 Gevaar door onbedoeld starten en wegrollen van tractor en machine bij werkzaamheden aan de machine, zoals monteren, instellen, oplossen van storingen, reinigen, onderhoud en reparaties! Dit gevaar kan zeer ernstige verwondingen met de dood tot gevolg veroorzaken. Beveilig de tractor en machine voor alle handelingen aan de machine tegen onbedoeld starten en wegrollen. Lees de betreffende hoofdstukken in de bedieningshandleiding en volg de aanwijzingen op. 22 D9 BAH
23 Algemene veiligheidsinstructies MD 154 Gevaar voor steekwonden van andere verkeersdeelnemers, veroorzaakt door transportritten met onbeschermde, spitse egtanden van de zaaieg! Veroorzaakt zwaar lichamelijk letsel aan het gehele lichaam met mogelijk dodelijke afloop. Transportritten zonder correct gemonteerde beschermstrip voor de verkeersveiligheid zijn verboden. Monteer de bijgeleverde beschermstrip vóór een transportrit. MD 199 De maximale werkdruk in het hydraulische systeem bedraagt 210 bar. D9 BAH
24 Algemene veiligheidsinstructies Plaats van de waarschuwingsstickers en overige aanduidingen Waarschuwingssticker De volgende afbeeldingen geven aan waar de waarschuwingsstickers op de machine zijn aangebracht. Afb. 1 Afb D9 BAH
25 2.14 Gevaren bij het negeren van de veiligheidsinstructies Het negeren van de veiligheidsinstructies Algemene veiligheidsinstructies kan personen in gevaar brengen, schadelijk zijn voor het milieu en beschadigingen aan de machine veroorzaken, kan leiden tot het verlies van alle aanspraken op schadevergoeding. Concreet kan het negeren van de veiligheidsinstructies bijvoorbeeld de volgende gevaren tot gevolg hebben: In gevaar brengen van personen door niet afgeschermde werkbreedte. Onwerkzaamheid van belangrijke functies van de machine. Het niet toepassen van de voorgeschreven methoden voor onderhoud en afstelling van de machine. Het in gevaar brengen van personen door mechanische en chemische oorzaken. Verontreiniging van het milieu door lekkage van hydraulische olie Veiligheidsbewust werken Naast de veiligheidsinstructies in deze bedieningshandleiding dient u zich ook te houden aan de nationale, algemeen geldende wet- en regelgeving in verband met veiligheid op het werk en het voorkomen van ongevallen. Volg de instructies op de waarschuwingsstickers zorgvuldig op om gevaarlijke situaties te voorkomen. Houd u in het verkeer op de openbare weg aan de wettelijke verkeersvoorschriften. D9 BAH
26 Algemene veiligheidsinstructies 2.16 Veiligheidsinstructies voor de chauffeur WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten vanwege het ontbreken van verkeers- en gebruiksveiligheid! De machine en tractor voor gebruik altijd controleren op verkeers- en gebruiksveiligheid! Algemene veiligheidsinstructies en voorschriften ter voorkoming van ongevallen Neem behalve deze instructies ook de algemeen geldende nationale veiligheidsinstructies en voorschriften ter voorkoming van ongevallen in acht! De op de machine aangebrachte waarschuwingsstickers en andere aanduidingen geven belangrijke instructies om veilig met de machine te kunnen werken. Het opvolgen van deze instructies is voor uw eigen veiligheid! Controleer de omgeving (kinderen) voordat u gaat rijden en de machine in werking stelt! Zorg dat u voldoende zicht heeft! Het meerijden of transport op de machine is verboden! Houd een rijstijl aan waarbij u de tractor met aan- of afgekoppelde machine op elk moment onder controle hebt. Houd daarbij rekening met uw persoonlijke capaciteiten, de omstandigheden op de weg, van het verkeer, uw zicht, het weer en de rijeigenschappen van de tractor en de invloed van de aangebouwde of aangekoppelde machine. Aan- en afkoppelen van de machine Koppel en transporteer de machine alleen met tractoren die daartoe geschikt zijn. Bij het aankoppelen van machines aan de driepuntshydraulica van de tractor moeten de aanbouwcategorieën van tractor en machine overeenkomen! Koppel de machine in overeenstemming met de voorschriften aan de voorgeschreven voorzieningen! Bij het aankoppelen van de machines aan voor- of achterzijde van een tractor dient u rekening te houden met o o o het toelaatbare totaalgewicht van de tractor; de toelaatbare asbelastingen van de tractor; het toelaatbare draagvermogen van de banden van de tractor. Beveilig de tractor en de machine tegen onbedoeld wegrollen, voordat u de machine aan- of afkoppelt! Het is verboden bij het aankoppelen tussen de aan te koppelen machine en achteruitrijdende tractor te gaan staan! Aanwezige personen mogen alleen aanwijzingen geven als zij naast het voertuig staan en pas na stilstand tussen tractor en machine gaan staan. 26 D9 BAH
27 Algemene veiligheidsinstructies Voordat u de machine aan de driepuntshydraulica van de tractor aan- of loskoppelt, dient u de bedieningshendel van de hydraulica van de tractor te blokkeren in een positie waarin onbedoeld heffen of zakken wordt uitgesloten! Zet de steunelementen (indien aanwezig) bij het aan- en afkoppelen van machines in de juiste stand (stabiliteit bij stilstand)! Let bij het gebruik van de steunelementen op de plekken waar u bekneld kunt raken! Ga bij het aan- en afkoppelen van machines aan of van de tractor bijzonder voorzichtig te werk! Tussen tractor en machine bevinden zich bij de koppelingspunten plekken waar u bekneld kunt raken! Tijdens het bedienen van de driepuntshydraulica mag zich niemand tussen tractor en machine bevinden! Aangesloten voedingsleidingen o o moeten in bochten bij alle bewegingen zonder spanning, knikken of wrijving soepel meebewegen. mogen niet langs onderdelen schuren. Ontkoppelingskabels voor snelkoppelingen moeten los hangen en mogen in de onderste positie niet uit zichzelf ontkoppelen! Zorg dat de afgekoppelde machine altijd stabiel staat! D9 BAH
28 Algemene veiligheidsinstructies Werken met de machine Maak uzelf voordat u met de werkzaamheden begint vertrouwd met de uitrusting en bedieningselementen van de machine en hun functies. Tijdens het werk is het daarvoor te laat! Draag strak zittende kleding! Losse kleding verhoogt het risico op vastgrijpen of opwikkelen door aandrijfassen! Gebruik de machine alleen als alle veiligheidsvoorzieningen zijn aangebracht en zich in de juiste positie bevinden! Houd rekening met de maximale belading van de aangebouwde/aangekoppelde machine en de toelaatbare asbelasting en oplegdruk van de tractor! Rijd eventueel alleen met gedeeltelijk gevuld reservoir. Het is verboden om zich binnen het werkbereik van de machine te bevinden! Het is verboden om zich binnen het draai- en zwenkbereik van de machine te bevinden! Extern bediende machineonderdelen (bv. hydraulisch) zijn voorzien van delen waar u bekneld kunt raken! Gebruik extern bediende machineonderdelen uitsluitend als personen zich op voldoende veilige afstand van de machine bevinden! Beveilig de tractor tegen onbedoeld starten en wegrollen, voordat u de tractor verlaat. Hiertoe o o o o laat u de machine op de grond zakken; trek de handrem aan; schakelt u de motor van de tractor uit; verwijdert u de contactsleutel. Transporteren van de machine Bij het rijden op de openbare weg dient u zich aan de geldende verkeersregels te houden! Controleer voor transport o o o o o of voedingsleidingen correct zijn aangebracht; of de verlichting werkt, schadevrij en schoon is; het remsysteem en hydraulische systeem op in het oog lopende gebreken; of de handrem volledig los is; de werking van het remsysteem. De tractor dient altijd te beschikken over voldoende stuur- en remvermogen! Aan een tractor aangebouwde of aangekoppelde machine en gewichten aan voor- of achterzijde beïnvloeden niet alleen het rijgedrag, maar ook het stuur- en remvermogen van de tractor. Gebruik zo nodig gewichten aan de voorzijde! De vooras van de tractor dient altijd met minimaal 20% van het eigen gewicht van de tractor worden belast, om zeker te zijn van voldoende stuurvermogen. Bevestig gewichten aan voor- of achterzijde altijd in 28 D9 BAH
29 Algemene veiligheidsinstructies overeenstemming met de voorschriften aan de daartoe bestemde bevestigingspunten! Houd rekening met het maximale laadvermogen van de aangebouwde/aangekoppelde machine en de toelaatbare asbelasting en oplegdruk van de tractor! De tractor dient voor de beladen combinatie (tractor met aangebouwde of aangekoppelde machine) over voldoende remvertraging te beschikken! Controleer de werking van de remmen voordat u gaat rijden! Houd met een aangebouwde of aangekoppelde machine in bochten rekening met de grote uitzwaai en de middelpuntvliedende kracht van de machine! Wanneer de machine aan de driepuntshydraulica of de trekstangen van de tractor is bevestigd, moet u er vóór transport voor zorgen dat de trekstangen aan de zijkant voldoende is vastgezet! Zet alle beweegbare machineonderdelen vóór transport in de transportstand! Zet alle beweegbare machineonderdelen vóór transport in de transportstand vast om te voorkomen dat zij van positie veranderen. Maak hiervoor gebruik van de daarvoor bestemde transportbeveiligingen! Vergrendel vóór transport de bedieningshendel van de driepuntshydraulica om onbedoeld heffen of zakken van de aangebouwde of aangekoppelde machine te voorkomen! Controleer vóór transport of de benodigde transportuitrustingen, zoals verlichting, waarschuwingssystemen en beschermingsvoorzieningen, op de juiste wijze aan de machine zijn gemonteerd! Controleer vóór transport door middel van een visuele controle of de pennen van de topstang en de trekstangen met de borgpen zijn geborgd. Pas uw rijsnelheid aan de omstandigheden ter plaatse aan! Schakel bij bergaf rijden een lagere versnelling in! Schakel de onafhankelijke wielremmen tijdens transport altijd uit (pedalen vergrendelen)! D9 BAH
30 Algemene veiligheidsinstructies Hydraulisch systeem Het hydraulische systeem staat onder hoge druk! Zorg ervoor dat de hydraulische slangleidingen op de juiste wijze zijn aangesloten! Bij het aansluiten van de hydraulische slangleidingen moet het hydraulische systeem van zowel de tractor als van de machine drukloos zijn! Het is verboden om bedieningshendels op de tractor te blokkeren, als deze bedieningshendels hydraulische of elektrische functies van onderdelen rechtstreeks uitvoeren, zoals in- en uitklappen, draaien en verschuiven. De beweging moet automatisch stoppen zodra u de betreffende bedieningshendel bijbehorende regelelement loslaat. Dit geldt niet voor bewegingen van inrichtingen die o o o continu zijn of automatisch geregeld zijn of voor hun werking een zweefstand of drukstand nodig hebben. Voordat u aan het hydraulische systeem gaat werken o o o o o laat de machine zakken; maak het hydraulische systeem drukloos; schakel de motor van de tractor uit; Trek de handrem aan verwijder de contactsleutel. Laat tenminste een keer per jaar door een deskundige controleren of de hydraulische slangen nog in goede staat zijn! Vervang beschadigde en verouderde hydraulische slangen! Gebruik uitsluitend originele hydraulische slangleidingen van AMAZONE! Gebruik hydraulische slangen niet langer dan zes jaar. Dat is inclusief een eventuele opslagtijd van maximaal twee jaar. Ook bij vakkundige opslag en toelaatbare belasting zijn slangen en slangverbindingen onderhevig aan natuurlijke veroudering, wat hun opslagtijd en gebruiksduur beperkt. In afwijking hiervan is het mogelijk om, rekening houdend met de mogelijke risico's, de gebruiksduur op basis van ervaring te bepalen. Voor slangen en slangleidingen van thermoplast kunnen andere richtwaarden doorslaggevend zijn. Probeer nooit lekkende hydraulische slangen met de hand of vingers te dichten. Onder hoge druk naar buiten stromende vloeistof (hydraulische olie) kan via de huid in het lichaam komen en ernstig letsel veroorzaken! Raadpleeg bij wonden door hydraulische olie direct een arts! Infectiegevaar. Door de mogelijk grote kans op infectie, dient u bij het opsporen van lekkages gebruik te maken van passende hulpmiddelen. 30 D9 BAH
31 Algemene veiligheidsinstructies Elektrisch systeem Bij werkzaamheden aan het elektrische systeem dient u altijd de accu (minpool) los te koppelen! Gebruik uitsluitend de voorgeschreven zekeringen. Het gebruik van te zware zekeringen veroorzaakt onherstelbare schade aan het elektrische systeem brandgevaar! Sluit de accu op de juiste wijze aan - eerst de pluspool en dan de minpool! Loskoppelen: eerst de minpool en dan de pluspool! Voorzie de pluspool van de accu altijd van de daarvoor bestemde beschermkap. Bij massasluiting bestaat explosiegevaar! Explosiegevaar! Voorkom vonkvorming en open vuur in de nabijheid van de accu! De machine kan worden voorzien van elektronische componenten en onderdelen waarvan de werking door elektromagnetische straling van andere apparaten kan worden beïnvloed. Dergelijke invloeden kunnen gevaarlijk zijn voor de mens. Houd u daarom aan de volgende veiligheidsvoorschriften. o o Als achteraf elektrische apparaten en/of componenten aan de machine worden geïnstalleerd en op het elektrische systeem worden aangesloten, dient de gebruiker zelf te controleren of de installatie storingen in de elektronica of andere componenten veroorzaakt. De achteraf geïnstalleerde elektrische en elektronische onderdelen moeten voldoen aan EMC-richtlijn in de geldige uitgave en zijn voorzien van de CE-markering. D9 BAH
32 Algemene veiligheidsinstructies Aangekoppelde werktuigen Bij het aankoppelen moeten de aanbouwcategorieën van tractor en machine overeenstemmen of op elkaar worden aangepast. Voorschriften van de fabrikant opvolgen! Voor het aan- en afbouwen van de machine aan de driepuntsophanging de bedieningshendel in een stand zetten, waarbij onbedoeld heffen en zakken is uitgesloten! Bij de driepuntshefinrichting bevinden zich gevaarlijke plaatsen waar u bekneld kunt raken! De machine mag alleen met een voorgeschreven tractor worden getransporteerd en bediend! Bij het aan- en afkoppelen van werktuigen aan de tractor bestaat gevaar voor verwondingen! Bij het werken met de buitenbediening voor de driepuntshefinrichting, niet tussen tractor en machine gaan staan! Bij het bedienen van de steunelementen bestaat gevaar voor beklemmen en snijwonden! Door het aankoppelen van de machine aan de hefinrichting voor of achter moet rekening worden gehouden met o o o het toelaatbare totaalgewicht van de tractor; de toelaatbare asbelastingen van de tractor; het toelaatbare draagvermogen van de banden van de tractor. Houd rekening met het maximale draagvermogen van de aangebouwde machine en de toegestane asbelasting van de tractor! Tijdens transportritten met de machine moeten de trekstangen voldoende zijdelings gestabiliseerd zijn! Tijdens transportritten het bedieningshendel van de hefinrichting vergrendelen, zodat de opgeheven machine niet onverwacht kan zakken! Alle inrichtingen voor vervoer over de weg in transportstand brengen! Aan een tractor aangebouwde werktuigen en ballastgewichten beïnvloeden het rijgedrag, evenals het stuur- en remvermogen van de tractor! De vooras van de tractor moet altijd met minstens 20% van het eigengewicht van de tractor zijn belast, zodat de besturing voldoende gewaarborgd is. Indien nodig frontgewichten aanbrengen! Reparatie-, onderhoud- en reinigingswerkzaamheden en opheffen van functiestoringen alleen uitvoeren wanneer de contactsleutel is verwijderd! Bescherminrichtingen niet wegnemen en altijd in de beschermende stand laten zitten! 32 D9 BAH
33 Algemene veiligheidsinstructies Werken met zaaimachines Let op de toegestane vulhoeveelheden van de zaadkast (inhoud zaadkast)! Gebruik de treeplank en het platform uitsluitend voor het vullen van de zaadkast! Het is verboden om anderen tijdens het werk op de machine te laten meerijden! Let bij de afdraaiproef op gevaarlijke plaatsen door roterende en trillende onderdelen! Verwijder de spoorschijven van de vooropkomstmarkeur voordat u de machine transporteert! Leg geen losse voorwerpen in de zaadkast! Vergrendel de markeurs (afhankelijk van constructie) vóór transport in de transportstand! Reiniging, onderhoud en reparatie Voer onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden alleen uit bij o o o o uitgeschakelde boordcomputer uitgeschakelde aandrijving; stilstaande tractormotor; verwijderde contactsleutel. Controleer regelmatig of moeren en schroeven nog goed vastzitten en draai ze indien nodig vaster aan! Beveilig de omhoog gebrachte machine resp. machinedelen tegen het onbedoeld zakken, alvorens u onderhouds-, reparatieen reinigingswerkzaamheden gaat uitvoeren! Gebruik bij het vervangen van gereedschappen met scherpe randen daartoe geschikt gereedschap en handschoenen! Voer olie, vet en filters volgens de geldende milieuvoorschriften af! Maak voordat u elektrisch gaat lassen aan tractor en aangebouwde machines eerst de kabel van de dynamo en accu van de tractor los! Reserve-onderdelen moeten minimaal voldoen aan de vastgelegde technische eisen van de AMAZONEN-fabriek! Originele AMAZONE-onderdelen voldoen aan deze eisen! D9 BAH
34 Op- en afladen 3 Op- en afladen 3.1 Verladen met een kraan GEVAAR Het is verboden om zich onder een opgetilde machine op te houden. GEVAAR Overschrijdt de maximale transporthoogte van 4,0 m niet. Transporteer de zaaimachine D Super alleen met naar de zijkant gekantelde markeurs. De zaaimachine voor het verladen en lossen bij geopende zaadkastdeksel in een kraanhaak hangen. De kraanhaak, afhankelijk van de uitrusting en de positie van het zwaartepunt van de zaaimachine, in één van beide uitsparingen (Afb. 3/1) hangen. De zaaigoedcontainer mag niet zijn gevuld. Het pictogram markeert het bevestigingspunt van de kraanhaak of de riem voor de kraanverlading. Afb. 3 Afb D9 BAH
35 Beschrijving van het product 4 Beschrijving van het product Dit hoofdstuk geeft een uitgebreid overzicht van de opbouw van de machine; geeft de namen van de afzonderlijke bouwgroepen en bedieningshendels. Lees dit hoofdstuk bij voorkeur bij de machine. Zo raakt u optimaal vertrouwd met de machine. Belangrijkste bouwgroepen van de machine Afb. 5 Afb. 5 (1) Zaadkast (2) Onderstel (arbeid) met banden (3) Vario-transmissie met aandrijfhendel voor instellen van de hoeveelheid zaaigoed (4) WS-zaaischijven, of RoTeC-Control-zaaischijven (5) Exacteg of rolleneg (6) Laadrand (7) Markeur D9 BAH
36 Beschrijving van het product 4.1 Overzicht van bouwgroepen Afb. 6 (1) Opbergkoker voor opbergen van o o de bedieningshandleiding de rekenschijf voor het bepalen van de transmissieinstelling Afb. 7 Elektr. hectaremeter AMACO (optie) Afb. 6 Afb. 8 Bedieningsterminal AMALOG+ (optioneel) Afb. 7 Afb. 9 Bedieningsterminal AMADRILL+ (optioneel) Afb. 8 Afb D9 BAH
37 Beschrijving van het product Afb. 10 Bedieningsterminal AMATRON 3 (optioneel) Afb. 11 (1) Driepunt (2) Markeur-wisselventiel Afb. 10 Afb. 12 (1) Normaal-zaaiwiel/fijn-zaaiwiel (instelbaar voor zaaigoeddosering) (2) Zaaias (3) Zaaihuis (4) Blokkeerschuif (5) Bodemklep (6) Bodemklepas Afb. 11 Afb. 13 (1) Overbrengingsas voor aandrijving van de rijpadenzaaiwielen (2) Overbrengingsaslager (3) Veerkoppeling met magneetschakelaar (4) Recht tandwiel Afb. 12 Afb. 13 D9 BAH
38 Beschrijving van het product Afb. 14 (1) Kruk o voor het afdraaien o voor de instelling zaaischijfdruk o drukverstelling exacteg Afb. 15 (1) Niveau-indicatie (als optie heeft de boordcomputer een digitale niveau-indicatie) (2) Schakelkast voor het bedienen van de rijpadenzaaiwielen en het rijpadenmarkeerapparaat (niet nodig bij machines met boordcomputer) Afb. 14 Afb. 16 (1) Roeras Afb. 15 Afb. 17 (1) Koolzaadelement Afb. 16 Afb D9 BAH
39 Beschrijving van het product Afb. 18 WS-zaaischijf Afb Bandzaaischoen II voor WS-zaaischijf Afb. 18 Afb. 20 RoTeC-Control-zaaischijf Afb. 19 Afb. 21 (1) Sleeptandeneg Afb. 20 Afb. 21 D9 BAH
40 Beschrijving van het product Afb. 22 Tractor-grondwoelers, draaibaar Afb. 23 Tractor-grondwoelers, versterkt Afb. 22 Afb. 24 (1) Zaaimachine grondwoeler Afb. 23 Afb D9 BAH
41 Beschrijving van het product Afb. 25 Rijpadmarkeerapparaat Afb. 26 Markeur, hydr. bediend. Bevestiging naar keuze aan de zaaimachine of aan de grondbewerkingsmachine Afb. 25 Afb. 27 (1) Schakelautomaat met markeur Afb. 26 Afb. 27 D9 BAH
42 Beschrijving van het product 4.2 Veiligheids- en beschermingsvoorzieningen Afb. 28 (1) Lunspen, voor bevestigen van de markeur (2) Rubber buffer (optische indicatie) De markeur staat niet verticaal d.w.z. de markeur is niet met de lunspen (boven) geborgd. Afb. 29 (1) Kettingbeveiliging Afb. 28 Afb Overzicht voedingsleidingen tussen tractor en machine Afb. 30 (1) Hydraulische slangleidingen Afhankelijk van uitrusting Aansluitkabel machineverlichting Machinestekker met computerkabel Afb D9 BAH
43 Beschrijving van het product 4.4 Verkeerstechnische uitrusting Afb. 31 (1) 2 achterlichten (2) 1 kentekenplaathouder (optie) (3) 2 naar achteren gerichte waarschuwingsborden (4) 2 opzij gerichte waarschuwingspanelen (in Duitsland en enkele andere landen niet toegelaten) Afb. 32 (1) 1 beschermstrip Afb. 31 Afb. 33 (1) 2 naar voren gerichte breedtelichten (2) 2 naar voren gerichte richtingaanwijzers (3) 2 naar voren gerichte waarschuwingsborden Afb. 32 Afb. 33 D9 BAH
44 Beschrijving van het product 4.5 Gebruik volgens voorschriften De machine is gebouwd voor het doseren en verspreiden van bepaald standaard zaadgoed. wordt aan de hefinrichting achter de tractor gekoppeld en door een persoon bediend. De volgende liggingen op een helling kunnen worden bereden Schuinte Rijrichting naar links: 10 % Rijrichting naar rechts: 10 % Helling Bergop: 10% Bergaf: 10% Tot het gebruik volgens de voorschriften behoort ook: het opvolgen van alle aanwijzingen in deze bedieningshandleiding; het in acht nemen van de inspectie- en onderhoudswerkzaamheden; het uitsluitend gebruiken van originele AMAZONE onderdelen. Het op andere wijze gebruiken dan hierboven is vermeld, is verboden en geldt als gebruik in strijd met de voorschriften. Voor schade die voortvloeit uit gebruik in strijd met de voorschriften is de gebruiker zelf verantwoordelijk; is AMAZONEN-WERKE in geen geval aansprakelijk. 44 D9 BAH
45 Beschrijving van het product 4.6 Gevarenzone en gevaarlijke plaatsen De gevarenzone is de omgeving van de machine waarin personen binnen het bereik zijn van arbeidsbewegingen van de machine en zijn gereedschappen, door de machine naar buiten geslingerde materialen of voorwerpen, onbedoeld omlaag zakkende omhoog geheven machineelementen, onbedoeld wegrollen van de tractor en de machine. De gevarenzone van de machine bevat gevaarlijke plaatsen met permanente of onverwacht optredende risico's. Waarschuwingsstickers geven deze gevaarlijke plaatsen aan en waarschuwen voor restgevaar dat constructief gezien niet kan worden verholpen. Voor de gevarenzone en de gevaarlijke plaatsen gelden de speciale veiligheidsvoorschriften van de betreffende hoofdstukken. In de gevarenzone van de machine mogen geen personen aanwezig zijn zolang de tractormotor met aangesloten cardanas / hydraulisch systeem loopt. zolang tractor en machine niet tegen onbedoeld starten en wegrollen zijn beveiligd. De bedieningspersoon mag de machine alleen bewegen of werkgereedschappen van transport- in arbeidsstand en van arbeidsstand in transportstand zetten of in beweging brengen wanneer er geen personen in de gevarenzone van de machine aanwezig zijn. Gevaarlijke plaatsen zijn aanwezig: tussen tractor en machine, met name bij het aan- en afkoppelen; binnen het bereik van de zwenkbare markeurs D9 BAH
46 Beschrijving van het product 4.7 Typeplaatje en CE-markering De afbeelding toont de plaatsing van het typeplaatje en de CE-markering op de machine. De CE-markering geeft aan dat de machine voldoet aan de bepalingen van de EU-richtlijnen die van kracht zijn. Op het typeplaatje en de CE-markering staan: (1) Serienummer van de machine (2) Type (3) Basisgewicht kg (4) Max. belading kg (5) Fabriek (6) Modeljaar Afb. 34 (7) Bouwjaar Afb D9 BAH
47 Beschrijving van het product 4.8 Technische gegevens D9 Special Zaaimachine D Special D Special Werkbreedte [m] 2,50 3,00 Transportbreedte [m] 2,50 3,00 Vulhoogte Zonder laadrand Zonder bak [m] 1,25 1,25 Met bak [m] - 1,56 Leeggewicht 1) (met WS-zaaischijven) [kg] Leeggewicht 1) (met RoTeC-Control-zaaischijven) Totale hoogte (markeur in transportpositie) Inhoud zaadkast WS-zaaischijf RoTeC-Controlzaaischijf [kg] [mm] 2,40 2,40 Zonder bak [l] Met bak [l] Aantal rijen 15/21 18/25 Afstand tussen de rijen [cm] 12,0/16,6 12,0/16,6 Aantal rijen 15/17/21 18/21/25 Afstand tussen de rijen [cm] 12,0/14,7/16,6 12,0/14,3/16,6 Werksnelheid [km/h] 6 t/m 10 6 t/m 10 Zaaicapaciteit [ha/u] ca. 2,0 ca. 2,5 Benodigd vermogen (vanaf) [kw/pk] 44/60 44/60 Min. oliedoorstroomhoeveelheid [l/min] Max. werkdruk (hydraulica) [bar] Elektrisch systeem [V] 12 (7-polig) 12 (7-polig) Transmissieolie/hydraulische olie Transmissieolie/hydraulische olie HLP68 Categorie koppelingspunten Cat. II II Banden 180/ /90-16 Spoorbreedte [m] 2,30 2,80 1) Zaaimachine (rijafstand 12,0 cm) met mechanische zaaischijfdrukverstelling, exacteg, laadrand, markeurs en rijpadenschakeling D9 BAH
48 Beschrijving van het product 4.9 Technische gegevens D9 Super Zaaimachine D Super D Super D Super Werkbreedte [m] 3,00 3,50 4,00 Transportbreedte [m] 3,00 3,50 4,25 Vulhoogte Zonder laadrand Zonder bak [m] 1,35 1,35 1,35 Met bak [m] 1,65 1,65 1,65 Leeggewicht 1) (met WS-zaaischijven) [kg] Leeggewicht 1) (met RoTeC-Control-zaaischijven) Totale hoogte (markeur in transportpositie) Inhoud zaadkast WS-zaaischijf RoTeC-Controlzaaischijf [kg] [mm] 1,80 1,80 1,80 Zonder bak [l] Met bak [l] Aantal rijen 18/25/30 21/29 24/33 Afstand tussen de rijen [cm] 12,0/16,6/10 12,0/16,6 12,0/16,6 Aantal rijen 18/21/25 21/25/29 24/29/33 Afstand tussen de rijen [cm] 12,0/14,3/16,6 12,0/14,0/16,6 12,0/13,7/16,6 Werksnelheid [km/h] 6 t/m 10 6 t/m 10 6 t/m 10 Zaaicapaciteit [ha/u] ca. 2,5 ca. 3,0 ca. 3,5 Benodigd vermogen (vanaf) [kw/pk] 44/60 55/75 55/75 Min. oliedoorstroomhoeveelheid [l/min] Max. werkdruk (hydraulica) [bar] Elektrisch systeem [V] 12 (7-polig) 12 (7-polig) 12 (7-polig) Transmissieolie/hydraulische olie Transmissieolie/hy draulische olie HLP68 Transmissieolie/hy draulische olie HLP68 Transmissieolie/hy draulische olie HLP68 Categorie koppelingspunten Cat. II II II Banden 180/ ) 10.0/75-15 Spoorbreedte [m] 2,80 3,30 3,90 1) Zaaimachine (rij-afstand 12,0 cm) met mechanische zaaischijfdrukverstelling, exacteg, laadrand en 2) rijpadenschakeling Opgelet: bij ombouw van de banden van het type 180/90 16 naar het type 10.0/75-15 wordt de toegestane transportbreedte overschreden. 48 D9 BAH
49 Beschrijving van het product Technische gegevens voor berekening van het tractorgewicht en de asbelasting van de tractor Zaaimachine aangebouwd aan tractor D Special 1) Totaal gewicht G H Afstand d (zie op pagina 81) (zie op pagina 81) met volle zaadkast (zonder zaadkastopbouw) 1000 kg 565 mm D Special 1) met volle zaadkast (zonder zaadkastopbouw) 1110 kg 565 mm met volle zaadkast (met zaadkastopbouw) 1430 kg 565 mm D Super 1) met volle zaadkast (zonder zaadkastopbouw) 1380 kg 565 mm met volle zaadkast (met zaadkastopbouw) 1700 kg 565 mm D Super 1) met volle zaadkast (zonder zaadkastopbouw) 1570 kg 565 mm met volle zaadkast (met zaadkastopbouw) 1950 kg 565 mm D Super 1) met volle zaadkast (zonder zaadkastopbouw) 1860 kg 565 mm met volle zaadkast (met zaadkastopbouw) 2300 kg 565 mm 1) Zaaimachine met RoTeC-zaaischijven, rij-afstand 12,0 cm, met mechanische zaaischijfdrukverstelling, exacteg, laadrand, markeurs en rijpadenschakeling. D9 BAH
50 Beschrijving van het product 4.10 Benodigde tractoruitrusting Om de machine in overeenstemming met de voorschriften te gebruiken, dient de tractor te voldoen aan de volgende voorwaarden. Motorvermogen van de tractor D Special D Special D9 3000/3500 Super D Super Vanaf 40 kw Vanaf 45 kw Vanaf 55 kw Vanaf 70 kw Elektrisch systeem Accuspanning: contactdoos voor verlichting: 12 V (volt) 7-polig Hydraulisch systeem Maximale bedrijfsdruk: Pompcapaciteit tractor: Hydraulische olie in de machine: Regeleenheid 1: Regeleenheid 2: 210 bar Minimaal 80 l/min bij 150 bar Transmissieolie/hydraulische olie HLP68 De hydraulische olie/transmissieolie in de machine is geschikt voor gecombineerd gebruik in hydraulische systemen en versnellingsbakken van alle gangbare tractormerken. Enkelvoudig werkende regeleenheid Enkelvoudig werkende regeleenheid 50 D9 BAH
51 Opbouw en werking 5 Opbouw en werking Dit hoofdstuk informeert u over de opbouw van de machine en de werking van de afzonderlijke componenten. Afb. 36 De zaaimachine D9 zorgt voor exacte dosering, nauwkeurige zaaigoedverdeling, gelijkmatige aflegdiepte en bedekking van het zaaigoed en een sporenvrij, goed gestructureerd veld na de bewerking. De zaaimachine wordt solo of in combinatie met een grondbewerkingsmachine gebruikt voor ploeg- of mulchzaaien. Het zaaigoed wordt in de zaadkast meegenomen. Voor het zaaigoeddoseren staan normaal- en fijn-zaaiwielen of het bonenzaaiwiel ter beschikking. Het in de zaaihuizen van de zaaiwielen gedoseerde zaaigoed valt in de door de zaaischijven (Afb. 36/1) getrokken zaaivoren. De zaaiwielen worden aangedreven via de vario-transmissie (Afb. 36/2) van het zaaimachinewiel (Afb. 36/3). WS-zaaischijven moeten op grond worden gebruikt, die goed is voorbewerkt en waar weinig zaaigoedresten op het oppervlak aanwezig zijn. De RoTeC-Control-zaaischijven werken ook op gemulchde velden met strooi- en plantenresten op het oppervlak. Het vormen van het zaadspoor en de optimale schijfgeleiding in de grond worden aan de ene kant gerealiseerd door de zaaischijven en aan de andere kant door een robuuste body. De elastische dieptegeleidingsschijf voorkomt het aanhechten van aarde aan de zaaischijven en vormt mede het zaadspoor. De hoge schijfdruk en de ondersteuning op de dieptegeleidingsschijf zorgen voor een rustig lopen van de schijf en een exacte aflegdiepte van het zaaigoed. De exacteg (Afb. 36/4) bedekt het zaaigoed met losse grond. Als optie kan de machine ook met de rolleneg of de sleeptandeneg zijn uitgerust. De aansluitrij wordt aangegeven door markeurs in het midden van de tractor. D9 BAH
52 Opbouw en werking De AMAZONE-zaaimachine D9 kan worden gebruikt als solomachine of als onderdeel van een combinatie met grondbewerkingsmachine o o AMAZONE-rotorcultivator of AMAZONE-rotoreg en V-ringwals, tandenpackerwals of steunwals. De bestelcombinatie optimaliseert het losmaken van de grond, de versteviging en het exact zaaien in één arbeidsgang. Weergegeven is de bevestiging van de AMAZONE-aanbouwzaaimachine op de grondbewerkingsmachine. Wanneer de hefkracht van de tractor niet voldoende is, om de combinatie van grondbewerkingsmachine, wals en aanbouwzaaimachine op te tillen, dan kan de benodigde hefkracht met het hefframe worden gereduceerd. Afb. 37 Afb D9 BAH
53 Opbouw en werking 5.1 Zaadkast en laadrand De laadrand is bedoeld voor het vullen van de zaadkast aan de achterzijde van de zaaimachine. Afb Niveauindicatie De niveauindicatie (Afb. 40/1) toont bij gesloten zaadkastdeksel de vulhoogte in de zaadkast. Afb Digitale niveaubewaking (optie) Een niveausensor (Afb. 41/1) bewaakt het zaaigoedniveau in de zaadkast. Wanneer het zaaigoedniveau de niveausensor bereikt, dan krijgt de boordcomputer een impuls en er verschijnt een waarschuwingsmelding. Tegelijkertijd klinkt een alarmsignaal. Dit alarmsignaal moet de tractorbestuurder eraan herinneren, tijdig het zaaigoed bij te vullen. De hoogte van de niveausensor is vanaf de buitenzijde instelbaar. Afb. 41 D9 BAH
54 Opbouw en werking Koolzaadelement (optie) Het koolzaadelement (Afb. 42/1) vermindert de capaciteit van de zaadkast. Het koolzaadelement wordt voor het zaaien van goed stromend zaaigoed zoals bijvoorbeeld koolzaad en stoppelknollen gebruikt, die met kleine zaaihoeveelheden worden gezaaid. De roeras mag niet meelopen, wanneer in de zaadkast het koolzaadelement is gemonteerd. Afb. 42 De roeras weer met de aandrijving verbinden nadat het koolzaadelement is gedemonteerd. In het bijzonde bij het zaaien van speciale zaaigoederen met stilstaande roeras kan zaaigoedopstopping in de zaadkast en daardoor verkeerd zaaien optreden Zaadkastscheidingswand (optie) Bij het berijden van hellingen kan het zaaigoed in de zaadkast zover wegglijden, dat de zaaiwielen geheel of gedeeltelijk geen zaaigoed meer krijgen toegevoerd. De scheidingswand (Afb. 43/1) voorkomt het wegglijden van het zaaigoed in de zaadkast. Afb D9 BAH
55 Opbouw en werking 5.2 Opbergkoker De opbergkoker (Afb. 44/1) bevat de bijgeleverde onderdelen met bedieningshandleiding. Afb. 44 D9 BAH
56 Opbouw en werking 5.3 Instelling van de strooihoeveelheid De transmissiehendel (Afb. 45/1) van de variotransmissie is bedoeld voor het instellen van de gewenste strooihoeveelheid. Ingesteld wordt het toerental van de doseerwielen. Het toerental van de doseerwielen bepaalt de strooihoeveelheid. Des te hoger het getal op de schaal (Afb. 45/2), waarnaar de transmissiehendel wijst, des te hoger is het toerental van de doseerwielen des te groter is de strooihoeveelheid. Het toerental van de zaaiwielen bepaalt de strooihoeveelheid is op de varia-transmissie instelbaar. Het rechter machinewiel drijft de zaaiwielen aan via de vario-transmissie. Via het rechter zaaimachinewiel wordt de afgelegde weg gemeten. De boordcomputer heeft deze informatie nodig voor het berekenen van de rijsnelheid en het bewerkte terrein (aantal hectares). De gewenste strooihoeveelheid wordt op de vario-transmissie ingesteld. Wanneer de zaaimachine niet beschikt over een elektronische instelling voor de zaaihoeveelheid, dan zijn vaak meerdere afdraaiproeven nodig om de juiste instelling van de transmissie te bepalen. Met de rekenschijf kan de benodigde stand uit de waarden van de eerste afdraaiproef worden berekend. Controleer altijd de met de rekenschijf bepaalde waarde met een volgende afdraaiproef. De rekenschijf bestaat uit drie schalen een buitenste witte schaal (Afb. 47/1) voor alle strooihoeveelheden meer dan 30 kg/ha een binnenste witte schaal (Afb. 47/2) voor alle strooihoeveelheden minder dan 30 kg/ha een gekleurde schaal (Afb. 47/3) met alle transmissiestanden van 1 tot 100. Afb. 45 Afb. 46 Afb D9 BAH
57 Opbouw en werking Afstandsinstelling zaadhoeveelheid, hydraulisch bediend (optie) Bij de overgang van lichte grond naar zware grond kan de strooihoeveelheid tijdens het werken worden verhoogd en daarmee op de grond worden aangepast. De transmissiehendel (Afb. 48/1) is bedoeld voor het instellen van de zaaihoeveelheid op normale grond. De verhoogde zaaihoeveelheid wordt voor aanvang van de werkzaamheden op het bedieningselement (Afb. 48/2) ingesteld. Een hydraulische cilinder bedient de transmissiehendel voor het verhogen van de zaaihoeveelheid. Afb. 48 De hydraulische afstandsinstelling zaadhoeveelheid is samen met de hydraulische schijfdrukverstelling (optie) en de hydraulische exactegdrukverstelling (optie) op regeleenheid 2 aangesloten. Bij verhoging van de zaaihoeveelheid wordt automatisch meer schijfdruk gegeven en neemt de exactegdruk toe. Afstandsinstelling zaadhoeveelheid, elektronisch geregeld (optie) Een elektrische stelmotor (Afb. 49/1) stelt de transmissiehendel (Afb. 49/2) in op de gewenste zaaihoeveelheid. De boordcomputer regelt de transmissiestand aan de hand van de afdraaiproef. De boordcomputer toont de schaalpositie van de transmissiehendel. Afb. 49 D9 BAH
58 Opbouw en werking Doseerwielen Het zaaigoed wordt in het zaaihuis (Afb. 50/1) van de zaaiwielen (Afb. 50/2) gedoseerd. De zaaiwielen transporteren het zaaigoed naar de rand van de bodemklep (Afb. 50/3). Gedoseerd komt het zaaigoed door de zaadleiding bij de zaaischijven. Het zaaiwiel bestaat uit Normaal zaaiwiel (Afb. 51/1) en Fijn zaaiwiel (Afb. 51/2). Voor uitzaaien met het normaal-zaaiwiel zijn het normaalen fijn-zaaiwiel gekoppeld en draaien beide met het fijn-zaaiwiel is de verbinding van normaal- en fijnzaaiwiel losgemaakt. Alleen het fijn-zaaiwiel draait. Afb. 50 Als optie kunnen grote bonen, net zoals zaaigoed, in de doseerhuizen van de bonenzaaiwielen (Afb. 52) worden gedoseerd. Voor een voorzichtig transport van de bonen hebben de bonenzaaiwielen elastische nokken van hoogwaardig kunststof. De elastische nokken van de bonenzaaiwielen zijn zo lang, dat deze voor een gelijkmatige zaaigoedtoevoer de bodemklep bereiken. Afb. 51 Afb D9 BAH
59 Opbouw en werking Blokkeerschuif Met de blokkeerschuif (Afb. 53) wordt de opening tussen de zaadkast en het doseerhuis afhankelijk van het doseergoed ingesteld. De blokkeerschuif (Afb. 111) borgt in één van de drie posities: A = gesloten B = 3/4 open C = open Afb Roeras De roeras (Afb. 54/1) in de zaadkast voorkomt, dat er zaaigoedopstoppingen ontstaan waardoor verkeerd uitzaaien optreedt. De roeras mag bij het zaaien van bepaalde zaaigoederen niet draaien. Door de intensieve roerwerking van de roeras kan er bijvoorbeeld bij koolzaad verkleving van het zaad ontstaan. Afb. 54 D9 BAH
60 Opbouw en werking Bodemklep De afstand tussen zaaiwiel en bodemklep (Afb. 55/1) is afhankelijk van de grootte van het zaaigoed De bodemklephendel (Afb. 55/2) is bedoeld voor het instellen. De bodemklephendel kan in een gatengroep in 8 posities worden gezet. De bodemklep is verend opgehangen en kan vreemde objecten in het zaaigoed afvoeren. Voor het legen van het zaaihuis de bodemklephendel over de gatengroep heen wegdraaien. Afb. 55 Afb D9 BAH
61 Opbouw en werking Afdraaiproef Met de afdraaiproef wordt de rit op het veld door draaien van het aandrijfwiel (Afb. 57) nagedaan gecontroleerd, of de ingestelde en daadwerkelijke hoeveelheid uitgezaaid zaad overeenkomen. De kruk (Afb. 58/1) bevindt zich in de parkeerpositie in de transporthouder onder de zaadkast. Afb. 57 De afdraaigoot (Afb. 59/1) is bedoeld voor het opvangen van het afgedraaide zaaigoed. Tijdens het werken beschermt de afdraaigoot het doseersysteem tegen vocht. Afb. 58 Afb. 59 D9 BAH
62 Opbouw en werking 5.4 Hectaremeter AMACO (optie) Door kort indrukken van de ha-toets toont de elektronische hectaremeter AMACO het bewerkte oppervlak in het display. Via de ha-toets en de F-toets worden de machinespecifieke gegevens ingevoerd. Afb Bedieningsterminal AMALOG + (optie) De boordcomputer AMALOG+ bestaat: uit de bedieningsterminal de basisuitrusting (kabel- en bevestigingsmateriaal). De boordcomputer AMALOG+ is bedoeld voor het invoeren van machinespecifieke gegevens voor aanvang van de werkzaamheden bepaalt de bewerkte deeloppervlakte [ha] slaat de bewerkte totale oppervlakte [ha] op geeft de rijsnelheid [km/h] weer stuurt de rijpadenschakeling en het rijpadmarkeerapparaat toont de stand van de rijpadenteller en het rijpadmarkeerapparaat bewaakt de aandrijving van de overbrengingsas (rijpadenschakeling) geeft de stand van de hydraulische markeurs aan alarmeert bij het onderschrijden van de ingestelde minimale vulhoeveelheid in de zaadkast. Digitale niveaubewaking (optie) nodig. Afb. 61 Gebruik met rotorcultivator De AMALOG+ bewaakt de functie van de overbelastingskoppeling. Akoestische waarschuwing bij stilstand van de werktuigdragers. 62 D9 BAH
63 Opbouw en werking 5.6 Bedieningsterminal AMADRILL+ (optioneel) De boordcomputer AMADRILL+ bestaat uit de bedieningsterminal de basisuitrusting (kabel- en bevestigingsmateriaal). De boordcomputer AMADRILL+ is bedoeld voor het invoeren van machinespecifieke gegevens voor aanvang van de werkzaamheden bepaalt de bewerkte deeloppervlakte [ha] slaat de bewerkte totale oppervlakte [ha] op geeft de rijsnelheid [km/h] weer stuurt de elektrisch bediende rijpadenschakeling en het hydraulisch bediende rijpadmarkeerapparaat toont het aantal rijpaden bewaakt de aandrijving van de rijpadwielen (optie) geeft de stand van de hydraulische markeurs aan alarmeert bij het onderschrijden van de ingestelde minimale vulhoeveelheid in de zaadkast. Digitale niveaubewaking (optie) nodig. past de zaaihoeveelheid aan op de werksnelheid. Variotransmissie met elektronische instelling van de zaaihoeveelheid (optie) nodig. Afb. 62 Gebruik met rotorcultivator De AMADRILL+ bewaakt de functie van de overbelastingskoppeling. Akoestische waarschuwing bij stilstand van de werktuigdragers. D9 BAH
64 Opbouw en werking 5.7 Bedieningsterminal AMATRON 3 (optie) De AMATRON 3 is een algemene bedieningsterminal voor meststrooiers, veldspuiten en zaaimachines. De AMATRON 3 bestaat: uit de bedieningsterminal de basisuitrusting (kabel- en bevestigingsmateriaal) de jobcomputer op de machine. De AMATRON 3 beschikt over ISOBUS-machinebediening AMABUS-machinebediening. Afb. 63 De AMATRON 3 dient voor het invoeren van machinespecifieke gegevens voor invoer van de gegevens van de opdracht voor het bewaken en regelen van machinefuncties o rijpadenschakeling (elektronische bediening nodig) voor verandering van de hoeveelheid uitgezaaid zaad bij zaaibedrijf vario-transmissie met elektronische instelling van de zaaihoeveelheid (optie) nodig. De AMATRON 3 toont De actuele rijsnelheid in [km/uur] de actuele strooihoeveelheid [kg/ha] de actuele zaadkastinhoud [kg] de resterende afstand [m], tot de zaadkast leeg is de werkstand van de markeurs de stand van de rijpadenteller en het rijpadmarkeerapparaat De AMATRON 3 slaat voor een gestarte opdracht de volgende gegevens op de gezaaide hoeveelheid per dag en in totaal [kg] de hoeveelheid grond die per dag en in totaal is bewerkt [ha] de zaaitijd per dag en in totaal [h] de gemiddelde arbeidsprestatie [ha/h]. De AMATRON 3 geeft een alarmmelding bij het onderschrijden van de ingestelde minimale vulhoeveelheid in de zaadkast. Digitale niveaubewaking (optie) nodig. Gebruik met rotorcultivator De AMATRON 3 bewaakt de functie van de overbelastingskoppeling. Akoestische waarschuwing bij stilstand van de werktuigdragers. 64 D9 BAH
65 Opbouw en werking 5.8 WS-zaaischijf Zaaimachines met WS-zaaischijven worden voor ploegzaad ingezet. Een geleidingstrechter (Afb. 64/1) leidt het zaad direct achter de zaaischijftop (Afb. 64/2). Een exacte en gelijkmatige aflegdiepte wordt gerealiseerd. De draaibaar gelagerde zaaischijfsteun (Afb. 64/3) voorkomt het verstoppen van de uitloop bij het parkeren van de zaaimachine. Afb Bandzaaischoen (optie) WS-zaaischijven kunnen worden uitgevoerd met bandzaaischoenen. Deze verbetert de plaatsverhoudingen van de planten. Voorwaarde is een goed losgemaakt zaaibed. De bandzaaischoen II werkt bijzonder goed op lichte en middelzware grond. De schuine glijzool verdicht het oppervlak en vermindert de aflegdiepte. Voor de zaaigoedbedekking is de exacteg nodig. Afb. 65 D9 BAH
66 Opbouw en werking 5.9 RoTeC-Control-zaaischijf Zaaimachines met RoTeC-zaaischijven zijn geschikt voor ploeg- en mulchzaaien. De flexibele diepteinstelschijf (Afb. 66/1) begrenst de aflegdiepte van het zaaigoed reinigt de achterzijde van de stalen schijf (Afb. 66/2) verbetert de aandrijving van de stalen schijf door "vertanding"van de noppen met de grond. Door bediening van de handgreep (Afb. 66/3) wordt de dieptegeleidingsschijf versteld of zonder gereedschap weggenomen. Afb. 66 Bij hoge rijsnelheid verplaatst de slechts iets ten opzichte van de rijrichting schuin ingestelde stalen schijf (Afb. 66/2) weinig aarde. Het rustig lopen van de zaaischijf en het exact afleggen van het zaad resulteren uit de hoge schijfdruk en de ondersteuning van de zaaischijf op de dieptegeleidingsschijf. Zaaischijfdiameter Zaaischdr. Afb. 67 Control-zaaischijf RoTeC 320 mm tot 30 kg 66 D9 BAH
67 Opbouw en werking Voor de begrenzing van de aflegdiepte (Afb. 68/1-4) kan de dieptegeleidingsschijf in drie posities worden ingesteld of de dieptegeleidingsschijf kan worden afgenomen. Zeer vlak zaaien, bijvoorbeeld op bijzonder lichte zandgrond is mogelijk met de dieptegeleidingsrol (Afb. 69) en deze kan indien nodig de diptegeleidingsschijf vervangen. Afb. 68 Afb. 69 D9 BAH
68 Opbouw en werking Zaaischijfdruk en zaaigoeddiepte De aflegdiepte voor het zaadgoed is afhankelijk van de bodemgesteldheid van de zaaischijfdruk van de rijsnelheid. De zaaischijfdruk wordt centraal ingesteld. De diepgang van de buitenzaaischijven achter de zaaimachinewielen wordt door een instelbare nokkenschijf (Afb. 70/1) begrensd. Hindernissen kunnen de buitenzaaischijven naar boven toe doen uitwijken. Afb. 70 Centrale instelling zaaischijfdruk De zaaischijfdruk wordt centraal met de afdraaikruk ingesteld. Afb D9 BAH
69 Opbouw en werking Hydraulische instelling zaaischijfdruk (optie) De zaaischijfdruk kan door bedienen van de tractorregeleenheid 2 worden verhoogd. Op dezelfde regeleenheid zijn de afstandsinstelling zaaihoeveelheid en de instelling exactegdruk aangesloten. Bij het verhogen van de zaaihoeveelheid via de hydraulische afstandsinstelling zaaihoeveelheid wordt automatisch meer zaaischijfdruk gegeven en de druk van de exacteg neemt toe. Bij het overgaan van normale grond naar zware grond kan de zaaischijfdruk worden aangepast op de grond tijdens het werken. Twee pennen (Afb. 72/1) in een verstelsegment zijn bedoeld als aanslag voor de hydraulische cilinder. Wanneer de tractorregeleenheid onder druk wordt gebracht dan neemt de zaaischijfdruk toe en de aanslag ligt tegen de bovenste pen. In de neutrale stand ligt de aanslag tegen de onderste pen. De cijfers op de schaalverdeling (Afb. 72/3) zijn bedoeld ter oriëntatie. Des te hoger het cijfer waar de wijzer naar wijst (Afb. 72/2), des te groter is de zaaischijfdruk. Afb. 72 D9 BAH
70 Opbouw en werking 5.10 Exacteg (optie) De exacteg (Afb. 73/1) bedekt het in de zaaivoor afgelegde zaad gelijkmatig met losse grond en egaliseert de grond. In te stellen is: de stand van de exactegtanden de druk op de exacteg. De druk op de exacteg bepaalt de arbeidsintensiteit van de exacteg en is afhankelijk van de grondsoort. Stel de druk op de exacteg zodanig is, dat na het bedekken van het zaad geen grondruggetjes op het veld achterblijven. Afb. 73 Bij een correcte instelling moeten de tanden van de exacteg horizontaal op de grond rusten en 5-8 cm vrij van de grond zitten. Afstand "A" 230 tot 280 mm Afb Achteruitrijbeveiliging Die zaaimachine altijd oplichten voordat met de tractor achteruit wordt gereden. Raakt de zaaimachine een voorwerp bij het achteruitrijden, dan ontwijken de exactegtanden de hindernis naar beneden (zie Afb. 75). Bij het vooruitrijden gaan de exactegtanden weer in de werkstand. Afb D9 BAH
71 Opbouw en werking Centrale instelling exactegdruk De druk op de exacteg wordt geregeld door trekveren, die centraal worden gespannen met een hendel (Afb. 76/1). De hendel steunt in het verstelelement tegen een pen (Afb. 76/2). Hoe hoger de pen in de gatenplaat is gestoken, des te hoger is de druk op de exacteg. Afb Hydraulische instelling exactegdruk (optie) Bij de overgang van normale grond naar zware grond en omgekeerd kan de druk van de exacteg tijdens het werken op de bodemgesteldheid worden aangepast. De exactegdruk wordt centraal met een hydraulische cilinder ingesteld, die samen met de hydraulische afstandsinstelling zaaihoeveelheid (optie) en de hydraulische instelling zaaischijfdruk (optie) op regeleenheid 2 is aangesloten. Bij het verhogen van de zaaihoeveelheid via de hydraulische afstandsinstelling zaaihoeveelheid wordt automatisch meer zaaischijfdruk gegeven en de druk van de exacteg neemt toe. Twee pennen (Afb. 77/1) in een verstelsegment dienen als aanslag voor de hendel (Afb. 77/2). Wanneer de regeleenheid 2 onder druk komt neemt de exactegdruk toe en de hendel ligt tegen de bovenste pen aan. In neutrale stand ligt de hendel tegen de onderste pen aan. Afb. 77 D9 BAH
72 Opbouw en werking 5.11 Rolleneg (optie) De Rolleneg bestaat uit egtanden (Afb. 78/1), aandrukrollen (Afb. 78/2). De egtanden sluiten de zaaivoren. De aandrukrollen drukken het zaad tegen de voorbodem. Door de betere bodemsluiting is er meer vocht voor het kiemen beschikbaar. Holle ruimten worden afgesloten en maken het eventuele slakken moeilijk om bij het zaaigoed te komen. In te stellen is: de rollendruk op de grond; de verticale egtandenverstelling; de arbeidsintensiteit van de egtanden. Afb Sleeptandeneg (optie) De sleeptandeneg (Afb. 79/1) bedekt het in de zaaivoor geplaatste zaaigoed met losse aarde. De sleeptandeneg wordt in geploegde grond toegepast. Instelbaar is de verticale egtandenverstelling. Afb D9 BAH
73 Opbouw en werking 5.13 Zaaimachine-grondwoelers (optie) De grondwoeler (Afb. 80/1) maakt de aarde achter de wielen van de zaaimachine los. De zaaischijftop wijkt uit bij botsing op stenen; klapt bij het stoppen van de machine automatisch naar boven. De werkdiepte resp. de werkintensiteit van de grondwoeler is instelbaar. Op velden met veel organische massa wordt de grondwoeler eenvoudig weggenomen. Afb Tractor-grondwoelers (optie) De tractor-grondwoeler maakt het vast gereden tractorspoor los of bedekt deze met losse grond. Afhankelijk van het type machine en het toepassingsgebied, worden twee uitvoeringen toegepast Afb. 81 De draaibaar gelagerde tractor-grondwoeler voor het bereiken van ontoegankelijke plaatsen Afb. 82 De versterkte tractor-grondwoeler Afb. 81 Afb. 82 D9 BAH
74 Opbouw en werking 5.15 Markeur De markeurs zijn aan de zaaimachine (zie Afb. 83) of aan de grondbewerkingsmachine (zie Afb. 84) bevestigd. De hydraulisch bediende markeurs maken afwisselend rechts en links naast de machine een spoor in de grond. De actieve markeur maakt hierbij een markering. De bestuurder van de tractor kan deze markering gebruiken om na het keren op de wendakker correct aan te sluiten op eerder gezaaide rijen. De bestuurder moet de markering precies in het midden van de tractor te houden. Afb. 83 Afb. 84 Bij bediening van de tractorregelklep wordt bij het begin van de werkzaamheden de markeur in de werkstand neergelaten; op de wendakker de actieve markeur opgelicht; na het keren de tegenoverliggende markeur in de werkstand neergelaten. Instelbaar zijn: Zaaimachines D9 Special kunnen een hydraulisch bediende schakelautomaat (Afb. 85/1) hebben. De schakelautomaat is centraal opgesteld en verdraait de markeurs via kabels. de lengte van de markeurs; de arbeidsintensiteit van de markeurs, afhankelijk van de grondsoort. Afb D9 BAH
75 Opbouw en werking 5.16 Rijpadmarkeerapparaat (optie) Bij het aanleggen van rijpaden dalen de spoorschijven (Afb. 86) automatisch en markeren het net aangelegde rijpad. Hierdoor zijn de rijpaden al zichtbaar voordat het gewas is opgekomen. Instelbaar zijn: spoorbreedte van het rijpad arbeidsintensiteit van de spoorschijven Als er geen rijpad wordt aangelegd, zijn de spoorschijven opgelicht. Afb Rijpadschakeling - opbouw en werking Voor het aanmaken van een bepaalde rijpadafstand moet de schakelkast met het daarvoor geschikte verdeelwiel (Afb. 87/1) zijn uitgerust; in de boordcomputer de juiste rijpadenschakeling worden gekozen. Bij het aanleggen van de rijpaden toont de rijpadenteller het rijpadaantal "0" o o in de schakelkast op het computerdisplay wordt de koppeling (Afb. 88/2) met een hendel (Afb. 88/3) bediend blijft de aandrijfas (Afb. 88/1) van de rijpadenzaaiwielen stilstaan wordt er door de kouters niet gezaaid. Afb. 87 Afb. 88 D9 BAH
76 Opbouw en werking Hydraulische bediening Afb. 89 De aandrijving van de overbrengingsas voor de rijpadenzaaiwielen wordt via een koppeling bij- of afgeschakeld. Een hendel (Afb. 89/1) bedient de koppeling (Afb. 89/2). De hendel wordt door de hydraulische cilinder (Afb. 90/1) in de schakelkast bediend. Afb D9 BAH
77 Opbouw en werking Het instelwiel (Afb. 91/1) in de schakelkast toont het aantal rijpaden. Ingesteld wordt het aantal rijpaden door de aan de bedieningshendel te trekken (Afb. 91/2). De kabel (Afb. 91/2) is bedoeld voor het bedienen van de bedieningshendel vanaf de bestuurderszitplaats. Afb. 91 Elektronische bediening De aandrijving van de overbrengingsas voor de rijpadenzaaiwielen wordt via een koppeling bij- of afgeschakeld. Een hendel aan de magneetschakelaar (Afb. 92/2) bedient de koppeling (Afb. 92/1). De boordcomputer stuurt de magneetschakelaar. De boordcomputer geeft alarm, wanneer de overbrengingsas, die de rijpadenzaaiwielen aandrijft niet correct werkt. Nodig is de zaaiasbewaking (optie). Afb Halfzijdige zaaiasafschakeling Met de zaaiasafschakelkoppeling (Afb. 93) kan de linker zaaiashelft worden uitgeschakeld en kan de zaaigoedtoevoer naar de zaaischijven worden onderbroken. Wanneer ook de rijpadenzaaiwielen niet moeten zaaien, dan moeten de blokkeerschuiven naar de rijpadenzaaiwielen worden gesloten. Afb. 93 D9 BAH
78 Inbedrijfstelling 6 Inbedrijfstelling Dit hoofdstuk voorziet u van informatie over het in bedrijf stellen van uw machine; de wijze waarop u kunt controleren of u de machine aan uw tractor kunt aansluiten/aankoppelen. Voor het inbedrijfstellen van de machine moet de gebruiker deze handleiding hebben gelezen en begrepen. Raadpleeg het hoofdstuk "Veiligheidsinstructies voor de gebruiker", bij het o o o aan- en afkoppelen van de machine; transporteren van de machine; werken met de machine. De tractor waarop u de machine aankoppelt of waarmee u de machine transporteert dient daartoe geschikt te zijn. Tractor en machine dienen te voldoen aan de wettelijke verkeersvoorschriften. Zowel de eigenaar als bestuurder zijn ervoor verantwoordelijk dat de machine voldoet aan de nationale verkeersvoorschriften. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, scharen, snijden, naar binnen trekken en vastgrijpen bij de hydraulische of elektrische onderdelen. Blokkeer geen bedieningshendels op de tractor als deze hendels hydraulische of elektrische functies direct uitvoeren, zoals in- en uitklappen, draaien en verschuiven. De beweging moet automatisch stoppen zodra u de betreffende bedieningshendel bijbehorende regelelement loslaat. Dit geldt niet voor bewegingen van inrichtingen die continu zijn of automatisch geregeld zijn of voor hun werking een zweefstand of drukstand nodig hebben. 78 D9 BAH
79 Inbedrijfstelling 6.1 Controleren of de tractor geschikt is WAARSCHUWING Het negeren van de gebruiksvoorschriften kan leiden tot gevaar voor breuk, onvoldoende stabiliteit en onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Controleer of uw tractor geschikt is voordat u de machine aan de tractor koppelt. Koppel de machine uitsluitend aan tractoren die daartoe geschikt zijn. Voer een remmentest uit om te controleren of de tractor ook met aangekoppelde machine over voldoende remvermogen beschikt. Voor de geschiktheid van uw tractor zijn in het bijzonder de volgende voorwaarden van belang: het toelaatbare totaalgewicht de toelaatbare asbelastingen de toelaatbare oplegdruk op het koppelingspunt van de tractor de draagvermogens van de gemonteerde banden het toelaatbare trekgewicht dient voldoende te zijn Deze gegevens staan op het typeplaatje of op het kentekenbewijs en in de bedieningshandleiding van de tractor. De vooras van de tractor dient altijd met tenminste 20% van het eigen gewicht van de tractor belast te zijn. De tractor dient de door de tractorfabrikant voorgeschreven remvertraging ook te realiseren als de machine is aangekoppeld. D9 BAH
80 Inbedrijfstelling Berekenen van de daadwerkelijke waarden voor het totale gewicht van de tractor, de belastingen van de tractorassen, de draagvermogens van de banden en het minimaal benodigde ballastgewicht Het toelaatbare totaalgewicht van de tractor, aangegeven in het kentekenbewijs, dient hoger te zijn dan de som van leeggewicht van tractor, ballastgewicht en het totale gewicht van de aangebouwde machine of oplegdruk van de aangekoppelde machine. Deze opmerking geldt alleen voor Duitsland. Als het, ondanks het ten volle benutten van alle mogelijkheden die in redelijkheid gevergd kunnen worden, niet mogelijk is om de asbelastingen en/of het toelaatbare totaalgewicht aan te houden, kan op basis van een rapport van een officieel erkende deskundige voor het autoverkeer met toestemming van de tractorfabrikant de volgens het deelstaatrecht verantwoordelijke overheidsinstantie een speciale vergunning volgens 70 StVZO alsmede de noodzakelijke toestemming volgens 29 alinea 3 StVO verlenen. 80 D9 BAH
81 Inbedrijfstelling Benodigde gegevens voor de berekening (aangebouwde machine) Fig. 94 T L [kg] Eigen gewicht van tractor zie bedieningshandleiding van tractor of kentekenbewijs [kg] Voorasbelasting van de lege tractor T V T H G H G V [kg] Achterasbelasting van de lege tractor [kg] Totale gewicht van de aangehangen machine of gewicht achter [kg] Totale gewicht front aanbouwmachine of frontgewicht zie hoofdstuk Technische gegevens voor berekening van het tractorgewicht en de asbelasting van de tractor, op pagina 49, of gewicht achter zie technische gegevens frontaanbouwmachine of frontgewicht a a 1 [m] Afstand tussen zwaartepunt frontaanbouwmachine of frontgewicht en het midden van de vooras (totaal a 1 + a 2 ) [m] Afstand tussen het midden van de vooras en het midden van het aansluitpunt van de trekstang zie technische gegevens van de tractor en frontaanbouwmachine of frontgewicht of opmeten zie bedieningshandleiding van tractor of opmeten a 2 [m] Afstand tussen het midden van het aansluitpunt van de trekstangen en het zwaartepunt van de frontaanbouwmachine of frontgewicht (zwaartepuntafstand) zie technische gegevens van de frontaanbouwmachine of frontgewicht of opmeten b [m] Wielbasis van de tractor zie bedieningshandleiding van tractor of kentekenbewijs of opmeten c d [m] Afstand tussen midden achteras en midden van aansluitpunt van trekstang [m] Afstand tussen hart bevestigingskogels van de hefarmen en zwaartepunt van de driepuntsmachine / ballast achter zie bedieningshandleiding van tractor of kentekenbewijs of opmeten zie hoofdstuk "Technische gegevens voor berekening van het tractorgewicht en de asbelasting van de tractor", op pagina 49 D9 BAH
82 Inbedrijfstelling Berekening van het vereiste minimale ballastgewicht voor G V min om de bestuurbaarheid te waarborgen G G = ( c + d) -T a H V V min + b + 0,2 TL b b Voer de waarde van het berekende minimale ballastgewicht G V min, dat aan de voorzijde van de tractor nodig is, in de tabel (hoofdstuk ) in Berekening van de werkelijke voorasbelasting T V tat T V tat G = V ( a + b) + TV b - GH ( c + d) b Voer de waarde van de berekende daadwerkelijke voorasbelasting en de in de bedieningshandleiding van de tractor genoemde toelaatbare voorasbelasting in de tabel (hoofdstuk ) in Berekening van het werkelijke totale gewicht van de tractor-machine combinatie G = G + T + G tat V L H Voer de waarde van het berekende daadwerkelijke totaalgewicht en het in de bedieningshandleiding van de tractor genoemde toelaatbare totaalgewicht van de tractor in de tabel (hoofdstuk ) in Berekening van de werkelijke belasting van de achteras T H tat T = G -T H tat tat V tat Voer de waarde van de berekende daadwerkelijke achterasbelasting en de in de bedieningshandleiding van de tractor genoemde toelaatbare achterasbelasting in de tabel (hoofdstuk ) in Draagvermogen van de banden Voer de dubbele waarde (twee banden) van het toelaatbare draagvermogen van de band (zie bijv. documentatie van de bandenfabrikant) in de tabel (hoofdstuk ) in. 82 D9 BAH
83 Inbedrijfstelling Tabel Daadwerkelijke waarde volgens berekening Toelaatbare waarde volgens bedieningshandleiding van tractor Dubbel toelaatbaar draagvermogen (twee banden) Minimaal ballastgewicht voor/achter / kg Totaalgewicht kg kg -- Voorasbelasting kg kg kg Achterasbelasting kg kg kg Raadpleeg het kentekenbewijs van uw tractor voor de toelaatbare waarden voor het totaalgewicht van de tractor, de asbelastingen en het draagvermogen van de banden. De daadwerkelijke, berekende waarden dienen kleiner of gelijk ( ) te zijn aan de toelaatbare waarden! WAARSCHUWING Gevaren door beknelling, snijden, gegrepen worden, intrekking en stoten door onvoldoende stabiliteit alsook door onvoldoende bestuurbaarheid en remvermogen van de tractor. Het is verboden om de machine aan te koppelen aan de tractor waarop de berekening is gebaseerd, als ook slechts één van de daadwerkelijke, berekende waarde groter is dan de toelaatbare waarde. aan de tractor geen frontgewicht (indien nodig) voor het minimaal benodigde ballastgewicht voor (G V min ) is bevestigd. Verzwaar uw tractor met een frontgewicht of een gewicht achter, wanneer de asbelasting van de tractor slechts op één as wordt overschreden. Uitzonderingen: o o Bereikt u met het gewicht van de front aanbouwmachine (G V niet het vereiste minimale gewicht op de vooras (G V min ), dan moet de front aanbouwmachine met extra frontgewichten worden verzwaard! Bereikt u met het gewicht van de aangekoppelde machine achter (G H ) niet de vereiste minimale belasting van de achteras (G H min ), dan moet de machine achter met extra hulpgewichten worden verzwaard. D9 BAH
84 Inbedrijfstelling 6.2 Tractor/machine beveiligen tegen onbedoeld starten en wegrollen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, scharen, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten bij handelingen aan de machine door onbedoeld zakken van de door de driepuntshydraulica van de tractor opgeheven, onbeveiligde machine; onbedoeld zakken van opgeheven, onbeveiligde onderdelen; onbedoeld starten en wegrollen van de tractor/machine combinatie. Beveilig de tractor en de machine tegen onbedoeld starten en wegrollen voordat u handelingen aan de machine uitvoert. Alle handelingen aan de machine, zoals montagewerkzaamheden, instellen, verhelpen van storingen, reinigen, uitvoeren van service- en onderhoudswerkzaamheden, zijn verboden als de machine nog wordt aangedreven; zolang de tractormotor met aangesloten hydraulisch systeem loopt; als de contactsleutel in het contactslot van de tractor zit en de tractormotor bij aangesloten aandrijfas / hydraulisch systeem onbedoeld kan worden gestart; wanneer de tractor niet met de handrem tegen onbedoeld wegrollen is beveiligd; wanneer bewegende onderdelen niet tegen onbedoeld bewegen zijn geblokkeerd. Vooral bij deze werkzaamheden bestaat er gevaar door contact met onbeveiligde onderdelen. 1. Parkeer de tractor met de machine alleen op een vaste en vlakke bodem. Laat de opgetilde, onbeveiligde machine/opgetilde, onbeveiligde machinedelen zakken. Æ Op deze wijze voorkomt u dat zij onbedoeld zakken. 2. Zet de motor van de tractor uit. 3. Verwijder de contactsleutel. 4. Trek de handrem van de tractor aan. 84 D9 BAH
85 6.3 Eerste montage van de houders voor de beschermstrip voor de verkeersveiligheid Twee houders (Afb. 95/1) op de exacteg (Afb. 95/2) schroeven. Inbedrijfstelling De beschermstrip voor de verkeersveiligheid (Afb. 96/2) tijdens het werken aan de houders (Afb. 96/1) bevestigen. Afb. 95 Afb Eerste montage van de boordcomputer bedieningsterminal De bedieningsterminal van de boordcomputer aan de hand van de bijbehorende bedieningshandleiding in de tractorcabine monteren. D9 BAH
86 Machine aan- en afkoppelen 7 Machine aan- en afkoppelen Raadpleeg bij het aan- en afkoppelen van machines het hoofdstuk "Veiligheidsinstructies voor de gebruiker". VOORZICHTIG Schakel de boordcomputer uit voor transportritten voor instel-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden. Gevaar voor ongevallen door onbedoeld in beweging zetten van machinecomponenten bij wielbeweging. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken door onbedoeld starten en wegrollen van de machine en tractor bij het aan- of afkoppelen van de machine! Beveilig de tractor en machine tegen onbedoeld starten en wegrollen, voordat u voor het aan- of afkoppelen in de gevarenzone tussen tractor en machine gaat staan. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken tussen de achterzijde van de tractor en de machine bij het aan- en afkoppelen van de machine! Bedien de bedieningshendels voor de driepuntshydraulica van de tractor alleen vanaf de daarvoor bestemde werkplek; nooit wanneer u zich in de gevarenzone tussen tractor en machine bevindt. WAARSCHUWING Infectiegevaar door hydraulische olie die onder hoge druk naar buiten stroomt! Bij het aansluiten en loskoppelen van de hydraulische slangleidingen moet het hydraulische systeem van zowel de tractor als van de machine drukloos zijn. Raadpleeg bij letsel door hydraulische olie direct een arts. 86 D9 BAH
87 Machine aan- en afkoppelen 7.1 Aansluitingen uitvoeren Hydraulische slangleidingen Alle hydraulische slangleidingen zijn voorzien van grepen. Op de grepen bevinden zich kleurmarkeringen met een markeringsgetal of -letter, om de betreffende hydraulische functie van de persleiding aan een tractorregeleenheid toe te kennen! Bij de markeringen is folie op de machine gelijmd, die de betreffende hydraulische functies verduidelijken. Afhankelijk van de hydraulische functie moet de tractorregeleenheid met verschillende bedieningstypen worden gebruikt. Borgend, voor een permanente oliecirculatie Tippend, bedienen, tot de actie is uitgevoerd Zweefstand, vrije oliestroom in regeltoestel 1. Tractorregeleenheid blauw bedienen Æ Zaaischijfdruk wordt verhoogd. D9 BAH
88 Machine aan- en afkoppelen Omschrijving Werking Tractorregeleenheid Markeurbevestiging aan de zaaimachine AD geel Markeur 1) Schakelkast 1) links optillen rechts optillen teller verhogen enkelvoudig werkend Rijpadmarkering 1) omhoog/omlaag Markeurbevestiging aan de grondbewerkingsmachine KE/KG geel Markeur Schakelkast 1) links optillen rechts optillen teller verhogen enkelvoudig werkend Rijpadmarkering 1) omhoog/omlaag Zaaischdr. blauw Exactegdruk verhogen enkelvoudig werkend Instelling zaaihoeveelheid 1) Wanneer de zaaimachine in combinatie met een grondbewerkingsmachine wordt gebruikt, dan zijn slangverlengingen noodzakelijk. Tijdens de werkzaamheden wordt regeleenheid geel van de tractor vaker gebruikt dan alle andere regeleenheden. Wijs de aansluitingen van regeleenheid geel toe aan een regeleenheid die in de cabine van de tractor gemakkelijk te bereiken is. 88 D9 BAH
89 Machine aan- en afkoppelen Hydraulische slangleidingen aansluiten WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten door functiestoringen als gevolg van verkeerd aangesloten hydraulische slangleidingen! Let bij het aansluiten van de hydraulische slangleidingen op de kleurmarkeringen op de hydraulische stekers. Controleer of de hydraulische oliën onderling compatibel zijn voordat u de machine aansluit op het hydraulische systeem van de tractor. Meng geen minerale olie met biologische olie! Neem de maximaal toelaatbare oliedruk van 210 bar in acht. Maak hydraulische koppelingen schoon voordat u ze op de tractor aansluit. Al een geringe olieverontreiniging als gevolg van vuildeeltjes kan tot uitval van het hydraulische systeem leiden. Steek hydraulische stekers zo ver in de hydraulische moffen dat de steker duidelijk vastklikt. Controleer of de hydraulische slangleidingen correct zijn aangesloten en goed afdichten. 1. Zet de bedieningshendel op de regeleenheid in de tractor in de neutrale stand. 2. Reinig de hydraulische steker van de hydraulische slangleidingen voordat u de hydraulische slangleidingen op de tractor aansluit. 3. Sluit de hydraulische slangleidingen aan op de regeleenheden van de tractor. Afb. 97 D9 BAH
90 Machine aan- en afkoppelen Hydraulische slangleidingen loskoppelen 1. Zet de bedieningshendel op de regeleenheid in de tractor in de neutrale stand. 2. Verwijder de hydraulische stekers uit de hydraulische moffen. 3. Bescherm de hydraulische stekers en hydraulische aansluitingen met de beschermkappen tegen verontreiniging. 4. Leg de hydraulische slangleidingen in de slanghouder. Afb Andere aansluitingen uitvoeren 1. Machinestekker 1) voor boordcomputer AMACO, AMALOG +, AMATRON + 2. Stekker rijverlichting (7-polig) 3. alleen schakelkasten: de kabel (Afb. 99/1) voor het bedienen van de bedieningshendel (Afb. 99/2) in de tractorcabine installeren. 1.) Afb. 99 Bevestig de machinestekker op de bedieningsterminal in de tractorcabine zoals in de betreffende bedieningshandleiding staat beschreven. Controleer de werking van de verlichting. 90 D9 BAH
91 Machine aan- en afkoppelen 7.2 Machine aankoppelen WAARSCHUWING Het negeren van de gebruiksvoorschriften kan leiden tot gevaar voor breuk, onvoldoende stabiliteit en onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Koppel de machine uitsluitend aan tractoren die daartoe geschikt zijn. Zie hoofdstuk "Controleren of de tractor geschikt is", op pagina 79. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken tussen tractor en machine bij het aankoppelen van de machine! Stuur personen weg uit de gevarenzone tussen tractor en machine voordat u naar de machine rijdt. Aanwezige personen mogen alleen aanwijzingen naast de tractor en de machine aanwijzingen geven en pas na stilstand tussen tractor en machine gaan staan. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten als de machine onbedoeld loskomt van de tractor! Gebruik de daartoe bestemde inrichtingen om de tractor en machine in overeenstemming met de voorschriften aan elkaar te koppelen. Gebruik alleen de bijgeleverde bouten van de topstang en trekstang voor het koppelen van de machine. Let er bij het aankoppelen van de machine op de driepuntshydraulica van de tractor op dat de aanbouwcategorieën van tractor en machine met elkaar overeenkomen. Borg de bouten van de topstang en trekstang met een lunspen tegen onbedoeld losgaan. Controleer elke keer bij het aankoppelen van de tractor of de bouten van de topstang en trekstang zich in goede staat bevinden. Vervang bouten van de topstang en trekstang met duidelijke slijtagesporen. WAARSCHUWING Gevaar voor uitval van de energietoevoer tussen tractor en machine door beschadigde voedingskabels! Let bij het aansluiten van de voedingsleidingen op het verloop van de voedingsleidingen. De voedingsleidingen moeten bij alle bewegingen van de gekoppelde machine soepel meegeven. mogen niet langs onderdelen schuren. D9 BAH
92 Machine aan- en afkoppelen 1. De bouten van de topstang en trekstangen met kogelhulzen uitrusten. Afhankelijk van het model passen de kogelhulzen alleen bij een bepaald type tractor en moeten bij de tractorfabrikant worden aangevraagd. De categorie van de trekbalk vindt u in uw besteldocumentatie onder het hoofdstuk "Technische gegevens". 2. De bouten van de topstang en trekstangen met lunspennen borgen. Afb. 100 De aanbouwcategorieën van tractor en machine moeten overeenstemmen. Kogelhulzen cat. 2-3 gebruiken, wanneer de zaaimachine cat. 2 is en de tractor cat. 3 heeft. De topstangbouten zodanig plaatsen, dat de topstang ongeveer horizontaal verloopt. De vereiste hefkracht voor het oplichten van de machine is het laagst, als de topstang horizontaal loopt. 3. Stuur personen weg uit de gevarenzone tussen tractor en machine voordat u naar de machine rijdt. 4. Rijd met de tractor zodanig naar de machine, o o dat er een ruimte (ca. 25 cm) tussen tractor en machine overblijft dat de haken van de trekstangen in één lijn staan met de koppelingspunten van de machine. 5. Beveilig de tractor tegen onbedoeld starten en wegrollen. Afb D9 BAH
93 Machine aan- en afkoppelen Æ 6. Sluit de voedingsleidingen van de tractor aan (zie hoofdstuk "Overzicht voedingsleidingen tussen tractor en machine"). 7. Open de borging van de trekstangen van de tractor, d.w.z. dat zij gereed dienen te zijn om te koppelen. 8. Rijd de tractor achteruit naar de machine, zodat de trekstanghaken van de machine over de onderste koppelingspunten van de tractor vallen. De haken van de trekstangen vergrendelen automatisch. 9. Koppel de topstang aan het bovenste koppelingspunt van de machine vanaf de bestuurderszitplaats. Æ De haak van de topstang vergrendelt automatisch. 10. Controleer visueel of de haken van de trekstangen en topstang correct zijn vergrendeld. D9 BAH
94 Machine aan- en afkoppelen 7.3 Machine afkoppelen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken en stoten door onvoldoende stabiliteit en omkantelen van de afgekoppelde machine! Maak de zaadkast leeg en plaats de zaaimachine op een horizontaal oppervlak met vaste ondergrond. 1. Til de markeurs op en borg deze met lunspennen (zie hoofdstuk "Markeur in werk-/transportstand brengen" op pagina 119). 2. Maak de zaadkast leeg (zie hoofdstuk "Zaadkast en zaaibehuizing legen", op pagina 105). 3. Zet de machine op een vlakke en stevige ondergrond. 4..Ontlast de topstang. 5. Ontgrendel de topstanghaak vanaf de bestuurdersplaats en ontkoppel deze. 6. Ontlast de trekstangen. 7. Ontgrendel en ontkoppel de haken van de trekstangen vanaf de bestuurdersstoel. 8. Trek de tractor ca. 25 cm naar voren. Door de vrijkomende ruimte tussen tractor en machine ontstaat er een betere toegang voor het afkoppelen van de voedingsleidingen. 9. Beveilig de tractor/machine tegen onbedoeld starten en wegrollen. 10. Koppel de voedingsleidingen los. 11. Sluit de hydraulische stekers met beschermkappen af. 12. Bevestig de voedingsleidingen in de betreffende aansluitdozen. Afb D9 BAH
95 Instellingen 8 Instellingen GEVAAR Gevaar voor bekneld raken, schuren, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten door onbedoeld zakken van de door de driepuntshydraulica van de tractor opgeheven machine. onbedoeld zakken van opgeheven, onbeveiligde onderdelen van de machine. onbedoeld starten en wegrollen van de tractor/machine combinatie. Beveilig de tractor met de aangebouwde machine tegen onbedoeld starten en wegrollen, voordat u instellingen aan de machine uitvoert (zie hoofdstuk 6.2, op pagina 84). WAARSCHUWING Koppel de zaaimachine aan de tractor voor de instelwerkzaamheden. 8.1 Machine instellen op het zaaigoed Controleer de instellingen altijd via een afdraaiproef. Instelwerkzaamheden voor zaaigoeddosering Normaal-zaaiwiel of fijn-zaaiwiel met de aandrijving koppelen Stand blokkeerschuif Stand bodemklep Roeras o o Met de aandrijving koppelen Van de aandrijving losmaken Afdraaiproef Lees de benodigde waarde af in Tabel zaaigoedinstelwaarden (op pagina 115). De tabelwaarden zijn afhankelijk van het doseergoed. Wanneer het gewenste doseergoed niet in de tabel is opgenomen, de waarden van een ander doseergoed met gelijksoortige korrelgrootten en -vorm nemen. Controleer elke instelling via een afdraaiproef. D9 BAH
96 Instellingen Zaaien met normaal- of fijn-zaaiwiel Deze instellingen hebben invloed op de zaaihoeveelheid. Controleer de instellingen via een afdraaiproef. 1. De afdraaigoot (Afb. 103) voor de instelwerkzaamheden naar boven toe uit de houders trekken en daarna weer insteken. 1. Til de zaaimachine zo ver op, dat de wielen vrij kunnen draaien. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. De afdraaikruk (Afb. 104/1) in de vierkante buis op het rechterwiel steken. Afb Draai het zaaimachinewiel zover rechtsom, tot de boringen (Afb. 105/1) van de fijnzaaiwielen zichtbaar zijn. 5. Laat de zaaimachine zakken. 6. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. Afb. 104 Afb D9 BAH
97 Instellingen Zaaien met normaal-zaaiwielen 1. Draai het normaal-zaaiwiel zover met de hand op de zaaias, tot de pen (Afb. 106/1) in de boring zichtbaar is. 2. Druk de pen met de meegeleverde sleutel (Afb. 107/1) tegen het fijn-zaaiwiel. 3. Controleer de verbinding. 4. Stel alle zaaiwielen op dezelfde wijze af. Afb. 106 Afb. 107 Zaaien met fijn-zaaiwielen 1. Met de meegeleverde sleutel (Afb. 108/1) de pen achter de boring tot aan de aanslag in het normaal-zaaiwiel drukken. 2. Controleer, of het normaal-zaaiwiel vrij kan draaien op de zaaias. 3. Stel alle zaaiwielen op dezelfde wijze af. Afb. 108 D9 BAH
98 Instellingen Zaaien met bonenzaaiwielen (optie) Deze instellingen hebben invloed op de zaaihoeveelheid. Controleer de instellingen via een afdraaiproef. De bonenzaaiwielen kunnen na demontage van de zaaias tegen de normaal- of fijn-zaaiwielen worden uitgewisseld of samen met een tweede zaaias worden gemonteerd. Laat de bonenzaaiwielen altijd in een vakgarage monteren (zie hoofdstuk "Bonenzaaiwielen monteren", op pagina 179). Afb D9 BAH
99 Instellingen Blokkeerschuif instellen Deze instelling heeft invloed op de zaaihoeveelheid. Controleer de instelling via een afdraaiproef. 1. De afdraaigoot (Afb. 52) voor de instelwerkzaamheden naar boven toe uit de houders trekken en daarna weer insteken. 2. De blokkeerschuif (Afb. 111) aan de hand van de tabel "instelwaarde" (op pagina 115) instellen. Afb. 110 De blokkeerschuif (Afb. 111) borgt in één van de drie posities: A = gesloten B = 3/4 open C = open 3. De blokkeerschuif naar de zaaibehuizingen, die niet nodig zijn, sluiten. Afb. 111 D9 BAH
100 Instellingen Bodemklephendel instellen Deze instellingen hebben invloed op de zaaihoeveelheid. Controleer de instellingen via een afdraaiproef. 1. Plaats de bodemklephendel (Afb. 112/1) in een van de 8 posities. 2. De bodemklephendel met een lunspen (Afb. 112/2) borgen. Afb Digitale niveausensor instellen De hoogtepositie van de niveausensor kan alleen bij een lege zaadkast worden ingesteld. De niveausensor mag de wand niet raken. 1. De hoogtepositie van de niveausensor (Afb. 113/1) instellen overeenkomstig de gewenste resterende hoeveelheid zaaigoed. 2. Draai de vleugelmoer (Afb. 113/2)vast. Afb D9 BAH
101 Instellingen Koolzaadelement monteren De aandrijving van de roeras uitschakelen voor de inbouw van het koolzaadelement in de zaadkast. 1. De aandrijving van de roeras uitschakelen (zie hoofdstuk "Roerasaandrijving in- en uitschakelen", op pagina 102). 2. Roerpennen (Afb. 114/2) van de roeras verticaal plaatsen. 3. De koolzaadelementprofielen (Afb. 114/1) met klemmen (Afb. 114/3) in de zaadkast bevestigen [zie montagetekening (Afb. 115)]. De koolzaadelementprofielen steunen op de roeras. Afb. 114 D D D D [mm] æ [mm] æ 255 æ 755 Profiellengte "L" 3 [mm] [mm] æ 255 æ Klemmen [stuks] Afb. 115 D9 BAH
102 Instellingen Roerasaandrijving in- en uitschakelen Deze instelling heeft invloed op de zaaihoeveelheid. Controleer de instelling via een afdraaiproef. De roeras wordt aangedreven, wanneer de lunspen (Afb. 116/1) in de boring van de holle as van de transmissie steekt. De roeras staat stil, wanneer de lunspen uit de boring van de holle as van de transmissie is getrokken. De lunspen (Afb. 117/1) voor het parkeren in de boring van de nevenas plaatsen. Afb. 116 Afb. 117 De roeras weer met de aandrijving verbinden na het zaaien. Bij het zaaien van speciale zaaigoederen met stilstaande roeras kan zaaigoedopstopping in de zaadkast en daardoor verkeerd zaaien optreden. 102 D9 BAH
103 Instellingen 8.2 Zaadkast vullen GEVAAR Vóór het vullen van de zaadkast de zaaimachine aan de tractor koppelen. Neem de toelaatbare vulhoeveelheden en totaalgewichten in acht. 1. Ontgrendel het trapje. 2. Klap het trapje omlaag. Afb Stap via het trapje op de laadrand. Afb. 119 Afb. 120 D9 BAH
104 Instellingen 4. Open het deksel van de zaadkast via de greep. 5. De hoogtepositie van de niveausensoren (Afb. 122) instellen overeenkomstig de gewenste resterende hoeveelheid zaaigoed. Afb Vul de zaadkast. De laadhulp (Afb. 123/1) is als optie leverbaar. Afb. 122 Afb. 123 Plaats bij het vullen van de zaadkast geen zware objecten op de vlotter van de niveau-indicatie. Let erop voor het sluiten van het deksel van de zaadkast, dat de vlotter op het zaaigoed rust. Afb D9 BAH
105 Instellingen 8.3 Zaadkast en zaaibehuizing legen GEVAAR Adem het giftige stof van ontsmettingsmiddel niet in en laat het niet in contact komen met het lichaam. Bij het leegmaken van de zaadkasten en zaaibehuizingen en bij het verwijderen van ontsmettingsmiddelstof, bv. met perslucht, moet een beschermend pak, een veiligheidsmasker, een veiligheidsbril en handschoenen worden gedragen. GEVAAR Koppel de zaaimachine voor het leegmaken van de zaadkast aan de tractor. 1. Koppel de zaaimachine aan de tractor. 2. De tractor en de machine beveiligen tegen onbedoeld straten en onbedoeld in beweging zetten. 3. De zaadkast leegmaken, zoals in hoofdstuk "Zaaihoeveelheid instellen met afdraaiproef", op pagina 107 staat beschreven. Afb. 125 D9 BAH
106 Instellingen 4. De afdraaigoot (Afb. 126/1) op de trechterrail plaatsen. 5. De bodemklephendel in gat 1 plaatsen. 6. Alle blokkeerschuiven openen. 7. De bodemklephendel over de gatengroep heen wegdraaien. Æ De bodemklep openen Æ Het zaadgoed stroomt in de afdraaigoot. 8. De bodemklephendel in gat 1 plaatsen, zodra de afdraaigoten zijn gevuld. 9. De afdraaigoten leegmaken. 10. Herhaal de procedure net zolang, tot de zaadkast leeg is. 11. De zaaibehuizingen (Afb. 127/1) door draaien van het zaaimachinewiel met de afdraaikruk zo vaak vullen, tot de zaaibehuizingen leeg zijn. 12. De zaadkast en de dosering reinigen. 13. De bodemklephendel in gat 8 borgen, wanneer de machine gedurende een langere periode wordt weggezet. 14. De afdraaigoten aan de zaadkast bevestigen. 15. De trechterrail naar boven schuiven, tot deze hoorbaar vastklikt. Afb. 126 Afb. 127 Open de bodemklep, wanneer de zaaimachine gedurende een langere periode niet wordt gebruikt. Bij gesloten bodemklep bestaat het gevaar, dat muizen proberen in de tank te komen, omdat het ook in een lege tank ruikt naar graan. Bij een gesloten bodemklep vreten de dieren onder bepaalde omstandigheden de bodemklep aan. 106 D9 BAH
107 Instellingen 8.4 Zaaihoeveelheid instellen met afdraaiproef Met de afdraaiproef controleert u of ingestelde en daadwerkelijke zaaihoeveelheid met elkaar overeenkomen. Voer de afdraaiproef altijd uit als u een ander soort zaad gaat gebruiken; bij dezelfde zaadsoort, maar met verschillende korrelgrootten, korrelvormen, specifiek gewicht en andere ontsmetting na het omschakelen van normaal-zaaiwiel naar fijn-zaaiwiel of bonenzaaiwiel en omgekeerd na het verstellen van de o o Bodemklep Blokkeerschuif na het in- resp. uitschakelen van de roeras. 1. Koppel de zaaimachine aan de tractor. 2. Beveilig de tractor tegen onbedoeld starten en in beweging komen. 3. De zaadkast minimaal 1/3 tankvolume (bij fijn zaad overeenkomstig minder) met zaaigoed vullen. 4. De veerbelaste hendel (Afb. 128/1) zijwaarts uit de borging trekken. 5. De trechterrail (Afb. 129/1) neerlaten. Afb. 128 Afb. 129 D9 BAH
108 Instellingen 6. De afdraaigoten naar boven toe uit de houders trekken. 7. De afdraaigoten op de trechterrail plaatsen. Afb. 130 Afb. 131 De rijpadenteller mag tijdens de afdraaiproef geen "0" aanwijzen. De rijpadenteller eventueel doorschakelen. Wanneer de rijpadenteller op "0" staat wordt geen zaaigoed door de rijpadenzaaiwielen getransporteerd wordt een verkeerde transmissiestand bepaald door verkeerde afdraaiwaarden. 8. Indien de rijpadenteller "0" aanwijst o eenmaal aan de hendel (Afb. 132/1) trekken o Zet de rijpadenteller in de boordcomputer op "1". Afb D9 BAH
109 Instellingen Wanneer de zaaimachine met de elektrische zaaihoeveelheidverstelling is uitgerust, alle overige instellingen uitvoeren zoals beschreven staan in de handleiding van de boordcomputer. Het hoofdstuk "Hydraulische afstandsinstelling zaaihoeveelheid instellen, op pagina 117 beschrijft de instelling van de transmissiehendel, bij overeenkomstige uitrusting. 9. De borgknop (Afb. 133/1) losmaken. 10. Uit de tabel (Afb. 134, hieronder) de transmissie-instelwaarde voor de eerste afdraaiproef nemen. 11. De wijzer (Afb. 133/2) van de transmissiehendel van onderen op de transmissie-instelwaarde instellen. 12. De borgknop vastzetten. Afb. 133 Transmissie-instelwaarden voor de eerste afdraaiproef Zaaien met normaal-zaaiwielen: transmissiestand "50" Zaaien met normaal-zaaiwielen: transmissiestand "15" Zaaien met bonen-zaaiwielen: transmissiestand "50" Afb Til de zaaimachine met de tractor zo ver op, tot de wielen vrij kunnen draaien. 14. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 15. De afdraaikruk (Afb. 135/1) in de vierkante buis van het rechterwiel steken. 16. Het zaaimachinewiel zo vaak draaien, tot het zaaigoed uit alle zaaibehuizingen in de afdraaigoten valt. 17. Vul de afdraaigoten door draaien van de afdraaikruk tweemaal (bij fijn zaaigoed zijn circa 200 krukslagen voldoende). Afb. 135 Het voordraaien stelt dezelfde omstandigheden in, als bij het later rijden op het veld. D9 BAH
110 Instellingen 18. De afdraaigoten in de zaadkast leegmaken en weer op de trechterrails plaatsen. 19. Het rechter zaaimachinewiel met het in de tabel (Afb. 137) aangegeven aantal krukslagen rechtsom verdraaien. 20. Weeg de in de afdraaigoten opgevangen hoeveelheid zaaigoed. De weegschaal controleren op aanwijsnauwkeurigheid en rekening houden met het tankgewicht. 21. De zaaihoeveelheid [kg/ha] uit het gewicht van de opgevangen zaaigoedhoeveelheid berekenen (zie onder) o o met de factor 40 (bij 1/40 ha) of met de factor 10 (bij 1/10 ha). Afb. 136 Afdraaien op 1/40 ha: Zaaihoeveelheid [kg/ha] = afgedraaide zaaigoedhoeveelheid [kg/ha] x 40 Afdraaien op 1/10 ha: Zaaihoeveelheid [kg/ha] = afgedraaide zaaigoedhoeveelheid [kg/ha] x 10 Voorbeeld: afgedraaide zaaigoedhoeveelheid 3,2 kg op 1/40 ha Zaaihoeveelheid [kg/ha] = 3,2 [kg/ha] x 40 = 128 [kg/ha] De juiste transmissiestand met de berekende waarde van de eerste afdraaiproef met behulp van de rekenschijf bepalen (zie hoofdstuk "Bepalen van de transmissiestand met behulp van de rekenschijf", op pagina 112). 110 D9 BAH
111 Instellingen 22. De afdraaiproef tot het bereiken van de gewenste zaaihoeveelheid herhalen. 23. De afdraaigoten aan de zaadkast bevestigen. 24. De trechterrails naar boven schuiven en vastklikken. 25. De afdraaikruk in de transportstand steken. Herhaal de afdraaiproef na circa 2 ha. Het aantal krukslagen op het wiel is afhankelijk van de bandenmaat van de zaaimachine (1) de werkbreedte van de zaaimachine (2). Het aantal wielomwentelingen (3) is gerelateerd aan een oppervlak van 1/40 ha (250 m 2 ) resp. 1/10 ha (1000 m 2 ). Normaal is de afdraaiproef voor 1/40 ha. Bij zeer kleine zaaihoeveelheden, bijv. bij koolzaad, wordt geadviseerd, de afdraaiproef voor 1/10 ha uit te voeren. Afb. 137 D9 BAH
112 Instellingen Bepalen van de transmissiestand met behulp van de rekenschijf Voorbeeld: Waarden van de afdraaiproef berekende zaaihoeveelheid: kg/ha Transmissiestand: Gewenste zaaihoeveelheid: kg/ha. Æ 1. De waarden van de afdraaiproef o o berekende zaaihoeveelheid 175 kg/ha (Afb. 138/A) transmissiestand 70 (Afb. 138/B) op de rekenschijf tegenover elkaar plaatsen. 2. De transmissiestand voor de gewenste zaaihoeveelheid van 125 kg/ha (Afb. 138/C) op de rekenschijf aflezen. Transmissiestand 50 (Afb. 138/D). 3. Zet de transmissiehendel op de afgelezen waarde. 4. Controleer de transmissiestand met een afdraaiproef. Afb D9 BAH
113 Instellingen Zaaien van erwten Zaaien met normaal-zaaiwielen: Erwten met DKG onder 440 met de normaal-zaaiwielen zaaien. De maximale werksnelheid van 6 km/h niet overschrijden. Zaaien met bonenzaaiwielen: Erwten met DKG via 440 alleen met de bonenzaaiwielen uitzaaien. Erwten met vorm en afmeting, zoals in figuur (Afb. 139) getoond, stromen goed door. De roeras kan tijdens het zaaien stilstaan. Bij het zaaien van hoekig gevormde erwten, zoals in figuur (Afb. 140) getoond, moet de roeras draaien. De erwten stromen anders slecht door en hebben de neiging tot brugvorming in de zaadkast. Afb. 139 In uitzonderingsgevallen worden erwten, die met bepaalde ontsmettingsmiddelen zijn behandeld en een ongunstige vorm hebben niet uit het zaaiwiel geworpen maar komen terug in de zaadkast. Afb. 140 Hiervoor biedt de montage van fijnzaaiwielborsteld (Afb. 141/1) op alle zaaibehuizingen een oplossing. Afb. 141 D9 BAH
114 Instellingen Zaaien van bonen Zaaien van bonen tot een DKG van ca. 400 g Bonen tot een 1000 korrelgewicht (DKG) van ca. 400 g, met vorm en grootte zoals getoond in figuur (Afb. 142), kunnen probleemloos met normaal-zaaiwielen worden gezaaid. De roeras moet bij het zaaien meedraaien. Afb. 142 Zaaien van bonen met een DKG boven 400 g Voor het uitbrengen van bonen (DKG boven 400 g), met vorm en grootte als in figuur (Afb. 143) getoond, moet de zaaimachine met bonenzaaiwielen worden uitgevoerd. De roeras moet bij het zaaien meedraaien. Afb D9 BAH
115 Instellingen Tabel zaaigoedinstelwaarden Zaaig. Zaaiwiel Blokkeerschuifstand Stand bodemklep Onder DKG Boven 6g (koolzaad) 50g (graan) Roeras Rogge Normaal-zaaiwiel Open 1 2 Aangedreven Triticale Normaal-zaaiwiel Open 1 2 Aangedreven Gerst Normaal-zaaiwiel Open 1 2 Aangedreven Tarwe Normaal-zaaiwiel Open 1 2 Aangedreven Spelt Normaal-zaaiwiel Open 2 Aangedreven Haver Normaal-zaaiwiel Open 2 Aangedreven Koolzaad Fijn-zaaiwiel ¾ open 1 2 Stilgezet Kummel Fijn-zaaiwiel ¾ open 1 Stilgezet Mosterd/radijszaad Fijn-zaaiwiel ¾ open 1 Stilgezet Phacelia Normaal-zaaiwiel ¾ open 1 Aangedreven Phacelia Fijn-zaaiwiel ¾ open 1 Aangedreven Stoppelknollen Fijn-zaaiwiel ¾ open 1 Stilgezet Gras Normaal-zaaiwiel Open 2 Aangedreven Bonen, klein (DKG onder 400g) Bonen, groot (DKG tot 600g) Bonen, groot (DKG boven 600 g) Erwten (DKG tot 440 g) Erwten (DKG boven 440 g) Normaal-zaaiwiel ¾ open 4 Aangedreven Bonenzaaiwiel ¾ open 3 Aangedreven Bonenzaaiwiel ¾ open 4 Aangedreven Normaal-zaaiwiel ¾ open 4 Aangedreven Bonenzaaiwiel ¾ open 4 Aangedreven D9 BAH
116 Instellingen Zaaig. Zaaiwiel Blokkeerschuifstand Stand bodemklep Onder DKG Boven 6g (koolzaad) 50g (graan) Roeras Vlas (ontsmet) Normaal-zaaiwiel ¾ open 1 Aangedreven Gierst Normaal-zaaiwiel ¾ open 1 Aangedreven Lupine Normaal-zaaiwiel ¾ open 4 Aangedreven Rupsklaver Normaal-zaaiwiel ¾ open 1 Aangedreven Rupsklaver Fijn-zaaiwiel ¾ open 1 Aangedreven Lijnzaad (nat ontsmet) Lijnzaad (nat ontsmet) Normaal-zaaiwiel ¾ open 1 Stilgezet Fijn-zaaiwiel ¾ open 1 Stilgezet Rode klaver Fijn-zaaiwiel ¾ open 1 Stilgezet Soja Normaal-zaaiwiel ¾ open 4 Aangedreven Zonnebloemen Normaal-zaaiwiel ¾ open 2 Aangedreven Wikke Normaal-zaaiwiel ¾ open 2 Aangedreven Rst. Normaal-zaaiwiel Open 3 Aangedreven 116 D9 BAH
117 Instellingen Hydraulische afstandsinstelling zaaihoeveelheid instellen WAARSCHUWING Stuur personen weg uit het werkgebied van de hydraulische cilinder. Bij bediening van de tractorregelklep werken tegelijkertijd de hydraulische cilinders van Variotransmissie Zaaischijfdruk Druk exacteg. Normale zaaihoeveelheid instellen 1. Het stuurventiel 2 in de neutrale stand brengen. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. De borgknop (Afb. 144/1) losmaken. 4. Uit de tabel (Afb. 134, op pagina 109) de transmissie-instelwaarde nemen. 5. De wijzer (Afb. 144/2) van de transmissiehendel van onderen op de transmissie-instelwaarde instellen. 6. De borgknop vastzetten. 7. De benodigde transmissiestand voor de gewenste zaaihoeveelheid bepalen (zie hoofdstuk "Zaaihoeveelheid instellen met afdraaiproef", op pagina 107). Afb. 144 D9 BAH
118 Instellingen Verhoogde zaaihoeveelheid instellen Æ 1. Het stuurventiel 2 bedienen. De hydraulische cilinder onder druk brengen. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Met de instelschroef (Afb. 145/1) de wijzer (Afb. 145/2) van de transmissiehendel in de gewenste transmissiestand voor de verhoogde zaaihoeveelheid zetten. Instelschroef (Afb. 145/1) uitdraaien: zaaihoeveelheid vergroten. Instelschroef (Afb. 145/1) indraaien: zaaihoeveelheid verminderen. Afb De verhoogde zaaihoeveelheid met een afdraaiproef bepalen (zie hoofdstuk "Zaaihoeveelheid instellen met afdraaiproef", op pagina 107). 5. Het stuurventiel 2 in de neutrale stand brengen. Verhoogde zaaihoeveelheid uitschakelen Bij bediening van het stuurventiel 2 moet de zaaischijfdruk en de exactegdruk worden verhoogd, maar niet de zaaihoeveelheid. Daarvoor de instelschroef (Afb. 146/1) geheel indraaien. Afb D9 BAH
119 Instellingen 8.5 Markeur in werk-/transportstand brengen GEVAAR De markeurs kunnen onverwacht naar beneden komen, wanneer deze niet zijn geborgd. Dit geldt ook tijdens het wegtransport. direct na het werken op het veld in de transportstand zetten en met de lunspennen borgen pas vlak voor het werken op het veld ontkoppelen (lunspennen losmaken) hebben een draaibereik, dat niet mag worden betreden alleen instellen bij aangetrokken handrem, uitgeschakelde motor en uitgenomen contactsleutel. Wanneer deze instructies niet worden aangehouden bestaat gevaar voor ernstig lichamelijk letsel met onvoorzienbare gevolgen Markeurs in de werkstand brengen Alleen D Super 1. Beide markeurs van de D Super verticaal plaatsen, vastpennen en borgen. 1.1 De pen (Afb. 147/1) uittrekken. 1.2 De markeur verticaal instellen. 1.3 De pen (Afb. 147/1) in de boring (Afb. 147/2) plaatsen en borgen (lunspen). Afb. 147 D9 BAH
120 Instellingen Alle typen 2. Zet de machine op het veld. 3. Ontgrendel beide markeurs. 3.1 Trek de handrem aan, zet de tractormotor af en trek de contactsleutel uit het slot. 3.2 De markeurarmen tegen het rubberen blok (Afb. 148/1) drukken. 3.3 De lunspen (Afb. 148/2) uittrekken en in de parkeerpositie in de boring (Afb. 148/3) plaatsen. 4. Lengte van de markeur instellen. 4.1 Personen uit het draaibereik van de markeurs wegsturen. 4.2 Markeurs in de werkstand neerlaten. 4.3 Trek de handrem aan, zet de tractormotor af en trek de contactsleutel uit het slot. Afb Twee bouten (Afb. 149/1) losdraaien. 4.5 Markeur op lengte "A" (zie tabel Afb. 150) instellen. 4.6 Verdraai de markeurschijf om de arbeidsintensiteit van de markeur zodanig in te stellen dat deze op een lichte grond vrijwel parallel aan de rijrichting en op een zware grond meer op grip is afgesteld. 4.7 Bouten (Afb. 149/1) vastdraaien. Afb D9 BAH
121 Instellingen Werkbreedte Afstand "A" 1) 2,50 m 2,50 m 3,00 m 3,00 m 3,50 m 3,50 m 4,00 m 4,00 m 1) Afstand van het midden van de machine tot de plaats waar de markeurschijf de grond raakt Afb. 150 Werkdiepte van de markeurschijven instellen bij machines met schakelautomaat 5. De werkdiepte van de markeurschijven op circa 5 cm diepgang begrenzen door plaatsen van de ketting. 6. Borg de ketting met een lunspen (Afb. 151/1). Afb. 151 D9 BAH
122 Instellingen Markeur in transportstand brengen 1. Personen uit het draaibereik van de markeurs wegsturen. 2. Stuurventiel 1 bedienen. Æ Beide markeurs, zoals bij het wenden op het veldeinde optillen (zie Afb. 152). 3. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 4. Beide markeurs met lunspennen borgen. 4.1 De markeurarmen tegen de rubberen blokken (Afb. 153/2) drukken en met een lunspen (Afb. 153/1) borgen. Afb. 152 Alleen D Super: De lange markeurs van de D Super mogen alleen gekanteld naar het midden van de machine worden getransporteerd, zodat de toegestane transporthoogte niet worden overschreden. Beide markeurs hebben een scharnier. De markeurs naar het midden van de machine kantelen en met de pen (Afb. 154/1) vastzetten. De pen met een lunspen borgen. Afb. 153 Afb D9 BAH
123 Instellingen 8.6 Bandzaaischoen op WS-zaaischijf bevestigen De bandzaaischoen (Afb. 155/1) met een pen op de WS-zaaischijf steken en met een lunspen borgen. Afb Zaaischijfdruk / zaaigoeddiepte instellen Deze instelling is van invloed op de aflegdiepte voor het zaadgoed. De aflegdiepte voor het zaadgoed moet na elke afstelling worden gecontroleerd Centrale instelling zaaischijfdruk 1. De afdraaikruk (Afb. 156) op de verstelspindel steken en de zaaischijfdruk instellen. Verdraaien van de afdraaikruk naar links Æ zorgt voor vlakkere zaaigoedverdeling naar rechts Æ zorgt voor een diepere zaaigoedverdeling. 2. De afdraaikruk in de transportstand steken. Afb. 156 D9 BAH
124 Instellingen Hydraulische instelling zaaischijfdruk WAARSCHUWING Stuur personen weg uit de gevarenzone van de hydraulisch bediende componenten (variotransmissie, zaaischijven, exacteg). Normale zaaischijfdruk instellen Æ 1. Stuurventiel 2 bedienen. De hydraulische cilinder onder druk brengen. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. De pen (Afb. 157/1) onder de aanslag (Afb. 157/3) in een boring van de gatgroep steken en met een lunspen (Afb. 157/2) borgen. Elke boring is met een getal gemarkeerd. Des te hoger het getal bij het gat, waarin de pen wordt geplaatst, des te groter is de zaaischijfdruk en de afzetdiepte van het zaaigoed. Afb Stuurventiel 2 in de neutrale stand brengen. Verhoogde zaaischijfdruk instellen 1. Het stuurventiel 2 in de neutrale stand brengen. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. De pen (Afb. 158/1) boven de aanslag (Afb. 158/3) in een boring van de gatgroep steken en met een lunspen (Afb. 158/2) borgen. Afb D9 BAH
125 Instellingen Buitenzaaischijven instellen 1. Breng de zaaimachine op het veld in de werkstand. 2. Maak de moeren (Afb. 159/1) los. 3. De aflegdiepte van het zaaigoed van de buitenzaaischijf (Afb. 159/3) door verdraaien van de nokkenschijf (Afb. 159/2) instellen. 4. Draai de moeren vast. Afb Dieptegeleidingsschijven instellen Wanneer de gewenste aflegdiepte niet door verstellen van de zaaischijfdruk kan worden bereikt, alle dieptegeleidingsschijven gelijkmatig conform tabel (Afb. 160) verstellen. Elke dieptegeleidingsschijf kan in drie posities op de zaaischijf worden geborgd of van de zaaischijf worden afgenomen. Stel de aflegdiepte daarna opnieuw in door de zaaischijfdruk te verstellen. Deze instelling is van invloed op de aflegdiepte voor het zaadgoed. De aflegdiepte voor het zaadgoed moet na elke afstelling worden gecontroleerd. 1 Borgstand 1 Aflegdiepte... ca. 2 cm 2 Borgstand 2 Aflegdiepte... ca. 3 cm 3 Borgstand 3 Aflegdiepte... ca. 4 cm 4 Afb. 160 Zaaien zonder dieptegeleidingsschijf Aflegdiepte... > 4 cm D9 BAH
126 Instellingen Borgstand 1 t/m 3 1. De greep (Afb. 161/1) in één van de 3 standen borgen. Afb. 161 Zaaien zonder dieptegeleidingsschijf/-rol 1. De greep over de borging (Afb. 162/1) heen draaien en de dieptegeleidingsschijf/-rol van de zaaischijf aftrekken. Afb D9 BAH
127 Instellingen Dieptegeleidingsschijf monteren Bevestig de dieptegeleidingsschijf met de markering "K", op de korte zaaischijf "L", aan de lange zaaischijf. 1. Druk de dieptegeleidingsschijf/-rol van onderen tegen de sluiting van de zaaischijf. De aanzet moet in de sleuf vallen. 2. Trek de greep naar achteren en over de borging weg naar boven. Een lichte slag op het middelpunt van de schijf vergemakkelijkt het borgen Aflegdiepte voor zaadgoed controleren Controleer de aflegdiepte voor het zaaigoed na iedere instelling van de zaaischijfdruk na iedere verstelling van de buitenschijven na iedere verstelling van de dieptegeleidingsschijven bij de overgang van lichte grond naar zware grond en omgekeerd. Aflegdiepte voor zaadgoed controleren 1. Ca. 30 m met werksnelheid zaaien. 2. Leg het zaadgoed op meerdere plaatsen bloot, inclusief in het bereik van de buitenschijven. 3. Controleer de diepte waar het zaadgoed terecht is gekomen. D9 BAH
128 Instellingen 8.8 Zaaimachine-grondwoeler (optie) in werk-/transportstand brengen GEVAAR Alleen instellen bij aangetrokken handrem, uitgeschakelde motor en uitgenomen contactsleutel Zaaimachinegrondwoeler in de werkstand brengen 1. De schroef (Afb. 163/1) losmaken. 2. Stel de zaaimachine-grondwoeler in en zet deze vast. 3. Borg de bout met de borgmoer. Afb Breng de zaaimachine-grondwoeler in de transportstand Alleen zaaimachines met 3,0 m werkbreedte: De in de verkeersruimte uitstekende grondwoeler voor het transport demonteren. 1. Zet de gronrwoeler in transportstand. 1.1 Maak twee oogmoeren (Afb. 164/1) los. 1.2 De grondwoeler (Afb. 164/2) verwijderen. Afb D9 BAH
129 Instellingen 8.9 Tractorgrondwoeler (optie) instellen De tractorgrondwoeler op het veld in de werkstand zetten en na de werkzaamheden geheel boven bevestigen. Anders bestaat bij het neerzetten van de machine gevaar, dat de tractorgrondwoeler beschadigd raakt. GEVAAR Voor instelwerkaamheden de handrem aantrekken, tractormotor uitschakelen en contactsleutel uitnemen. Tractor-grondwoelers, draaibaar gelagerd 1. Borgmoer en zeskantbout (Afb. 165/1) losmaken. 2. De tractorgrondwoeler horizontaal en verticaal verstellen. 3. Twee moeren (Afb. 165/2) losdraaien en de tractorgrondwoeler verdraaien. 4. Moeren vastdraaien. 5. Zeskantbout vast aandraaien en met de borgmoer borgen. Afb. 165 De borgschroef (Afb. 165/3) voorkomt, dat de grondwoeler verloren gaat, wanneer de bevestigingsschroef losraakt. D9 BAH
130 Instellingen De beste bewerking van het tractorspoor wordt bereikt, wanneer de tractorgrondwoeler het tractorspoor met de naast het spoor liggende losse grond bedekt. Afb. 166 Tractor-grondwoeler, versterkt Tractorgrondwoeler horizontaal instellen 1. Tractorgrondwoeler aan greep (Afb. 167/1) vasthouden. 2. Schroeven (Afb. 167/2) losdraaien en de tractorgrondwoeler horizontaal instellen. 3. Draai de bouten (Afb. 167/2) stevig vast. Tractorgrondwoeler verticaal instellen: 1. Tractorgrondwoeler aan greep (Afb. 167/1) vasthouden. 2. Pen (Afb. 167/3) losmaken en de tractorgrondwoeler verticaal instellen. Afb Borg na de instelling de pen (Afb. 167/3) met een lunspen Werkbreedte van de exacteg De walsen en de zaaischijven drukken de grond, afhankelijk van de rijsnelheid en de bodemgesteldheid, verschillend ver naar buiten. Stel de buiteneg zodanig in, dat de grond wordt teruggeleid en een spoorvrij zaadbed ontstaat. Des te hoger de rijsnelheid, des te verder moeten de vierkante buizen (Afb. 168/1) naar buiten worden geschoven. De vierkante buizen met de buiteneggen na elke instelling borgen met klembouten. Afb D9 BAH
131 Instellingen 8.11 Egtanden afstellen Hoogte met spindel instellen 1. Breng de machine op het veld in de werkstand. 2. Trek de handrem aan, zet de tractormotor af en trek de contactsleutel uit het slot. 3. De tanden van de exacteg instellen conform tabel (Afb. 172). De exactegtanden worden ingesteld door gelijkmatig draaien van de kruk (Afb. 169) voor alle stelsegmenten. Æ Æ Draairichting naar rechts: Afstand A (Afb. 172) wordt groter Draairichting naar links: Afstand A (Afb. 172) wordt kleiner. 4. Borg de instelling met een lunspen (Afb. 170/1). Afb. 169 Afb Hoogte door omschroeven instellen 1. Breng de machine op het veld in de werkstand. 2. Trek de handrem aan, zet de tractormotor af en trek de contactsleutel uit het slot. 3. De tanden van de exacteg instellen conform tabel (Afb. 172). 4. De exactegtanden worden ingesteld door gelijkmatig verstellen van de eghouders. 4.1 Bouten losdraaien (Afb. 171/1) 4.2 Houder in nieuw gatbeeld plaatsen (Afb. 171/2) 4.3 Schroeven plaatsen en aantrekken Afb. 171 D9 BAH
132 Instellingen Drukinstelling exacteg Bij een correcte instelling moeten de tanden van de exacteg horizontaal op de grond rusten en 5-8 cm vrij van de grond zitten. Afstand "A" 230 tot 280 mm 1. De hendel (Afb. 173/1) met de kruk spannen. 2. Steek de pen (Afb. 173/2) in een gat onder de hendel. 3. Ontspan de hendel. 4. Borg de pen met een borgpen. 5. Stel alle stelsegmenten op dezelfde wijze af. Afb. 172 Afb D9 BAH
133 Instellingen Hydraulische drukverstelling exacteg WAARSCHUWING Stuur personen weg uit de gevarenzone van de hydraulisch bediende componenten (variotransmissie, zaaischijven, exacteg). Normale exactegdruk instellen Æ 1. Stuurventiel 2 bedienen. De hydraulische cilinder onder druk brengen. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. Steek de pen (Afb. 174/1) in een gat onder de hendel (Afb. 174/2) en borg deze met een veerstekker. 4. Stuurventiel 2 in de neutrale stand brengen. Afb. 174 Verhoogde exactegdruk instellen 1. Het stuurventiel 2 in de neutrale stand brengen. 2. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 3. De tweede pen (Afb. 174/3) in een boring boven de hendel (Afb. 174/2) steken en met een veerstekker borgen. D9 BAH
134 Instellingen 8.12 Rolleneg instellen Egtanden afstellen Til de machine voor het instellen van de egtanden zo ver op, dat de egtanden net boven de grond hangen, maar deze niet raken. Trek de handrem aan, zet de tractormotor af en trek de contactsleutel uit het slot De hoek van de egtanden instellen 1. De hoek van de egtanden wordt ingesteld door de lunspennen (Afb. 175/1) onder het stuur (Afb. 175/2), in alle segmenten, in dezelfde boring. Afb De werkdiepte van de egtanden instellen 1. De werkdiepte van de egtanden instellen door plaatsen van de lunspennen(afb. 176/1) boven het stuur (Afb. 176/2), in alle segmenten, in dezelfde boring. Afb D9 BAH
135 Instellingen De rollendruk op de grond instellen en controleren 1. Breng de machine op het veld in de werkstand. 2. De rollendruk wordt ingesteld door gelijkmatig verstellen van de instelhendel (Afb. 177/1) voor alle stelsegmenten. 2.2 Waarborg dat de borghendel (Afb. 177/2) zich in de werkpositie (Fig. 178/1) bevindt Æ De blokkeerpal wijst naar beneden (Fig. 178/2) Afb Verstelhendel (Afb. 177/1) in de gewenste richting bewegen 3.1 Lunspen verwijderen (Afb. 179/1) 3.2 Beweging van de instelhendel (Afb. 179/2) naar achteren Æ De rollendruk op de grond wordt groter Fig Beweging van de instelhendel (Afb. 180/2) naar voren Æ De rollendruk op de grond wordt kleiner 3.4 Borg de instelling met een lunspen. (Afb. 180/1) Afb. 179 Afb. 180 D9 BAH
136 Instellingen 4. De rollendruk op de bodem, bijv. met een unster (zie Afb. 181/1) controleren. Rollendiameter D [mm] Rollendruk F [kg] 250 mm max. 20 kg 330 mm max. 35 kg Afb. 181 De rollendruk "F" mag de tabelwaarde niet overschrijden. Hogere drukken dan opgegeven kunnen de machine beschadigen Rolleneg in parkeerstand Wanneer de rolleneg in de parkeerstand moet worden gezet, moeten alle verstelsegmenten worden opgetild en vergrendeld. 1. Borghendel in blokkeerpositie (Afb. 182/1) Æ De blokkeerpal wijst naar boven (Afb. 182/2) Afb D9 BAH
137 Instellingen 2. Lunspen verwijderen (Afb. 183/1) 3. Verstelhendel (Afb. 183/2) naar voren bewegen, tot de blokkeerpal (Afb. 184/1) borgt Afb Lunspen in parkeerpositie zetten (Afb. 185/2) Afb. 184 Afb. 185 D9 BAH
138 Instellingen 8.13 Rijpadenschakeling instellen De benodigde rijpadenschakeling uit de tabel "rijpadenschakelingen" aflezen en instellen. Machines met boordcomputer Stel de rijpadenschakeling in, zoals staat beschreven in de handleiding van de boordcomputer. Machines met schakelkast Om naar een andere rijpadenschakeling over te gaan moet het instelwiel (Afb. 186/1) worden vervangen. Bij bepaalde schakelingen is het voldoende de schakelrollen om te steken (Afb. 186/2). In elk geval moet het aanwijswiel (Afb. 186/3) worden vervangen of het aanwezige aanwijswiel moet met de nieuwe rijpadengetallen worden beplakt. Afb Rijpadenteller instellen De benodigde rijpadentellers uit het hoofdstuk "voorbeelden voor het aanmaken van rijpaden" nemen en instellen. Machines met boordcomputer Stel de rijpadenteller in, zoals staat beschreven in de handleiding van de boordcomputer. Machines met schakelkast De actuele rijpadenteller wordt in het venster (Afb. 187/2) van de schakelkast weergegeven. Stel de rijpadenteller in door aan de bedieningshendel (Afb. 187/1) te trekken. VOORZICHTIG Bedien de bedieningshendel alleen via de kabel (Afb. 187/3) in de tractorcabine. Afb D9 BAH
139 Instellingen 8.14 Aanleggen van rijpaden (optie) Met de rijpadschakeling kunnen de rijpaden in het veld op ingestelde afstanden worden aangelegd. Rijpaden zijn sporen waarin niet wordt gezaaid (Afb. 188/A) voor de machines die later worden ingezet ten behoeve van bemesting en verzorging. De afstand tussen de rijpaden (Afb. 188/b) komt overeen met de werkbreedte van de andere machines (Afb. 188/B), bijv. kunstmeststrooiers en/of landbouwsproeiers, die op het ingezaaide veld worden ingezet. Afb. 188 De figuur (Afb. 188) toont de "rijpadenschakeling 3". Tijdens het werk worden de slagen doorgenummerd (rijpadenteller). De rijpadenteller wordt op het computerdisplay getoond of in het venster van de schakelkast. De rijpadenschakeling 3 toont tijdens de slag de rijpadenteller in de volgende volgorde: enz. Bij het aanmaken van een rijdpad toont de rijpadenteller "0". De spoorbreedte (Afb. 188/a) van het rijpad komt overeen met die van de onderhoudstractor en is instelbaar. De spoorbreedte wordt door het verschuiven van de rechte tandwielen op de overbrengingsas ingesteld (zie hoofdstuk "Rijpadenafstand en spoorbreedte instellen (vakwerkplaats)", op pagina 175). De spoorbreedte (Afb. 188/c) van het rijpad stijgt met het aantal naast elkaar geplaatste rijpadzaaischijven (zie hoofdstuk "Rijpadenafstand en spoorbreedte instellen (vakwerkplaats)", op pagina 175). D9 BAH
140 Instellingen Tabel rijpadenschakelingen De benodigde rijpadenschakeling (Afb. 189) is afhankelijk van de gewenste afstand tussen de rijpaden (Afb. 188/b) en de werkbreedte van de zaaimachine. Andere rijpadenschakelingen vindt u in de handleiding van de boordcomputer. Werkbreedte zaaimachine Rijpadenschakeling 2,5 m 3,0 m 3,5 m 4,0 m 4,5 m 6,0 m Afstand tussen de rijpaden 2 10 m 12 m æ 16 m 18 m 24 m Afb æ 9 m æ 12 m æ 18 m 4 10 m 12 m æ 16 m 18 m 24 m 5 æ 15 m æ 20 m æ 30 m 6 15 m 18 m 21 m 24 m 27 m 36 m 7 æ 21 m æ 28 m æ 42 m 8 20 m 24 m 28 m 32 m 36 m æ 9 æ 27 m æ 36 m æ æ m 18 m 21 m 24 m 27 m 5 / 13 rechts æ æ æ æ æ 18 m 5 / 13 links æ æ æ æ æ 24 m 36 m Voorbeelden voor het aanleggen van rijpaden Afbeelding (Afb. 190) toont enkele voorbeelden van het aanleggen van rijpaden: A = B = C = D = werkbreedte van de zaaimachine afstand tussen de rijpaden (werkbreedte kunstmeststrooier/veldspuit) rijpadenschakeling rijpadenteller (tijdens het werk worden de slagen doorgenummerd en weergegeven). Voorbeeld: Werkbreedte zaaimachine: Werkbreedte kunstmeststrooier of landbouwsproeier: 3 m 18 m = 18 m afstand tussen de rijpaden 1. In de tabel (Afb. 190) opzoeken: in kolom A de werkbreedte van de zaaimachine (3 m) en in kolom B de afstand tussen de rijpaden (18 m). 2. In dezelfde regel in kolom "C" de rijpadenschakeling (rijpadenschakeling 3) aflezen. De schakelkast moet met het daarvoor geschikte instelwiel (Afb. 87/1) zijn uitgerust. 3. Zoek op dezelfde regel in kolom "D" onder de kop "START" de rijpadenteller voor de eerste slag (rijpadenteller 2). Deze waarde pas vlak voor de eerste slag instellen. 140 D9 BAH
141 Instellingen Afb. 190 D9 BAH
142 Instellingen Rijpadenschakeling 4, 6 en 8 Afb. 191 Figuur (Afb. 190) toont voorbeelden voor het aanmaken van rijpaden met rijpadenschakeling 4, 6 en 8. Afgebeeld is de zaaimachine met een halve werkbreedte (sectie) tijdens de eerste slag. Een tweede mogelijkheid voor het aanleggen van rijpaden met rijpadschakeling 4, 6 en 8 bestaat uit het beginnen met de volle werkbreedte en het aanleggen van een rijpad (zie Afb. 191). In dit geval werkt de onderhoudsmachine tijdens de eerste slag met halve werkbreedte. Stel na de eerste slag de volledige werkbreedte van de machine opnieuw in! Voor zaaien met halve werkbreedte de zaaias halfzijdig uitschakelen. 142 D9 BAH
143 Instellingen Rijpadenschakeling 2 en 21 Afb. 192 Figuur (Afb. 190) toont voorbeelden voor het aanmaken van rijpaden met rijpadenschakeling 2 en 21. Bij het aanleggen van rijpaden met rijpadenschakeling 2 en 21 (Afb. 192) worden tijdens de heen- en terugrit rijpaden in het veld aangelegd. Bij machines met rijpadenschakeling 2 mag uitsluitend aan de rechterkant van de machine rijpadenschakeling 21 mag uitsluitend aan de linkerkant van de machine de toevoer van zaadgoed naar de rijpadkouters worden onderbroken. Het zaaien begint altijd aan de rechterkant van het veld. D9 BAH
144 Instellingen Aanmaken van 18 m rijpaden met 4 m zaaimachinewerkbreedte Afb. 193 Zaaimachines met 4 m werkbreedte en hydraulische dubbele rijpadenschakeling leggen rijpaden aan met afstand van 18 m. De zaaimachine heeft twee overbrengingsassen met aandrijfwielen voor de uitschakelbare zaaiwielen, telkens aan de rechter en linker zaadkasthelft van de zaaimachine. Voorwaarde is de uitrusting van de zaaimachine met de boordcomputer AMATRON of twee schakelkasten. Wanneer de boordcomputer of een van de schakelkasten het rijpadgetal "0" aangeeft, schakelen de rijpadenzaaiwielen uit. Arbeidsbegin alleen aan de linker veldrand aan beide zijden met het rijpadengetal "1". Tijdens het werken geven de beide schakelkasten de volgende schakelstanden aan (zie ook Afb. 193): Schakelkast links (A) Schakelkast rechts (B) D9 BAH
145 Instellingen Rijpadenschakeling uitschakelen Machines met boordcomputer Schakel de rijpadenschakeling uit, zoals staat beschreven in de handleiding van de boordcomputer. Machines met schakelkast Bij bediening van het tractorstuurventiel 1 worden de volgende functies tegelijkertijd uitgevoerd: Bediening markeurs Doorschakelen van de rijpadenteller Activeren van het rijpadmarkeerapparaat bij rijpadenaantal "0". Wanneer alleen de markeurbediening moet worden uitgevoerd, voer dan de volgende instellingen uit: 1. Stuurventiel 1 in de neutrale stand brengen. 2. Aan de bedieningshendel (Afb. 194/1) van de schakelkast trekken, wanneer het getal (Afb. 194/2) in het venster van de schakelkast op "0" staat. De rijpadenteller mag geen "0" aanwijzen. 3. Klemschroef (Afb. 194/A) losmaken en in het sleufgat naar beneden schuiven en vast aantrekken (zie Afb. 194/B). De schakelkast is geblokkeerd en mag bij het trekken aan de bedieningshendel niet verder schakelen. Afb. 194 De rijpadenteller (Afb. 194/2) mag geen "0" aanwijzen. Anders worden constant rijpaden aangelegd. D9 BAH
146 Instellingen Zaaiashelft links uitschakelen 1. De veerdrukbelaste zaaiaskoppeling naar links tegen de veer drukken en in de pijlrichting verdraaien. 2. De blokkeerschuif van de rijpadenzaaiwielen op de linker zaaiashelft sluiten. Zaaias aangedreven (zie Afb. 195) Zaaias links halfzijdig uitgeschakeld (zie Afb. 196). Afb. 195 Afb D9 BAH
147 Instellingen Rijpadmarkeerapparaat in de werk- / transportstand brengen WAARSCHUWING Stuur personen weg uit de gevarenzone van de hydraulisch bediende componenten (markeur, rijpadmarkeerapparaat). Bij bediening van de tractorregeleenheid worden de hydraulische cilinders van meerdere functiedelen tegelijkertijd onder druk gebracht. Alleen instellen bij aangetrokken handrem, uitgeschakelde motor en uitgenomen contactsleutel Rijpadmarkeerapparaat in de werkstand brengen 1. De spoorschijvendrager vasthouden, de pen (Afb. 197/1) uitnemen en de spoorschijvendrager naar onderen draaine. De pen is met een veerstekker geborgd. 2. De machine heeft twee spoorschijven. Herhaal de procedure. 3. Zet de rijpadenteller op "0". 4. Bedien regeleenheid 1 en laat de spoorschijven neer. 5. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 6. De schroef (Afb. 198/1) losmaken. 7. Stel de spoorschijf zodanig in, dat deze de door de rijpadenmarkeurs aangelegde rijpaden markeert. 8. Pas de arbeidsintensiteit van de schijf op de grond aan door deze te verdraaien. Schijven op lichte grond ongeveer parallel aan de rijrichting instellen en op zware grond meer op grip. 9. De bout (Afb. 198/1) vast aandraaien. 10. De machine heeft twee spoorschijven. Herhaal de procedure. Afb. 197 Afb. 198 D9 BAH
148 Instellingen Zet het rijpadmarkeeraparaat in de transportstand Het rijpadengetal mag geen "0" zijn. De rijpadenteller eventueel doorschakelen. Daarbij worden de spoorschijven opgetild. 1. Trek de handrem aan, schakel de motor van de tractor uit en verwijder de contactsleutel. 2. De spoorschijvendrager (Afb. 199/1) via de transporthouders (Afb. 199/2) losmaken. 3. De pennen (Afb. 199/3) met veerstekkers (Afb. 199/4) borgen. 4. De bevestigingsbout (Afb. 199/6) losmaken. 5. De spoorschijf (Afb. 199/5) uit de spoorschijfdrager (Afb. 199/1) trekken en in een geschikte opbergruimte meenemen. Afb D9 BAH
149 Instellingen 8.15 Beschermstrip in transport-/parkeerstand zetten Transportstand 1. De tweedelige beschermstrip (Afb. 200/1) over de toppen van de tanden van de exacteg schuiven. 2. De beschermstrip met veerhouders (Afb. 200/2) op de exacteg bevestigen. Afb. 200 Parkeerstand Schuif de beschermstrips voor de verkeersveiligheid (Afb. 201/1) in elkaar en bevestig deze in de transporthouder (Afb. 201/2). Afb. 201 D9 BAH
150 Transportritten 9 Transportritten In Duitsland en vele andere landen is de maximale transportbreedte 3,0 m, voor een aan een tractor aangebouwde machinecombinatie. Het transport van een machinecombinatie die breder is dan 3,0 m is alleen toegestaan op een transportvoertuig. GEVAAR Machines met meer dan 3,0 m werkbreedte alleen op een transportvoertuig transporteren. Overschrijdt de maximale transporthoogte van 4,0 m niet. 9.1 Zaaimachine in transportstand voor vervoer over de weg brengen 1. Koppel de zaaimachine aan de tractor (zie hoofdstuk 7, op pagina 86). 2. Zet de markeur in de transportstand en borg deze (zie hoofdstuk 8.5, op pagina 119). 3. De rijpadenteller eventueel doorschakelen De rijpadenteller mag geen "0" aangeven. 4. Schakel de boordcomputer (optie) uit (zie handleiding boordcomputer). 5. Zet het rijpadmarkeeraparaat in de transportstand (zie hoofdstuk , op pagina 147). 6. Zet de tractorgrondwoeler in de transportstand en borg deze (zie hoofdstuk 8.9, op pagina 129). 7. Zet de zaaimachine-grondwoeler in de transportstand (zie hoofdstuk 8.8, op pagina 128). 8. Maak de zaadkast leeg (zie hoofdstuk 8.3). 9. Sluit het deksel van de zaadkast. 10. Draai het trapje omhoog. Let erop dat deze vastklikt. Afb D9 BAH
151 Transportritten 11. De exacteg in de transportstand zetten (alleen nodig bij zaaimachines met 3,0 m werkbreedte) Maak de bevestigingsbout los, schuif het buitenegelement (Afb. 203/1) in en draai de bevestigingsbout weer vast De machine heeft twee buitenegelementen. Herhaal daarom de procedure. 12. De beschermstrip monteren (zie hoofdstuk 8.15, op pagina 149). 13. Controleer de werking van het verlichtingssysteem inclusief de waarschuwingsborden. 14. Til de zaaimachine op. Het hefframe (optie) in de transportstand vergrendelen (zie handleiding grondbewerkingsmachine). 15. Vergrendel de regeleenheden van de tractor. 16. Houd de wettelijke voorschriften en de veiligheidsinstructies in hoofdstuk 9.2 aan voor het tijdens de transportrit. Afb. 203 Afb. 204 D9 BAH
152 Transportritten 9.2 Wettelijke voorschriften en veiligheid Bij het transport op openbare wegen moeten tractor en machine voldoen aan de nationale verkeersvoorschriften (in Duitsland volgens StVZO en StVO) en de ongevallenpreventie voorschriften. Eigenaars en bestuurders van voertuigen zijn verantwoordelijk voor het nakomen van de wettelijke voorschriften. Maximale transportbreedte 3,0 m In Duitsland en vele andere landen is de maximale transportbreedte 3,0 m, voor een aan een tractor aangebouwde machinecombinatie. Het transport van een machinecombinatie die breder is dan 3,0 m is alleen toegestaan op een transportvoertuig. Toegestane maximum snelheid 40 km/h In Duitsland en in vele andere landen is de toegestane maximale snelheid 40 km/h voor tractoren met aangebouwde zaaimachine met aangebouwde zaaicombinatie: grondbewerkingsmachine, nalopende wals en zaaimachine. Vooral op slechte wegen of straten moet een aanzienlijk lagere snelheid worden aangehouden. De toegestane maximumsnelheid voor aangebouwde machines is in de betreffende wettelijke verkeersvoorschriften van afzonderlijke landen verschillend geregeld. Vraag bij uw importeur / dealer na wat de maximaal toelaatbare snelheid voor de openbare weg is. Raadpleeg vóór aanvang van een rit het hoofdstuk "Veiligheidsinstructies voor de gebruiker" en controleer de volgende punten: het aanhouden van het toelaatbare gewicht het correct aansluiten van de voedingsleidingen beschadiging, werking en verontreiniging van de verlichting de hydraulische installatie op zichtbare gebreken De handrem van de tractor moet geheel zijn losgezet de waarschuwingsstickers en gele reflectoren moeten schoon en onbeschadigd zijn. GEVAAR De markeurs voor het verlaten van het veld of voor het rijden op de openbare weg in de transportstand brengen en borgen. 152 D9 BAH
153 Transportritten WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, snijden, vastgrijpen, naar binnen trekken of stoten door onvoldoende stabiliteit en omkantelen! Houd een rijstijl aan waarbij u de tractor met aan- of afgekoppelde machine op elk moment onder controle heeft. Houd daarbij rekening met uw persoonlijke capaciteiten, de omstandigheden op de weg, van het verkeer, uw zicht, het weer en de rijeigenschappen van de tractor en de invloed van de aangebouwde of aangekoppelde machine. Zet voor transport de vergrendeling van de trekstangen van de tractor aan de zijkant vast, zodat de aangebouwde of aangekoppelde machine niet kan gaan slingeren. WAARSCHUWING Het negeren van de gebruiksvoorschriften kan leiden tot gevaar voor breuk, onvoldoende stabiliteit en onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Deze gevaren veroorzaken zwaar lichamelijk letsel met mogelijk dodelijke afloop. Houd rekening met de maximale belading van de aangebouwde / aangekoppelde machine en de toelaatbare asbelasting en oplegdruk van de tractor. WAARSCHUWING Het zonder toestemming meerijden op de machine kan ertoe leiden dat de machine omkantelt! Het is verboden om personen mee te laten rijden op de machine en/of op rijdende machines te laten stappen. Stuur personen van het laadterrein voordat u met de machine gaat rijden. WAARSCHUWING Het negeren van de gebruiksvoorschriften kan leiden tot gevaar voor breuk, onvoldoende stabiliteit en onvoldoende stuur- en remvermogen van de tractor! Koppel de uitsluitend aan tractoren die daartoe geschikt zijn. Zie hiervoor het hoofdstuk "Controleren of de tractor geschikt is". D9 BAH
154 Transportritten GEVAAR Schakel de boordcomputer uit tijdens een transportrit. GEVAAR Vergrendel de regeleenheden van de tractor tijdens transport! WAARSCHUWING Gevaar voor steekwonden bij andere verkeersdeelnemers bij transportritten door niet afgedekte, spitse egtanden van de exacteg! Transportritten zonder correct gemonteerde beschermstrip voor de verkeersveiligheid zijn verboden. Schakel de zwaailamp (indien aanwezig) in en controleer de werking. In Duitsland en enkele andere landen is voor een zwaailamp een vergunning nodig. Bij het nemen van bochten rekening houden met het uitzwaaien en de middelpuntvliedende kracht van de machine. WAARSCHUWING Gevaar voor steekwonden bij transportritten met uitgetrokken buitenegelementen! Uitgetrokken buitenegelementen steken bij transportritten uit aan de zijkant en kunnen andere verkeersdeelnemers in gevaar brengen. Bovendien wordt de toegestane transportbreedte van 3 m overschreden. Schuif de buitenegelementen in de hoofdbuis van de exacteg, voordat u transportritten gaat maken. WAARSCHUWING De zaaimachine-grondwoelers steken bij transportritten uit aan de zijkant en kunnen andere verkeersdeelnemers in gevaar brengen. Bovendien wordt de toegestane transportbreedte van 3 m overschreden. Zet de zaaimachine-grondwoeler vóór het transporteren in de transportstand. 154 D9 BAH
155 Werken met de machine 10 Werken met de machine WAARSCHUWING Let bij het gebruik van de machine op het hoofdstuk "Waarschuwingsstickers en overige aanduidingen op de machine" op het hoofdstuk "Veiligheidsinstructies voor de gebruiker". Het opvolgen van deze hoofdstukken is voor uw eigen veiligheid. WAARSCHUWING Bedien de regeleenheden van de tractor uitsluitend in de cabine van de tractor. WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, naar binnen trekken en vastgrijpen bij gebruik van de machine zonder daartoe bestemde veiligheidsvoorzieningen. Stel de machine alleen in bedrijf als alle veiligheidsvoorzieningen zijn aangebracht. Bij het berijden van hellingen kan het zaaigoed in de zaadkast zover wegglijden, dat de zaaiwielen geheel of gedeeltelijk geen zaaigoed meer krijgen toegevoerd Machine voorbereiden voor gebruik 1. De beschermstrip in de parkeerstand zetten (zie hoofdstuk 8.15, op pagina 149). 2. Zet de zaaimachinegrondwoelers in de werkstand (zie hoofdstuk 8.8, op pagina 128). 3. Het rijpadmarkeerapparaat in de werkstand brengen (zie hoofdstuk , op pagina 147). 4. De markeurs in de werkstand brengen (zie hoofdstuk 8.5, op pagina 119). 5. Zet de tractorgrondwoeler in de werkstand (zie hoofdstuk 8.9, op pagina 129). 6. De juiste rijpadenschakeling instellen o o in de schakelkast in de boordcomputer. D9 BAH
156 Werken met de machine 7. De roerasaandrijving controleren (zie hoofdstuk 8.1.7, op pagina 102). In het bijzonde bij het zaaien van speciale zaaigoederen met stilstaande roeras kan zaaigoedopstopping in de zaadkast en daardoor verkeerd zaaien optreden. 8. De exacteg in de werkstand zetten (alleen nodig bij zaaimachines met 3,0 m werkbreedte). 8.1 Maak de bevestigingsbout los, schuif het buitenegelement (Afb. 203/1) uit en draai de bevestigingsbout weer vast. 8.2 De machine heeft twee buitenegelementen. Afb. 205 De zaaischijven van de zaaimachine drukken de grond, afhankelijk van de rijsnelheid en de bodemgesteldheid, verschillend ver naar buiten. Het buitenegelement bij hogere rijsnelheid verder naar buiten verschuiven. Stel de buitenegelementen zodanig in, dat de grond wordt teruggeleid en een spoorvrij zaadbed ontstaat. Instellingen controleer voor aanvang van de werkzaamheden. 156 D9 BAH
157 Werken met de machine 10.2 Aanvang van de werkzaamheden GEVAAR Houd personen op minimaal 20 meter afstand van de machine. Æ Æ 1. Breng de machine aan het begin van het veld in de werkpositie. 2. Houd personen op minimaal 20 meter afstand van de machine. 3. Bedien regeleenheid 1 Neerlaten van de actieve markeur Doorschakelen van de zaaiwielrijpadenschakeling Æ Bij rijpadenaantal "0": o o Ontkoppelen van de overbrengingsas en stilstand van de rijpadenzaaiwielen Neerlaten van het rijpadenmarkeerapparaat. 4. De rijpadenteller controleren/corrigeren. 5. Begin te rijden. 6. Na 30 m controleren/corrigeren o o de aflegdiepte van het zaaigoed op meerdere plaatsen de arbeidsintensiteit van de eg. 7. Herhaal de afdraaiproef na circa 2 ha. Afb. 206 D9 BAH
158 Werken met de machine 10.3 Tijdens het werk Uitzaaicontrole bijvoorbeeld door boordcomputer "AMALOG+" Tijdens het werken toont de boordcomputer "AMALOG+" de status van de zaaimachine. De variotransmissie is via een ketting verbinden met het aandrijfwiel. Een sensor in de variotransmissie registreert de verdraaiing van het aandrijfwiel en draagt de impulsen over aan de boordcomputer. Ook de met de variotransmissie verbonden zaaias verdraait. De machine zaait. Wanneer de machine zaait, knippert in het display een kleine cirkel (Afb. 207/1) onder de pijl en het getal (Afb. 207/2) geeft de rijsnelheid [km/h] aan. Worden de zaaiwerkzaamheden onderbroken, bijv. bij opgetilde zaaischijven (bij keren aan het eind van het veld) wanneer de aandrijfketting knapt o o o o staan de transmissie en de zaaias stil is het zaaien onderbroken verdwijnen de pijl en de knipperende cirkel toont de boordcomputer de rijsnelheid "0,0" [km/h], ondanks dat de zaaimachine over het veld wordt getrokken. Afb. 207 Afb D9 BAH
159 Werken met de machine Markeur Vóór het passeren van obstakels de actieve markeur op het veld oplichten. Door het oplichten van de markeur schakelt de rijpadenteller verder. Laat na het passeren van het obstakel de markeur zakken en controleer de rijpadenteller; corrigeer deze indien nodig. Controleer nadat de tractorregeleenheid voor de markeurs meermaals is geactiveerd, de rijpadenteller en corrigeer deze indien nodig Niveauindicatie Een niveauindicatie (Afb. 209/1) toont de vulhoogte in de zaadkast. Vul de zaadkast voor het bereiken van de nulmarkering. Al voor het bereiken van de nulmarkering kan verkeerd uitzaaien optreden door een ongelijkmatige verdeling in de zaadkast. Afb. 209 D9 BAH
160 Werken met de machine 10.5 Keren op wendakker 1. Bedien regeleenheid 1. Æ Optillen van de actieve markeur. 2. Bedien regeleenheid van de trekstang van de tractor. Æ Til de zaaimachine op. 3. Wenden met de machine. De zaaischijven en eggen mogen bij het wenden niet in aanraking met de grond komen. Afb Aan het begin van het veld de regeleenheid van de trekstang bedienen. Æ Neerlaten van de zaaimachine. 5. Bedien regeleenheid 1 Æ Æ Neerlaten van de actieve markeur Doorschakelen van de rijpadenteller. Bij rijpadenaantal "0": o o Stilstand van de overbrengingsas/rijpadenzaaiwielen Neerlaten van het rijpadenmarkeerapparaat. 6. Aanvang van de veldrit Na het zaaien Breng de machine in de transportstand (zie hoofdstuk "Transportritten", op pagina 150). 160 D9 BAH
161 Storingen 11 Storingen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, schuren, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten door onbedoeld zakken van de door de driepuntshydraulica van de tractor opgeheven machine. onbedoeld zakken van opgeheven, onbeveiligde onderdelen van de machine. onbedoeld starten en wegrollen van de tractor/machine combinatie. Beveilig tractor en machine tegen onbedoeld starten en wegrollen, voordat u storingen aan de machine gaat verhelpen (zie hoofdstuk "Tractor/machine beveiligen tegen onbedoeld starten en wegrollen"). Wacht tot de machine stilstaat voordat u in de gevarenzone van de machine komt Omklappen van een markeurarm Alleen D9 Super: Komt de markeur van de tegen een vast obstakel, dan breekt een breekbout (Afb. 211/1) en klapt de markeur naar achteren. Gebruik ter vervanging alleen zeskantbouten M6 x 90 met sterkte 8.8 (zie onlinereservedelenlijst). Afb. 211 D9 BAH
162 Storingen 11.2 Verschil tussen de ingestelde en daadwerkelijke hoeveelheid uitgezaaid zaad Wanneer u afwijkingen constateert tussen de ingestelde zaaihoeveelheid bij de afdraaiproef en de zaaihoeveelheid op het veld, let dan op de volgende punten: Bij nieuwe machines verandert het oppervlak van de zaaibehuizingen, de bodemklep en de zaaiwielen door afzettingen van het ontsmettingsmiddel. Daardoor kan het stromingsgedrag van het zaaigoed of de zaaihoeveelheid worden beïnvloed. Na twee tot drie keer vullen van de zaadkast hebben de afzettingen zich gestabiliseerd en er ontstaat een evenwichtstoestand. De zaaihoeveelheid verandert daarna niet meer. Bij het zaaien van nat ontsmet zaad kunnen er verschillen ontstaan tussen ingestelde en daadwerkelijke hoeveelheid uitgezaaid zaad als de tijd tussen ontsmetting en zaaien minder is dan 1 week (aanbevolen wordt een periode van 2 weken). Bij een verkeerd ingestelde bodemklep kan ongecontroleerd uitstromen van het zaaigoed (grote hoeveelheid) tijdens het zaaien optreden. De basispositie van de bodemklep moet daarom elk half jaar of voor elke zaaiperiode worden gecontroleerd. De slip van het zaaimachinewiel kan tijdens het werken veranderen, bijvoorbeeld bij de overgang van lichte naar zware grond. Dan moet het aantal krukslagen voor het bepalen van de transmissiestand opnieuw worden bepaald. Hiervoor meet men op het veld 250 m 2 af. Dat komt overeen bij een machine met: 2,50 m werkbreedte = 100,0 m afgelegde weg 3,00 m werkbreedte = 83,3 m afgelegde weg 4,00 m werkbreedte = 62,5 m afgelegde weg 4,50 m werkbreedte = 55,5 m afgelegde weg 6,00 m werkbreedte = 41,7 m afgelegde weg. Tel het aantal krukslagen bij het afrijden van het meettraject. Voer de afdraaiproef uit met het vastgestelde aantal krukslagen. 162 D9 BAH
163 Reinigen, service en onderhoud 12 Reinigen, service en onderhoud 12.1 Veiligheid WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, schuren, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken, vastgrijpen en stoten door onbedoeld zakken van de door de driepuntshydraulica van de tractor opgeheven machine. onbedoeld zakken van opgeheven, onbeveiligde onderdelen van de machine. onbedoeld starten en wegrollen van de tractor/machine combinatie. Beveilig tractor en machine tegen onbedoeld starten en wegrollen, voordat u aan de machine gaat werken (zie hoofdstuk "Tractor/machine beveiligen tegen onbedoeld starten en wegrollen"). WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, schuren, snijden, afsnijden, vastgrijpen, opwikkelen, naar binnen trekken en vastgrijpen door gevaarlijke plaatsen die niet beveiligd zijn! Monteer de veiligheidsvoorzieningen die u vóór de reinigings-, service en onderhoudswerkzaamheden heeft verwijderd. Vervang defecte veiligheidsvoorzieningen door nieuwe. Ga nooit onder een opgelichte, niet-beveiligde machine. WAARSCHUWING Werken aan banden en wielen Reparatiewerkzaamheden aan banden mogen uitsluitend worden uitgevoerd door bandenspecialisten met het juiste montagegereedschap. Controleer de bandenspanning regelmatig. Houd u aan de voorgeschreven bandenspanning! Een te hoge bandenspanning kan een explosie veroorzaken. Zet de machine op een veilige plaats en beveilig de machine tegen onbedoeld zakken en wegrollen voordat u werkzaamheden aan de banden uitvoert. U dient alle bevestigingsbouten en moeren volgens de instructies van AMAZONEN-WERKE aan te trekken resp. na te trekken! D9 BAH
164 Reinigen, service en onderhoud 12.2 Reiniging GEVAAR Adem het giftige stof van ontsmettingsmiddel niet in en laat het niet in contact komen met het lichaam. Bij het leegmaken van de zaadkasten en zaaibehuizingen en bij het verwijderen van ontsmettingsmiddelstof, bv. met perslucht, moet een beschermend pak, een veiligheidsmasker, een veiligheidsbril en handschoenen worden gedragen. Controleer hydraulische slangleidingen zeer zorgvuldig. Behandel hydraulische slangleidingen nooit met benzine, benzeen, petroleum of minerale oliën. Smeer de veldspuit na het reinigen, vooral na het reinigen met een hogedrukreiniger/stoomstraal of vetoplosbare middelen. Neem de wettelijke voorschriften voor het gebruiken en opruimen van reinigingsmiddelen in acht. Reinigen met hogedrukreiniger/stoomcleaner U moet de volgende aanwijzingen bij het reinigen met een hogedrukreiniger/stoomcleaner altijd opvolgen: Reinig geen elektrische onderdelen. Richt de straal van de hogedrukreiniger of de stoomcleaner nooit rechtstreeks op smeerpunten en lagers. Houd altijd een afstand van minimaal 300 mm tussen hogedrukreiniger/stoomcleaner en machine aan. Neem de veiligheidsvoorschriften voor het gebruik van hogedrukreinigers in acht De machine voor een langere periode stilzetten 1. De RoTeC-zaaischijven grondig reinigen en droogmaken. 2. De zaaischijven met een milieuvriendelijke corrosiebescherming tegen roestvorming conserveren. Afb D9 BAH
165 Reinigen, service en onderhoud 12.4 Onderhoudsschema overzicht Tijdsintervallen, draai-uren van de motor en onderhoudsintervallen van de eventueel bijgeleverde documenten van derden hebben voorrang op het onderhoudsschema. Eerste gebruik Vóór het eerste gebruik Vakwerkplaats Na de eerste 10 bedrijfsuren Vakwerkplaats Vakwerkplaats Hydraulische slangleidingen controleren en onderhouden. De eigenaar moet de inspectie noteren. Hfdst Bandenspanning controleren Hfdst Oliepeil controleren in variotransmissie Verhelp schuurplekken van hydraulische slangen en buizen. Controleer de hydraulische slangen en koppelingen op in het oog lopende gebreken. Laat gebreken in een werkplaats opheffen. Hydraulische slangleidingen controleren en onderhouden aan de hand van het onderhoudsschema. De eigenaar moet de inspectie noteren. Banden -aandraaimoment controleren Hfdst Hfdst Hfdst Vakwerkplaats Alle schroefverbindingen op goede bevestiging controleren. Hfdst D9 BAH
166 Reinigen, service en onderhoud Dagelijks voor aanvang van de werkzaamheden Visuele controle van de topstangen en trekstangen Verhelp schuurplekken van hydraulische slangen en buizen. Controleer de hydraulische slangen en koppelingen op in het oog lopende gebreken. Laat gebreken in een werkplaats opheffen. Hfdst Dagelijks na het werk Machine reinigen (indien nodig) Hfdst Elke week, minimaal elke 50 bedrijfsuren Om 2 weken tenminste elke 100 draaiuren Elke 6 maanden in het laagseizoen Vakwerkplaats Hydraulische slangleidingen controleren en onderhouden aan de hand van het onderhoudsschema. De eigenaar moet de inspectie noteren. Controleer alle componenten van het hydraulische systeem op lekkage. Lekkages oplossen. Hfdst Bandenspanning controleren Hfdst Oliepeil controleren in variotransmissie Hfdst Vakwerkplaats Bodemklep basisinstelling Hfdst Vakwerkplaats Vakwerkplaats Basisinstelling schakelautomaat (optie) Rollenkettingen en kettingwielen controleren Hfdst Hfdst Bandenspanning Banden 180/90 16 Oude aanduiding: /75-15 Bandenspanning 31x MITAS - D Special 1,2 bar D Special 1,2 bar D Super 1,2 bar 0,8 bar D Super 1,2 bar 0,8 bar 166 D9 BAH
167 Reinigen, service en onderhoud 12.6 Banden -aandraaimoment Banden Moer Aandraaimoment 180/90 16 M12 x 1,5 90 Nm 10.0/ x (MITAS) Gebruik na het vervangen van banden nieuwe borgmoeren Oliepeil controleren in variotransmissie 1. Zet de machine op een vlakke en stevige ondergrond. 2. Controleer het oliepeil. Het oliepeil moet in het kijkglas (Afb. 213/1) zichtbaar zijn. Olie verversen is niet nodig. De olievulopening (Afb. 213/2) is bedoeld voor het vullen van de variotransmissie. De benodigde soort transmissieolie is vermeld in tabel (Afb. 214). Afb. 213 Soorten hydraulische olie en vulhoeveelheid van de variotransmissie Totale vulhoeveelheid Transmissieolie (naar keuze) 0,9 liter Wintershall Wintal UG22 WTL-HM (af fabriek) Fuchs Renolin MR5 VG22 Afb. 214 D9 BAH
168 Reinigen, service en onderhoud 12.8 Rollenkettingen en kettingwielen controleren Alle rollenkettingen na het seizoen reinigen (inclusief kettingwielen en kettingspanner); toestand controleren met dunvloeibare minerale olie insmeren Visuele controle van de topstangen en trekstangen WAARSCHUWING Gevaar voor bekneld raken, vastgrijpen, ingesloten raken en stoten als de machine onbedoeld van de tractor losraakt! Controleer elke keer bij het aankoppelen van de tractor of de bouten van de topstang en trekstang zich in goede staat bevinden. Vervang de stangen bij duidelijke slijtagesporen. 168 D9 BAH
169 Reinigen, service en onderhoud Inspectiecriteria voor hydraulische slangen Laat slangen door een vakwerkplaats vervangen, wanneer deze aan ten minste één criterium uit de volgende lijst voldoen: Beschadiging van de buitenste laag tot op de staalmantel (bv. schuurplekken, scheurtjes, insnijdingen). Bros worden van de buitenste laag (scheurtjes in het materiaal van de slang). Vervormingen die niet in overeenstemming zijn met de natuurlijke vorm van de slang. Zowel drukloos als onder druk of bij buiging (bv. loslaten van de lagen, blaasvorming, platdrukken of knikken). Lekkage. Beschadiging of vervorming van de slangarmaturen (verhoogde kans op lekkage); een geringe beschadiging aan de buitenkant is geen reden voor vervanging. Het loskomen van de slang uit de armatuur. Corrosie van de armatuur, hetgeen de werking en sterkte vermindert. Montagevoorschriften niet nagekomen. De gebruiksduur van 6 jaar is overschreden. Æ Doorslaggevend hiervoor is de datum waarop de hydraulische slangleiding op de armatuur is bevestigd plus 6 jaar. Staat op de armatuur de productiedatum "2013", dan eindigt de gebruiksduur in februari Zie ook "Aanduidingen op hydraulische slangen". WAARSCHUWING Gevaar voor infectie door onder hoge druk staande hydraulische olie die in het lichaam dringt! Werkzaamheden aan het hydraulische systeem mogen uitsluitend door een vakwerkplaats worden uitgevoerd! Laat alle druk uit het hydraulische systeem ontsnappen voordat u met de werkzaamheden aan het hydraulische systeem begint! Spoor lekkages altijd op met daartoe geschikte hulpmiddelen! Probeer nooit lekkende hydraulische slangen met de hand of vingers te dichten. Onder hoge druk naar buiten stromende vloeistof (hydraulische olie) kan via de huid in het lichaam komen en ernstig letsel veroorzaken! Raadpleeg bij wonden door hydraulische olie direct een arts! Gevaar voor infectie! D9 BAH
170 Reinigen, service en onderhoud Bij het aansluiten van de hydraulische slangen op het hydraulische systeem van de tractor moet de hydraulica van zowel de tractor als van de machine drukloos zijn! Sluit de hydraulische slangen op de correcte wijze aan. Controleer alle hydraulische slangen en koppelingen regelmatig op beschadigingen en verontreiniging. Laat tenminste een keer per jaar door een deskundige controleren of de hydraulische slangen nog in goede staat zijn! Vervang beschadigde en verouderde hydraulische slangen! Gebruik uitsluitend originele hydraulische slangleidingen van AMAZONE! Gebruik hydraulische slangen niet langer dan zes jaar. Dat is inclusief een eventuele opslagtijd van maximaal twee jaar. Ook bij vakkundige opslag en toelaatbare belasting zijn slangen en slangverbindingen onderhevig aan natuurlijke veroudering, wat hun opslagtijd en gebruiksduur beperkt. In afwijking hiervan is het mogelijk om, rekening houdend met de mogelijke risico's, de gebruiksduur op basis van ervaring te bepalen. Voor slangen en slangleidingen van thermoplast kunnen andere richtwaarden doorslaggevend zijn. Voer oude olie volgens de milieuvoorschriften af. Neem bij problemen met betrekking tot het afvoeren contact op met uw leverancier van de olie! Bewaar hydraulische olie buiten bereik van kinderen! Zorg dat er geen hydraulische olie in de grond of in het water komt! Aanduidingen op hydraulische slangen De aanduidingen op de slangen hebben de volgende betekenis: Afb. 215/... (1) Type-aanduiding van de fabrikant van de hydraulische slangleiding (A1HF) (2) Productiedatum van de hydraulische slangleiding (13/02 = jaar / maand = februari 2013) (3) Maximaal toelaatbare bedrijfsdruk (210 BAR). Afb D9 BAH
171 Reinigen, service en onderhoud Monteren en demonteren van hydraulische slangen Neem bij het monteren en demonteren van hydraulische slangleidingen de volgende aanwijzingen in acht: Werkzaamheden aan het hydraulische systeem mogen uitsluitend door een vakwerkplaats worden uitgevoerd. Gebruik uitsluitend originele hydraulische slangleidingen van AMAZONE! Zorg voor een schone werkplek. Monteer hydraulische slangleidingen zodanig dat onder alle bedrijfsomstandigheden o o o o geen trekbelasting optreedt, behalve door het eigengewicht. er bij korte slangen geen stuikbelasting optreedt. van buiten komende mechanische inwerkingen op de hydraulische slangleidingen worden vermeden. Voorkom dat de slangen langs elkaar of langs componenten schuren door ze in overeenstemming met de voorschriften te leggen en te bevestigen. Bescherm de hydraulische slangleidingen indien nodig met beschermhulzen. Dek componenten met scherpe randen af. de buigradius niet kleiner wordt dan is toegestaan. Als u de hydraulische slangleiding aansluit op bewegende onderdelen, dient de slangleiding een dusdanige lengte te hebben dat de buiging over het gehele bewegingstraject niet kleiner is dan de minimaal toegestane buigradius en/of de hydraulische slangleiding bovendien niet op trek wordt belast. Sluit de hydraulische slangleidingen uitsluitend aan op de voorgeschreven bevestigingspunten. Gebruik geen slanghouders op plaatsen waar zij de natuurlijke beweging en lengteverandering van de slangen belemmeren. Het overlakken van hydraulische slangleidingen is verboden! D9 BAH
172 Reinigen, service en onderhoud Werkzaamheden vakwerkplaats Wielafstrijker instellen 1. Draai de bouten (Afb. 216/2) los. 2. De wielafstrijker (Afb. 216/1) instellen. Afstand tussen afstrijkerr en wiel ca. 1 cm bij binnengebied ca. 2 cm bij buitengebied. 3. Bouten vastdraaien. Afb Schakelkast voor het aansturen van het rijpadenmarkeringsapparaat instellen (vakwerkplaats) 1. De bedieningshendel zo vaak bedienen, tot het getal "1" in het venster van de schakelkast verschijnt. 2. De stelring (Afb. 217/1) losmaken. 3. De stuurventielhendel (Afb. 217/1) naar achteren drukken. 4. De stelring bevestigen. 5. De werking van het rijpadenmarkeerapparaat controleren. Afb D9 BAH
173 Reinigen, service en onderhoud WS-zaaischijftoppen vervangen 1. De noppen (Afb. 218/1) van de trechter in het zaaischijflichaam drukken. 2. De trechter uit het zaaischijflichaam trekken. 3. De schroef (Afb. 218/2) verwijderen (aandraaimoment 45 Nm). 4. De zaaischijftop (Afb. 218/3) uit de verankering tillen. 5. De nieuwe zaaischijftop in omgekeerde volgorde bevestigen Let erop bij de montage, dat de noppen van de trechter in de uitsparingen borgen. Afb Slijttoppen vervangen (RoTeC-Control-zaaischijf) 1. De dieptegeleidingsschijf (Afb. 219/1) demonteren (zie hoofdstuk 8.7.4, op pagina 125). 2. De cilinderschroef (Afb. 219/2) losdraaien (aandraaimoment Nm). 3. De slijttop (Afb. 219/3) vervangen en in omgekeerde volgorde monteren. Afb. 219 De slijttop (Afb. 219/3) mag niet over de rand van de zaaischijf (Afb. 219/4) uitsteken. Zaaischijf eventueel vervangen. D9 BAH
174 Reinigen, service en onderhoud Bodemklep basisinstelling 1. Zaadkast en zaaibehuizing legen. 2. De bodemklep (Afb. 220/1) controleren op goede gangbaarheid. 3. De bodemklephendel in gat 1 plaatsen en borgen. 4. Controleer, of de voorgeschreven afstand "A" in elke zaaibehuizing wordt aangehouden. Daarbij het te controleren zaaiwiel met de hand op de zaaias verdraaien. De afstand "A" (Afb. 220) tussen bodemklep en zaaiwiel is 0,1 mm tot 0,5 mm. Afb Met d schroef (Afb. 220/2) de voorgeschreven afstand instellen Basisinstelling schakelautomaat (vakgarage) 1. Stuurventiel 1 bedienen. Æ Breng de hydraulische cilinder van de schakelautomaat onder druk. 2. Maak de borgmoer op de beugelbout los. 3. De zuiger (Afb. 221/1) van de hydraulische cilinder met een steeksleutel net zolang verdraaien, tot de bladveer (Afb. 221/2) op de schakelautomaat hoorbaar vastklikt en tussen de bladveer en de tand een speling van 1 tot 2 mm is ingesteld. 4. Draai de contramoer vast. 5. De werking van de schakelautomaat controleren. Afb D9 BAH
175 Rijpadenafstand en spoorbreedte instellen (vakwerkplaats) 1. De afdraaigoten (Afb. 222) naar boven toe uit de houder trekken. Reinigen, service en onderhoud 2. De trekveren (Afb. 223/1) van de overbrengingsaslagers (Afb. 223/2) verwijderen. Afb De overbrengingsas (Afb. 224/1) naar beneden klappen. Afb. 223 Afb. 224 D9 BAH
176 Reinigen, service en onderhoud Æ Daarbij wordt een houder (Afb. 225/1), die de overbrengingsas axiaal borgt, uit de uitsparing van een zaaibehuizing getrokken. De magneetschakelaar (indien aanwezig) wordt met de overbrengingsas naar beneden geklapt. Afb Nieuwe rijpadenzaaiwielen markeren, door de fijn-zaaiwielborstels (Afb. 227/1) op de nieuwe rijpadenzaaibehuizingen te steken. Afb. 226 Spoorbreedte instellen Voor het aanmaken van een spoor tot drie, in uitzonderingsgevallen tot 4 of 5 zaaiwielen uitschakelen. Afb. 227 Zaaimachine met schakeling 2 alleen aan de rechter zijde uitrusten met rijpadenzaaiwielen. De afstand van de rijpadenzaaiwielen, gemeten van de rechter buitenkant van de zaaimachine, is een halve tractorspoorbreedte. Zaaimachines met schakeling 21 alleen aan de linker zaaimachinezijde met rijpadenzaaiwielen uitrusten. De afstand van de rijpadenzaaiwielen, gemeten van de linker buitenkant van de zaaimachine, is een halve tractorspoorbreedte. 176 D9 BAH
177 Reinigen, service en onderhoud 5. Het tapeind (Afb. 228/1) van de nieuwe rijpadenzaaiwielen zover losmaken tot de nieuwe rijpadenzaaiwielen vrij op de zaaias kunnen draaien. 6. Bouten (Afb. 229/1) verwijderen. 7. Draai de bouten (Afb. 229/2) los. 8. Zwenklager en aandrijfrondsel op de overbrengingsas verschuiven. 9. Zwenklager op de nieuwe rijpadenzaaibehuizingen schroeven. Afb Oude rijpadenzaaiwielen op de zaaias bevestigen. Afb. 229 Het tapeind (Afb. 230/1) zo ver in het fijn-zaaiwiel draaien, tot het zaaiwiel door de zaaias met lichte speling wordt meegenomen. Te vast aangetrokken tapeinden spannen de zaaiwielen te veel. Afb. 230 D9 BAH
178 Reinigen, service en onderhoud 11. Overbrengingsas omhoog klappen. Æ Daarbij de houder (Afb. 231/1), die de overbrengingsas axiaal borgt, in de uitsparing van een zaaibehuizing steken. 12. De houder axiaal met twee stelringen (Afb. 231/2) borgen. 13. De tanden (Afb. 232/1) van het aandrijfrondsel en de rijpaden-fijnzaaiwielen in elkaar laten grijpen. 14. De aandrijfrondsel op de overbrengingsas schroeven. Afb De tanden (Afb. 233/1) van de veerkoppeling en het zaaiastandwiel in elkaar laten grijpen. 16. Trekveren (Afb. 233/2) op de zwenklagers (Afb. 233/3) inhangen. 17. Controleer de werking van de zaaiwielrijpadschakeling. Afb. 232 Afb D9 BAH
179 Reinigen, service en onderhoud Bonenzaaiwielen monteren (vakwerkplaats) Deze instelling heeft invloed op de zaaihoeveelheid. Controleer de instelling via een afdraaiproef. De bonenzaaiwielen kunnen afzonderlijk tegen de zaaiwielen of samen met een tweede zaaias worden uitgewisseld. De montage is eenvoudiger, wanneer de bonenzaaiwielen op een tweede zaaias zijn voorgemonteerd. Dan hoeven aleen de zaaiassen te worden verwisseld. 1. De afdraaigoten (Afb. 234) naar boven toe uit de houder trekken. 2. De overbrengingsas (Afb. 225/1) van de zaaiwiel-rijpadenschakeling (indien aanwezig) naar beneden klappen (zie hoofdstuk "Rijpadenafstand en spoorbreedte instellen (vakwerkplaats)", op pagina 175). 3. Het zaaiasaandruklager (Afb. 235/1) openen. Afb. 234 Afb. 235 D9 BAH
180 Reinigen, service en onderhoud 4. De schroeven (Afb. 236/1) losdraaien. 5. De verbindingsmof op de zaaias verschuiven. 6. De zaaias uittillen. De palplaat voor de bodemklep niet demonteren. 7. De montage van de bonenzaaias vindt in omgekeerde volgorde plaats. Afb. 236 Instructies voor montage van de overbrengingsas 1. Monteer het tandwiel (Afb. 237/1) op de bonenzaaias. 2. Verwijder de driekantmeenemer van de bonenzaaiwielen, bij die bonenzaaiwielen, die later voor het aanleggen van de rijpaden moeten worden uitgeschakeld. De driekantmeenemers van de andere bonenzaaiwielen grijpen in de uitsparing van de zaaias. 3. De axiale borging (Afb. 238/1) zodanig verdraaien, dat de korte arm in de uitsparing van de zaaibehuizing steunt. 4. Controleer de werking van de zaaiwielrijpadschakeling. Afb. 237 Afb. 238 Wanneer de zaaimachine weer naar normaal- en fijn-zaaiwielen wordt omgebouwd, draait u de axiale borging (Afb. 238/1) om en steekt u de lange arm in de uitsparing van de zaaibehuizing. 180 D9 BAH
181 Reinigen, service en onderhoud Aanhaalmomenten bouten Schroefdraad Sleutelwijdte [mm] Aanhaalmomenten [Nm] afhankelijk van kwaliteitsklasse van bouten/moeren M M 8x M (17) M 10x M (19) M 12x1, M M 14x1, M M 16x1, M M 18x1, M M 20x1, M M 22x1, M M 24x M M 27x M M 30x Aanhaalmomenten van wiel- en naafbouten, zie elders. D9 BAH
182 Hydraulische schema's 13 Hydraulische schema's 13.1 Hydraulische schema D9 Super / D9 Special Afb. 239/ Naam Aanw Tractorhydraulica 0020 Greep nr. 1 geel 0030 Greep nr. 1 blauw 0040 Restrictieklep 0050 Afstandsinstelling zaadhoeveelheid 0060 Schakelkast rijpad 0070 Markeurwisselklep 0080 Markeur links 0090 Markeur rechts 0100 Zaaischdr Egdruk 0120 Schakelklep VAM (met schakelkast) 0130 Magneetklep VAM (met boordcomputer) 0140 Rijpadmarkeerapparaat (VAM) 0150 Rijpadmarkeerapparaat (VAM) Alle lengtematen zijn gezien in rijrichting 182 D9 BAH
183 Hydraulische schema's Afb. 239 D9 BAH
184 Hydraulische schema's 184 D9 BAH
185 Hydraulische schema's D9 BAH
186 H. DREYER GmbH & Co. KG Postfach 51 D Hasbergen-Gaste Germany Tel.: + 49 (0) Telefax: + 49 (0) [email protected] Overige vestigingen: D Hude D Leipzig F Forbach Fabrieksvestigingen in Engeland en Frankrijk Fabrieken voor strooiers van minerale kunstmest, landbouwsproeiers, zaaimachines, grondbewerkingsmachines en tuin- en parkmachines
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Zaaimachines D9-25 Special D9-30 Special D9-30 Super D9-40 Super MG3893 BAH0007.3 08.10 nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Opbouwzaaimachines AD-P 303 Super AD-P 403 Super MG3375 BAG0061-2 10.14 nl Lees deze bedieningshandleiding vóór de inbedrijfstelling door en volg de aanwijzingen zorgvuldig op!
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Centaur 4001-2 5001-2 Super / Special Mulchcultivator MG 2694 BAG 0070.0 07.08 Printed in Germany Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Bewaar de bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Centaur 3001 4001 Super / Special Mulchcultivator MG3050 BAG0069.1 12.08 Printed in Germany Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Cirrus Special 3001 / 4001 / 6001 MG 1753 BAH0009.1 12.06 Printed in Germany Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig op! Bewaar de
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Cayena 6001 Cayena 6001-C MG4393 BAH0062-3 05.14 nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig op! Bewaar de bedieningshandleiding voor
Bewaar de bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Cenius 4003-2TX Cenius 5003-2TX Cenius 6003-2TX Cenius 7003-2TX Stoppelcultivator MG5116 BAG0112.6 11.15 Printed in Germany nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az CATROS 7501-2T CATROS + 7501-2T Compacte schijveneg MG2956 BAG0046.7 03.14 Printed in Germany nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az ZG-TS 5500 ZG-TS 8200 Kunstmeststrooier MG5043 BAG0102.7 10.15 Printed in Germany nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig op! Bewaar
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Fronttank FRU 104 FPU 104 MG5244 BAH0084.1 06.16 Lees en schenk aandacht aan deze bedieningshandleiding voor u de machine in bedrijf stelt! Bewaren voor verder gebruik! nl Het
Bedieningshandleiding CATROS 5501-T CATROS 7501-T
Bedieningshandleiding az CATROS 5501-T CATROS 7501-T Compacte schijveneg MG 1793 BAG0046.0 01.07 Printed in Germany Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az GRASSHOPPER JUMBO GHS-150, 180, 210 & KMLS-150, 180, 210 MG2746 BAF0008.0 06.09 Printed in France NL Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Precisiezaaimachine EDX 6000-TC MG3948 BAH0047-4 09.14 Lees deze bedieningshandleiding vóór de inbedrijfstelling door en volg de aanwijzingen zorgvuldig op! Bewaar de handleiding
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Microgranulaatstrooier pneumatisch Microgranulaatstrooier mechanisch Voor ED 02 MG3786 BAG0009.0 04.05 Printed in Germany nl Lees deze bedieningshandleiding vóór de inbedrijfstelling
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Pantera 4502 met Comfort Pakket 2 Zelfrijdende veldspuit MG5004 BAG0131.2 09.15 Printed in Germany nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az Pantera 4001 Zelfrijdende veldspuit MG4268 BAG0093.7 02.14 Printed in Germany nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig op! Bewaar
Printed: 07.07.2013 Doc-Nr: PUB / 5071466 / 000 / 00
OORSPRONKELIJKE GEBRUIKSAANWIJZING DD-ST-150/160-CCS Kruisrails Lees de handleiding beslist voordat u de machine de eerste keer gebruikt. Bewaar deze handleiding altijd bij het apparaat. Geef het apparaat
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az UX 3200 Special UX 4200 Special Getrokken veldspuit MG 2139 BAG0035.1 04.08 Printed in Germany Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Verklaring van de symbolen (pictogrammen)
Verklaring van de symbolen (pictogrammen) Waarschuwingssymbolen verwijzen naar mogelijke gevaren: zij geven aanwijzingen voor de veilige bediening van de machine. Zorg dat de waarschuwingssymbolen altijd
Voor uw veiligheid. Het apparaat is uitsluitend geconstrueerd voor de normale toepassing bij agrarische werkzaamheden (reglementair gebruik).
Voor uw veiligheid Dit supplement bij de handleiding bevat algemene gedragsregels voor het reglementaire gebruik van het apparaat en tevens veiligheidstechnische instructies die u omwille van uw eigen
Bedieningshandleiding. & onderhoudshandboek
Bedieningshandleiding & onderhoudshandboek az PROFIHOPPER Mach.-Type PH4WDi & idrive De maai- en verticuteermachine voor elke toepassing MG4741 BAF0012.0 02.13 Printed in France NL Lees deze bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az UG 2200 Super UG 3000 Super Getrokken veldspuit UG 2200 Special UG 3000 Special MG3508 BAG0021.12 11.16 Printed in Germany nl Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door
GEBRUIKERSHANDLEIDING KS
GEBRUIKERSHANDLEIDING KS150.2450 Geachte klant, U hebt een product van KS Tools via Beneparts BVBA gekocht. Bedankt voor uw aankoop en vertrouwen. In deze gids vindt u al het nodige terug voor een veilig
STIGA PARK 107 M HD 8211-3042-02
STIGA PARK 107 M HD 8211-3042-02 S SVENSKA 1 2 3 4 5 7 A B 6 SVENSKA 8 9 X Z S Y W V 10 NEDERLANDS NL SYMBOLEN Op de machine ziet u de volgende symbolen om u eraan te herinneren dat voorzichtigheid en
GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling) Hefttafel Type(s) , , ,2
1. Gebruikersgroepen Taken Bediener Bediening, visuele controle Vakpersoneel GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling) Hefttafel Type(s) 1097.0,75 1097.1,25 8718.0,2 Aanbouwen, slopen, reparatie, onderhoud Keuringen
Aanbouw- en bedieningshandleiding
Aanbouw- en bedieningshandleiding ISOBUS-Basisuitrusting met ISOBUScabinecontactdoos Stand: V1.20150220 30322575-02-NL Lees en volg deze bedieningshandleiding op. Bewaar deze bedieningshandleiding voor
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding az UX 3200 Special UX 4200 Special Getrokken veldspuit MG 1626 BAG0035.0 11.06 Printed in Germany Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Bestnr Toerentalregelaar voor ventilator
Bestnr. 53 73 73 Toerentalregelaar voor ventilator Alle rechten, ook vertalingen, voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een automatische gegevensbestand, of openbaar
Gebruiks- en onderhoudsaanwijzing- NL
Elektrische Infrarood Verwarming Model 93485 Gebruiks- en onderhoudsaanwijzing- NL 1 Algemene veiligheidsinstructies LEES DE GEBRUIKSAANWIJZING Alvorens de radiateur in bedrijf te nemen, moet u deze gebruiks
Sulky Line Painter 1200
Form No. 3355 9 Rev C Sulky Line Painter 00 Modelnr. 403 6000000 en hoger Gebruikershandleiding Registreer uw product op www.toro.com Vertaling van de oorspronkelijke instructies (NL) Inhoud Blz. Inleiding....................................
Aanbouwhandleiding. Complete set basisuitrusting vooraan en achteraan. Stand: V
Aanbouwhandleiding Complete set basisuitrusting vooraan en achteraan Stand: V8.20161221 30322558-02-NL Lees en volg deze bedieningshandleiding op. Bewaar deze bedieningshandleiding voor gebruik in de toekomst.
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding Hoekschaar AK 150 VERSIE 07-2006 AK 150 pagina 1 / 8 1 Inleiding Geachte klant, Wij waarderen het dat u een product van onze firma hebt gekozen. Deze bedieningshandleiding is speciaal
TECHNISCHE HANDLEIDING
Pagina 1 van 6 Pagina 2 van 6 INHOUDSOPGAVE 1. OMSCHRIJVING... 3 2. ALGEMENE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES... 3 3. TECHNISCHE GEGEVENS... 3 4. INSTALLATIE EN BEDIENING... 3 5. ONDERHOUD... 5 6. ALGEMENE VOORWAARDEN...
Viesmann. Montage- en servicehandleiding. Blusinrichting. Veiligheidsinstructies. voor de vakman. voor Vitoligno 300-H
Montage- en servicehandleiding voor de vakman Viesmann Blusinrichting voor Vitoligno 300-H Veiligheidsinstructies Volg deze veiligheidsvoorschriften nauwkeurig op ter voorkoming van lichamelijk letsel
Machine stilleggen en vergrendelen (sleutel verwijderen) 112 en leidinggevende verwittigen
AANHANGWAGEN TRACTOR 1. Waarschuwing en algemene richtlijnen Bij nood Machine stilleggen en vergrendelen (sleutel verwijderen) 112 en leidinggevende verwittigen OPGEPAST Aanhangwagens al dan niet voorzien
Aanbouwhandleiding. ISOBUS-Basisuitrusting met contactdoos achteraan (zonder Tractor-ECU) Stand: V
Aanbouwhandleiding ISOBUS-Basisuitrusting met contactdoos achteraan (zonder Tractor-ECU) Stand: V4.20160503 30322554-02-NL Lees en volg deze bedieningshandleiding op. Bewaar deze bedieningshandleiding
- - AOY0001 AOY0004 AOY0003 AOY0002
AquaOxy500 - - A AOY0001 B AOY0004 C AOY0003 D ; ; AOY0002 2 - - E AOY0008 F AOY0006 3 - - G AOY0009 H AOY0010 4 - - I AOY0007 5 Veiligheidsinstructies - NL - Dit apparaat kan gevaar opleveren voor personen
STIGA VILLA 92 M 107 M
STIGA VILLA 92 M 107 M 8211-3037-03 1. 2. A C B 3. 4. 5. 6. A+5 A B+5 B 7. 8. 2 9. 10. R L L+R Z X Y 11. 12. W V 3 NEDERLANDS NL SYMBOLEN Op de machine ziet u de volgende symbolen om u eraan te herinneren
Algemene Reparatieen Testaanwijzingen. Veilige reparatie en controle van WABCO componenten
Algemene Reparatieen Testaanwijzingen Veilige reparatie en controle van WABCO componenten Algemene Reparatie- en Testaanwijzingen Veilige reparatie en controle van WABCO componenten Uitgave 2 Deze brochure
Aanbouwhandleiding. ISOBUS-basisuitrusting met ISOBUS-cabinecontactdoos en relais
Aanbouwhandleiding ISOBUS-basisuitrusting met ISOBUS-cabinecontactdoos en relais Stand: V4.20180724 30322574-02-NL Lees en volg deze bedieningshandleiding op. Bewaar deze bedieningshandleiding voor gebruik
Aanbouwhandleiding. Complete set basisuitrusting vooraan en achteraan. Stand: V Lees en volg deze bedieningshandleiding op.
Aanbouwhandleiding Complete set basisuitrusting vooraan en achteraan Stand: V7.20160628 30322558-02-NL Lees en volg deze bedieningshandleiding op. Bewaar deze bedieningshandleiding voor gebruik in de toekomst.
Oorspronkelijke gebruiksaanwijzing. Routetrein CX T. Aanvullingopdeseriebedieningsinstructies. vandetrekkercxt 51048070051 NL - 02/2012
Oorspronkelijke gebruiksaanwijzing Routetrein CX T Aanvullingopdeseriebedieningsinstructies vandetrekkercxt 1050 51048070051 NL - 02/2012 Inhoudsopgave g 1 Voorwoord Informatie over de documentatie...
Adapters en verloopmoeren van metaal
Adapters en verloopmoeren van metaal Bedieningshandleiding Extra talen www.stahl-ex.com Inhoudsopgave 1 Algemene gegevens...3 1.1 Fabrikant...3 1.2 Gegevens over de bedieningshandleiding...3 1.3 Andere
STIGA VILLA 85 M
STIGA VILLA 85 M 8211-3039-01 1. 2. A B 3. 4. 5. 6. 7. 8. 2 R L 9. 10. Z X V W Y 11. 3 NL NEDERLANDS SYMBOLEN Op de machine ziet u de volgende symbolen om u eraan te herinneren dat voorzichtigheid en oplettendheid
Bedieningshandleiding
Bedieningshandleiding D] &HQLXV VSHFLDOVXSHU Stoppelcultivator MG1098 BAG 0008.0 03.05 Printed in Germany Lees en schenk aandacht aan deze bedieningshandleiding voor u de machine in bedrijf stelt! Bewaren
Bedieningshandleiding. & onderhoudshandboek
Bedieningshandleiding & onderhoudshandboek az PROFIHOPPER Mach.-Type PH04 MG2347 BAF0002.1 10.09 Printed in France NL Lees deze bedieningshandleiding voor gebruik door en volg de aanwijzingen zorgvuldig
Tijdschakelklok. Bestnr.: 61 00 57 (groen) 61 00 58 (oranje) 61 00 82 (transparant) 61 00 83 (blauw) Omwille van het milieu 100% recyclingpapier
G E B R U I K S A A N W I J Z I N G Bestnr.: 61 00 57 (groen) 61 00 58 (oranje) 61 00 82 (transparant) 61 00 83 (blauw) Tijdschakelklok Omwille van het milieu 100% recyclingpapier Impressum Alle rechten,
HEFTRUCK. Wat is de gewenste situatie? Maatregelen. Sector Bloembollenteelt en handel
HEFTRUCK Het gebruik van een heftruck brengt verschillende gevaren met zich mee: vallende lading, een kantelende heftruck en aanrijdingen met personen. Ongevallen met heftrucks hebben regelmatig een ernstige
Aanvulling op de technische handleiding. MOVIMOT -opties MLU.1A, MLG.1A, MBG11A, MWA21A. Uitgave 06/2008 16663675 / NL. www.sew-eurodrive.
Aandrijfelektronica \ Aandrijfautomatisering \ Systeemintegratie \ Service SEW-EURODRIVE GmbH & Co KG P.O. Box 3023 D-76642 Bruchsal / Germany Phone +49 7251 75-0 Fax +49 7251 75-1970 [email protected]
Aanbouwhandleiding. ISOBUS-basisuitrusting met ISOBUS-cabinecontactdoos en relais
Aanbouwhandleiding ISOBUS-basisuitrusting met ISOBUS-cabinecontactdoos en relais Stand: V5.20190206 30322574-02-NL Lees en volg deze bedieningshandleiding op. Bewaar deze bedieningshandleiding voor gebruik
Met de aankoop van een Weijer aanhangwagen of paardentrailer heeft u gekozen voor kwaliteit en duurzaamheid.
Met de aankoop van een Weijer aanhangwagen of paardentrailer heeft u gekozen voor kwaliteit en duurzaamheid. In deze bijlage vindt u informatie en tips over het gebruik van, en het onderhoud aan uw Weijer
Inhoud. 1. Veiligheidsinstructies
1 2 Inhoud 1. Veiligheidsinstructies... 3 2. Gebruik volgens de voorschriften... 4 3. Omschrijving... 4 4. Toepassingstabel... 4 5. Montage... 4 5.1 Omschrijving van de onderdelen... 5 5.2 Meeneemring
STIGA PARK 121 M
STIGA PARK 121 M 8211-3011-09 1. Park -1993 5a. D 5b. 2. Park -1993 6a. Park -1999 6b. Park 2000- F G H 3. Park -1993 7. I I 4. Park -1993 8. 2 J 9. 13. 10. 14. Z X Y W V 11. 15. Denna produkt, eller delar
Bedieningshandleiding
NL Bedieningshandleiding Elektrisch waterverwarmingsapparaat ethermo Top Eco 20 P ethermo Top Eco 30 P 1 Over dit document 1.1 Doel van het document Deze bedieningshandleiding is onderdeel van het product
HEFTRUCK. Wat is de gewenste situatie? Maatregelen. Sector Hoveniers en Groenvoorziening
HEFTRUCK Het gebruik van een heftruck brengt verschillende gevaren met zich mee: vallende lading, een kantelende heftruck en aanrijdingen met personen. Ongevallen met heftrucks hebben regelmatig een ernstige
GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling)
1. GEBRUIKERSGROEPEN Taken Bediener Bediening, visuele controle Vakpersoneel Aanbouwen, slopen, reparatie, onderhoud Keuringen GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling) NL Dommekracht Type 11.1,5 11.3 11.5 11.10
Voor de gebruiker. Gebruiksaanwijzing. allstor. Bufferboiler
Voor de gebruiker Gebruiksaanwijzing allstor Bufferboiler NL Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1 Aanwijzingen bij de documentatie... 3 1.1 Aanvullend geldende documenten... 3 1.2 Documenten bewaren... 3 1.3
Handleiding: minigraafkraan 1000 KG Kubota U10-3
Handleiding: minigraafkraan 1000 KG Kubota U10-3 Bediening 1 Contactslot 2 Urenteller 3 Waarschuwingslampje 4 Claxonschakelaar 5 Schakelaar werklamp 1 Gashendel 2 Rijhendel (links) 3 Rijhendel (rechts)
TE DRS 4-A Nederlands
TE DRS 4-A Nederlands 1 Informatie over documentatie 1.1 Over deze documentatie Lees voor ingebruikname deze documentatie door. Dit is vereist voor veilig werken en storingsvrij gebruik. De veiligheidsinstructies
Gebruiksaanwijzing. One Touch Automatische blikopener KC26
Gebruiksaanwijzing One Touch Automatische blikopener KC26 Overzicht 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1 Startknop 2 Deksel batterijvak 3 Batterijvak Schakelaar voor het losmaken van vastgeklemde 4 blikken 5 Voorste deksel
GASTRO BUFFET - SALADEBAR GEBRUIKSAANWIJZING EN ONDERHOUDSHANDLEIDING
GASTRO BUFFET - SALADEBAR GEBRUIKSAANWIJZING EN ONDERHOUDSHANDLEIDING SBM3 / 125.505 SBM4 / 125.510 SBM6 / 125.520 INHOUDSOPGAVE 1. DOEL en BEREIK 2. AANSPRAKELIJKHEID 3. AANWIJZINGEN 4. BASISEIGENSCHAPPEN
INLEIDING VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN SYMBOLEN. De symbolen in deze gebruiksaanwijzing. Symbolen op het apparaat
INLEIDING Deze gebruiksaanwijzing is bedoeld voor Rapid 100E. Lees ze eerst grondig door alvorens u het apparaat in gebruik neemt. Deze gebruiksaanwijzing bevat de veiligheidsvoorschriften, de voorschriften
regenwater Reni START pakket inbouw- en bedieningsvoorschriften
regenwater Reni START pakket inbouw- en bedieningsvoorschriften 1 Index 1. Algemeen 4 2. Veiligheid 4 3. Transport en opslag 5 4. Omschrijving van het Reni START pakket 5 5. Plaatsingsvoorschriften 6
BGR 233 GEKEURD (DE) Gebruikshandleiding Laadbrug. Bekijk de instructievideo op www.kruizinga.nl
BGR 233 GEKEURD (DE) Gebruikshandleiding Laadbrug Bekijk de instructievideo op www.kruizinga.nl Lees mij eerst! 1Lees deze handleiding zorgvuldig voor de laadbrug te gebruiken. De handleiding omschrijft
1.1 ALGEMENE VOORZORGSMAATREGEL
A VLEUGELOPENER INHOUD..2 ALGEMENE VOORZORGSMAATREGEL INSTALLATIE A. STANDAARD INSTALLATIE B. AFSTANDEN TABEL C. ONDERDELEN VAN INSTALLATIE D. INSTALLATIE VAN GELICALISEERDE WAPENOPENER E. DRAADVERBINDING.
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSINSTRUCTIES
01/18 INSTALLATIE- 1 EN ONDERHOUDSINSTRUCTIES VEILIGHEID EN CORRECT GEBRUIK Om veiligheid en een lange levensduur van dit product te garanderen, zal u de bijgesloten instructies strikt in acht moeten nemen.
De elektrische laadlift
Art-Lift De elektrische laadlift 1 Lees deze bedienings- en gebruikshandleiding nauwkeurig door, voordat u de laadlift in gebruik neemt. Neem deze handleiding goed door en zorg ervoor dat u de informatie
HANDLEIDING. MULTIDISC is een geregistreerde merknaam waarvan het uitsluitend gebruiksrecht toekomt aan ondernemingen van het TULIP-concern.
HANDLEIDING MULTIDISC is een geregistreerde merknaam waarvan het uitsluitend gebruiksrecht toekomt aan ondernemingen van het TULIP-concern. 2004. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden
Handleiding. Type: TopsealDirect.nl - Standard Plus
Handleiding Type: TopsealDirect.nl - Standard Plus Handsealmachine type Standard Plus is specifiek bestemd voor het sluiten van kunststof en aluminium schalen, die worden voorzien van een hitte bestendige
Veiligheidsinstructies Mobiele straalketel Datona
Veiligheidsinstructies Mobiele straalketel Datona *dt-55204man* LEES VOOR GEBRUIK EERST DEZE HANDLEIDING 1 Inhoud Inleiding... 2 Veiligheidsinstructies... 2 Technische gegevens... 2 Voor gebruik... 3 Gebruik
Handleiding. Bij het installeren en / of samenbouwen van de apparatuur moet voor de ingebruikname alle veiligheidscomponenten zijn aangebracht.
Woord vooraf Handleiding Het doel van deze handleiding is de gebruiker een inzicht te geven in de werking, montage en het onderhoud van de door Geha bv geleverde apparaten. Voordat u begint met de plaatsing
HANDLEIDING. Sesame. Thermoplastic Tank Technologies
HANDLEIDING Sesame Thermoplastic Tank Technologies INSTALLATIE- EN GEBRUIKSAANWIJZING INHOUD 1. ALGEMEEN 3 2. BELANGRIJK 3 3. INSTALLATIE EXPANSIEVAT 4 4. GEBRUIK EXPANSIEVAT 5 5. VERVANGEN LUCHTCEL 5
Bedieningshandleiding, onderhoudslogboek
Bedieningshandleiding, onderhoudslogboek AMAz PROFIHOPPER PH-1250 zdrive PH-1250 idrive PH-1250 4WDi MG5926 BAF0012.3 04.17 Printed in France nl Lees en schenk aandacht aan deze bedieningshandleiding voor
STIGA PARK 92 M 107 M
STIGA PARK 92 M 107 M 8211-3036-06 1. Park -1993 5. 2. Park -1993 6. 3. Park -1993 7. 4. Park -1993 8. 9. 13. 10. 14. R 11. L 15. Z X A+5 A B+5 B Y W 12. 16. V L+R NL NEDERLANDS SYMBOLEN Op de machine
3 WEG- OMSCHAKELKLEP. Installatie- en gebruikershandleiding. voor warmtapwaterlading. USV 1" bu USV 5/4" bu USV 6/4" bi
Installatie- en gebruikershandleiding NL 3 WEG- OMSCHAKELKLEP voor warmtapwaterlading USV 1" bu USV 5/4" bu USV 6/4" bi A.u.b. eerst lezen Deze handleiding bevat belangrijke aanwijzingen voor het gebruik
TE DRS S. Nederlands. Printed: Doc-Nr: PUB / / 000 / 01
TE DRS S Nederlands 1 Informatie over documentatie 1.1 Over deze documentatie Lees voor ingebruikname deze documentatie door. Dit is vereist voor veilig werken en storingsvrij gebruik. De veiligheidsinstructies
Gebruikershandleiding
Gebruikershandleiding Tape dispenser M-AFT Korte omschrijving: gebruikshandleiding voor het aanbrengen van tape ten behoeve van het afwerken van stoffen die gevoelig zijn voor rafelen. Speciaal aanbevolen
Onderstaand de vertaling van de tekst van de waarschuwingsstickers die u op de AB Prince Pro vindt.
GEBRUIKSAANWIJZING Inhoudsopgave: Waarschuwingsstickers 2 Belangrijke veiligheidsaanwijzingen 3 Onderdelenlijst 5 Montage instructies 6 Onderstaand de vertaling van de tekst van de waarschuwingsstickers
VIESMANN. Montage- en servicehandleiding. Invoer. Veiligheidsinstructies. voor de vakman. voor Vitoligno 300-H, 80 tot 101 kw
Montage- en servicehandleiding voor de vakman VIESMANN Invoer voor Vitoligno 300-H, 80 tot 101 kw Veiligheidsinstructies Volg deze veiligheidsvoorschriften nauwkeurig op ter voorkoming van lichamelijk
GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling)
1. Gebruikersgroepen Taken Bediener Bediening, visuele controle Vakpersoneel GEBRUIKSAANWIJZING (Vertaling) NL Dommekracht Type 11.1,5 11.3 11.5 11.10 1188.1,5 1188.3 1188.5 1188.10 Aanbouwen, slopen,
1 Arbeidsmiddelen volgens het Arbobesluit
1 Arbeidsmiddelen volgens het Arbobesluit Arbobesluit 7.1 Arbeidsmiddelen buiten gebruik Dit hoofdstuk is niet van toepassing op arbeidsmiddelen die op een zodanige manier zijn gedemonteerd of gesloopt,
