Achtergrondrapport Water Spooruitbreiding Utrecht-Centraal - Leidsche Rijn 9 december 2014- Versie 1.0
Inhoudsopgave 1 Inleiding 2 1.1 Spooruitbreiding Utrecht Centraal Amsterdam-Rijnkanaal 2 1.2 Leeswijzer 3 2 Wettelijk kader en beleid 4 2.1 Algemeen 4 2.2 Kaderrichtlijn Water 4 2.3 Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 4 2.4 Gemeentelijk RioleringsPlan 2011-2014 4 2.5 Keur 4 3 Effecten en maatregelen 6 3.1 Effecten 6 3.1.1. Oppervlaktewater (kwantiteit) 6 3.1.2. Oppervlaktewater (kwaliteit) 6 3.1.3. Grondwater (kwantiteit) 7 3.1.4. Grondwater (kwantiteit) 7 3.1.5. Waterkeringen 7 3.2 Maatregelen 8 Colofon 9 D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 1/9
1 Inleiding 1.1 Spooruitbreiding Utrecht Centraal Amsterdam-Rijnkanaal Na 2018 gaan er meer treinen rijden over het tracé Utrecht Centraal Woerden. Op dit moment is het tracé tussen Utrecht Centraal en Leidsche Rijn (verder genoemd Utrecht Centraal - Leidsche Rijn) 2-sporig. Het gedeelte tussen het Leidsche Rijn en Woerden is 4-sporig. Na 2018 zullen op dit tracé tien intercity s (IC s) en zes sprinters per uur en per richting rijden. Op dit moment zijn dit tien IC s en twee sprinters. De bestaande 2 sporen hebben onvoldoende capaciteit om de voor 2018 gewenste treinaantallen te verwerken. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft daarom besloten om het tracédeel Utrecht Centraal Leidsche Rijn 4-sporig te maken. Hiermee ontstaat een integrale 4-sporigheid tussen Utrecht Centraal en Woerden. Het project spooruitbreiding Utrecht Centraal - Leidsche Rijn omvat de volgende fysieke ingrepen: realisatie van twee nieuwe geëlektrificeerde sporen over een lengte van ongeveer 2 kilometer; aanpassen van de bestaande sporen; het verlengen van het bestaande viaduct over de Cartesiusweg / Thomas à Kempisweg; het realiseren van een nieuw viaduct over de Cartesiusweg / Thomas à Kempisweg direct aansluitende aan het bestaande verlengde viaduct; aanpassen van de bestaande 2-sporige spoorbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal; realiseren van een nieuwe 2-sporige spoorbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal. In figuur 1 is een het tracé van het project Utrecht Centraal Leidsche Rijn weergegeven. Figuur 1 Ligging plangebied spooruitbreiding Utrecht Centraal Leidsche Rijn D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 2/9
Deze aanpassingen worden in een tracébesluit (TB) vastgelegd. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft, ter voorbereiding van het tracébesluit, - gelet op artikel 11, eerste lid van de Tracéwet - een ontwerp-tracébesluit (OTB) vastgesteld voor de wijziging van de landelijke spoorweg gelegen tussen het Utrecht Centraal en Leidsche Rijn. Deze is eerder ter visie gelegd. Het tracébesluit is voorzien van een Toelichting (deel II) In de toelichting wordt kort ingegaan op het aspect water. Dit achtergrondrapport is daarvoor de basis 1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het wettelijk en beleidsmatig kader voor het aspect water. Hoofdstuk 3 beschrijft de effecten van het project en de noodzaak voor het treffen van maatregelen. D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 3/9
2 Wettelijk kader en beleid 2.1 Algemeen 2.2 Kaderrichtlijn Water 2.3 Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2.4 Gemeentelijk RioleringsPlan 2011-2014 2.5 Keur In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits gescheiden inzamelen - gescheiden afvoeren - gescheiden verwerken en de waterkwantiteitstrits water vasthouden - bergen - vertraagd afvoeren gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau onder meer in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd, navolgend worden de belangrijkste toegelicht: Europees: Kaderrichtlijn Water. Rijk: Vierde Nota Waterhuishouding, Vijfde Nota RO, Waterbeheer 21e eeuw (WB21), Nationaal bestuursakkoord water (NBW), Waterwet. Provincie Utrecht: Nota Planbeoordeling, Waterhuishoudingsplan, Beleidsplan Milieu en Water. Gemeente Utrecht: Gemeentelijk Rioleringsplan 2011-2014, Gemeentelijk Waterbeleidsplan 2011 2014 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR): Waterbeheerplan 2010-2015, Beleidsregels 2010, Keur 2009. In de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) wordt een Europese beleidskader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater gegeven. Van belang is dat bij initiatieven ten minste voldaan wordt aan het stand-still principe. Dit houdt in dat een ingreep (uitvoering van het ruimtelijk plan) de toestand van het watersysteem niet mag verslechteren, tenzij beargumenteerd kan worden dat dit wegens een hoger doel niet anders kan (notitie Gevolgen van de KRW voor fysieke projecten in en om het water, ministerie van Verkeer en Waterstaat, maart 2006). Binnen het plangebied is er één KRW waterlichaam aanwezig: het Amsterdam Rijnkanaal. Dit kanaal behoort tot de categorie M7b (grote diepe kanalen). Relevante aspecten uit het NBW zijn: toepassen van de watertoets als procesinstrument op waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen; toepassen van de trits schoon houden - zuiveren - schoon maken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van drukbereden straatvlakken. De gemeente Utrecht heeft de zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater, het inzamelen en verwerken van overtollig hemelwater en het voorkomen van structurele grondwateroverlast. Het actuele beleid hiervoor is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (vgrp) 2011-2014. De ontwerpeisen zijn opgenomen in het Handboek Inrichting Openbare Ruimte, onderdeel riolen, rioolgemalen en drainage (versie juni 2005). Daarnaast stelt de gemeente eisen aan het ontwerp van watergangen waarvan zij eigenaar of beheerder is of wordt. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) heeft de zorg voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater in het plangebied. D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 4/9
Uitzondering hierop vormt het Amsterdam-Rijnkanaal. Rijkswaterstaat is zowel kwaliteits- als kwantiteitsbeheerder van dit kanaal. Het beleid en de regels van het waterschap zijn vastgelegd in diverse wetten en verordeningen. De belangrijkste verordening is de Keur. Aanpassingen aan het bestaande waterhuishouding-systeem moeten door HDSR worden vergund. Er geldt een vergunningsplicht op grond van de Keur (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). In de Keur van HDSR (2009) staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewatergangen, waterkeringen en grondwater. Uitgangspunt van HDSR is dat nieuwe ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of leiden tot een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Indien toename van verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer en lozing van hemelwater dient, conform de regels van HDSR, compensatie plaats te vinden in de vorm van extra waterberging (oppervlaktewater). Deze compensatie bedraagt 15% van de toename van verhard oppervlak. In stedelijk gebied geldt voor de compensatie van toename van verhard oppervlak per project een ondergrens van 500 m 2. Ten behoeve van het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers en bouwen in en langs water is een Watervergunning van HDSR noodzakelijk. Alle wateraspecten (inclusief de Keuraspecten) worden in de watervergunning geregeld. Ook tijdelijke onttrekkingen van grondwater tijdens bouwwerkzaamheden zijn vergunning- of meldingplichtig, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op oppervlaktewater. Ook rechtstreekse afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater is vergunning- of meldingplichtig in het kader van de Waterwet. D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 5/9
3 Effecten en maatregelen 3.1 Effecten 3.1.1. Oppervlaktewater (kwantiteit) Binnen de projectgrens zijn nabij het opstelterrein Cartesiusweg twee greppels aanwezig. Volgens de Legger Oppervlaktewateren 2012 van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) zijn dit tertiaire oppervlaktewateren waarbij de grondeigenaar verantwoordelijk is voor het onderhoud. Deze greppels zijn niet aangesloten op het regionale watersysteem, het betreffen dus zaksloten. In het project zijn geen werkzaamheden voorzien aan deze greppels. Er is sprake van toename van verhard oppervlak: de brug over het Amsterdam Rijnkanaal (ARK) en het viaduct over de Cartesiusweg: het landhoofd aan de westzijde van de nieuwe brug over het Amsterdam Rijnkanaal leidt tot ca. 200 m 2 extra verhard oppervlak. het westelijk landhoofd van het viaduct over de Cartesiusweg leidt tot een toename van het verhard oppervlak plaats van ca. 120 m 2. Dit kan leiden tot versnelde afvoer van neerslag waardoor, conform de regels van HDSR, compensatie dient plaats te vinden in de vorm van extra waterberging. Bij toename van verharding boven bestaand oppervlaktewater (ARK) blijft de huidige waterberging echter in stand, bij toename van verharding boven bestaande verharding (Cartesiusweg) is geen sprake van toename van versnelde afvoer van neerslag. De toename van verharding blijft beneden de ondergrens van 500 m 2. Compensatie is derhalve niet nodig. Rijkswaterstaat is kwantiteitsbeheerder van het Amsterdam-Rijnkanaal. Hemelwater afkomstig van spoorbruggen mag op het kanaal worden geloosd, mits er geen hinder voor de scheepvaart is. 3.1.2. Oppervlaktewater (kwaliteit) Rijkswaterstaat is tevens kwaliteitsbeheerder van het Amsterdam-Rijnkanaal. Hemelwater afkomstig van de nieuwe spoorbrug zal worden verzameld richting beide landhoofden middels een stelsel van goten aan weerszijden van de brug. Aldaar wordt het water via bezinkputten geloosd op het Amsterdam-Rijnkanaal (zie onderstaande schets). Figuur 2 Schets lozing via bezinkputten D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 6/9
Opgemerkt wordt dat het water van de huidige spoorbrug direct op het kanaal wordt geloosd. 3.1.3. Grondwater (kwantiteit) Naast de huidige spoorbaan zijn met uitzondering van de eerder vermelde twee kleine greppels, geen ontwateringsmiddelen (sloten of drains) aanwezig: afvoer van het neerslagoverschot vindt plaats in verticale richting, naar het 1 e watervoerende pakket. Een verbreding van de spoorbaan heeft dan geen invloed op de grondwaterstand in de omgeving. Op het traject tussen het Amsterdam Rijnkanaal en de bocht in de Vleutenseweg (km 2.12) is aan de zuidzijde van de huidige spoorbaan een keerwand voorzien. Deze constructie is ontworpen als een Terre Armee wand. Dit type wanden is opgebouwd uit grond en doorlatend voor water. De aanwezigheid van deze wand vormt derhalve geen belemmering voor de stroming van het grondwater. 3.1.4. Grondwater (kwantiteit) 3.1.5. Waterkeringen Effecten op de kwaliteit van grondwater zijn binnen dit project niet aan de orde. Langs het Amsterdam-Rijnkanaal ligt aan de westelijke oever een indirect-kerendeprimaire waterkering. Aan de oostelijke oever behoort de waterkering tot de categorie overige waterkeringen. Van beide waterkeringen is Rijkswaterstaat de beheerder. In de Legger Westkanaaldijk Amsterdam-Rijnkanaal en Lekkanaal, Rijkswaterstaat 2009 is omschreven waaraan de waterkering moet voldoen qua richting, vorm, afmeting en constructie. Bijgaande figuur 3 is afkomstig uit de legger. Figuur 3 Waterkering, zoals opgenomen in de legger De waterkerende werking van de Westkanaaldijk en de spoorbaan als primaire waterkering van het ARK dient gehandhaafd te blijven. D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 7/9
3.2 Maatregelen Op grond van het bovenstaande is geconcludeerd dat het project Utrecht Centraal Leidsche Rijn geen negatieve effecten op de waterhuishouding heeft. Maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk. Voor wat betreft de verwerking van het hemelwater afkomstig van de brug over het Amsterdam Rijnkanaal, gaat de voorkeur van de beheerder uit naar infiltratie nabij de landhoofden. Gezien de lokale bodemopbouw, klei/veen tot circa 8 m mv, is infiltratie echter niet mogelijk. Daarom wordt het water via een stelsel van goten, putten en leidingen via de landhoofden op het Amsterdam - Rijnkanaal geloosd. D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 8/9
Colofon Opdrachtgever ProRail B.V. Erik Mol Uitgave Movares Nederland B.V. Daalseplein 100 Postbus 2855 3500 GW Utrecht Telefoon 030 265 55 55 Ondertekenaar Pauline van Veen Projectnummer RL121353 Opgesteld door Marius de Nijs 2014, Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V. D81-PVE-KA-1400266 / Proj.nr. RL121353 / Definitief / Versie 1.0 / 9 december 2014 9/9