Ncg.doc - 2000-03-23 MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Dienst Metrologische Reglementering Reglement gevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1972 betreffende de gasmeters - Gecoördineerde tekst - gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 september 1974 (BS 1974 11 01) gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 augustus 1979 (BS 1979 11 29) gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 februari 1983 (BS 1983 04 16) gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 januari 1989 (BS 1989 01 20)
2 Reglement gevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1972 betreffende de gasmeters *** zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 september 1974 (BS 1974 11 01) *** *** zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 augustus 1979 (BS 1979 11 29) *** *** zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 februari 1983 (BS 1983 04 16) *** *** zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 januari 1989 (BS 1989 01 20) *** Bijlage I. Reglement betreffende de gasmeters Hoofdstuk I - Terminologie en algemene voorschriften 1. Terminologie 1.1. Volume gasmeter Meetwerktuig dienende om het volume gas te bepalen dat door een leiding stroomt waarop het is aangesloten. 1.2. Balgengasmeter Volumetrische meter waarmede het doorgestroomde gasvolume gemeten wordt door de telling van het aantal ledigingen van meetkamers met heen- en weerbewegende wanden. 1.3. Natte gasmeter Volumetrische meter waarmede het doorgestroomde gasvolume gemeten wordt door de telling van het aantal ledigingen van beweegbare meetkamers waarvan één wand bestaat uit een vloeistofoppervlak. 1.4. Rotorgasmeter Volumetrische meter waarmede het doorgestroomde gasvolume gemeten wordt door de telling van het aantal omwentelingen van zuigers, die één of meer meetkamers vormen door wentelingen verwekt door de draaiende doorstroming van het gas. 1.5. Schoepenradgasmeter Niet volumetrische meter, waarmede het doorgestroomde gasvolume wordt gemeten door de telling van het aantal omwentelingen van een schoepenrad, dat in beweging wordt gebracht door de axiale doorstroming van het gas. 1.6. Meetgebied Het meetgebied van een gasmeter is begrensd door het maximale meetvermogen Qmax en het minimale meetvermogen Qmin. 1.7. Maximaal meetvermogen Het maximaal meetvermogen Qmax is het hoogste debiet waarvoor een gasmeter constructief is bestemd.
3 1.8. Minimaal meetvermogen Het minimaal meetvermogen Qmin is het debiet waaronder de miswijzingen van de meter de door dit reglement voorgeschreven maximaal toelaatbare fouten kunnen overschrijden. 1.9. Metende ruimte De metende ruimte van een volume-gasmeter is gelijk aan het volume gas dat nodig is om de meter zijn werkingscyclus te doen doorlopen, d.w.z. het geheel van de verplaatsingen der beweegbare organen van de meter aan het einde waarvan al deze organen, behalve het telwerk en zijn overbrengingen, hun oorspronkelijke stand voor het eerst innemen. 1.10 Werkdruk De werkdruk van een gasmeter is het verschil tussen de druk van het gas bij de inlaat van de gasmeter, en de atmosferische druk. 1.11. Referentiedruk De referentiedruk Pr van een gasmeter is de gasdruk waarop het aangegeven gasvolume is betrokken (zie hoofdstuk IV). 1.12. Drukverbruik Het drukverbruik van een meter is het verschil tussen de druk gemeten aan de inlaat en aan de uitlaat van de meter gedurende het doorstromen van het gas. 1.13. Constante der naar buiten tredende overbrengingsinrichtingen De constante van een naar buiten tredende overbrengingsinrichting is de waarde van het gasvolume dat overeenstemt met een signaal dat door deze inrichting wordt gegeven (één asomwenteling, één impuls). 2. Algemene voorschriften 2.1. Constructie 2.1.1. Materialen De meters moeten zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal, met geringe inwendige spanningen, dat in geringe mate aan verandering onderhevig is door veroudering en dat voldoende bestand is tegen corrosie en tegen aantasting door de gebruikelijke gedistribueerde gassen of door eventuele condensaten daarvan. 2.1.2. Dichtheid van de kast De gasmeters moeten bij maximale werkdruk volkomen gasdicht zijn. 2.1.3. Bescherming tegen inwendige ingrepen De meters moeten zodanig zijn gebouwd dat iedere ingreep die de juistheid der metingen kan beïnvloeden, onmogelijk is zonder beschadiging van de ijk- of zegelmerken.
2.1.4. Stromingsrichting van het gas Op gasmeters waarvan de aanwijsinrichting slechts positief aanduidt bij doorstroming van het gas in één richting, moet deze richting door middel van een pijl zijn aangegeven. Deze pijl is niet vereist indien de stromingsrichting van het gas door de constructie is bepaald. 2.1.5. Metrologische eigenschappen De constructie van de meters moet waarborgen bieden tegen toevallige wijzigingen van de metrologische eigenschappen. Bij het maximaal meetvermogen moet een meter continu kunnen werken gedurende een periode bepaald bij de bijzondere voorschriften van hoofdstukken II, III en IV, zonder dat de wijzigingen van zijn metrologische eigenschappen de grenzen overschrijden door deze voorschriften vastgelegd. 2.2. Aanwijsinrichtingen en controle-element 4 2.2.1. Aanwijsinrichting 2.2.1.0. De aanwijsinrichtingen moeten bestaan uit rollen; het laatste element mag evenwel hierop een uitzondering vormen. De rollen moeten zijn becijferd in kubieke meter of in decimale veelvouden of delen van de kubieke meter. Op de plaat van de inrichting moet het symbool "m³" voorkomen. 2.2.1.1. De gebeurlijke rollen voor de aanwijzing van de decimale delen van de kubieke meter moeten zich duidelijk onderscheiden van de anderen en ervan afgescheiden zijn door een goed zichtbare komma. 2.2.1.2. Indien de becijfering van de laatste rol betrekking heeft op een tiendelig veelvoud van de kubieke meter, moet de plaat van de aanwijsinrichting één van de volgende aanduidingen dragen: a. hetzij één (of twee, of drie, enz...) vaste nullen na de laatste rol b. hetzij de aanduiding "x 10" (of "x 100" of "x 1000", enz...) zodat de aflezing steeds in m³ geschiedt. 2.2.1.3. De aanwijsinrichting moet voldoende becijferde rollen bezitten om, op één eenheid van de laatste rol na, het volume gas te kunnen aanduiden, dat doorstroomt op duizend uur bij het maximaal meetvermogen. 2.2.2. Controle-element 2.2.2.1. De gasmeters moeten zodanig zijn ingericht dat zij met voldoende nauwkeurigheid kunnen onderzocht worden. Daartoe moeten zij voorzien zijn van een ingebouwd controleelement of van een inrichting waarvan een afneembaar controle-element kan worden verbonden. 2.2.2.2. Het ingebouwde controle-element kan bestaan uit het laatste element van de aanwijsinrichting, en kan op één der volgende wijzen zijn uitgevoerd : a. een continu beweegbare rol met becijfering en verdeelde schaal,
b. een wijzer die zich voor een vaste wijzerplaat met becijferde schaal beweegt, of een schijf voorzien van een becijferde schaal, die zich langs een vast aangebracht merkteken beweegt. 2.2.2.3. Op de becijferde schalen van de controle-elementen moet de cijfereenheid duidelijk en ondubbelzinnig zijn aangegeven in m³ of in decimale delen van de m³; aan het begin van de schaalverdeling moet het cijfer 0 staan. 2.2.2.3.1. De lengte van het schaaldeel moet over de gehele schaalverdeling constant zijn en mag niet minder bedragen dan 1 mm. 2.2.2.3.2. De waarde van het schaaldeel moet van de vorm 1 x 10 n, 2 x 10 n of 5 x 10 n m³ zijn, waarin n een positief of negatief geheel getal of nul is. 2.2.2.3.3. De deelstrepen moeten fijn zijn en een gelijke dikte hebben. Ingeval de waarde van het schaaldeel van de vorm 1 x 10 n of 2 x 10 n m³ is, moeten alle deelstrepen die een veelvoud van vijf aangeven, alsmede, indien de waarde van het schaaldeel van de vorm 5 x 10 n m³ is, alle deelstrepen die een veelvoud van twee aangeven zich onderscheiden door een grotere lengte. 2.2.2.4. Het merkteken of de wijzerpunt moet voldoende scherp zijn om een betrouwbare en gemakkelijke aflezing mogelijk te maken. Het controle-element mag voorzien zijn van een duidelijk afgetekend en voldoend groot merkteken bedoeld voor foto-elektrische aflezing. Het merkteken mag de schaalverdeling niet overlappen; het kan zo nodig de plaats van het cijfer 0 innemen. Dit merkteken mag niet schaden aan de afleesnauwkeurigheid. 2.2.3. Diameters van rollen en wijzerplaten De diameter der rollen moet tenminste 16 mm bedragen. De diameter der becijferde schaalverdelingen als bedoeld in paragraaf 2.2.2.2.b. moet tenminste 32 mm bedragen. 2.2.4. Aflezing van de aanwijsinrichting De aanwijsinrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat aan het beginsel van aflezing door eenvoudige nevenschikking wordt voldaan. 2.2.5. Verspringen der cijfers Het verspringen van een cijferrol met één eenheid moet zich geheel voltrekken gedurende de tijd waarin de cijferrol, behorende tot de naast lagere decade, het laatste tiende gedeelte van zijn omwenteling maakt. 2.2.6. Afnemen van de aanwijsinrichting De meters moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de aanwijsinrichting tijdens een onderzoek gemakkelijk kan worden afgenomen. 2.3. Hulpinrichtingen 2.3.1. Gasmeters mogen zijn voorzien van : 5
a) inrichtingen voor betaling vooraf; b) ingebouwde impulsgevers; de uitgang van deze impulsgevers moet zijn voorzien van een opschrift waaruit de waarde van één impuls blijkt, in de vorm : "1 imp =,... m³ (of dm³)" of "1 m³ =,... imp". Deze hulpinrichtingen worden geacht deel uit te maken van de gasmeter zij dienen in dat geval bij de eerste ijk op de gasmeter te zijn aangesloten. Aan hun invloed op de meeteigenschappen van de gasmeter worden geen afzonderlijke eisen gesteld. 2.3.2. Gasmeters mogen zijn voorzien van aandrijfassen, waaronder zijn te verstaan uitgaande assen of andere voorzieningen voor het aandrijven van afneembare hulpinrichtingen. Het draaimoment dat door de gasmeter moet worden voortgebracht om de toegepaste hulpinrichtingen aan te drijven mag geen grotere verandering in de aanwijzing van de meter teweegbrengen dan de in de paragrafen 4.2.1. van de hoofdstukken II en IV aangegeven waarden. 2.3.2.1. Indien slechts één aandrijfas aanwezig is, moet deze worden gekenmerkt door zijn constante, in de vorm "1 tr =... m³ (of dm³), zijn maximaal toelaatbare draaimoment, in de vorm Mmax =... N.mm, en zijn draairichting. 2.3.2.2. Indien meer dan één aandrijfas aanwezig is, moet elke aandrijfas worden gekenmerkt door de letter M met index, in de vorm M1, M2,... Mn door zijn constante, in de vorm 1 tr =... m³ (of dm³) en door zijn draairichting. Op de meter, bij voorkeur op de naamplaat, moet de volgende formule zijn vermeld : k1m1 + k2m2 +... + knmn <= A N.mm waarin A de getalswaarde van het maximaal toelaatbare draaimoment op de aandrijfas met de grootste constante, indien uitsluitend deze as wordt belast. Deze as wordt gekenmerkt door de aanduiding Mi. ki (i = 1,2,...,n) een getalswaarde die wordt bepaald door ki = C1/Ci Mi (i = 1,2,...,n) het op de aandrijfas met de aanduiding Mi uitgeoefende draaimoment. Ci (i = 1,2,...,n) de constante van de aandrijfas met de aanduiding Mi *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.3.2.3. De uitgaande assen van de aandrijfassen moeten op passende wijze worden afgeschermd wanneer zij niet zijn aangesloten op een verwijderbare hulpinrichting. 2.3.2.4. De verbinding tussen meetwerk en overbrengingsmechanisme mag bij een belasting met een draaimoment dat driemaal zo groot is als het volgens paragrafen 2.3.2.1. en 2.3.2.2. hierboven toelaatbare draaimoment, niet worden verbroken of gewijzigd. 2.4. Opschriften 6
2.4.1. Op elke meter moeten, hetzij op de telwerkplaat, hetzij op een speciale plaat, hetzij over deze beide platen verdeeld, de navolgende opschriften worden vermeld : a) het modelgoedkeuringsteken; b) de identificatie van de fabrikant of zijn firmanaam; c) een fabrieksnummer en jaartal van vervaardiging; d) een voor de grootte van de meter kenmerkende aanduiding in de vorm van de hoofdletter G, gevolgd door een in de hoofdstukken II of IV vastgesteld getal; e) het maximale meetvermogen in de vorm : Qmax... m³/h; f) het miminale meetvermogen in de vorm : Qmin... m³/h (of dm³/h); g) de maximale werkdruk in de vorm Pmax...MPa (of kpa, Pa, bar of mbar); h) bij volumetrische gasmeters, de nominale inhoud van de metende ruimte in de vorm : V... m³ (of dm³); i) in voorkomend geval, de opschriften vermeld in de paragrafen 2.3.1. en 2.3.2. hierboven; deze opschriften mogen echter ook op andere platen of op de meter zelf worden aangebracht. Deze opschriften moeten onder de normale gebruiksomstandigheden van de meter goed zichtbaar, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht. 2.4.2. De bevoegde dienst kan bepalen in welke gevallen de aard van het gas bij de opschriften moet worden vermeld. 2.4.3. Voorts kunnen op de gasmeter worden vermeld : de handelsbenaming, een bijzonder volgnummer, de naam van de gasdistributiemaatschappij, een Europees normalisatiemerk en een vermelding ten aanzien van verrichte herstellingen. Behoudens bijzondere toestemming is elk ander opschrift of elke andere aanduiding verboden. 2.5. Maximaal toelaatbare fouten 2.5.1. De meetfouten worden uitgedrukt in relatieve waarde door de verhouding, in procent, van het verschil tussen het aangewezen volume en het volume dat werkelijk door de meter is gestroomd, tot dit laatste volume. 2.5.2. Deze fouten hebben betrekking op een meting met lucht waarvan de referentie-volumieke massa 1,2 kg/m³ bedraagt. Bij normale luchtdrukomstandigheden kan er aangenomen worden dat de lucht in een ijklaboratorium aan deze voorwaarde voldoet. 2.5.3. De maximaal toelaatbare fouten zijn vastgelegd in punt 5 van de hoofdstukken II en IV. Zij gelden voor de toegestane doorstromingsrichtingen. 2.6. Drukverbruik 7 2.6.1. Maximaal toelaatbare waarden De maximaal toelaatbare waarden van het drukverbruik zijn vastgelegd in de hoofdstukken II en IV.
8 *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.7. Plaats van ijk en zegelmerken *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.7.1. De plaatsen der merken moeten zodanig worden gekozen dat het demonteren van een onderdeel dat met één van de merken is verzegeld, beschadiging van het merk tot gevolg heeft. *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.7.2. Indien de onder paragraaf 2.4. bedoelde opschriften zijn aangebracht op een niet onverbrekelijk met de gasmeter verbonden speciale opschriftenplaat moet de plaats van één der merken zodanig worden gekozen dat dit merk in geval van verwijdering van genoemde plaat wordt beschadigd; de bedoeling hiervan is verwijdering van de plaat te beletten. *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.7.3. Er dient voor het aanbrengen van ijk of zegelmerken ruimte aanwezig te zijn : a) op alle niet onverbrekelijk met de gasmeter verbonden platen waarop een aanduiding staat als voorgeschreven in het onderhavig reglement; b) op alle delen van de meter die niet op andere wijze kunnen worden beveiligd tegen ingrepen: - waardoor de aanwijzing van het telwerk van de meter kan worden beïnvloed of gewijzigd; - waardoor de verbinding tussen meetwerk en telwerk kan worden gewijzigd of verbroken; - waardoor metrologisch belangrijke onderdelen van de meter kunnen worden verwijderd of verplaatst; c) op de aansluiting van de verwijderbare hulpinrichtingen of op de afschermingen bedoeld in paragraaf 2.3.2.3. 3. Modelgoedkeuring en eerste ijk 3.1. Modelgoedkeuring 3.1.1. Bij de aanvraag tot modelgoedkeuring van een meter dienen de onderstaande documenten te worden gevoegd : - een beschrijving met vermelding van de technische kenmerken van de meter en van het principe van de werking; - een perspectieftekening of een foto; - een lijst van onderdelen met vermelding van de aard van de materialen waaruit zij zijn samengesteld; - een samenstellingstekening met vermelding van de samenstellende delen die in de onderdelenlijst zijn opgenomen; - een maatschets van de complete meter; - een tekening waarop de plaatsen van de ijk en zegelmerken zijn aangegeven; - een tekening van het telwerk met de justeermogelijkheden daarvan; - een maatschets van metrologisch belangrijke onderdelen; - een schets van de telwerkplaat en van de uitvoering van de opschriften;
- in voorkomend geval een tekening van de hulpinrichtingen bedoeld in paragraaf 2.3.1. hierboven; - in voorkomend geval een tabel met de kenmerken van de uitgaande aandrijfassen (paragraaf 2.3.2. hierboven); - een opgave van de overgelegde documenten; - een verklaring waaruit blijkt dat de meters die overeenkomstig het model worden vervaardigd, zullen voldoen aan de reglementaire veiligheidsvoorschriften, met name ten aanzien van de op de opschriftenplaat aangegeven maximale werkdruk. 3.1.2. In het modelgoedkeuringscertificaat wordt het volgende vermeld : - de naam en de woonplaats van degene op wiens naam het certificaat van de modelgoedkeuring is gesteld; - de model en/of handelsbenaming; - de voornaamste technische en metrologische kenmerken zoals minimaal en maximaal meetvermogen, de maximale werkdruk; - de nominale binnendiameter van de koppelstukken en, bij volumetrische gasmeters, de nominale inhoud van de metende ruimte; - het modelgoedkeuringsteken; - de geldigheidsduur van de modelgoedkeuring; - bij meters voorzien van aandrijfassen : a) indien één aandrijfas aanwezig is, de kenmerken van de as zoals aangegeven in paragraaf 2.3.2.1. hierboven; b) indien meer dan één aandrijfas aanwezig is, de kenmerken van elke as en de formule zoals aangegeven in paragraaf 2.3.2.2. hierboven; - de plaatsaanduiding voor het modelgoedkeuringsteken, voor de merken van eerste ijk en voor zegelmerken, eventueel op foto of op tekening; - de lijst van de documenten die het certificaat van modelgoedkeuring vergezellen; - bijzondere opmerkingen. 3.2. Eerste ijk *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 3.2.1. De ten eerste ijk aangeboden gasmeters moeten bedrijfsgereed zijn. De eerste ijk waarborgt niet de juiste werking of de juiste aanwijzing van eventueel aangesloten hulpinrichtingen als bedoeld onder paragrafen 2.3.1. en 2.3.2. Op deze hulpinrichtingen worden, behoudens op de in paragraaf 2.7.3c, bedoelde aansluitingen daarvan, geen ijkmerk of zegelmerken aangebracht. *** gevoegd bij KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 3.3. IJk- en zegelmerken *** gevoegd bij KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 3.3.1. Het aanbrengen De meters die met goed gevolg de proeven bij de ijk hebben ondergaan, worden : - voorzien van het ijkmerk van eerste ijk; 9
- voorzien van de zegelmerken op de daartoe bestemde in paragraaf 2.7.3. vastgestelde plaatsen. *** gevoegd bij KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 3.3.2. Strekking Het aanbrengen van merken van eerste ijk en zegelmerken op gasmeters houdt uitsluitend in dat de betrokken meters voldoen aan de voorschriften van het onderhavig reglement. 10
Hoofdstuk II. Balgengasmeters 11 1. Meetgebied en grootte 1.1. De toelaatbare waarden van het maximaal meetvermogen en de bovenste grenzen van het overeenstemmend minimaal meetvermogen alsmede de minimumwaarde van de inhoud van de metende ruimte zijn in de onderstaande tabel in functie van de grootte (G) van de gasmeter vermeld : G Qmax Qmin V 1,6 2,5 4 6 10 16 25 40 65 100 160 250 400 650 2,5 4 6 10 16 25 40 65 100 160 250 400 650 1000 0,016 0,025 0,040 0,060 0,100 0,160 0,250 0,400 0,650 1,000 1,600 2,500 4,000 6,500 0,7 1,2 2,0 3,5 6,0 10 18 30 55 100 200 400 900 2000 1.2. Wanneer voor een model van meter de waarde Qmin kleiner is dan het in tabel onder punt 1.1. aangegeven getal, dan moet de getalwaarde van deze Qmin overeenkomen met één der in de derde kolom van de tabel aangegeven getallen of een decimaal deel daarvan. 1.3. Meters met een meterinhoud die kleiner is dan de in tabel 1.1. gegeven waarde kunnen worden goedgekeurd mits het model van deze meters voldoet aan de eisen van de in punt 6.2.5. beschreven proef in langdurig bedrijf. 2. Constructie bijzonderheden 2.1. De werkelijke inhoud van de metende ruimte, naar de definitie 1.9. van hoofdstuk I, mag van de nominale waarde ervan, overeenstemmend met het opschrift 2.4.1.8. van hoofdstuk II niet meer dan 5 % in plus of in minus van deze laatste waarde afwijken. *** zoals gewijzigd door KB 1989 01 03 - BS 1989 01 20 *** 2.2. De meters mogen worden voorzien van een inrichting die de normale werking van het meetorgaan verhindert wanneer het gas in een niet toegelaten richting stroomt. 3. Controle-element 3.1. Bij de meters G 1,6 tot en met G 6 moet het controle-element volgens punt 2.2.2.2. van hoofdstuk I van dit reglement zijn uitgevoerd. Bij de meters G10 tot en met G650 moet het controle-element
- hetzij volgens ditzelfde voorschrift zijn uitgevoerd, - hetzij afneembaar zijn. 12 3.2. Wanneer het controle-element is uitgevoerd volgens punt 2.2.2.2. van hoofdstuk I moeten de schaalwaarde van het controle-element en de becijfering ervan aan onderstaande bepalingen voldoen : Benaming van de meters Maximum schaalwaarde Becijfering per G1,6 t.e.m. G6 G10 t.e.m. G65 G100 t.e.m. G650 0,2 dm³ 2 dm³ 20 dm³ 1 dm³ 10 dm³ 100 dm³ 3.3. Bij meters waarvan het controle-element volgens punt 2.2.2.2. van hoofdstuk I is uitgevoerd, mag de standaardafwijking bij een reeks van tenminste 30 opeenvolgende metingen die bij een doorstromingssnelheid van ca 0,1 Qmax en onder dezelfde voorwaarden met onderstaande aangegeven luchtvolumes worden verricht, de in onderstaande tabel vermelde waarden niet overschrijden : Benaming van de meters Te meten luchtvolumes Maximaal toelaatbare waarde van de standaardafwijking G1,6 t.e.m. G4 G6 G10 t.e.m. G65 G100 t.e.m. G650 20 V 10 V 10 V 5 V 0,2 dm³ 0,2 dm³ 2 dm³ 20 dm³ De te meten volumes lucht moeten vervangen worden door dichtbij liggende volumes, overeenstemmend met een geheel aantal omwentelingen van het controle-element. 4. Maximaal toelaatbare fouten 4.1. Algemene bepalingen *** zoals gewijzigd door KB 1989 01 03 - BS 1989 01 20 *** 4.1.1. De maximaal toelaatbare fouten in plus en min zijn in onderstaande tabel aangegeven. Debieten Maximaal toelaatbare fouten Q Bij eerste ijk In bedrijf * In bedrijf ** Qmin <= Q < 2Qmin 2Qmin = Q < 0,1Qmax 0,1Qmax <= Q <= Qmax 3 % 2 % 2 % 6 % 4 % 4 % -6 tot +3 % -6 tot +3 % 2 % * voor de meters gebouwd tot 31 december 1988, ** voor de meters gebouwd vanaf 1 januari 1989.
4.1.2. Bij de eerste ijk mogen de miswijzingen op een meter bij debieten Q tussen 2Qmin en Qmax niet alle 1 % overschrijden wanneer zij alle hetzelfde teken hebben. 4.1.3. Voor de maximaal toelaatbare fouten in bedrijf gelden dezelfde proefvoorwaarden als bij de eerste ijk (punt 2.5.2. van hoofdstuk I van dit reglement). 4.2. Bijzondere bepalingen *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 4.2.1. Bij belasting van de aandrijfassen met de maximale draaimomenten die ingevolge paragrafen 2.3.2.1. en 2.3.2.2. van hoofdstuk I op de gasmeter zijn aangegeven, mag de aanwijzing van de gasmeter, onverminderd het bepaalde in paragraaf 5.3.2. van hoofdstuk II bij Qmin met niet meer dan 1,5 % veranderen. 5. Drukverbruik 5.1. Totaal drukverbruik Het totale drukverbruik mag bij doorstroming van lucht met een volumieke massa van 1,2 kg/m³ bij een debiet gelijk aan Qmax gemiddeld niet hoger zijn dan : 13 Benaming van de meters G1,6 t.e.m. G10 G16 t.e.m. G40 G65 t.e.m. G650 Maximaal toelaatbare waarden van het gemiddelde totale drukverbruik Bij eerste ijk In bedrijf Pa mbar Pa mbar 200 300 400 2 3 4 220 330 440 2,2 3,3 4,4 5.2. Mechanisch drukverbruik Het mechanisch drukverbruik d.i. het drukverbruik bij doorstroming van lucht met een volumieke massa van 1,2 kg/m³ bij een debiet begrepen tussen Qmin en 2Qmin mag onderstaande waarden niet overschrijden : Benaming van de meters G1,6 t.e.m. G40 G65 t.e.m. G650 Maximaal toelaatbare waarden van het gemiddelde totale drukverbruik Bij eerste ijk In bedrijf Pa mbar Pa mbar 60 100 0,6 1,0 80 120 0,8 1,2 Bovenstaande waarden hebben betrekking op de maximale waarden van het mechanisch drukverbruik.
14 5.3. Bijzondere bepalingen 5.3.1. Bij meters waarvan de bedrijfsdruk hoger ligt dan 0,1 MPa (1 bar), gelden de voorschriften volgens punt 5.2. hierboven inzake het mechanische drukverlies, terwijl het in paragraaf 5.1. hierboven bedoelde totale drukverlies van deze meters buiten beschouwing blijft. 5.3.2. Bij aansluiting van hulpinrichtingen mag het mechanisch drukverlies van de gasmeters met niet meer dan 20 Pa (0,2 mbar) toenemen. 6. Modelgoedkeuring 6.1. Voor de proeven te leveren gasmeters 6.1.1. Behalve het exemplaar van het model moet de aanvrager aanstonds twee à zes proefmeters die overeenkomstig het model zijn vervaardigd, ter beschikking stellen van de bevoegde dienst. Op verzoek van de bevoegde dienst moet dit aantal worden verdeeld over verschillende G waarden wanneer gelijktijdig goedkeuring daarvoor wordt gevraagd. Naargelang van het verloop der proeven kunnen extra proefmeters worden verlangd. 6.1.1.1. Er kan toestemming worden verleend om van deze bepaling af te wijken, met dien verstande dat de proefmeters op een later tijdstip ter beschikking kunnen worden gesteld. Evenwel wordt niet eerder over de goedkeuring van het model beslist, dan na volledig onderzoek van deze proefmeters. 6.1.1.2. De proefmeters blijven eigendom van de aanvrager en worden hem na verlening van de modelgoedkeuring teruggegeven. 6.1.2. *** afgeschaft door KB 1979 08 13 - BS 1979 11 29 *** 6.1.2.1. *** afgeschaft door KB 1979 08 13 - BS 1979 11 29 *** 6.1.2.2. *** afgeschaft door KB 1979 08 13 - BS 1979 11 29 *** 6.1.3. *** afgeschaft door KB 1979 08 13 - BS 1979 11 29 *** 6.2. Het onderzoek 6.2.1. De proefmeters moeten voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk I en van punt 1 t.e.m. 5 van dit hoofdstuk.
6.2.2. Voorts mag in het gehele meetgebied de afwijking tussen de grootste en kleinste waarde der fouten in functie van het debiet Q voor elke meter niet meer bedragen dan 3 %. 6.2.3. Het model en de proefmeters worden vervolgens onderworpen aan een proef bij langdurig bedrijf. Deze proef wordt uitgevoerd : 6.2.3.1. Voor meters van G 1,6 t.e.m. G 10: bij maximaal meetvermogen van de meters, met lucht; bij meters op de kenplaat waarvan de aard van het te meten gas staat aangegeven, mag de proef geheel of gedeeltelijk met dat gas worden verricht; 6.2.3.2. Bij meters van G16 t.e.m. G650 : zoveel mogelijk bij maximaal meetvermogen van de meters, met lucht of gas. 6.2.4. De duur van de proef bij langdurig bedrijf voor gasmeters waarvan de inhoud van de metende ruimte tenminste gelijk is aan de in de tabel van punt 1.1. vermelde waarden bedraagt : 6.2.4.1. Voor de meters G 1,6 t.e.m. G 10: 1.000 h; de proef mag worden onderbroken, zij moet evenwel binnen de 60 dagen zijn beëindigd; 6.2.4.2. Voor de meters G16 t.e.m. G650 zodanig dat elke meter een lucht- of gasvolume meet overeenkomend met een bedrijf van 1.000 h bij maximaal meetvermogen van de meter; de proef moet binnen de 6 maanden zijn beëindigd. 6.2.5. bij gasmeters waarvan de inhoud van de metende ruimte kleiner is dan de in de tabel van punt 1.1. vermelde waarden, bedraagt de duur van de proef 2.000 h en moet de proef worden uitgebreid tot een groter aantal gasmeters dan voorgeschreven in punt 6.1.2. naargelang van de G-waarde van de betrokken meter en de algemene kenmerken ervan. *** zoals gewijzigd door KB740909/BS741101 *** 6.2.6. Na de duurbeproeving moeten de gasmeters (met uitzondering van ten hoogste één indien de proef met drie of meer meters wordt genomen) aan alle onderstaande eisen voldoen: a) het verschil tussen het hoogste en het laagste punt van de miswijzingscurve van elke gasmeter afzonderlijk, bij debieten gelegen binnen het meetbereik van de gasmeter, mag niet meer bedragen dan 4 %. b) de waarden van de fouten mogen niet meer dan 1,5 % afwijken van de oorspronkelijk gevonden waarden. Deze regel is echter bij het debiet Qmin uitsluitend van toepassing op afwijkingen van de fout in negatieve zin; c) het mechanisch drukverbruik mag niet meer dan 20 Pa (0,2 mbar) zijn toegenomen. 6.2.7. Bij meters met één of meer aandrijfassen moet bij ten minste drie meters van elke G- waarde met lucht met een volumieke massa van 1,2 kg/m³ (zie paragraaf 2.5.2. van hoofdstuk I) worden onderzocht of zij voldoen aan de voorschriften van paragraaf 2.3.2.4. van hoofdstuk I alsmede van de paragrafen 4.2.1. en 5.3.2. van hoofdstuk II. Bij meters met meer dan één aandrijfas moet de proef worden uitgevoerd aan de as die de meest ongunstige waarde oplevert. Bij meters met dezelfde G-waarde wordt de kleinste van de verkregen waarden als de waarde van het maximaal toelaatbare draaimoment beschouwd. 15
Indien een model meters met verschillende G-waarden omvat, behoeft de proef inzake het draaimoment alleen bij meters met de kleinste G-waarde te worden uitgevoerd indien voor de grotere meters hetzelfde draaimoment geldt en indien hun aandrijfas door dezelfde of een grotere constante wordt gekenmerkt. 6.3. Wijziging van een reeds goedgekeurd model Indien de aanvraag om goedkeuring betrekking heeft op een wijziging van een reeds goedgekeurd model, beslist de bevoegde dienst die het oorspronkelijke model heeft goedgekeurd, naargelang van de aard van de wijziging of en in hoeverre de bepalingen van de punten 6.1., 6.2.3., 6.2.4. en 6.2.5. van toepassing zijn. 7. Eerste ijk 7.1. Indien de gasmeters moeten worden gebruikt met hulpinrichtingen aangedreven door naar buiten tredende aansluitingen, moeten deze inrichtingen reeds bij het ijken zijn aangesloten, tenzij de aansluiting daarvan na het ijken uitdrukkelijk is toegestaan in bijlage van het modelgoedkeuringsattest. *** zoals gewijzigd door KB740909/BS741101 *** 7.2. Nauwkeurigheidsproeven Een gasmeter wordt geacht te voldoen aan de voorschriften inzake de maximaal toelaatbare fouten wanneer deze fouten bij onderstaande debieten niet worden overschreden : a. bij het debiet Qmin b. bij een debiet in de orde van grootte van 1/5 Qmax; c. bij debiet Qmax Wanneer het onderzoek onder andere omstandigheden wordt uitgevoerd moet de waarborg bestaan dat de bekomen resultaten gelijkwaardig zijn aan deze welke worden verkregen op grond van bovengenoemde proeven. 16
17 Hoofdstuk III. - Natte gasmeters De voorschriften betreffende de balgengasmeters zijn van overeenkomstige toepassing op de natte gasmeters. De mogelijkheid tot behoud van het juiste vloeistofniveau moet door een geschikte inrichting verzekerd zijn. Deze inrichting moet verzegelbaar zijn.
18 Hoofdstuk IV. - Rotormeters en schoepenradmeters 1. Meetgebied en benaming *** zoals gewijzigd door KB740909/BS741101 *** 1.1. De gasmeters moeten naargelang van de G-waarden een der meetbereiken hebben, volgende uit onderstaande tabel: G Benaming Qmax Meetgebied Qmin m³/h m³/h Klein Gemiddeld Groot 16 25 40 65 100 160 250 400 650 1000 25 40 65 100 160 250 400 650 1000 1600 5 8 13 20 32 50 80 130 200 320 2,5 4 6 10 16 25 40 65 100 160 1,3 2 3 5 8 13 20 32 50 80 of uit de decimale veelvouden van de laatste vijf reeksen van waarden uit die tabel. 2. Constructiebijzonderheden 2.1. Rotormeters *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.1.1. Voor het meten van het drukverlies moeten de meters bij de inlaat en bij de uitlaat zijn voorzien van een drukmeetpunt voor statische druk; de bij de inlaat gemeten druk geldt als referentiedruk. 2.1.2. De meters mogen zijn voorzien van een inrichting voor het draaien van de rotors met de hand, voor zover daardoor geen misbruik kan ontstaan ten aanzien van de juiste werking van de gasmeter. 2.1.3. Bij meters G 160 en groter mogen de lagers van de rotorassen zodanig zijn uitgevoerd dat deze zonder verbreking van zegelmerken toegankelijk zijn. 2.2. Schoepenradmeters 2.2.1. De meters moeten zijn voorzien van een drukmeetpunt voor statische druk waarmede, eventueel indirect, de druk onmiddellijk voor het schoepenrad als referentiedruk kan worden gemeten.
2.2.1.1. Indien voor het schoepenrad een smoorinrichting voor de gasstroom aanwezig is, kunnen de meters behalve het in punt 2.2.1. geëiste drukmeetpunt, onmiddellijk voor deze inrichting, van een ander drukmeetpunt zijn voorzien, met behulp waarvan te samen met het drukmeetpunt volgens punt 2.2.1. het drukverschil aan de smoorinrichting kan worden gemeten. *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.3. Drukmeetpunten *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.3.1. De boorgaten voor drukmeetpunten moeten een diameter van ten minste 3 mm hebben. Sleufvormige drukmeetpunten moeten in de stromingsrichting een breedte van ten minste 2 mm en een dwarsdoorsnede van ten minste 10 mm² hebben. *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.3.2. De drukmeetpunten moeten zijn voorzien van een gasdicht afsluitorgaan. *** gevoegd bij KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 2.3.3. Het drukmeetpunt voor de referentiedruk moet duidelijk zichtbaar en onuitwisbaar zijn voorzien van de aanduiding "pr" en het ander drukmeetpunt van de aanduiding "p". 3. Controle-element 3.1. In toepassing van de bepalingen volgens punt 2.2.2.2.a) en b) van hoofdstuk I mag de schaalwaarde van het controle-element ten hoogste bedragen : voor de grootten G 16 tot G 65 inbegrepen... 0,002 m³, voor de grootten G 100 t.e.m. G 650... 0,02 m³, voor de grootten G 1000 t.e.m. G 6500... 0,2 m³, voor de grootten G 10000 en meer... 2,0 m³. 3.2. De schaalverdeling van het controle-element moet als volgt zijn becijferd : voor de grootten G 16 tot G 65 inbegrepen per... 0,01 m³, voor de grootten G 100 en G 650 per... 0,1 m³, voor de grootten G 1000 en G 6500 per... 1,0 m³, en bij de grootten G 10000 en meer per... 10,0 m³. 4. Maximaal toelaatbare fouten 4.1. Algemene bepalingen 4.1.1. De maximaal toelaatbare fouten in plus en min zin zijn in onderstaande tabel aangegeven: 19
20 Debieten Q Qmin <= Q < 0,2 Qmax 0,2 Qmax <= Q <= Qmax Bij eerste ijk 2 % 1 % Maximaal toelaatbare fouten In bedrijf 3 % 1,5 % 4.2. Bijzondere bepalingen 4.2.1. Bij belasting van de aandrijfassen met de maximale draaimomenten, die ingevolge de paragrafen 2.3.2.1. en 2.3.2.2. van hoofdstuk I op de gasmeter zijn aangegeven, mag de aanwijzing van de gasmeter bij Qmin maximaal met de in onderstaande tabel aangegeven waarden veranderen : Qmin 0,05 Qmax 0,1 Qmax 0,2 Qmax Veranderingen van de aanwijzing bij Qmin 1 % 0,5 % 0,25 % 4.3. De maximaal toelaatbare fouten in bedrijf gelden onder dezelfde proefvoorwaarden als bij de eerste ijk. 5. Modelgoedkeuring 5.1. Voor de proeven te leveren meters 5.1.1. Behalve het exemplaar van het model moet de aanvrager aanstonds twee à zes proefmeters die overeenkomstig het model zijn vervaardigd, ter beschikking stellen van de bevoegde dienst. Op verzoek van de bevoegde dienst moet dit aantal worden verdeeld over verschillende G- waarden wanneer gelijktijdig goedkeuring daarvoor wordt gevraagd. Naargelang van het verloop der proeven kunnen extra proefmeters worden verlangd. 5.1.1.1. Er kan toestemming worden verleend om van deze bepaling af te wijken, met dien verstande dat de proefmeters op een later tijdstip ter beschikking kunnen worden gesteld. Evenwel wordt niet eerder over de goedkeuring van het model beslist, dan na ontvangst en onderzoek van deze proefmeters.
5.1.1.2. De proefmeters blijven eigendom van de aanvrager en worden hem na verlening van de modelgoedkeuring teruggegeven. 5.1.2. *** afgeschaft door KB 1979 08 13 - BS 1979 11 29 *** 5.1.3. *** afgeschaft door KB 1979 08 13 - BS 1979 11 29 *** 5.1.3.1. *** afgeschaft door KB 1979 08 13 - BS 1979 11 29 *** 5.1.3.2. *** afgeschaft door KB 1979 08 13 - BS 1979 11 29 *** 5.2. Het onderzoek 5.2.1. Het onderzoek omvat in het bijzonder het vaststellen van de fouten van elke meter door een proef met lucht met volumieke massa van 1,2 kg/m³. Elk resultaat van elke proef wordt afzonderlijk in beschouwing genomen. 5.2.1.1. De miswijzingscurve van elke meter moet, in het meetgebied waarvoor de goedkeuring is aangevraagd liggen binnen de grenzen van de maximaal toelaatbare fouten bij eerste ijk. 5.2.1.2. Bij elke meter mag het verschil tussen de hoogste en de laagste waarde van de miswijzingen in het meetbereik tussen 1/2 Qmax en Qmax niet groter zijn dan 1 %. 5.2.2. De gasmeters worden daarna onderworpen aan een proef in langdurig bedrijf met lucht of met gas. 5.2.2.1. De proef in langdurig bedrijf moet zoveel mogelijk geschieden bij maximaal meetvermogen van de meters. De meters worden zolang in bedrijf gehouden totdat een luchtof gasvolume is gemeten dat overeenkomt met een bedrijfsduur van 1000 uur bij maximaal meetvermogen deze bedrijfsduur mag evenwel niet langer dan zes maanden zijn. 5.2.2.2. Na de proef in langdurig bedrijf moeten de meters opnieuw worden onderzocht met lucht met een volumieke massa van 1,2 kg/m³ waarbij dezelfde standaard apparatuur als bij de keuring volgens punt 5.2.1. dient te worden gebruikt. Onder deze omstandigheden van onderzoek a) mogen de voor de in punt 6.2. aangegeven debieten vastgestelde miswijzingen bij elke gasmeter (met uitzondering van ten hoogste één) niet meer dan 1 % afwijken van de bij het onderzoek volgens punt 5.2.1. vastgestelde waarden en b) mag het verschil tussen het hoogste en het laagste punt van de miswijzingscurve bij elke meter (met uitzondering van ten hoogste één) in het meetgebied tussen 1/2 Qmax en Qmax niet groten zijn dan 1,5 %. 5.2.3. Meters met aandrijfassen 5.2.3.1. Bij meters met één of meer aandrijfassen moet bij ten minste drie meters van elke G- waarde met lucht met een volumieke massa van 1,2 kg/m³ (zie paragraaf 2.5.2. van 21
hoofdstuk I) worden onderzocht of zij voldoen aan de voorschriften van paragraaf 2.3.2.4. van hoofdstuk I en 4.2.1. van hoofdstuk IV. Bij meters met meer dan één aandrijfas moet de proef worden uitgevoerd aan de as die de meest ongunstige waarde oplevert. Bij meters met dezelfde G-waarde wordt de kleinste van de verkregen waarden als de waarde van het maximaal toelaatbare draaimoment beschouwd. Indien een model meters met verschillende G-waarden omvat, behoeft de proef inzake het draaimoment alleen bij meters met de kleinste G-waarde te worden uitgevoerd indien voor de grotere meters hetzelfde draaimoment geldt en indien hun aandrijfas door dezelfde of een grotere constante wordt gekenmerkt. 5.2.3.2. Bij meters met meer dan één waarde voor Qmin behoeft alleen de proef bedoeld in paragraaf 5.2.3.1. hierboven voor de kleinste waarde van Qmin te worden uitgevoerd. De toelaatbare draaimomenten voor de overige meetbereiken kunnen aan de hand van het beproevingsresultaat worden berekend. Voor het omrekenen naar andere waarden van Qmin gelden de volgende regels : a) bij constant debiet is de verandering van de fout evenredig met het draaimoment; b) bij constant draaimoment is de verandering van de fout bij rotorgasmeters omgekeerd evenredig met het debiet en bij turbinegasmeters omgekeerd evenredig met het kwadraat van het debiet. 6. Eerste ijk 6.1. Indien de meters moeten worden gebruikt met hulpinrichtingen aangedreven door naar buiten tredende aansluitingen, dan moeten deze inrichtingen reeds bij het ijken zijn aangesloten tenzij de aansluiting daarvan na het ijken uitdrukkelijk is toegestaan in bijlage van het modelgoedkeuringsattest. 6.2. *** zoals gewijzigd door KB 1983 02 18 - BS 1983 04 16 *** 6.2. Juistheidsproeven Een meter wordt geacht te voldoen aan de voorschriften inzake de maximaal toelaatbare fouten, wanneer deze fouten bij onderstaande debieten niet worden overschreden : Qmin, 0,10 Qmax (indien deze waarde groter is dan Qmin), 0,25 Qmax 0,40 Qmax, 0,70 Qmax en Qmax. Wanneer het onderzoek onder afwijkende omstandigheden wordt uitgevoerd moeten uit de resultaten daarvan ten minste dezelfde conclusies als die, verkregen op grond van de eerder genoemde proeven kunnen worden getrokken. 6.3. Van de in punt 6.2. opgegeven debieten zijn afwijkingen toegestaan van plus of min 5 %. 22
Bijlage II. Reglement betreffende de technische controle van de balgengasmeters 23 *** bijgevoegd door KB 1989 01 03 - BS 1989 01 20 *** 1. Aan de technische controle bepaald in dit reglement worden onderworpen, de in bedrijf zijnde balgengasmeters, hierna " meters " genoemd, die sinds 1 januari 1976 zijn gebouwd en waarvan meer dan 2000 eenheden van een zelfde constructeur, type en maximaal debiet in het net zijn geïnstalleerd. Onverminderd het bepaalde in punt 8, wordt de controle uitgevoerd in het 10e, 15e, 20e en 25e op het bouwjaar volgende jaar. 2. De meters welke in bedrijf zijn worden verdeeld in loten. Een lot omvat het geheel van de balgengasmeters gekarakteriseerd door een gegeven constructeur, een gegeven type, een gegeven maximum debiet en het bouwjaar. Enkel de loten groter dan 500 meters komen in aanmerking. 3. Voorleggen der loten. Elk gasdistributiebedrijf moet elk jaar in de maand januari aan de Algemene Inspectie van de Metrologie het aantal gasmeters mededelen van eenzelfde constructeur, van een gegeven type, met een gegeven maximum debiet en die, wat hun bouwjaar betreft, 10, 15, 20 of 25 jaar oud zijn. 4. Terugkerende meters. De meters die terugkomen tengevolge van opzegging van het abonnement, afbraak van het gebouw enz., en waarvan het bouwjaar overeenstemt met het jaartal van de meters die dat jaar moeten onder- zocht worden, worden door de eigenaar van de meters verzameld en ter beschikking gesteld van de Algemene Inspectie van de Metrologie. 5. Steekproef Onverminderd het bepaalde in punt 12, tweede lid, wordt uit elk lot een trekking verricht, zodanig dat alle meters uit dit lot gelijke kans hebben getrokken te worden. Het aantal meters van de steekproef, zoals vermeld in onderstaande tabel, wordt, wat de nog in het net geïnstalleerde meters betreft, tot 50 % teruggebracht indien er met terugkerende meters dient rekening te worden gehouden, in welk geval de overige 50 % uit terugkerende meters bestaan. De meters bekomen door de statistische trekking vormen groep I. De terugkerende meters vormen groep II. Groep III is de som van de groepen I en II. 6. Elke meter uit deze steekproef wordt aan de volgende proeven onderworpen : één bij een debiet van 0,2 Qmax en één bij een debiet van Qmax. Een meter wordt slecht genoemd indien de fouten bij één der hierboven genoemde debieten de maximaal toelaatbare fout in bedrijf te buiten gaat.
24 7. Grootte van de steekproef Aantal van het lot Aantal meters van de steekproef groep I * ** Criterium van afkeuring groep II * ** groep III * ** 501 tot 1200 1201 en meer 80 125 6 8 8 11 5 7 7 11 11 15 15 22 * criterium bij 6,5 % (wat overeenstemt met ten hoogste 6,5 % slechte meters in het aan de steekproef onderworpen lot) ** criterium bij 10 % (wat overeenstemt met ten hoogste 10 % slechte meters in het aan de steekproef onderworpen lot). Het criterium van afkeuring wordt gevormd door het maximaal toegestaan aantal van slechte meters in de steekproef. Het lot is aanvaard indien het aantal slechte meters in de steekproef kleiner is dan het aantal voorgeschreven als criterium van afkeuring bij 10 % (en dit in iedere groep afzonderlijk) en indien het gemiddelde van de fouten van de meters in de steekproef binnen de grenzen ligt van de maximale toegelaten fouten bij eerste ijk. In geval van afkeuring van het lot moet een tweede reeks proeven worden uitgevoerd overeenkomstig het dubbel steekproefplan dat in nagevolgde tabel wordt weergegeven. Deze steekproef zal uitsluitend betrekking hebben op nog in het net geïnstalleerde meters, met uitsluiting van de terugkerende meters. Aantal meters van het lot Dubbele steekproef Criterium van definitieve aanvaarding Criterium van definitieve afkeuring 501 tot 1200 1201 en meer eerste 50 tweede 50 eerste 80 tweede 80 C1 <= 7 C1 + C2 <= 18 C1 >= 11 C1 + C2 <= 26 C1 >= 11 C1 + C2 >= 19 C1 >= 16 C1 + C2 >= 27 C 1 : aantal slechte meters van de eerste steekproef. C 2 : aantal slechte meters van de tweede steekproef. Indien het aantal slechte meters in de eerste steekproef van de dubbele steekproef kleiner dan of gelijk is aan het criterium voor definitieve aanvaarding, is het lot aanvaard. Indien het aantal slechte meters groter dan of gelijk is aan het criterium voor definitieve afkeuring, wordt het lot afgekeurd. Indien het aantal slechte meters gevonden in de eerste steekproef tussen het eerste criterium voor definitieve aanvaarding en definitieve afkeuring ligt, moet er eentweede steekproef uitgevoerd worden. Het aantal slechte meters in de eerste en de tweede steekproef moet samengesteld worden. Indien het aantal slechte meters kleiner of gelijk is aan het tweede criterium voor definitieve aanvaarding, wordt het lot aanvaard. In tegengesteld geval wordt het lot afgekeurd. 8. Deze proeven gebeuren systematisch op de meters met een ouderdom van 10 en 20 jaar. Indien bij die proeven 50 % van de meters binnen de grenzen liggen van de maximale
toelaatbare fouten in eerste ijk of indien de steekproef minder slechte meters telt dan het criterium van afkeuring bij 6,5 % wordt het betrokken lot vrijgesteld van de volgende vijfjarige controle. 9. De meters van de steekproef waarvan de fouten niet binnen de grenzen liggen verreist voor de eerste ijk, mogen slechts na het ondergaan van de eerste ijk weer in het net geplaatst worden. 10. Het beproeven van de steekproefmeters gebeurt door de Algemene Inspectie van de Metrologie, hetzij in de Algemene Inspectie van de Metrologie, hetzij in een door deze Algemene Inspectie goedgekeurd station. De proeven op de meters gebeuren met droge lucht waarvan de relatieve vochtigheid kleiner is dan 10 %. 11. De meters van een definitief afgekeurd lot moeten vervangen worden voor 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk het lot definitief is afgekeurd. 12. Administratieve voorschriften. Elke gasverdeler moet de nodige schikkingen treffen om over de volgende inlichtingen in een gemakkelijk te consulteren vorm te kunnen beschikken : - de constructeur; - het type van de meter - het maximaal debiet - het bouwjaar; - het serienummer of fabricagenummer - de plaats van opstelling. Het aantal meters van de steekproef zal over de verdelers worden gespreid in verhouding tot het percentage van hun meters in het totale lot. De keuze van de uit het netweg te nemen meters en de wijze waarop dit geschiedt, worden in onderling overleg tussen de verdelers en de ambtenaren van de Algemene Inspectie van de Metrologie vastgesteld. Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 3 januari 1989. BOUDEWIJN Van Koningswege : De Minister van Economische Zaken en het Plan W. CLAES 25