Metrologische Reglementering

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Metrologische Reglementering"

Transcriptie

1 NML.doc Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Dienst Metrologische Reglementering Reglement bijgevoegd aan het koninklijk besluit van 6 april 1979 betreffende meetinstallaties en gedeeltelijke meetinstallaties voor andere vloeistoffen dan water - Gecoördineerde tekst - gewijzigd door het koninklijk besluit van 20 oktober 1983 (BS ) gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 juli 1993 (BS ) gewijzigd door het koninklijk besluit van 26 september 2013 (BS )

2 2 BIJLAGE 1 : Reglement bijgevoegd aan het KB van 6 april 1979 betreffende meters, hulpinrichtingen en meetinstallaties voor vloeistoffen andere dan water AFDELING I. Vloeistofmeters, watermeters uitgezonderd Hoofdstuk 1. Voorschriften inzake vloeistofmeters, watermeters uitgezonderd 1. Definities 1.1. De kleinste afleveringshoeveelheid is de kleinste hoeveelheid vloeistof die, voor een bepaald model, mag worden gemeten De metende ruimte is gelijk aan het vloeistofvolume overeenkomend met één arbeidscyclus van het metende gedeelte, d.w.z. van het geheel der bewegingen aan het einde waarvan alle inwendige beweegbare organen van dat metende gedeelte weer voor het eerst hun oorspronkelijke stand innemen De periodieke fout is het maximale verschil tijdens één arbeidscyclus tussen het volume gevormd door de verplaatsing der meetorganen en het overeenkomstige volume aangewezen door de aanwijsinrichting, die zonder speling of slip zodanig met het metende gedeelte moet zijn gekoppeld dat deze aan het eind van de arbeidscyclus en voor die cyclus een volume aangeeft gelijk aan de metende ruimte. Deze fout kan eventueel worden verminderd door toepassing van een geschikt correctieorgaan. 2. Aanwijsinrichtingen 2.1. De meters moeten zijn voorzien van een aanwijsinrichting die het gemeten volume aangeeft in kubieke centimeters of milliliters, in kubieke decimeters of liters of in kubieke meters De aanwijsinrichting bestaat uit één of meer elementen; het element dat is voorzien van de schaalverdeling met het kleinste schaaldeel, wordt "eerste element" genoemd De aandrijving van de aanwijsinrichting door het metende gedeelte moet betrouwbaar en stabiel geschieden door middel van een mechanische verbinding of met behulp van een permanent-magnetische inrichting. Bij een snelheidsmeter kan de beweging van het beweegbaar orgaan omgezet worden in elektrische signalen die de aanwijsinrichting bedienen. Daarbij moeten de nodige voorzorgen genomen worden opdat alle signalen uitgezonden door het beweegbaar orgaan en alleen deze, met zekerheid overgedragen worden naar de aanwijsinrichting De aflezing moet betrouwbaar, gemakkelijk en ondubbelzinnig zijn Indien de aanwijsinrichting verscheidene elementen omvat, moet het geheel zodanig zijn uitgevoerd dat het meetresultaat door eenvoudige nevenschikking van de aanwijzingen der verschillende elementen kan worden afgelezen Het grootste aanwijsbereik van aanwijsinrichting moet van de vorm 1.10 n, 2.10 n of 5.10 n erkende eenheden van volume zijn, waarbij n een positief of negatief geheel getal of nul is.

3 De aanwijzing van een element kan continu of discontinu zijn Bij continu-aanwijzing van een element moet het aflezen van de gemeten waarde in iedere stand mogelijk zijn door middel van een schaalverdeling en een index De afleeseenheid van het eerste element moet van de vorm 1.10 n, 2.10 n of 5.10 n erkende eenheden van volume zijn De waarde van één omwenteling van een element waarvan de schaalverdeling geheel zichtbaar is, moet overeenkomen met 10 n erkende eenheden van volume. Het element met het grootste aanwijsbereik mag hierop evenwel een uitzondering vormen Wanneer een element wordt gevormd door een vaste ronde wijzerplaat met rondgaande wijzer, moet deze wijzer in de richting van de wijzers van de klok draaien Bij een aanwijsinrichting met verscheidene elementen, waarvan de schaalverdeling geheel zichtbaar is, moet elke omwenteling van één dezer elementen overeenkomen met de waarde van het schaaldeel van het volgende element Bij een aanwijsinrichting met verscheidene elementen moet de aanwijzing van een discontinu bewegend element, behalve het eerste, met één cijfer verspringen terwijl het voorgaande element ten hoogste één tiende van zijn omwenteling volbrengt. De voortbeweging moet eindigen wanneer het voorgaande element nul aanwijst Bij een aanwijsinrichting met verscheidene elementen waarvan de schaalverdelingen van het tweede element en volgende slechts gedeeltelijk in vensters zichtbaar zijn, moeten deze elementen discontinu voortbewegen. Het eerste element mag continu of discontinu voortbewegen Wordt de aanwijzing gevormd door op één lijn geplaatste cijfers en beweegt het eerste element discontinu voort, dan zijn één of meer vaste nullen rechts van dat element toelaatbaar Wanneer het eerste element continu voortbeweegt en de schaalverdeling daarvan slechts gedeeltelijk in een venster zichtbaar is, kan daardoor een dubbelzinnigheid in de aflezing ontstaan die zo gering mogelijk moet worden gehouden. Met het oog hierop en om aflezing door interpolatie mogelijk te maken, moet het bijbehorende venster in de bewegingsrichting van de schaalverdeling een afmeting hebben van ten minste 1,5 maal de afstand tussen de hartlijnen van twee opeenvolgende becijferde deelstrepen, zodat steeds ten minste twee deelstrepen, waarvan één becijferd, zichtbaar zijn. Het venster kan asymmetrisch ten opzichte van de vaste index zijn aangebracht Bij een schaalverdeling met deelstrepen moeten de deelstrepen over hun gehele lengte even dik zijn. Zij mogen niet dikker zijn dan één vierde van de afstand tussen de hartlijnen van twee opeenvolgende deelstrepen. Het onderscheid tussen de deelstrepen overeenkomend met 1.10 n, 2.10 n of 5.10 n erkende eenheden mag slechts worden verkregen door verschil in lengte De werkelijke of schijnbare afstand tussen de hartlijnen van twee opeenvolgende deelstrepen mag niet minder dan 2 mm bedragen.

4 De werkelijke of schijnbare hoogte der cijfers mag niet minder dan 4 mm bedragen. 3. Justeerinrichtingen 3.1. De meters moeten zijn voorzien van een justeerinrichting met behulp waarvan de verhouding tussen het aangegeven volume en het werkelijke volume van de doorgestroomde vloeistof kan worden gewijzigd Wanneer deze justeerinrichting de bedoelde verhouding discontinu wijzigt, mogen de opeenvolgende waarden van deze verhouding nooit meer dan 0,002 verschillen Het justeren door middel van een by-pass op de meter is verboden. 4. Bijzondere voorschriften voor de kleinste afleveringshoeveelheid Volumetrische meter De kleinste afleveringshoeveelheid moet zodanig zijn dat elk der onderstaande waarden ten hoogste gelijk is aan de maximaal toelaatbare fout daarop die is vastgesteld in de punten II.2 en II.3: 1. het volume, overeenkomend met een verplaatsing van 2 mm op de schaalverdeling van het eerste element en met een vijfde deel van de waarde van de afleeseenheid, wanneer het eerste element continu voortbeweegt; 2. het volume, overeenkomend met twee cijfersprongen, wanneer het eerste element discontinu voortbeweegt; 3. de fout die, bij normaal gebruik, voortvloeit uit een speling of slip bij de overbrenging van de beweging van het metende gedeelte op het eerste element van de aanwijsinrichting 4. tweemaal de periodieke fout Snelheidsmeter De kleinste afleveringshoeveelheid is gelijk aan de hoeveelheid vloeistof overeenstemmend met 200 impulsen uitgezonden door de impulsgevers voor meters met een elektrische inrichting. Voor meters zonder elektrische inrichting zijn de waarden die in aanmerking komen dezelfde als onder het punt Bij het vaststellen van de kleinste afleveringshoeveelheid, moet zo nodig bovendien rekening worden gehouden met de invloed van de hulporganen van de complete meetinstallatie, volgens de voorschriften vastgesteld in het daarop betrekking hebbend reglement De kleinste afleveringshoeveelheid moet zijn van de vorm 1.10 n, 2.10 n of 5.10 n erkende eenheden, waarbij n een positief of negatief geheel getal of nul is. 5. Maximaal en minimaal meetvermogen 5.1. Het maximale en het minimale meetvermogen worden vastgesteld in het certificaat van goedkeuring op basis van de resultaten verkregen bij het aan de goedkeuring voorafgaande onderzoek. De meter moet gedurende een bepaalde, in het certificaat van goedkeuring vastgestelde periode in de nabijheid van het maximale meetvermogen kunnen werken, zonder dat zijn metrologische eigenschappen aanmerkelijk worden gewijzigd De verhouding tussen het maximale en het minimale meetvermogen moet ten minste gelijk zijn aan 10 voor vloeistofmeters in het algemeen en aan 5 voor meters voor vloeibare gassen.

5 5 6. Invloed van de aard der vloeistof, van de temperatuur en van de druk 6.1. In het certificaat van goedkeuring voor een meter moet worden aangegeven voor welke vloeistof of vloeistoffen de meter is bestemd, de temperatuurgrenzen van de te meten vloeistof, indien deze grenzen lager dan -10 C of hoger dan +50 C liggen, alsmede de maximale werkdruk Uit het onderzoek voorafgaande aan de modelgoedkeuring voor een meter moet blijken dat de foutvariaties als gevolg van de maximale wisselingen van de kenmerken der vloeistoffen, van de druk en van de vloeistoftemperatuur binnen de in het certificaat van goedkeuring vast te leggen grenzen voor elk van deze factoren niet groter zijn dan de helft der waarden als aangegeven in de punten II,1, II.2 en II Maximaal toelaatbare fouten op afzonderlijke meters 7.1. Wanneer, alvorens een complete meetinstallatie aan de ijk te onderwerpen, de afzonderlijke meter aan metrologische onderzoeken wordt onderworpen, zijn de maximaal toelaatbare fouten bij die onderzoeken gelijk aan de helft van die, vastgesteld in de punten II.1, II.2 en II.3, waarbij zij evenwel niet minder bedragen dan 0,3% van de gemeten hoeveelheid, indien de gebruikte vloeistof dezelfde is als die waarvoor de meter is bestemd Wanneer deze bepaling evenwel door meetonnauwkeurigheid niet kan worden toegepast, kunnen in het certificaat van goedkeuring de maximaal toelaatbare fouten worden verhoogd binnen de grenzen als vastgelegd in de punten II.1, II.2 en II Voorts kunnen in het certificaat van goedkeuring de waarden der maximaal toelaatbare fouten worden verlaagd en/of verschoven, wanneer het voorafgaande onderzoek wordt uitgevoerd met slechts één der vloeistoffen waarvoor de meter is bestemd, dan wel met een andere vloeistof. in het laatste geval (d.w.z. wanneer de gebruikte vloeistof bij het voorafgaande onderzoek een andere is dan die waarvoor de meter is bestemd) kunnen in het certificaat van goedkeuring voor de debieten waarbij de meter wordt onderzocht, andere waarden dan die tussen het maximale en minimale meetvermogen worden vastgesteld. 8. Opschriften 8.1. Op iedere meter moeten, goed leesbaar en onuitwisbaar, de onderstaande opschriften op de telwerkplaat of op een speciaal daarvoor bestemde opschriftenplaat zijn aangebracht: a) het modelgoedkeuringsteken; b) de identificatie van de fabrikant of zijn firmanaam; c) eventueel een typeaanduiding van de fabrikant; d) een fabrieksnummer en het jaartal van vervaardiging; e) de metende ruimte indien de meter geen elektrische signalen uitzendt, of het volume overeenstemmend met een elektrische impuls indien de meter elektrische signalen uitzendt; (voor snelheidsmeters) f) het maximale en minimale meetvermogen; g) de maximale werkdruk; h) het temperatuurgebied, wanneer de vloeistof wordt gemeten bij een temperatuur lager dan - 10 C of hoger dan +50 C; i) de aard der te meten vloeistof(fen) en de grenzen der kinematische of dynamische viscositeit, wanneer de viscositeit niet voldoende blijkt uit de aanduiding van de aard der vloeistoffen.

6 Op de telwerkplaat moeten goed zichtbaar zijn vermeld: a) de naam of het symbool van eenheid waarin de gemeten volumes zijn uitgedrukt; b) de kleinste afleveringshoeveelheid Wanneer verwarring mogelijk is, moet de stromingsrichting van de vloeistof door een pijl op de kast van het metende gedeelte zijn aangegeven Bij demonteerbare meters voor consumptievloeistoffen moeten het fabrieksnummer of de drie laatste cijfers daarvan worden herhaald op de onderdelen door uitwisseling waarvan het meetresultaat kan worden beïnvloed Op de aanwijsinrichting mogen een eigen type-aanduiding en een eigen fabrieksnummer voorkomen. 9. Plaats van de ijk- en zegelmerken 9.1. De toegang tot de onderdelen waarmede het meetresultaat kan worden gewijzigd, alsmede het geheel of gedeeltelijk demonteren van de meter, moet worden verhinderd door verzegelingsinrichtingen wanneer althans het demonteren niet is toegestaan in het certificaat van goedkeuring (demonteerbare meters voor consumptievloeistoffen) Op het metende gedeelte, op de aanwijsinrichting of op de kast daarvan moet een van buitenaf zichtbare plaats (op een belangrijk onderdeel) zijn bestemd voor het aanbrengen van het ijkmerk In het certificaat van goedkeuring kan met betrekking tot de uitwisselbare delen van demonteerbare meters een plaats zijn aangegeven voor het aanbrengen van een merk naast het fabrieksnummer als bedoeld in punt

7 7 Hoofdstuk II. Maximaal toelaatbare fouten bij complete meetinstallaties 1. Bij een vloeistofmeter, gemonteerd in een complete meetinstallatie zijn de maximaal toelaatbare fouten in plus en min van deze meetinstallatie bij de ijk, onder normale bedrijfsomstandigheden en binnen de in het certificaat van goedkeuring toegestane gebruiksgrenzen, aangegeven in de hiernavolgende tabel naargelang van de gemeten hoeveelheden : Gemeten hoeveelheden van 0,02 tot 0,1 l van 0,1 tot 0,2 l van 0,2 tot 0,4 l van 0,4 tot 1 l van 1 tot 2 l 2 l of meer Maximaal toelaatbare fouten 2 ml 2 % van de gemeten hoeveelheid 4 ml 1 % van de gemeten hoeveelheid 10 ml 0,5 % van de gemeten hoeveelheid 2. De maximaal toelaatbare fout van de kleinste afleveringshoeveelheid bedraagt evenwel het dubbele van de waarde, vastgesteld in punt II.1; de maximaal toelaatbare fout is, ongeacht de gemeten hoeveelheid, nooit kleiner dan die welke voor de kleinste afleveringshoeveelheid is toegelaten. 3. Met het oog op de bijzondere moeilijkheden bij het onderzoek bedragen de maximaal toelaatbare fouten het dubbele van die genoemd in de punten II.1 en II.2 bij complete meetinstallaties voor vloeibare gassen of andere vloeistoffen die worden gemeten bij een temperatuur lager dan -10 C of hoger dan +50 C, alsmede bij installaties met een minimaal meetvermogen van ten hoogste 1 liter per uur. 4. Wanneer de fouten bij de eerste ijk alle hetzelfde teken hebben, mag ten minste één daarvan de grenzen, als vastgesteld in punt I.7.1, niet overschrijden. 5. Voor meetinstallaties met een snelheidsmeter is de maximaal toelaatbare fout gelijk aan 1 per 100 van de kleinste afleveringshoeveelheid voor elk volume begrepen tussen tweemaal de kleinste afleveringshoeveelheid.

8 8 AFDELING II. Hulpinrichtingen voor vloeistofmeters Hoofdstuk I. Nulstelinrichtingen van de volumeaanwijsinrichtingen 1.1. Een nulstelinrichting is een inrichting waarmede de aanwijsinrichting hetzij met de hand, hetzij automatisch in de nulstand kan worden gebracht De nulstelinrichting mag het meetresultaat niet kunnen wijzigen Wanneer een nulstelling is begonnen, moet het onmogelijk zijn dat een nieuw meetresultaat wordt verkregen zolang deze nulstelling niet is voltooid De voorschriften van de punten 1.2. en 1.3. zijn niet van toepassing: op telwerkplaten waarop is vermeld: "Verboden voor rechtstreekse verkoop aan het publiek", of een gebruiksbeperkend opschrift van dezelfde strekking; op aanwijsinrichtingen met wijzers, aangebracht op meters waarvan het maximale meetvermogen niet groter is dan liter per uur. In dit geval moet het onmogelijk zijn het aangegeven cijfer met de hand te verhogen, indien de meters bestemd zijn voor verkoophandelingen Bij continue aanwijsinrichtingen is na elke nulstelling de toegelaten afwijking ten opzichte van de nulaanwijzing ten hoogste gelijk aan de helft van de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid vermeld op de telwerkplaat, zonder één vijfde van het becijferde schaaldeel te boven te gaan. Op discontinue aanwijsinrichtingen moet de aanwijzing ondubbelzinnig nul zijn. Hoofdstuk II. Volumetotalisators 2.1. Een aanwijsinrichting met nulstelling mag zijn voorzien van een of meer totalisators, die door optelling de verschillende achtereenvolgens door de aanwijsinrichting aangegeven volumes aanwijzen Totalisators mogen geen nulstelinrichting hebben Totalisators mogen slechts zijn uitgevoerd in de vorm van numerieke aanwijsinrichtingen Totalisators mogen zodanig zijn aangebracht dat zij onzichtbaar zijn De eenheid (of het symbool daarvan) waarin de getotaliseerde volumes zijn uitgedrukt, moet zijn aangegeven; zij moet voldoen aan de voorschriften van de afdeling I voor vloeistofmeters, watermeters uitgezonderd De afleeseenheid van het eerste element van elke totalisator moet van de vorm 1.10 n, 2.10 n of 5.10 n erkende eenheden van volume zijn, waarbij n een positief of negatief geheel getal of nul is, en zij moet voorts ten minste gelijk zijn aan de afleeseenheid van het eerste element van de aanwijsinrichting met nulstelling.

9 2.7. Wanneer die aanwijzingen der totalisators en die van de aanwijsinrichting met nulstelinrichting gelijktijdig zijn, moeten de cijfers der totalisators afmetingen hebben die ten hoogste gelijk zijn aan de helft van de overeenkomstige afmetingen der cijfers op de aanwijsinrichting met nulstelling. Hoofdstuk III. Volumeaanwijsinrichtingen met meer aanwijzingen voor mechanische afstandsoverdraging 3.1. De aanwijsinrichting mag zijn voorzien van verschillende telwerkplaten. Bovendien mogen er een of meer repetitieaanwijsinrichtingen aan gekoppeld zijn De afleeseenheden van de diverse aanwijzingen mogen verschillende waarden hebben, maar de kleinste afleveringshoeveelheid mag slechts één waarde hebben en wordt vastgesteld aan de hand van de afleeseenheid die tot de grootste waarde van deze afleveringshoeveelheid leidt De voorschriften van onderhavige afdeling en die van de afdeling voor vloeistofmeters, watermeters uitgezonderd, zijn van toepassing op elke aanwijsinrichting en elke telwerkplaat De aanwijzingen der verschillende telwerkplaten van de aanwijsinrichting(en) mogen geen grotere onderlinge fout vertonen dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid die op de telwerkplaat (platen) is vermeld. Hoofdstuk IV. Prijsaanwijsinrichtingen 4.1. Numerieke volumeaanwijsinrichtingen met nulstelinrichting mogen worden aangevuld met een numerieke prijsaanwijsinrichting, eveneens met nulstelinrichting, waarvan de prijs per eenheid de prijs is van de eenheid van volume waarin de volumes worden aangewezen De prijs per eenheid moet instelbaar zijn. De ingestelde prijs per eenheid moet worden aangegeven De inrichtingen voor het instellen en het aangeven van de prijs per eenheid moeten zodanig met de prijsaanwijsinrichting zijn gekoppeld dat de prijs, overeenkomend met één meting, steeds gelijk is aan het product van de ingestelde en aangegeven prijs per eenheid en het aangewezen volume De voorschriften met betrekking tot volumeaanwijsinrichtingen vervat in de afdeling betreffende vloeistofmeters, watermeters uitgezonderd, alsmede de bepalingen van de hoofdstukken I, II en III van de van de onderhavige afdeling, gelden mutatis mutandis voor de prijsaanwijsinrichtingen, met uitzondering van punt 1.5. betreffende de nulstelling De gebruikte munteenheid of het symbool daarvan moet zijn aangegeven op de telwerkplaat van de prijsaanwijsinrichting De afmetingen der cijfers van de prijsaanwijsinrichting mogen niet groter zijn dan die van de cijfers van de volumeaanwijsinrichting De nulstelinrichtingen van de prijs- en volumeaanwijsinrichting moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het nulstellen van een der beide inrichtingen automatisch de nulstelling van de andere met zich brengt. 9

10 De prijs van een hoeveelheid gelijk aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid vermeld op de telwerkplaat, moet ten minste gelijk zijn aan één vijfde van de waarde van de afleeseenheid, zonder echter kleiner te zijn dan de prijs die overeenkomt met een interval van 2 mm op de schaalverdeling van het eerste element van de prijsaanwijsinrichting, indien de voortschrijding van het bewegende deel van dat element continu is. Dit interval van één vijfde van de afleeseenheid of van 2 mm behoeft evenwel niet kleiner te zijn dan 10 Belgische centimes Indien het bewegende deel van dat element discontinu verspringt, moet de prijs van een hoeveelheid gelijk aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid vermeld op de telwerkplaat, ten minste gelijk zijn aan twee cijfersprongen. De cijfersprong behoeft evenwel niet kleiner te zijn dan de onder punt vermelde geldwaarde Het onder normale gebruiksomstandigheden vastgestelde verschil tussen de aangewezen prijs en de berekende prijs, uitgaande van de prijs per eenheid en het aangewezen volume, mag niet groter zijn dan de prijs van de hoeveelheid gelijk aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid, die op de telwerkplaat is vermeld. Het verschil behoeft evenwel niet kleiner te zijn dan tweemaal de onder punt vermelde geldwaarde Bij continue prijsaanwijsinrichtingen is de toegelaten afwijking ten opzichte van de nulaanwijzing na elke nulstelling ten hoogste gelijk aan de helft van de prijs van de hoeveelheid gelijk aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid vermeld op de telwerkplaat, zonder een vijfde van het becijferde schaaldeel te boven te gaan. Deze afwijking behoeft evenwel niet kleiner te zijn dan de onder punt vermelde geldwaarde. Bij discontinue prijsaanwijsinrichtingen moet de aanwijzing ondubbelzinnig nul zijn. Hoofdstuk V. Afdrukinrichtingen 5.1. Aan de aanwijsinrichting van een meter mag een numerieke volumeafdrukinrichting zijn gekoppeld De afdrukeenheid moet van de vorm 1.10 n, 2.10 n of 5.10 n erkende eenheden van volume zijn, waarbij n een positief of negatief geheel getal of nul is De waarde van de afdrukeenheid mag ten hoogste gelijk zijn aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid die op de telwerkplaat is vermeld De waarde van de afdrukeenheid moet op de afdrukinrichting zijn vermeld Het afgedrukte volume moet zijn uitgedrukt in een van de eenheden die voor de volumeaanwijzing zijn toegestaan. De cijfers, de gebruikte eenheid of het symbool daarvan en de eventuele komma moeten door de inrichting op het kaartje worden afgedrukt De afdrukinrichting mag identificatiegegevens van de levering afdrukken, zoals volgnummer, datum, meetpost, aard van de vloeistof De afdrukinrichting mag zodanig zijn uitgevoerd dat de afdruk herhaalbaar is. In dat geval moeten de afdrukken geheel overeenstemmen en hetzelfde volgnummer dragen.

11 5.8. Wanneer het volume wordt vastgesteld als het verschil tussen twee afgedrukte waarden, waarvan er een in nullen kan zijn uitgedrukt, moet het onmogelijk zijn tijdens de meting het kaartje uit de afdrukinrichting te verwijderen Behalve in het geval bedoeld onder punt 5.8. moet de afdrukinrichting zijn voorzien van een nulstelinrichting, gecombineerd met die van de aanwijsinrichting Het verschil tussen het aangewezen en het afgedrukte volume mag de waarde van een afdrukeenheid niet overschrijden De afdrukinrichting mag, behalve de gemeten hoeveelheid, hetzij de overeenkomstige prijs dan wel deze prijs en de prijs per eenheid afdrukken. Zij kan ook uitsluitend de te betalen prijs afdrukken, indien zij is gekoppeld aan een aanwijsinrichting voor volumes en prijzen, in geval van rechtstreekse verkoop aan het publiek. De cijfers, de gebruikte munteenheid of het symbool ervan en de eventuele komma moeten door de inrichting op het kaartje worden afgedrukt. De afgedrukte cijfers voor de prijzen mogen in afmeting ten hoogste gelijk zijn aan de afgedrukte cijfers voor de gemeten hoeveelheid De afdrukeenheid voor de prijzen moet van de vorm 1.10 n, 2.10 n of 5.10 n munteenheden zijn, waarbij n een positief of negatief geheel getal of nul is. Deze waarde mag niet groter zijn dan de prijs van de hoeveelheid gelijk aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid die op de telwerkplaat is vermeld. De waarde van de afdrukeenheid behoeft echter niet kleiner te zijn dan de onder punt vermelde geldwaarde Wanneer de meter is voorzien van een prijsaanwijsinrichting, mag het verschil tussen de aangegeven en de afgedrukte prijs niet meer bedragen dan de waarde van één afdrukeenheid Wanneer de meter niet is voorzien van een prijsaanwijsinrichting, moet het verschil tussen de afgedrukte prijs en de berekende prijs, uitgaande van het aangegeven volume en de prijs per eenheid, voldoen aan de onder punt 4.9. vastgestelde voorschriften. Hoofdstuk VI. Voorinsteltelwerken (uitgenomen inrichtingen voor zelfbediening) 6.1. De meters mogen zijn voorzien van voorinsteltelwerken. Dit zijn inrichtingen waarmee de te meten hoeveelheid kan worden ingesteld en die de vloeistofstroom automatisch onderbreken nadat de ingestelde hoeveelheid is gemeten De vooringestelde hoeveelheid wordt aangegeven door met behulp van een inrichting met schaalverdeling en deelstrepen of van een numerieke inrichting Wanneer een voorinstelling kan worden uitgevoerd met behulp van verscheidene, onderling onafhankelijke bedieningsinrichtingen moet de schaaldeelwaarde van elk dezer inrichtingen gelijk zijn aan het voorinstelbereik van de inrichting van de naast lager liggende orde De voorinsteltelwerken mogen zodanig zijn uitgevoerd dat voor herhaling van de ingestelde hoeveelheid het voorinsteltelwerk niet opnieuw behoeft te worden bediend Indien de cijfers van de aanwijzing van de voorinsteltelwerken verschillen van die van de volumeaanwijsinrichting en indien deze gelijktijdig zichtbaar zijn, mogen de eerstbedoelde cijfers in afmeting ten hoogste gelijk zijn aan drie vierde der overeenkomstige cijfers van de volumeaanwijsinrichting. 11

12 6.6. De aanwijzing van de ingestelde hoeveelheid kan gedurende de meting hetzij gehandhaafd blijven, hetzij geleidelijk naar nul terugkeren Onder normale bedrijfsomstandigheden mag het verschil tussen de vooringestelde en de aan het eind van de meting door de volumeaanwijsinrichting aangewezen hoeveelheid niet groter zijn dan de helft van de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid De vooringestelde hoeveelheden en de door de volumeaanwijsinrichting aangegeven hoeveelheden moeten in dezelfde eenheid zijn uitgedrukt. Deze eenheid (of het symbool daarvan) moet op het voorinsteltelwerk zijn aangegeven De kleinste afleeseenheid van het voorinsteltelwerk mag niet kleiner zijn dan de afleeseenheid van het eerste element van de aanwijsinrichting Voorinsteltelwerken mogen zijn voorzien van een inrichting waarmede, indien nodig, de vloeistofstroom onmiddellijk kan worden stopgezet Indien een voorinsteltelwerk is voorzien van een inrichting ter regeling van het debiet aan het eind van de meting, moet er een verzegelingsinrichting zijn aangebracht indien deze laatste nodig is om eventueel wijzigingen van de ingestelde regeling te beletten De punten 6.7. en zijn niet van toepassing indien een afdrukinrichting (hoofdstuk V) aan de meter is gekoppeld om de afgifte van een gedrukt kaartje mogelijk te maken of indien, bij rechtstreekse verkoop aan het publiek, het voorinsteltelwerk niet zichtbaar is Meters met prijsaanwijsinrichting mogen eveneens zijn voorzien van een voorinsteltelwerk voor de prijzen. In dat geval wordt de vloeistofstroom onderbroken op het moment waarop de afgeleverde hoeveelheid overeenkomt met de tevoren ingestelde prijs. De voorgaande bepalingen, vermeld onder de punten 6.1. tot en met 6.12., zijn van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk VII. Verzegeling 7.1. Verzegelingsinrichtingen moeten zijn aangebracht om te verhinderen dat de hulpinrichtingen worden verwijderd en om te beletten dat de delen waarmede het meetresultaat kan worden beïnvloed, toegankelijk zijn. *** bijgevoegd door KB BS *** Hoofdstuk VIII. Herleidingsinrichtingen voor temperatuur 8. Definities. Een meter voor de meting van het volume van vloeistoffen kan uitgerust worden met een herleidingsinrichting voor temperatuur. Een herleidingsinrichting voor temperatuur is een inrichting die automatisch het netto volume bepaalt uitgaande van het bruto volume Bruto volume: aanduiding gegeven door een vloeistofmeter uitgerust met een aanwijsinrichting zoals voorzien in punt 2, hoofdstuk I, afdeling I van deze bijlage, zonder de temperatuur van de vloeistof in rekening te brengen. 12

13 8.2. Netto volume: is het volume ingenomen door het bruto volume indien deze wordt herleidt naar de referentietemperatuur door de herleidingsinrichting voor temperatuur en afgelezen van de respectievelijke aanwijsinrichting Theoretisch netto volume: is het volume berekend met behulp van de referentietabellen vernoemd in de NBN norm T (ISO 91/1-1982) voor de petroleumproducten herleid naar de referentietemperatuur Referentietemperatuur: temperatuur vastgesteld door de bevoegde overheid Werkelijke herleidingsfactor: verhouding tussen het bruto volume en het netto volume aangeduid door de herleidingsinrichting voor temperatuur. Theoretische herleidingsfactor: verhouding tussen het bruto volume en het theoretisch netto volume Een meter uitgerust met een herleidingsinrichting voor temperatuur moet volgende aanduidingen geven: - bruto volume; - netto volume. Het verschil tussen deze 2 aanduidingen moet ondubbelzinnig kunnen vastgesteld worden. De referentietemperatuur moet aangeduid worden naast het netto volume Maximaal toelaatbare fouten: Het verschil tussen de werkelijke herleidingsfactor en de theoretische herleidingsfactor mag voor het totale temperatuursgebied van de herleidingsinrichting voor temperatuur niet meer bedragen dan: 0,001 voor de vloeistoffen in het algemeen en 0,002 voor vloeibare gassen onder druk. Het verschil tussen de indicaties netto volume, bruto volume moet lager zijn dan 0,05 % bij de referentietemperatuur De herleidingsinrichting voor temperatuur mag niet beïnvloed worden door de omgevingstemperatuur De gecumuleerde fout bij een plotselinge temperatuursverandering van 5 C mag niet groter zijn dan 0,5 % van het netto volume dat gemeten zou zijn geweest indien er geen vertraging was opgetreden in de herleiding De temperatuur van de vloeistof moet zo nauwkeurig mogelijk gemeten zijn. De temperatuuropnemers moeten volledig ondergedompeld zijn in de vloeistof en zo dicht mogelijk bij de meter geplaatst worden. Een thermometerpunt moet voorzien zijn in de directe nabijheid van de opnemers ten einde de herleidingsinrichting te kunnen controleren tijdens haar werking Opschriftenplaat. Iedere herleidingsinrichting voor temperatuur waaraan een modelgoedkeuring is verleend moet, goed leesbaar en onuitwisbaar, ofwel op de telwerkplaat van het netto volume, ofwel bijgevoegd op de bijzondere opschriftenplaat voorzien in punt 1.16, afdeling III van deze bijlage, volgende vermeldingen dragen: a) het modelgoedkeuringsteken; b) de identificatie van de fabrikant of zijn firmanaam; c) eventueel een typeaanduiding van de fabrikant; d) een fabrieksnummer en het jaartal van de vervaardiging; e) een of meerdere uitzettingscoëfficiënten waarvoor de herleidingsinrichting voor temperatuur ingesteld is, of de numerieke vergelijking van de herleidingsfactor van het toestel. 13

14 f) de aard van de te meten vloeistof(fen) waarvoor de herleidingsinrichting voor temperatuur gebruikt kan worden zonder verandering van de instelling met de grenzen van de uitzettingscoëfficiënt van deze vloeistoffen of de grenzen van de volumemassa bij 15 C gemeten in vacuüm; g) het temperatuursgebied; h) de referentietemperatuur Verzegelingsinrichtingen: Hoofdstuk VII van deze afdeling is eveneens van toepassing wat betreft met name de toegankelijkheid tot de regelinrichting en tot de temperatuuropnemers Modelgoedkeuring: Herleidingsinrichtingen voor temperatuur zijn onderworpen aan de modelgoedkeuring. De eerste ijk gebeurt ter plaatse van opstelling en op de volgende manier: 1 nazicht of de gebruikte temperatuur herleidingsfactor overeenstemt met die van de te meten vloeistof. 2 onderzoek van het netto volume door gebruik te maken van het bruto volume en de theoretische herleidingsfactor bepaald met behulp van de referentietabellen en de gemiddelde temperatuur opgemeten in de thermometrische controleput; deze fout moet kleiner zijn dan de maximale toelaatbare fout voorzien in punt 8.7. Evenwel, voor temperatuursverschillen ten opzichte van de referentietemperatuur groter dan 10 C, mag de maximale toelaatbare fout verdubbeld worden, zonder evenwel de maximale toelaatbare fouten voorzien in hoofdstuk II, afdeling I van deze bijlage te overschrijden. Het referentievolume wordt bekomen door het bruto volume, afgelezen op de werkstandaard bij gegeven temperatuur, om te herleiden naar het netto volume via de theoretische herleidingsfactor. 14

15 15 AFDELING III. Meetinstallaties voor vloeistoffen andere dan water 1. Algemene bepalingen betreffende de meetinstallaties 1.1. Definities Meetinstallatie Een meetinstallatie voor andere vloeistoffen dan water omvat behalve de meter zelf overeenkomstig afdeling I en de hulpinrichtingen overeenkomstig afdeling II die daarmee kunnen worden verbonden, alle inrichtingen die een juiste meting verzekeren of het gebruik vergemakkelijken, alsmede alle andere inrichtingen die de meting op ongeacht welke wijze kunnen beïnvloeden. Indien de verscheidene meters die voor onderscheiden meethandelingen zijn bestemd, in combinatie met gemeenschappelijke organen werken, wordt elke meter tezamen met de gemeenschappelijke organen beschouwd als een meetinstallatie. Indien verscheidene meters voor dezelfde meethandeling zijn bestemd worden deze meters geacht deel uit te maken van dezelfde meetinstallatie Kleinste afleveringshoeveelheid De kleinste afleveringshoeveelheid van een meetinstallatie wordt vastgesteld overeenkomstig de afdelingen I en II, waarbij rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in deze afdeling. Bij meetinstallaties voor ontvangst wordt het kleinste vloeistofvolume waarvan meting is toegestaan de kleinste ontvangsthoeveelheid genoemd. Bovenstaande bepaling inzake de kleinste afleveringshoeveelheid geldt dienovereenkomstig voor de kleinste ontvangsthoeveelheid Luchtafscheider (gasafscheider) Een luchtafscheider is een apparaat met behulp waarvan de lucht of de gassen die zich eventueel in de vloeistof bevinden doorlopend worden afgescheiden en door middel van een daartoe geschikte inrichting worden afgevoerd. De afvoerinrichting voor de lucht of de gassen moet in principe automatisch werken. Deze eis geldt evenwel niet indien de doorstroming van de vloeistof automatisch wordt onderbroken zodra er gevaar bestaat dat een lucht- of gasbel in de meter doordringt. In dat geval moet de meting slechts kunnen worden hervat na verwijdering, automatisch of met de hand, van de lucht of de gassen Ontluchter (ontgasser) Een ontluchter is een apparaat bestemd om de lucht of de gassen, die zich in de toevoerleiding van de meter in de vorm van in geringe mate met de vloeistof vermengde lucht- of gasbellen hebben opgehoopt, af te voeren. De bovenstaande bepalingen betreffende de afvoerinrichting voor lucht of gassen van de luchtafscheider gelden tevens voor die van de ontluchter Speciale ontluchter (speciale ontgasser) Een speciale ontluchter is een apparaat waarmede enerzijds, zoals met de luchtafscheider, doch onder minder zware bedrijfsomstandigheden, de lucht of gassen die zich eventueel in de vloeistof bevinden doorlopend worden afgescheiden en die anderzijds de doorstroming van de vloeistof automatisch onderbreekt zodra gevaar bestaat dat de lucht of gassen die zich in de

16 vorm van in geringe mate met de vloeistof vermengde lucht- of gasbellen hebben opgehoopt, in de meter doordringen Condensor Een condensor is een gesloten ruimte waarin, bij meetinstallaties voor onder druk vloeibaar gemaakte gassen, de gassen die in de te meten vloeistof voorkomen, moeten worden opgevangen om deze voor de meting te doen condenseren Gasverklikker Een gasverklikker is een inrichting met behulp waarvan eventueel in de doorstromende vloeistof aanwezige lucht- of gasbellen gemakkelijk kunnen worden onderkend Kijkglas Een kijkglas is een inrichting met behulp waarvan kan worden gecontroleerd of de meetinstallatie dan wel een deel van de meetinstallatie volledig met vloeistof is gevuld Toepassingsgebied De algemene bepalingen van punt 1 gelden voor alle typen meetinstallaties voor zover in de bijzondere bepalingen van punt 2 geen andere voorschriften zijn opgenomen Meters, minimaal en maximaal debiet Meters die deel uitmaken van een meetinstallatie, met inbegrip van eventuele hulpinrichtingen, moeten van een type zijn, dat is goedgekeurd voor het meten van de betrokken vloeistof onder voor de meetinstallatie normale bedrijfsomstandigheden. Deze meters worden onderworpen aan een afzonderlijke modelgoedkeuring of aan een goedkeuring die is opgenomen in de modelgoedkeuring van de meetinstallatie waarvan zij deel uitmaken. Het minimale en het maximale debiet van een meetinstallatie kunnen verschillen van die van de erin aangebrachte meter. Indien zulks het geval is, dient te worden nagegaan of de debieten van de meetinstallatie verenigbaar zijn met die van de meter. Een meter moet in alle gevallen, zelfs indien hij is goedgekeurd als onderdeel van een meetinstallatie, voldoen aan de voorschriften van de afdeling I. Indien er in een zelfde meetinstallatie verscheidene meters parallel zijn gemonteerd, wordt bij de vaststelling van het minimale en het maximale debiet van de meetinstallatie gerekend met de som van het minimale, respectievelijk maximale debiet van de verschillende meters, tenzij in bijzondere gevallen in deze afdeling anders is bepaald. Het maximale debiet van de meetinstallatie moet ten minste gelijk zijn aan twee maal het minimale debiet of aan twee maal de som van de minimale debieten van de erin aangebrachte meter(s) Meetgrens De meetinstallaties moeten voorzien zijn van een punt, meetgrens genaamd, dat de begrenzing vormt van de afgeleverde of ontvangen vloeistof. Deze meetgrens bevindt zich, in de stromingsrichting gezien, bij installaties voor aflevering achter de meter en bij die voor ontvangst voor de meter Meetinstallaties worden onderscheiden in twee typen: installaties met "lege slang" respectievelijk met "volle slang", waarbij de term "slang" betrekking kan hebben op nietbuigzame leidingen "Lege slang"-installaties zijn, bij installaties voor aflevering, meetinstallaties waarvan de meetgrens zich voor een afleverleiding bevindt. Deze meetgrens bestaat of wel uit een 16

17 overloopkijkglas of wel uit een afsluitorgaan, in beide gevallen gecombineerd met een systeem voor lediging van de afleverleiding na elke meting "Volle slang"-installaties zijn, bij installaties voor aflevering, meetinstallaties waarvan de meetgrens bestaat uit een afsluitorgaan dat zich op de afleverleiding bevindt. Wanneer de afleverleiding een vrij uiteinde heeft, moet het afsluitorgaan zo dicht mogelijk bij dit vrije uiteinde worden geplaatst Bij installaties voor ontvangst zijn dezelfde bepalingen van dienovereenkomstige toepassing op de voor de meter geplaatste ontvangstleidingen Filters In de meetinstallaties moet voor de meter een inrichting zijn ingebouwd voor het opvangen van vaste verontreinigingen van de vloeistoffen (filter). De filters moeten zoveel mogelijk zodanig zijn geplaatst dat zij gemakkelijk toegankelijk zijn Verwijdering van lucht of gassen Algemene bepaling De meetinstallaties moeten zodanig zijn ingericht dat er normaal voor de meter geen lucht kan toetreden of geen gassen uit de vloeistof kunnen vrijkomen. Indien de mogelijkheid bestaat dat aan deze voorwaarde niet wordt voldaan moeten de meetinstallaties zijn voorzien van ontluchtingsinrichtingen (ontgassingsinrichtingen) met behulp waarvan een goede verwijdering mogelijk is van niet in de vloeistof opgenomen lucht of gassen die eventueel aanwezig zijn voordat de vloeistof door de meter stroomt. De ontluchtingsinrichtingen moeten aan de toevoeromstandigheden zijn aangepast en zodanig zijn ingericht dat de extra fout die het gevolg is van de invloed van lucht of gassen op de meetresultaten niet meer bedraagt dan: - 0,5 % van de gemeten hoeveelheid voor andere vloeistoffen dan vloeibare levensmiddelen waarvan de viscositeit ten hoogste gelijk is aan 1 mpa.s; - 1 % van de gemeten hoeveelheid voor vloeibare levensmiddelen en voor vloeistoffen waarvan de viscositeit meer dan 1 mpa.s bedraagt. Het is evenwel niet noodzakelijk dat deze fout kleiner is dan 1 % van de kleinste afleveringshoeveelheid Toevoer door middel van een pomp Behoudens het bepaalde in punt dient een luchtafscheider te zijn aangebracht wanneer de inlaatdruk van de pomp, ook indien slechts gedurende korte tijd, lager kan zijn dan de atmosferische druk of dan de dampspanning van de vloeistof Een luchtafscheider, ontworpen voor een maximumdebiet van ten hoogste 100 m³/h, kan worden onderworpen aan hetzij een afzonderlijke modelgoedkeuring, hetzij aan een goedkeuring die een onderdeel vormt van de modelgoedkeuring van de meetinstallatie waarvan het apparaat deel uitmaakt, voor zover de goedkeuring van deze installatie in de onderhavige afdeling wordt voorgeschreven. Wat evenwel de luchtafscheiders voor een maximumdebiet van meer dan 100 m³/h betreft, kunnen de modelgoedkeuringen worden verleend naar analogie van een goedgekeurd model van hetzelfde ontwerp en geringere afmetingen. De luchtafscheiders die een afzonderlijke modelgoedkeuring hebben ontvangen, mogen worden gebruikt in meetinstallaties zonder gasverklikker. 17

18 De luchtafscheider wordt in principe op de persleiding van de pomp aangebracht. Het apparaat mag evenwel met de pomp worden gecombineerd (dompelpomp). Het moet in elk geval zo dicht mogelijk bij de meter worden geplaatst zodat het drukverlies ten gevolge van de doorstroming van de vloeistof tussen deze beide te verwaarlozen is De grenswaarden voor het werkingsgebied van een luchtafscheider zijn de volgende: a) het (de) maximumdebiet(en) voor een of meer bepaalde vloeistoffen; b) de bij een juiste werking van de luchtafscheider passende maximum- en minimumwaarden van de druk Wanneer een luchtafscheider, ontworpen voor een maximumdebiet van ten hoogste 100 m³/h, aan een afzonderlijke modelgoedkeuring is onderworpen, moet dit apparaat onder de volgende beproevingsomstandigheden en binnen de grenzen van de in punt vastgestelde fouten de in de te meten vloeistof voorkomende lucht of gassen verwijderen: a) de meetinstallatie werkt op het maximumdebiet en bij de minimumdruk die voor de luchtafscheider is vastgesteld; b) het volumepercentage van de lucht of de gassen ten opzichte van de vloeistof wordt willekeurig genomen indien de luchtafscheider voor een maximumdebiet van ten hoogste 20 m³/h is bestemd en wordt tot 30 % beperkt indien de luchtafscheider voor een maximumdebiet van meer dan 20 m³/h is bestemd. (De lucht of de gassen worden met het oog op de berekening van het volumepercentage bij atmosferische druk gemeten.) Voorts dient de automatisch werkende inrichting voor afvoer van lucht of gassen nog goed te werken bij de voor de luchtafscheider vastgestelde maximumdruk Wanneer een luchtafscheider wordt goedgekeurd als onderdeel van een goedgekeurde meetinstallatie kan punt hierop worden toegepast. In dat geval is geen gasverklikker nodig. Wanneer de meetinstallatie evenwel een gasverklikker overeenkomstig sub gegeven definitie omvat, moet de luchtafscheider onder de volgende voorwaarden en binnen de grenzen van de in punt vastgestelde fouten de in de te meten vloeistof voorkomende lucht of gassen verwijderen: a) de meetinstallatie werkt op het maximumdebiet en bij de minimumdruk die voor de meetinstallatie is vastgesteld; b) het volumepercentage van de lucht of de gassen ten opzichte van de vloeistof is ten hoogste gelijk aan: - 20 % voor andere vloeistoffen dan vloeibare levensmiddelen waarvan de viscositeit ten hoogste gelijk is aan 1 mpa.s; - 10 % voor vloeibare levensmiddelen en voor andere vloeistoffen waarvan de viscositeit meer dan 1 mpa.s bedraagt. (in de praktijk is gebleken dat bij een goed gebouwde afscheider in het algemeen aan de sub a) en b) gestelde voorwaarde is voldaan, indien het nuttige volume daarvan minstens gelijk is aan 8 % van de in een minuut afgegeven hoeveelheid bij het maximumdebiet als aangegeven op de plaat waarop de kenmerken van de meetinrichting staan vermeld.) Wanneer het volumepercentage van de lucht of de gassen ten opzichte van de vloeistof hoger is dan de hierboven genoemde percentages en wanneer de luchtafscheider niet voldoet aan de voorschriften inzake de maximaal toelaatbare fouten, moeten in de gasverklikker duidelijk lucht- of gasbellen te onderkennen zijn Indien de druk aan de inlaatzijde van de pomp steeds hoger is dan de druk van de buitenlucht en dan de dampspanning van de vloeistof, is, ingeval geen luchtafscheider aanwezig is, een ontluchter of een speciale ontluchter noodzakelijk indien, wanneer niet gemeten wordt, gevreesd moet worden voor het ontstaan van gassen tussen de pomp en de meter of indien er 18

19 luchtbellen kunnen binnendringen in de leiding (bijvoorbeeld wanneer het toevoerreservoir volkomen leeg is), zodat een specifieke fout groter dan 1 % van de kleinste afleveringshoeveelheid ontstaan De ontluchter en de speciale ontluchter, ontworpen voor een maximumdebiet van ten hoogste 100m³/h, kunnen worden onderworpen aan hetzij een afzonderlijke modelgoedkeuring, hetzij een goedkeuring die een onderdeel vormt van de modelgoedkeuring van de meetinstallatie waarvan zij deel uitmaken, voor zover de modelgoedkeuring van deze installatie in deze afdeling wordt voorgeschreven. Wat evenwel de ontluchters voor een maximumdebiet van meer dan 100 m³/h betreft, kunnen de modelgoedkeuringen worden verleend naar analogie van een goedgekeurd model van hetzelfde ontwerp en geringere afmetingen. De ontluchters en de speciale ontluchters die een afzonderlijke modelgoedkeuring hebben ontvangen, mogen worden gebruikt in meetinstallaties zonder gasverklikker De ontluchter of de speciale ontluchter wordt in principe op de persleiding van de pomp aangebracht. Dit apparaat kan evenwel ook met de pomp worden gecombineerd. Het wordt in beide gevallen in het algemeen op het hoogste punt van de leiding aangebracht, zo dicht mogelijk voor de meter. Indien het lager dan de meter wordt aangebracht moet door middel van een terugslagklep, met, voor zover noodzakelijk, een drukbegrenzer, worden voorkomen dat de leiding die deze twee verbindt, leegloopt. Indien de toevoerleiding van de meter meer dan één hoog punt bevat, is het mogelijk dat meer dan één ontluchter nodig is De grenswaarden voor het werkingsgebied van een ontluchter of een speciale ontluchter zijn dezelfde als de in punt voor luchtafscheiders vastgelegde waarden, met voorts de kleinste afleveringshoeveelheid waarvoor deze apparaten zijn bedoeld Met een ontluchter of een speciale ontluchter moet bij het maximumdebiet van de meetinstallatie een lucht- of gasbel kunnen worden verwijderd die bij atmosferische druk gemeten een volume inneemt dat ten minste gelijk is aan de kleinste afleveringshoeveelheid, zonder dat hieruit een extra fout voortvloeit die groter is dan 1 % van de kleinste afleveringshoeveelheid. Bovendien moet een speciale ontluchter doorlopend een lucht- of gasvolume kunnen afscheiden dat gelijk is aan 5 % van de bij het maximumdebiet afgegeven hoeveelheid vloeistof, zonder dat de hieruit voortvloeiende extra fout de in punt vastgestelde grenzen overschrijdt Het bepaalde in de punten en vormt geen beletsel voor de aanwezigheid van met de hand te bedienen of automatische ontluchtingsvoorzieningen (ontgassingsvoorzieningen) bij vast opgestelde installaties van grote afmetingen Indien de toevoerinrichting zodanig is ontworpen dat ongeacht de bedrijfsomstandigheden zich tijdens de meting geen enkele lucht- of gasbel kan vormen of in de inlaatleiding van de meter kan binnendringen is geen enkele ontluchtingsinrichting vereist, mits de gasbellen die bij onderbreking van het gebruik kunnen ontstaan in geen geval aanleiding geven tot een specifieke fout die groter is dan 1 % van de kleinste afleveringshoeveelheid Toevoer zonder pomp Wanneer de toevoer naar de meter onder werking van de zwaartekracht plaatsvindt zonder behulp van een pomp en indien de druk van de vloeistof in alle delen van de leidingen voor de meter en in de meter zelf hoger is dan de dampspanning en dan de atmosferische druk, 19

20 behoeft geen ontluchtingsinrichting te zijn aangebracht. Bepaalde inrichtingen moeten er echter toe strekken dat de meetinstallatie na ingebruikneming op de juiste wijze gevuld blijft Indien de mogelijkheid bestaat dat de druk van de vloeistof lager is dan de atmosferische druk, zonder evenwel beneden de dampspanning te dalen, moet een daartoe geschikte inrichting beletten dat lucht in de meter komt Wanneer de toevoer naar de meter door gasdruk geschiedt moet door middel van een daartoe geschikte inrichting worden belet dat er gas in de meter komt De druk van de vloeistof tussen de meter en de meetgrens moet onder alle omstandigheden hoger zijn dan de dampspanning van de vloeistof Afvoer van de lucht of de gassen De afvoerleiding voor lucht of de gassen van een ontluchtingsinrichting mag geen met de hand te bedienen afsluiter bevatten, indien door het dichtdraaien van deze afsluiter de werking van de ontluchtingsinrichting kan worden uitgeschakeld. Indien een dergelijke afsluiter om veiligheidsredenen evenwel noodzakelijk is, moet de geopende stand door middel van een verzegelingsinrichting kunnen worden geborgd Wervelingsbreker Indien het toevoerreservoir van een meetinstallatie gewoonlijk geheel wordt geledigd, dient de uitstroomopening van dit reservoir van een wervelingsbreker te zijn voorzien, behalve indien de installatie een luchtafscheider bevat Dikvloeibare vloeistoffen Aangezien luchtafscheiders en ontluchters minder goed werken naarmate de viscositeit van de vloeistof toeneemt, kan van de installatie van deze inrichtingen worden afgezien in het geval van vloeistoffen, die bij 20 C een dynamische viscositeit hebben van meer dan 20 mpa.s. De pomp dient zodanig te zijn geplaatst dat de inlaatdruk altijd hoger is dan de atmosferische druk. Indien de mogelijkheid bestaat dat aan deze voorwaarde niet altijd wordt voldaan dient een inrichting te worden aangebracht, die de doorstroming van de vloeistof automatisch beëindigt, zodra de inlaatdruk lager wordt dan de atmosferische druk. Deze druk moet met behulp van een manometer kunnen worden gecontroleerd. Deze voorwaarden gelden niet indien door de aanwezigheid van bepaalde inrichtingen de zekerheid bestaat dat er onmogelijk lucht kan toetreden door de afdichtingen in die leidinggedeelten, waarin onderdruk kan voorkomen. Wanneer er niet gemeten wordt moet de leiding tot aan de meetgrens vol met vloeistof blijven Gasverklikker Meetinstallaties mogen van gasverklikkers zijn voorzien. Voor de in punt 2 genoemde gevallen kunnen gasverklikkers verplicht gesteld worden De gasverklikker moet zodanig zijn ontworpen dat de aanwezigheid van lucht of gas in de vloeistof op bevredigende wijze kan worden geconstateerd De gasverklikker moet, in stromingsrichting gezien, achter de meter zijn geplaatst Bij "lege slang"-installaties mag de gasverklikker als overloopkijkglas zijn uitgevoerd en tevens dienst doen als meetgrens. 20

21 De gasverklikker mag, wanneer hij zich op een hooggelegen punt van de leiding bevindt, zijn voorzien van een ontluchtingsschroef of van ongeacht welke andere ontluchtingsvoorziening. Op de ontluchtingsvoorziening mag geen leiding zijn aangesloten. Het is toegestaan in de gasverklikker inrichtingen aan te brengen waarmede de vloeistofstroom zichtbaar kan worden gemaakt (bijvoorbeeld spiralen of schoepenwieltjes); deze mogen echter het waarnemen van eventueel in de vloeistof meegevoerde lucht- of gasbellen niet beletten Volledige vulling van de meetinstallatie De meter en de leiding tussen de meter en de meetgrens moeten tijdens de meting en ook wanneer er niet gemeten wordt automatisch met vloeistof gevuld blijven. Indien aan die voorwaarde niet wordt voldaan, in het bijzonder bij vast opgestelde installaties, moet het volledig vullen van de meetinstallatie tot aan de meetgrens met de hand kunnen geschieden en tijdens het meten, maar ook wanneer er niet wordt gemeten, controleerbaar zijn. Om de meetinstallatie geheel te kunnen ontluchten en te ontgassen, dient deze op de daartoe geëigende plaatsen met ontluchtingsvoorzieningen, zo mogelijk met kijkglaasjes, te zijn uitgerust Over het algemeen mogen de leidingen tussen de meter en de meetgrens ten gevolge van temperatuurschommelingen geen extra fout veroorzaken van meer dan 1 % van de kleinste afleveringshoeveelheid. In punt 2 worden voor bepaalde bijzondere gevallen de technische voorwaarden vermeld om aan dit voorschrift te kunnen voldoen Een inrichting voor het handhaven van de druk dient, indien nodig, in stromingsrichting gezien na de meter te zijn aangebracht zodat in de ontluchtingsinrichtingen en in de meter steeds een druk heerst die hoger is dan de atmosferische druk en dan de dampspanning van de vloeistof Meetinstallaties waarin, na stopzetting van de pomp, de vloeistof in de andere dan de normale stromingsrichting kan vloeien, moeten zijn voorzien van een terugslagklep met, voor zover noodzakelijk, een drukbegrenzer Bij "lege-slang"-installaties dient de leiding na de meter en, voor zover noodzakelijk, ook de leiding voor de meter zover naar boven door te lopen dat alle delen van de meetinstallaties voortdurend gevuld blijven. Het onder punt bedoelde ledigen van de afleverleiding moet geschieden door middel van een snuifklep. In sommige gevallen kan deze klep worden vervangen door speciale inrichtingen, zoals bijvoorbeeld een hulppomp of een apparaat voor het inbrengen van samengeperst gas. Bij meetinstallaties met een kleinste afleveringshoeveelheid van minder dan 10 m³ moeten deze inrichtingen automatisch functioneren Bij "volle slang"-installaties moet het vrije uiteinde van de slang voorzien zijn van een inrichting die verhinderd dat de slang wordt geledigd wanneer er niet wordt gemeten. Dit voorschrift is niet van toepassing op installaties voor vloeibaar gemaakte gassen. Wanneer zich, in stromingsrichting gezien, achter deze inrichting een afsluiter bevindt, moet de tussenruimte een volume hebben dat zo klein mogelijk is en in elk geval kleiner dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid van de meetinstallatie. Bij installaties die bestemd zijn voor dikvloeibare vloeistoffen, moet het mondstuk van de aftapkraan zodanig zijn uitgevoerd dat geen grotere hoeveelheid vloeistof dan 0,4 maal de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid van de meetinstallatie erin kan achterblijven. 21

22 Indien de slang uit meer dan één deel bestaat, moeten deze delen zijn verbonden, hetzij door een speciale koppeling waardoor de slang vol blijft hetzij door een koppelingssysteem dat verzegeld is of zodanig is uitgevoerd dat de delen zonder speciaal gereedschap praktisch niet kunnen worden losgemaakt Verandering van het inwendige volume van volle slangen Bij volle slangen die zijn aangesloten op een meetinstallatie met slanghaspel, mag de inwendige volumetoename bij het overgaan van de opgerolde drukloze slang naar de uitgerolde slang onder pompdruk - zonder dat doorstroming plaatsvindt - niet meer bedragen dan het dubbele van de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid. Indien de meetinstallatie niet voorzien is van een slanghaspel mag de toename van het inwendige volume niet meer bedragen dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid Aftakleidingen Bij meetinstallaties voor aflevering zijn vertakkingen na de meter alleen toegestaan indien deze zodanig zijn uitgevoerd dat telkens slechts via één van de tappunten vloeistof kan worden afgeleverd. Bij meetinstallaties voor ontvangst zijn aftakkingen voor de meter uitsluitend toegestaan indien deze zodanig zijn uitgevoerd dat telkens via één leiding vloeistof kan worden ontvangen. Afwijking van deze voorschriften kan alleen worden toegestaan bij installaties voor aflevering die zodanig zijn samengesteld dat verschillende gebruikers niet tegelijk kunnen worden bediend en bij installaties voor ontvangst die niet voor verschillende leveranciers tegelijk kunnen werken Op meetinstallaties die naar keuze met "volle slang" of "lege slang" werken en van buigzame slangen zijn voorzien, moet, voor zover noodzakelijk, een terugslagklep zijn aangebracht in de vaste leiding naar de volle slang, in stromingsrichting gezien direct na het omschakelorgaan. Bovendien mag het omschakelorgaan het in geen enkele stand mogelijk maken dat een verbinding tussen de lege afleverslang en de leiding naar de volle slang tot stand komt Omloopleidingen Eventueel voorziene aansluitstukken voor omloopleidingen buiten de meter om moeten met blindflenzen zijn afgesloten. Indien evenwel om bedrijfstechnische redenen een omloopleiding noodzakelijk is, moet deze door een blinde plaat of door een dubbele afsluiter met tussengeplaatste controlekraan zijn afgesloten. De afsluiting moet kunnen worden gewaarborgd door middel van een verzegeling Afsluiters, kleppen en regelorganen Indien door de toevoeromstandigheden het risico bestaat dat de meter wordt overbelast, moet een inrichting tot beperking van het debiet aanwezig zijn. Deze inrichting dient na de meter te zijn aangebracht indien zij drukverlies veroorzaakt en moet verzegeld kunnen worden De verschillende standen van de bedieningsorganen van de meerwegkranen moeten duidelijk herkenbaar zijn en worden gewaarborgd door nokken, aanslagen of andere beveiligingsinrichtingen. Van dit voorschrift mag worden afgeweken, indien de schakelhoek tussen twee opeenvolgende standen ten minste 90 graden bedraagt De terugslagkleppen en afsluiters die niet dienen voor het begrenzen van de gemeten hoeveelheid moeten, voor zover noodzakelijk, voorzien zijn van ontlastkleppen om abnormaal hoge drukken die zich in de meetinstallatie kunnen voordoen, ongedaan te maken. 22

23 Opstelling van de meetinstallaties Meetinstallaties moeten zodanig zijn opgesteld dat de aanwijsinrichting onder normale gebruiksomstandigheden goed zichtbaar is. De aanwijsinrichting en, indien aanwezig, de gasverklikker moeten zoveel mogelijk vanaf dezelfde plaats kunnen worden waargenomen. De verzegelingsinrichtingen moeten gemakkelijk toegankelijk zijn, de opschriftenplaten hecht zijn bevestigd en de voorgeschreven opschriften duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn Voorzieningen ten behoeve van de ijking ter plaatse van opstelling Het moet mogelijk zijn om bij de installatie de in punt 3.2. vermelde ijk te verrichten. Zo nodig moet worden voorzien in een leiding voor terugvoer van de gemeten vloeistof naar een voorraadreservoir. De installatie moet eventueel mogelijkheden bieden om temperatuur en druk te meten, in het bijzonder indien deze gegevens noodzakelijk zijn bij het gebruik of de ijk van de meetinstallatie Kenmerken van een meetinstallatie Een meetinstallatie heeft de volgende kenmerken; - het maximale en het minimale meetvermogen; - de maximale werkdruk; - indien noodzakelijk, de minimale werkdruk; - de aard van de te meten vloeistof(fen) en de grenzen der kinematische of dynamische viscositeit, wanneer de viscositeit niet voldoende blijkt uit de aanduiding van de aard der vloeistoffen; - de kleinste afleveringshoeveelheid; - het temperatuurgebied, wanneer de vloeistof kan worden gemeten bij een temperatuur lager dan -10 C of hoger dan +50 C Opschriften Op elke meetinstallatie, elk onderdeel of elk samenstel van onderdelen waaraan een modelgoedkeuring is verleend, moeten, goed leesbaar en onuitwisbaar, de onderstaande aanduidingen op de telwerkplaat of op een speciaal daarvoor bestemde opschriftenplaat zijn aangebracht: a) het modelgoedkeuringsteken; b) de identificatie van de fabrikant of zijn firmanaam; c) eventueel een typeaanduiding van de fabrikant; d) een fabrieksnummer en het jaartal van de vervaardiging; e) de kenmerken van de meetinstallatie, zoals die zijn vastgesteld in punt 1.15; f) elke andere aanvullende vermelding zoals aangegeven in het modelgoedkeuringscertificaat. Indien verscheidene meters met gemeenschappelijke onderdelen samen één enkele meetinstallatie vormen, kunnen de voor elk deel van de inrichting voorgeschreven aanduidingen op één enkele plaat worden samengevoegd. De aanduidingen, aangebracht op de telwerkplaat van de meter die deel uitmaakt van de meetinrichting mogen niet strijdig zijn met die op de opschriftenplaat van de meetinstallatie. Wanneer een meetinstallatie zonder demontage kan worden vervoerd mogen de voor elk onderdeel vastgestelde aanduidingen eveneens op één plaat zijn samengevoegd Verzegelingen De verzegelingen worden bij voorkeur uitgevoerd door middel van afslagen in lood. Bepaalde verzegelingen die met behulp van een tang zijn uitgevoerd, zijn evenwel toegestaan wanneer de instrumenten broos zijn of wanneer deze verzegelingen voldoende zijn beschermd tegen risico's van toevallige verbreking. De verzegelingen moeten in elk geval gemakkelijk toegankelijk zijn.

24 Verzegelingsinrichtingen dienen aanwezig te zijn op alle delen van de meetinstallaties, die niet op andere wijze kunnen worden beschermd tegen handelingen die de nauwkeurigheid van de meting kunnen beïnvloeden. Verzegelingsinrichtingen kunnen echter eventueel achterwege blijven op verbindingen die zodanig zijn uitgevoerd dat het uiteennemen ervan slechts mogelijk is met behulp van een stuk gereedschap. De verzegelingsinrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het merk van gedeeltelijke eerste ijk kan worden aangebracht. De stempelplaat als bedoeld in art. 33 van het KB. van moet zodanig op een steun van de meetinstallatie zijn bevestigd dat zij verzegeld kan worden. Zij mag worden gecombineerd met de in punt 1.16 bedoelde opschriftenplaat van de meetinstallatie. Wanneer een meetinstallatie wordt gebruikt voor consumptievloeistoffen behoeven geen verzegelingen te worden aangebracht, ten einde het demonteren voor schoonmaakdoeleinden mogelijk te maken. 2. Bijzondere bepalingen voor verschillende typen van meetinstallaties 2.1. Benzinepompen Later zullen aanvullende bepalingen worden toegevoegd inzake benzinepompen die: - verschillende soorten brandstof mengen; - brandstof en olie mengen; - voorzien zijn van elektrische of elektronische aanwijs- en hulpinrichtingen; - voorzien zijn van zelfbedieningsinrichtingen; - bestemd zijn voor de bevoorrading met vloeibaar gas Benzinepompen zijn meetinstallaties die bestemd zijn om tot het wegverkeer toegelaten voertuigen met vloeibare brandstof te bevoorraden. De meetinstallaties voor bevoorrading met vloeibare brandstoffen van plezierboten en kleine vliegtuigen worden met de benzinepompen gelijkgesteld. Zij kunnen hun eigen toevoersysteem hebben of bestemd zijn om op een centraal toevoersysteem te worden aangesloten. Voor de benzinepompen moet de verhouding tussen het maximale en het minimale meetvermogen minstens gelijk zijn aan Indien de benzinepomp voorzien is van een eigen toevoersysteem, moet, zo mogelijk vlak voor de inlaat van de meter, een luchtafscheider zijn aangebracht. Deze luchtafscheider moet voldoen hetzij aan de voorschriften vermeld in punt , hetzij aan die vermeld in Punt (in de praktijk is gebleken dat een afscheider in het algemeen aan de bepalingen van punt voldoet, indien zijn nuttig volume minstens gelijk is aan 5 % van de in één minuut afgegeven hoeveelheid bij het maximale meetvermogen als aangegeven op de opschriftenplaat van de meter.) In dit laatste geval is de in punt vermelde ontluchtingsvoorziening op de gasverklikker niet toegestaan Wanneer de benzinepomp bestemd is om te worden aangesloten op een centraal of op een afstand geplaatst toevoersysteem, gelden de algemene regels van punt De volumeaanwijsinrichting van benzinepompen moet voorzien zijn van een nulstelinrichting, overeenkomstig de punten 1.1, 1.3 en 1.5 van de bijlage van de afdeling II alsmede van een volumetotalisator. Indien de benzinepompen bovendien een prijsaanwijsinrichting hebben moet deze zijn voorzien van een nulstelinrichting. 24

25 De nulstelinrichtingen van de prijsaanwijsinrichting en van de volumeaanwijsinrichting moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het in de nulstand brengen van een van beide aanwijsinrichtingen automatisch nulstelling van de andere tot gevolg heeft Indien het eigen toevoersysteem van de benzinepomp door een elektromotor wordt aangedreven, moet een bepaalde inrichting, na uitschakeling van de motor, elke nieuwe aflevering voorkomen indien niet tevoren nulstelling heeft plaatsgevonden. In geen geval mag nulstelling mogelijk zijn tijdens een aflevering De in punt bedoelde terugslagklep is verplicht. Deze klep moet zijn gemonteerd tussen de ontluchtingsinrichting en de meter. Zij mag evenwel onmiddellijk na de meter zijn aangebracht, indien de ontluchtingsinrichting zich boven het niveau van de meter bevindt. In dat geval mag zij worden gecombineerd met de in punt genoemde inrichting. Indien de terugslagklep zich tussen de ontluchtingsinrichting en de meter bevindt, moet het door deze klep veroorzaakte drukverlies zo gering zijn dat het als te verwaarlozen kan worden beschouwd Bij benzinepompen met volle slangen, moet de slang van een met de hand te bedienen afsluitinrichting zijn voorzien die moet voldoen aan de voorschriften van punt Bovendien mag ze van een automatische afsluitinrichting zijn voorzien. Bij benzinepompen met volle slangen, die uitsluitend met een handpomp worden bediend, is slechts de in punt vermelde inrichting vereist Benzinepompen met een maximaal meetvermogen van ten hoogste 60 l/min moeten een kleinste afleveringshoeveelheid van ten hoogste 5 liter hebben Wanneer de meter is uitgerust met een afdrukinrichting moet het kaartafdrukmechanisme met de nulstelinrichting van de aanwijsinrichting zijn verbonden. Dit mechanisme moet na het afdrukken de controle van het kaartje door vergelijking met de aangegeven hoeveelheid mogelijk maken Overeenkomstig het bepaalde in punt 3.2. wordt de eerste ijk van benzinepompen in één of twee fasen verricht al naargelang zij al dan niet een eigen toevoersysteem hebben Meetinstallaties gemonteerd op tankauto's (tankwagens) die zijn bestemd voor vervoer over de weg en voor de afgifte van vloeistoffen met geringe viscositeit (viscositeit <= 20 mpa.s) opgeslagen bij atmosferische druk (met uitzondering van consumptievloeistoffen) De bepalingen van punt 2.2. zijn van toepassing op meetinstallaties die op tankauto's of op losse transporttanks zijn gemonteerd. De meetinstallaties mogen worden gemonteerd op tanks die zijn onderverdeeld in meer dan één compartiment waarbij ieder compartiment van een afzonderlijke met de hand te bedienen of automatische afsluitinrichting moet zijn voorzien Iedere meetinstallatie moet bestemd zijn voor een bepaald product of voor een klasse van producten, waarvoor aan de meter de modelgoedkeuring is verleend. De leidingen moeten zodanig zijn aangebracht dat vermenging van producten in de meetinstallatie gemakkelijk te voorkomen is Indien de tanks op aanhangwagens of opleggers zijn aangebracht mogen de meetinstallaties, hetzij op de trekker, hetzij op de aanhangwagen of oplegger zijn gemonteerd. 25

26 Een op een tankauto gemonteerde meetinstallatie kan een "lege slang"-installatie of een "volle slang"-installatie zijn. De installatie mag ook zijn uitgevoerd hetzij met volle slang en met lege slang, hetzij met twee volle slangen van verschillende afmetingen, en wel zodanig dat slechts via één van beide tegelijk kan worden geleverd. Tijdens een meting moet omschakeling onmogelijk zijn Indien de meter van een afdrukinrichting voor kaartjes is voorzien, moet het afdrukmechanisme met de nulstelinrichting van de volumeaanwijsinrichting zijn verbonden Een op een tankauto gemonteerde meetinstallatie mag zo zijn uitgevoerd dat zij, hetzij uitsluitend door middel van een pomp, hetzij uitsluitend door middel van de zwaartekracht, hetzij naar keuze door middel van de zwaartekracht of door middel van een pomp, hetzij op gasdruk werkt Meetinstallaties die uitsluitend door middel van een pomp worden gevoed, kunnen met lege slang of met volle slang werken Indien de mogelijkheid bestaat dat aan de in punt bedoelde voorwaarde niet voldaan wordt, moet voor de meter een ontluchtingsinrichting worden aangebracht zoals: a) een voor het doel geschikte luchtafscheider; de luchtafscheider moet voldoen aan hetzij de voorschriften van punt , hetzij de voorschriften van punt (In de praktijk is gebleken dat een afscheider in het algemeen aan de bepalingen van punt voldoet, indien zijn nuttig volume minstens gelijk is aan 5 % van de in één minuut afgegeven hoeveelheid bij het maximale meetvermogen van de meetinstallatie.) b) een ontluchter; c) een speciale ontluchter. Indien in de meetinstallatie de druk aan de uitlaat van de meter lager kan worden dan de atmosferische druk, doch hoger blijft dan de dampspanning van het gemeten product, moeten deze inrichtingen worden verbonden met een automatisch systeem om de doorstroming van de vloeistof te vertragen en te onderbreken ten einde het doordringen van lucht in de meter te voorkomen. Indien er geen risico bestaat dat de druk van de uitlaat van de meter lager is dan de atmosferische druk (hetgeen met name het geval is bij inrichtingen die uitsluitend met volle slang werken) is het gebruik van automatische systemen voor het vertragen en onderbreken van de doorstroming van de vloeistof niet vereist De speciale ontluchter met automatische onderbrekingsinrichting moet van een kijkglas overeenkomstig punt zijn voorzien De compartimenten van tankauto's moeten van een wervelingsbreker zijn voorzien, behalve indien de meetinstallatie een luchtafscheider heeft die voldoet aan de bepalingen van punt Meetinstallaties die uitsluitend onder invloed van de zwaartekracht werken, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: De opbouw moet zodanig zijn uitgevoerd dat de totale vloeistofinhoud van het (de) compartiment(en) kan worden gemeten bij een debiet dat hoger is dan of gelijk is aan het minimale meetvermogen van de meetinstallatie; Indien verbindingen met het met gas gevulde deel van de tank bestaan moet het doordringen van gas in de meter door middel van doelmatige inrichtingen worden verhinderd; 26

27 27 *** zoals gewijzigd door KB BS *** De compartimenten van de tank moeten van een wervelingsbreker zijn voorzien, behalve indien de meetinstallatie een luchtafscheider bevat die voldoet aan de bepalingen van punt De punten , en zijn van toepassing. Een hulppomp mag, in stromingsrichting gezien, achter de meetgrens zijn aangebracht, mits nog aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan. Het mag niet mogelijk zijn dat door deze pomp onderdruk in de meter ontstaat; In bepaalde meetinstallaties, met name in die welke van een speciale ontluchter met automatische onderbrekingsinrichting voor de vloeistofstroom zijn voorzien en in meetinstallaties die onmiddellijk achter de meetgrens in permanente verbinding met de buitenlucht staan, is een gasverklikker niet vereist. Daarentegen is een gasverklikker wel verplicht in meetinstallaties die onmiddellijk achter de meetgrens een met de hand te bedienen verbinding met de buitenlucht hebben, behalve in meetinstallaties waarin de druk niet lager kan zijn dan de atmosferische druk De meetinstallaties die naar keuze onder invloed van de zwaartekracht of door middel van een pomp kunnen werken, moeten voldoen aan de bepalingen die in de punten en zijn vastgesteld Meetinstallaties die op gasdruk werken, kunnen "lege slang"- of "volle slang"- installaties zijn. De leiding die de in punt bedoelde inrichting, welke moet verhinderen dat er gas in de meter komt, met de meter verbindt mag geen vernauwing of onderdeel bevatten waardoor een drukverlies wordt veroorzaakt dat tot gasvorming leidt als gevolg van het vrijkomen van in de vloeistof opgelost gas. Deze meetinstallaties moeten voorzien zijn van een manometer die de druk in de tank aangeeft. Op de wijzerplaat van deze manometer moet de zone van de toelaatbare drukken zijn aangegeven Meetinstallaties voor ontvangst bij het lossen van tankschepen, tankwagons, tankauto's Meetinstallaties die zijn ontworpen om de vloeistofvolumes te meten tijdens het lossen van tankschepen, tankwagons en tankauto's moeten voorzien zijn van een tussenreservoir waarin het niveau van de vloeistof de meetgrens voor de gemeten hoeveelheid bepaalt. Dit tussenreservoir mag zo zijn ingericht, dat het tevens voor de verwijdering van lucht en gas zorgt Bij tankauto's en tankwagons moet met het tussenreservoir automatisch een constant niveau worden gehandhaafd dat zichtbaar is of vastgesteld kan worden aan het begin en het einde van de meting. De toelaatbare afwijkingen van het constante niveau komen overeen met een volume dat ten hoogste gelijk is aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste ontvangsthoeveelheid Bij tankschepen is het automatisch constant houden van het niveau niet vereist. In dat geval moeten de veranderingen van de reservoirinhoud gemeten kunnen worden. Indien het tankschip wordt gelost met behulp van pompen die zich op

28 de bodem van dat schip bevinden, is het toegestaan dat slechts bij het begin en bij het einde van de meting gebruik wordt gemaakt van het tussenreservoir In de punten en bedoelde gevallen moet het tussenreservoir een zodanige doorsnede hebben dat een hoeveelheid gelijk aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste ontvangsthoeveelheid overeenkomt met een niveauverschil van ten minste 2 mm Vast opgestelde of op tankauto's gemonteerde installaties voor het meten van vloeibare gassen onder druk (met uitzondering van cryogene vloeistoffen) De meetinstallaties moeten door middel van niet-buigzame leidingen blijvend met hun toevoerreservoirs zijn verbonden. Een terugslagklep moet tussen de toevoerreservoirs en de meter zijn aangebracht Een inrichting voor het handhaven van de druk in stromingsrichting gezien achter de meter aangebracht, moet er voor zorgen dat het product in de meter tijdens de meting in vloeibare toestand blijft. De daartoe noodzakelijke druk kan op een vaste waarde worden gehouden of op een waarde die aan de meetomstandigheden is aangepast Indien de druk op een vaste waarde wordt gehouden, moet deze ten minste gelijk zijn aan de dampspanning van het product bij een temperatuur die 15 C hoger is dan de hoogst mogelijke bedrijfstemperatuur. De afstelling van de inrichting voor handhaving van de druk moet kunnen worden verzegeld Indien de druk aan de meetomstandigheden is aangepast moet deze druk ten minste 100 kpa (1 bar) hoger zijn dan de dampspanning van de vloeistof gedurende de meting. Deze aanpassing moet automatisch zijn Bij vast opgestelde industriële meetinstallaties kan de metrologische dienst het gebruik toestaan van inrichtingen voor drukregeling, die met de hand worden ingesteld. In dat geval moet de druk aan de uitlaat van de meter ten minste gelijk zijn aan de dampspanning van het product bij een temperatuur die 15 C hoger is dan de temperatuur van de vloeistof gedurende de meting. Op de meetinstallatie dient dan een diagram te worden aangebracht waarin de dampspanning van het te meten product als functie van de temperatuur wordt aangegeven. Indien te verwachten is dat deze meetinstallaties gedurende lange perioden zonder toezicht kunnen werken, moeten temperatuur en druk voortdurend door middel van registreertoestellen worden opgetekend Voor de meter moet een ontluchtingsinrichting zijn aangebracht die wordt gevormd door een luchtafscheider of door een condensor De luchtafscheider moet voldoen aan de algemene voorschriften die in punt 1 zijn vastgesteld voor hetzij het vloeibare gas zelf, hetzij een vloeistof met een hogere viscositeit. In verband met de aan de controle verbonden moeilijkheden mag echter een luchtafscheider worden goedgekeurd indien de nuttige inhoud ervan ten minste gelijk is aan 1,5 % van de in één minuut bij het maximale meetvermogen afgeleverde hoeveelheid ingeval de leiding die de meter met het toevoerreservoir verbindt ten hoogste 25 m lang is. Indien de lengte van deze leiding meer dan 25 m bedraagt moet de nuttige inhoud van de luchtafscheider ten minste gelijk zijn aan 3 % van de in één minuut bij het maximumdebiet afgeleverde hoeveelheid. Op meetinstallaties voor vloeibare gassen behoeft geen gasverklikker of kijkglas te worden gemonteerd. 28

29 De lucht- en gasafvoerleiding kan zijn verbonden met de ruimte van het toevoerreservoir die de gasvormige fase van het product bevat of met een onafhankelijke drukregelaar die is ingesteld op een druk die 50 tot 100 kpa (0,5 tot 1 bar) lager is dan de uitlaatdruk van de meter. Deze leiding mag een afsluitklep bevatten, doch deze klep mag tijdens de meting niet kunnen worden gesloten De vereiste inhoud van de condensor is afhankelijk van de inhoud van de leidingen tussen de terugslagklep van het toevoerreservoir en de klep achter de meter die dient voor handhaving van de druk. Deze inhoud is ten minste gelijk aan tweemaal de volumevermindering van de vloeistof die kan ontstaan bij een temperatuurverlaging die conventioneel is vastgesteld op 10 C voor aan de lucht blootgestelde leidingen en 2 C voor ondergrondse of geïsoleerde leidingen. Voor de raming van deze volumevermindering wordt in plaats van de exacte waarde een waarde van de uitzettingscoëfficiënt gebruikt van per graad Celsius voor propaan en propeen, en van per graad Celsius voor butaan en butadieen. Voor de overige producten met een hoge dampspanning worden de waarden van de toe te passen coëfficiënt door de metrologische dienst vastgesteld. De condensor moet een met de hand te bedienen ontluchtingsvoorziening bezitten. In een meetinstallatie moet de condensor op het hoogste punt van de leiding worden geïnstalleerd. De inhoud die wordt verkregen uit de bovenstaande berekening kan worden verdeeld over verschillende condensors die op hoge punten van de leiding zijn aangebracht In de onmiddellijke nabijheid van de meter moet voorzien zijn in een sonde voor plaatsing van een thermometer. De gebruikte thermometer moet een afleeseenheid van ten hoogste 0,5 C hebben en geijkt zijn. Tussen de meter en de klep die dient voor handhaving van de druk moet een manometer zijn aangebracht. Bij de op tankauto's gemonteerde meetinstallaties kan worden volstaan met het aanbrengen van een mogelijkheid tot aansluiting van een manometer Indien de meting plaatsvindt met een op een tankauto geïnstalleerde meetinstallatie, mogen de ruimten van het toevoerreservoir en van het te vullen reservoir die de gasvormige fase van het product bevatten niet met elkaar in verbinding staan In de meetinstallatie mogen veiligheidskleppen worden ingebouwd, ten einde abnormaal hoge drukken te voorkomen. Indien deze kleppen achter de meter zijn aangebracht moeten zij in de open lucht uitmonden of met het ontvangstreservoir zijn verbonden. In geen geval mogen de veiligheidskleppen voor de meter met de veiligheidskleppen achter de meter worden verbonden door middel van een omloopleiding om de meter Indien de bedrijfsomstandigheden het gebruik van demonteerbare slangen vereisen, moeten deze slangen vol blijven indien hun inhoud groter is dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid. De demonteerbare volle slangen moeten zijn voorzien van speciale verbindingsstukken voor volle slangen, de zogenoemde zelfsluitende koppelingen. Aan de uiteinden van deze slangen moeten, indien nodig, met de hand te bedienen ontluchtingsvoorzieningen zijn aangebracht De in punt 1.11 vermelde controlekraan van de dubbele afsluiter in een eventuele omloopleiding om de meter mag om veiligheidsredenen worden gesloten. In dat geval moet de afdichting kunnen worden gecontroleerd met een manometer die tussen beide afsluitorganen is geplaatst of met enig ander gelijkwaardig systeem. 29

30 Meetinstallaties voor melk De voorschriften van dit punt 2.5 zijn van toepassing op rijdbare meetinstallaties voor het ophalen van melk door rijdende melk-ontvangstinstallaties, op vast opgestelde meetinstallaties voor ontvangst van melk en op al dan niet vast opgestelde meetinstallaties voor aflevering van melk In de installaties voor ontvangst wordt de meetgrens gevormd door een constant niveau in een reservoir dat zich in de leiding voor de meter bevindt. Dit constante niveau moet voor en na iedere meting kunnen worden vastgesteld. Het moet zich automatisch instellen Wanneer de meter met behulp van een pomp wordt gevoed, kan het reservoir met constant niveau, of wel voor de pomp, of wel tussen pomp en meter worden aangebracht In het eerstgenoemde geval kan dit reservoir zelf worden gevoed door toepassing van de zwaartekracht, door het daarin ledigen van bussen, door middel van een hulppomp of met behulp van een onderdruksysteem. Indien de melk in het reservoir wordt gebracht door middel van een pomp of met behulp van een onderdruksysteem is een ontluchtingsinrichting vereist; deze kan met het reservoir met constant niveau worden gecombineerd In het tweede geval moet het reservoir met constant niveau tevens als ontluchtingsinrichting dienst doen In afwijking van punt mag de meter door middel van de werking van een onderdruksysteem worden gevoed. Daar de druk in de leiding die het reservoir met constant niveau met de meter verbindt in dat geval lager is dan de atmosferische druk, moeten de koppelingen van die leiding in dat geval volkomen dicht zijn. Dat dicht zijn moet kunnen worden gecontroleerd Bij installaties voor ontvangst moeten de leidingen, die in stromingsrichting gezien, voor het constante niveau zijn aangebracht zich onder normale gebruiksomstandigheden steeds automatisch geheel ledigen De controle van het constante niveau geschiedt door middel van een kijkglas of een niveauaanwijzer. Het niveau wordt constant geacht wanneer het tot stilstand komt in een door twee streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste tweemaal de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid is. De afstand tussen de twee streepjes moet ten minste 15 mm bedragen Indien, om aan de voorwaarden van punt te voldoen, de meetinstallatie voorzien is van vertragingsinrichtingen, moet het debiet in de periode waarin de vertraging plaatsvindt ten minste gelijk blijven aan het minimale meetvermogen van de meter Indien in de installaties voor ontvangst de gemeten vloeistof geleid wordt naar een lager niveau dan dat van de meter moet er door middel van een inrichting automatisch voor worden gezorgd dat er aan de uitlaat van de meter een hogere druk aanwezig is dan de atmosferische druk Melkmeetinstallaties voor aflevering moeten aan de voorschriften van punt 1 voldoen.

31 In afwijking van de algemene bepalingen van punt 1 betreffende het verwijderen van de lucht of van de gassen moeten de ontluchtingsinrichtingen uitsluitend aan de voorschriften van punt voldoen in bedrijfsomstandigheden, dat wil zeggen met toevoer van lucht in het begin en aan het einde van iedere meting. Bij installaties voor ontvangst moet de gebruiker de mogelijkheid hebben om zich te vergewissen van het volledig dicht zijn van de aansluitingen, dat wil zeggen van het gedurende de meting op geen enkele wijze kunnen toetreden van lucht voor de meter. Bij installaties voor aflevering moet de opbouw zodanig geschieden dat, te beginnen bij het toevoerreservoir, de vloeistofdruk ter plaatse van de koppelingen altijd hoger is dan de atmosferische druk Meetinstallaties met een turbinemeter De schikkingen van het punt 2.6. zijn toepasselijk op turbinemeters De verhouding tussen het maximaal debiet en het minimaal debiet moet minstens 10 zijn als de viscositeit van de gemeten vloeistoffen kleiner is of gelijk aan 10 mpa.s bij de temperatuur van de meting. Deze verhouding mag kleiner zijn dan 10 als de viscositeit van de gemeten vloeistoffen groter is dan 10 mpa.s en onder het voorbehoud dat de gebruiksvoorwaarden deze afwijking verrechtvaardigen De meetinstallaties moeten zo gebouwd zijn dat er noch luchtinlaten noch gasontwikkelingen mogelijk zijn in de te meten vloeistof. Indien deze voorwaarde, zelfs tijdelijk, niet steeds verwezenlijkt is moet de meter naargelang het geval voorafgegaan zijn van een luchtafscheider, een ontluchter, een speciale ontluchter, of een andere geschikte inrichting voor het verwijderen van lucht en gas. De supplementaire fout tengevolge van de aanwezigheid van lucht of gas moet 0,5 % van de gemeten hoeveelheid niet overschrijden, het is evenwel niet noodzakelijk dat deze fout kleiner is dan 1 % van de kleinste afleveringshoeveelheid Stroomrichterinrichting voor de meter Stroomrichterinrichtingen zijn bestemd om een eventuele rotatie van de vloeistof aan de ingang van de meter te beletten. Het zijn hetzij rechte leidingen, hetzij stroomrichters bestaande uit rechte leidingen en stroomrichters. Ze dienen geplaatst te worden onmiddellijk voor de meter en hun diameter moet gelijk zijn aan de diameter van de toelaatopening van de meter. De rechte lengten van de leidingen en de kenmerken van de stroomrichters zijn bepaald in de modelgoedkeuring Rechte leidingen na de meter In de meetinstallaties moet na de meter een rechte leiding voorzien zijn waarvan de diameter dezelfde is als de uitlaatopening van de meter en waarvan de lengte minstens vijf maal deze diameter bedraagt De elektrische en elektronische elementen van de meetinstallaties met turbinemeters moeten doeltreffend beveiligd zijn tegen uitwendige elektrische en elektromagnetische storingen Bijzondere voorschriften betreffende de meetinstallaties met een turbinemeter. Behoudens afwijking ten bijzondere titel, mag de absolute druk aan de ingang en aan de uitgang van de meters nooit kleiner zijn dan de atmosferische druk en aan de dampspanning van de te meten vloeistof. 31

32 De meetinstallaties moeten voorzien zijn van een veiligheidsinrichting om het ledigen, zelfs gedeeltelijk, en om het terugstromen van de vloeistof te beletten. De vulling van de meetinstallaties voor de meter indien de meetinstallatie voorzien is voor aflevering en na de meter indien de meetinstallatie voorzien is voor ophaling moet dezelfde zijn voor en na elke meetverrichting. Behoudens afwijking voorzien in de modelgoedkeuring moet het volume begrepen tussen de meter en de meetgrens zo klein mogelijk zijn en de kleinste afleveringshoeveelheid niet overschrijden. De meetinstallaties moeten gemakkelijk de eerste ijk en de periodieke ijk toelaten Op vaste pijpleidingen gemonteerde meetinrichtingen De bedoelde meetinrichtingen worden geïnstalleerd hetzij op een leiding tussen twee vaste reservoirs, hetzij op een inlaat- of uitlaatleiding van een opslagplaats of van een olieleiding Indien bij een pompstation meerdere pompen in serie zijn gemonteerd moet in een automatische vergrendelingsinrichting worden voorzien om te bewerkstelligen dat de orde waarin de pompen in werking worden gebracht wordt nagekomen. Deze inrichting moet indien nodig kunnen worden verzegeld Een passende inrichting moet verhinderen dat de vloeistof in de andere dan de normale stromingsrichting vloeit Indien veiligheidskleppen op de leiding voor en achter de meter zijn gemonteerd mogen de expansiekanalen van de kleppen voor de meter niet uitmonden in hetzelfde reservoir als die van de kleppen achter de meter Meters die op olieleidingen zijn gemonteerd ten einde achtereenvolgens vloeistoffen van uiteenlopende aard te meten moeten, indien mogelijk, van automatische correctie-inrichtingen zijn voorzien, die garanderen dat aan de voorschriften van punt 6.2. van afdeling I van dit reglement, wordt voldaan. Deze correctie-inrichtingen zijn aan een modelgoedkeuring onderworpen. Indien evenwel de meetresultaten uitsluitend voor handelsverrichtingen of voor verrichtingen van fiscale aard worden gebruikt waarbij een beperkt aantal personen of bij contract aangewezen instellingen zijn betrokken, kunnen de exploitanten van olieleidingen toestemming verkrijgen om achtereenvolgens vloeistoffen van verschillende aard met behulp van een zelfde meter te meten, ook indien wegens de variaties van de fout die te wijten zijn aan de verscheidenheid van de vloeistofkenmerken, aan de voorschriften van punt 6.2. van afdeling I van dit reglement niet kan worden voldaan. In dat laatste geval dient de gebruiker de meetresultaten te corrigeren door correctiefactoren toe te passen die zijn vastgesteld voor verschillende viscositeitszones binnen welke de hierboven vermelde bepalingen moeten worden nageleefd. 3. Modelgoedkeuring en eerste ijk 3.1. Modelgoedkeuring De volgende installaties zijn onderworpen aan de modelgoedkeuring: 1. Benzinepompen als bedoeld in punt 2.1. Wanneer deze installaties bestemd zijn om te worden aangesloten op een centraal toevoersysteem, worden aan het certificaat van 32

33 modelgoedkeuring een of meer tekeningen toegevoegd, waarin schematisch de opbouw ter plaatse van gebruik is aangegeven; 2. Meetinstallaties gemonteerd op tankauto's die bestemd zijn voor vervoer over de weg en aflevering van vloeistoffen met geringe viscositeit (viscositeit <= 20 mpa.s) opgeslagen bij atmosferische druk (met uitzondering van consumptievloeistoffen), als bedoeld in punt 2.2.; 3. Meetinstallaties voor ontvangst bij het lossen van tankschepen, tankwagens, tankauto's, als bedoeld in punt 2.3.; 4. Vast opgestelde of op tankauto's gemonteerde meetinstallaties voor vloeibare gassen onder druk, als bedoeld in punt 2.4; 5. Melkmeetinstallaties voor ontvangst, als bedoeld in punt 2.5; 6. Meetinstallaties met een turbinemeter als bedoeld in punt 2.6.; 7. Meetinstallaties op vaste pijpleidingen, als bedoeld in punt 2.7.; 8. Alle meetinstallaties voor vloeistoffen andere dan water niet vermeld hierboven onder de punten 1 tot en met Proeven Bij de uitvoering van de proeven moeten de gebruikte werkstandaarden en de toepassing hiervan zodanig zijn dat de meetonnauwkeurigheid van de onderzoekmethode niet meer bedraagt dan een vijfde van de maximaal toelaatbare fout voor de onderzochte installatie Onderzoek van de meter In de eerste plaats dient de kromme van de fouten als functie van het debiet te worden vastgesteld aan de hand van een voldoende groot aantal meetpunten tussen het minimale en het maximale meetvermogen. Het is voldoende om in het bijzonder de breedte van het foutenveld van de meter in deze zone te onderzoeken, waarbij de plaats van de foutenkromme ten opzichte van de nullijn van ondergeschikt belang is. Het kan tevens noodzakelijk zijn proeven uit te voeren buiten de toelaatbare debietgrenzen. Tevens dienen proeven te worden verricht onder uiterste bedrijfsomstandigheden, dat wil zeggen zo dicht mogelijk bij de vastgestelde grenswaarden van de temperatuur en van de viscositeit, alsmede bij de kleinste afleveringshoeveelheid. Behoudens in het geval van de proeven bij de kleinste afleveringshoeveelheid moet het gekozen onderzoekvolume zo groot zijn dat de waarde van de afleeseenheid van het telwerk nooit groter is dan een derde van de maximaal toelaatbare fout. Wanneer reeds een modelgoedkeuring is verleend voor de meter en zijn eventuele hulpinrichtingen, dient te worden nagegaan of de kenmerken van de meter en die van de meetinstallatie onderling voldoende overeenstemmen. Indien dit het geval is, behoeft de meter niet meer verder te worden onderzocht. Wel dient de kleinste afleveringshoeveelheid van de meetinstallatie te worden bepaald overeenkomstig punt 4.2. van hoofdstuk I van de afdeling I. Wanneer de kenmerken van de meter en die van de meetinstallatie niet in onderlinge overeenstemming zijn of wanneer geen modelgoedkeuring voor de meter (en zijn eventuele hulpinrichtingen) is verleend, moet de meetinstallatie in haar geheel worden onderworpen aan het onderzoek als voorgeschreven in de afdeling III alsmede in de afdelingen I en II Proeven betreffende de lucht- of gasafvoer. De proeven moeten uitwijzen dat de lucht- of gasafvoerinrichtingen voldoen aan de voorschriften van de punten , en Bij luchtafscheiders en speciale ontluchters moet het doorlopend afscheiden van lucht of gas worden onderzocht door vergelijking van de meetresultaten van een geschikte na de 33

34 luchtafscheider (speciale ontluchter) opgestelde volumemeter, zonder en met toevoeging van lucht of gas. Bij speciale ontluchters dient tevens proeven te worden verricht bij volledig leeg raken van het toevoerreservoir. Indien zulks mogelijk is, moeten de proeven worden verricht met de (meettechnisch) meest ongunstige vloeistof. Ingeval de proeven worden uitgevoerd aan maquettes of modellen die niet op schaal 1 : 1 zijn vervaardigd, moet rekening worden gehouden met de gelijkwaardigheidsregels voor de viscositeit (Reynolds), de zwaartekracht (Froude) en de oppervlaktespanning (Weber). Als algemene regel geldt, dat dergelijke proeven aan een model slechts mogen worden toegepast in gevallen waarin dit gerechtvaardigd is Onderzoek van bepaalde meetinstallaties Benzinepompen De proeven moeten inhouden: a) onderzoek van de meter en zijn hulpinrichtingen alsmede bepaling van de invloed van de hulpinrichtingen (prijsaanwijsinrichting, afdrukinrichting, voorinsteltelwerk, enz.); b) onderzoek van de ontluchtingsinrichting; c) onderzoek naar de weerstand van de slang tegen volumeverandering; d) een speciaal onderzoek om de regelmatigheid van de voortbeweging van de elementen van de prijsaanwijsinrichting vast te stellen (een onregelmatige voortbeweging kan wat het eerste element betreft onder meer worden veroorzaakt door het plotselinge sluiten van de slangkraan.) Meetinstallaties voor vloeibare gassen. Het onderzoek moet inhouden: a) het onderzoek, aan de hand van een tekening, van de luchtafscheider wat betreft het werkingsgebied en de wijze van inbouw in de installatie; b) een onderzoek naar de werking van de ontluchtingsinrichting (niveauregelaar) die eventueel in de luchtafscheider is ingebouwd. De inrichting waarmee de installatie onder druk wordt gehouden moet eveneens aan de hand van een tekening worden onderzocht. Het onderzoek van een model kan eventueel in bijzondere gevallen door de dienst die het onderzoek verricht worden geëist Meetinstallaties met een turbinemeter De modelgoedkeuringsproeven worden in het algemeen uitgevoerd op drie exemplaren. Bij de modelgoedkeuringsproeven van een turbinemeter behelzen de proeven in principe een duurproef van 300 h bij het maximaal debiet van de meter. Deze proef mag uitgevoerd worden bij een debiet begrepen tussen 75 % en 100 % van het maximaal debiet maar de duur is dan verlengd. Na deze proef mag de variatie van de fout van de meter 0,3 % van de gemeten hoeveelheid niet overschrijden. *** bijgevoegd door KB BS *** Voor meetinstallaties zoals bedoeld in de punten 2.2. en 2.4. mag de modelgoedkeuring worden verleend aan de hand van tekeningen en schema's, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorschriften van afdeling IV van bijgevoegd reglement Eerste ijk Algemeen De eerste ijk van een meetinstallatie wordt in één of twee fasen verricht. 34

35 Deze ijk wordt in één enkele fase verricht indien de installatie als geheel door een zelfde fabrikant is vervaardigd, zonder demontage kan worden vervoerd en wordt geijkt onder de omstandigheden waarin zij wordt gebruikt Deze ijk wordt in de overige gevallen in twee fasen verricht. De eerste fase heeft betrekking op de meter alleen of op de meter met de hulpinrichtingen die met de meter moeten worden verbonden, al dan niet deel uitmakend van een gedeelte van de meetinstallatie. De onderzoeken van de eerste fase kunnen aan een ijkinstallatie (eventueel in de fabriek waar de inrichting is vervaardigd) of aan de opgebouwde meetinstallatie zelf worden verricht. Hierbij kan het metrologisch onderzoek worden verricht met andere vloeistoffen dan die waarvoor de installatie is bestemd. De tweede fase heeft betrekking op de meetinstallatie zoals deze in de praktijk functioneert. Zij wordt ter plaatse van opstelling onder bedrijfsomstandigheden verricht en wel met de vloeistof waarvoor zij bestemd is. Deze tweede fase kan echter worden verricht op een door de metrologische dienst aangeduide plaats indien de meetinstallatie zonder demontage kan worden vervoerd en de proeven kunnen worden verricht onder dezelfde omstandigheden als waaronder de meetinstallatie wordt gebruikt De ijking van turbinemeters mag uitgevoerd worden in een ijkstation Proeven Indien de eerste ijk in één enkele fase plaatsvindt, moeten alle in punt vermelde proeven worden verricht Indien de proeven in twee fasen plaatsvinden: omvat de eerste fase: - een gelijkvormigheidsonderzoek van de meter, met inbegrip van de bijbehorende hulpinrichtingen (gelijkvormigheid met de respectieve modellen); - een metrologisch onderzoek van de meter, met inbegrip van de aangebrachte hulpinrichtingen; omvat de tweede fase: - een gelijkvormigheidsonderzoek van de meetinstallatie, met inbegrip van de meter en de hulpinrichtingen; - een metrologisch onderzoek van de meter en de hulpinrichtingen in de meetinstallaties; - een onderzoek naar de werking van de ontluchtingsinrichting, indien aanwezig, zonder dat behoeft te worden nagegaan of de maximaal toelaatbare fouten voor deze inrichting, als bedoeld in punt 1.6. niet zijn overschreden; - inspectie van de afstelling van de voorgeschreven inrichtingen ter handhaving van de druk; - onderzoek naar de verandering van het inwendige volume van de slangen in "volle slang"- installaties; - bepaling van de achterblijvende hoeveelheden in "lege-slang"-installaties. *** bijgevoegd door KB BS ***

36 36 *** bijgevoegd door KB BS *** AFDELING IV. Schema's van meetinstallaties op tankwagens 4.1. Algemene bepalingen Voor de in de punten 2.2. en 2.4. bedoelde meetinstallaties die op tankwagens zijn gemonteerd, kan een modelgoedkeuring worden verleend die uitsluitend is gebaseerd op de overgelegde documenten, indien zij in overeenstemming zijn met een van de schema's van punt 4.2. en indien zij aan onderstaande voorschriften voldoen: De opschriften bedoeld in punt 1.16 moeten worden aangevuld met de aanduiding van het toegepaste schema Voor de samenstellende delen van de meetinstallatie moet een modelgoedkeuring zijn verleend indien deze modelgoedkeuring is voorzien in afdeling I inzake vloeistofmeters, watermeters uitgezonderd, of in afdeling II inzake hulpinrichtingen voor vloeistofmeters, watermeters uitgezonderd, of in de onderhavige afdeling Indien de tank uit meer compartimenten bestaat mogen de afvoerleidingen van de compartimenten hetzij afzonderlijk met een meetinstallatie zijn verbonden, hetzij door middel van een verzamelleiding, tenzij in het desbetreffende schema anders is bepaald. In alle gevallen blijven de bepalingen van punt , tweede alinea, van toepassing. Indien een meetinstallatie door middel van een verzamelleiding met meer compartimenten is verbonden, moet er een voorziening aanwezig zijn die de gelijktijdige verbinding van verschillende compartimenten met de meetinstallatie verhindert. Dit voorschrift is echter niet van toepassing indien de meetinstallatie een luchtafscheider bevat die voldoet aan de bepalingen van punt Indien een tankwagen van twee meetinstallaties is voorzien en indien deze naar keuze kunnen worden verbonden met een of meer compartimenten, moeten de leidingen en afsluiters zodanig zijn aangebracht dat het onmogelijk is de twee meetinstallaties gelijktijdig met eenzelfde compartiment te verbinden. Voorts moeten de verbindingsleidingen tussen de compartimenten en meetinstallaties duidelijk zijn gekenmerkt zodat wordt voorkomen dat abusievelijk een compartiment wordt verbonden met een meetinstallatie die niet voor meting van het in dat compartiment aanwezige product is bestemd Indien een wervelingsbreker is voorgeschreven mag deze worden gecombineerd met de bodemklep van het compartiment De leidingen, afsluiters en kranen die zich tussen de compartimenten en meetinstallaties bevinden, moeten zodanig zijn aangebracht dat het onmogelijk is een meetinstallatie te verbinden met een niet tot de tankwagen behorend reservoir De filter die gewoonlijk onmiddellijk voor de meter of voor de ontluchtingsinrichting is geplaatst, mag met deze inrichting worden gecombineerd Indien er voorzieningen aanwezig zijn voor aflevering buiten de meter om, moeten deze kunnen worden verzegeld met het oog op een eventuele toepassing van nationale voorschriften Bij meetinstallaties met tweewegkranen moeten deze kranen zodanig zijn geconstrueerd dat een gelijktijdige doorstroming door de drie openingen onmogelijk is.

37 Schema's Schema S 1 Werking door middel van zwaartekracht met permanente beluchting ter hoogte van de meetgrens. Mogelijkheden: Aflevering uitsluitend via de meter (lege slang).

38 Verklaring bij Schema S 1 Indien de tank uit meer compartimenten bestaat moet de meetinstallatie permanent en rechtstreeks, zonder gebruikmaking van een verzamelleiding, op een bepaald compartiment zijn aangesloten. A F Wervelingsbreker. Filter. De filter moet zodanig zijn ontworpen en geplaatst dat bij het schoonmaken hiervan de meter en het kijkglas (V1 of V2) niet leeglopen. De filter moet zich geheel onder het niveau van de meetgrens bevinden. T1, T2 Voor de gasafvoer toegestane varianten. T1: ontluchtingskraan en terugslagklep waardoor wordt voorkomen dat gas in de meetinstallatie wordt ingevoerd. T2: afvoerleiding naar de dampruimte van de tank. car C Vm I en II V1 V2 at H h Terugslagklep die de doorstroming van gas verhindert bij thermische overdruk in de tank. Meter. Bedieningsafsluiter. Varianten van de inrichting voor aflevering met lege slangsysteem. Overloopkijkglas. Kijkglas als bedoeld in punt tevens dienst doende als gasverklikker. Permanente beluchtingsklep. De doorsnede moet voldoende zijn om in de meter een druk te waarborgen die ten minste gelijk is aan de atmosferische druk. De permanente beluchting kan worden verwezenlijkt door een verticale pijp zonder afsluiter. Indien deze pijp met het bovengedeelte van de tank is verbonden, mag de terugslagklep "car" vervallen. Valhoogte van de vloeistof. Hoogte van de bodem van de tank ten opzichte van de meetgrens. Deze hoogte moet voldoende zijn om, tot de tank geheel leeg is, een debiet te waarborgen dat ten minste gelijk is aan het minimale debiet van de meter. 38

39 39 Schema S 2. Werking door middel van zwaartekracht zonder permanente beluchting ter hoogte van de meetgrens tijdens de aflevering. Mogelijkheden: a) aflevering via de meter (lege slang). b) rechtstreekse aflevering buiten de meter om, ledigen en vullen van de tank buiten de meter om.

40 Verklaring bij schema S 2 De leidingen tussen compartimenten en meetinstallaties moeten permanente verbindingen vormen. A R Wervelingsbreker. Tweewegkraan voor aflevering via de meter, aflevering buiten de meter om en ledigen en vullen van de tank buiten de meter om. Deze kraan is facultatief en mag worden vervangen door een rechtstreekse verbinding. F Filter. Een afvoerkraan is alleen toegestaan indien deze is voorzien van een terugslagklep waardoor wordt voorkomen dat gas in de meetinstallatie wordt ingevoerd. PgS Speciale ontluchter als bedoeld in punt V1 T1,T2, T3,T4 C va I en II Vm at H h Kijkglas van de speciale ontluchter. Voor de gasafvoer toegestane varianten. T1: Terugvoerleiding naar de tank. T2: Ontluchting naar de open lucht. T3: Toepassing van een opvangtankje voor vloeistofdeeltjes die door het gas worden meegevoerd. T4: Toepassing van een ontluchtingsafsluiter. Meter. afsluiter die automatisch wordt bediend door de speciale ontluchter zodra de druk ontoereikend wordt om verdamping in de meter tegen te gaan of indien er in deze ontluchter een luchtbel ontstaat. Bovendien moet deze afsluiter zich sluiten bij storing van het bedieningssysteem ervan. Varianten van de inrichting voor aflevering met lege slangsysteem, Variant I: Overloopkijkglas Va Variante II: Kijkglas als bedoeld in punt tevens dienst doende als gasverklikker Va. Bedieningsafsluiter. De automatische afsluiter va en de bedieningsafsluiter Vm mogen zijn gecombineerd in een speciale afsluiter die beide functies vervult. In dit geval moeten de functies onafhankelijk van elkaar zijn. Bij variant II moet deze speciale afsluiter na het kijkglas V3 zijn aangebracht. Handbediende beluchting. Deze voorziening mag automatisch zijn (bv. door automatische sluiting tijdens de meting en opening na de meting). Valhoogte van de vloeistof. Hoogte van de bodem van de tank ten opzichte van de meetgrens. Deze hoogte moet voldoende zijn om, tot de tank geheel leeg is, een debiet te waarborgen dat ten minste gelijk is aan het minimale debiet van de meter. 40

41 41 Schema S 3. De meetinstallatie omvat een pomp, een luchtafscheider en een of twee volle slangen. Mogelijkheden: a) Aflevering via pomp en meter (volle slang). b) Rechtstreekse aflevering buiten de meter om (met of zonder pomp); ledigen en vullen van de tank buiten de meter om.

42 Verklaring bij schema S 3 R1 Tweewegkraan voor aflevering via de meter, aflevering buiten de meter om. Deze kraan is facultatief en mag worden vervangen door een rechtstreekse verbinding. P Pomp. De pomp mag in twee richtingen kunnen werken. Is dit het geval dan moet een terugslagklep worden toegevoegd tussen de kraan R2 en de luchtafscheider Sg. R2 Tweewegkraan, facultatief, voor rechtstreekse aflevering buiten de meter om. F Filter. De filter mag zijn voorzien van een ontluchtingskraan. Sg Luchtafscheider overeenkomstig het bepaalde in punt Het niveau van de vloeistof in de luchtafscheider moet zich boven dat van de meter bevinden. T1, T2 Toegestane varianten voor de gasafvoer. T1: rechtstreekse terugvoerleiding naar de tank. T2: terugvoer naar de tank via een opvangtankje voor de door het gas meegevoerde vloeistofdeeltjes. C Meter. Vm Bedieningsafsluiter. cl Terugslagklep. fl1 Volle slang op oprolmechanisme. fl2 Eventueel een tweede, zeer korte volle slang voor afleveringen bij groot debiet. cla R3 Klep die het ledigen van de volle slang verhindert. Inrichting met behulp waarvan, bij een meetinstallatie met twee slangen, de aflevering via een van beide slangen kan plaatsvinden. Deze voorziening moet in overeenstemming zijn met het bepaalde in de punten , eerste alinea, en 2.2.4, tweede alinea. 42

43 43 Schema S 4. De meetinstallatie omvat een pomp, een luchtafscheider, een lege slang, of een volle en een lege slang. Mogelijkheden: a) aflevering via pomp en meter (volle of lege slang). b) aflevering door zwaartekracht met meter (lege slang). c) rechtstreekse aflevering buiten de meter om (met of zonder pomp), ledigen en vullen van de tank buiten de meter om.

44 Verklaring bij schema S 4 R1 Tweewegkraan voor aflevering via de meter, aflevering buiten de meter om en voor het ledigen en vullen van de tank buiten de meter om. Deze kraan is facultatief en mag worden vervangen door een rechtstreekse verbinding. P Pomp. De pomp mag in twee richtingen kunnen werken. Is dit het geval dan moet een terugslagklep worden toegevoegd tussen de kraan R2 en de luchtafscheider Sg. B Facultatieve omloopleiding waarmede aflevering mogelijk is door middel van zwaartekracht via de meter (lege slang). Deze omloopleiding is alleen toelaatbaar indien kraan R1 niet aanwezig is. R2 Tweewegkraan, facultatief, voor rechtstreekse aflevering buiten de meter om. F Filter. De filter mag zijn voorzien van een afvoerkraan. Sg Luchtafscheider overeenkomstig het bepaalde in punt Het niveau van de vloeistof in de luchtafscheider moet zich boven dat van de meter bevinden. car Terugslagklep die de doorstroming van gas (bij aflevering via lege slang) verhindert. C Meter. M Manometeraansluiting, alleen verplicht bij aanwezigheid van omloopleiding B. Met behulp van deze manometeraansluiting kan, bij de eerste ijk, worden nagegaan of de druk in de meter bij aflevering door zwaartekracht ten minste gelijk is aan de atmosferische druk. at Automatische of handbediende beluchting. Indien omloopleiding B aanwezig is moet deze beluchting automatisch plaatsvinden, terwijl de doorsnede voldoende moet zijn om in de meter een druk te waarborgen die ten minste gelijk is aan de atmosferische druk. Vm Bedieningsafsluiter. I en II Varianten van de inrichting voor aflevering: Variante I: lege slang. Variante II: combinatie van een volle en een lege slang. cl Terugslagklep. V1 Overloopkijkglas. V2 Kijkglas als bedoeld in punt tevens dienst doende als gasverklikker. fl1 Volle slang op oprolmechanisme. cla Klep die het ledigen van de volle slang verhindert. R3 Inrichting met behulp waarvan aflevering met volle slang of met lege slang mogelijk is. Deze voorziening moet in overeenstemming zijn met het bepaalde in de punten , eerste alinea, en 2.2.4, tweede alinea. 44

45 45 Schema S 5. De meetinstallatie omvat een pomp, een ontluchter en een of twee volle slangen. Mogelijkheden: Uitsluitend aflevering via pomp en meter (volle slang)

46 Verklaring bij schema S 5 Indien de tank uit meer compartimenten bestaat moet de meetinstallatie permanent en rechtstreeks, zonder gebruikmaking van een verzamelleiding, op een bepaald compartiment zijn aangesloten. A Wervelingsbreker. V Afsluiter van het type "geheel open, geheel dicht" waardoor praktisch elke belemmering in de aanzuiging door de pomp is uitgesloten. M Manometer waarmede kan worden gecontroleerd of de druk aan de aanzuigzijde van de pomp steeds ten minste gelijk is aan de atmosferische druk. P Pomp. F Filter. Een afvoerkraan is alleen toegestaan indien deze is voorzien van een terugslagklep waardoor wordt voorkomen dat gas in de meetinstallatie wordt ingevoerd. Pg Ontluchter. Voor de afvoer van gas zijn twee varianten toelaatbaar: T1 en T2. T1 T2 C Vm cl fl1 fl2 cla R Rechtstreekse verbinding tussen de ontluchter en de tank. In dit geval moet de leiding in de tank langs de wand uitmonden, ten einde het scheiden van vloeistofdeeltjes en gas te vergemakkelijken. Verbinding tussen ontluchter en tank via een opvangtankje voor door het gas meegevoerde vloeistofdeeltjes. Meter. Bedieningsafsluiter. Terugslagklep. Volle slang op oprolmechanisme. Eventueel een tweede, zeer korte volle slang voor afleveringen bij groot debiet. Klep die het ledigen van de volle slang verhindert. Inrichting met behulp waarvan, bij een meetinstallatie met twee slangen, aflevering via een van beide slangen kan plaatsvinden. Deze voorziening moet in overeenstemming zijn met het bepaalde in de punten , eerste alinea, en , tweede alinea. 46

47 47 Schema S 6. De meetinstallatie omvat een luchtafscheider die gecombineerd is met de toevoerpomp en ofwel één of twee volle slangen, ofwel één lege slang, ofwel één volle en één lege slang. Mogelijkheden: a) Aflevering via pomp en meter (volle of lege slang). b) Rechtstreekse aflevering met of zonder pomp buiten de meter om; ledigen en vullen van de tank buiten de meter om.

48 48 Verklaring bij schema S 6 R1 Tweewegkraan voor aflevering via de meter, aflevering buiten de meter om en ledigen en vullen van de tank buiten de meter om. Deze kraan is facultatief en mag worden vervangen door een rechtstreekse verbinding. F Filter. Deze filter mag zijn voorzien van een afvoerkraan. SgP Luchtafscheider gecombineerd met toevoerpomp als bedoeld in punt , eerste alinea. Dit samenstellend deel moet voldoen aan de voorschriften van punt Deze voorziening is onderworpen aan de modelgoedkeuring. cl1 Terugslagklep. Deze klep mag ook achter de meter worden geplaatst. R2 Facultatieve tweewegkraan voor rechtstreekse aflevering buiten de meter om. C Meter. I, II Varianten van de inrichting voor aflevering: en III Variante I: één of twee volle slangen. Variante II: lege slang. Variante III: combinatie van een volle en een lege slang. Vm Bedieningsafsluiter. V1 Overloopkijkglas. V2 Kijkglas als bedoeld in punt tevens dienst doende als gasverklikker. fl1 Volle slang. fl2 Eventueel een tweede, zeer korte volle slang voor aflevering bij groot debiet. cla Klep die het ledigen van de volle slang verhindert cl2 Terugslagklep. at Automatische of handbediende beluchting. R3 Inrichting met behulp waarvan, indien de meetinstallatie twee afleveringsmogelijkheden heeft, de aflevering via een van deze mogelijkheden kan plaatsvinden. De voorziening moet in overeenstemming zijn met het bepaalde in de punten , eerste alinea, en , tweede alinea.

49 49 Schema S 7. De meetinstallatie omvat een pomp, een speciale ontluchter en ofwel één of twee volle slangen, ofwel een lege slang, ofwel één volle en één lege slang. Mogelijkheden: a) Aflevering via pomp en meter (volle of lege slang). b) Aflevering door zwaartekracht met meter (lege slang). c) Rechtstreekse aflevering met of zonder pomp buiten de meter om ledigen en vullen van de tank buiten de meter om.

50 50 Verklaring bij schema S 7 Indien de tank uit meer compartimenten bestaat en gebruik kan worden gemaakt van een verzamelleiding, moeten de bodemkleppen van de compartimenten en de afsluiters die zich in de aanzuigleiding bevinden van het type "geheel open/geheel dicht" zijn. De leidingen moeten permanente verbindingen vormen. A R1 P B Wervelingsbreker Tweewegkraan voor aflevering via de meter, aflevering buiten de meter om, ledigen en vullen van de tank buiten de meter om. Deze kraan is facultatief en mag worden vervangen door een rechtstreekse verbinding. Pomp. De pomp mag in twee richtingen kunnen werken; in dit geval dient een terugslagklep te worden toegevoegd tussen kraan R2 en de speciale ontluchter PgS. Facultatieve omloopleiding voor aflevering door middel van de zwaartekracht via de meter (lege slang). Deze omloopleiding is alleen toelaatbaar indien R1, niet aanwezig is. R2 Facultatieve tweewegkraan voor rechtstreekse aflevering buiten de meter om. F Filter. Een afvoerkraan is alleen toegestaan indien deze is voorzien van een terugslagklep waardoor wordt voorkomen dat gas in de meetinstallatie wordt ingevoerd. PgS Speciale ontluchter als omschreven in punt V1 Kijkglas van de speciale ontluchter. T1,T2, Voor de gasafvoer toegestane varianten. T3 T1: toepassing van een opvangtankje voor door het gasmeegevoerde vloeistofdeeltjes. T2: terugvoer naar de tank. T3: toepassing van een ontluchtingsafsluiter. C Meter. va Afsluiter die automatisch wordt bediend door de speciale ontluchter zodra de druk ontoereikend wordt om verdamping in de meter tegen te gaan of indien er in deze ontluchter een luchtbel ontstaat. Bovendien moet deze afsluiter zich sluiten bij storing van het bedieningssysteem ervan. I, II, Varianten van de inrichting voor aflevering. III Vm Variante I: een of twee volle slangen. Variante II: lege slang. Variante III: combinatie van een volle en een lege slang. Bedieningsafsluiter. De automatische afsluiter va en de bedieningsafsluiter Vm mogen zijn gecombineerd in een speciale afsluiter die beide functies vervult. In dit geval moeten de functies onafhankelijk van elkaar zijn. Bij de varianten met kijkglas V3 moet deze speciale afsluiter na het kijkglas V3 zijn aangebracht. cl Terugslagklep. V3 Kijkglas als bedoeld in punt tevens dienst doende als gasverklikker. V2 Overloopkijkglas. fl1 Volle slag op oprolmechanisme. fl2 Eventueel een tweede, zeer korte volle slang voor afleveringen bij groot debiet. cla Klep die het ledigen van de volle slang verhindert. at Automatische of handbediende beluchting. R3 Inrichting met behulp waarvan, bij een meetinstallatie met twee afleveringsmogelijkheden, aflevering via een van beide mogelijkheden kan plaatsvinden. De voorziening moet in overeenstemming zijn met bepaalde in de punten eerste alinéa en tweede alinéa.

51 51 Schema S 8. De meetinstallatie omvat een pomp, een kraan met drie standen, een speciale ontluchter en ofwel een of twee volle slangen, ofwel een lege slang, ofwel een volle en een lege slang. Mogelijkheden: a) Aflevering via pomp en meter (volle of lege slang). b) Aflevering door zwaartekracht met meter (lege slang). c) Rechtstreekse aflevering met of zonder pomp buiten de meter om, ledigen en vullen van de tank buiten de meter om.

52 Verklaring bij schema S 8 Indien de tank uit meer compartimenten bestaat en gebruik kan worden gemaakt van een verzamelleiding, moeten de bodemkleppen van de compartimenten en de afsluiters die zich in de aanzuigleiding bevinden van het type "geheel open/geheel dicht" zijn. De leidingen tussen compartimenten en meetinstallatie moeten permanente verbindingen vormen. A Wervelingsbreker. P R0 R1 F Pomp. Driewegkraan waarmede, in combinatie met R1 en R2, de volgende verrichtingen mogelijk zijn: 1. Aflevering door middel van pomp, met of zonder meter (volle of lege slang). 2. Aflevering door zwaartekracht met of zonder meter (lege slang), ledigen en vullen van de tank. 3. Vullen van de tank met behulp van pomp P. Facultatieve tweewegkraan; deze mag worden vervangen door een rechtstreekse verbinding. Filter. Een afvoerkraan alleen toelaatbaar indien deze is voorzien van een terugslagklep waardoor wordt voorkomen dat gas in de meetinstallatie wordt ingevoerd. cl1 Terugslagklep. Pgs Speciale ontluchter als omschreven in punt V1 Kijkglas van de speciale ontluchter. T1,T2, Voor de gasafvoer toegestane varianten: T3 T1: toepassing van een opvangtankje voor door het gas meegevoerde vloeistofdeeltjes. T2: terugvoer naar de tank. T3: toepassing van een ontluchtingsafsluiter. C va Meter. Afsluiter die automatisch wordt bediend door de speciale ontluchter zodra de druk ontoereikend wordt om verdamping in de meter tegen te gaan of indien er in deze ontluchter een luchtbel ontstaat. Bovendien moet deze afsluiter zich sluiten bij storing van het bedieningssysteem ervan. I, II, III Varianten van de inrichting voor aflevering: Variant I: een of twee volle slangen. Variant II: lege slang. Variant III: combinatie van een volle en een lege slang. Vm Bedieningsafsluiter. De automatische afsluiter va en de bedieningsafsluiter Vm mogen zijn gecombineerd met een speciale afsluiter die beide functies vervult. In dit geval moeten de functies onafhankelijk van elkaar zijn. Bij de varianten II en III met kijkglas V3 moet deze speciale afsluiter na het kijkglas Va zijn aangebracht. cl2 Terugslagklep. V2 Overloopkijkglas. V3 Kijkglas als bedoeld in punt tevens dienst doende als gasverklikker. fl1 Volle slang op oprolmechanisme. fl2 Eventueel een tweede, zeer korte volle slang voor afleveringen bij groot debiet. cla Klep die het ledigen van de volle slang verhindert. at Automatische of handbediende beluchting. R2 Inrichting met behulp waarvan, bij een meetinstallatie met twee afleveringsmogelijkheden, aflevering via een van beide mogelijkheden kan plaatsvinden. De voorziening moet in overeenstemming zijn met het bepaalde in de punten , eerste alinea en , tweede alinea. 52

53 53 Schema S 9. De meetinstallatie omvat een pomp, een luchtafscheider, een afsluiter ter handhaving van de druk en een volle slang. Mogelijkheden: a) Aflevering via pomp en meter (volle slang). b) Aflevering met of zonder pomp buiten de meter om, ledigen en vullen van de tank buiten de meter om.

54 Verklaring bij schema S 9 R1 Tweewegkraan voor aflevering via de meter, ledigen en vullen van de tank buiten de meter om. Deze kraan is facultatief en mag worden vervangen door een rechtstreekse verbinding. P Pomp. B Met de tank verbonden regelbare omloopleiding. R1 Facultatieve tweewegkraan voor rechtstreekse aflevering buiten de meter om. cl1 Terugslagklep als voorgeschreven in punt Deze mag ook tussen de filter en de luchtafscheider zijn geplaatst. F Filter. Sg Luchtafscheider in overeenstemming met punt of met punt , tweede alinea. De afvoerleiding is aangesloten op de dampruimte van de tank. Uit veiligheidsoverwegingen mag in deze leiding een afsluiter "vas" zijn aangebracht; in dit geval moet deze tussen de tank en de afleiding naar de afsluiter "vamp" zijn gemonteerd. C Meter. vamp Automatische afsluiter ter handhaving van een druk die ten minste 100 kpa meer bedraagt dan de verzadigde damspanning in de tank Vm Bedieningsafsluiter. cl2 Terugslagklep. Z Leiding naar de dampruimte van de tank die uitsluitend gebruikt mag worden voor het vullen van de tank van de tankwagen en voor het terugvoeren van de vloeistof bij onderzoek van de meetinstallatie. Th Thermometer. Deze moet in de nabijheid van de meter worden geplaatst, hetzij in de luchtafscheider, hetzij bij de in- of uitlaat van de meter. M Manometer (verplicht). Mo Manometers (facultatief), Opmerking: a) In verband met het bepaalde in punt dient op een opschriftenplaat goed leesbaar te worden aangegeven dat het verboden is de dampruimten van de tankwagen te verbinden met die van het reservoir van de cliënt. b) Er mogen veiligheidsventielen worden toegevoegd. Indien deze ventielen aanwezig zijn, moeten zij voldoen aan de voorschriften van punt

55 55 BIJLAGE II : IJklonen *** zoals gewijzigd door het KB BS *** Hoofdstuk I - Modelgoedkeuring, behalve voor het hydraulisch gedeelte van massadebietmeters I.1. Meter (hydraulisch gedeelte), ontgassingsinrichting of equivalent, meetinstallatie Maximaal debiet Qmax (l/min) Qmax <= < Qmax <= 2000 Qmax > 2000 supplement per schijf of gedeelte van 1000 boven de 2000 Meter (hydraulisch gedeelte) F F F Ontgassingsinrichting of equivalent F F F * Meetinstallatie F F F * tot 3000 l/min; voor hogere debieten worden de proeven uitgevoerd door simulatie op een verkleind model en in dit geval bedraagt het ijkloon F voor de theoretische studie + het modelgoedkeuringsloon voor het verkleind model. I.2. Mechanische aanwijsinrichting 8000 F I.3. Verbindingen Verbinding tussen : - meter en impulsgenerator : F - meter en totalisator : F - meter en mechanisch telwerk : F I.4. Hulpinrichtingen (mechanische of elektromechanische) (Onderworpen aan de eerste ijk tezelfdertijd als de meters waaraan ze verbonden zijn). Nulstelinrichting van de prijs- en volumeaanwijsinrichting : F Totalisator van volume en prijs : F Volumeaanwijsinrichting met meer aanwijzingen : F Prijsaanwijsinrichting : F Afdrukinrichting : F Voorinsteltelwerk : F I.5. Mechanische herleidingsinrichting voor de temperatuur F I.6. Elektronisch telwerk Basisbedrag : F Per bijkomende functie (conversie- of correctie-inrichting) : F

56 I.7. Varianten en verlenging van de geldigheidsduur Modelgoedkeuring van varianten en verlenging van de geldigheidsduur van een modelgoedkeuring : basisbedrag : F plus : - 40 % van het bedrag van het modelgoedkeuringsloon indien er geen proeven nodig zijn voor de variante of de verlenging; - 60 % van het bedrag van het modelgoedkeuringsloon indien de variante of de verlenging proeven vereist, met dien verstande dat het totaal bedrag maximaal gelijk is aan de hierboven vermelde bedragen. I.8. Intrekking, afstand of weigering In geval van intrekking of van afstand van de modelgoedkeuringsaanvraag of in geval van weigering van de modelgoedkeuring, zal een ijkloon vereist worden in verhouding met de reeds uitgevoerde studie. I.9. Modelgoedkeuringsmerk Studie van het dossier voor het toekennen van het modelgoedkeuringsmerk : F 56

57 57 Hoofdstuk II - Andere metrologische prestaties, behalve op het hydraulisch gedeelte van de massadebietmeters II.1. Op meters en meetinstallaties, uitgenomen de meetinstallaties voor L.P.G. Max. debiet Qmax (l/min) Qmax <= < Qmax <= 2000 Qmax > 2000 supplement per schijf of gedeelte van 1000 boven de 2000 Eerste ijk en technische controle op aanvraag meter F F 500 F meetinstallatie F F F Herijk F F F Modelgoedkeuringsmerk en metrologische prestaties onder onderhoudscontract 900 F F 800 F II.2. IJking van meetinstallaties voor L.P.G. L.P.G.-pomp met een debiet gelegen tussen 5 l/min en 100 l/min : F Meetinstallatie gemonteerd op tankwagen : F Meetinstallatie voor een debiet gelegen tussen 350 l/min en l/min : F. II.3. Toepassingsmodaliteiten voor de punten II.1 en II.2 Voor de eerste ijk uitgevoerd in 2 fasen, zijn de aan te rekenen ijklonen : 1ste fase : - het ijkloon voor de meter alleen F indien de eerste fase betrekking heeft op de meter en de ontgassingsinrichting; 2de fase : - het ijkloon voor de meetinstallatie. Als bij een ijk het ijkmerk geweigerd wordt, is het ijkloon verschuldigd alsof het merk toegekend werd. Het ijkloon is opnieuw verschuldigd als de proeven op het betrokken toestel herbegonnen worden. Bij de eerste ijk mag een regeling uitgevoerd worden door een hersteller in aanwezigheid van een agent van de Algemene Inspectie van de Metrologie. Voor de bijkomende prestaties ten gevolge van die regeling zal een ijkloon van 40 % van het basisbedrag geïnd worden. De wachttijd zal gefactureerd worden aan het uurloon toegepast door de Algemene Inspectie van de Metrologie. Wanneer een ijk, waarvan de datum acht dagen op voorhand werd vastgelegd in afspraak met de aanvrager, op het ogenblik van de ijk onmogelijk gemaakt wordt door toedoen van de aanvrager of de houder, wordt een forfaitair loon geëist gelijk aan 100 % van het ijkloon dat verschuldigd zou zijn zo de ijk had plaats gehad (met een maximum van F). Indien de ijkaanvraag minder dan 3 werkdagen vóór de ijkdatum wordt ingetrokken door de aanvrager, wordt een forfaitair loon geëist gelijk aan 40 % van het ijkloon dat verschuldigd zou zijn zo de ijk had plaats gehad (met een maximum van F).

58 58 Hoofdstuk III - Massadebietmeters III.1. Hydraulisch gedeelte Maximaal debiet (kg/min) Qmax <= < Qmax <= < Qmax <= < Qmax <= 8000 Qmax > 8000 Modelgoedkeuring F F F F F Eerste ijk en technische controle op aanvraag meter meetinstallatie F F F F F F F F F F Herijk F F F F F Nota : In het geval dat de ijk gebeurt met een weegtoestel toegelaten door de Algemene Inspectie van de Metrologie, moet de aanvrager van de ijk eerst de kalibratie van het weegtoestel aanvragen bij de Algemene Inspectie van de Metrologie. III.2. Modelgoedkeuring van het elektronisch gedeelte Zie hoofdstuk I. III.3. Toepassingsmodaliteiten voor punt III.1 De toepassingsmodaliteiten, vermeld onder punt II.3 van hoofdstuk II, zijn eveneens geldig voor punt III.1.

59 Hoofdstuk IV - Gemeenschappelijke schikkingen voor de hoofdstukken I, II en III Wanneer de proeven van modelgoedkeuring en van eerste ijk geheel of gedeeltelijk werden uitgevoerd door controleinstellingen van een andere Lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap zoals voorzien wordt in artikel 4 van het besluit, worden de vermelde bedragen voor modelgoedkeuringsloon en ijkloon per schijven van 20 % verminderd, naargelang van de omvang van de werkzaamheden die reeds werden uitgevoerd door de bedoelde controleinstellingen. De hierboven vermelde bedragen worden op volgende wijze onderverdeeld: 40 % voor de studie van het dossier; 40 % voor de proeven; 20 % voor het document van modelgoedkeuring of ijk. 59

60 60 Hoofdstuk V - Prestatiekosten Bedrag der kosten voor gebruik van het volgende materieel van de Algemene Inspectie van de Metrologie (bij modelgoedkeuring, eerste ijk en technische controle op aanvraag): V.1. De standaarden 5 l tot 50 l : verhoging van het ijkloon met F per meettoestel. De andere meetvaten: verhoging van 100 % van het ijkloon per meettoestel. V.2. Wegvervoerstrein met ijkmaten van l, l, l, l Verhoging van F van het ijkloon per meettoestel. V.3. De installaties voor het nazicht van meters en meetinstallaties voor L.P.G F

61 61 BIJLAGE III : Elektronische inrichtingen 1. Voorwerp *** bijgevoegd door het KB BS *** Deze bijlage III heeft tot doel de reglementaire voorschriften vast te leggen welke van toepassing zijn op de elektronische inrichtingen ingebouwd in of samengevoegd met meetinstallaties en gedeeltelijke meetinstallaties voor andere vloeistoffen dan water. De modelgoedkeuringsonderzoeken, omschreven in deze bijlage, moeten uitgevoerd worden in aanvulling op de onderzoeken voorzien in bijlage I. 2. Definities In het kader van deze bijlage zijn de volgende definities van toepassing : 2.1. Elektronische inrichting Inrichting welke elektronische onderdelen gebruikt en welke een specifieke functie uitvoert. De elektronische inrichtingen zijn gewoonlijk vervaardigd als afzonderlijke eenheden en kunnen afzonderlijk beproefd worden. Nota : de elektronische inrichtingen kunnen volgens die definitie volledige meetinstallaties zijn of gedeelten ervan, zoals : 2.2. Meetomvormer Inrichting welke de vloeistofbeweging omvormt in signalen bestemd voor de rekeneenheid. Zij kan autonoom werken of een uitwendige energiebron gebruiken Rekeneenheid Inrichting welke de uitgangssignalen van de omvormer(s) ontvangt, ze valideert, bewerkt en desgevallend in het geheugen opslaat tot hun verwerking. Desgevallend verzekert zij tevens de verbindingen met de randapparatuur Aanwijsinrichting Inrichting welke de meetresultaten van de rekeneenheid op continue of quasi-continue wijze zichtbaar maakt Voeding Inrichting welke de nodige elektrische energie aan de elektronische inrichtingen levert vanuit een of meerdere wissel- of gelijkstroombronnen Randapparatuur Bijkomende inrichtingen zoals : - herhalingsaanwijsinrichtingen, - bondrukker, - journaaldrukker, - batch- of magnetische kaartlezers, bankbiljetontvangers, - zelfbedieningsconsole,

62 62 - enz Elektronische deelinrichting Deel van een elektronische inrichting voorzien van elektronische componenten en waaraan een welbepaalde functie is toegekend Elektronische component Kleinste fysische eenheid welke de geleidbaarheid van elektronen of gaten in de halfgeleiders, de gassen en het luchtledige gebruikt Absolute meetfout Meetresultaat min de (conventioneel) werkelijke waarde van de gemeten grootheid Intrinsieke fout Fout van een meetinstallatie gebruikt in de referentievoorwaarden Afwijking Verschil tussen de absolute meetfout en de intrinsieke fout van een meetinstallatie Beduidende afwijking Voor volumes groter dan de kleinste afleveringshoeveelheid en kleiner dan 10 maal de kleinste afleveringshoeveelheid, de afwijking waarvan de absolute waarde groter is dan de absolute waarde van de maximaal toegelaten fout op de kleinste afleveringshoeveelheid van de meetinstallatie. Voor volumes groter of gelijk aan 10 maal de kleinste afleveringshoeveelheid, de afwijking waarvan de absolute waarde groter is dan een vijfde van de absolute waarde van de maximaal toegelaten fout op het gemeten volume. Volgende afwijkingen worden niet als beduidend beschouwd: - afwijkingen voortspruitend uit gelijktijdige en onderling onafhankelijke oorzaken, in het meetinstrument zelf of in zijn controlesysteem, - toevallige afwijkingen voortspruitend uit tijdelijke variaties van de aanwijzing, maar die noch geïnterpreteerd, noch opgeslagen of overgedragen kunnen worden als meetresultaten, - afwijkingen die elke meting onmogelijk maken Onderbreekbare of niet-onderbreekbare meetinstallaties Een meetinstallatie wordt beschouwd als onderbreekbaar of niet-onderbreekbaar naargelang de stroming van de vloeistof vlug en gemakkelijk onderbroken of niet onderbroken kan worden Invloedsgrootheid Grootheid die geen deel uitmaakt van de meting maar die de meetwaarde of de aanwijzingen van de meetinstallatie beïnvloedt Invloedsfactor Invloedsgrootheid waarvan de waarde zich binnen de normale werkingsvoorwaarden van de meetinstallatie bevindt.

63 Storing Invloedsgrootheid waarvan de waarde zich bevindt binnen de grenzen hierna vermeld in deze bijlage, maar buiten de toegekende werkingsvoorwaarden bepaald voor de meetinstallatie. Nota : een invloedsgrootheid is een storing indien de toegekende werkingsvoorwaarden niet vastgelegd zijn voor deze invloedsgrootheid Toegekende werkingsvoorwaarden Gebruiksvoorwaarden welke het waardenbereik van de invloedsgrootheden geven waarvoor aangenomen wordt dat de metrologische eigenschappen binnen de maximale toelaatbare fouten vallen Referentievoorwaarden Geheel van omschreven waarden van invloedsfactoren, vastgelegd ten einde geldige vergelijkingen tussen meetresultaten toe te laten Hoofdaanwijzing Aanwijzing onderworpen aan de controle van de wettelijke metrologie. Andere aanwijzingen dan de hoofdaanwijzing worden gewoonweg bijkomende aanwijzingen genoemd Controlesysteem Systeem ingebouwd in een meetinstallatie dat toelaat de beduidende afwijkingen op te sporen en kenbaar te maken Automatisch controlesysteem Controlesysteem dat werkt zonder tussenkomst van een operator Automatisch en permanent controlesysteem (niveau P) Automatisch controlesysteem werkend gedurende de hele duur van de meetverrichtingen Automatisch en intermitterend controlesysteem (niveau I) Automatisch controlesysteem dat ten minste één keer tussenkomt bij het begin of het einde van elke meetverrichting Niet-automatisch controlesysteem (niveau N) Controlesysteem dat de tussenkomst van een operator vereist Prestatieproef Proef die toelaat na te gaan of de elektronische inrichting onder proef (IOP) de functies kan vervullen waarvoor ze voorzien is Meetomstandigheden Temperatuur en druk van de vloeistof bij het meetpunt Basisvoorwaarden Vastgelegde waarden van temperatuur en druk, gebruikt voor het uitdrukken van het vloeistofvolume onafhankelijk van de meetomstandigheden. 63

64 2.22. Correctie-inrichting Inrichting (aangesloten aan of ingebouwd in de meter) welke toelaat het volume bij de meetomstandigheden automatisch te corrigeren, rekening houdend met het debiet en/of de karakteristieken van de te meten vloeistof (viscositeit, temperatuur, druk,...), alsook met voorafbepaalde ijkcurves. De karakteristieken van de vloeistof kunnen ofwel gemeten worden met behulp van aangekoppelde meetinstrumenten ofwel opgeslagen worden in het geheugen van het instrument Omzettingsinrichting Inrichting toegevoegd aan de meter welke automatisch het gemeten volume bij de meetomstandigheden omzet naar een volume bij de basisvoorwaarden of naar massa, rekening houdend met de karakteristieken van de te meten vloeistof (temperatuur, druk, volumieke massa, dichtheid,...), gemeten met aangekoppelde meetinstrumenten of opgeslagen in het geheugen. De verhouding tussen het volume bij de basisvoorwaarden of de massa en het volume bij de meetomstandigheden wordt de "omzettingsfactor" genoemd Aangekoppelde meetinstrumenten Instrumenten verbonden met de rekeneenheid en bestemd voor het meten van bepaalde karakteristieke grootheden van de vloeistof ten einde een correctie en/of een omzetting uit te voeren. 3. Algemene vereisten voor de meetinstallaties uitgerust met elektronische inrichtingen 3.1. De meetinstallaties uitgerust met elektronische inrichtingen moeten op een zodanige wijze ontworpen en gebouwd zijn dat hun fouten de maximale toegelaten foutgrenzen, vastgelegd in bijlage I, in de toegekende werkingsvoorwaarden niet overschrijden De onderbreekbare meetinstallaties uitgerust met elektronische inrichtingen moeten op een zodanige wijze ontworpen en gebouwd zijn dat, indien ze onderhevig zijn aan storingen: - ofwel, (a) er geen beduidende afwijking optreedt, - ofwel, (b) de beduidende afwijkingen gedetecteerd en kenbaar gemaakt worden door middel van controlesystemen. Deze schikking kan afzonderlijk toegepast worden: - bij iedere individuele oorzaak van een beduidende afwijking - en/of ieder deel van de meetinstallatie De niet-onderbreekbare meetinstallaties uitgerust met elektronische inrichtingen moeten op een zodanige wijze ontworpen en gebouwd zijn dat, indien ze onderhevig zijn aan storingen, er geen beduidende afwijking optreedt Het is aan de fabrikant te bepalen of, rekening houdend met de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, de meetinstallatie onderbreekbaar of niet onderbreekbaar is. De meetinstallaties langs de weg moeten onderbreekbaar zijn. Wanneer het bij de modelgoedkeuring niet mogelijk is het toekomstig gebruik van het instrument te bepalen, zijn de voorschriften van punt van toepassing. 64

65 Van een model van een meetinstallatie wordt verondersteld aan de schikkingen van de punten 3.1.en 3.2. te voldoen indien het met voldoening de onderzoeken en de proeven voorzien in het punt ondergaan heeft. 4. Bijzondere vereisten voor sommige elektronische inrichtingen 4.1. Meetomvormer Alle signalen uitgezonden door de opnemer, en zij alleen, moeten met zekerheid naar de rekeneenheid worden overgebracht, bij voorbeeld onder de vorm van 2 gelijkaardige signalen of een redundant bericht Rekeneenheid Alle parameters nodig voor het samenstellen van de aanwijzingen die onderworpen zijn aan een controle van wettelijke metrologie, zoals eenheidsprijs, rekentabel, correctieveelterm, enz..., moeten in de rekeneenheid aanwezig zijn vóór het begin van de meetverrichting. De rekeneenheid mag uitgerust zijn met een interface om eraan randapparatuur te kunnen aansluiten. Indien randapparatuur aangesloten wordt moet het instrument correct blijven werken en mogen zijn metrologische eigenschappen niet beïnvloed worden Aanwijsinrichting De meetinstallatie moet uitgerust zijn met een aanwijsinrichting die de volumes of de massa's aanwijst. Indien de aanwijzingen van de eenheidsprijs en van de totaalprijs aanwezig zijn, moeten ze eveneens onderworpen worden aan een controle van wettelijke metrologie. De massa mag slechts uitgedrukt worden in ton, kilogram of gram. Het symbool van de eenheid moet naast de aanwijzing afgebeeld zijn. De decimalen moeten door een komma op een duidelijke en ondubbelzinnige manier van de eenheden gescheiden zijn. De afleeseenheid van een elektronische aanwijsinrichting, de volumeaanwijsinrichtingen, de aanwijsinrichtingen van eenheidsprijs en te betalen bedrag moeten voldoen aan de voorschriften gegeven in bijlage I. Het veranderen van de eenheidsprijs kan direct op het instrument zelf of door randapparatuur uitgevoerd worden. Het instrument moet zodanig ontworpen zijn dat de éénheidsprijs slechts kan veranderd worden als het instrument niet in werking is. Bovendien moeten minstens 5 seconden verlopen voor het begin van een volgende levering (in gang zetten van de pomp). In het geval van directe verkoop aan het publiek mag de verlopen tijd, vóór er een werkelijke waarde op de aanwijsinrichting verschijnt, niet groter zijn dan 500 milliseconden Voeding In het geval de vloeistofstroming niet wordt onderbroken tijdens een algemene elektrische voedingsspanningonderbreking, moet de meetinstallatie gevoed worden met een elektrische noodvoeding ten einde alle telfuncties te verzekeren In alle andere gevallen kunnen ofwel de schikkingen van geëerbiedigd worden, ofwel moeten de gegevens aanwezig op het ogenblik van de voedingsspanningsonderbreking

66 voldoende lang opgeslagen worden en afleesbaar zijn op een aanwijsinrichting onderworpen aan een controle van wettelijke metrologie, ten einde de aan de gang zijnde transactie te kunnen afsluiten. De absolute waarde van de maximale toegelaten fout op het aangewezen volume wordt in dit geval vermeerderd met 5 % van de minimale afleveringshoeveelheid. Voor de meetinstallaties langs de weg is de minimale duur van de aanwijzing na de voedingsspanningsonderbreking: - ofwel 15 minuten ononderbroken, - ofwel 5 minuten in één of meer perioden, manueel gestuurd gedurende een uur na de onderbreking. Nota: dit voorschrift is enkel van toepassing wanneer het instrument gedurende de 12 uren voorafgaand aan de voedingsspanningsonderbreking normaal gevoed was. De meetinstallaties langs de weg moeten op een zodanige wijze ontworpen zijn dat het onmogelijk is de onderbroken levering verder te zetten bij de terugkeer van de voedingsspanning na een onderbreking van meer de 15 seconden Randapparatuur Alle randapparatuur waarvan de hoofdfunctie niet tot doel heeft een aanwijzing te geven die als bewijs tussenkomt in de transacties zijn niet aan de controle onderworpen. In dit geval moet op die randapparatuur of op iedere afdruk een duidelijk en ondubbelzinnige vermelding voorkomen aantonend dat deze informatie niet onderworpen is aan de controles van de Algemene Inspectie van de Metrologie. 5. Controle-inrichtingen De elektronische inrichtingen moeten voorzien zijn van controle-inrichtingen. Die controleinrichtingen moeten conform zijn aan de volgende voorschriften : 5.1. Actie van de controle-inrichtingen De detectie van een beduidende fout door de controle-inrichtingen moet zich, naargelang hun type, uiten in de volgende acties : Niet automatische controle-inrichtingen (N) : een door de operator zichtbaar of hoorbaar alarm Intermitterende (I) of permanente (P) controle-inrichtingen : a) voor de onderbreekbare meetinstallaties en in het bijzonder de meetinstallaties langs de weg - automatische correctie van de afwijking of de fout, of - alleen stoppen van de defecte inrichting indien de meetinstallatie zonder die inrichting conform blijft aan de reglementering, of - stoppen van de meetinstallatie en een voor de gebruiker zichtbaar of hoorbaar alarm (met behoud van de aanwijzing); b) voor de niet-onderbreekbare meetinstallaties - automatische correctie van de afwijking of de fout, of - alleen stoppen van de defecte inrichting indien de meetinstallatie zonder die inrichting conform blijft aan de reglementering en dit stoppen aangeven, of 66

67 - een voor de operator zichtbaar of hoorbaar alarm geven en blokkering of zo mogelijk uitdoving van de aanwijzingen; het alarm moet blijven bestaan tot zijn oorzaak wordt opgeheven. Bovendien moet in de meetinstallatie de gegevensoverdracht onderbroken worden of vergezeld zijn van een boodschap die de aanwezigheid van de afwijking signaleert. Bovendien mag een meetinstallatie, welke niet gebruikt wordt voor directe verkoop aan het publiek, voorzien zijn van inrichtingen die toelaten de hoeveelheid van de doorgestroomde vloeistof gedurende de afwijking of de fout te evalueren. De uitslag van die evaluatie mag niet verward worden met een aanwijzing onderworpen aan de controle van de wettelijke metrologie. c) De meetinstallaties moeten voorzien zijn van een inrichting welke toelaat de informatie van het getotaliseerde volume, opgeslagen in de elektronische inrichting, op te zoeken wanneer de beduidende afwijking optreedt Controle-inrichtingen van de meetomvormer Het doel van deze controle-inrichtingen is de aanwezigheid van de omvormer, zijn goede werking en de geldigheid van de gegevensoverdracht te controleren. Wanneer ondermeer de signalen afkomstig van de debietopnemer bestaan uit impulsen, die ieder een elementair volume vertegenwoordigen, moet tenminste voldaan zijn aan het zekerheidsniveau B gedefinieerd in de ISO-norm 6551, "Systèmes de transmission de données par câbles, sous forme d'impulsions électriques et/ou électroniques". Deze controle-inrichtingen moeten van het niveau P zijn en de controle moet uitgevoerd worden in tijdsintervallen ten hoogste gelijk aan de tijdsduur van de meting van een hoeveelheid gelijk aan de absolute waarde van de maximale toegelaten fout op de minimale aflevering. De werking van deze controle-inrichtingen moet duidelijk kunnen vastgesteld worden bij de 1ste ijk, bijvoorbeeld: - door afschakelen van de omvormer, - door onderbreking van één van de impulsbronnen van de opnemer, - door onderbreking van de voedingsspanning van de omvormer. Enkel voor de elektromagnetische vloeistofmeters, waarbij de amplituden van de signalen opgewekt door de meetomvormer evenredig zijn met het debiet, kan de volgende procedure gebruikt worden : een gesimuleerd signaal, gelijkvormig met het meetsignaal overeenstemmend met een debiet gelegen tussen Qmax en Qmin van de meter, wordt aan de ingang van de bijkomende inrichting gelegd. De overeenstemmende numerieke waarde moet gecontroleerd worden om zich er van te verzekeren dat zij zich tussen de vooropgestelde limieten bevindt. Deze controle-inrichtingen moeten van het type P of I zijn. In het laatste geval moeten de controles zich met tijdsintervallen van hoogstens 5 minuten voordoen. Indien deze procedure gebruikt wordt zijn bijkomende controle-inrichtingen (meer dan 2 elektroden, dubbele overdracht, enz...) niet vereist Controle-inrichtingen van de rekeneenheid Het doel van deze controle-inrichtingen is de werking van de rekeneenheid te controleren en zich te verzekeren van de geldigheid van de uitgevoerde berekeningen. 67

68 68 Om de werking van die controle-inrichtingen duidelijk vast te stellen wordt geen bijzonder middel geëist De controle van de werking van de rekeneenheid moet van het niveau P of I zijn. In dit laatste geval moet de controle tenminste één keer gebeuren of voor andere meetinstallaties dan meetinstallaties langs de weg om de 5 minuten. Het doel van die controle is te controleren dat : a) de waarden van alle in een vast geheugen opgeslagen instructies en gegevens correct zijn; de middelen kunnen bijvoorbeeld zijn : - optelling van alle instructiecodes en gegevens, vergelijking van het totaal met een vaste waarde, - pariteitsbits van rijen en van kolommen (LRC en VRC), - periodieke controle van redundantie (CRC), - dubbele opslag van de gegevens, - opslag van de gegevens in "veiligheidscode", bijvoorbeeld met bescherming door controleoptelling, pariteitsbits van rijen en van kolommen; b) alle procedures van interne overdracht en opslag van de meetresultaten correct uitgevoerd zijn; de middelen kunnen bijvoorbeeld zijn : - schrijf/lees routine, - omzetting en terug omzetting van de codes, - gebruik van een "veiligheidscode" (controleoptelling, pariteitsbit), - dubbele opslag De controle van de geldigheid van de uitgevoerde berekeningen moet van niveau P zijn. Ze bestaat in het controleren van de correcte waarde van al de meetgegevens telkens ze intern opgeslagen worden, of doorgestuurd worden naar randapparatuur door middel van een interface; de middelen kunnen bijvoorbeeld zijn : pariteitsbit, controleoptelling, dubbele opslag. Daarenboven moet het rekensysteem uitgerust zijn met een "waakhondschakeling" of een ander gelijkwaardig controlemiddel Controle-inrichting van de aanwijsinrichting Het doel van die controle-inrichting is te controleren dat het zichtbaar maken van de waarden onderworpen aan een controle van wettelijke metrologie, uitgevoerd wordt en overeenstemt met de gegevens afgeleverd door de rekeneenheid. Bovendien heeft zij ook tot doel de aanwezigheid van de aanwijscomponenten te controleren indien deze verwijderbaar zijn. De controle-inrichting van de aanwijsinrichting van de meetinstallaties langs de weg moet conform zijn aan en moet ook voorzien zijn van een visuele controle samengesteld uit de 3 volgende fazen die tenminste ieder 1 seconde moeten duren : - het aanwijzen van alle elementen (de 8-test), - de uitdoving van alle elementen (de blanco-test), - het aanwijzen van alle nullen. Voor de andere typen meetinstallaties moet ze conform zijn aan ofwel punt ofwel punt Ze moet van het P-niveau zijn; ze kan van het I-niveau zijn indien de aanwijzing onderworpen aan een controle van wettelijke metrologie een tweede keer aanwezig is op de meetinstallatie of indien de aan controle onderworpen aanwijzing gemakkelijk kan

69 teruggevonden worden met behulp van andere aanwijzingen onderworpen aan controle van wettelijke metrologie (bijvoorbeeld bij een benzinepomp is het mogelijk de te betalen prijs te berekenen met behulp van het volume en de eenheidsprijs, terwijl men in andere gevallen kan steunen op een tweede aanwijzing onderworpen aan een controle van wettelijk metrologie en voorkomend op een beveiligde afdrukinrichting). De middelen kunnen bijvoorbeeld zijn : - het meten van de stroom in de segmenten bij aanwijsinrichtingen met gloeidraden of diodes, - het meten van de roosterspanning bij luchtledige fluoraanwijsinrichtingen, - het meten van de stroom in de spoelen bij aanwijsinrichtingen met elektromagnetische luiken. - bij aanwijsinrichtingen met multiplex vloeibare kristallen, een controle op de uitgangsstuurspanningen van de segment-lijnen en van de gemeenschappelijke elektroden zodanig dat elke onderbreking of kortsluiting tussen deze stuurschakelingen vastgesteld wordt De controle-inrichting van de aanwijsinrichting bevat : a) een controle van niveau P van de geldigheid van de gegevensoverdracht tussen de rekeneenheid en de aanwijsinrichting. De middelen kunnen bijvoorbeeld zijn : een beveiligd overdrachtsprotocol met terugmelding van de goede ontvangst van de overgedragen gegevens of de herlezing ervan door de rekeneenheid, b) een controle van niveau I van de aanwezigheid van de aanwijscomponenten indien ze verwijderbaar zijn, c) een visuele controle van niveau N van de correcte werking van de aanwijscomponenten door alle mogelijke waarden voor ieder aanwijselement te tonen De werking van de controle-inrichting van de aanwijsinrichting moet kunnen aangetoond worden bij de ijking: - ofwel door het loskoppelen van de gehele aanwijsinrichting of een gedeelte ervan, - ofwel door een handeling die een aanwijzingsfout simuleert, zoals de bediening van een testknop Controle-inrichtingen voor de randapparatuur onderworpen aan een controle van wettelijke metrologie Randapparatuur welke aanwijzingen, onderworpen aan een controle van wettelijke metrologie, aflevert, moet een controle-inrichting bevatten van het niveau I of P. Het doel van deze controle-inrichting is de aanwezigheid van deze randapparatuur te controleren, indien deze werkelijk nodig is, en de gegevens verstuurd door de rekeneenheid te bekrachtigen. Bovendien moet randapparatuur, welke berekeningen maakt, voorzien zijn van controleinrichtingen conform aan punt 5.3. Het controlesysteem van de afdrukinrichting van niveau P bevat : a) een controle op de geldigheid van de gegevensoverdracht van de rekeneenheid naar de afdrukinrichting. De middelen kunnen bijvoorbeeld zijn: een beveiligd overdrachtsprotocol met terugmelding van de goede ontvangst van de overgedragen gegevens of de herlezing ervan door de rekeneenheid, b) een controle op de aanwezigheid van het papier. 69

70 5.6. Controle-inrichtingen betreffende de aangekoppelde meetinstrumenten De aangekoppelde meetinstrumenten moeten voorzien zijn van controle-inrichtingen van niveau P. Het doel van deze controle-inrichting is te verzekeren dat het signaal afgeleverd door deze aangekoppelde meetinstrumenten binnen een vooraf bepaald waardengebied ligt. 6. Correctie-inrichtingen De meters mogen voorzien worden van correctie-inrichtingen; deze inrichtingen worden altijd beschouwd als integrerend deel uitmakend van de meter. Alle voorschriften betreffende de meter zijn dus van toepassing, in het bijzonder de vastgestelde maximale toegelaten fouten op het gecorrigeerde volume (in de meetomstandigheden). In normale werking moet er geen aanwijzing zijn van het niet gecorrigeerde volume. Het doel van de correctie-inrichtingen is de fout van een meter zo dicht mogelijk bij nul te brengen. Het is verboden deze inrichtingen te gebruiken voor het afstellen van de meterfouten op andere waarden dan nul, zelfs indien deze waarden binnen de maximale toegelaten foutgrenzen vallen. Al de ongemeten parameters nodig voor de correctie moeten aanwezig zijn in de rekeneenheid bij het begin van de meetverrichting. Het moet mogelijk zijn om ze zichtbaar te maken of ze af te drukken vanaf deze rekeneenheid. De correctie-inrichtingen voor de meterdrift (in functie van de tijd of het doorgestroomde volume) zijn verboden. De eventuele aangekoppelde meetinstrumenten moeten conform zijn aan de van kracht zijnde normen. Hun juistheid moet voldoende zijn opdat de metervoorschriften geëerbiedigd worden. NOTA: het is niet mogelijk maximale toegelaten fouten op een algemene wijze vast te leggen voor de meetinstrumenten waaraan correctie-inrichtingen gekoppeld zijn, omdat de noodzakelijke juistheid van deze meetinstrumenten afhangt van de meterkarakteristieken. De aangekoppelde meetinstrumenten moeten voorzien zijn van controle-inrichtingen conform aan punt Omzettingsinrichtingen 7.1. Indien een meetinstallatie voorzien is van omzettingsinrichtingen zijn de volgende voorschriften van toepassing De berekening van de omzettingsfactor moet worden uitgevoerd volgens normen of andere methoden aangenomen door de Algemene Inspectie van de Metrologie In principe moeten de karakteristieke grootheden van de gemeten vloeistof die in de omzettingsformules voorkomen, gemeten worden met aangekoppelde meetinstrumenten. Nochtans moeten sommige van deze grootheden waarvan de invloed op de omzettingsfactor 70

71 verwaarloosbaar is (kleiner dan een tiende van de maximaal toegelaten fout), niet gemeten worden. Aldus is het bijvoorbeeld in vele gevallen mogelijk een omzetting naar een volume bij basisvoorwaarden uit te voeren door enkel de temperatuur te meten vanaf het ogenblik waarop de druk en de volumieke massa weinig veranderen De aangekoppelde meetinstrumenten moeten conform zijn aan de van kracht zijnde normen. Bovendien zijn de maximaal toegelaten fouten voor deze instrumenten de volgende: - temperatuurmetingen : 0,5 C; - drukmetingen : - kleiner dan 1 MPa (< 10 bar) : 50 kpa ( 0,5 bar), - tussen 1 en 4 MPa (10 40 bar) : 5 %, - groter dan 4 MPa (> 40 bar) : 2 bar; - volumieke massa metingen : 1 kg/m³ De aangekoppelde meetinstrumenten moeten in de nabijheid van de meter worden geïnstalleerd ten einde op een voldoende juiste manier de betreffende grootheden, zoals ze in de meter voorkomen, te bepalen. De verschillen in de aanwijzing te wijten aan de plaats van de meetpunten mogen niet groter zijn dan 0,2 keer de maximaal toegelaten fout van de meetinstallatie. Onder voorbehoud van het naleven van dit voorschrift, is het toegelaten identieke aangekoppelde meetinstrumenten te gebruiken om omzettingen (en correcties) uit te voeren voor meerdere meters. Deze instrumenten mogen de goede werking van de meter(s) niet beïnvloeden. NOTA: deze voorschriften worden door berekening gecontroleerd Alle niet gemeten parameters nodig voor de omzetting moeten aanwezig zijn in de rekeneenheid bij het begin van de meetverrichting. Het moet mogelijk zijn om ze af te drukken of ze zichtbaar te maken vanaf deze rekeneenheid De meetinstallatie moet voorzien worden (buiten de volumeaanwijsinrichting bij meetomstandigheden) van een volume- of massa-aanwijsinrichting bij basisvoorwaarden Buiten het volume bij meetomstandigheden en het volume bij basisvoorwaarden of de massa, die aangewezen moeten worden, moeten de waarden van de andere gemeten grootheden (volumieke massa, druk, temperatuur) toegankelijk zijn De afleeseenheden van de aanduiding van de volumieke massa, druk en temperatuur mogen hoogstens gelijk zijn aan een vierde van de maximale toegelaten fouten voor de aangekoppelde meetinstrumenten bepaald in punt 7.4. Wanneer het volume bij basisvoorwaarden wordt aangewezen, moeten deze basisvoorwaarden duidelijk in de nabijheid van het meetresultaat worden vermeld onder de vorm van : t b =... C (of K), P b =... MPa (of kpa of Pa of bar).

72 7.10. Het is toegelaten één enkele aanwijzing te gebruiken voor de aanwijzing van het volume bij meetvoorwaarden en het volume bij basisvoorwaarden of de massa op voorwaarde dat de aard van de aangewezen grootheid volkomen duidelijk is. 8. Maximaal toegelaten fouten Indien de rekeneenheden het voorwerp zijn van een afzonderlijke controle, zijn hun maximaal toegelaten fouten gelijk aan één tiende van de maximaal toegelaten fout van de gehele meetinstallatie. Evenwel is de maximaal toegelaten fout nooit kleiner dan een halve afleeseenheid. Voor randapparatuur zoals afdrukinrichtingen en herhalingsaanwijsinrichtingen, moet het verschil tussen de aanwijzing van deze inrichtingen en de hoofdaanwijsinrichting kleiner zijn dan een halve afleeseenheid. 9. Geheugeninrichtingen 9.1. De meetinstallaties kunnen voorzien zijn van een geheugeninrichting bestemd voor het opslaan van de meetresultaten tot hun verwerking of om bij betwisting een betrouwbaar spoor van de handelsverrichtingen na te laten. De geheugeninrichtingen bevatten ook de inrichtingen nodig voor het herlezen van de opgeslagen informatie De drager waarop de gegevens opgeslagen zijn moet lang genoeg bestaan zodat deze gegevens niet wijzigen wanneer normale maatregelen genomen zijn om deze drager in stand te houden Het opslaan moet op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat het onmogelijk is de opgeslagen informatie te wijzigen De geheugeninrichtingen moeten voorzien zijn van controle-inrichtingen conform aan punt 5.5. Het doel van deze controle-inrichtingen is te verzekeren dat de opgeslagen data overeenkomen met de data verzonden door de rekeneenheid en dat de weergegeven data overeenkomen met de opgeslagen data. 10. Verandering van eenheidsprijs Het veranderen van de eenheidsprijs kan direct op het instrument zelf of door randapparatuur uitgevoerd worden. Het instrument moet zodanig ontworpen zijn dat de eenheidsprijs slechts kan gewijzigd worden wanneer het instrument niet in werking is. Bovendien moeten minstens 5 seconden verlopen vóór het begin van een volgende levering behalve wanneer het veranderen van de eenheidsprijs verbonden is met het veranderen van het product. 11. Modelgoedkeuring Documentatie Buiten de documentatie geëist in artikel 2, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 20 december 1972 houdende gedeeltelijke inwerkingtreding van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, meetstandaarden en meetwerktuigen, en tot vastelling van de toepassingsmodaliteiten van hoofdstuk II van deze wet, over de meetwerktuigen, moet de aanvraag tot modelgoedkeuring bevatten: 72

73 - een functionele beschrijving van de werking van de verschillende elektronische inrichtingen en de controle-inrichtingen, - een blokschema met verklaring van de werking van de elektronische inrichtingen en van de controle-inrichtingen. Tengevolge van de snelle evolutie van de technologieën moeten de lijst van de elektronische componenten alsook de listings van het programma slechts ter illustratie gegeven worden. Elke vervanging van een element of van een component mag geen verslechtering van de prestaties van de elektronische inrichtingen veroorzaken. Bovendien moet de aanvraag vergezeld zijn van ieder document of bewijs dat aantoont dat het ontwerp en de constructie van de elektronische inrichting voldoet aan de vereisten van deze bijlage en in het bijzonder aan haar punt Algemene vereisten Het modelgoedkeuringsonderzoek moet normaal uitgevoerd worden op een eenheid representatief voor het definitieve model. De elektronische inrichting wordt onderworpen aan de volgende proeven en onderzoeken : Conceptieonderzoek Vertrekkend van de documenten heeft dit onderzoek tot doel na te gaan of de conceptie van de elektronische inrichtingen en van hun controle-inrichtingen voldoet aan de punten 4 en 5. Het houdt ondermeer in : a) een onderzoek naar de constructiekarakteristieken en naar de gebruikte elektronische deelinrichtingen en componenten, ten einde zich te verzekeren van hun geschiktheid voor de voorziene aanwending; b) het in beschouwing nemen van elke afwijking die zou kunnen voorkomen ten einde zich ervan te verzekeren dat in alle gevallen deze inrichtingen voldoen aan de voorschriften van punt 5; c) het controleren van het bestaan en van de doeltreffendheid van de testinrichting(en) van de controle-inrichtingen. De elektronische inrichtingen moeten onderzocht worden ten einde zich te verzekeren van de kwaliteit van hun constructie en van de correcte uitvoering van de verbindingen en van de uitwendige aansluitingen Prestatieproeven Deze proeven hebben tot doel na te gaan of de meetinstallatie uitgerust met elektronische inrichtingen voldoet aan de vereisten van de punten 3.1. en 3.2. wat betreft de invloedsgrootheden. Deze proeven zijn vastgelegd in punt 13. a) Prestaties bij onderwerping aan invloedsgrootheden. Wanneer de uitrusting onderworpen wordt aan de invloed van de invloedsgrootheden voorzien in punt 13, moet zij correct blijven werken zonder overschrijding van de maximaal toegelaten fouten voorzien in punt 8. b) Prestaties bij onderwerping aan storingen. Wanneer de uitrusting onderworpen wordt aan de uitwendige storingen voorzien in punt 13, moet ze correct blijven werken of iedere beduidende afwijking opsporen en signaleren. 73

74 Wanneer de meetinstallatie niet-onderbreekbaar is, mag er zich evenwel geen beduidende afwijking voordoen Aan de proeven onderworpen inrichting De proeven gebeuren op de volledige elektronische inrichting wanneer haar afmetingen en bouw het toelaten. In het tegenovergestelde geval moeten de elektronische inrichtingen afzonderlijk onderworpen worden aan de proeven onder de vorm van een uitrusting samengesteld uit de volgende inrichtingen : - meetomvormer, - rekeneenheid, - aanwijsinrichting, - voeding, - in voorkomend geval, de correctie-inrichting. Deze uitrusting moet onderdeel uitmaken van een simulatieinrichting die representatief is voor de normale werking van de meetinstallatie. Het bewegen van de vloeistof kan bijvoorbeeld gesimuleerd worden door een aangepaste inrichting. De rekeneenheid moet in haar definitieve bekleding ingebouwd zijn. In alle gevallen mag de randapparatuur afzonderlijk getest worden. 12. Eerste ijk *** bijgevoegd door KB BS *** De eerste ijk van de elektronische inrichtingen moet een procedure omvatten die toelaat de aanwezigheid en de werking van de controle-inrichtingen door middel van de testinrichtingen, vastgelegd in punt 5, te controleren. Deze procedures zullen gedetailleerd worden in het modelgoedkeuringsdossier van de elektronische inrichting ingebouwd of toegevoegd aan de meetinstallaties en gedeeltelijke meetinstallaties voor vloeistoffen andere dan water. 13. Prestatieproeven Algemeenheden Dit punt definieert het programma met de prestatieproeven om er zich van te verzekeren dat de elektronische inrichtingen de prestaties kunnen leveren en de werkingskwaliteiten kunnen bezitten voorzien binnen de omschreven omgeving en omstandigheden. Iedere proef beschrijft in voorkomend geval de referentievoorwaarden waarin de intrinsieke fout bepaald wordt. Wanneer het effect van een invloedsgrootheid geëvalueerd wordt, moeten alle andere invloedsgrootheden ongeveer constant gehouden worden op waarden zo dicht mogelijk bij de referentievoorwaarden Gestrengheidsniveau Voor iedere prestatieproef zijn typische onderzoekingsvoorwaarden vermeld overeenstemmend met klimatologische en mechanische omgevingsomstandigheden waaraan de meetinstallaties normaal zijn onderworpen. 74

75 Naargelang hun klimatologische en mechanische omgevingsomstandigheden zijn de meetinstallaties in 3 klassen verdeeld : - klasse B : instrumenten vast opgesteld binnen een gebouw; - klasse C : instrumenten vast opgesteld in open lucht; - klasse I : mobiele instrumenten, in het bijzonder de meetinstallaties gemonteerd op tankwagens. Niettemin kan de aanvrager van de modelgoedkeuring, in functie van het toekomstig gebruik van het instrument, bijzondere omgevingsomstandigheden definiëren. In dit geval voert de Algemene Inspectie van de Metrologie de prestatieproeven met gestrengheidsniveaus uit overeenstemmend met deze omgevingsomstandigheden. Indien de modelgoedkeuring afgeleverd wordt zal de identificatieplaat van het instrument de overeenstemmende gebruiksgrenzen vermelden. De fabrikanten moeten de eventuele kopers wijzen op de gebruiksvoorwaarden waarvoor het instrument is goedgekeurd. De Algemene Inspectie van de Metrologie zal in het bijzonder toezien op het eerbiedigen van de gebruiksvoorwaarden Referentievoorwaarden - Omgevingstemperatuur : 15 C - 25 C. - Relatieve vochtigheid : 45 % - 75 %. - Atmosferische druk : 86 kpa kpa. - Voedingsspanning : nominale spanning. - Voedingsfrequentie : normale frequentie. Tijdens iedere proef mag de temperatuur hoogstens met 5 C en de relatieve vochtigheid hoogstens met 10% variëren binnen het referentiegebied Prestatieproeven Proef Droge warmte Koude Cyclisch onderzoek in vochtige warmte Sinusoïdale trillingen Voedingsspanningsvariaties Korte voedingsspanningsonderbrekingen Spanningspieken Elektrostatische ontladingen Elektromagnetische straling Invloedsfactor Invloedsfactor Invloedsfactor Invloedsfactor Invloedsfactor Storing Storing Storing Storing Aard van de invloedsgroothe B a+1b 2 1 2, 5, 7 Gestrengheidsniveau voor de klasse (*) C I a+1b 2 1 2, 5, a+1b 2 1 2, 5, 7 (*) : Referentie : Internationaal Document nr 11 " Exigences générales pour les instruments de mesure électroniques " van de Organisation internationale de métrologie légale Droge warmte Onderzoekingsmethode : droge warmte (zonder condensatie-vorming).

76 Doel van het onderzoek : de conformiteit aan de vereisten van punt 3.1. in de omstandigheden van hoge temperatuur controleren. Referenties : Publicatie CEI , vierde editie, 1974, Fundamentele klimatologische en mechanische weerstandsproeven, tweede gedeelte, proeven, Bd proef: droge warmte voor een IOP (voorbeeld) die energie dissipeert met langzame temperatuursverandering. De basisinlichtingen betreffende de droge warmteproeven worden gegeven in de publicatie CEI , eerste uitgave, 1974 en eerste toevoeging A, 1978, deel 3 : Basisinformatie, sectie één : koude- en droge warmteproeven. De algemene basisinlichtingen betreffende de fundamentele klimatologische en mechanische weerstandsproeven zijn vermeld in de publicatie CEI 68-1, vierde uitgave, Onderzoekingsprocedure in het kort. De proef bestaat in het blootstellen van de IOP aan een temperatuur van 55 C (klasse C of I) of 40 C (klasse B) in "kalme luchtomstandigheden" gedurende 2 uur, nadat de IOP op temperatuur is gestabiliseerd. De IOP moet ten minste op één debiet (of een gesimuleerd debiet) beproefd worden : - op de referentietemperatuur van 20 C na stabilisatie; - op de temperatuur van 55 of 40 C, twee uren na temperatuursstabilisatie; - terug op de referentietemperatuur van 20 C. Gestrengheid van de proef. 1) Temperatuur : gestrengheidsniveau 2 : 40 C; gestrengheidsniveau 3 : 55 C. 2) Duur van de proef : 2 uur. Aantal proefcycli : één cyclus. Alle functies moeten werken zoals voorzien. Alle aanwijzingen moeten binnen de maximaal toegelaten fouten zijn zoals vermeld in punt 8 van deze bijlage Koude Onderzoekingsmethode : koude. Doel van het onderzoek : de conformiteit aan de vereisten van punt 3.1. in de omstandigheden van lage temperatuur controleren. Referenties : Publicatie CEI , vierde editie, 1974, Fundamentele klimatologische en mechanische weerstandsproeven, tweede gedeelte, proeven, Ad proef : koude, voor een IOP (voorbeeld) die energie dissipeert met langzame temperatuursverandering. De basisinlichtingen betreffende de koudeproeven worden gegeven in de publicatie CEI , eerste uitgave, 1974 en eerste toevoeging A, 1978, deel 3 : Basisinformatie, sectie één : koude- en droge warmteproeven. De algemene basisinlichtingen betreffende de fundamentele klimatologische en mechanische weerstandsproeven zijn vermeld in de publicatie CEI 68-1, vierde uitgave,

77 Onderzoekingsprocedure in het kort. De proef bestaat in het blootstellen van de IOP aan een temperatuur van - 25 C (klasse C of I) of -10 C (klasse B) in "kalme luchtomstandigheden" gedurende twee uur, nadat de IOP op temperatuur is gestabiliseerd. De IOP moet ten minste op één debiet (of een gesimuleerd debiet) beproefd worden: - op de referentietemperatuur van 20 C, na stabilisatie; - op de temperatuur van - 25 C of - 10 C, twee uur na temperatuursstabilisatie; - terug op de referentietemperatuur van 20 C. Gestrengheid van de proef. 1) Temperatuur : gestrengheidsniveau 2 : - 10 C; gestrengheidsniveau 3 : - 25 C. 2) Duur van de proef : 2 uur. Aantal proefcycli : één cyclus. Alle functies moeten zoals voorzien werken. Alle aanwijzingen moeten binnen de maximale toegelaten fouten zijn zoals vermeld in punt 8 van deze bijlage Cyclisch onderzoek in vochtige warmte Onderzoekingsmethode : cyclische proef in vochtige warmte (met condensatievorming). Doel van het onderzoek : de conformiteit aan de vereisten van punt 3.2. in de omstandigheden van hoge vochtigheid samen met cyclische veranderingen van temperatuur controleren. Referenties : Publicatie CEI , tweede editie, 1980, Fundamentele klimatologische en mechanische weerstandsproeven, tweede gedeelte, proeven, Db proef : cyclische proef in vochtige warmte (cyclus van uur), variante 1. De basisinlichtingen betreffende de vochtige warmteproeven zijn gegeven in publicatie CEI : richtlijn voor de proeven in vochtige warmte, tweede editie, Onderzoekingsprocedure in het kort. De proef bestaat in het blootstellen van de IOP aan cyclische temperatuurveranderingen tussen 25 C en de hogere temperatuur van 55 C (klasse C of I) of 40 C (klasse B), waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft boven 95 % gedurende de temperatuursveranderingen en op 93 % gedurende de blootstelling aan de hogere temperatuur. De condensatievorming op de IOP zou zich moeten voordoen tijdens de stijging van de temperatuur. De normale stabilisatietijd vóór en na blootstelling aan cyclische veranderingen is gespecificeerd in de publicatie CEI Het instrument staat niet onder spanning tijdens de blootstelling aan de invloedsfactor. Gestrengheid van de proef. 1) Maximale temperatuur : gestrengheidsniveau 1 : 40 C; 77

78 78 gestrengheidsniveau 2 : 55 C. 2) Vochtigheid : > 93 %. 3) Duur van de proef : 24 uur. Aantal proefcycli : twee cycli. Na blootstelling aan de invloedsfactor en na herneming moeten : - alle functies normaal werken zoals voorzien, - alle fouten binnen de maximaal toegelaten grenzen liggen zoals vermeld in punt 8 van deze bijlage Trillingen Onderzoekingsmethode : Sinusoïdale trillingen. Doel van het onderzoek : de conformiteit aan de vereisten van punt 3.2. bij sinusoïdale trillingsvoorwaarden controleren. Dit onderzoek is normaal slechts van toepassing voor mobiele meetinstallaties. Referenties : Publicatie CEI , vijfde editie, 1982, Fundamentele klimatologische en mechanische weerstandsproeven, tweede gedeelte, proeven, Fc proef : trillingen (sinusoïdale). Onderzoekingsprocedure in het kort. De IOP moet beproefd worden, het omschreven frequentiebereik doorlopend met een frequentieverandering van 1 octaaf/minuut, op het omschreven versnellingniveau en met een welomschreven aantal cycli per asrichting. De IOP, normaal bevestigd op een stevig onderstel, moet beproefd worden volgens zijn drie voornaamste onderling loodrecht op elkaar staande asrichtingen. Hij moet normaal op een zodanige wijze opgesteld zijn dat het effect van de zwaartekracht in dezelfde richting werkt als in normale opstelling. Het instrument is niet in werking tijdens de blootstelling aan de invloedsfactor. Gestrengheid van de proef. 1) Frequentiebereik : Hz. 2) Maximaal versnellingsniveau : 10 m.s -2. Aantal proefcycli : 20 cycli per asrichting. Na blootstelling aan de invloedsfactor en na herneming moeten : - alle functies normaal werken zoals voorzien, - alle fouten binnen de maximaal toegelaten grenzen liggen, zoals vermeld in punt 8 van deze bijlage Voedingsspanningsvariaties Onderzoekingsmethode : voedingsspanningsvariaties bij wisselspanning (éénfasig). Doel van het onderzoek : de conformiteit aan de vereisten van punt 3.1. controleren bij voedingsspanningsvariaties bij wisselspanning. Referenties :

79 geen enkele verwijzing naar een internationaal aangenomen norm kan op dit ogenblik gegeven worden. Onderzoekingsprocedure in het kort. Het onderzoek bestaat in het blootstellen aan voedingsspanningsvariaties van de IOP werkend in normale atmosferische omstandigheden. Gestrengheid van de proef. Voedingsspanning : - bovengrens : V(nom) + 10%; - benedengrens : V(nom) - 15%. Aantal proefcycli : één cyclus. Alle functies moeten werken zoals voorzien. Alle aanwijzingen moeten binnen de maximaal toegelaten fouten zijn zoals vermeld in punt 8 van deze bijlage Korte voedingsspanningsonderbrekingen Onderzoekingsmethode : kortstondige onderbrekingen of verminderingen van de voedingsspanning. Doel van het onderzoek : de conformiteit met de vereisten van punt 3.2. controleren bij kortstondige onderbrekingen of verminderingen van de voedingsspanning. Referenties. Geen enkele verwijzing naar een internationaal aangenomen norm kan op dit ogenblik gegeven worden. Onderzoekingsprocedure in het kort. Het onderzoek bestaat in het onderwerpen van de IOP aan het onderbreken van de nominale spanning gedurende een tijd gelijk aan een halve periode van de frequentie en het verminderen met 50% van de nominale spanning gedurende een tijd gelijk aan één periode van de frequentie. De onderbrekingen en de verminderingen van de voedingsspanning moeten minstens 10 maal herhaald worden met een interval van ten minste 10 seconden, gedurende een levering of gesimuleerde levering. Gestrengheid van de proef : % spanningsonderbreking gedurende een halve periode % spanningsvermindering gedurende 1 periode. Aantal proefcycli : 10. Maximale toegelaten afwijkingen. Het verschil tussen de volumeaanwijzing tijdens de proef en de volumeaanwijzing bij referentievoorwaarden mag de waarden vermeld in punt 2.12 niet overschrijden. Worden deze waarden toch overschreden, dan moet de controle-inrichting geactiveerd worden zoals beschreven in punt

80 Spanningspieken Onderzoekingsmethode : spanningspieken. Doel van het onderzoek : de conformiteit aan de vereisten van punt 3.2. controleren bij spanningspieken gesuperponeerd op de voedingsspanning. Referentie: Publicatie CEI 801-4, Onderzoekingsprocedure in het kort. Het onderzoek bestaat in het onderwerpen van de IOP aan toevallige spanningspieken met exponentiële opgaande en neergaande flanken. Iedere impuls moet een stijgtijd hebben van 5 ns en een tijdsduur op halve amplitude van 50 ns. De tijdsduur van de spanningspiek moet 15 ms bedragen. Het herhalingsinterval moet 300 ms bedragen. Alle pieken worden symmetrisch en asymmetrisch toegepast. Gestrengheid van de proef. Piekwaarde : 1000 V. Aantal proefcycli. Ten minste 10 positieve en 10 negatieve spanningspieken van 1000 V, met vrij veranderende defasering, moeten toegepast worden. Maximaal toegelaten afwijkingen : dezelfde als in punt Elektrostatische ontladingen Onderzoekingsmethode : elektrostatische ontladingen. Doel van het onderzoek : de conformiteit aan de vereisten van punt 3.2. controleren bij blootstelling aan elektrostatische ontlading. Referenties: Publicatie CEI 801-2, Onderzoekingsprocedure in het kort. Een condensator van 150 pf wordt opgeladen met een aangepaste gelijkstroombron. De condensator wordt daarna doorheen de IOP ontladen door de ene aansluiting van de condensator te verbinden met het geaarde chassis van de IOP en de andere aansluiting, via een weerstand van 150 ohm, met oppervlakken bereikbaar door de operator. Gestrengheid van de proef : 8 kv. Aantal proefcycli. Minstens 10 ontladingen met een tijdsinterval van ten minste 10 seconden moeten worden toegepast gedurende de meting zelf of een gesimuleerde meting. Maximale toegelaten afwijkingen : dezelfde als in Elektromagnetische straling Onderzoekingsmethode : elektromagnetische stralingen.

81 Doel van het onderzoek : de conformiteit aan de vereisten van punt 3.2. controleren bij elektromagnetische straling. Referentie: Publicatie CEI 801-3, Onderzoekingsprocedure in het kort. De IOP wordt blootgesteld aan elektromagnetische stralingen met een veldsterkte omschreven in de gestrengheid van de proef. De omschreven veldsterkte wordt opgewekt voor de IOP aan het stralingsveld onderworpen wordt. De veldsterkte kan op verschillende manieren bekomen worden : - de "STRIPLINE" wordt gebruikt bij lage frequenties (kleiner dan 30 MHz of in bepaalde gevallen kleiner dan 150 MHz) voor de kleine IOP's. - de "LANGE DRAAD" wordt gebruikt bij lage frequenties (kleiner dan 30 MHz) voor grotere IOP's. - de "DIPOOLANTENNES" of "CIRKELVORMIGE POLARISATIEANTENNES", geplaatst op één meter van de IOP, worden gebruikt bij hoge frequenties. Het veld wordt opgewekt uit twee rechthoekige polarisaties terwijl het frequentiebereik langzaam moet doorlopen worden. Indien voor het voortbrengen van het elektromagnetisch veld cirkelvormige polarisatieantennes (logaritmische spiraalantennes of schroefvormige antennes) gebruikt worden, is het niet nodig de positie van de antennes te wijzigen. Wordt de proef uitgevoerd in een afgeschermde kamer, ten einde te voldoen aan de internationale wetten die de interferenties verbieden bij radioverbindingen, moet aandacht worden besteed aan reflexies op de wanden. Een anechoïsche afscherming kan noodzakelijk zijn. Gestrengheid van de proef. Frequentiebereik : MHz 0, Veldsterkte : V/m

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering NLM.doc - 2013-10-15 1 Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Dienst Metrologische Reglementering Koninklijk besluit van 6 april 1979 betreffende meetinstallaties en gedeeltelijke

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering (NTE / 980925) MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Kwaliteit Metrologische Dienst Metrologische Reglementering Reglement gevoegd bij het ministerieel besluit van 22

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering NBR.doc 20000228 MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Dienst Metrologische Reglementering Koninklijk besluit van 12 januari 1976 betreffende

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Reglementering Metrologie Metrologische Reglementering 2 MAART 2007 - Koninklijk besluit tot vaststelling van bijzondere regels inzake de aanduiding van de hoeveelheid

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering Ncg.doc - 2000-03-23 MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Dienst Metrologische Reglementering Reglement gevoegd bij het koninklijk besluit

Nadere informatie

houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de Richtlijnen 75/106/EEG en 76/211/EEG van de Raad in de sector van de voorverpakkingen

houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de Richtlijnen 75/106/EEG en 76/211/EEG van de Raad in de sector van de voorverpakkingen 4. 11. 78 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 311/21 RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE van 28 september 1978 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de Richtlijnen 75/106/EEG

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering (NLR / 16.01.2001) MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Reglementering Koninklijk besluit van 14 april 1977 betreffende de stoffelijke lengtematen

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering K_2010928 / 20101209 Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Reglementering en Controlebeleid Wettelijke Metrologie Metrologische Reglementering 28 SEPTEMBER 2010. - Koninklijk besluit betreffende de installatie

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering Nec.doc - 2002-12-06 MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Reglementering Koninklijk besluit van 6 juli 1981 betreffende de instrumenten bestemd

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering (NRL / 16.01.2001) MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Reglementering Reglement gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 april 1977 betreffende

Nadere informatie

: LANDSBESLUIT, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 17 van de IJkverordening

: LANDSBESLUIT, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 17 van de IJkverordening Intitulé : LANDSBESLUIT, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 17 van de IJkverordening Citeertitel: Lengtematenbesluit Vindplaats : AB 1988 no. 26 Wijzigingen: Geen = 1. Algemene bepalingen

Nadere informatie

Meetvoorwaarden voor productie-installaties met registratie van nuttig aangewende warmte

Meetvoorwaarden voor productie-installaties met registratie van nuttig aangewende warmte Meetvoorwaarden voor productie-installaties met registratie van nuttig aangewende warmte Bijlage 3 behorende bij artikel I, onderdeel O, van de Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw

Nadere informatie

Apparaat voor de wet van Boyle VOS-11002

Apparaat voor de wet van Boyle VOS-11002 Apparaat voor de wet van Boyle VOS-11002 1 2 3 4 5 6 7 HET APPARAAT BESTAAT UIT: 1. Kolom met schaalverdeling en ontluchtingsdop 2. Drukmeter* 3. Ventiel voor aansluiting met pomp (achter drukmeter) 4.

Nadere informatie

Metrologische Reglementering

Metrologische Reglementering OIMLR61N.doc - 2001-02-12 MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN Bestuur Kwaliteit en Veiligheid Afdeling Metrologie Metrologische Dienst Metrologische Reglementering OMZENDBRIEF aan de fabrikanten, de invoerders

Nadere informatie

WATERWERKBLAD. WARMTAPWATERINSTALLATIES Beveiligingen

WATERWERKBLAD. WARMTAPWATERINSTALLATIES Beveiligingen WATERWERKBLAD WARMTAPWATERINSTALLATIES Beveiligingen WB 4.4 B DATUM: SEPT. 2007 Auteursrechten voorbehouden Met betrekking tot de beveiliging van warmtapwaterinstallaties is in NEN 1006 (AVWI-2002) het

Nadere informatie

C.V.I. 5.3 Het meten van relatieve vochtigheid 5.3 HET METEN VAN RELATIEVE VOCHTIGHEID

C.V.I. 5.3 Het meten van relatieve vochtigheid 5.3 HET METEN VAN RELATIEVE VOCHTIGHEID 5 METHODEN VAN ONDERZOEK 5.3 HET METEN VAN RELATIEVE VOCHTIGHEID Auteur: T. van Daal 1987 Bij de conversie naar een elektronisch beschikbaar document zijn er kleine tekstuele en inhoudelijke wijzigingen

Nadere informatie

INSTALLATIES 12 ONAFHANKELIJKHEID VAN EEN ELEKTRISCHE INSTALLATIE TEN OVERSTAAN VAN ANDERE INSTALLATIES

INSTALLATIES 12 ONAFHANKELIJKHEID VAN EEN ELEKTRISCHE INSTALLATIE TEN OVERSTAAN VAN ANDERE INSTALLATIES 9 9.01 ELEKTRISCHE Nominale spanning Elektrische installaties moeten in al hun onderdelen onderworpen en uitgevoerd worden in functie van hun nominale spanning 9.02 Regels van goed vakmanschap gelijkvormigheid

Nadere informatie

Gelet op de artikelen 9 en 14 van het Meetinstrumentenbesluit I en artikel 8 van het Meetinstrumentenbesluit II;

Gelet op de artikelen 9 en 14 van het Meetinstrumentenbesluit I en artikel 8 van het Meetinstrumentenbesluit II; (Tekst geldend op: 14-03-2013) Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 november 2006, nr. WJZ 6098739, houdende regels omtrent de eisen bij het gebruik van in Europese richtlijnen opgenomen

Nadere informatie

Automatische drukverschilregelaar ASV-PV Strangafsluiter ASV-M

Automatische drukverschilregelaar ASV-PV Strangafsluiter ASV-M Automatische drukverschilregelaar ASV-PV Strangafsluiter ASV-M Toepassing ASV-M ASV-PV De ASV-PV wordt toegepast in combinatie met de ASV-M om een constant drukverschil over de strangen te handhaven in

Nadere informatie

TECHNISCHE GEGEVENS doorstromingsgegevens bepaling van de doorstromingsfactor en de doorlaatdiameter

TECHNISCHE GEGEVENS doorstromingsgegevens bepaling van de doorstromingsfactor en de doorlaatdiameter TECHNISCHE GEGEVENS doorstromingegevens bepaling van de doorstromingsfactor en de doorlaatdiameter Bepaling van de grootte van de afsluiters Een goede keuze van de grootte van de afsluiters is belangrijk.

Nadere informatie

BETONSTAAL MECHANISCHE VERBINDINGEN VAN BETONSTAAL

BETONSTAAL MECHANISCHE VERBINDINGEN VAN BETONSTAAL OCBS Vereniging zonder winstoogmerk Keizerinlaan 66 B 1000 BRUSSEL www.ocab-ocbs.com TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN PTV 309 Herz. 0 2014/9 PTV 309/0 2014 BETONSTAAL MECHANISCHE VERBINDINGEN VAN BETONSTAAL HERZIENING

Nadere informatie

Gebruiksaanwijzing. Gasbranders. 057.130.7 Gasbrander zonder vlambeveiliging 057.131.7-057.146.3 Gasbranders met vlambeveiliging.

Gebruiksaanwijzing. Gasbranders. 057.130.7 Gasbrander zonder vlambeveiliging 057.131.7-057.146.3 Gasbranders met vlambeveiliging. Gasbranders Overzicht 057.130.7 gasbrander 20cm, butaan/propaan, 5 kw, zonder vlambeveiliging 057.131.5 gasbrander 30cm, butaan/propaan, 7 kw + vlambeveiliging 057.132.3 gasbrander 40cm, butaan/propaan,

Nadere informatie

Bijzondere bepalingen voor de accreditatie van de keuringsinstellingen erkend voor de herijk van meetinstallaties voor andere vloeistoffen dan water.

Bijzondere bepalingen voor de accreditatie van de keuringsinstellingen erkend voor de herijk van meetinstallaties voor andere vloeistoffen dan water. BELAC 2-405 -LIQ Rev 0-2016 Bijzondere bepalingen voor de accreditatie van de keuringsinstellingen erkend voor de herijk van meetinstallaties voor andere vloeistoffen dan water. De versies van documenten

Nadere informatie

KVBG/ /2002

KVBG/ /2002 Versie 10/2002 KVBG/2000.60.01 Lastenboek voor de controle van de dichtheid van de binneninstallaties voor brandbaar gas lichter dan lucht,verdeeld door leidingen, bij de opening van de gasmeter 1/7 1.

Nadere informatie

Meten is Weten. 1 Inhoud... 1

Meten is Weten. 1 Inhoud... 1 1 Inhoud 1 Inhoud... 1 2 Meten is weten... 2 2.1 Inleiding... 2 2.2 Debieten... 2 2.2.1 Elektromagnetische debietmeters... 4 2.2.2 Coriolis... 4 2.2.3 Vortex... 4 2.2.4 Ultrasoon... 4 2.2.5 Thermische

Nadere informatie

Vo (EG) Nr. 1677/88, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 888/97 en Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 KOMKOMMERS

Vo (EG) Nr. 1677/88, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 888/97 en Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 KOMKOMMERS Vo (EG) Nr. 1677/88, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 888/97 en Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 KOMKOMMERS I. DEFINITIE VAN HET PRODUCT Deze norm heeft betrekking op komkommers van de variëteiten (cultivars)

Nadere informatie

JALOUZIËN. Bedienings- en montagehandleiding

JALOUZIËN. Bedienings- en montagehandleiding Bedienings- en montagehandleiding Woord vooraf Deze handleiding geeft inzicht in de werking, de montage en het onderhoud van de door Geha bv geleverde apparaten. U dient zich tijdens plaatsing en montage

Nadere informatie

Voorbeeld kalibratie procedure voor drukmeters

Voorbeeld kalibratie procedure voor drukmeters Technische Commissie Drukmeting Voorbeeld kalibratie procedure voor drukmeters INHOUD 1 Inleiding 2 2 Uitwerking kalibratieprocedure 3 3 Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie 4 4 Modelcertificaat

Nadere informatie

Uitbating van speelterreinen

Uitbating van speelterreinen FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND & ENERGIE KWALITEIT EN VEILIGHEID Afdeling Veiligheid Dienst Productveiligheid Uitbating van speelterreinen Versie 19/12/2003 Referenties : Koninklijk

Nadere informatie

BIJLAGEN. bij GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) VAN DE COMMISSIE

BIJLAGEN. bij GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) VAN DE COMMISSIE EUROPESE COMMISSIE Brussel, 5.5.2015 C(2015) 2874 final ANNEXES 5 to 10 BIJLAGEN bij GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) VAN DE COMMISSIE houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement

Nadere informatie

Automatische drukverschilregelaar ASV-PV Inregelafsluiter voor hoeveelheidsbegrenzing ASV-I

Automatische drukverschilregelaar ASV-PV Inregelafsluiter voor hoeveelheidsbegrenzing ASV-I Automatische drukverschilregelaar ASV-PV Inregelafsluiter voor hoeveelheidsbegrenzing ASV-I Toepassing ASV-I ASV-PV De ASV-PV wordt toegepast in combinatie met de ASV-I om een constant drukverschil over

Nadere informatie

WATERWERKBLAD. DRUKVERHOGINGINSTALLATIES Algemeen

WATERWERKBLAD. DRUKVERHOGINGINSTALLATIES Algemeen WATERWERKBLAD DRUKVERHOGINGINSTALLATIES Algemeen WB 4.3 DATUM: JUNI 2004 Auteursrechten voorbehouden Dit Werkblad heeft betrekking op de hierna aangegeven typen drukverhoginginstallaties. Het is niet van

Nadere informatie

Reglement Administratieve Sancties. Politiezone HEKLA. Gemeente EDEGEM

Reglement Administratieve Sancties. Politiezone HEKLA. Gemeente EDEGEM - 1 - Reglement Administratieve Sancties Politiezone HEKLA Gemeente EDEGEM Goedgekeurd in de gemeenteraad op 18 april 2007. - 2 - HOOFDSTUK I: TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Dit reglement is - behoudens andersluidende

Nadere informatie

TECHNISCHE STEEKKAART nr TS 80/01-A. Koudwatermeters DN < 50

TECHNISCHE STEEKKAART nr TS 80/01-A. Koudwatermeters DN < 50 Belgische Federatie voor de Watersector vereniging zonder winstoogmerk Kolonel Bourgstraat, 127 BE - 1140 Brussel Tel: + 32 (0)2 706 40 90 - Fax: + 32 (0)2 706 40 99 E-mail: [email protected] http//:www.belgaqua.be

Nadere informatie

5 Bediening van een koppeling

5 Bediening van een koppeling 5. Mechanische bedieningssystemen 5 Bediening van een koppeling 5. Mechanische bedieningssystemen 5.. Werking In voertuigen met een voetbediende droge enkelvoudige platenkoppeling is een mechanisme noodzakelijk

Nadere informatie

Forfaitaire verbruiken. Regels voor een elektriciteitsafname zonder meting

Forfaitaire verbruiken. Regels voor een elektriciteitsafname zonder meting C3/2 Forfaitaire verbruiken Regels voor een elektriciteitsafname zonder meting C3/2 Versie 2009.04 1/6 1. Algemeenheden en toepassingsdomein Dit document stelt de regels vast inzake de elektriciteitsafname

Nadere informatie

Aansluitblok type VHS voor radiatoren met onderaansluiting, vóórinstelbaar kraanhuis, afsluit- en aftapmogelijkheid

Aansluitblok type VHS voor radiatoren met onderaansluiting, vóórinstelbaar kraanhuis, afsluit- en aftapmogelijkheid voor radiatoren met onderaansluiting, vóórinstelbaar kraanhuis, afsluit- en aftapmogelijkheid Toepassingsgebied Recht Bocht Het thermostatische VHS kraanlichaam is uiterst geschikt voor montage op radiatoren

Nadere informatie

STAG. Inregelafsluiters DN 65-300 met gegroefde einden

STAG. Inregelafsluiters DN 65-300 met gegroefde einden STAG Inregelafsluiters DN 65-300 met gegroefde einden IMI TA / Inregelafsluiters / STAG STAG Een inregelafsluiter uit nodulair gietijzer met gegroefde einden. Ideaal voor gebruik aan primaire en secundaire

Nadere informatie

MS Semen Storage Pro

MS Semen Storage Pro MS Semen Storage Pro 150 4508425 NL MS Semenstorage PRO 150 Gebruiksaanwijzing... 3 4508425/11-01-2016/F Inhoud MS Semen Storage Pro 150... 1 Bepalingen... 3 Introductie... 4 MS Semen Storage... 5 Aanbevelingen...

Nadere informatie

PROBETON vzw Aarlenstraat 53/B9 1040 Brussel Tel.: +32 (0)2 237 60 20 Fax : +32 (0)2 735 63 56 [email protected] www.probeton.be

PROBETON vzw Aarlenstraat 53/B9 1040 Brussel Tel.: +32 (0)2 237 60 20 Fax : +32 (0)2 735 63 56 mail@probeton.be www.probeton.be PROBETON vzw Beheersorganisme voor de controle van de betonproducten PROBETON vzw Aarlenstraat 53/B9 1040 Brussel Tel.: +32 (0)2 237 60 20 Fax : +32 (0)2 735 63 56 [email protected] www.probeton.be TECHNISCHE

Nadere informatie

AANPASSINGEN / TOEVOEGINGEN VOOR HANDBOEK HOGE DRUK 7 E DRUK, JULI 2008

AANPASSINGEN / TOEVOEGINGEN VOOR HANDBOEK HOGE DRUK 7 E DRUK, JULI 2008 Algemeen In het gehele handboek is het woord spuitkop vervangen door nozzle of is verwijderd. De definitie van een nozzle is aangepast. Zie hiervoor onderstaande aanpassingen. Een opsomming van de pagina

Nadere informatie

AFDELING VOORWAARDEN MET BETREKKING TOT GASTURBINES EN STOOM- EN GASTURBINE- INSTALLATIES

AFDELING VOORWAARDEN MET BETREKKING TOT GASTURBINES EN STOOM- EN GASTURBINE- INSTALLATIES p.1/5 AFDELING 5.43.3. VOORWAARDEN MET BETREKKING TOT GASTURBINES EN STOOM- EN GASTURBINE- INSTALLATIES Art. 5.43.3.1. 1. In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden, bepaald in hoofdstuk 4.4, moeten

Nadere informatie

GASTEC QA Keuringseis 191 Maximum debiet beveiligingskleppen

GASTEC QA Keuringseis 191 Maximum debiet beveiligingskleppen Januari 2001 GASTEC QA Keuringseis 191 Maximum debiet beveiligingskleppen COLOFON GASTEC NV, Centrum voor Gastechnologie, werkt voor energiebedrijven, fabrikanten en andere opdrachtgevers met behoefte

Nadere informatie

Gascat Brise Puls Gascat Brise Plus gasdrukregelaar Gebruiksaanwijzing

Gascat Brise Puls Gascat Brise Plus gasdrukregelaar Gebruiksaanwijzing Gascat Brise Puls Gascat Brise Plus gasdrukregelaar Gebruiksaanwijzing INHOUDSOPGAVE 1. Opslag 2. Montagevoorschrift 3. In- en uitbedrijfname 3.1 In- bedrijfname 3.2 Uit- bedrijfname 3.3 Eerste maal in

Nadere informatie

Arbeidsomstandighedenregeling. Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen. Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen

Arbeidsomstandighedenregeling. Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen. Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen Arbeidsomstandighedenregeling Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen Artikel 4.1. Definities Voor de toepassing van deze paragraaf

Nadere informatie

Meten van het elektrisch vermogen van ventilatoren

Meten van het elektrisch vermogen van ventilatoren OPTIVENT achtergrondbijlage 12 Meten van het elektrisch vermogen van ventilatoren Paul Van den Bossche Samuel Caillou Afdeling Klimaat, Installaties en Energieprestatie (CLIE) Onderzoeksgroep ventilatie

Nadere informatie

TECHNISCHE GEBRUIKSAANWIJZING RTI-C

TECHNISCHE GEBRUIKSAANWIJZING RTI-C TECHNISCHE GEBRUIKSAANWIJZING RTI-C 1 OVERZICHT I) TECHNISCHE GEGEVENS I.1) Presentatie I.2) Kenmerken I.3) Installatie II) AANSLUITING II.1) Aansluiting hydraulisch II.2) Aansluiting elektrisch III) WERKING

Nadere informatie

Kiwa Productcertificaat K92471/02 Pagina 2 van 6

Kiwa Productcertificaat K92471/02 Pagina 2 van 6 Productcertificaat K92471/02 Uitgegeven 2018-04-05 Vervangt K92471/01 Pagina 1 van 6 VERKLARING VAN KIWA Met dit, conform het Kiwa-Reglement voor Productcertificatie, afgegeven productcertificaat verklaart

Nadere informatie

5.5.2 Bijzondere bepalingen van toepassing op gegaste laadeenheden (UN 3359)

5.5.2 Bijzondere bepalingen van toepassing op gegaste laadeenheden (UN 3359) HOOFDSTUK 5.5 BIJZONDERE BEPALINGEN 5.5.1 (Geschrapt) 5.5.2 Bijzondere bepalingen van toepassing op gegaste laadeenheden (UN 3359) 5.5.2.1 Algemeen 5.5.2.1.1 Gegaste laadeenheden (UN 3359) die geen andere

Nadere informatie

Handleiding rookgascondensor INHOUDSOPGAVE: WERKING. 1.1 Algemeen 1.2 Werking INSTALLATIE

Handleiding rookgascondensor INHOUDSOPGAVE: WERKING. 1.1 Algemeen 1.2 Werking INSTALLATIE Handleiding rookgascondensor INHOUDSOPGAVE: WERKING 1.1 Algemeen 1.2 Werking INSTALLATIE 2.1 Aflevering 2.2 Voorschriften 2.3 Opstelling 2.4 Montage beveiligingen 2.5 Montage rookgasafvoer 2.6 Montage

Nadere informatie

van Spuitlijmconcurrent B.V. Artikel 1: Definities 1.1. In deze algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden wordt verstaan onder:

van Spuitlijmconcurrent B.V. Artikel 1: Definities 1.1. In deze algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden wordt verstaan onder: ALGEMENE VERKOOP- EN LEVERINGSVOORWAARDEN van Spuitlijmconcurrent B.V. Artikel 1: Definities 1.1. In deze algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden wordt verstaan onder: a. Spuitlijmconcurrent: de besloten

Nadere informatie

Verwarming Water Verrekening Benelux. Voor meting van waterverbruik in:

Verwarming Water Verrekening Benelux. Voor meting van waterverbruik in: Verwarming Water Verrekening Benelux SIEMECA Mechanische watermeter WFU... WFK... WFW... Mechanische watermeter voor meting van het koud- en warm tapwaterverbruik. Aanduiding van het gecumuleerde verbruik.

Nadere informatie

CEEPEE 15 K / G / M. Montagevoorschrift condenswaterpomp

CEEPEE 15 K / G / M. Montagevoorschrift condenswaterpomp Montagevoorschrift condenswaterpomp CEEPEE 15 K / G / M Zelfaanzuigend tot 1,5 m Opvoerhoogte 9 m / 18 m. Universeel toepasbaar Zeer laag geluidsniveau 1 Het beoogde gebruik De condenswaterpomp is bedoeld

Nadere informatie

DAL 516. Drukverschilregelaars Met instelbaar setpoint en debietregeling

DAL 516. Drukverschilregelaars Met instelbaar setpoint en debietregeling DAL 516 Drukverschilregelaars Met instelbaar setpoint en debietregeling IMI TA / Drukverschilregelaars / DAL 516 DAL 516 Compacte drukverschilregelaar voor variabel debiet in verwarming- en koelsystemen.

Nadere informatie

Spar-set "FHT 80 BTFn" Ventielaandrijving

Spar-set FHT 80 BTFn Ventielaandrijving Versie 03/10 Bestnr. 64 64 63 Spar-set "FHT 80 BTFn" Ventielaandrijving Alle rechten, ook vertalingen, voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een automatische gegevensbestand,

Nadere informatie

Eisen VWA/Nmi. Q n. In formules: 1. x Q n. Van e-voorverpakking in gram of ml. In % van Q n In gram of ml

Eisen VWA/Nmi. Q n. In formules: 1. x Q n. Van e-voorverpakking in gram of ml. In % van Q n In gram of ml Eisen VWA/Nmi Op voorverpakkingen van levensmiddelen staat vaak de letter e, achter de massa- of volumeaanduiding. Dit e-teken is een garantieteken dat de massa- of volume-inhoud van een voorverpakking

Nadere informatie

Provinciale dienst van:... Datum:... Verantwoordelijke Controleur:... Nr:... Operator :... N uniek... Adres :... C NC Punten NA

Provinciale dienst van:... Datum:... Verantwoordelijke Controleur:... Nr:... Operator :... N uniek... Adres :... C NC Punten NA Provinciale dienst van:... Datum:... Verantwoordelijke Controleur:... Nr:... Operator :... N uniek... Adres :...... 209: Groothandel van materialen bestemd om direct met levensmiddelen in aanraking te

Nadere informatie

Jabsco Lobben - en impellerpompen. Verdringerpompen

Jabsco Lobben - en impellerpompen. Verdringerpompen Jabsco Lobben - en impellerpompen Verdringerpompen 175 Jabsco Lobbenpompen De lobbenpomp is van oorsprong ontwikkeld als sanitaire verdringerpomp voor het verpompen van voedingsmiddelen. Door het hygiënische

Nadere informatie

Handleiding. Onderdelen apparatuur

Handleiding. Onderdelen apparatuur NL Handleiding De STABILA REC-0 Line is een eenvoudig te bedienen receiver waarmee u snel laserlijnen kunt ontvangen. Met de receiver REC-0 Line kunnen uitsluitend pulsgemoduleerde laserstralen van STABILA-lijnlaserapparaten

Nadere informatie

DrupTek. Algemene Voorwaarden

DrupTek. Algemene Voorwaarden Algemene Voorwaarden 1. Definities. In deze algemene voorwaarden worden de hiernavolgende termen in de navolgende betekenis gebruikt, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven. Opdrachtgever: de wederpartij

Nadere informatie

Codex over het welzijn op het werk. Boek III.- Arbeidsplaatsen. Titel 4. Ruimten met risico s voor een explosieve atmosfeer

Codex over het welzijn op het werk. Boek III.- Arbeidsplaatsen. Titel 4. Ruimten met risico s voor een explosieve atmosfeer Codex over het welzijn op het werk Boek III.- Arbeidsplaatsen Titel 4. Ruimten met risico s voor een explosieve atmosfeer Omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn 1999/92/EG van het Europees

Nadere informatie

klik op de volgende link. zie:

klik op de volgende link. zie: Wetsartikel Regelgeving LPG reservoirs 2016 Er gaat een schrijven rond vanuit activiteitenregeling milieubeheer betreft het vullen van LPG gasdamptanks vanaf 2016 verboden is. Jammer dat er zoveel mensen

Nadere informatie

Typeoverzicht. Technische gegevens

Typeoverzicht. Technische gegevens Technische gegevens Voor gesloten koud- en warmwatersystemen voor waterzijdige vaste regeling in luchtbehandelings- en verwarmingsinstallaties Klikmontage van de aandrijving. overzicht DN [ ] Vnom [ l/h]

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.3.2003 COM(2003) 114 definitief 2003/0050 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de statistische gegevens die moeten worden gebruikt

Nadere informatie

CONCEPT WATERWERKBLAD UITVOERING PERSPROEF DATUM: OKT 2014

CONCEPT WATERWERKBLAD UITVOERING PERSPROEF DATUM: OKT 2014 Herziening van juni 2004 CONCEPT WATERWERKBLAD WB 2.3 UITVOERING PERSPROEF DATUM: OKT 2014 Auteursrechten voorbehouden Met betrekking tot de persproef is in artikel 2.3 van NEN 1006 (AVWI-2014) het volgende

Nadere informatie

Kalibreren van meetapparatuur

Kalibreren van meetapparatuur Kalibreren van meetapparatuur Vanuit de wettelijk verplichte F-gassen regeling bent u als koeltechnisch bedrijf verplicht met gekeurde meetapparatuur te werken. Afgelopen periode heeft STEK geconstateerd

Nadere informatie

Het verdient aanbeveling de concentratie FRIOGEL te controleren ter gelegenheid van onderhoudswerken (minstens elke 2 jaar).

Het verdient aanbeveling de concentratie FRIOGEL te controleren ter gelegenheid van onderhoudswerken (minstens elke 2 jaar). I DEFINITIE FRIOGEL is een antivries op basis van monopropyleen glycol en corrosie-inhibitoren, speciaal ontworpen voor centrale verwarmingscircuits met watercirculatie en voor klimatisatie. Na oplossing

Nadere informatie

beheersorganisme voor de controle van de betonproducten Tel. (02) Fax (02) TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN PTV

beheersorganisme voor de controle van de betonproducten Tel. (02) Fax (02) TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN PTV PROBETON Vereniging zonder winstoogmerk beheersorganisme voor de controle van de betonproducten Aarlenstraat 53 - B9 1040 BRUSSEL Tel. (02) 237.60.20 Fax (02) 735.63.56 e-mail : [email protected] website

Nadere informatie

WAGAPARTS LY-128 CONVECTIE KACHEL

WAGAPARTS LY-128 CONVECTIE KACHEL LY 128 CONVECTIE KACHEL WAGAPARTS LY-128 CONVECTIE KACHEL Deze instructies zijn alleen geldig indien de land code op het apparaat is weergegeven. Indien deze code niet op het apparaat is weergegeven, is

Nadere informatie

Proefvaren en punt 15 van het certificaat. Artikel 5.04 Belading tijdens de proefvaart

Proefvaren en punt 15 van het certificaat. Artikel 5.04 Belading tijdens de proefvaart Proefvaren en punt 15 van het certificaat Artikel 5.04 Belading tijdens de proefvaart Beladingstoestand van schepen en samenstellen tijdens de proefvaart Schepen en samenstellen die bestemd zijn voor het

Nadere informatie

Koninklijk Besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen.

Koninklijk Besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen. Koninklijk Besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen. Van commentaar voorzien door Caelen Erik Laatste wijziging: KB 20 december 2007, BS 15 juli

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding CCM Classic Koffer Meetkoffer voor het nauwkeurig bepalen van het vochtpercentage in bouwstoffen volgens de calcium carbid methode. Dryfast Kreekweg 22 NL - 3133 AZ - Vlaardingen

Nadere informatie