Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer mr. A.J. de Geus Postbus LV DEN HAAG. B/1155 AC/2185 Pens.

Vergelijkbare documenten
' Zie de brief van deze organisaties van 2 november 1999 aan de Vaste Tweede Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

AC/2149 Pens./1817. Geachte heer De Geus,

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer mr. A.J. de Geus Postbus LV DEN HAAG. Geachte heer De Geus,

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

STiCHTING VAN DE ARBEID. Aan de leden van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Voorstel van wet houdende invoering van de Pensioenwet (Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet)

4 Doel van de Pensioenwet

3. Werknemers die niet deelnemen aan de pensioenregeling van de werkgever

Info over de PENSIOENWET voor Ondernemingspensioenfondsen. Nieuwe verdeling verantwoordelijkheden tussen werkgever, werknemer en pensioenuitvoerder

Bewaar deze startbrief zorgvuldig. Pensioen heeft nu misschien niet uw hoogste aandacht, binnenkort kan dat anders zijn.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

Communicatieregels IORP II. mr. Monica Swalef

Directie Directe Belastingen. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG. 16 november 2007 DB M

Kamervragen van de leden Omtzigt en Van Hijum (beiden CDA)

Pensioenregeling Stichting pensioenfonds Groothandel Vegro

Tweede Kamer der Staten-Generaal

4. Toegankelijkheid. 4.1 Inleiding

7 VERBOND VAN VERZEKERAARS

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Info over de PENSIOENWET voor Bedrijfstakpensioenfondsen. Nieuwe verdeling verantwoordelijkheden tussen werkgever, werknemer en pensioenuitvoerder

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Postbus LV Den Haag Parnassusplein 5 T

Aan de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit de Tweede Kamer der Staten- Generaal Postbus EA DEN HAAG

DNB en AFM zijn op grond van de Europese pensioenrichtlijn (2003/31/EG) verplicht om te dit overzicht te publiceren.

Nr. 2 Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Beleidsregels ontheffingen Pensioen- en spaarfondsenwet

Stichting S van de Arbeid

Tweede Kamer der Staten-Generaal

De Rol van de Ondernemingsraad bij Pensioen. 1. Wettelijke bevoegdheid

Regels betreffende pensioenen (Pensioenwet) Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Belangenvereniging SPD De Pensioenwet vanaf 1 januari 2007

DNB-intern. 27 januari Volledig herverzekerde fondsen 2011/ Vinken, W.C.M. Geacht bestuur,

SAMEN SAMEN VOOR LATER EEN NIEUWE WERKGEVER. WAT NU MET MIJN PENSIOEN?

Aanvullend reglement Pensioenopbouw boven Salarisgrens (hoog)

Overzicht Nederlands sociaal en arbeidsrecht en voorschriften van informatieverstrekking

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

Addendum 2 bij het Pensioenreglement Sanoma 2009 pensioenregeling, van Stichting Pensioenfonds Sanoma Nederland, contractnummer

3. De positie van pensioenfondsen in de PSW

NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN

: Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V. h.o.d.n. Centraal Beheer Achmea, gevestigd te Apeldoorn, verder te noemen de Pensioenuitvoerder.

Veel gestelde vragen Wet waardeoverdracht klein pensioen

Artikel 1 - Definities

Wat is nu precies de rol van de werkgever, de vakbonden en het bestuur van het pensioenfonds?

VOORGENOMEN LIQUIDATIE PENSIOENFONDS

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer mr. J.P.H. Donner, Postbus LV DEN HAAG. AC/3327A Pens.

IORP II De implementatie is nu een feit: Communicatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Reglement arbeidsongeschiktheidspensioen Stichting Voorzieningsfonds Getronics

Aanvullend pensioenreglement "Excedent middelloon "

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

Nadere reactie van de Stichting van de Arbeid op het voorontwerp van de Wet pensioencommunicatie

Addendum 2 bij het Pensioenreglement pensioenregeling A, van Stichting Pensioenfonds Sanoma Nederland, contractnummer

Waarom een APF? mr. Marianne M. Zweers Juridische zaken a.s.r.

DE NIEUWE PENSIOENWET

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

Reglement Versleepregeling

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2009Z02723/ Kamervragen van het lid Omtzigt

LATER = NU. Een nieuwe werkgever wat nu met mijn pensioen? informatie over uw pensioen

Aandachtspuntenlijst reglementen rechtstreekse regeling

Via deze brief krijgt u verdere (achtergrond)informatie over de huidige situatie en wat dit voor uw pensioen betekent.

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mr. A.J. de Geus Postbus LV Den Haag. Geachte heer De Geus,

Aanvullend reglement

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE. Motie Omtzigt/Hamer

ADDENDUM BIJ DE PENSIOENOVEREENKOMST

Klein pensioen groot maken

DNB-intern. 27 januari Gedeeltelijk herverzekerde fondsen 2011/ Vinken, W.C.M. Geacht bestuur,

Stichting IKEA Pensioenfonds. Reglement Verantwoordingsorgaan

1. In het eerste en tweede lid wordt schriftelijk vervangen door: schriftelijk of elektronisch.

Stichting Norit Pensioenfonds

Datum 3 juni 2016 Betreft Kamervraag van het lid Lodders (VVD) over het bericht Pensioenfondsen verhuizen naar België

Bewaar deze brief en de bijbehorende brochure zorgvuldig. Pensioen heeft nu misschien niet uw hoogste aandacht, binnenkort kan dat anders zijn.

Reglement Verantwoordingsorgaan Stichting Pensioenfonds Equens

Memo. Van TKP. Kenmerk. Datum 15 juni Onderwerp Communicatie-verplichtingen IORP II. Aantal pagina s 7 1/7

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Overeenkomst Collectieve Waardeoverdracht

Stichting Pensioenfonds Allianz Nederland. Waardeoverdracht uit dienst

Bestuursreglement van Stichting Pensioenfonds Haskoning

Stichting Pensioenfonds Trespa. Brochure Pensioenregeling

1. Waarom moet het pensioenfonds ANWB extra maatregelen nemen?

Verkort Jaarverslag 2006

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

V & A s n.a.v. Wet versterking bestuur pensioenfondsen d.d. 24 januari 2014

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Veel gestelde vragen Wet waardeoverdracht klein pensioen

STICHTING PENSIOENFONDS VAN DE METALEKTRO AANVULLEND REGLEMENT. Pensioenopbouw boven de Salarisgrens (hoog) voor het personeel van <naam onderneming>

, moo AB Amsterdam 7301 BD Apeldoorn. Autoriteit Financiële Markten. De Ñederlandsche Bank Eurosysteem

Reglement Verantwoordingsorgaan, d.d. 25 september Reglement Verantwoordingsorgaan. Stichting Pensioenfonds Equens

Datum Briefnummer Behandeld door Doorkiesnummer N.W. Dijkhuizen 630

7. Bouw ik nu meer/minder op? Bij Coop Pensioenfonds bouwt u 1,64% op (2016). Bij BPFL gaat u 1,875% opbouwen (2016).*

Stichting Pensioenfonds GE Artesia Bank

Stichting Pensioenfonds Caribisch Nederland. Uitvoeringsreglement als bedoeld in artikel 11f van de Pensioenwet ambtenaren BES

Aandachtspuntenlijst reglementen (Bpf)

Toelichting bij de ministeriële regeling toeslagenmatrix.

Waardeoverdracht bij indiensttreding. Pensioenfonds DNB. Waardeoverdracht bij indiensttreding

De Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Eerste Kamer

Transcriptie:

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer mr. A.J. de Geus Postbus 90801 2509 LV DEN HAAG B/1155 AC/2185 Pens./1839 Den Haag : 19 januari 2005 Ons kenmerk : S.A.05.00397/K Uw Kenmerk : AV/PB/04/80818 Betreft : Commentaar op het Ambtelijk Consultatiedocument Pensioenwet Geachte heer De Geus, In deze brief geeft de Stichting van de Arbeid haar reactie op het ambtelijk consultatiedocument Pensioenwet dat zij op 19 november 2004 van de zijde van uw departement heeft ontvangen. In de aanbiedingsbrief vroeg uw directeur Arbeidsverhoudingen de Stichting om haar opvattingen over de keuzes die in dit ontwerp van een Pensioenwet zijn gemaakt. De Stichting geeft haar reactie vooral op hoofdlijnen. Zij heeft begrepen dat ook andere organisaties om commentaar is gevraagd en dat in het bijzonder de organisaties van pensioenuitvoerders meer in detail op de voorgenomen wetgeving zullen reageren. Het voorgelegde consultatiedocument betreft een werk in uitvoering. Dit betekent dat nog niet alle onderwerpen in wetsartikelen of in de memorie van toelichting een plaats hebben gevonden en dat wel behandelde onderwerpen nog kunnen veranderen, zoals recent is gebeurd ten aanzien van het toezicht. De Stichting van de Arbeid reageert op het document zoals dat aan haar is voorgelegd met inbegrip van de daarop tot nu toe aangebrachte wijzigingen. Zij behoudt zich het recht voor om te zijner tijd te reageren op nieuwe of gewijzigde onderdelen van de Pensioenwet. Daarnaast wijst de Stichting van de Arbeid erop dat over een aantal belangrijke onderdelen van de nieuwe wet de discussie nog gaande is. Zij wijst in dit verband op de nieuwe financiële regels voor pensioenfondsen, op het onderwerp Pension Fund Governance en de discussie over een alternatief model voor de uitvoering van pensioenregelingen. Over deze twee laatste onderwerpen heeft de Stichting recent adviesaanvragen ontvangen. De Stichting heeft zich voorgenomen over beide onderwerpen nog vóór medio 2005 advies uit te brengen. Vertrekpunten voor de reactie van de Stichting zijn de aanbevelingen Moderne en betaalbare pensioenen voor alle werknemers en de SER-adviezen over de nieuwe

2 pensioenwet 1. De SER heeft in zijn adviezen over de Nieuwe Pensioenwet zijn oordeel gegeven over een veertiental voorgelegde specifieke voorstellen en heeft daarnaast nog over een aantal andere onderwerpen geadviseerd. De keuzes die in het consultatiedocument zijn gemaakt terzake de onderwerpen die in de SER-adviezen aan de orde zijn geweest stemmen voor een belangrijk deel overeen met de keuzes die de SER en ook de Stichting hebben gemaakt. Dit geldt in het bijzonder voor de afschaffing van regelingen met gebruik van spaarfondsen en van eenmansfondsen, het omgaan met vermogensoverschotten en -tekorten, de benoeming van werknemersbestuursleden bij ondernemingspensioenfondsen en het door de SER toegevoegde punt van de informatieplicht bij betalingsverzuim. Bijzondere vermelding verdient hier de keuze voor de uitvoeringsovereenkomst als reactie op de door de SER geadviseerde opdrachtbrief. Ten aanzien van de indexering van de pensioenuitkeringen hebben SER en Stichting een grotere transparantie en explicitering van het toeslagbeleid bepleit. Het wetsvoorstel voorziet daarin en kan in dat opzicht rekenen op instemming van de Stichting. In dit verband acht de Stichting het van belang dat in de Pensioenwet een bepaling wordt opgenomen die pensioenfondsen verplicht ook in het jaarverslag in algemene zin aandacht te besteden aan het in de komende jaren te voeren indexatiebeleid. De Stichting van de Arbeid is bereid in het kader van de discussie over Pension Fund Governance die dit jaar binnen de Stichting samen met vertegenwoordigers van pensioenkoepels en het CSO wordt gevoerd, te bezien op welke wijze hieraan nadere inhoud moet worden gegeven. Op een aantal andere punten zijn keuzes gemaakt die afwijken van eerdere opvattingen van het kabinet en/of die ook enigszins verschillen van de opvattingen van de SER over die punten, maar die thans wel kunnen rekenen op de instemming van de sociale partners. Het gaat hierbij om: de nieuwe regels ten aanzien van pensioentoezeggingen met beleggingsvrijheid voor de werknemer (met dien verstande dat de bepaling van de inhoud van de pensioenovereenkomst voorbehouden blijft aan sociale partners); de positie van de directeur-grootaandeelhouder; het klachtrecht van de deelnemersraden; het niet overnemen van het advies tot instelling van een geschillencommissie; de bepalingen inzake bijzonder weduwe-/weduwnaarspensioen. 1 Stichting van de Arbeid, Moderne en betaalbare pensioenen voor alle werknemers, Geactualiseerde agenda met aanbevelingen voor het decentrale pensioenoverleg voor de komende jaren, publicatienummer 5/01, Den Haag 2001; SER-advies Nieuwe Pensioenwet, publicatienummer 01/06, Den Haag 2001; SER, Aanvullend advies Nieuwe Pensioenwet, publicatienr. 02/01, Den Haag 2002.

3 Bij een aantal andere keuzes plaatst de Stichting echter kritische kanttekeningen. Het gaat dan om de keuzes ten aanzien van een aantal hoofdonderwerpen waarbij is afgeweken van wat de SER indertijd heeft geadviseerd. Het betreft hier: 1. de zogenoemde algemene werking; 2. de minimumleeftijd; 3. de voorlichting; 4. pensioenfondsen aan de top van een holding en de waardeoverdracht en afkoop. Voorts maakt de Stichting in deze brief nog enkele opmerkingen over het toezicht en over enkele andere onderwerpen. Algemene werking In het concept-wetsvoorstel wordt, zoals eerder door het kabinet is aangegeven, de mogelijkheid tot algemene werking opgenomen. Deze zal in werking treden als de witte vlek in 2006 niet voldoende is verkleind. Zowel de Stichting van de Arbeid als de SER hebben in het verleden aangegeven dat het belangrijk is om de witte vlek te verkleinen. Niet voor niets luidt de titel van de vigerende set pensioenaanbevelingen van de Stichting van de Arbeid: Goede en betaalbare pensioenen voor alle werknemers. In navolging van de SER is ook de Stichting van oordeel dat de verkleining van de witte vlek in beginsel moet plaatsvinden langs de lijnen van het arbeidsvoorwaardenbeleid. Pensioen is een arbeidsvoorwaarde die wordt overeengekomen in overleg tussen werkgever en werknemer c.q. sociale partners. De Stichting wijst wetgeving om te komen tot algemene werking op dit moment dan ook af. Los van deze meer principiële opvatting meent de Stichting dat er geen reden is nu reeds in de wet een voorziening te treffen voor de introductie van algemene werking. Zij wijst erop dat uit onderzoek door de Pensioencommissie van de SER gebleken is dat in de periode 1996-2001 de relatieve omvang van de witte vlek is afgenomen 2. De Stichting verwacht dat ook het onderzoek dat in 2006 is gepland, zal bevestigen dat de witte vlek substantieel verder is verkleind. Het nu reeds opnemen van een voorziening in de wet doet geen recht aan de inspanningen van sociale partners de witte vlek te verkleinen. De Stichting van de Arbeid stelt dan ook voor de hierop betrekking hebbende artikelen niet in de Pensioenwet op te nemen. Minimumleeftijd In het wetsvoorstel wordt bepaald dat uiterlijk op 18-jarige leeftijd begonnen wordt met de verwerving van pensioen (tenzij de werknemer bij indiensttreding ouder is dan 18 jaar). In de adviesaanvraag aan de SER koos het kabinet voor de leeftijd van 23 jaar 2 SER; Witte vlekken op pensioengebied, quick scan 2001, Pensioencommissie, Den Haag 2002.

4 (minimumloon voor volwassenen). De wijziging houdt verband met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, omdat verondersteld wordt dat de leeftijd van 23 jaar eerder spanning met deze wet zal opleveren. De Stichting van de Arbeid heeft bezwaar tegen deze voorgenomen bepaling. Niet omdat de Stichting tegen verwerving is van pensioenaanspraken op jeugdige leeftijd. In de eerder genoemde set pensioenaanbevelingen wordt aanbevolen om nog bestaande leeftijdsgrenzen met betrekking tot deelname aan pensioenregelingen te verlagen of af te schaffen 3. Zij wijst er daarbij op dat in de voorbije periode het aantal regelingen waarbij sprake is van een toetredingsleeftijd sterk is verminderd en dat voor zover er nog sprake is van een toetredingsleeftijd, deze in veel gevallen is verlaagd. 4 Het bezwaar van de Stichting richt zich tegen het algemene en verplichtende karakter van het voorschrift. Een dergelijke algemene verplichting houdt geen rekening met specifieke omstandigheden in bepaalde sectoren of branches. In een aantal belangrijke sectoren, bijvoorbeeld in de horeca, de detailhandel en de uitzendsector, komen veel relatief kortdurende dienstverbanden voor, veelal in deeltijd, die voor een groot deel worden aangegaan met scholieren en studenten. Het toekennen van pensioenaanspraken aan deze categorie werknemers leidt tot hoge kosten voor de pensioenuitvoerders waarbij de administratiekosten vaak hoger zijn dan de verworven aanspraken. Uiteraard hebben sociale partners ook in deze sectoren de afgelopen jaren nadrukkelijk aandacht geschonken aan opheffing of verlaging van toetredingsdrempels. In veel gevallen heeft dit bijvoorbeeld geleid tot een substantiële verlaging van de minimumleeftijdsgrens ten opzichte van wat een aantal jaren geleden nog gebruikelijk was (veelal 25 jaar). In de desbetreffende sectoren hebben partijen evenwel - voornamelijk met het doel om onnodige en ongewenste verhoging van administratieve lasten te voorkomen - gekozen voor een leeftijd die enkele jaren ligt boven de 18 jaar (veelal 20 of 21 jaar). Gelet op het voorgaande meent de Stichting dan ook dat het verstandig is om in de Pensioenwet geen minimumleeftijdsgrens op te nemen. Zij wijst er daarbij op dat de WGBLA daartoe ook niet verplicht maar toetredingsleeftijden voor pensioenregelingen expliciet uitzondert. De Stichting herhaalt hier haar opvatting dat zij van oordeel is dat pensioenregelingen bij voorkeur geen toetredingsleeftijd moeten bevatten, maar dat als sociale partners goede en zwaarwegende redenen hebben om een toetredingsleeftijd te hanteren die past bij de omstandigheden van de branche of sector, dit mogelijk moet zijn. 3 4 Zie aanbeveling nr. 9 uit Moderne en betaalbare pensioenen voor alle werknemers; Stichting van de Arbeid, 17 mei 2001, publicatienummer 5/01 Gemeten in actieve deelnememers heeft in 2004 nog maar 18,7 procent te maken met een leeftijdsgrens van 25 jaar; in 1996 was dit 54 procent. In dezelfde periode is de categorie geen leeftijdsgrens gegroeid van 27,4 naar 51 procent. De groep met een leeftijdsgrens tussen de 21 en 24 jaar is vrijwel gelijk gebleven (18 procent). De groep met een leeftijdsgrens tussen 16 en 20 is fors gestegen van 0,1 procent in 1996 tot 7,9 procent in 2004. Zie: PVK, Pensioenmonitor, stand van zaken 1 januari 2004, Apeldoorn, 2004 en SER, Witte vlekken op pensioengebied, quick scan 2001, Den Haag 2001.

5 In het geval de wetgever niettemin toch een leeftijdsgrens in de wet wil opnemen, zouden de sociale partners het kunnen billijken wanneer deze grens, gelet op het bovenstaande, niet lager wordt gesteld dan op 21 jaar. Voorlichting De voorgestelde wet bevat een zeer precieze omschrijving van de voor werkgever en pensioenuitvoerder verplichte voorlichting. Eerder hebben de Stichting en de SER aangegeven dat de voorlichting over pensioenen verbetering behoeft maar dat deze primair een verantwoordelijkheid is van werkgevers en pensioenuitvoerders. Ook ten aanzien van de informatieverstrekking door werkgevers over pensioendeelname en de regeling waaraan wordt deelgenomen, zijn verbetering en verduidelijking bepleit. De Stichting vindt dat de voorgestelde regelgeving te dirigistisch en te gedetailleerd is en daarmee te zeer de verantwoordelijkheid overneemt van pensioenuitvoerders. Ook biedt de voorgestelde regelgeving weinig mogelijkheden om de voorlichting aan te passen aan de aard en mogelijkheden van het pensioenfonds c.q. de pensioenuitvoerder. Het voorstel kent een precieze verdeling van informatieverplichtingen over papier en schriftelijk waarbij dit laatste ook elektronische verwerking / informatieverstrekking omvat. De Stichting meent dat daarmee onvoldoende ruimte wordt gelaten om in te spelen op de snelle ontwikkelingen op dit gebied met nieuwe mogelijkheden om de betrokkenen te laten kiezen welke informatie zij hoe en in welke frequentie wensen te ontvangen. Wat de informatieverplichting van de werkgever betreft, zou het voorstel zo gaan luiden dat de werkgever verplicht wordt deze informatie te laten verzorgen door de pensioenuitvoerder. Hoewel de Stichting veronderstelt dat veel werkgevers de informatievoorziening graag zullen laten uitvoeren door de pensioenuitvoerder ziet zij geen reden om dit verplicht te stellen. Als de werkgever een informatieverplichting heeft, moet het hem ook mogelijk zijn zelf de volledige verantwoordelijkheid hiervoor te nemen. De Stichting is dan ook van oordeel dat de keuze in dezen aan de werkgever moet worden gelaten. De Stichting heeft begrepen dat deze recente wijziging ten aanzien van de informatieplicht samenhangt met de beoogde rol van de Autoriteit Financiële Markten in het toezicht op pensioenuitvoerders. Zij vindt het echter een volstrekt onjuiste aanpak om een keuze van de overheid terzake het toezicht (waarop de Stichting in het vervolg van deze brief nog kritisch zal ingaan) bepalend te laten zijn voor de inhoud van een voorschrift in de Pensioenwet over de wijze van voorlichting. Het is immers vanwege de toezichtsrol die thans aan de AFM wordt toegedacht dat nu wordt voorgesteld de werkgever te verplichten de informatie die hij moet verstrekken te laten verzorgen door de pensioenuitvoerder, terwijl eerder het voornemen was (zie de hoofdlijnennotitie) om juist de werkgever voor deze informatieverstrekking verantwoordelijk te maken.

6 Pensioenfondsen aan de top van een holding De discussie over de rol van pensioenfondsen heeft geresulteerd in het rapport van de commissie Staatsen, de reactie daarop van de Stichting van de Arbeid en het kabinetsstandpunt dat is neergeslagen in het wetsvoorstel. Het voorstel bevat de mogelijkheid bij AmvB nadere regels te stellen ter uitwerking van het wettelijk verbod op nevenactiviteiten. Op deze punten is echter nog geen sprake van volstrekt uitgekristalliseerde opvattingen. De Stichting behoudt zich daarom nadrukkelijk het recht voor om op een later moment op deze onderdelen van de voorgenomen wetgeving te reageren. Waardeoverdracht In het advies Nieuwe Pensioenwet heeft de SER ingestemd met de voorgenomen verruiming van de mogelijkheden van waardeoverdracht en de mogelijkheid bepleit om waardeoverdracht van oude gevallen te vergemakkelijken. Het wetsvoorstel voorziet in die mogelijkheden en kan op instemming van de Stichting rekenen. Daarbij maakt de Stichting een voorbehoud voor de waardeoverdracht van en naar het buitenland waarvoor de regels nog niet zijn opgenomen in het consultatiedocument. Verder vraagt de Stichting in dit verband aandacht voor de relatie tussen waardeoverdracht en afkoop. In het wetsvoorstel wordt de pensioenuitvoerder het recht gegeven op afkoop van kleine pensioenaanspraken niet lang na beëindiging van het deelnemerschap. In haar briefadvies van 4 juni 2004 over de mogelijkheden tot beperking van de administratieve lastendruk voortvloeiende uit pensioenregelgeving waarin deze problematiek ook aan de orde kwam, signaleerde de Stichting het probleem dat werknemers met veel korte dienstverbanden als gevolg van frequente afkoop van kleine aanspraken onvoldoende pensioen zouden opbouwen 5. Daarom is door de Stichting een variant bepleit waarbij, als het gaat om kleine pensioenaanspraken, niet afkoop primair wordt gesteld, maar waardeoverdracht. De gedachte is om wanneer het gaat om een kleine pensioenaanspraak bij wisseling van dienstbetrekking en waardeoverdracht mogelijk is, hier dan ook toe te verplichten. De waardeoverdracht in dergelijke situaties verloopt dan als het ware automatisch. Als de betrokken medewerker niet wil meewerken aan waardeoverdracht of als er geen partij is waaraan kan worden overgedragen, dan pas zou de pensioenuitvoerder tot afkoop mogen overgaan. De Stichting bepleit daarom de wet zodanig te wijzigen dat verplichte waardeoverdracht als uitgangspunt wordt genomen en dat pas als dit niet mogelijk is de pensioenuitvoerder het recht op afkoop wordt gegeven. 5 Brief met kenmerk S.A.04. 05091 /K

7 Los van wat hiervoor over afkoop is gezegd in relatie tot waardeoverdracht zijn de vertegenwoordigers van de centrale werkgeversorganisatie VNO-NCW voorts van mening dat het bedrag waaronder pensioenaanspraken niet mogen worden afgekocht aanzienlijk moet worden verhoogd. Deze vertegenwoordigers denken daarbij aan een verhoging tot een bedrag van ten minste 1000,-- op jaarbasis (in geval van emigratie zou evenals dat thans het geval is het dubbele van dit bedrag moeten gelden). Het verplicht in administratie moeten houden van hele kleine pensioenaanspraken leidt tot relatief hoge administratieve lasten. Het aanzienlijk verhogen van de afkoopgrens kan leiden tot een forse verlichting van de administratieve lastendruk, wat overigens ook zeer goed past binnen de hoofdlijnen van het kabinetsbeleid. Deze werkgeversvertegenwoordigers binnen de Stichting van de Arbeid zouden zich er voorts in kunnen vinden als in de wet de mogelijkheid wordt geschapen om het bedrag dat na afkoop van het pensioen vrijvalt te storten op de levenslooprekening van de betrokken werknemer. De vertegenwoordigers van de centrale werknemersorganisaties FNV, CNV en MHP alsmede de vertegenwoordigers van de centrale werkgeversorganisaties MKB-Nederland en LTO-Nederland zijn het niet eens met vorenstaand voorstel van het VNO-NCW om de afkoopgrens substantieel te verhogen naar ten minste 1000,-- pensioen op jaarbasis. Het voorstel behelst de mogelijkheid van verplichte afkoop van kleine doch voor werknemers met lagere inkomens toch aanvullende pensioenbedragen van enige relatieve substantie bovenop de AOW. Daarbij komt dat het zeer wel mogelijk is dat werknemers in de lagere inkomenscategorieën gedurende hun loopbaan geconfronteerd worden met meerdere van dergelijke afkoopsituaties, waardoor hen de mogelijkheid wordt ontnomen in aanvulling op de AOW een reëel arbeidspensioen op te bouwen. Voorts achten deze vertegenwoordigers de door VNO-NCW voorgestelde afkoopgrens ook veel te hoog in het kader van het unanieme voorstel van de Stichting om waardeoverdracht te laten prevaleren boven afkoop. Als het gaat om pensioenbedragen in de orde van grootte zoals door VNO-NCW is voorgesteld, kunnen ook vraagtekens geplaatst worden bij het verplichte karakter van de waardeoverdracht. De mogelijkheid bestaat immers dat werknemers in de toekomst pensioenverlies leiden door een waardeoverdracht, bijvoorbeeld als het gaat om een waardeoverdracht van een fonds met een hoge dekkingsgraad c.q. met een hoge indexeringsambitie naar een fonds met een lage dekkingsgraad c.q. een lage indexeringsambitie. Gelet op het vorenstaande bepleiten deze vertegenwoordigers zoals eerder is gesteld de wet zodanig te wijzigen dat verplichte waardeoverdracht als uitgangspunt wordt genomen en dat pas als dit niet mogelijk is de pensioenuitvoerder het recht op afkoop wordt gegeven. In relatie hiermee zou kunnen worden overwogen de voorgestelde grens van 400 enigszins te verhogen.

8 Toezicht In de nieuwe Pensioenwet wordt toezicht op de pensioenuitvoerders gedeeld door De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Het toezicht wordt ondergebracht bij DNB. Het gedragstoezicht dat aanvullend is op het toezicht van DNB, zal worden ondergebracht bij de AFM. De Stichting wijst erop dat in het kader van het financieel toetsingskader maar ook op basis van jurisprudentie er een sterke relatie is tussen bijvoorbeeld de voorlichting over indexering en de financiële waarborging van die indexatie. Een duidelijke scheiding van financieel en gedragstoezicht lijkt daarmee niet goed mogelijk. Ook moet worden gevreesd dat het tweeledige toezicht waarvoor is gekozen, zal leiden tot een grotere administratieve lastendruk en tot hogere toezichtskosten voor de pensioensector. De Stichting vindt dan ook de door u gemaakte keuze hoogst ongelukkig en zij blijft van oordeel dat pensioenfondsen onderworpen moeten blijven worden aan een adequaat eenhoofdig toezicht door DNB. Daarbij wijst zij erop dat de AFM is opgericht om toezicht te houden op het gedrag van partijen op de markten van sparen, lenen, beleggen en verzekeren. Het gedragstoezicht richt zich op de vraag of deelnemers aan de financiële markten correct behandeld en juist geïnformeerd worden. Deze situatie wijkt wezenlijk af van die bij pensioenfondsen. Daarbij is sprake van een verplichte deelname aan collectieve regelingen. Dit laatste doet niets af aan het belang van goede en juiste informatie over (de uitvoering van) de regeling waaraan zij deelnemen, maar het plaatst het toezicht op die informatie wel in een ander kader dan het toezicht op informatie over financiële producten waartussen consumenten kunnen kiezen en die worden aangeboden door commerciële partijen. Uiteraard heeft de Stichting kennis genomen van uw brief van 13 december jl. waarin u expliciet aangeeft dat inmiddels door u is gekozen voor een tweehoofdig toezicht zoals in het consultatiedocument is aangegeven. Terecht veronderstelt u in deze brief dat het kan voorkomen dat sprake is van een overlap in competenties en verschillende beoordelingen door de beide toezichthouders. De Stichting is echter van oordeel dat het veel beter is om deze reële risico s te voorkomen dan dat getracht wordt om bij problemen door het hanteren van bepaalde spel of procedureregels te komen tot een heldere conclusie door één toezichthouder. Ook verwacht de Stichting weinig resultaat van pogingen om te komen tot een zodanige taakverdeling tussen DNB en de AFM dat overlap in toezicht of problemen rond de afbakening van competenties niet mogelijk zijn. Overige opmerkingen Tot slot wil de Stichting van de Arbeid nog een kanttekening plaatsen bij enkele overige onderwerpen in de voorgestelde Pensioenwet.

9 In de Pensioenwet zal een artikel worden opgenomen (art. 3:1) waarin wordt bepaald dat de werkgever de werknemer schriftelijk op de hoogte moet stellen van het wel of niet deelnemen aan een pensioenregeling. De SER heeft eerder voorgesteld een dergelijk artikel op te nemen in de artikelen over de arbeidsovereenkomst in het BW. De Stichting bepleit de verplichting uit de Pensioenwet ook op te nemen in het BW. Op die manier bevat het BW alle verplichtingen in het kader van de arbeidsovereenkomst en kan de bedoeling van de bepaling het best gerealiseerd worden. Voor medezeggenschap door deelnemers en gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen bevat het wetsvoorstel wel een technische herziening maar geen inhoudelijke wijziging van de PSW-bepalingen. De Stichting waardeert het zeer dat op deze wijze het vernieuwde convenant tussen de Stichting en het CSO over de verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden wordt gerespecteerd. Voor verdergaande wettelijke maatregelen inzake de medezeggenschap van gepensioneerden zoals door sommige andere partijen wordt voorgesteld, is gedurende de looptijd van het convenant vooralsnog dan ook geen enkele aanleiding. De Stichting staat voorts ook positief tegenover de voorstellen voor medezeggenschap bij pensioenregelingen die bij verzekeraars zijn ondergebracht. Pensioenregelingen kunnen worden uitgevoerd door pensioenfondsen en door verzekeraars. De nieuwe pensioenwet richt zich op de pensioenuitvoerder en maakt slechts in bepaalde gevallen onderscheid tussen beide. Daarmee wordt volgens de Stichting van de Arbeid niet altijd recht gedaan aan de eigenstandige positie van pensioenfondsen, anders dan in de huidige wetgeving, aan de wezenlijke verschillen tussen pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen en aan de verschillen in de relatie tussen werkgever en pensioenfonds en tussen werkgever en verzekeraar. Dit geldt bijvoorbeeld voor de relatie tussen premiebetaling en verzekerd zijn. Anders dan bij pensioenfondsen is een gedane pensioentoezegging bij een verzekeraar gegarandeerd mits de afgesproken premie tijdig is betaald. Het huidige artikel 4 van de Regelen is hierop gebaseerd. Omdat verzekeraars, anders dan pensioenfondsen, niet de mogelijkheid hebben om bij een tekort in de voorzieningen in uiterste instantie de rechten van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden aan te passen, is de Stichting van mening dat genoemd artikel 4 dient terug te komen in de nieuwe pensioenwet. Ook speelt het verschil bij het vaststellen van het pensioenreglement. Bij pensioenfondsen wordt het pensioenreglement vastgesteld door het fondsbestuur waarin werkgever(s) en werknemers zitting hebben. Het voorstel impliceert dat ook bij verzekerde regelingen de pensioenuitvoerder, zijnde de verzekeraar, het reglement vaststelt. De Stichting acht dit laatste principieel onjuist. Het reglement dient te worden opgesteld door de werkgever op basis van de pensioenovereenkomst en dient te worden uitgevoerd door de verzekeraar. Daarbij draagt de verzekeraar uiteraard wel de verantwoordelijkheid voor de juridische correctheid van het reglement, maar niet voor de inhoud ervan.

10 In geval van achterstand in de betaling van premies door de werkgever bevat het voorstel voor de Pensioenwet bepalingen over het informeren door de pensioenuitvoerder van werknemers. De pensioenuitvoerder heeft deze plicht alleen als de betalingsachterstand daadwerkelijk gevolgen heeft voor pensioenaanspraken en -uitkeringen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen pensioenfonds en verzekeraar. Bij de verzekeraar speelt dit in het bijzonder omdat als de premie niet wordt betaald, de verzekering premievrij wordt gemaakt of wordt beëindigd. De Stichting hecht er zeer aan dat de werknemer wordt geïnformeerd over een betalingsachterstand die consequenties kan hebben voor zijn pensioenopbouw en wil aan de informatieplicht ten principale niet afdoen. Wel wijst zij erop dat de voorgestelde regeling ongewenste gevolgen kan hebben omdat verzekeraars als pensioenuitvoerder feitelijk worden gedwongen tot een zeer vroegtijdige melding aan werknemers. Dit zal in een aantal gevallen contraproductief werken. Het zal niet altijd eenvoudig zijn om het tijdstip te bepalen waarop de betalingsachterstand daadwerkelijk gevolgen zal hebben. Een te vroege melding zorgt voor onnodige onrust bij medewerkers en kan bovendien eventuele financiële problemen van het bedrijf verergeren. Afrondend wijst de Stichting van de Arbeid erop dat er ten aanzien van de pensioenen ook discussie is over de taak en rol van de actuaris. Zij neemt zich voor dit onderwerp aan de orde te stellen bij de voorbereiding van het advies over Pension Fund Governance. Dit zou in dat kader eventueel kunnen leiden tot voorstellen de ontwerp- Pensioenwet op dit punt aan te passen. Wat de procedure betreft wil de Stichting van de Arbeid tot slot nog uw aandacht vragen voor een zorgvuldige invoering van dit ingrijpende en majeure wetsvoorstel. De Stichting heeft begrepen dat u heeft gekozen voor een gefaseerde invoering van de Pensioenwet en dat met het oog daarop nog een afzonderlijke Invoeringswet bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. Graag wordt de Stichting in de gelegenheid gesteld ook daarover commentaar te mogen leveren alvorens u het wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State stuurt. Voorafgaande daaraan wil de Stichting alvast uw aandacht vragen voor een zorgvuldige keuze van ook voor pensioenuitvoerders werkbare overgangs- en invoeringstermijnen. Hoogachtend, STICHTING VAN DE ARBEID drs. E.H. Broekema secretaris